Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

[Regeling vervalt per 01-01-2026.]
Geldend van 07-05-2021 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 18 januari 2021, 2020-0000172420, tot het verstrekken van subsidies voor maatwerk in het kader van duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 2, 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • aanvraagtijdvak: een door de minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend;

    • activiteiten: alle activiteiten die bijdragen aan het realiseren van het doel, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van deze regeling en die zijn opgenomen in een activiteitenplan;

    • activiteitenplan: een door een hoofdaanvrager, namens een samenwerkingsverband, ingediend plan met activiteiten voor duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden gebaseerd op een sectoranalyse;

    • arbeidsorganisatie: een onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007, waarin door werknemers arbeid wordt verricht;

    • branche: een groep organisaties, die bijdraagt aan gelijksoortige producten of diensten in een sector;

    • brancheorganisatie: een organisatie die de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde branche behoren;

    • brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende cao of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;

    • BSN: nummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

    • btw: omzetbelasting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968;

    • cofinanciering: deel van het activiteitenplan dat niet door deze regeling wordt gefinancierd;

    • cao: een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;

    • duurzame inzetbaarheid: het gemotiveerd, gezond en productief houden van werkenden om hen in staat te stellen tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, binnen of buiten een arbeidsorganisatie betaalde arbeid te verrichten;

    • eerder uittreden: een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964;

    • externe kosten: kosten die in rekening gebracht worden door derden voor het uitvoeren van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 13;

    • hoofdaanvrager: een werkgeversorganisatie, een werknemersorganisatie of een O&O-fonds, welke deel uitmaakt van een samenwerkingsverband en namens het samenwerkingsverband subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

    • kaderregeling: de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

    • kleine onderneming: een onderneming waarin minder dan 25 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal € 5 miljoen niet overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

    • minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • O&O-fonds: een stichting of vereniging die als doel heeft het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt en die:

      • a. is opgericht bij een bij de minister aangemelde cao;

      • b. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties; of

      • c. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversorganisaties alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties;

    • project: de uitvoering van een sectoranalyse of een activiteitenplan;

    • projectperiode: periode die aanvangt op de startdatum van het project en eindigt op de datum waarop het project uiterlijk moet zijn afgerond;

    • samenwerkingsverband: een samenwerking tussen ten minste een of meer werknemersorganisaties en een of meer werkgeversorganisaties in een sector;

    • sector: een sector zoals omschreven in de subsidieaanvraag, die past binnen een of meerdere hoofdcategorieën van de sectorindeling zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

    • sectoranalyse: een analyse waarin inzicht wordt gegeven in de problematiek en oplossingsrichtingen op het gebied van duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden in de sector, waarop de analyse betrekking heeft;

    • werkgeversorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers, die krachtens haar statuten de belangbehartiging van werkgevers beoogt;

    • werknemersorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die krachtens haar statuten de belangbehartiging van werknemers beoogt.

  • 2 Voor de toepassing van deze regeling wordt onder werkgeversorganisatie mede verstaan een beroepsorganisatie, zijnde een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van beroepsgenoten, die krachtens haar statuten de belangbehartiging van beroepsgenoten beoogt.

Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling en benodigde formulieren

  • 1 Op deze regeling is de kaderregeling van toepassing voor zover daar in de regeling niet van wordt afgeweken.

  • 2 De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3. Doel van de regeling

  • 1 Het doel van deze regeling is het door middel van het verlenen van subsidie faciliteren van sectorale maatwerkafspraken betreffende duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden.

  • 2 Een subsidiabele activiteit heeft betrekking op een of meer van de onderstaande thema’s, met dien verstande dat een project niet enkel betrekking heeft op het thema, bedoeld onder e:

    • a. het bevorderen van gezond, veilig en vitaal werken;

    • b. het bevorderen van goed werkgeverschap en goed opdrachtgeverschap;

    • c. het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden;

    • d. het bevorderen van bewustwording en van de eigen regie van werkenden op hun loopbaan;

    • e. het treffen van maatwerkafspraken rondom eerder uittreden.

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1 De minister stelt in de periode 2021 tot en met 2025 € 964 miljoen beschikbaar voor sectoranalyses en activiteitenplannen, welk bedrag wordt onderverdeeld in door de minister vast te stellen aanvraagtijdvakken met voor de tijdvakken afzonderlijk vast te stellen subsidieplafonds.

  • 2 De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen voor subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken.

Artikel 5. Aanvraagtijdvakken

  • 1 Het eerste aanvraagtijdvak loopt van 1 februari 2021 9.00 uur tot en met 26 februari 2021 17.00 uur en is bestemd voor aanvragen voor het uitvoeren van een sectoranalyse op grond van hoofdstuk 2 van deze regeling. Het subsidieplafond voor het eerste aanvraagtijdvak bedraagt € 2.000.000.

  • 2 Het tweede aanvraagtijdvak loopt van 1 juni 2021 9.00 uur tot en met 30 juli 17.00 uur en is bestemd voor aanvragen voor het uitvoeren van een activiteitenplan. Het subsidieplafond voor het tweede aanvraagtijdvak bedraagt € 350.000.000.

  • 3 Het derde aanvraagtijdvak loopt van 1 september 2021 9.00 uur tot en met 30 september 2021 17.00 uur en is bestemd voor aanvragen voor het uitvoeren van een sectoranalyse op grond van hoofdstuk 2 van deze regeling. Het subsidieplafond voor het derde aanvraagtijdvak bedraagt € 2.000.000.

  • 4 Na het derde aanvraagtijdvak volgen nog ten minste drie aanvraagtijdvakken. De minister doet in de Staatscourant mededeling van de vaststelling van de aanvraagtijdvakken met vermelding van de bestemming en het subsidieplafond voor het desbetreffende aanvraagtijdvak.

  • 5 In 2023 zal een aanvraagtijdvak specifiek voor arbeidsorganisaties worden opengesteld, tenzij uit de evaluatie, bedoeld in artikel 26, derde lid, blijkt dat het bereik van de regeling voldoende is.

Artikel 6. Rangschikking

  • 1 Voor het bepalen van het bereiken van een subsidieplafond binnen een aanvraagtijdvak worden de subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld.

  • 2 Alleen volledige subsidieaanvragen worden in behandeling genomen.

  • 3 Onvolledige subsidieaanvragen kunnen, binnen 3 weken na de mededeling van de minister dat de aanvraag onvolledig is, worden aangevuld door de hoofdaanvrager.

  • 4 Voor onvolledige subsidieaanvragen geldt, na aanvulling door de hoofdaanvrager, als datum van binnenkomst de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

Artikel 7. Samenwerkingsverband

  • 1 Organisaties in een sector, zoals een brancheorganisatie, O&O-fonds of arbeidsorganisatie, kunnen deel uitmaken van het samenwerkingsverband.

  • 2 De samenwerking kan worden georganiseerd binnen een sector en binnen of tussen een of meer branches.

  • 3 Het samenwerkingsverband spant zich in om binnen de sector bekendheid te geven aan de mogelijkheid tot aansluiten bij een samenwerkingsverband en het aanvragen van subsidie.

  • 4 De samenwerking wordt vastgelegd in een door alle partijen van het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen die gemachtigd wordt het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

  • 5 De minister stelt een model voor de in het vierde lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst elektronisch beschikbaar.

Artikel 8. Verplichtingen hoofdaanvrager

  • 1 De hoofdaanvrager bestaat ten tijde van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar.

  • 2 De hoofdaanvrager past voor zover van toepassing de voorwaarden voor subsidieverlening op grond van deze regeling toe bij de verdeling van de subsidie in de sector.

  • 3 Indien de hoofdaanvrager gebruik maakt van het in artikel 12, vijfde lid, bedoelde onderscheid, dan is dat ook van toepassing op de verdeling van de subsidie in de sector.

Hoofdstuk 2. Subsidie sectoranalyse

Artikel 9. Sectoranalyse

  • 1 De minister kan op aanvraag van een samenwerkingsverband een subsidie van € 20.000 verstrekken voor de uitvoering van een sectoranalyse.

  • 2 Een sectoranalyse kijkt ten minste vijf jaar vooruit en geeft in ieder geval:

    • a. een onderbouwing van de omvang en samenstelling van het aantal werkenden in de sector;

    • b. het aandeel kleine ondernemingen in de sector; en

    • c. een beschrijving van de problematiek met betrekking tot duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden in de sector.

  • 3 De projectperiode van een sectoranalyse vangt aan op de datum van de beschikking tot subsidieverlening en bedraagt ten hoogste 12 aaneengesloten weken.

Artikel 10. Subsidieaanvraag sectoranalyse

  • 1 De subsidieaanvraag voor het uitvoeren van een sectoranalyse wordt ingediend door middel van een elektronisch aanvraagformulier ondertekend door een daartoe bevoegd functionaris van de hoofdaanvrager.

  • 2 De subsidieaanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7, vierde lid.

  • 3 De subsidieaanvraag omvat in ieder geval een beschrijving van de sector waarop de aanvraag betrekking heeft en de aanpak van de sectoranalyse.

  • 4 Een aanvraag voor het uitvoeren van een sectoranalyse wordt niet in behandeling genomen, indien het samenwerkingsverband eerder voor dezelfde sector subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, heeft ontvangen.

Artikel 11. Subsidieverlening en -vaststelling

  • 1 De minister besluit binnen 6 weken na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

  • 2 De subsidie voor het uitvoeren van een sectoranalyse wordt verleend aan de hoofdaanvrager.

  • 3 Bij een subsidieverlening op grond van het eerste lid wordt een voorschot van 100% verleend.

  • 4 Binnen 4 weken na het einde van de projectperiode, bedoeld in artikel 9, derde lid, doet de hoofdaanvrager bij de minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie door middel van een elektronisch formulier, waarbij de sectoranalyse wordt gevoegd.

  • 5 De minister besluit binnen 13 weken na ontvangst van de sectoranalyse over de vaststelling van de subsidie.

  • 6 Indien de hoofdaanvrager niet voldoet aan het vierde lid, wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken.

Hoofdstuk 3. Subsidie activiteitenplan

Artikel 12. Voorwaarden en cofinanciering

  • 1 De minister kan op aanvraag een subsidie verlenen voor het uitvoeren van een activiteitenplan met activiteiten die uiting geven aan het doel van deze regeling en de thema’s, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

  • 5 In de subsidieaanvraag kan ten aanzien van het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderscheid worden gemaakt tussen kleine ondernemingen en overige ondernemingen in een verhouding van 2:1.

Artikel 13. Subsidiabele activiteiten duurzame inzetbaarheid

De subsidiabele activiteiten met betrekking tot de thema’s, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a tot en met d, houden een of meer van de volgende activiteiten in:

  • a. ontwikkelen en toepassen van sectorale instrumenten, methoden of werkwijzen inclusief het uitvoeren van onderzoek in verband hiermee;

  • b. activiteiten op maat voor individuele arbeidsorganisaties;

  • c. opzetten van infrastructuur om structureel duurzame inzetbaarheid te bevorderen;

  • d. een communicatie- of voorlichtingsactiviteit;

  • e. een kortdurende training van of workshops voor groepen; of

  • f. monitoring en evaluatie.

Artikel 14. Subsidiabele activiteiten eerder uittreden

  • 1 De subsidiabele activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, houdt in een regeling voor eerder uittreden, die aan de volgende voorwaarden voldoet:

    • a. het betreft een individuele regeling voor eerder uittreden, die wordt vastgelegd in een overeenkomst waarmee de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op grond van artikel 670b van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de wens van de werknemer tot eerder uittreden en de beëindiging op verzoek van de werknemer is opgenomen; of

    • b. het betreft een collectieve regeling voor eerder uittreden waarop de werknemer aanspraak kan maken indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is beëindigd; en

    • c. een regeling voor eerder uittreden omvat de verplichting van de werkgever tot maandelijkse uitkeringen in de periode van 36 maanden vóór het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van de werknemer.

  • 2 De werkgever, die de in het eerste lid, onder a, genoemde overeenkomst met de werknemer is aangegaan, is verplicht tot het daadwerkelijk uitbetalen van de maandelijkse uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onder c.

  • 3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder werkgever mede verstaan een andere uitvoerder van een regeling voor eerder uittreden.

Artikel 15. Projectperiode activiteitenplan

  • 1 De projectperiode van een activiteitenplan bedraagt ten hoogste 24 aaneengesloten maanden.

  • 2 De projectperiode van een activiteitenplan start uiterlijk 3 maanden na de datum waarop de subsidie, vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening, is verleend.

Artikel 16. Subsidieaanvraag activiteitenplan

  • 1 In de subsidieaanvraag voor het uitvoeren van een activiteitenplan wordt onder meer vermeld:

    • a. een beschrijving van het samenwerkingsverband;

    • b. het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd; en

    • c. de startdatum en de verwachte datum van afronding van het activiteitenplan.

  • 2 De subsidieaanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door middel van een elektronisch aanvraagformulier ondertekend door een daartoe bevoegd functionaris van de hoofdaanvrager en gaat vergezeld van:

    • a. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7, vierde lid;

    • b. een sectoranalyse van de sector waarop het activiteitenplan betrekking heeft; en

    • c. een activiteitenplan.

  • 3 Het activiteitenplan, bedoeld in het tweede lid, onder c, bestaat ten minste uit:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop het activiteitenplan bijdraagt aan het in artikel 3, eerste lid, omschreven doel en op welke wijze de activiteiten uiting geven aan de in artikel 3, tweede lid, bedoelde thema’s met inachtneming van artikel 12, tweede lid;

    • b. een beschrijving van de aanpak met doelstellingen, beoogde effecten en doelgroep van de activiteiten en de hiermee beoogde resultaten voor het oplossen van de problematiek uit de sectoranalyse;

    • c. een beschrijving van de uitvoering van het activiteitenplan, met inbegrip van een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersmaatregelen en een tijdpad;

    • d. een onderbouwde begroting van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, met een financieringsplan waaruit blijkt hoe de activiteiten gefinancierd worden en hoe de verdeling van kosten tussen partijen in het samenwerkingsverband is;

    • e. indien van toepassing een onderbouwing van de reden voor het hanteren van verschillende percentages voor kleine ondernemingen en overige ondernemingen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid;

    • f. een beschrijving van de noodzaak van subsidiëring door het Rijk in de gevraagde omvang;

    • g. een beschrijving van de voorwaarden waaronder de respectievelijke activiteiten worden uitgevoerd en de wijze waarop deze voorwaarden worden gehandhaafd; en

    • h. een beschrijving van de wijze waarop het project na de projectperiode naar verwachting een structureel positief effect zal hebben en in potentie breder inzetbaar is.

  • 4 Per aanvraagtijdvak kan één subsidieaanvraag worden ingediend door een samenwerkingsverband, waarbij geldt dat in twee opeenvolgende aanvraagtijdvakken slechts eenmaal subsidie wordt verstrekt voor een activiteitenplan voor een sector, tenzij de projectperiode van het eerdere activiteitenplan, waarvoor reeds subsidie is verstrekt, is geëindigd voordat de projectperiode van het volgende activiteitenplan start.

  • 5 Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar kan worden gemaakt.

Artikel 17. Subsidieverlening activiteitenplan

  • 1 De minister besluit binnen 13 weken na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag, bedoeld in artikel 16.

  • 2 De subsidie voor het uitvoeren van een activiteitenplan wordt verleend aan de hoofdaanvrager.

  • 4 Aan de subsidieverlening kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 18. Weigeringsgronden

De aanvraag tot verlening van subsidie voor het uitvoeren van een activiteitenplan wordt in ieder geval geheel of gedeeltelijk geweigerd indien naar het oordeel van de minister:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij deze regeling gestelde eisen;

  • b. een activiteitenplan niet uitvoerbaar is wegens strijd met bestaande wet- en regelgeving;

  • c. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voldoende aansluiten bij de sectoranalyse;

  • d. de omvang van het aangevraagde subsidiebedrag de relatieve omvang en problematiek van het samenwerkingsverband in de sector overstijgt;

  • e. de subsidiabele kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen prestaties en de daarvan te verwachten resultaten;

  • f. onvoldoende is aangetoond dat subsidie noodzakelijk is voor het project waarvoor subsidie is aangevraagd;

  • g. dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van deze of een andere subsidieregeling worden gefinancierd;

  • h. onvoldoende is aangetoond dat de administratie van de hoofdaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen; of

  • i. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat het subsidieplafond, bedoeld in artikel 4, in een aanvraagtijdvak wordt overschreden.

Artikel 19. Subsidiabele kosten

  • 1 Ter uitvoering van de subsidiabele activiteiten van het project komen de volgende kostensoorten voor subsidiëring in aanmerking:

    • a. externe kosten voor subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 13, mits er sprake is van marktconformiteit als bedoeld in het derde lid;

    • b. directe loonkosten voor subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 13, voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon en waarbij het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 bij een voltijds dienstverband;

    • c. kosten van maandelijkse uitkeringen voor eerder uittreden, die voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 14 en voor zover deze niet hoger zijn dan het in artikel 32ba, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde bedrag;

    • d. kosten van een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, derde lid en artikel 24, tweede lid;

    • e. een toeslag op de onder a tot en met c bedoelde kosten ter subsidiëring van overige gemaakte kosten, waaronder kosten voor projectadministratie, projectmanagement en uitvoering van maandelijkse uitkeringen voor eerder uittreden worden begrepen;

    • f. de onder e bedoelde toeslag bedraagt de som van:

      • 1. 15% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten als bedoeld onder a tot en met c tot € 1.000.000;

      • 2. 7% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten als bedoeld onder a tot en met c tussen € 1.000.000 en € 10.000.000; en

      • 3. 1% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten als bedoeld onder a tot en met c boven € 10.000.000.

  • 2 De kosten zijn ten laste van het project gebleven en rechtstreeks aan het project toe te rekenen en, met uitzondering van de buiten de projectperiode gemaakte kosten op grond van het eerste lid, onder c, daadwerkelijk gemaakt en betaald.

  • 3 Voor externe opdrachten wordt de marktconformiteit van de kosten beoordeeld aan de hand van:

    • a. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure; of

    • b. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de subsidieaanvrager indien de kosten meer bedragen dan € 50.000.

  • 4 In afwijking van het eerste lid zijn kosten gemaakt door verbonden organisaties, partijen in het samenwerkingsverband of organisaties die worden vertegenwoordigd in het bestuur van de hoofdaanvrager of in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband, slechts subsidiabel op basis van directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en de toeslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.

  • 5 Onder een verbonden organisatie als bedoeld in het vierde lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie:

    • a. waarop de hoofdaanvrager, dan wel een bij het project betrokken partij, direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;

    • b. die direct of indirect een overheersende invloed op de hoofdaanvrager, dan wel op een bij het project betrokken partij, kan uitoefenen; of

    • c. die, tezamen met de hoofdaanvrager, dan wel met een bij het project betrokken partij, direct of indirect onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere organisatie uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.

  • 6 Overheersende invloed als bedoeld in het vijfde lid wordt vermoed, indien een organisatie direct of indirect, ten opzichte van een andere organisatie:

    • a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de organisatie bezit;

    • b. over de meerderheid van de stemmen beschikt die aan de door de organisatie uitgegeven aandelen zijn verbonden; of

    • c. meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de organisatie kan benoemen.

Artikel 20. Niet subsidiabele kosten

Niet voor subsidie komen in aanmerking:

  • a. kosten die naar het oordeel van de minister onredelijk of niet noodzakelijk ter uitvoering van het project zijn gemaakt;

  • b. kosten die naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de te verrichten activiteiten;

  • c. kosten gemaakt buiten de projectperiode, met uitzondering van:

    • 1°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 5, tweede lid; en

    • 2°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het vierde aanvraagtijdvak;

  • d. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;

  • e. kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;

  • f. opleidings- en scholingskosten, met uitzondering van de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 13, onder e;

  • g. btw;

  • h. kosten voor verbruiksgoederen; of

  • i. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten.

Artikel 21. Bevoorschotting en meldingsplicht

  • 1 De hoofdaanvrager kan bij de aanvraag om subsidie op het door de minister beschikbaar gestelde elektronisch formulier aangeven een voorschot als bedoeld in het tweede of derde lid te willen ontvangen.

  • 2 Na goedkeuring van het activiteitenplan kan, indien de hoofdaanvrager dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, een voorschot van 20% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag worden verstrekt.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan, op verzoek van de hoofdaanvrager, een voorschot van ten hoogste 40% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag worden verstrekt. Het verzoek om een hoger voorschot wordt gemotiveerd en gespecificeerd op basis van een financiële rapportage van reeds gemaakte kosten.

  • 4 Na ontvangst van het tussentijds voortgangsverslag, bedoeld in artikel 24, eerste lid, kan een tussentijds voorschot worden verleend, tot een maximum van 80% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag.

  • 5 De hoofdaanvrager doet onverwijld schriftelijk melding aan de minister zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 6 Betalingen van subsidie en voorschotten daarop aan de hoofdaanvrager gelden als betalingen aan het samenwerkingsverband.

Artikel 22. Einddeclaratie en subsidievaststelling

  • 1 De hoofdaanvrager dient binnen 22 weken na afloop van de in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegde periode middels een elektronisch formulier een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij de minister.

  • 2 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie omvat in ieder geval een activiteitenverslag, een financieel verslag, een overzicht van de kosten per activiteit middels een voorgeschreven format, een overzicht met het BSN van de betrokken deelnemers in het geval van een activiteit als bedoeld in artikel 14 en een einddeclaratie.

  • 3 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een controleverklaring opgesteld door een accountant, overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol.

  • 4 Indien bij het indienen dan wel het controleren van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie blijkt, dat minder dan 50% van de totale subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 13, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

  • 5 In afwijking van het vierde lid kan de subsidie bij onderrealisatie naar evenredigheid worden verlaagd als naar het oordeel van de minister geen gronden aanwezig zijn om de subsidie op nihil vast te stellen.

  • 6 De minister besluit binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Hoofdstuk 4. Administratie, rapportage en intrekking

Artikel 23. Administratievoorschriften

  • 1 De hoofdaanvrager houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het activiteitenplan en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder begrepen een financiële administratie en een administratie van de deelnemers per activiteit, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken. De volledige administratie is te allen tijde voor controle beschikbaar op een voor de hoofdaanvrager vrij toegankelijke locatie.

  • 2 De administratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde activiteiten.

  • 3 De financiële administratie bevat een bijlage met een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project.

  • 4 De deelnemersadministratie bevat een administratie van de deelnemers per activiteit, inclusief een burgerservicenummer indien het een activiteit als bedoeld in artikel 14 betreft.

  • 5 De hoofdaanvrager verstrekt desgevraagd inzage in of informatie uit de administratie aan de minister.

Artikel 24. Rapportageverplichting

  • 1 Voor zover een project een periode beslaat die langer is dan twaalf maanden, overlegt de hoofdaanvrager, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, twaalf maanden na aanvang van de projectperiode een tussentijds voortgangsverslag met de tot dan toe behaalde resultaten en gemaakte kosten waarbij ten minste worden aangegeven de aantallen, de aard en de kosten van de maatregelen en de prestaties.

  • 2 Indien de hoofdaanvrager voorschotten ontvangt als bedoeld in artikel 21 legt de minister in de beschikking tot subsidieverlening de verplichting op dat het tussentijdse voortgangsverslag is voorzien van een rapport van feitelijke bevindingen opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol.

  • 3 De hoofdaanvrager overlegt binnen drie maanden na ontvangst van de beschikking tot subsidieverlening een kopie van de opdrachtbevestiging of een andere schriftelijke mededeling, waarin de toepassing en naleving van het controleprotocol, dat naar aanleiding van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen verplichting als bedoeld in het tweede lid is opgesteld, door de controlerend accountant wordt bevestigd.

  • 4 De hoofdaanvrager verstrekt bij het tussentijds voortgangsverslag, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, aan de minister het burgerservicenummer van de deelnemers aan de activiteiten voor eerder uittreden, als bedoeld in artikel 14, in het activiteitenplan.

  • 5 Elk van de partijen in het samenwerkingsverband stelt op verzoek de meest recente jaarrekening beschikbaar, met dien verstande dat deze niet ouder is dan de jaarrekening die betrekking heeft op het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag wordt gedaan, voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, of een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken, afkomstig van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 25. Intrekking en terugvordering

  • 1 Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

    • a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten; of

    • b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd.

  • 2 De beschikking tot subsidieverlening kan in afwijking van het eerste lid gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

  • 3 Indien de beschikking tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd geheel of gedeeltelijk van de hoofdaanvrager teruggevorderd, alsmede de met terugvordering verband houdende kosten. Daarbij kan de minister de verschuldigde wettelijke rente vorderen.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 26. Evaluatie van de regeling

  • 1 De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

  • 2 De hoofdaanvrager werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De hoofdaanvrager verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 27. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2026.

  • 3 In afwijking van het tweede lid blijft deze regeling, zoals die luidt op 31 december 2025, van toepassing op de afwikkeling van subsidieaanvragen en -vaststellingen op grond van deze regeling.

Artikel 28. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 18 januari 2021

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

,

W. Koolmees

Bijlage behorend bij artikel 1 van de Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

Sectorindeling

De Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI) is een hiërarchische indeling van economische activiteiten die het CBS onder meer gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit1.

Indeling naar sector:

  • A. Landbouw, bosbouw en visserij

  • B. Winning van delfstoffen

  • C. Industrie

  • D. Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht

  • E. Winning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering

  • F. Bouwnijverheid

  • G. Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s

  • H. Vervoer en opslag

  • I. Logies-, maaltijd- en drankverstrekking

  • J. Informatie en communicatie

  • K. Financiële instellingen

  • L. Verhuur van en handel in onroerend goed

  • M. Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening

  • N. Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening

  • O. Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen

  • P. Onderwijs

  • Q. Gezondheids- en welzijnszorg

  • R. Cultuur, sport en recreatie

  • S. Overige dienstverlening

  • T. Huishoudens als werkgever, niet-gedifferentieerde productie van goederen en diensten door huishoudens voor eigen gebruik

  • U. Extraterritoriale organisaties en lichamen

  1. Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/classificaties/activiteiten/sbi-2008-standaard-bedrijfsindeling-2008

    ^ [1]
Terug naar begin van de pagina