Omgevingsregeling

Geraadpleegd op 24-05-2024.
Geldend van 01-01-2024 t/m 31-03-2024

Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling)

De Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, de richtlijn industriële emissies, de richtlijn luchtkwaliteit, de richtlijn omgevingslawaai, de richtlijn storten afvalstoffen, de Seveso-richtlijn, de richtlijn winningsafval, de zwemwaterrichtlijn, het verdrag van Aarhus, het verdrag van Granada en het verdrag van Valletta;

Gelet op de artikelen 1.5, tweede lid, 2.20, tweede en derde lid, 2.21, 2.24, tweede lid, 4.3, derde lid, 12.6, vijfde lid, 13.1, tweede lid, 16.6, 16.55, tweede en zesde lid, 16.88, derde en vierde lid, 20.3, eerste lid, 20.6, tweede lid, aanhef en onder b, 20.14, zesde lid, 20.16, derde lid, en 20.18, eerste lid, van de Omgevingswet;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1. Algemeen

Artikel 1.1. (begripsbepalingen)

Bijlage I bij deze regeling bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze regeling.

Artikel 1.1a. (grondslag)

Afdeling 1.3. Internationaalrechtelijke verplichtingen

Artikel 1.3. (wederzijdse erkenning)

Met een erkenning, kwaliteitsverklaring, certificaat, keuring of norm als bedoeld in deze regeling wordt gelijkgesteld een erkenning, kwaliteitsverklaring, certificaat, keuring of norm, afgegeven, uitgevoerd of goedgekeurd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en partij is bij een verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Afdeling 1.4. Verwijzingen

Artikel 1.4. (uitgaven en verwijzingen)

  • 2 Een verwijzing in een norm naar een andere norm of een onderdeel daarvan is alleen van toepassing voor zover het gaat om een document, genoemd in bijlage II.

  • 4 In dit artikel wordt onder norm verstaan: document, genoemd in bijlage II.

Hoofdstuk 2. Aanwijzing en geometrische begrenzing van locaties

Afdeling 2.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1. (toepassingsbereik)

Dit hoofdstuk is van toepassing op de aanwijzing of geometrische begrenzing van locaties voor de toepassing van de wet en de daarop berustende bepalingen.

Afdeling 2.2. Water

§ 2.2.1. Rijkswateren

Artikel 2.2. (geometrische begrenzing oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk)

Artikel 2.3. (aanwijzing en geometrische begrenzing rijkswateren niet in beheer bij het Rijk)

  • 2 Het waterstaatkundig beheer van de rijkswateren, voor zover het gaat om de zorg voor het voorkomen van schade veroorzaakt door muskus- en beverratten aan waterstaatswerken waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III, berust bij het waterschapsbestuur.

Artikel 2.4. (geometrische begrenzing primaire waterkeringen en andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)

De geometrische begrenzing van de waterkeringen, bedoeld in bijlage II, onder 2, bij het Omgevingsbesluit, is vastgelegd in bijlage III.

§ 2.2.2. Dijktrajecten

Artikel 2.5. (begrenzing locaties dijktrajecten van primaire waterkeringen en dijktrajecten van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk)

§ 2.2.3. Stroomgebiedsdistricten

Artikel 2.6. (aanwijzing Nederlandse delen stroomgebiedsdistricten)

De Nederlandse delen van stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, met inbegrip van de toedeling van grondwaterlichamen aan die stroomgebiedsdistricten, zijn de locaties die zijn weergegeven op de kaart in bijlage IV.

§ 2.2.5. Grote rivieren

Artikel 2.8. (geometrische begrenzing rivierbed grote rivieren)

Artikel 2.9. (geometrische begrenzing reserveringsgebieden grote rivieren)

§ 2.2.8. Rijksvaarwegen

Artikel 2.12. (geometrische begrenzing vrijwaringsgebieden rijksvaarwegen)

De geometrische begrenzing van een vrijwaringsgebied van een rijkswater, met uitzondering van de Noordzee, de Waddenzee, de Westerschelde en het IJsselmeer, met inbegrip van het Zwarte Meer en het Ketelmeer, dat een vaarweg is als bedoeld in artikel 5.160 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III.

§ 2.2.9. Beperkingengebieden waterstaatswerken in beheer bij het Rijk

Artikel 2.13. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, niet zijnde kanalen)

De beperkingengebieden met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III.

Artikel 2.14. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden met betrekking tot kanalen in beheer bij het Rijk)

De beperkingengebieden met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 6.17, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III.

Artikel 2.15. (geometrische begrenzing beperkingengebieden vaarwegen in beheer bij het Rijk)

De beperkingengebieden met betrekking tot een vaarweg in beheer bij het Rijk zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III.

Artikel 2.16. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk afmeren woonschip of ander drijvend werk)

De beperkingengebieden met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om het permanent afmeren van een woonschip of een ander drijvend werk, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgesteld in bijlage III en gelijk is aan de geometrische begrenzing van het stroomvoerend deel van het rivierbed van de grote rivieren, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid.

Artikel 2.17. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden waterkeringen in beheer bij het Rijk)

De beperkingengebieden met betrekking tot waterkeringen in beheer bij het Rijk zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III.

§ 2.2.10. Noordzee

Artikel 2.18. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied Noordzee)

Het beperkingengebied met betrekking tot de Noordzee is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III.

Artikel 2.19. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden Noordzee zones tussen duinvoet en laagwaterlijn en buiten duinvoet en laagwaterlijn)

Artikel 2.20. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden installaties in de Noordzee)

De beperkingengebieden met betrekking tot andere installaties dan mijnbouwinstallaties in de Noordzee zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III.

Artikel 2.21. (aanwijzing en geometrische begrenzing gebied zeewaarts van de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn)

Het zeewaartse gebied vanaf de doorgaande NAP-min 20 meterdieptelijn, bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder f, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III.

Artikel 2.22. (aanwijzing en geometrische begrenzing in verband met mijnbouwlocatieactiviteiten in de Noordzee)

Afdeling 2.3. Infrastructuur

§ 2.3.1. Aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s

Artikel 2.23. (aanwijzing wegen en spoorwegen met aandachtsgebieden basisnet)

Artikel 2.24. (aanwijzing brandvoorschriftengebieden basisnet)

Brandvoorschriftengebieden als bedoeld in artikel 5.14, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de brandaandachtsgebieden van:

§ 2.3.3. Rijkswegen

Artikel 2.29. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden wegen in beheer bij het Rijk)

Artikel 2.29a. (aanwijzing rijkswegen voor beheersing van geluid)

De wegen in beheer bij het Rijk waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vaststelt, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, onder a, van de wet, zijn de wegen, bedoeld in bijlage IVa.

§ 2.3.4. Hoofdspoorwegen

Artikel 2.30. (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden hoofdspoorwegen)

Artikel 2.30a. (aanwijzing hoofdspoorwegen voor beheersing van geluid)

De hoofdspoorwegen waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vaststelt, bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, onder b, van de wet, zijn de spoorwegen, bedoeld in bijlage IVb.

§ 2.3.5. Bijzondere spoorwegen

Artikel 2.30b. (aanwijzing en begrenzing beperkingengebieden bijzondere spoorwegen ≤ 30 km/u)

De beperkingengebieden, bedoeld in artikel 9.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met betrekking tot bijzondere spoorwegen waarvoor geen toepassing is gegeven aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit bijzondere spoorwegen, zijn:

  • a. de locaties die liggen binnen 3 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg; en

  • b. als het gaat om kruisingen tussen de bijzondere spoorweg en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 50 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg.

Artikel 2.30c. (aanwijzing en begrenzing beperkingengebieden bijzondere spoorwegen > 30 km/u)

De beperkingengebieden, bedoeld in artikel 9.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met betrekking tot bijzondere spoorwegen waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit bijzondere spoorwegen, zijn:

  • a. als de bijzondere spoorweg als rechte baan is aangelegd: de locaties die liggen binnen 8 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg;

  • b. als de bijzondere spoorweg in gebogen richting is aangelegd: de locaties die liggen:

    • 1°. 8 m langs de buitenzijde van de boog; en

    • 2°. 20 m langs de binnenzijde van de boog;

  • c. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van ten hoogste 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 220 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg; en

  • d. als het gaat om kruisingen tussen een bijzondere spoorweg waarop een snelheid van meer dan 40 km/u is toegestaan en een weg die open staat voor het openbaar verkeer: de locaties die liggen binnen een vlak dat wordt gevormd door hoekpunten in het hart van het buitenste spoor op 500 m aan weerszijden van de as van de weg en op 11 m aan weerszijden van de bijzondere spoorweg in de as van de weg.

Artikel 2.30d. (meten afstand beperkingengebied bijzondere spoorwegen)

De afstanden aan weerszijden van de bijzondere spoorweg en de afstanden langs de buitenzijde en binnenzijde van de boog, bedoeld in de artikelen 2.30b en 2.30c, gelden:

  • a. bij een spoorweg op maaiveldniveau: vanaf het hart van het buitenste spoor;

  • b. bij een ingegraven spoorweg: vanaf de bovenzijde van de ingraving; en

  • c. bij een opgehoogde spoorweg: vanaf de teen van het talud van de ophoging.

§ 2.3.6. Communicatie-, navigatie- en radarapparatuur voor de burgerluchtvaart

§ 2.3.7. Buisleidingen van nationaal belang

Artikel 2.32. (aanwijzing en geometrische begrenzing reserveringsgebieden buisleidingen van nationaal belang)

§ 2.3.8. Project Mainportontwikkeling Rotterdam

Artikel 2.33. (geometrische begrenzing aanleggebieden Maasvlakte 2 en compensatie)

§ 2.3.10. Installaties voor elektriciteitsvoorziening

Artikel 2.36. (geometrische begrenzing locaties voor elektriciteitsvoorziening)

§ 2.3.11. Hyperscale datacentra

Artikel 2.36a. (geometrische begrenzing uitsluitingsgebied hyperscale datacentra)

De geometrische begrenzing van het uitsluitingsgebied hyperscale datacentra, bedoeld in artikel 5.161bb van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III.

Afdeling 2.4. Kwaliteit van de buitenlucht

Artikel 2.37. (geometrische begrenzing uitgezonderde locaties niet in betekenende mate luchtkwaliteit)

De geometrische begrenzing van de uitgezonderde locaties voor het exploiteren van een veehouderij, bedoeld in artikel 5.53, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III.

Artikel 2.38. (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht)

De agglomeraties, bedoeld in de richtlijn luchtkwaliteit en de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, zijn:

  • a. Amsterdam/Haarlem, omvattend de gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort;

  • b. Den Haag/Leiden, omvattend de gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Oegstgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland;

  • c. Eindhoven, omvattend de gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven;

  • d. Heerlen/Kerkrade, omvattend de gemeenten: Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf en Voerendaal;

  • e. Rotterdam/Dordrecht, omvattend de gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de IJssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht; en

  • f. Utrecht, omvattend de gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein.

Artikel 2.39. (aanwijzing zones richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht)

De zones, bedoeld in de richtlijn luchtkwaliteit en de richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht, zijn:

  • a. midden, omvattend de provincies: Gelderland, Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland, met uitzondering van de daarin gelegen agglomeraties, genoemd in artikel 2.38, onder a, b, e en f;

  • b. noord, omvattend de provincies: Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen en Overijssel;

    en

  • c. zuid, omvattend de provincies: Limburg, Noord-Brabant en Zeeland, met uitzondering van de daarin gelegen agglomeraties, genoemd in artikel 2.38, onder c en d.

Afdeling 2.5. Geluid

Artikel 2.40. (aanwijzing agglomeraties richtlijn omgevingslawaai)

De agglomeraties, bedoeld in de richtlijn omgevingslawaai, zijn:

  • a. Alkmaar, omvattend de gemeenten: Alkmaar, Bergen, Dijk en Waard en Heiloo;

  • b. Almere;

  • c. Amersfoort;

  • d. Amsterdam/Haarlem, omvattend de gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort;

  • e. Apeldoorn;

  • f. Arnhem;

  • g. Breda;

  • h. ‘s-Hertogenbosch;

  • i. Den Haag/Leiden, omvattend de gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar, Westland en Zoetermeer;

  • j. Eindhoven, omvattend de gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven;

  • k. Enschede, omvattend de gemeenten: Almelo, Enschede en Hengelo;

  • l. Gouda, omvattend de gemeenten: Alphen aan den Rijn, Gouda en Waddinxveen;

  • m. Groningen;

  • n. Heerlen/Kerkrade, omvattend de gemeenten: Beekdaelen, Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf en Voerendaal;

  • o. Hilversum, omvattend de gemeenten: Blaricum, Gooise Meren, Hilversum, Huizen en Laren;

  • p. Maastricht;

  • q. Nijmegen;

  • r. Rotterdam/Dordrecht, omvattend de gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen en Zwijndrecht;

  • s. Tilburg;

  • t. Utrecht, omvattend de gemeenten: Houten, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht en IJsselstein; en

  • u. Zwolle.

Afdeling 2.6. Defensie

Artikel 2.41. (geometrische begrenzing militaire terreinen en gebieden met of bij militaire objecten)

Afdeling 2.8. Herkomstgebieden en toepassingsgebieden mijnsteen en vermengde mijnsteen

Artikel 2.43. (geometrische begrenzing herkomstgebieden en toepassingsgebieden mijnsteen en vermengde mijnsteen)

Afdeling 2.9. Natuur

Artikel 2.44. (aanwijzen locaties voor maatwerk herbeplanting)

De gebieden, bedoeld in artikel 11.130, onder b, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarbinnen herbeplanting op andere grond is toegestaan zijn:

  • a. gebied 1: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe;

  • b. gebied 2: de provincie Overijssel, met uitzondering van de Noordoostpolder, en de provincies Gelderland en Utrecht;

  • c. gebied 3: de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland en de IJsselmeerpolders; en

  • d. gebied 4: de provincies Noord-Brabant en Limburg.

Hoofdstuk 3. Beheer van de fysieke leefomgeving

Afdeling 3.1. Beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen

§ 3.1.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1. (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op de beheersing van het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

Artikel 3.2. (bepalen: waar het geluid wordt bepaald)

  • 1 Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is en dat ligt:

    • a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de gevel, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag;

    • b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: op de locatie waar een gevel mag komen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag die gebouwd mag worden;

    • c. als het gaat om een woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van de woonwagen, op twee derde van de hoogte van een bouwlaag; en

    • d. als het gaat om een woonschip: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip op 1 m boven het maaiveld.

  • 2 In het eerste lid wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.

Artikel 3.3. (bepalen: geluid in geluidgevoelige ruimten)

  • 1 Het geluid in geluidgevoelige ruimten wordt bepaald door het geluid op de gevel te verminderen met de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, bepaald volgens NEN 5077 of NEN-EN-ISO 12354-3.

  • 2 Bij de toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 3 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ‘open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.

Artikel 3.4. (bepalen: geluid op een geluidgevoelig gebouw)

Bij het bepalen van het geluid op een geluidgevoelig gebouw:

  • a. wordt het geluid dat wordt gereflecteerd door de gevel waarop het geluid wordt bepaald buiten beschouwing gelaten; en

  • b. worden de waarden afgerond op hele getallen, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.

Artikel 3.5. (bepalen: geluidaandachtsgebied)

Een geluidaandachtsgebied wordt bepaald volgens bijlage IVc.

§ 3.1.2. Geluid door gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen

Artikel 3.6. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen.

Artikel 3.8. (bepalen: geluid door wegen en spoorwegen)

  • 1 Het geluid door een weg of spoorweg, bedoeld in artikel 3.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald:

    • a. voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe;

    • b. voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf.

Artikel 3.10. (bepalen: geluidaandachtsgebied)

Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de basisgeluidemissie.

Artikel 3.11. (bepalen: geluidbrongegevens gemeentewegen en waterschapswegen)

De geluidbrongegevens zijn voor een gemeenteweg en een waterschapsweg:

  • a. per etmaalperiode het aantal motorvoertuigen, per categorie als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert;

  • b. de per geluidemissietraject representatief te achten gemiddelde snelheid per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1;

  • c. de geluidbronregisterlijnen van de weg, vastgelegd in x- en y-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en

  • d. het wegdektype per geluidemissietraject.

Artikel 3.12. (bepalen: geluidbrongegevens spoorwegen die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen)

De geluidbrongegevens zijn voor een spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen:

  • a. per etmaalperiode het aantal locomotieven, treinstellen, rijtuigen of wagens per spoorvoertuigcategorie als bedoeld in bijlage IVf, onder 1.2, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert met onderscheid naar de maximale snelheid van het type spoorvoertuig;

  • b. de per geluidemissietraject, per etmaalperiode, representatief te achten snelheid met onderscheid naar doorgaande reizigersspoorvoertuigen, stoppende reizigersspoorvoertuigen en goederenspoorvoertuigen, waarbij wordt aangegeven of het remsysteem is ingeschakeld;

  • c. de geluidbronregisterlijnen van de spoorweg, vastgelegd in x- en y-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  • d. de spoorstaafruwheid, bepaald volgens bijlage IVf;

  • e. de bovenbouwconstructie per spoor van de spoorweg; en

  • f. de aanwezigheid van een wissel in een geluidemissietraject.

§ 3.1.3. Geluid door rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen

Artikel 3.13. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen.

Artikel 3.14. (bepalen: geluid door wegen en spoorwegen)

  • 1 Het geluid door wegen en spoorwegen, bedoeld in artikel 3.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt bepaald:

    • a. voor het geluid door wegen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe;

    • b. voor het geluid door wegen op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal;

    • c. voor het geluid door spoorwegen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf; en

    • d. voor het geluid door spoorwegen op een geluidreferentiepunt: volgens bijlage IVg, waarbij de waarde wordt afgerond op één decimaal.

  • 2 Bij het bepalen van het geluid door wegen en spoorwegen op een geluidgevoelig gebouw worden de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kunnen bij het bepalen van het geluid door een weg op een geluidgevoelig gebouw in plaats van de geluidbronregisterlijn ook alleen de bij de geluidbronregisterlijn behorende gegevens worden gebruikt.

  • 4 Bij het bepalen van het geluid door een weg op een geluidgevoelig gebouw of op een geluidreferentiepunt wordt bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds de plafondcorrectiewaarde uit het geluidregister opgeteld bij de geluidemissiegetallen LE, berekend volgens bijlage IVe.

  • 5 Bij het bepalen van het geluid door een spoorweg op een geluidgevoelig gebouw of op een geluidreferentiepunt wordt bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds de plafondcorrectiewaarde uit het geluidregister opgeteld bij de geluidemissiegetallen LE, berekend volgens bijlage IVf.

Artikel 3.15. (bepalen: afbakening gebied waarbinnen geluidgevoelige gebouwen in aanmerking worden genomen)

  • 1 Bij het vaststellen van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde voor een weg of spoorweg worden geluidgevoelige gebouwen in aanmerking genomen die liggen binnen het gebied rond een geluidreferentiepunt en dat begrensd wordt volgens het tweede of derde lid.

  • 2 Als de weg of spoorweg waarop het geluidproductieplafond betrekking heeft niet eindigt, wordt het gebied, bedoeld in het eerste lid, begrensd door:

    • a. de as van de weg of spoorweg;

    • b. twee lijnen loodrecht op de as van de weg of spoorweg en op de halve afstand tot de in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunten; en

    • c. voor:

      • 1°. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 2 km gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 2 km; en

      • 2°. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 2 km van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 2 km.

  • 3 Als de weg of spoorweg waarop het geluidproductieplafond betrekking heeft eindigt, wordt het gebied, bedoeld in het eerste lid, begrensd door:

    • a. de as van de weg of spoorweg en de lijn in het verlengde daarvan;

    • b. een lijn loodrecht op de as van de weg of spoorweg of het verlengde daarvan en op de halve afstand tussen het geluidreferentiepunt en het in de lengterichting van de weg of spoorweg gezien naastliggende geluidreferentiepunt; en

    • c. voor:

      • 1°. rijkswegen en hoofdspoorwegen, in de richting loodrecht op de weg of spoorweg: de afstand waarop het geluid in de situatie zonder maatregelen als bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwachting niet hoger is dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in artikel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving of, als deze afstand meer dan 500 m gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf van de spoorweg bedraagt: een afstand van 500 m; en

      • 2°. provinciale wegen en lokale spoorwegen: de begrenzing van het geluidaandachtsgebied of, als deze meer dan 500 m van de weg of spoorweg ligt: de afstand waarop het geluid niet meer toeneemt als gevolg van de vaststelling van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, maar niet meer dan 500 m.

  • 4 In afwijking van het eerste lid worden geluidgevoelige gebouwen binnen het gebied rond een geluidreferentiepunt waarvoor de waarde van het geluidproductieplafond alleen wordt verlaagd als gevolg van maatregelen die zijn vastgesteld op basis van het geluidproductieplafond als omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid, niet in aanmerking genomen.

Artikel 3.17. (bepalen: geluidaandachtsgebied)

Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden.

Artikel 3.18. (bepalen: geluidbrongegevens rijkswegen en provinciale wegen)

De geluidbrongegevens zijn voor een rijksweg en een provinciale weg:

  • a per etmaalperiode het aantal motorvoertuigen, per categorie als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert;

  • b. de representatief te achten gemiddelde snelheid per geluidemissietraject per categorie motorvoertuigen als bedoeld in bijlage IVe, onder 2.1;

  • c. de geluidbronregisterlijnen van de weg, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  • d. het wegdektype per geluidemissietraject;

  • e. de afmetingen en locatie van geluidbeperkende werken of bouwwerken die zijn geplaatst om het geluid door de weg op een geluidgevoelig gebouw te beperken, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  • f. de mate van absorptie en de profielafhankelijke correctieterm van geluidbeperkende werken of bouwwerken als bedoeld onder e en of het om een middenbermscherm, een scherm met schermtop of een diffractor gaat;

  • g. de diffractoreigenschappen in octaafbanden; en

  • h. de plafondcorrectiewaarde.

Artikel 3.19. (bepalen: geluidbrongegevens spoorwegen)

De geluidbrongegevens zijn voor een spoorweg:

  • a. per etmaalperiode het aantal locomotieven, treinstellen, rijtuigen of wagens per spoorvoertuigcategorie als bedoeld in bijlage IVf, onder 1.2, dat gemiddeld over een kalenderjaar per uur op een geluidemissietraject passeert met onderscheid naar de maximale snelheid van het type spoorvoertuig;

  • b. de per geluidemissietraject, per etmaalperiode, representatief te achten snelheid met onderscheid naar doorgaande reizigersspoorvoertuigen, stoppende reizigersspoorvoertuigen en goederenspoorvoertuigen, waarbij wordt aangegeven of het remsysteem is ingeschakeld;

  • c. de geluidbronregisterlijnen van de spoorweg, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  • d. de spoorstaafruwheid, bepaald volgens bijlage IVf;

  • e. de bovenbouwconstructie per spoor van de spoorweg;

  • f. de aanwezigheid van een wissel in een geluidemissietraject;

  • g de afmetingen en locatie van geluidbeperkende werken of bouwwerken die zijn geplaatst om het geluid door de spoorweg op een geluidgevoelig gebouw te beperken, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

  • h. de mate van absorptie en de profielafhankelijke correctieterm van geluidbeperkende werken of bouwwerken als bedoeld onder g;

  • i. de plafondcorrectiewaarde; en

  • j. de in artikel 3.23, eerste lid, onder a en b, genoemde geluidbrongegevens van stilstaande spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

§ 3.1.4. Geluid door industrieterreinen

Artikel 3.20. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het geluid door industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld.

Artikel 3.21. (bepalen: geluid door industrieterreinen)

  • 2 Bij het bepalen van het geluid door een industrieterrein op een geluidgevoelig gebouw worden de geluidbrongegevens uit het geluidregister gebruikt.

Artikel 3.22. (bepalen: geluidaandachtsgebied)

Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein worden de geluidbrongegevens gebruikt behorende bij de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden.

Artikel 3.23. (bepalen: geluidbrongegevens industrieterreinen)

  • 1 De geluidbrongegevens zijn voor een industrieterrein:

    • a. het immissierelevante geluidvermogen, bedoeld in paragraaf 2.3 van bijlage IVh, van een geluidbron met een bedrijfsduurcorrectie volgens de jaargemiddelde bedrijfssituatie, bedoeld in hoofdstuk 5 van bijlage IVh;

    • b. de locatie van de geluidbron, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;

    • c. de hoogte van het maaiveld van de locatie van de geluidbron;

    • d. de afmetingen, locatie en eigenschappen van voor de geluidoverdracht relevante objecten binnen het industrieterrein, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en

    • e. de luchtabsorptiecoëfficiënten, als van de luchtabsorptiecoëfficiënten uit bijlage IVh, tabel 3.1, is afgeweken.

§ 3.1.5. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid

Artikel 3.24. (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op het bepalen van het gecumuleerde geluid en het gezamenlijke geluid op een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 3.25. (berekenen: gecumuleerd geluid)

  • 1 Het gecumuleerde geluid wordt berekend door eerst het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen om te rekenen naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt en dan het gecumuleerde geluid te berekenen volgens de formule uit het vierde lid.

  • 2 Het geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen, windturbines en schietbanen wordt omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formules:

    • a. voor wegen:

      Bijlage 266967.png
    • b. voor spoorwegen:

      Bijlage 266968.png
    • c. voor industrieterreinen:

      Bijlage 266969.png
    • d. voor windturbines:

      Bijlage 266970.png
    • e. voor schietbanen:

      Bijlage 266971.png

      waarbij:

      LVL, LRL, LIL en LWT worden uitgedrukt in Lden en LSG wordt uitgedrukt in BS,dan.

  • 3 Vanaf een bij ministerieel besluit te bepalen tijdstip wordt het geluid door luchtvaart omgerekend naar het geluid door wegen dat evenveel hinder veroorzaakt, volgens de formule:

    Bijlage 266972.png

    waarbij: LLL wordt uitgedrukt in Lden.

  • 4 Het gecumuleerde geluid Lcum wordt berekend volgens de formule:

    Bijlage 266973.png

    waarbij gesommeerd wordt over alle N betrokken geluidbronnen en de index n staat voor de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen, bedoeld in het eerste lid of, als geluid door andere geluidbronnen wordt betrokken, het geluid door die geluidbronnen.

Artikel 3.26. (berekenen: gezamenlijk geluid)

  • 1 Het gezamenlijke geluid wordt berekend door het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen op te tellen volgens de formule:

    Bijlage 266974.png

    waarbij wordt verstaan onder:

    Lg: gezamenlijk geluid; en

    k: geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen.

  • 2 Als bij het bepalen van de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een geluidgevoelige ruimte, bedoeld in artikel 3.53, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van NEN 5077 om afwijkende spectra te gebruiken, wordt ook het gezamenlijk geluid per octaafbandindex berekend volgens de formule:

    Bijlage 266975.png

    waarbij wordt verstaan onder:

    i: octaafbandindex; en

    k: geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen.

Artikel 3.27. (berekenen: gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid)

Artikel 3.28. (bepalen: geluidbrongegevens windturbine bij gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid)

Voor de toepassing van de artikelen 3.25, 3.26 en 3.27 zijn de geluidbrongegevens voor een windturbine:

  • a. de emissieterm LE, bedoeld in paragraaf 2.4.1 van bijlage IVi, van een windturbine;

  • b. de locatie van het middelpunt van de rotor, vastgelegd in x-, y- en z-coördinaten, uitgedrukt in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en

  • c. de ashoogte in meters ten opzichte van het maaiveld.

§ 3.1.6. Maatregelpunten en geluidbeperkende maatregelen

Artikel 3.29. (bepalen: maatregelpunten en geluidbeperkende maatregelen)

  • 2 De maatregelpunten omvatten het totaal van de maatregelpunten van bestaande en nieuw te treffen geluidbeperkende maatregelen waarvoor maatregelpunten gelden, ten opzichte van een weg of spoorweg in de situatie zonder maatregelen, bedoeld in artikel 3.48 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 3 Bij het toepassen van tabel 2 van bijlage IVj wordt de hoogte van een geluidscherm of geluidwal bepaald ten opzichte van de bovenkant van het spoor of de kantstreep van de weg aan de zijde van het scherm.

  • 4 De maatregelen, bedoeld in bijlage IVj, tabel 3, zijn geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 3.49, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvan de financiële doelmatigheid wordt bepaald door de werkelijke kosten van aanleg en onderhoud van die maatregel af te wegen tegen de geluidreductie die door de maatregel wordt bereikt en de daaruit voortvloeiende waarde van het geluid.

Afdeling 3.2. Faunabeheereenheid waarvan Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is

Artikel 3.30. (faunabeheereenheid waarvoor Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd gezag is)

  • 1 De faunabeheereenheid met het werkgebied bestaande uit de terreinen, bedoeld in artikel 6.4 van het Omgevingsbesluit, heeft de rechtsvorm van een stichting. De leden van het bestuur van de stichting worden benoemd en ontslagen door de gerechtigde, bedoeld in artikel 6.4 van dat besluit.

  • 2 Het faunabeheerplan dat door de faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

    • b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

    • c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarvoor een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

    • d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de diersoorten, bedoeld onder c, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, wanneer niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;

    • e. een beschrijving van de mate waarin de belangen, bedoeld onder d, zijn geschaad in de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip van de aanvraag om goedkeuring van het faunabeheerplan;

    • f. de gewenste stand van de diersoorten, bedoeld onder c;

    • g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de maatregelen die zullen worden getroffen om de gewenste stand, bedoeld onder f, te bereiken;

    • h. per diersoort en gewas een beschrijving van de maatregelen die in de periode, bedoeld onder e, zijn getroffen om het schaden van de belangen, bedoeld onder d, te voorkomen, en voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn: een beschrijving van de effectiviteit van die maatregelen;

    • i. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

    • j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de maatregelen, bedoeld onder g, zullen worden getroffen;

    • k. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn: een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de onder g bedoelde maatregelen; en

    • l. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen zal worden bepaald.

  • 3 Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar.

Afdeling 3.3. Examens voor een jachtgeweeractiviteit, een valkeniersactiviteit en gebruik eendenkooien

§ 3.3.1. Inhoud examens voor een jachtgeweeractiviteit en een valkeniersactiviteit

Artikel 3.31. (eisen examen voor een jachtgeweeractiviteit)