Besluit noodvoorziening toeslagen

[Regeling vervalt per 01-01-2022.]
Geldend van 16-12-2020 t/m heden

Besluit noodvoorziening toeslagen

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit vervangt het besluit van 29 september 2020, nr. 2020-176786 ( Stcrt. 2020, 50964 ). Dit besluit regelt dat de Belastingdienst/Toeslagen incidenteel een noodvoorziening kan verstrekken aan belanghebbenden die als gevolg van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag of andere toeslagen in een acute financiële noodsituatie verkeren en waaraan (een eerste betaling voor) een compensatie of tegemoetkoming in het kader van de hersteloperatie niet op korte termijn uitgekeerd kan worden.

1. Inleiding

De Belastingdienst/Toeslagen probeert in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag zo snel mogelijk alle gedupeerde ouders recht te doen door het vaststellen van compensaties, tegemoetkomingen en herzieningen van de kinderopvangtoeslag (hierna: compensatie en tegemoetkoming).1 Een deel van deze ouders bevindt zich echter in een acute financieel problematische situatie waardoor zij bepaalde noodzakelijke uitgaven niet kunnen doen, terwijl de Belastingdienst/Toeslagen deze ouders niet op korte termijn een compensatie of een tegemoetkoming kan toekennen. Om aan deze ouders hulp te bieden, keur ik vooruitlopend op wetgeving goed dat de Belastingdienst/Toeslagen in deze situaties een incidentele noodvoorziening van beperkte omvang kan uitkeren aan de betreffende ouders. Deze goedkeuring geldt ook voor belanghebbenden die een verzoek om compensatie of tegemoetkoming hebben ingediend met betrekking tot de huurtoeslag, de zorgtoeslag of het kindgebonden budget (zie onderdeel 2.4).

2. Noodvoorziening

2.1. Doelgroep

De noodvoorziening is bedoeld voor ouders die acute financiële problemen hebben als gevolg van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag en waarbij het toekennen van compensatie of een tegemoetkoming niet op de gewenste korte termijn mogelijk is. Het gaat dan om de situatie waarin deze ouders hierdoor geen financiële middelen hebben om bepaalde noodzakelijke uitgaven te doen. Hierbij valt te denken aan uitgaven aan schoolvoorzieningen voor kinderen en medicijnen. De noodvoorziening is niet nodig voor zover voor de uitgaven een andere, eenvoudig toegankelijke voorziening bestaat.

2.2. Bedrag

De noodvoorziening betreft een beperkt bedrag ter dekking van bepaalde noodzakelijke uitgaven. De noodvoorziening bedraagt in beginsel ten hoogste € 500 per ouder(paar). In incidentele situaties waarbij een bedrag van € 500 niet voldoende is om de acute financiële problemen op te lossen en daardoor een onredelijke en onbillijke situatie blijft bestaan, kan een hoger bedrag worden uitgekeerd.

Het bedrag wordt op geen enkele wijze verrekend met openstaande toeslag- of belastingschulden. Ook zal het bedrag van de noodvoorziening op een later moment niet in mindering worden gebracht op het toe te kennen bedrag aan compensatie of tegemoetkoming.

De toegekende noodvoorziening op grond van deze regeling vormt geen inkomen uit werk en woning (box 1) in de zin van de Wet IB 2001. Het bedrag vindt namelijk niet zijn grond in een bron van inkomen.

Voor deze regeling is voor 2020 een budget van € 100.000 gereserveerd. Voor 2021 is een budget van € 200.000 gereserveerd.

2.3. Procedure

De noodvoorziening geldt voor ouders die een verzoek tot compensatie, hardheidstegemoetkoming, OG/S-tegemoetkoming of herziening van de kinderopvangtoeslag in verband met een hardheid van het stelsel hebben ingediend. De procedure voor het toekennen van de noodvoorziening begint wanneer de ouder bij de Belastingdienst/Toeslagen kenbaar maakt of wanneer anderszins kenbaar is geworden dat deze in een acute financiële noodsituatie verkeert. De voorzitter van de oudercommissie kan eveneens bij de Belastingdienst/Toeslagen situaties van ouders aandragen.2 Dit signaal van de voorzitter van de oudercommissie zal zwaar meewegen bij de hierna beschreven beoordeling. Aangedragen zaken worden terstond behandeld.

De Belastingdienst/Toeslagen beoordeelt in dit kader of er sprake is van een situatie waarin evident geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. Als hiervan geen sprake is, beoordeelt de Belastingdienst/Toeslagen of er sprake is van een acute financiële noodsituatie bij de betreffende ouder die het gevolg is van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag. Indien sprake is van een acute financiële noodsituatie, probeert de Belastingdienst/Toeslagen door middel van een versnelde behandeling van de aanvraag de ouder een (eerste betaling van de) compensatie of tegemoetkoming te verstrekken. Als dit nog niet mogelijk is doordat meer onderzoek nodig is, kan de Belastingdienst/Toeslagen op grond van dit besluit een incidenteel bedrag aan noodvoorziening aan de betreffende ouder uitkeren.

Het bedrag van de noodvoorziening betaalt de Belastingdienst/Toeslagen uit op het bij de Belastingdienst/Toeslagen bekende rekeningnummer van de ouder.

2.4. Andere toeslagen dan kinderopvangtoeslag

Het voornemen is om de compensatieregeling3 en de O/GS-tegemoetkoming4 wettelijk uit te breiden naar de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. In lijn met deze voorgenomen uitbreiding en vooruitlopend op wetgeving keur ik goed dat onderdelen 2.1 tot en met 2.3 van dit besluit van overeenkomstige toepassing zijn op belanghebbenden die een verzoek om compensatie of een O/GS-tegemoetkoming hebben ingediend met betrekking tot de huurtoeslag, de zorgtoeslag of het kindgebonden budget. In afwijking in zoverre van onderdeel 2.3 van dit besluit toetst de Belastingdienst/Toeslagen in dat geval of sprake is van een situatie waarin evident geen recht bestond op de betreffende toeslag.

4. Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2022. Indien nodig kan het besluit worden verlengd.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 11 december 2020

De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

J. de Blieck

Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken

  1. Artikelen 49 t/m 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

    ^ [1]
  2. De oudercommissie, bedoeld in artikel 49f van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

    ^ [2]
  3. Artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

    ^ [3]
  4. Artikel 49c van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

    ^ [4]
Terug naar begin van de pagina