Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Geraadpleegd op 30-06-2022.
Geldend van 31-03-2021 t/m 20-04-2022

Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit Reglement en de daarop berustende regelingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

  • bijzondere gedelegeerde: een door de Staten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten afgevaardigde bijzondere gedelegeerde;

  • commissiegriffier: de door de Griffier aangewezen plaatsvervangende griffier die een commissie bijstaat;

  • commissie(onder)voorzitter: de (onder)voorzitter van een commissie;

  • gevolmachtigde minister: de Gevolmachtigde Minister van Aruba, Curaçao of Sint Maarten;

  • Griffier: de Griffier van de Kamer;

  • minister: een bij koninklijk besluit benoemde minister of staatssecretaris;

  • Ondervoorzitter: een Ondervoorzitter van de Kamer;

  • openbaar maken: het voor een ieder beschikbaar stellen op een openbare website;

  • oude samenstelling: de samenstelling van de Kamer, onmiddellijk voorafgaand aan de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer;

  • stukken: archiefbescheiden als bedoeld in de Archiefwet 1995;

  • Voorzitter: de Voorzitter van de Kamer;

  • zitting: de periode waarin een gekozen Kamer werkzaam is, welke duurt vanaf de eerste vergadering van een nieuw gekozen Kamer tot aan de eerste vergadering van de daaropvolgende nieuw gekozen Kamer.

Hoofdstuk 2. Begin en einde van het lidmaatschap

Artikel 2.1. Toelating leden

  • 1 De Kamer beslist met inachtneming van de bij de wet gestelde regels of een nieuwbenoemd lid als lid van de Kamer wordt toegelaten.

  • 2 De commissie, genoemd in artikel 7.6, is ten behoeve van de beslissing van de Kamer belast met het onderzoek van de geloofsbrief van elk nieuwbenoemd lid.

  • 3 De geloofsbrief en de stukken die een nieuwbenoemd lid op grond van de wet dient over te leggen aan de Kamer, worden bij de griffie ter inzage gelegd van de leden.

  • 4 De Kamer beslist, voor zover mogelijk, in oude samenstelling over de toelating van leden die meteen na verkiezingen voor de Kamer zijn benoemd.

Artikel 2.2. Verlies lidmaatschap

  • 1 De Voorzitter waarschuwt een lid schriftelijk, indien hij van oordeel is dat dit lid een van de vereisten voor het lidmaatschap niet meer bezit of een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, en het lid de Kamer daarvan kennis had moeten geven.

  • 2 Het lid kan de zaak binnen acht dagen na de waarschuwing aan het oordeel van de Kamer onderwerpen.

  • 3 De Kamer oordeelt slechts over de zaak, nadat daarover verslag is uitgebracht door een daartoe in te stellen tijdelijke commissie.

  • 4 De tijdelijke commissie hoort het lid, indien dat de wens daartoe te kennen geeft.

Hoofdstuk 3. De Voorzitter, de Ondervoorzitters en het Presidium

§ 3.1. De Voorzitter

Artikel 3.1. Benoeming Voorzitter

  • 1 In de laatste vergadering van elke zitting stelt de Kamer in oude samenstelling een ontwerp vast voor een profielschets van de nieuw te benoemen Voorzitter.

  • 2 De nieuw gekozen Kamer stelt in de eerste vergadering van een zitting de profielschets vast.

  • 3 Na de vaststelling geeft de tijdelijk Voorzitter, bedoeld in artikel 3.3, gelegenheid tot het stellen van kandidaten voor het voorzitterschap.

  • 4 Na de kandidaatstellingsprocedure gaat de Kamer over tot de benoeming van een Voorzitter.

  • 5 Bij het tussentijds openvallen van het voorzitterschap stelt de Kamer zo spoedig mogelijk de profielschets van de nieuw te benoemen Voorzitter vast, en wordt vervolgens onder toepassing van het derde en vierde lid een Voorzitter benoemd.

Artikel 3.2. Taak Voorzitter

De Voorzitter is belast met:

  • a. het leiden van de werkzaamheden van de Kamer en het Presidium;

  • b. het doen naleven van dit Reglement;

  • c. het uitvoeren van door de Kamer genomen besluiten;

  • d. het vertegenwoordigen van de Kamer;

  • e. de overige taken die op grond van dit Reglement of de wet aan hem zijn toegedeeld.

Artikel 3.3. Tijdelijk Voorzitter

  • 1 Zolang in een nieuwe zitting geen Voorzitter is benoemd, treedt als tijdelijk Voorzitter op:

    • a. een oud-Voorzitter, waarbij de laatst afgetredene voorrang heeft;

    • b. als geen oud-Voorzitters beschikbaar zijn: een oud-Ondervoorzitter, waarbij de laatst afgetredene voorrang heeft, en bij gelijktijdig afgetreden oud-Ondervoorzitters de hoogste in de rangorde, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, voorgaat;

    • c. als evenmin oud-Ondervoorzitters beschikbaar zijn: het lid dat het langst in de Kamer zitting heeft, waarbij bij gelijke zittingsduur het oudste lid in leeftijd voorgaat.

  • 2 Zolang bij het tussentijds openvallen van het Voorzitterschap geen Voorzitter is benoemd, treedt de hoogst beschikbare Ondervoorzitter in de rangorde, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, als tijdelijk Voorzitter op. Indien geen Ondervoorzitter beschikbaar is, wordt overeenkomstig het eerste lid vastgesteld wie tijdelijk Voorzitter is.

  • 3 De tijdelijk Voorzitter heeft dezelfde taken en bevoegdheden als een Voorzitter.

Artikel 3.4. Waarnemend Voorzitter

  • 1 Indien de Voorzitter niet beschikbaar is, wordt het voorzitterschap waargenomen door een van de Ondervoorzitters overeenkomstig de rangorde, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.

  • 2 Indien evenmin een Ondervoorzitter beschikbaar is:

    • a. kan de Voorzitter het voorzitterschap in een vergadering laten waarnemen door andere leden; en

    • b. wordt bij het langdurig niet beschikbaar zijn van de Voorzitter en de Ondervoorzitters overeenkomstig artikel 3.3, eerste lid, bepaald wie het voorzitterschap waarneemt.

  • 3 Een waarnemend Voorzitter heeft de taken en bevoegdheden van de Voorzitter die vereist zijn voor de waarneming.

§ 3.3. Het Presidium

Artikel 3.6. Presidium

  • 1 De Voorzitter en de Ondervoorzitters vormen samen het Presidium.

  • 2 De Voorzitter benoemt voor ieder ander lid van het Presidium een plaatsvervanger, die dit lid kan vervangen indien het niet beschikbaar is. De Kamer kan besluiten de benoeming van een plaatsvervanger aan zich te houden.

  • 3 Het Presidium kan slechts besluiten nemen, indien meer dan de helft van zijn leden of hun plaatsvervangers aanwezig is. Bij het staken van de stemmen beslist de Voorzitter.

  • 4 De Voorzitter kan andere leden uitnodigen aan de vergaderingen van het Presidium deel te nemen. Deze leden nemen niet deel aan de stemmingen.

  • 5 Indien het Presidium voor onderdelen van zijn werkzaamheden commissies van advies als bedoeld in artikel 7.9 heeft ingesteld, hoort hij deze voordat hij besluiten neemt ten aanzien van die onderdelen, tenzij dit in een zeer spoedeisend geval niet mogelijk is.

  • 6 Het Presidium wordt bijgestaan door de Griffier en de directeuren.

Hoofdstuk 5. De fracties en groepen

Artikel 5.1. Fracties

  • 1 De leden, die door het centraal stembureau op dezelfde lijst verkozen zijn verklaard, vormen bij aanvang van een zitting één fractie. Indien onder een lijstnummer slechts één lid is verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  • 2 Nieuwe fracties kunnen gedurende een zitting slechts worden gevormd door:

    • a. een samenvoeging van twee of meer fracties;

    • b. een splitsing tot twee of meer fracties.

  • 3 Een splitsing als bedoeld in het tweede lid, onder b, is slechts mogelijk, indien bij een afscheiding van leden van een fractie onduidelijk is welk deel van de leden als voortzetting van de oorspronkelijke fractie moet worden beschouwd, en het Presidium heeft besloten dat hierdoor twee of meer nieuwe fracties zijn gevormd.

  • 4 Een fractie deelt de samenstelling van haar bestuur, en elke wijziging in haar samenstelling en die van haar bestuur, mee aan de Voorzitter.

Artikel 5.2. Groepen

Indien leden anders dan als gevolg van een splitsing als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, afgescheiden zijn van een fractie, worden zij ieder afzonderlijk, of twee of meer leden gezamenlijk als zij dit meedelen aan de Voorzitter, beschouwd als een groep.

Artikel 5.3. Financiële bijdrage

  • 1 Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer op voorstel van het Presidium, worden regels gesteld voor de toekenning en het beheer van een financiële bijdrage aan fracties en groepen ten behoeve van hun werkzaamheden.

  • 2 Indien een nieuwe fractie ontstaat door samenvoeging, is de bijdrage aan de nieuwgevormde fractie ten hoogste de bijdrage die zou toekomen aan een fractie van gelijke grootte als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid.

  • 3 Indien in een fractie een splitsing plaatsvindt, wordt de hoogte van de bijdragen aan de bij de splitsing betrokken nieuwe fracties vastgesteld door de bijdrage die aan de ongesplitste fractie zou toekomen, onder de nieuwe fracties te verdelen naar evenredigheid van de aantallen bij de splitsing betrokken leden.

  • 4 De regeling, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de gevolgen van de afscheiding van leden van een fractie in groepen, voor de bijdrage van die fractie.

  • 5 Het Presidium kan tijdelijke maatregelen treffen die afwijken van het eerste tot en met vierde lid, om de voldoening mogelijk te maken van verplichtingen die tegenover de medewerkers van een oorspronkelijke fractie bestaan bij een samenvoeging of splitsing, of bij een afscheiding van een of meer groepen.

Hoofdstuk 6. Het personeel

§ 6.1. De Griffier

Artikel 6.2. Taken Griffier

  • 1 De Griffier heeft de leiding over de ambtelijke organisatie. Het Presidium oefent hierop toezicht uit.

  • 2 De Griffier is voorts belast met:

    • a. het namens de Kamer vervullen van haar wettelijke taken ten aanzien van haar begroting;

    • b. het namens de Kamer vervullen van haar wettelijke taken ten aanzien van haar archiefbescheiden;

    • c. de overige taken die op grond van dit Reglement of de wet aan hem zijn toegedeeld.

  • 3 De Griffier kan ondermandaat verlenen tot het uitoefenen van zijn bevoegdheden op grond van het tweede lid, onder a en b.

§ 6.2. De overige ambtenaren

Artikel 6.3. Directeuren

  • 1 Het Presidium is belast met het aangaan en beëindigen van het dienstverband van een of meer directeuren.

  • 2 De Griffier is belast met het uitoefenen van de overige rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de directeuren.

Hoofdstuk 7. De commissies

§ 7.1. Soorten commissies

Artikel 7.1. Vaste commissies

  • 1 Er is een vaste commissie voor elk ministerie, met uitzondering van het ministerie van Algemene Zaken. Er zijn ook vaste commissies voor Digitale Zaken, voor Europese Zaken en voor Koninkrijksrelaties.

  • 2 De Kamer kan verder vaste commissies instellen voor het taakgebied van een minister die niet is belast met de leiding van een ministerie, of voor dat van een staatssecretaris. Deze commissies worden ingesteld voor de duur van een zitting.

Artikel 7.2. Tijdelijke commissies

  • 1 De Kamer kan tijdelijke commissies instellen voor specifieke onderwerpen.

  • 2 Het instellingsbesluit van een tijdelijke commissie bevat in ieder geval:

    • a. een nauwkeurige omschrijving van het onderwerp waarover de commissie aan de Kamer dient te rapporteren, of waarvoor de commissie anders wordt ingesteld; en

    • b. de termijn waarvoor de commissie wordt ingesteld.

  • 3 De in het tweede lid, onder b, bedoelde termijn kan op verzoek van de commissie door de Kamer worden verlengd.

Artikel 7.4. Commissie voor de Rijksuitgaven

  • 1 Er is een commissie voor de Rijksuitgaven.

  • 2 De commissie is belast met:

    • a. het behandelen van aangelegenheden van rechtmatigheid, doeltreffendheid en doelmatigheid van de inning en besteding van collectieve middelen;

    • b. het voorlichten, adviseren en ondersteunen van de Kamer en de commissies bij de uitoefening van het budgetrecht en de financiële controle van de regering.

  • 3 De voorlichting, advisering en ondersteuning, bedoeld in het tweede lid, onder b, strekken zich mede uit tot grote projecten als bedoeld in artikel 7.37.

  • 4 De Kamer besluit slechts over een voorstel om de Algemene Rekenkamer te verzoeken een onderzoek in te stellen, nadat advies bij de commissie is ingewonnen.

Artikel 7.5. Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten

  • 1 Er is een commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.

  • 2 In afwijking van artikel 7.11, eerste, tweede en vijfde lid, zijn lid van deze commissie de voorzitters van de fracties, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid. Indien in de Kamer meer dan vijf van deze fracties zitting hebben, zijn lid de voorzitters van de vijf grootste van deze fracties. De Kamer kan op voordracht van de commissie besluiten dat voor de duur van een zitting ten hoogste twee andere voorzitters van fracties ook lid zijn van de commissie.

  • 3 Indien een voorzitter van een fractie op diens verzoek is ontheven van het lidmaatschap van de commissie, is in afwijking van artikel 7.11, vierde lid, de Kamer op voordracht van de commissie bevoegd te besluiten of in plaats van de voorzitter van die fractie een andere voorzitter van een fractie voor de verdere duur van de zitting lid is van de commissie.

  • 4 Indien een lid van de commissie tijdelijk tevens minister is, wordt dit lid gedurende die periode vervangen door een lid dat zijn fractie daartoe voor de duur van die periode uit haar midden aanwijst. Indien alle leden van de fractie tijdelijk tevens minister zijn, is gedurende die periode geen van hen lid van de commissie.

Artikel 7.6. Commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven

  • 1 Er is een commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven.

  • 2 De commissie brengt de Kamer schriftelijk of mondeling verslag uit over het verloop van de verkiezingen, de vaststelling van de verkiezingsuitslag, en de toelating van de leden.

  • 3 De taak, bedoeld in het tweede lid, strekt zich uit over de verkiezing en toelating van de leden van de Tweede Kamer, en van de in Nederland gekozen leden van het Europees Parlement.

Artikel 7.7. Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven

  • 1 Er is een commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven.

  • 2 De commissie brengt aan de Kamer verslag uit over verzoekschriften en burgerinitiatieven. Zij brengt tevens verslag uit over onderzoeksrapporten van de Nationale ombudsman, indien daartoe aanleiding is.

  • 3 De commissie toetst of een verzoekschrift of burgerinitiatief voldoet aan de daaraan gestelde vereisten.

  • 4 Elk verslag over een verzoekschrift of een burgerinitiatief bevat een duidelijke conclusie of een behandelingsvoorstel.

  • 5 De commissie kan een andere commissie verzoeken haar van advies te dienen of namens haar een onderzoek in te stellen en daarover aan haar verslag uit te brengen, voordat zij zelf aan de Kamer verslag uitbrengt.

  • 6 De commissie kan mondeling of schriftelijk in overleg treden met de Nationale ombudsman.

  • 7 De commissie kan slechts besluiten nemen indien meer dan de helft van haar leden of plaatsvervangende leden aanwezig zijn.

  • 8 Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, wordt de werkwijze van de commissie nader geregeld.

Artikel 7.8. Commissie voor de Werkwijze

  • 1 Er is een commissie voor de Werkwijze.

  • 2 De commissie adviseert de Kamer desgevraagd of uit eigen beweging over de werkwijze van de Kamer en over dit Reglement.

  • 3 De commissie brengt aan de Kamer verslag uit over de daartoe aan haar doorgeleide voorstellen tot wijziging van dit Reglement.

§ 7.2. De samenstelling

§ 7.2.1. De commissieleden

Artikel 7.11. Commissieleden

  • 1 De Voorzitter bepaalt uit hoeveel leden een commissie bestaat. De Kamer kan anders besluiten.

  • 2 De Voorzitter benoemt in overleg met de fracties en groepen de leden, en voor zover hij dit wenselijk acht, plaatsvervangende leden.

  • 3 De Voorzitter kan een lid of plaatsvervangend lid op diens verzoek ontheffen van het lidmaatschap van een commissie.

  • 4 De Voorzitter voorziet bij het openvallen van de positie van een lid of plaatsvervangend lid van een commissie in overleg met de betrokken fracties en groepen in de vervulling van die positie.

  • 5 De leden en de plaatsvervangende leden van commissies worden bij de aanvang van elke zitting opnieuw benoemd. Totdat deze benoemingen zijn geschied blijven de in de vorige zitting bestaande commissies voortbestaan in hun oude samenstelling.

§ 7.2.2. De commissievoorzitter

Artikel 7.12. Benoeming commissievoorzitter en -ondervoorzitter

  • 1 Een nieuw ingestelde commissie benoemt in haar eerste vergadering uit haar midden een commissievoorzitter en een commissieondervoorzitter. De eerste vergadering vindt plaats onder leiding van de Voorzitter.

  • 2 Bij het openvallen van de positie van haar commissievoorzitter of commissieondervoorzitter, voorziet de commissie in de vervulling van die positie in een daartoe bijeengeroepen vergadering.

  • 3 Na de benoemingen van haar leden bij de aanvang van een zitting, voorziet de commissie opnieuw in het commissievoorzitterschap en -ondervoorzitterschap in een daartoe bijeengeroepen vergadering.

  • 4 Elke benoeming van een commissievoorzitter of commissieondervoorzitter wordt meegedeeld aan de Kamer.

Artikel 7.13. Taken en bevoegdheden commissievoorzitter

  • 1 Een commissievoorzitter is belast met de volgende taken:

    • a. het leiden van de werkzaamheden van een commissie;

    • b. het doen naleven van dit Reglement;

    • c. het uitvoeren van door de commissie genomen besluiten;

    • d. het vertegenwoordigen van de commissie;

    • e. het verantwoording dragen voor het opstellen van een plan ter versterking van de kennis- en informatiepositie van de commissie en voor het evalueren van de uitvoering daarvan;

    • f. de overige taken die op grond van dit Reglement of de wet aan hem zijn toegedeeld.

  • 2 In het plan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt in ieder geval vastgelegd op welke wijze de commissie controle uitoefent op de door haar ontvangen jaarverslagen voor de verantwoording van de rijksuitgaven, met inbegrip van de benoeming van rapporteurs als bedoeld in artikel 7.36.

  • 3 Een commissievoorzitter heeft tijdens een commissievergadering dezelfde bevoegdheden als de Voorzitter tijdens een vergadering van de Kamer.

Artikel 7.14. Waarneming commissievoorzitterschap

  • 1 Indien de commissievoorzitter niet beschikbaar is, wordt het commissievoorzitterschap waargenomen door:

    • a. de commissieondervoorzitter;

    • b. als die niet beschikbaar is: het lid van de commissie dat het langst in de Kamer zitting heeft, waarbij bij gelijke zittingsduur het oudste lid in leeftijd voorgaat, of een door de commissie aan te wijzen ander lid van de commissie.

  • 2 Een waarnemend commissievoorzitter heeft de taken en bevoegdheden van de commissievoorzitter die vereist zijn voor de waarneming.

§ 7.3. De vergaderingen

Artikel 7.16. Tijdstippen vergaderingen

  • 1 Een commissie komt op de door haar te bepalen tijdstippen bijeen in een vergadering. Indien de commissie geen tijdstippen heeft bepaald, dan bepaalt haar commissievoorzitter deze.

  • 2 De commissievoorzitter roept de commissie in ieder geval binnen een redelijke termijn bijeen in een vergadering, indien de regering of een vierde van haar leden dit onder opgave van redenen verzoekt.

Artikel 7.17. Procedurevergadering

  • 1 Een commissie komt regelmatig bijeen in een procedurevergadering om te besluiten over de wijze van behandeling van de door haar ontvangen stukken en over haar overige werkzaamheden.

  • 2 Tijdens de vergadering stelt de commissievoorzitter de aanwezige leden van de Kamer in de gelegenheid voorstellen te doen ten aanzien van de regeling van de werkzaamheden van de commissie. De leden melden hun voorstellen vooraf aan de commissievoorzitter.

  • 3 De in de vergadering genomen besluiten worden openbaar gemaakt, tenzij zij zijn genomen in een besloten deel van de vergadering en de openbaarmaking ongewenst is.

Artikel 7.18. Bijwonen vergaderingen

  • 1 De leden en de plaatsvervangende leden van een commissie kunnen alle vergaderingen van hun commissie bijwonen.

  • 2 De Voorzitter kan de vergaderingen van elke commissie bijwonen.

  • 3 De overige leden van de Kamer kunnen elk wetgevingsoverleg en notaoverleg bijwonen. Een commissie kan deze leden ook toestaan andere van haar vergaderingen bij te wonen.

  • 4 De leden van de Kamer die een vergadering van een commissie bijwonen, hebben het recht om deel te nemen aan de beraadslaging.

  • 5 Indien een commissievoorzitter onder overeenkomstige toepassing van artikel 8.18 een lid uitsluit van het verdere bijwonen van een commissievergadering, dan geldt deze uitsluiting tevens voor de overige vergaderingen van de betrokken commissie op de dag van de uitsluiting.

Artikel 7.19. Openbaarheid vergaderingen

  • 1 De vergaderingen van de commissies zijn openbaar.

  • 2 De Kamer kan besluiten dat vergaderingen van een bepaalde commissie besloten mogen zijn.

  • 3 Een commissie kan op voorstel van een van haar leden of van een minister besluiten dat een vergadering, of een gedeelte daarvan, besloten zal zijn.

  • 4 Indien een voorstel als bedoeld in het derde lid wordt gedaan tijdens een openbare vergadering, wordt erover beraadslaagd en beslist in een besloten gedeelte van de vergadering.

  • 5 Een besloten commissievergadering kan slechts plaatsvinden in de gebouwen van de Kamer. De leden die deelnemen aan de vergadering moeten in de vergaderzaal aanwezig zijn. De Voorzitter kan toestaan dat in bijzondere omstandigheden wordt afgeweken van dit lid.

§ 7.4. De besluitvorming

Artikel 7.20. Besluitvorming

  • 1 Slechts de leden van een commissie nemen deel aan haar besluitvorming. Indien een lid niet beschikbaar is, kan een plaatsvervangend lid van zijn fractie of groep zijn bevoegdheden uitoefenen. Een plaatsvervangend lid kan de bevoegdheden voor ten hoogste één lid van de commissie uitoefenen.

  • 2 Een commissie kan buiten haar vergaderingen langs schriftelijke weg besluiten over een voorstel dat naar het oordeel van haar commissievoorzitter eenvoudig en spoedeisend van aard is. Het besluit wordt genomen als ware de Kamer in voltallige samenstelling bijeen en stemde zij als bedoeld in artikel 8.25.

  • 3 Indien een commissie een keuze dient te maken voor een of meer personen, besluit zij daarover in een vergadering onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 8.31 tot en met 8.38, met dien verstande dat bij een derde stemming de keuze gaat tussen de twee personen die bij de tweede stemming de meeste stemmen kregen.

§ 7.6. De verslagen

Artikel 7.22. Verslag over een ontvangen stuk

  • 1 Een commissie brengt aan de Kamer verslag uit over een door haar ontvangen stuk, indien dit Reglement dat vereist of de commissie dit om een andere reden wenselijk acht.

  • 2 Het verslag bevat zo beknopt mogelijk datgene wat de commissie over het stuk wil opmerken of vragen.

  • 3 De Kamer kan besluiten dat een commissie geen door het Reglement vereist verslag hoeft uit te brengen over stukken die naar het oordeel van de commissie niet in het openbaar kunnen worden behandeld.

Artikel 7.23. Overige verslagen

  • 1 Een commissie brengt aan de Kamer verslag uit over elk door haar gehouden openbaar mondeling en schriftelijk overleg met een minister.

  • 2 Een commissie kan ook verslag uitbrengen over andere van haar activiteiten.

Artikel 7.24. Vaststelling verslag

  • 1 Een commissiegriffier is verantwoordelijk voor het opstellen van de verslagen van zijn commissie.

  • 2 Een verslag wordt vastgesteld door ondertekening door de commissievoorzitter en commissiegriffier.

  • 3 Een verslag wordt na de vaststelling meteen openbaar gemaakt.

  • 4 De commissie kan besluiten dat bijlagen bij een verslag slechts ter inzage worden gelegd. Bijlagen van vertrouwelijke aard worden in ieder geval niet openbaar gemaakt en slechts ter vertrouwelijke inzage van de leden gelegd.

§ 7.7. De bevoegdheden

§ 7.7.1. Algemeen

Artikel 7.25. Bevoegdheden commissies

Voor een goede vervulling van haar taken is een commissie in ieder geval bevoegd:

  • a. zich tot een minister te wenden om de stukken te verkrijgen waarvan zij de kennisneming nodig acht;

  • b. mondeling in overleg te treden met een minister;

  • c. schriftelijk in overleg te treden met een minister;

  • d. rondetafelgesprekken te houden;

  • e. hoorzittingen te houden;

  • f. technische briefings te houden;

  • g. werkbezoeken af te leggen;

  • h. zich te laten voorlichten door colleges van advies;

  • i. externe deskundigen in te schakelen;

  • j. rapporteurs te benoemen;

  • k. de Kamer voor te stellen een groot project aan te wijzen.

§ 7.7.2. Het mondeling en schriftelijk overleg

Artikel 7.26. Vormen van mondeling overleg

Het mondeling overleg van een commissie met een minister kan plaatshebben in de vorm van:

  • a. een commissiedebat, indien het overleg betrekking heeft op een onderwerp in het beleidsterrein van de commissie;

  • b. een wetgevingsoverleg, indien het overleg betrekking heeft op een in handen van de commissie gesteld wetsvoorstel;

  • c. een notaoverleg, indien het overleg betrekking heeft op een in handen van de commissie gestelde initiatiefnota of een ander stuk waarover de commissie dit overleg wenst te houden.

Artikel 7.27. Datum en tijdstip

  • 1 Een commissie beslist over de datum en het tijdstip van een door haar te houden commissiedebat.

  • 2 De Kamer beslist op voorstel van de Voorzitter over de datum en het tijdstip van een wetgevingsoverleg en notaoverleg.

  • 3 Er vindt steeds hooguit één wetgevingsoverleg of notaoverleg gelijktijdig plaats met een vergadering van de Kamer. Op overige tijdstippen vinden steeds hooguit twee wetgevingsoverleggen of notaoverleggen gelijktijdig plaats.

Artikel 7.28. Maximumspreektijden

  • 1 Een commissie kan bij een commissiedebat en notaoverleg besluiten tot het laten gelden van maximumspreektijden.

  • 2 Bij een wetgevingsoverleg gelden geen maximumspreektijden. Een commissie kan wel besluiten dat de leden die aan het wetgevingsoverleg willen deelnemen de door hen gewenste spreektijd voorafgaand opgeven.

Artikel 7.30. Moties

  • 1 Tijdens een wetgevingsoverleg en notaoverleg kunnen de leden moties indienen. De artikelen 8.20 en 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing op de moties.

  • 2 Tijdens een commissiedebat kunnen geen moties worden ingediend.

Artikel 7.31. Beraadslaging Kamer na commissiedebat of schriftelijk overleg (tweeminutendebat)

  • 1 De Kamer beraadslaagt slechts over een verslag van een commissiedebat of schriftelijk overleg, indien een lid dat heeft deelgenomen aan het debat of overleg een motie over het daarin besproken onderwerp wenst in te dienen. Bij een commissiedebat kan een lid dit slechts aankondigen na de eerste beantwoording door de minister in het debat.

  • 2 Er kan slechts aan de beraadslaging worden deelgenomen door leden van de fracties of groepen die aan het commissiedebat of schriftelijk overleg hebben deelgenomen, tenzij de Kamer anders besluit.

  • 4 In afwijking van artikel 8.13, eerste lid, bedraagt de maximumspreektijd per fractie twee minuten en per groep een minuut, met inbegrip van de benodigde tijd voor de indiening van moties.

§ 7.7.3. Bijzonderheden overige bevoegdheden

Artikel 7.33. Hoorzitting

  • 1 Indien een commissie besluit een hoorzitting te houden, bevraagt zij daarin genodigden over een vooraf door haar vast te stellen onderwerp.

  • 2 De commissie kan voorafgaand in een procedurevergadering besluiten dat tijdens de hoorzitting de door een lid gestelde vragen, met inbegrip van vervolgvragen, steeds meteen kunnen worden beantwoord door de genodigde aan wie zij zijn gericht.

Artikel 7.35. Verzoek om voorlichting of advies

  • 1 Ieder lid van de Kamer kan aan een commissie een schriftelijk voorstel richten om:

    • a. de Afdeling advisering van de Raad van State te verzoeken de Kamer voorlichting te geven over een aangelegenheid van wetgeving of bestuur; of

    • b. een adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges te verzoeken de Kamer te adviseren.

  • 2 De commissie zendt het voorstel met haar advies aan het Presidium. Het Presidium legt het voorstel met het advies van de commissie en, voor zover het dit wenselijk acht, zijn eigen advies voor aan de Kamer.

  • 3 De Kamer besluit over het voorstel.

  • 4 Indien de Kamer een motie aanneemt die strekt tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid, dan zijn het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.36. Benoeming rapporteur

  • 1 Een commissie kan een of meer leden benoemen tot rapporteur over:

    • a. een door haar ontvangen stuk;

    • b. een groot project als bedoeld in artikel 7.37 waarmee zij is belast; of

    • c. een ander onderwerp dat haar aangaat.

  • 2 De commissie legt de aan het rapporteurschap verbonden taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zo spoedig mogelijk schriftelijk vast, en kan tevens de duur van het rapporteurschap vastleggen.

  • 3 Het Presidium bericht de Kamer jaarlijks over de in dat jaar lopende en afgeronde rapporteurschappen.

Artikel 7.37. Aanwijzing groot project

  • 1 Ieder lid van de Kamer kan een commissie verzoeken de Kamer voor te stellen een bepaald project aan te wijzen als groot project dat onder bijzondere parlementaire controle staat.

  • 2 Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, worden nadere regels gesteld over grote projecten.

Hoofdstuk 8. De plenaire vergadering

§ 8.1. Algemene bepalingen

§ 8.1.1. Het begin en einde van de vergadering

Artikel 8.1. Bijeenroeping

  • 1 De Voorzitter roept de Kamer bijeen zo vaak als hij dit nodig acht.

  • 2 De Voorzitter roept de vergadering in ieder geval binnen een redelijke termijn bijeen als dit door ten minste dertig leden of door de regering schriftelijk wordt verzocht onder opgave van redenen.

  • 3 De Kamer kan ook zelf besluiten op welke dag en welk uur zij weer bijeenkomt. Bij onvoorziene omstandigheden kan de Voorzitter de Kamer toch op een ander tijdstip bijeenroepen.

  • 4 Het Presidium kan algemene richtlijnen vaststellen voor de dagen en uren waarop de Kamer doorgaans bijeenkomt en voor de perioden waarin de Kamer met reces is. De Voorzitter houdt daarmee zoveel mogelijk rekening.

  • 5 De leden worden voor elke vergadering tijdig bijeengeroepen. De te behandelen onderwerpen worden daarbij vermeld.

Artikel 8.3. Opening vergadering bij quorum

  • 1 De Voorzitter opent de vergadering, indien op het tijdstip van bijeenroeping uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden hun aanwezigheid hebben gemeld.

  • 2 Indien het vereiste aantal leden zijn aanwezigheid niet heeft gemeld, opent de Voorzitter een bijeenkomst waarin hij de namen van de afwezige leden kan laten oplezen en kennis kan geven van ingekomen stukken. Daarna stelt hij de vergadering uit tot een later tijdstip.

§ 8.1.2. De vergaderzaal

Artikel 8.5. Zitplaatsen

  • 1 Ieder lid heeft een voor hem bestemde zitplaats in de vergaderzaal van de Kamer. Het Presidium wijst deze zitplaatsen aan. Het Presidium kan ook aan een fractie of groep een bepaalde groep zitplaatsen aanwijzen en de verdeling daarvan aan de fractie of groep overlaten.

  • 2 Het Presidium zorgt dat er tevens zitplaatsen beschikbaar zijn voor:

    • a. de ministers;

    • b. personen die de ministers hebben aangewezen om zich in de vergadering te doen bijstaan;

    • c. de gevolmachtigde ministers;

    • d. bijzondere gedelegeerden.

  • 3 Het Presidium kan zitplaatsen toekennen aan andere personen die door de Kamer zijn uitgenodigd.

  • 4 Indien aan een vergadering wordt deelgenomen door bijzondere gedelegeerden of door de Kamer uitgenodigde leden van het Europees Parlement, dan wijst de Voorzitter hun zitplaatsen aan.

  • 5 Indien op uitnodiging van de Kamer het staatshoofd of de regeringsleider van een ander land een vergadering bijwoont om de Kamer toe te spreken, dan wijst de Voorzitter zijn zitplaats aan.

  • 6 Indien de Voorzitter het verzoekt, neemt iedereen zijn zitplaats in.

§ 8.1.3. De organisatie van de werkzaamheden

Artikel 8.7. Ingekomen stukken

  • 1 Gedurende elke vergadering ligt in de vergaderzaal op de tafel van de Griffier een lijst waarin alle sinds de vorige vergadering ingekomen stukken worden opgenomen.

  • 2 In de lijst doet de Voorzitter mededelingen of voorstellen over de wijze van behandeling van de ingekomen stukken. Een voorstel is na het sluiten van de vergadering aangenomen, tenzij daartegen door een lid bezwaar is gemaakt. In dat geval beslist de Kamer over het voorstel.

  • 3 De Voorzitter kan besluiten ongetekende, onbegrijpelijke of beledigende stukken niet op te nemen in de lijst.

Artikel 8.8. Regeling van werkzaamheden

  • 1 De Kamer regelt haar werkzaamheden op voorstel van de Voorzitter of een lid.

  • 2 De regeling van werkzaamheden vindt in het algemeen eenmaal in de week plaats op een door de Voorzitter te bepalen vast tijdstip. De Voorzitter kan in bijzondere gevallen besluiten ook op andere tijdstippen een regeling van werkzaamheden te laten plaatsvinden.

  • 3 De leden melden hun voorstellen vooraf aan de Voorzitter.

  • 4 Alle voorstellen worden vooraf openbaar gemaakt, tenzij daarvoor door spoed geen gelegenheid is.

  • 5 Een lid dat bij de regeling van werkzaamheden een brief van de regering wil vragen, moet daarvoor vooraf toestemming van de Voorzitter verkrijgen.

§ 8.2. De beraadslaging

§ 8.2.1. Spreken in de vergadering

Artikel 8.9. Spreken in de vergadering

  • 1 In de vergadering voert een ieder slechts het woord na het aan de Voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.

  • 2 De Voorzitter verleent het woord in de volgorde waarin het is gevraagd, tenzij de Kamer anders besluit.

  • 3 De leden kunnen voorafgaand aan de beraadslaging over een onderwerp het woord vragen door zich te laten inschrijven op een daartoe bestemde sprekerslijst. De inschrijving is mogelijk zodra de Voorzitter heeft meegedeeld of de Kamer heeft besloten het onderwerp aan de orde te gaan stellen.

  • 4 Indien bijzondere gedelegeerden of in Nederland gekozen leden van het Europees Parlement aan een vergadering deelnemen, dan beslist de Voorzitter over de volgorde waarin aan hen het woord wordt verleend.

  • 5 Indien ministers, personen die zij hebben aangewezen om zich in de vergadering te doen bijstaan, de gevolmachtigde ministers of andere personen die zijn uitgenodigd om een vergadering bij te wonen het woord verlangen, dan verleent de Voorzitter dit slechts nadat de spreker die aan het woord is, zijn rede heeft beëindigd.

  • 6 Indien op uitnodiging van de Kamer het staatshoofd of de regeringsleider van een ander land een vergadering bijwoont om de Kamer toe te spreken, dan beslist de Voorzitter wanneer hem daartoe het woord wordt verleend.

  • 7 Indien de Voorzitter het woord wil voeren over een onderwerp op een andere wijze dan nodig is voor de uitvoering van zijn voorzitterstaak, dan verlaat hij de voor hem bestemde zitplaats. Hij neemt die niet meer in zolang het onderwerp aan de orde is.

Artikel 8.10. Persoonlijk feit of voorstel van orde

  • 1 De volgorde van de sprekers kan worden verbroken, indien een lid het woord vraagt over een persoonlijk feit of de orde.

  • 2 De Voorzitter verleent het woord slechts voor een persoonlijk feit nadat het lid dat daarvoor het woord heeft gevraagd een voorlopige aanduiding van dat feit heeft gegeven. De beslissing of iets een persoonlijk feit vormt, berust bij de Voorzitter.

  • 3 Een voorstel van orde kan door de Voorzitter of een lid worden gedaan.

Artikel 8.12. Spreektermijnen

  • 1 Tijdens de beraadslaging voeren de leden in ten hoogste twee termijnen het woord over hetzelfde onderwerp. De Kamer kan toestemming geven hiervan af te wijken.

  • 2 Indien een lid in een vergadering niet in de eerste termijn over een onderwerp het woord heeft gevoerd, kan hij daarna slechts in die vergadering aan de beraadslaging over het onderwerp deelnemen als de Kamer daarvoor toestemming geeft.

Artikel 8.13. Maximumspreektijden

  • 1 De Kamer kan voor de beraadslaging over een onderwerp maximumspreektijden vaststellen per fractie en groep met inachtneming van de omvang van de fracties en groepen, voor de ministers en voor overige deelnemers.

  • 2 Indien de Kamer maximumspreektijden vaststelt, kan zij tevens bepalen dat in afwijking van artikel 8.12, eerste lid, slechts in één termijn het woord wordt gevoerd.

  • 3 Zodra een door de Kamer vastgestelde of door dit Reglement voorgeschreven maximumspreektijd is verstreken, verzoekt de Voorzitter de spreker op te houden met spreken. Deze geeft meteen aan dit verzoek gevolg.

§ 8.2.2. Gedrag in de vergadering

Artikel 8.16. (Waarschuwing voor) ongeoorloofd gedrag

  • 1 Tijdens de vergadering onthoudt een ieder zich van:

    • a. het gebruik van beledigende uitdrukkingen;

    • b. het verstoren van de orde;

    • c. het niet in acht nemen van de geheimhouding ten aanzien van de gedachtewisseling in een besloten vergadering;

    • d. het niet in acht nemen van de vertrouwelijkheid ten aanzien van de inhoud van een vertrouwelijk stuk; en

    • e. het instemming betuigen met of aansporen tot onwettige handelingen.

  • 2 Indien een spreker hieraan niet voldoet, waarschuwt de Voorzitter hem en stelt hem in de gelegenheid de woorden terug te nemen die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven, of terug te komen van het gedrag dat tot de waarschuwing aanleiding gaf.

Artikel 8.17. Ontneming van het woord

  • 1 De Voorzitter kan een spreker het woord ontnemen, indien deze spreker:

    • a. nadat hij is teruggeroepen tot de behandeling als bedoeld in artikel 8.15, voortgaat van het onderwerp af te wijken; of

    • b. nadat hij is gewaarschuwd als bedoeld in artikel 8.16, tweede lid, geen gebruik maakt van de gelegenheid woorden terug te nemen of van gedrag terug te komen, of voortgaat beledigende uitdrukkingen te gebruiken, de orde te verstoren, de geheimhouding of vertrouwelijkheid niet in acht te nemen, of instemming te betuigen met of aan te sporen tot onwettige handelingen.

  • 2 Een lid dat het woord is ontnomen, mag in de betrokken vergadering niet meer aan de beraadslaging over het in behandeling zijnde onderwerp deelnemen.

§ 8.2.3. Moties

Artikel 8.20. Moties

  • 1 Ieder lid dat het woord voert, kan daarbij, alleen of met andere leden, over het in behandeling zijnde onderwerp moties indienen. Het lid leest de tekst van zijn moties voor.

  • 2 De moties moeten kort en duidelijk zijn geformuleerd, op schrift zijn gebracht en zijn ondertekend.

  • 3 Een lid kan gedurende zijn eerste termijn geen moties indienen, tenzij:

    • a. de Kamer daarvoor toestemming geeft; of

    • b. wordt beraadslaagd over een verslag van een commissiedebat of schriftelijk overleg.

  • 4 De beraadslaging over moties vindt plaats bij de beraadslaging over het onderwerp waarover de motie is ingediend, tenzij de Kamer anders besluit.

  • 5 De eerste ondertekenaar kan de motie wijzigen of intrekken totdat erover is gestemd.

Artikel 8.21. Overnemen van moties

  • 1 De Voorzitter deelt tijdens de beraadslaging mee dat een motie die is gericht aan de regering is overgenomen, indien:

    • a. de minister te kennen geeft zich met de inhoud van de voorgestelde motie te kunnen verenigen; en

    • b. de Voorzitter zich ervan heeft overtuigd dat geen van de in de vergaderzaal aanwezige leden zich tegen het overnemen van de motie verzet.

  • 2 Een overgenomen motie maakt na de mededeling geen afzonderlijk onderwerp van de beraadslaging meer uit.

§ 8.2.4. Het sluiten van de beraadslaging

Artikel 8.22. Sluiting van de beraadslaging

  • 1 De Voorzitter sluit de beraadslaging over een onderwerp, wanneer niemand meer het woord verlangt.

  • 2 De Voorzitter of een in de vergaderzaal aanwezig lid kan de Kamer voorstellen de beraadslaging van de zijde van de Kamer eerder te sluiten, als hij van oordeel is dat het onderwerp waarover wordt beraadslaagd van verschillende zijden voldoende is belicht. Het voorstel kan beknopt worden toegelicht.

  • 3 De Voorzitter of een ander in de vergaderzaal aanwezig lid kan ook voorstellen de beraadslaging van de zijde van de Kamer op een bepaald tijdstip te sluiten. Het voorstel kan beknopt worden toegelicht. Indien het voorstel wordt aangenomen, kan de Voorzitter besluiten de nog beschikbare tijd naar billijkheid te verdelen onder de sprekers.

§ 8.3. De besluitvorming

§ 8.3.1. Algemene bepalingen

Artikel 8.23. Nemen van een besluit

  • 1 Nadat de beraadslaging over een onderwerp is gesloten, gaat de Kamer zo nodig over tot het nemen van een besluit.

  • 2 De stemming over een motie kan worden aangehouden. De aangehouden motie vervalt, indien er nog niet over is gestemd in de eerste vergadering twaalf weken na het besluit tot aanhouden. De Kamer kan anders besluiten. Bij het eindigen van een zitting vervallen alle aangehouden moties.

§ 8.3.2. Besluitvorming over zaken

Artikel 8.26. Hoofdelijke stemming

  • 1 Er vindt een hoofdelijke stemming over een zaak plaats, indien:

    • a. een lid daar om vraagt; of

    • b. naar het oordeel van een lid de stemverhouding bij een stemming bij handopsteken niet duidelijk is.

  • 2 Er kan niet tot een hoofdelijke stemming als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden overgegaan, wanneer de uitslag van de stemming bij handopsteken al is vastgesteld.

  • 3 Bij de hoofdelijke stemming worden de leden hoofdelijk opgeroepen te stemmen. Ieder lid brengt hierbij mondeling zijn stem uit met de woorden «voor» of «tegen». Voor de stemming wordt door het lot beslist, bij welk lid op de presentielijst de oproeping begint.

  • 4 Indien bij de hoofdelijke stemming blijkt dat geen meerderheid van het aantal zitting hebbende leden meer aanwezig is, zal de Voorzitter:

    • a. de vergadering voor enige tijd schorsen en haar voortzetten, indien bij de heropening weer voldoende leden aanwezig blijken te zijn; of

    • b. de vergadering sluiten en op een later tijdstip een nieuwe vergadering bijeenroepen.

Artikel 8.27. Vergissingen bij stemmingen

  • 1 Indien een lid zich tijdens het stemmen bij handopsteken vergist, kan hij zijn vergissing slechts herstellen voordat de Voorzitter de uitslag heeft vastgesteld.

  • 2 Indien een lid zich tijdens een hoofdelijke stemming bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan hij zijn vergissing slechts herstellen voordat het volgende lid heeft gestemd.

  • 3 Als een lid zijn vergissing niet tijdig heeft hersteld, kan hij na afloop van de stemming vragen om aantekening dat hij zich heeft vergist. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.

Artikel 8.28. Staken van stemmen

  • 1 Bij het staken van de stemmen is een voorstel niet aangenomen, indien de vergadering voltallig is.

  • 2 Indien de vergadering niet voltallig is, wordt de stemming uitgesteld tot een volgende vergadering. Als de stemmen opnieuw staken, is het voorstel niet aangenomen.

Artikel 8.29. Stemverklaring

  • 1 De Voorzitter kan toestaan dat onmiddellijk voorafgaand aan een stemming door de leden stemverklaringen worden afgelegd. Na de stemming kan een lid in ieder geval een stemverklaring afleggen.

  • 2 Een stemverklaring mag niet langer duren dan één minuut, en dient te zijn beperkt tot een korte uitleg over de stem.

  • 3 Na een stemverklaring kan de beraadslaging niet worden heropend.

Artikel 8.30. Besluit zonder stemming

  • 1 Een stemming over een zaak kan achterwege blijven, indien geen lid daarom vraagt. De Voorzitter stelt daarbij voor het besluit zonder stemming te nemen.

  • 2 In de vergaderzaal aanwezige leden kunnen aantekening vragen dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd. In dat geval wordt het besluit geacht genomen te zijn met de stemmen van de overige leden.

§ 8.3.3. Besluitvorming over personen

Artikel 8.31. Stemming met stembriefjes

  • 1 De stemming over personen voor benoemingen, voordrachten of keuzen vindt plaats met behulp van stembriefjes, die de leden in een stembus werpen.

  • 2 De leden vullen voor iedere kandidaat voor de benoeming, voordracht of keuze, afzonderlijk een stembriefje in. Het stembriefje moet een duidelijke aanwijzing bevatten van de persoon waarop het lid wil stemmen. In geval van twijfel, beslist de Kamer.

Artikel 8.32. Stemrondes

  • 1 De stemmingen over de kandidaten vinden plaats in een aantal stemrondes. De eerste stemming is vrij.

  • 2 Indien niemand bij de eerste stemming de meerderheid van stemmen verkrijgt, dan vindt een tweede stemming plaats. Deze stemming is eveneens vrij.

  • 3 Indien ook bij de tweede stemming niemand de meerderheid van stemmen verkrijgt, dan vindt een derde stemming plaats. Daarbij wordt gekozen uit de vier personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Als bij de tweede stemming slechts op drie of vier personen stemmen zijn uitgebracht, dan wordt gekozen uit de twee personen, op wie het hoogste aantal stemmen is uitgebracht.

  • 4 Indien ook bij de derde stemming niemand de meerderheid van stemmen verkrijgt, dan vindt een vierde stemming plaats. Daarbij wordt gekozen uit de twee personen, die bij de derde stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd.

  • 5 Indien bij een tweede of derde stemming niet is uitgemaakt tussen wie ook bij een volgende stemming moet worden beslist, dan vindt er een tussenstemming plaats om daarover te beslissen.

Artikel 8.33. Staken van stemmen

  • 1 Indien bij een tussenstemming als bedoeld in artikel 8.32, vijfde lid, of bij een stemming tussen twee personen de stemmen staken, dan beslist het lot.

  • 2 Er worden naambriefjes voor de betrokken personen gemaakt om de beslissing tot stand te brengen. De naambriefjes worden vervolgens door een stemopnemer als bedoeld in artikel 8.35 behoorlijk toegevouwen in de stembus geworpen, en er door een andere stemopnemer een voor een uitgetrokken en voorgelezen. De persoon die wordt vermeld op het naambriefje dat het eerste uit de stembus is getrokken, is de gekozene.

Artikel 8.34. Ongeldige stemmen

  • 1 Niet of niet behoorlijk ingevulde stembriefjes tellen voor het bepalen van de meerderheid niet mee.

  • 2 Indien op verzoek van de Kamer ten behoeve van de stemming door een commissie personen zijn voorgedragen voor de benoeming, voordracht of keuze, dan tellen stembriefjes die een persoon aanwijzen die niet door de commissie is voorgedragen evenmin mee.

Artikel 8.35. Uitslag stemming

  • 1 De Voorzitter benoemt voor de stemming vier leden tot stemopnemers, die gezamenlijk steeds de geldigheid van de stembriefjes controleren, en bepalen hoeveel stemmen op iedere persoon zijn uitgebracht.

  • 2 Wanneer de stemopnemers bij een stemming klaar zijn met hun taak, maakt de eerstbenoemde stemopnemer het getal van de in de stembus aangetroffen stembriefjes bekend, en de Voorzitter het getal van de leden op de presentielijst. De eerstbenoemde stemopnemer maakt vervolgens de uitslag bekend.

Artikel 8.36. Nietige stemming

  • 1 Een stemming is nietig, indien:

    • a. het getal van de in de bus gevonden stembriefjes groter is dan dat van de leden op de presentielijst en dit verschil van invloed heeft kunnen zijn op de uitslag; of

    • b. het getal van de behoorlijk ingevulde stembriefjes niet meer bedraagt dan de helft van het aantal zitting hebbende leden.

  • 2 Na een nietige stemming vindt de stemming opnieuw plaats. Indien de stemming nietig is omdat het getal van de in de stembus gevonden stembriefjes niet meer bedraagt dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, dan wordt de vergadering tussentijds geschorst of uitgesteld onder overeenkomstige toepassing van artikel 8.26, vierde lid.

Artikel 8.37. Besluit zonder stemming

Een stemming over een persoon kan achterwege blijven, indien geen van de leden daarom vraagt en het gaat over:

  • a. de benoeming van de Griffier; of

  • b. de benoeming of voordracht van een of meer personen voor een positie in een ander overheidsorgaan, een aanbeveling is gedaan voor de benoeming of voordracht, en de betrokken commissie aan de Voorzitter heeft meegedeeld dat zij geen reden ziet om van die aanbeveling af te wijken.

De Voorzitter stelt voor het besluit zonder stemming te nemen.

Hoofdstuk 9. Wetsvoorstellen

§ 9.1. Wetsvoorstellen

§ 9.1.1. Voorbereiding door de commissie

Artikel 9.1. Inhandenstelling

  • 1 De Voorzitter stelt elk wetsvoorstel in handen van een vaste commissie voor een voorbereidend onderzoek.

  • 2 Het besluit tot inhandenstelling wordt zo spoedig mogelijk meegedeeld in een vergadering van de Kamer. Bij die mededeling kan de Kamer anders besluiten over de inhandenstelling.

Artikel 9.2. Verslag

  • 1 Een commissie brengt over elk in haar handen gesteld wetsvoorstel verslag uit aan de Kamer.

  • 2 Ieder lid van de Kamer kan bij de commissie schriftelijke opmerkingen inbrengen voor het verslag. De commissie is bevoegd weg te laten wat zij niet ter zake acht.

  • 3 De commissie stelt binnen twee weken na de inhandenstelling, met uitzondering van recesperioden, een termijn vast voor de inbreng. Van de gestelde termijn wordt mededeling gedaan aan de leden van de Kamer.

Artikel 9.3. Stellen van een termijn

  • 1 Het Presidium kan een commissie een termijn stellen voor het uitbrengen van haar verslag over een wetsvoorstel.

  • 2 Indien het verslag niet binnen de gestelde tijd gereed kan zijn, vraagt de commissie om verlenging van de termijn. Het Presidium beslist over de verlenging. Deze beslissing wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis gebracht van de leden van de Kamer en meegedeeld in een vergadering van de Kamer.

  • 3 Indien het Presidium een beslissing tot verlenging niet unaniem heeft genomen, wordt dat gemeld bij de mededeling, bedoeld in het tweede lid. De Kamer kan bij die mededeling anders besluiten. Een voorstel daartoe kan door ieder lid worden gedaan.

  • 4 Een verlengde termijn kan slechts nader worden verlengd door de Kamer. Tijdens een reces kan het Presidium tot nadere verlenging van de termijn besluiten.

  • 5 Indien een commissie niet binnen een gestelde termijn verslag uitbrengt, kan de Kamer de beraadslaging openen zonder dat een verslag is uitgebracht.

Artikel 9.4. Vervolgstukken

  • 1 Een commissie vermeldt in haar verslag over een wetsvoorstel of zij de behandeling door de Kamer, al dan niet onder voorbehoud, voldoende voorbereid acht.

  • 2 Indien het verslag opmerkingen of vragen bevat, wordt de regering in de gelegenheid gesteld te reageren in een nota naar aanleiding van het verslag.

  • 3 Na ontvangst van een nota naar aanleiding van het verslag kan de commissie besluiten nader verslag uit te brengen. De artikelen 9.2 tot en met 9.4 zijn van toepassing op een nader verslag.

§ 9.1.2. Amendementen

Artikel 9.5. Indienen van amendementen

  • 1 Ieder lid kan, alleen of met andere leden, amendementen indienen vanaf het tijdstip dat een wetsvoorstel in handen van een commissie is gesteld.

  • 2 De amendementen moeten zijn voorzien van een beknopte toelichting, en door de indieners zijn ondertekend.

  • 3 De amendementen worden bij de indiening meteen openbaar gemaakt. Indien een amendement op de dag van de beraadslaging of stemming over het wetsvoorstel wordt ingediend, wordt het tevens in de vergaderzaal rondgedeeld.

Artikel 9.6. Toelaatbaarheid van amendementen

  • 1 Een amendement wordt geacht toelaatbaar te zijn, zolang de Kamer het niet ontoelaatbaar heeft verklaard.

  • 2 De Voorzitter of een lid kan de Kamer voorstellen een amendement ontoelaatbaar te verklaren, indien:

    • a. de strekking van het amendement tegengesteld is aan het wetsvoorstel; of

    • b. er tussen de inhoud van het amendement en die van het wetsvoorstel geen rechtstreeks verband bestaat.

Artikel 9.7. Wijzigen en intrekken van amendementen

  • 1 De eerste ondertekenaar van een amendement kan zijn amendement wijzigen.

  • 2 De eerste ondertekenaar kan het amendement intrekken tijdens een wetgevingsoverleg en de beraadslaging van de Kamer. Indien de beraadslaging is gesloten, is voor de intrekking toestemming nodig van de Kamer.

  • 3 Indien de eerste ondertekenaar geen lid meer is, kan een door zijn fractie of groep aangewezen lid het amendement wijzigen of intrekken. Indien de fractie of groep geen deel meer uitmaakt van de Kamer, kan de eerstvolgende ondertekenaar het amendement wijzigen of intrekken.

Artikel 9.8. Overnemen van amendementen

  • 1 De Voorzitter deelt tijdens de beraadslaging over een wetsvoorstel mee dat een amendement is overgenomen, indien:

    • a. de minister te kennen geeft zich met de inhoud van een ingediend amendement te kunnen verenigen; en

    • b. de Voorzitter zich ervan heeft overtuigd dat geen van de in de vergaderzaal aanwezige leden zich tegen het overnemen van het amendement verzet.

  • 2 Een overgenomen amendement is vanaf de mededeling onderdeel van het wetsvoorstel en maakt geen afzonderlijk onderwerp van de beraadslaging meer uit.

  • 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het overnemen van een amendement tijdens een wetgevingsoverleg.

Artikel 9.9. Subamendementen

  • 1 Ieder lid kan, alleen of met andere leden, subamendementen indienen tot wijziging van door andere leden ingediende amendementen.

  • 2 De regels die voor amendementen gelden, zijn van overeenkomstige toepassing op subamendementen.

§ 9.1.3. De beraadslaging

Artikel 9.10. Algemene beraadslaging en artikelsgewijze behandeling

  • 1 De algemene beraadslaging over een wetsvoorstel vindt plaats in twee termijnen.

  • 2 De Kamer kan besluiten het wetsvoorstel na de algemene beraadslaging artikelsgewijs te behandelen. Daarbij behandelt de Kamer de artikelen en de daarop voorgestelde amendementen in hun volgorde, en ten slotte de beweegreden van het wetsvoorstel. De Kamer kan, de commissie gehoord, tevens besluiten dat de artikelsgewijze behandeling in een wetgevingsoverleg plaatsvindt.

  • 3 Indien over een wetsvoorstel een wetgevingsoverleg is gehouden, vindt verder geen beraadslaging plaats, tenzij de Kamer anders besluit.

  • 4 De Kamer kan tot een andere wijze van behandelen besluiten.

§ 9.1.4. De stemmingen

Artikel 9.11. Stemmingen over wetsvoorstel en amendementen

  • 1 De Kamer volgt bij het stemmen de artikelvolgorde van het wetsvoorstel, met dien verstande dat:

    • a. subamendementen in stemming komen voor het amendement dat zij wijzigen;

    • b. amendementen in stemming komen voor de artikelen die zij wijzigen;

    • c. de afzonderlijke artikelen in hun volgorde in stemming komen;

    • d. de beweegreden onmiddellijk voorafgaand aan de eindstemming in stemming komt; en

    • e. de eindstemming over het wetsvoorstel in zijn geheel altijd aan het slot plaatsvindt.

  • 2 De amendementen komen in hun geheel in stemming bij het eerste artikel dat zij wijzigen, tenzij de Kamer anders besluit.

  • 3 De amendementen op eenzelfde gedeelte van het wetsvoorstel komen steeds in stemming in volgorde van meest naar minst verstrekkend ten opzichte van het wetsvoorstel. Bij geschil over de verstrekkendheid van een amendement beslist de Kamer.

  • 4 Er wordt slechts afzonderlijk gestemd over artikelen of de beweegreden, of over onderdelen daarvan of over onderdelen van amendementen, indien de Kamer daartoe op verzoek van een lid besluit.

  • 5 De Kamer kan besluiten dat:

    • a. amendementen als vervallen moeten worden beschouwd door het aanbrengen van andere wijzigingen in het wetsvoorstel;

    • b. in het wetsvoorstel technische wijzigingen worden aangebracht die nodig zijn geworden door het aannemen van twee of meer amendementen.

Artikel 9.12. Tweede lezing

  • 1 Indien een wetsvoorstel in de loop van de beraadslaging of als gevolg van de stemmingen is gewijzigd, dan kan de Kamer besluiten de eindstemming voor een tweede lezing uit te stellen tot een volgende vergadering.

  • 2 Tot de eindstemming kunnen door de regering en door de betrokken commissie wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn geworden door voor of bij de stemmingen aangebrachte wijzigingen, of die kennelijke vergissingen herstellen.

  • 3 Indien wijzigingen worden voorgesteld, vindt de stemming daarover en de eindstemming over het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk plaats, tenzij de voorgestelde wijzigingen de Kamer aanleiding geven tot heropening van de beraadslaging.

§ 9.1.5. Afronding behandeling

Artikel 9.13. Vernummering wetsvoorstel

  • 1 De Voorzitter brengt in een door de Kamer aangenomen wetsvoorstel verandering aan in de nummering of lettering van hoofdstukken, paragrafen, artikelen, artikelleden of artikelonderdelen, en in de op die tekstdelen gerichte verwijzingen, voor zover hij dit nodig acht door wijzigingen die in het wetsvoorstel zijn aangebracht.

  • 2 De Kamer kan besluiten de in het eerste lid bedoelde veranderingen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.

§ 9.2. Bijzonderheden rijkswetsvoorstellen

Artikel 9.20. Aanneming met minder dan drie vijfden van de stemmen

  • 1 De Voorzitter geeft de minister-president kennis van het aannemen van een rijkswetsvoorstel, indien voor de eindstemming:

    • a. een gevolmachtigde minister of een daartoe aangewezen bijzondere gedelegeerde een verklaring als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk heeft afgelegd tegen het rijkswetsvoorstel; en

    • b. de Kamer het rijkswetsvoorstel daarna heeft aangenomen met een meerderheid van minder dan drie vijfden van het aantal uitgebrachte stemmen.

  • 2 De Voorzitter zendt het rijkswetsvoorstel slechts aan de Eerste Kamer, indien de minister-president hem meedeelt dat het voorstel wordt gehandhaafd.

§ 9.3. Bijzonderheden initiatiefwetsvoorstellen

Artikel 9.21. Aanhangig maken initiatiefwetsvoorstel

  • 1 Ieder lid kan, alleen of met andere leden, als initiatiefnemer een initiatiefwetsvoorstel bij de Kamer aanhangig maken door dit schriftelijk en ondertekend aan de Voorzitter te zenden.

  • 2 Indien het initiatiefwetsvoorstel een rijkswetsvoorstel betreft, zendt de Voorzitter dit meteen na ontvangst aan de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Artikel 9.22. Horen Afdeling advisering van de Raad van State

  • 1 De Kamer hoort de Afdeling advisering van de Raad van State voordat zij een initiatiefwetsvoorstel in behandeling neemt.

  • 2 De Kamer kan de Afdeling advisering nogmaals horen nadat het initiatiefwetsvoorstel in behandeling is genomen. Een lid kan daartoe, zo nodig met doorbreking van de orde, een voorstel doen tot aan de eindstemming over het wetsvoorstel.

  • 3 De initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor een schriftelijke reactie op de door de Afdeling advisering uitgebrachte adviezen.

Artikel 9.23. Behandeling initiatiefwetsvoorstellen

  • 1 Een initiatiefwetsvoorstel wordt pas in handen van een commissie gesteld nadat het advies van de Afdeling advisering, bedoeld in artikel 9.22, eerste lid, met de schriftelijke reactie van de initiatiefnemers is openbaar gemaakt.

  • 2 Het initiatiefwetsvoorstel wordt op dezelfde wijze behandeld als door of vanwege de Koning ingediende wetsvoorstellen, met dien verstande dat:

    • a. overal waar sprake is van het optreden van een minister, de initiatiefnemers in zijn plaats optreden; en

    • b. de initiatiefnemers niet aan het onderzoek van het voorstel deelnemen.

  • 3 De initiatiefnemers kunnen zich in de vergadering van de commissies en van de Kamer doen bijstaan door ten hoogste vier door hen daartoe aangewezen personen.

  • 4 Indien ministers bij de behandeling het woord verlangen, krijgen zij dit na de initiatiefnemers, tenzij de Kamer anders besluit.

Artikel 9.24. Wijziging samenstelling initiatiefnemers

  • 1 De eerste ondertekenaar van een initiatiefwetsvoorstel deelt elke wijziging in de samenstelling van de initiatiefnemers die zich tijdens de behandeling door de Kamer voordoet, schriftelijk mee aan de Voorzitter.

  • 2 Indien de eerste ondertekenaar geen lid meer is, kan een door zijn fractie of groep aangewezen lid dat initiatiefnemer wordt of de eerstvolgende ondertekenaar die nog lid is, de schriftelijke mededeling doen.

Artikel 9.25. Initiatiefwetsvoorstellen zonder initiatiefnemers

  • 1 De Voorzitter deelt jaarlijks na de verzending van het ontwerp voor de raming in een vergadering aan de Kamer mee bij welke aanhangige initiatiefwetsvoorstellen geen van de initiatiefnemers meer lid is.

  • 2 Indien er in de eerste vergadering zes weken na de mededeling geen nieuwe initiatiefnemers zijn voor een initiatiefwetsvoorstel, stelt de Voorzitter aan de Kamer voor dit wetsvoorstel als vervallen te beschouwen.

Artikel 9.26. Verdediging in de Eerste Kamer

  • 1 Indien een initiatiefwetsvoorstel wordt aangenomen door de Kamer, dan wordt de initiatiefnemers opgedragen het wetsvoorstel in de Eerste Kamer te verdedigen. De Kamer kan anders besluiten.

  • 2 De Kamer kan gedurende de behandeling in de Eerste Kamer besluiten de verdediging van het wetsvoorstel aan andere leden op te dragen.

Artikel 9.27. Verzending aangenomen initiatiefwetsvoorstel

De Voorzitter zendt een door de Kamer aangenomen initiatiefwetsvoorstel aan de Voorzitter van de Eerste Kamer met het volgende formulier: «De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt bijgaand door haar aangenomen wetsvoorstel aan de Eerste Kamer. Zij heeft ..... opgedragen het voorstel in die Kamer te verdedigen».

§ 9.5. Bijzonderheden herziening Grondwet of Statuut voor het Koninkrijk

Artikel 9.29. Spoedige overweging in tweede lezing

  • 2 Indien de Kamer niet over het wetsvoorstel heeft besloten in de eerste zitting nadat zij is ontbonden als bedoeld in artikel 137, derde lid, van de Grondwet, stelt de Voorzitter bij aanvang van de daaropvolgende zitting aan de Kamer voor het wetsvoorstel als vervallen te beschouwen.

Artikel 9.30. Bijzonderheden initiatiefwetsvoorstel tweede lezing

  • 1 De fracties en groepen van de leden die in de Eerste Kamer een initiatiefwetsvoorstel hebben verdedigd dat is bekendgemaakt als wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, dragen zorg dat zo spoedig mogelijk na die bekendmaking een wetsvoorstel tot verandering in de Grondwet aanhangig wordt gemaakt.

  • 2 Indien het betrokken wetsvoorstel niet op grond van het eerste lid aanhangig wordt gemaakt, maakt de Voorzitter het uiterlijk op de laatste dag van de zitting waarin de bekendmaking plaatsvond ambtshalve aanhangig.

  • 3 Het wetsvoorstel kan pas na aanvang van de eerstvolgende zitting in handen van een commissie worden gesteld.

  • 4 Artikel 9.25 is niet van toepassing op het wetsvoorstel. Indien geen van de initiatiefnemers en hun fracties of groepen meer deel uitmaken van de Kamer, kan de Kamer besluiten of andere leden initiatiefnemer van het wetsvoorstel worden.

Hoofdstuk 10. Verdragen, (ontwerp)besluiten en (initiatief)nota’s

§ 10.1. Verdragen

Artikel 10.1. Brief stilzwijgende goedkeuring Verdrag

  • 1 Zodra een verdrag ter stilzwijgende goedkeuring wordt overgelegd aan de Kamer, wordt op de begeleidende brief aangetekend:

    • a. de dag van ontvangst; en

    • b. de dag waarop de wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal zal worden onderworpen uiterlijk te kennen kan worden gegeven.

    De begeleidende brief met de aantekening wordt verspreid onder de leden.

  • 2 Als eerste dag van de termijn voor het te kennen geven van de wens, geldt de dag na die van ontvangst van het verdrag.

Artikel 10.2. Uitspreken wens door de Kamer

  • 1 De Voorzitter of een lid kan in een vergadering aan de Kamer voorstellen de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen te geven.

  • 2 Indien de Kamer instemt met het voorstel, deelt de Voorzitter dit meteen mee aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en vervolgens aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

  • 3 Indien de Kamer niet met het voorstel instemt, maar ten minste dertig leden zich voor het voorstel verklaren, dan vindt artikel 10.4 toepassing.

Artikel 10.3. Uitspreken wens namens de Kamer

  • 1 De Voorzitter kan namens de Kamer de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen geven. Hij raadpleegt zo mogelijk vooraf de betrokken commissies.

  • 2 De Voorzitter geeft de wens te kennen aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en deelt dit vervolgens meteen mee aan de Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Artikel 10.4. Uitspreken wens door dertig leden

  • 1 Indien dertig of meer leden de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen willen geven, dan delen zij dit schriftelijk mee aan de Voorzitter.

  • 2 De Voorzitter deelt het te kennen geven van de wens meteen mee aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en vervolgens aan de Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Artikel 10.5. (Uitspreken wens door) gevolmachtigde ministers

  • 1 Indien het verdrag dat is overgelegd Aruba, Curaçao of Sint Maarten raakt, dan worden de desbetreffende gevolmachtigde ministers:

    • a. in de gelegenheid gesteld de mondelinge behandeling van een voorstel als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, bij te wonen en daarbij zodanige voorlichting aan de Kamer te verstrekken als zij gewenst oordelen; en

    • b. tevens steeds in kennis gesteld van het te kennen geven van de wens van uitdrukkelijke goedkeuring door of namens de Kamer of door ten minste dertig leden.

  • 2 Indien een gevolmachtigde minister door tussenkomst van de Voorzitter de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen geeft, dan deelt de Voorzitter dit meteen mee aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en vervolgens aan de Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.

§ 10.2. (Ontwerp)besluiten

Artikel 10.7. Brief over (ontwerp)besluit

  • 1 Indien op grond van de wet aan de Kamer een (ontwerp)besluit wordt overgelegd en de wens te kennen kan worden gegeven dat het onderwerp of de inwerkingtreding van het (ontwerp)besluit bij wet wordt geregeld, dan wordt op de begeleidende brief aangetekend:

    • a. de dag van ontvangst; en

    • b. de dag waarop de wens uiterlijk te kennen kan worden gegeven.

    De begeleidende brief met de aantekening wordt verspreid onder de leden.

  • 2 Als eerste dag van de wettelijke termijn voor het te kennen geven van de wens, geldt de dag na die van ontvangst van het ontwerpbesluit.

  • 3 Dit artikel vindt overeenkomstige toepassing in andere gevallen waarin naar aanleiding van een door de Kamer ontvangen brief een in de wet omschreven wens te kennen kan worden gegeven.

Artikel 10.8. Uitspreken wens

Voor zover de wet hierin voorziet, kan de wens aan de betrokken minister te kennen worden gegeven:

  • a. door de Kamer, onder overeenkomstige toepassing van artikel 10.2;

  • b. namens de Kamer, onder overeenkomstige toepassing van artikel 10.3;

  • c. door een in de wet genoemd aantal leden, onder overeenkomstige toepassing van artikel 10.4.

§ 10.3. (Initiatief)nota’s

Artikel 10.9. Indiening en inhandenstelling initiatiefnota

  • 1 Ieder lid kan, alleen of met andere leden, over een door hem te bepalen onderwerp een initiatiefnota indienen.

  • 2 De initiatiefnota dient paragrafen met beslispunten en financiële aspecten te bevatten.

  • 3 De Voorzitter stelt de initiatiefnota in handen van een commissie. Indien de paragrafen, bedoeld in het tweede lid, niet in de initiatiefnota zijn opgenomen, kan de Voorzitter de indieners verzoeken het stuk daarvan alsnog te voorzien.

  • 4 Het besluit tot inhandenstelling wordt zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de Kamer. Bij die mededeling kan de Kamer anders besluiten over de inhandenstelling.

Artikel 10.10. Behandeling (initiatief)nota’s

  • 1 De commissie houdt in ieder geval een notaoverleg over een in haar handen gestelde initiatiefnota.

  • 2 Indien een commissie besluit voorafgaand een verslag vast te stellen over de initiatiefnota, zijn de artikelen 9.2 en 9.3 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Indien een commissie besluit een verslag uit te brengen over een ander stuk waarover zij een notaoverleg wenst te houden, zijn de artikelen 9.2 en 9.3 eveneens van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De