Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg

[Regeling vervalt per 01-01-2023.]
Geraadpleegd op 06-12-2022.
Geldend van 07-10-2022 t/m heden

Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 22 november 2020, kenmerk 3092256, houdende regels voor een financiële tegemoetkoming in verband met geweld tegen minderjarigen in instellingen, pleeggezinnen of de opvang voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg)

De Minister voor Rechtsbescherming,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op artikel 19 van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. de commissie: de commissie, bedoeld in artikel 8 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven;

  • b. de wet: de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven;

  • c. dwangarbeid: arbeid of dienst, welke van een persoon wordt gevorderd onder bedreiging met een of andere straf en waarvoor bedoelde persoon zich niet vrijwillig heeft aangeboden;

  • d. geweld: elk, al dan niet intentioneel, voor een minderjarige bedreigend gedrag van fysieke, psychische of seksuele aard dat fysiek of psychisch letsel toebrengt aan het slachtoffer;

  • e. instelling: aanbieder van residentiële hulpverlening aan jeugdigen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen of jeugdbeschermingsmaatregelen, aanbieder van residentiële Jeugd-GGZ, aanbieder van gesloten (volwassenen) psychiatrie, aanbieder van residentiële gehandicaptenzorg dan wel een blinden- of doveninternaat;

  • f. minderjarige: persoon jonger dan 18 jaar, dan wel, indien het geweld voor 1 januari 1988 heeft plaatsgevonden, jonger dan 21 jaar;

  • g. nabestaande: nabestaanden bedoeld in artikel 3, tweede lid van de wet.

  • h. opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen: een pleeggezin of opvang van overheidswege waar minderjarige vreemdelingen die zonder ouder in Nederland verblijven en door een voogdij-instelling worden geplaatst;

  • i. pleeggezin: het huishouden van een pleegouder die een minderjarige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en die een daartoe een pleegcontract met een (pleeg)zorgaanbieder heeft gesloten.

  • j. slachtoffer: een natuurlijke persoon die als minderjarige verbleef in een instelling, pleeggezin of opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen en in het kader van dat verblijf geweld heeft ondergaan.

Artikel 2

  • 1 De commissie verstrekt op aanvraag een tegemoetkoming aan een slachtoffer van geweld of dwangarbeid indien dat geweld of die dwangarbeid heeft plaatsgevonden in het kader van verblijf in een in Nederland gevestigde instelling, pleeggezin dan wel opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, alwaar het slachtoffer tussen 5 mei 1945 en 12 juni 2019 onder verantwoordelijkheid van de overheid was geplaatst.

  • 2 De commissie verstrekt de tegemoetkoming aan een slachtoffer indien het naar het oordeel van de commissie aannemelijk is dat:

    • a. bovenmatig geweld of ongeoorloofde dwangarbeid heeft plaatsgevonden; en

    • b. het slachtoffer ten tijde van het geweld minderjarig was.

  • 3 Plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid wordt aangenomen indien de minderjarige in een instelling, pleeggezin of opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen moest verblijven vanwege een beslissing van:

    • a. de rechter;

    • b. de officier van justitie;

    • c. de burgemeester;

    • d. de in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel aangewezen voogd, gezinsvoogd of voogdij-instelling; of

    • e. de voogdij-instelling belast met de voogdij over de alleenstaande minderjarige vreemdeling.

  • 4 Plaatsing door een ouder of ouders of een andere persoon met het gezag, in een instelling waar ten tijde van het verblijf van het slachtoffer ook minderjarigen verbleven die onder verantwoordelijkheid van de overheid in die instelling waren geplaatst, wordt gelijk gesteld aan plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid.

  • 5 Plaatsing in een pleeggezin in het vrijwillig kader wordt gelijk gesteld aan plaatsing onder verantwoordelijk van de overheid indien het slachtoffer aanspraak maakte op jeugdhulp of jeugdzorg en is geplaatst door en onder verantwoordelijkheid van een rechtspersoonlijkheid bezittende zorgaanbieder van jeugdzorg of jeugdhulp als bedoeld in de op het moment van de plaatsing vigerende wetgeving, dan wel door of onder verantwoordelijkheid van een stichting die een bureau jeugdzorg in stand hield of diens rechtsvoorganger.

  • 6 Plaatsing door een ouder of ouders of een andere persoon met het gezag in een blinden- of doveninternaat wordt gelijk gesteld aan plaatsing onder verantwoordelijkheid van de overheid.

Artikel 3

  • 1 De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt € 5000,–.

Artikel 4

  • 1 Een aanvraag kan vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 worden ingediend.

  • 2 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de commissie vastgesteld formulier.

  • 3 De aanvraag wordt ingediend door het slachtoffer dan wel door een nabestaande of nabestaanden van het slachtoffer indien het slachtoffer is overleden tussen 21 februari 2020 en 1 januari 2021.

  • 4 Indien er meer dan één nabestaande is, dragen de nabestaanden er zorg voor dat aan één van hen een volmacht wordt verleend tot het indienen van een gezamenlijke aanvraag en vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van deze regeling.

  • 5 De tegemoetkoming wordt uitgekeerd aan de (gevolmachtigde) nabestaande indien de aanvraag is ingediend door de nabestaande of nabestaanden als bedoeld in het derde lid dan wel indien het slachtoffer is overleden na indiening van de aanvraag.

Artikel 5

  • 1 De commissie stelt het slachtoffer in de gelegenheid zijn aanvraag toe te lichten in een gesprek in het geval het slachtoffer dat wenst.

  • 3 De commissie kan aan daarvoor in aanmerking komende autoriteiten, colleges, ambtenaren en andere personen de inlichtingen vragen die zij ter vervulling van haar taak nodig acht. In het aanvraagformulier bedoeld in artikel 4, tweede lid geeft het slachtoffer aan of hij de commissie daar toestemming voor geeft.

Artikel 6

  • 1 De commissie kan een reglement opstellen voor haar werkzaamheden en de inrichting daarvan.

  • 2 De commissie beslist binnen 26 weken na de ontvangst van een aanvraag.

  • 3 Indien de commissie vanwege het grote aantal aanvragen niet kan beslissen binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, beslist de commissie binnen 52 weken. De commissie informeert de aanvrager over de verlengde beslistermijn.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg.

Artikel 8

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 en vervalt met ingang van 1 januari 2023, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op voor dat tijdstip ingediende aanvragen.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Rechtsbescherming,

S. Dekker

Naar boven