Sofina-arrestbesluit

Geldend van 05-12-2020 t/m heden

Sofina-arrestbesluit

De Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat een goedkeuring voor teruggaaf van dividendbelasting en kansspelbelasting aan niet in Nederland gevestigde lichamen in lijn met het arrest in de zaak Sofina.

1. Inleiding

Op 15 september 2020 is in de aanbiedingsbrief van het pakket Belastingplan 2021 aangekondigd dat het kabinet voornemens is per 1 januari 2022 een maatregel in te voeren waarbij de verrekening van dividendbelasting en naar prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting met vennootschapsbelasting wordt beperkt. De aanleiding hiertoe is het zogenoemde Sofina-arrest van het Hof van Justitie van de EU. In de aanbiedingsbrief is ook een beleidsbesluit aangekondigd waarin vooruitlopend op en in afwijking van de aangekondigde wettelijke maatregel zal worden goedgekeurd dat de inspecteur in lijn met het arrest Sofina in bepaalde situaties teruggaaf van dividendbelasting en kansspelbelasting kan verlenen aan lichamen die buiten Nederland zijn gevestigd. Dit beleidsbesluit bevat deze goedkeuring en de daaraan verbonden voorwaarden, waarbij rekening is gehouden met de praktische uitvoerbaarheid van de goedkeuring.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

2. Goedkeuring

Vpb-plichtige lichamen kunnen in beginsel op basis van artikel 25, eerste lid, Wet Vpb, de van hen geheven dividendbelasting over de opbrengst uit portfolio-investeringen en geheven kansspelbelasting als voorheffing met de Vpb verrekenen. Dit geldt niet voor fiscale beleggingsinstellingen.

Ook als in een jaar de berekening van de verschuldigde Vpb niet leidt tot een positief bedrag kunnen op basis van artikel 25a, tweede lid, Wet Vpb, de Vpb-plichtige lichamen de van hen geheven dividendbelasting over de opbrengst uit portfolio-investeringen en de geheven kansspelbelasting toch terugvragen. In het buitenland gevestigde lichamen die niet belastingplichtig zijn voor de Vpb maar die zich overigens in een vergelijkbare positie bevinden als Vpb-plichtige lichamen hebben deze mogelijkheid niet.

Op 22 november 2018 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de Franse zaak Sofina (C-575/17). Hierin heeft het HvJ EU geoordeeld dat de Franse dividendbelastingwetgeving in strijd is met het EU-recht, omdat wel (Franse) dividendbelasting wordt geheven over dividenden ontvangen door een niet-ingezeten lichaam, terwijl dividenden ontvangen door een ingezeten lichaam aan het einde van het boekjaar waarin zij zijn ontvangen enkel worden belast op voorwaarde dat het ingezeten lichaam in dat boekjaar winstgevend is geweest. Het betrof in deze zaak verlieslatende portfolio-aandeelhouders gevestigd in België die dividenden vanuit Frankrijk ontvingen.

De hiervoor beschreven Nederlandse belastingwetgeving kan onder omstandigheden tot een vergelijkbare uitkomst leiden als de Franse belastingwetgeving. Uit het arrest Sofina leid ik af dat er op basis van de huidige Nederlandse belastingwetgeving in bepaalde gevallen sprake kan zijn van strijdigheid met het primaire EU-recht. Hiervan is sprake voor zover:

  • a) het in het buitenland gevestigde lichaam, als het in Nederland zou zijn gevestigd, in het boekjaar waarin de dividendbelasting of kansspelbelasting is geheven minder vennootschapsbelasting zou zijn verschuldigd dan de geheven dividendbelasting en kansspelbelasting;

  • b) het in het buitenland gevestigde lichaam geen recht heeft op vermindering of verrekening van de geheven dividendbelasting of kansspelbelasting op basis van de Wet Vpb, de Wet DB, de Wet KSB, vergelijkbare buitenlandse regelingen, een door Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of andere rechtspraak die mogelijk leidt tot een teruggaaf van de dividendbelasting of kansspelbelasting; en

  • c) het lichaam in latere boekjaren, als het in Nederland zou zijn gevestigd, minder vennootschapsbelasting zou zijn verschuldigd dan de geheven dividendbelasting en kansspelbelasting.

Het arrest in de zaak Sofina geeft mij daarom aanleiding, in overeenstemming met het EU-recht, goed te keuren dat de inspecteur in situaties waarin een in het buitenland gevestigd lichaam, indien dat lichaam in Nederland gevestigd zou zijn en voor zover het dan recht zou hebben op teruggaaf van dividendbelasting of kansspelbelasting, aan dat in het buitenland gevestigde lichaam in zoverre teruggaaf verleent van dividendbelasting en kansspelbelasting.

Goedkeuring

Ik keur goed dat de inspecteur met inachtneming van het EU-recht een verzoek van een niet in Nederland gevestigd lichaam om teruggaaf van de in een jaar te zijnen laste geheven dividendbelasting over de opbrengst uit portfolio-investeringen en geheven kansspelbelasting onder de hierna opgenomen voorwaarden inwilligt in de hiervoor beschreven situatie. De beslissing op het verzoek om teruggaaf wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

3. Voorwaarden

Voor deze goedkeuring gelden de volgende 9 voorwaarden:

  • a) Het lichaam is gevestigd in een andere lidstaat van de EU of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een in artikel 1c Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 aangewezen staat waarmee Nederland een regeling is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van informatie voor de heffing van dividendbelasting of kansspelbelasting;

  • b) De portfolio-investeringen zijn aan te merken als investeringen die vallen onder de vrijheid van kapitaalverkeer, bedoeld in artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de EU, en die wat betreft derde landen geen directe investering vormen of verband houden met het verrichten van financiële diensten in de zin van artikel 64 van dat verdrag;

  • c) Het verzoek ziet niet op teruggaaf van dividendbelasting naar opbrengsten uit portfolio-investeringen waartoe het niet in Nederland gevestigde lichaam niet de uiteindelijk gerechtigde, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, Wet Vpb, is;

  • d) Het verzoek wordt ingediend binnen drie jaren na afloop van het boekjaar waarin de opbrengst onderscheidenlijk de prijs ter beschikking is gesteld;

  • e) Een niet in Nederland gevestigd lichaam dient na afloop van een boekjaar slechts één verzoek om teruggaaf over dat jaar in;

  • f) Een verzoek om teruggaaf op basis van deze goedkeuring wordt als het betreft:

    • 1. een verzoek om teruggaaf van kansspelbelasting;

    • 2. een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting indien al eerder een verzoek om teruggaaf is ingediend op grond van het EU-recht voor ten laste van een niet in Nederland gevestigd lichaam geheven dividendbelasting;

    ingediend bij:

    Belastingdienst/Kennis- en Expertisecentrum Buitenland

    Afdeling Dividendbelasting, o.v.v. ‘Sofina-arrestbesluit’

    Postbus 2865

    6401 DJ Heerlen

  • g) Overige verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting op basis van deze goedkeuring worden digitaal ingediend via het formulier ‘Teruggaaf dividendbelasting aan particulieren en instellingen die niet in Nederland gevestigd zijn’ dat is geplaatst op de website van de Belastingdienst;

  • h) Bij het verzoek worden de voor de bepaling van een eventuele teruggaaf benodigde gegevens verstrekt, waaronder:

    • 1. gegevens over het niet in Nederland gevestigde lichaam, waaronder het fiscaal registratienummer in de staat van vestiging;

    • 2. gegevens waaruit kan worden afgeleid dat het niet in Nederland gevestigde lichaam recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting of kansspelbelasting op basis van deze goedkeuring, waaronder stukken op basis waarvan aannemelijk wordt dat het lichaam, als het in Nederland zou zijn gevestigd, in de periode gerekend vanaf het boekjaar waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft tot en met het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin het verzoek is ingediend minder vennootschapsbelasting zou zijn verschuldigd dan de geheven dividendbelasting en kansspelbelasting;

    • 3. een verklaring van het niet in Nederland gevestigde lichaam waaruit blijkt dat het niet in Nederland gevestigde lichaam geen recht heeft op vermindering of verrekening van de geheven dividendbelasting of kansspelbelasting, zoals bedoeld in de in onderdeel 2, onder b) geschetste situatie;

    • 4. dividendnota’s die behoren bij de opbrengsten uit de portfolio-investeringen;

    • 5. een overzicht van alle portfolio-investeringen in lichamen die in Nederland zijn gevestigd, de opbrengst uit deze portfolio-investeringen, de geheven dividendbelasting, de ontvangen prijzen van kansspelen en de geheven kansspelbelasting;

  • i) Een lichaam aan wie op basis van deze goedkeuring teruggaaf van dividendbelasting of kansspelbelasting is verleend, informeert de inspecteur op het adres vermeld onder (f) onverwijld zodra zich, gedurende het boekjaar ter zake waarvan een teruggaaf is verleend of de vijf boekjaren daarna, een omstandigheid voordoet zoals hierna beschreven en verstrekt informatie op basis waarvan kan worden beoordeeld of en in hoeverre een te hoog bedrag aan teruggaaf is verleend.

    Gelet op de in onderdeel 2, onder c) geschetste voorwaarde is een te hoog bedrag aan teruggaaf verleend voor zover zich een van de volgende omstandigheden voordoet:

    • 1. Er ontstaat alsnog een recht op vermindering of verrekening van de geheven dividendbelasting of kansspelbelasting; of

    • 2. Het niet in Nederland gevestigde lichaam zou alsnog Vpb verschuldigd zijn als het in Nederland gevestigd was.

    In dat geval dient de te veel teruggegeven dividendbelasting of kansspelbelasting te worden terugbetaald. Hiertoe kan door de Belastingdienst een naheffingsaanslag worden opgelegd.

4. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 26 november 2020

De Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst,

namens deze,

J. de Blieck

hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken

Terug naar begin van de pagina