Besluit diergezondheid

Geldend van 21-04-2021 t/m heden

Besluit van 24 maart 2021, houdende regels met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten en tot wijziging van het Besluit dierlijke producten, het Besluit diergeneesmiddelen, het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Besluit diergezondheid)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 november 2020, nr. WJZ / 20277340, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Medische Zorg en Sport en na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84), Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325), Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 325), Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31, Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PbEU 2013, L 178) en de artikelen 2.2, tiende lid, 2.4, tweede lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede lid, 2.7, tweede lid, 2.12, 2.22, tweede lid, 3.1, tweede lid, 5.4, tweede lid, 5.6, vierde en vijfde lid, artikel 6.4, eerste lid, artikel 7.2, tweede lid, 7.8, 9.8, tweede en zesde lid, 9.9, eerste en tweede lid, 10.2, eerste lid, en artikel 11.1 van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 februari 2021, nr. W11.20.0420/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 maart 2021, nr. WJZ 21059158, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Medische Zorg en Sport en na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepaling

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • besmet dier: dier dat is aangewezen als besmet als bedoeld in artikel 2.2;

  • deskundige: deskundige als bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet;

  • verdacht dier: dier dat is aangewezen als verdacht als bedoeld in artikel 2.1;

  • verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84);

  • wet: Wet dieren.

Hoofdstuk 2. Besmette en van besmetting verdachte dieren

Artikel 2.1. Verdenking

  • 1 Onze Minister wijst een dier of groep dieren aan als verdacht van besmetting met een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien:

    • a. uit klinisch, post-mortem- of laboratoriumonderzoeken blijkt dat een of meer klinische tekenen of post-mortemlaesies of histologische bevindingen op die ziekte wijzen;

    • b. een of meer resultaten van een diagnostische methode op de waarschijnlijke aanwezigheid van de ziekte in een monster van een dier of een groep dieren wijzen; of

    • c. er een epidemiologisch verband met een bevestigd geval is vastgesteld.

  • 2 Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid in, indien:

    • a. er geen agens, antigeen of indirecte immunologische reactie is aangetoond; of

    • b. Onze Minister anderszins de overtuiging heeft gekregen dat het dier niet aan een ziekte als bedoeld in de aanhef van het eerste lid lijdt.

Artikel 2.2. Besmetting

Onze Minister wijst een dier of een groep dieren aan als besmet met een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van de wet, anders dan een ziekte als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien:

  • a. de ziekteverwekker, vaccinstammen uitgezonderd, is geïsoleerd in een monster van een dier of een groep dieren;

  • b. een antigeen of nucleïnezuur dat specifiek is voor de ziekteverwekker en niet het gevolg is van vaccinatie, is aangetroffen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld; of

  • c. een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode dat niet het gevolg is van vaccinatie, is verkregen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld.

Artikel 2.3. Borden en kentekenen

  • 2 Het is verboden dieren, producten of voorwerpen te vervoeren van en naar gebouwen, ruimten, terreinen, gebieden of andere onroerende zaken waar een kenteken als bedoeld in artikel 5.6, derde lid, onderdeel b, van de wet is geplaatst.

  • 3 De toegang tot gebouwen, ruimten, terreinen, gebieden of andere onroerende zaken waar een kenteken als bedoeld in 5.6, derde lid, van de wet is geplaatst, of door Onze Minister aangewezen gedeelten daarvan, is aan anderen dan door Onze Minister aan te wijzen personen of groepen van personen verboden.

Hoofdstuk 3. Uitvoering monitoringsprogramma’s door aangewezen laboratoria

Artikel 3.1. Aanwijzing laboratorium en monitoringsprogramma’s

Voor daartoe aangewezen monitoringsprogramma’s wijst Onze Minister een instelling met een laboratorium aan die:

  • a. monsters neemt;

  • b. laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses uitvoert;

  • c. ander onderzoek verricht in het kader van de opsporing en bestrijding van dierziektes; of

  • d. rapportages maakt over de verrichte werkzaamheden.

Artikel 3.2. Instructies

Onze Minister kan aan een aangewezen instelling als bedoeld in artikel 3.1 algemene en bijzondere instructies geven over de uitvoering en verantwoording van de aangewezen monitoringsprogramma’s.

Artikel 3.3. Meewerkverplichting exploitant

Een exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening nr. (EU) 2016/429 verleent medewerking ten behoeve van het nemen van monsters van de door hem gehouden dieren, kadavers, delen van dieren of dierlijke producten en staat deze af aan het op grond van artikel 3.1 aangewezen instelling ter uitvoering van de aangewezen monitoringsprogramma’s.

Hoofdstuk 4. Waardevaststelling bij ziektebestrijdingsmaatregelen

Artikel 4.1. IJkmoment waardevaststelling dieren, producten en voorwerpen

Het moment waarop aan de houder is meegedeeld dat ten aanzien van een dier, product of voorwerp een bestrijdingsmaatregel als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, onderdelen h of i, of artikel 5.5, tweede lid, onderdelen c of d, van de wet wordt of is toegepast, geldt als ijkmoment voor de waardevaststelling, bedoeld in artikel 9.8, zesde lid, onderdeel a, van de wet.

Artikel 4.2. Waardevaststelling dieren, producten en voorwerpen

  • 1 De waardevaststelling, bedoeld in artikel 9.8, derde lid, van de wet geschiedt op basis van:

    • a. het in artikel 5.4, vijfde lid, van de wet bedoelde vastgestelde aantal dieren; en

    • b. de waarde die het dier, product of voorwerp had op het moment waarop aan de desbetreffende houder is medegedeeld dat ten aanzien van zijn dier, product of voorwerp een bestrijdingsmaatregel wordt of is toegepast.

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt rekening gehouden met de bij ministeriele regeling vast te stellen indeling van dieren, producten of voorwerpen in soorten, categorieën of andere onderverdelingen.

  • 3 De deskundige, bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet, verstrekt de houder van het dier, product of voorwerp een afschrift van het formulier, bedoeld in artikel 9.8, zevende lid, van de wet.

Artikel 4.3. Waarden dieren, producten en voorwerpen

  • 1 De waarde van een verdacht dier en de marktwaarde van een product, bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onderdelen a en c, van de wet, zijn het bedrag dat de eigenaar onder normale omstandigheden voor dat dier of product had kunnen ontvangen op de markt, al naar gelang de conditie, de kwaliteit, het gewicht, het ras of type, de leeftijd of ouderdom.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de waarde van een dier of product dat zich bevindt in een levensfase of fase van het productieproces waarin het onder normale omstandigheden niet verhandelbaar is, de waarde, al naar gelang het gebruiksdoel, de aanwending, de leeftijd of ouderdom.

Artikel 4.4. Maximale tegemoetkoming voor dieren

De tegemoetkoming in de schade bedraagt voor alle dieren ten hoogste tienduizend euro per dier.

Artikel 4.5. Herwaardering

  • 1 Een houder die zich niet met het advies van de deskundige, bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, van de wet, kan verenigen, kan Onze Minister gemotiveerd verzoeken om een herwaardering.

  • 2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan binnen een week te rekenen vanaf de dag na de dagtekening van het advies.

  • 3 Indien het verzoek, bedoeld in het eerste lid, aanleiding geeft tot het opstellen van een nieuw advies, wijst Onze Minister drie deskundigen aan, waaronder de deskundige die het oorspronkelijke advies uitbracht, die Onze Minister adviseren over de waarde van het dier, product of voorwerp.

  • 4 Indien de drie deskundigen geen overeenstemming bereiken, wordt het advies over de waarde bepaald door de som van de door de drie deskundigen voorgestelde waarden te delen door drie.

Artikel 4.6. Vakbekwaamheidseisen deskundige

  • 1 Een deskundige heeft in ieder geval theoretische kennis over:

    • a. marktontwikkelingen en marktprijzen;

    • b. productiekengetallen;

    • c. administratieve processen en bescheiden;

    • d. dierenrassen, hun eigenschappen en productiekenmerken;

    • e. bedrijfskolommen; en

    • f. de aanwezige en gebruikte producten en voorwerpen van het bedrijf of bedrijfstype waar de waardevaststelling betrekking op heeft.

  • 2 Een deskundige kan in ieder geval:

    • a. fokvee, gebruiksvee en slachtvee beoordelen;

    • b. het ras of de kruising, de leeftijd, de lichamelijke conditie, het gewicht van dieren bepalen;

    • c. het exterieur, de productiviteit en het gebruiksdoel van dieren beoordelen;

    • d. de waarde van dieren, producten en voorwerpen bepalen in gevallen als bedoeld in artikel 4.3; en

    • e. mondeling, schriftelijk of digitaal rapporteren in de Nederlandse taal over uitgevoerde en uit te voeren werkzaamheden.

Artikel 4.7. Onpartijdigheid deskundige

Een deskundige adviseert onpartijdig en naar beste weten over de waardevaststelling.

Hoofdstuk 6. Wijziging andere besluiten

Artikel 6.5. Wijziging Besluit diergezondheidsheffing

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 7.1. Overgangsrecht

Besluiten die op grond van artikel 13 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen (verordening paardenpaspoort) (Pb EU 2015, L 59) zijn genomen, worden geacht te zijn genomen op grond van artikel 60 van verordening (EU) 2019/2035 onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.

Artikel 7.4. Besluit identificatie en registratie van dieren

[Red: Wijzigt het Besluit identificatie en registratie van dieren.]

Artikel 7.5. Inwerkingtreding

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van 21 april 2021, met uitzondering van artikel 6.4, onderdeel B, ten aanzien van de artikelen 1.29, 1.30 en 1.31 van het Besluit houders van dieren, en van artikel 6.5.

  • 2 Indien het bij koninklijke boodschap van 17 februari 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet dieren in verband met de uitvoering van de herziene Europese diergezondheidswetgeving (Kamerstukken 35 398) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel B, van die wet in werking treedt, treedt artikel 6.4, onderdeel B, ten aanzien van de artikelen 1.29, 1.30 en 1.31 van het Besluit houders van dieren, op hetzelfde tijdstip in werking.

  • 3 Artikel 6.5 treedt in werking op het tijdstip dat artikel I, onderdeel A, onderdeel 3, van het besluit van 15 oktober 2020 tot wijziging van het Besluit diergezondheidsheffing in verband met de vaststelling van de tarieven voor 2021 (Stb. 399) in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 24 maart 2021

Willem-Alexander

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.J. Schouten

Uitgegeven de zesde april 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Terug naar begin van de pagina