Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19

[Regeling vervalt per 01-01-2022.]
Geldend van 28-01-2021 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 juni 2020, nr. 24686911, houdende voorschriften over aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector in verband met gederfde inkomsten in die sectoren als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan (Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 3 en 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 2 Onder eigen inkomsten worden in deze regeling de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening, verstaan:

    • a. publieksinkomsten; en

    • b. overige inkomsten, zijnde:

      • 1°. directe opbrengsten in de vorm van sponsorinkomsten en overige inkomsten;

      • 2°. indirecte opbrengsten; en

      • 3°. overige bijdragen.

  • 3 Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten:

    • a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan;

    • b. overige bijdragen uit publieke middelen;

    • c. rentebaten;

    • d. bijdragen in natura;

    • e. kapitalisatie van vrijwilligers;

    • f. waardering vrijkaarten; en

    • g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.

Artikel 2. Aanvullende subsidie ten behoeve van instellingen

  • 1 Ter aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector, die als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan wordt geconfronteerd met inkomstenderving, verstrekt de minister, met het oog op instandhouding van vitale onderdelen in de Nederlandse culturele infrastructuur, subsidie aan:

    • a. producerende BIS-instellingen;

    • b. fondsen, ten behoeve van door hun besturen ter nastreving van de doelstelling van dit artikel te verstrekken subsidies aan:

      • 1°. meerjarige fondsinstellingen, voor zover die op grond van deze regeling niet reeds in de hoedanigheid van producerende BIS-instelling in aanmerking komen voor subsidie;

      • 2°. cruciale regionale instellingen, voor zover die krachtens deze regeling niet reeds in de hoedanigheid van meerjarige fondsinstelling in aanmerking komen voor subsidie, ter aanvulling van aan die instellingen in het kader van de COVID-19-crisis door gemeenten of provincies verstrekte of te verstrekken additionele financiële bijdragen; en

    • c. overige OCW-cultuurinstellingen.

  • 2 Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, wordt uitsluitend verstrekt aan:

    • a. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed;

    • b. Stichting Nederlands Fonds voor de Film;

    • c. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten.

Artikel 2a. Overbruggingssubsidie ten behoeve van instellingen

  • 2 Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt aan:

    • a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie;

    • b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed;

    • c. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.

Artikel 3. Overige subsidie aan fondsen

  • 1 De minister verstrekt subsidie aan fondsen:

    • a. ter intensivering van door hun besturen vastgestelde regelingen, gericht op:

      • 1°. werk voor makers;

      • 2°. high end TV-series;

    • b. ten behoeve van door hun besturen vast te stellen regelingen, gericht op:

      • 1°. musea en kunsthallen met private collecties en collecties van nationaal belang;

      • 2°. het afdekken van verzekeringsrisico’s bij filmproducties.

  • 2 Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, wordt uitsluitend verstrekt aan Stichting Nederlands Fonds voor de Film.

  • 3 Subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, wordt uitsluitend verstrekt aan Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

Artikel 6. Verantwoording

  • 1 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie geschiedt in de aanvraag tot vaststelling van de lopende subsidie, zo veel mogelijk onder toepassing van de daarop betrekking hebbende voorschriften.

Hoofdstuk 3. Specifieke bepalingen over producerende BIS-instellingen en overige OCW-cultuurinstellingen; eerste aanvullend steunpakket

Artikel 8. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a en c, voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020.

Artikel 9. Hoogte subsidiebedrag

  • 1 De subsidie bedraagt 45 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren, onder aftrek van een bedrag dat gelijk is aan 25 procent van de reserves van de instelling per ultimo 2018.

  • 2 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt:

    • a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is 300 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2018; en

    • b. naar boven afgerond op honderd euro’s.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, wordt bij de daar bedoelde berekening 20 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling in aanmerking genomen, voor zover het instellingen betreft waarvan de hoofdpublieksactiviteit niet in 2020 zou plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden voor 13 maart 2020.

Artikel 10. Subsidievoorwaarde

  • 1 Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitsluitend subsidie verstrekt, voor zover de eigen inkomsten van de instelling over het jaar 2018, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar, ten minste 15 procent bedragen van de totale baten van die instelling.

  • 2 Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, niet een geheel getal is, wordt dat getal naar beneden afgerond, indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, en naar boven afgerond, indien dat cijfer een 5 of hoger is.

  • 3 De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die tot oneigenlijk gebruik van deze regeling zou leiden.

Artikel 11. Subsidieplafond

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 113.000.000 beschikbaar.

  • 2 Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 9 zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.

  • 3 Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer andere in deze regeling vastgestelde subsidieplafonds.

Artikel 12. Meldplicht

Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het doen van een melding als bedoeld in dat artikel niet vereist is, voor zover het omstandigheden betreft die verband houden met het coronavirus. Alsdan gaat de subsidieontvanger in de verantwoording van de subsidie in op de ontstane situatie.

Artikel 13. Voorschotten

  • 1 De minister betaalt het verleende subsidiebedrag in drie gelijke delen als voorschot.

  • 2 De minister betaalt het eerste deel van het voorschot zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie. Het tweede en het derde deel van het voorschot betaalt de minister in juli 2020 onderscheidenlijk oktober 2020.

Hoofdstuk 3a. Specifieke bepalingen over producerende BIS-instellingen en overige OCW-cultuurinstellingen; tweede aanvullend steunpakket

Artikel 14a. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 16 november 2020.

Artikel 14b. Hoogte subsidiebedrag

  • 1 De subsidie bedraagt 22,3 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.

  • 2 In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie, voor zover het instellingen betreft:

    • a. waarvan de hoofdpublieksactiviteit ten hoogste een keer in de twee jaar plaatsvindt: 22,3 procent van de eigen inkomsten van de instelling, verworven over het jaar in de periode 2017–2019 waarin de recentste editie van die hoofdpublieksactiviteit heeft plaatsgevonden, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar;

    • b. waaraan in de jaren 2021–2024 subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid voor het uitvoeren van activiteiten als bedoeld in artikel 3.26 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid: één achtste deel van 22,3 procent van de gemiddeld over de jaren 2017 en 2018 verworven eigen inkomsten van de instelling, blijkend uit de jaarrekeningen die betrekking hebben op die jaren.

  • 3 De uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt:

    • a. gemaximeerd op een bedrag dat gelijk is 200 procent van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen die aan de instelling zijn verstrekt ten behoeve van haar exploitatie in 2018; en

    • b. naar boven afgerond op honderd euro’s.

Artikel 14c. Subsidievoorwaarde

  • 1 Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitsluitend subsidie verstrekt, voor zover de eigen inkomsten van de instelling over het jaar 2018, blijkend uit de jaarrekening die betrekking heeft op dat jaar, ten minste 15 procent bedragen van de totale baten van die instelling.

  • 2 Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, niet een geheel getal is, wordt dat getal naar beneden afgerond, indien het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager is, en naar boven afgerond, indien dat cijfer een 5 of hoger is.

  • 3 De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die tot oneigenlijk gebruik van deze regeling zou leiden.

Artikel 14d. Subsidieplafond

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 80.880.100 beschikbaar.

  • 2 Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 14b zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.

  • 3 Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer van de subsidieplafonds, bedoeld in paragraaf 2a van hoofdstuk 4.

Artikel 14f. Voorschot

De minister betaalt als voorschot in twee gelijke delen 100 procent van het verleende subsidiebedrag. Het eerste deel betaalt de minister zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie en het tweede in de maand april 2021.

Hoofdstuk 3b. Specifieke bepalingen over overbruggingssubsidie aan afgewezen BIS-aanvragers met een positieve beoordeling

Artikel 14i. Hoogte subsidiebedrag

  • 2 Voor zover door het bestuur van een fonds aan een afgewezen BIS-aanvrager met een positieve beoordeling met het oog op subsidieterugval na 2020 bij wijze van tegemoetkoming coulancehalve een subsidie wordt verstrekt, wordt het bedrag daarvan in mindering gebracht op de subsidie die de instelling ontvangt op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 14j. Subsidieplafond

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is ten hoogste € 3.761.000 beschikbaar.

  • 2 Indien het subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in artikel 14i zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.

  • 3 Indien door subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk niet alle daarvoor beschikbare middelen worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan een of meer van de subsidieplafonds, bedoeld in paragraaf 4e van hoofdstuk 4.

Artikel 14k. Meldplicht

Artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het derde lid van dat artikel, doet de subsidieontvanger in elk geval onverwijld een melding aan de minister, indien aan hem na subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk tevens een coulancehalve subsidie als bedoeld in artikel 14i, tweede lid, door een fonds wordt verstrekt.

Artikel 14l. Voorschot

De minister betaalt als voorschot in twee gelijke delen 100 procent van het verleende subsidiebedrag. Het eerste deel betaalt de minister zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie en het tweede in de maand april 2021.

Artikel 14n. Verantwoording

  • 1 De subsidieontvanger dient binnen 13 weken na 31 december 2021 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2 De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een:

    • a. beknopt verslag van de activiteiten die met de subsidie zijn uitgevoerd; en

    • b. jaarrekening of financieel verslag.

Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen over fondsen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 16. Meldplicht

  • 2 Het onverwijld doen van een melding als bedoeld in artikel 2.14 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is niet vereist in het kader van subsidieverstrekking ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020, voor zover het omstandigheden betreft die verband houden met het coronavirus. Alsdan gaat de subsidieontvanger zo snel mogelijk over tot het doen van een melding, zij het uiterlijk in de verantwoording van de subsidie.

Artikel 17. Voorschotten

Zo spoedig mogelijk na de verlening van de subsidie betaalt de minister het subsidiebedrag in één keer als voorschot.

§ 2. Meerjarige fondsinstellingen; eerste aanvullend steunpakket

Artikel 19. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1°, voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020.

Artikel 20. Hoogte subsidiebedrag

De subsidie bedraagt voor:

  • a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 2.942.400;

  • b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 1.926.500;

  • c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 5.754.500, waarvan in elk geval € 5.000.000 voor subsidieverstrekking aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1° sub iii;

  • d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 24.059.800;

  • e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 1.379.200;

  • f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 4.837.900.

Artikel 21. Verplichting: overeenkomstige toepassing voorschriften

  • 1 Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:

    • a. de ambtshalve verstrekking, bedoeld in artikel 4;

    • b. de rekenregel, bedoeld in artikel 9;

    • c. de subsidievoorwaarde, bedoeld in artikel 10;

    • d. ingeval van overschrijding van het in het kader van zijn subsidieverstrekking vast te stellen subsidieplafond, de methode van herverdeling, bedoeld in artikel 11, tweede lid; en

    • e. de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 28.

  • 2 Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording door de fondsinstellingen die onder hem ressorteren, die zo veel mogelijk aansluit bij de voorschriften daaromtrent die van toepassing zijn op de lopende subsidie.

  • 3 Op subsidieverstrekking door het bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor de Film aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1° sub iii, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover een en ander zich daarvoor leent.

Artikel 22. Verplichting: geen dubbele subsidiëring

Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende meerjarige fondsinstelling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.

§ 2a. Meerjarige fondsinstellingen; tweede aanvullend steunpakket

Artikel 22a. Toepassingsbereik

  • 2 Voor de toepassing van deze paragraaf worden met meerjarige fondsinstellingen gelijkgesteld instellingen waaraan in de jaren 2019–2021, waaronder in elk geval in 2021, voor ten minste twee aaneengesloten jaren subsidie wordt verstrekt op grond van de door het bestuur van Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed vastgestelde Deelregeling Meerjarenprogramma’s Presentatie en Erfgoedinstellingen, voor zover het betreft subsidies aan instellingen die primair tot doel hebben hedendaagse beeldende kunst te presenteren.

Artikel 22b. Hoogte subsidiebedrag

De subsidie bedraagt voor:

  • a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 2.573.100;

  • b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 2.567.800;

  • c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 6.427.000, waarvan in elk geval € 6.250.000 voor subsidieverstrekking aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii;

  • d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 12.533.700;

  • e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 539.000;

  • f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 729.300.

Artikel 22c. Verplichting: overeenkomstige toepassing voorschriften

  • 1 Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:

  • 2 Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording door de fondsinstellingen die onder hem ressorteren, die zo veel mogelijk aansluit bij de voorschriften daaromtrent die van toepassing zijn op de lopende subsidie.

  • 3 Op subsidieverstrekking door het bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor de Film aan productiemaatschappijen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, sub iii, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover een en ander zich daarvoor leent.

Artikel 22d. Verplichting: geen dubbele subsidiëring

Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende meerjarige fondsinstelling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.

§ 3. Cruciale regionale instellingen; eerste aanvullend steunpakket

Artikel 23. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, voor zover het verstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 15 april 2020.

Artikel 24. Hoogte subsidiebedrag

De subsidie bedraagt voor:

  • a. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 16.000.000;

  • b. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 3.500.000;

  • c. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 29.000.000.

Artikel 25. Verplichting: kader subsidieverstrekking algemeen

Bij de subsidieverstrekking ten laste van middelen die op grond van deze paragraaf ter beschikking worden gesteld, hanteert het bestuur van een fonds in elk geval de regels, bedoeld in het in de bijlage bij deze regeling opgenomen kader.

§ 4a. Makers; tweede aanvullend steunpakket

Artikel 27a. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, voor zover het subsidieverstrekking betreft ter uitvoering van de Kamerbrief van 16 november 2020.

Artikel 27b. Hoogte subsidiebedrag

De subsidie bedraagt voor:

  • a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 2.922.670;

  • b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 8.350.360;

  • c. Stichting Nederlands Fonds voor de Film: € 7.828.460;

  • d. Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten: € 5.218.970;

  • e. Stichting Nederlands Letterenfonds: € 2.661.670;

  • f. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 8.767.870.

§ 4e. Overbruggingssubsidie

Artikel 27j. Hoogte subsidiebedrag

De subsidie bedraagt voor:

  • a. Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie: € 222.000;

  • b. Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed: € 557.500;

  • c. Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie: € 691.600.

Artikel 27k. Verplichting: overeenkomstige toepassing voorschriften

  • 1 Bij de subsidieverstrekking ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld, past het bestuur van een fonds in elk geval het navolgende overeenkomstig toe:

    • a. de ambtshalve verstrekking, bedoeld in artikel 4;

    • b. de rekenregel, bedoeld in artikel 14i, met dien verstande dat:

      • 1°. in het eerste lid in plaats van ‘artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid’ dient te worden gelezen: een regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°;

      • 2°. In het tweede lid in plaats van ‘afgewezen BIS-aanvrager met een positieve beoordeling’ dient te worden gelezen: afgewezen fondsaanvrager met positieve beoordeling; en

      • 3°. voor zover het negatief subsidieadvies met positieve beoordeling van de instelling een advies over subsidiehoogte bevat, de subsidie 50 procent van het geadviseerde jaarbedrag bedraagt;

    • c. ingeval van overschrijding van het in het kader van zijn subsidieverstrekking vast te stellen subsidieplafond, de methode van herverdeling, bedoeld in artikel 14j, tweede lid; en

    • d. de hardheidsclausule, bedoeld in artikel 28.

  • 2 Het bestuur van een fonds voorziet verder in een wijze van verantwoording van de subsidie door onder hem ressorterende afgewezen fondsaanvragers, die zo veel mogelijk aansluit bij zijn gebruikelijke voorschriften daaromtrent.

Artikel 27l. Verplichting: geen dubbele subsidiëring

Het bestuur van een fonds waarborgt dat aan een onder hem ressorterende afgewezen fondsaanvrager met een positieve beoordeling ten hoogste eenmaal subsidie wordt verstrekt ten laste van het budget dat op grond van deze paragraaf ter beschikking wordt gesteld.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 30. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19.

Artikel 31. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt voor wat betreft artikel 29, onderdeel B, terug tot en met 11 april 2017.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

Bijlage

Kader als bedoeld in artikel 25:

Aanwijzingen voor subsidieverstrekking door fondsen ten laste van budget dat aan hen ter beschikking wordt gesteld op grond van paragraaf 3 van hoofdstuk 4 van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19

1. Algemene aanwijzingen, van toepassing op:

– Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten;

– Stichting Nederlands Fonds voor de Film; en

– Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed.

Aanwijzing 1.1. Subsidieaanvraag

Subsidie wordt op aanvraag verleend.

Aanwijzing 1.2. Eisen aan subsidieaanvrager

1. Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking instellingen die:

a. acute liquiditeitsproblemen hebben als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan;

b. voor zover mogelijk, gebruik hebben gemaakt van de generieke compensatiemaatregelen van de rijksoverheid alsmede van door andere overheden getroffen coulancemaatregelen; en

c. in 2020 voorafgaand aan de beperkende maatregelen in het kader van het terugdringen van COVID-19 feitelijk actief waren.

2. Onverminderd het eerste lid, past het bestuur van een fonds de subsidievoorwaarde, bedoeld in artikel 10 van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 overeenkomstig toe.

Aanwijzing 1.3. Verdeelsystematiek

1. Het bestuur van een fonds besluit gelijktijdig op alle aanvragen.

2. Onder bepaling van de hoogte van de subsidiebedragen, overeenkomstig de krachtens dit kader toe te passen rekenregels, verdeelt het bestuur van een fonds het beschikbare bedrag over alle aanvragen die:

a. binnen een door het bestuur vast te stellen tijdvak worden ingediend; en

b. voldoen aan alle voor subsidieverlening gestelde voorwaarden.

3. Indien een subsidieplafond door toepassing van het bepaalde in het tweede lid, zou worden overschreden, worden de te verlenen subsidiebedragen naar rato verlaagd tot het niveau waarbinnen het totaal beschikbare bedrag volledig kan worden benut.

4. Indien een in totaal ten hoogste beschikbaar bedrag door toepassing van het bepaalde in het tweede lid niet volledig wordt benut, kan het bestuur van een fonds de aldus resterende middelen bestemmen voor subsidieverstrekking op grond van een ander door hem vastgesteld reglement dat tot doel heeft het beperken van de negatieve gevolgen voor de culturele of creatieve sector van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan.

Aanwijzing 1.4. Weigeringsgronden

Geen subsidie wordt verstrekt aan instellingen:

a. waaraan het bestuur van een fonds reeds subsidie heeft verleend op grond van een door hem vastgestelde regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19;

b. die structureel subsidie ontvangen ten laste van een andere departementale begroting dan die van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; of

c. die niet kunnen aantonen of aannemelijk kunnen maken, dat aan hen een additionele financiële bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 is verstrekt onderscheidenlijk zal worden verstrekt ter hoogte van ten minste 100 procent van het aangevraagde subsidiebedrag.

Artikel 1.5. Ontbindende voorwaarde

Indien subsidie wordt verleend aan een aanvrager die aannemelijk heeft kunnen maken dat aan hem een additionele financiële bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 zal worden verstrekt, geschiedt de verlening onder de ontbindende voorwaarde van verstrekking van de additionele financiële bijdrage.

2. Specifieke aanwijzingen, van toepassing op Stichting Mondriaan Fonds, stimuleringsfonds voor beeldende kunst en cultureel erfgoed

Aanwijzing 2.1. Eisen aan subsidieaanvrager

1. Onverminderd aanwijzing 1.2 komen uitsluitend instellingen voor subsidie in aanmerking die:

a. als kernactiviteit hebben het beheer en behoud van een publieke collectie van cultureel erfgoed van nationaal of internationaal belang;

b. beschikken over een registratie in het museumregister van Stichting Museumregister Nederland; en

c. voldoen aan ten minste één van de navolgende kenmerken:

1°. de instelling trok in 2017 en 2018 gemiddeld meer dan 100.000 betalende bezoekers;

2°. de instelling heeft op grond van artikel 3.26 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid een aanvraag voor subsidie ingediend bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vergezeld van een voordracht van gedeputeerde staten van de provincie waar de instellingen hun standplaats hebben, welke aanvraag voor advies is voorgelegd aan de Raad voor Cultuur;

3°. de instelling heeft langdurig Rijkscollectie in bruikleen en toont dit aan het publiek.

2. In afwijking van het eerste lid, komen tevens voor subsidie in aanmerking instellingen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, die niet voldoen aan ten minste één van de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover deze hun standplaats hebben in een provincie waar geen instelling is gevestigd als bedoeld in het eerste lid.

Aanwijzing 2.2. Hoogte subsidiebedrag

Bij de bepaling van de hoogte van de subsidie past het bestuur van het fonds de rekenregel, bedoeld in artikel 9 van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19, overeenkomstig toe, met dien verstande dat per aanvrager niet meer wordt verleend dan een bedrag ter hoogte van de helft van de uitkomst van die rekenregel, tot een maximum van € 1.000.000.

Aanwijzing 2.3. Subsidieplafond

Het bestuur van het fonds voorziet in de vaststelling van een subsidieplafond ter hoogte van € 16.000.000.

3. Specifieke aanwijzingen, van toepassing op Stichting Nederlands Fonds voor de Film

Aanwijzing 3.1. Eisen aan de subsidieaanvrager

Onverminderd aanwijzing 1.2 komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking instellingen die:

a. als hoofddoel hebben de exploitatie van een bioscoop die zich onderscheidt door een divers aanbod waarin prioriteit wordt gegeven aan de arthouse film (filmtheater); en

b. zijn aangesloten bij de Vereniging Nederlands Filmtheater Overleg of overigens kunnen worden beschouwd als instellingen met een dragende en belangrijke functie als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19, toetsbaar aan de hand van door het bestuur van het fonds te stellen criteria, met dien verstande dat binnen deze categorie instellingen voorrang wordt verleend aan instellingen die zijn gevestigd in de provincies Drenthe, Zeeland en Flevoland.

Aanwijzing 3.2. Hoogte subsidiebedrag

Bij de bepaling van de hoogte van de subsidie past het bestuur van het fonds de rekenregel, bedoeld in artikel 9 van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 overeenkomstig toe, met dien verstande dat per aanvrager niet meer wordt verleend dan een bedrag ter hoogte van de helft van de uitkomst van die rekenregel, tot een maximum van € 400.000.

Aanwijzing 3.3. Subsidieplafond

Het bestuur van het fonds voorziet in de vaststelling van een subsidieplafond ter hoogte van € 3.500.000.

4. Specifieke aanwijzingen, van toepassing op Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten

Aanwijzing 4.1. Eisen aan de subsidieaanvrager

Onverminderd aanwijzing 1.2 komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking instellingen die een (pop)podium exploiteren en:

a. waaraan in 2017 of 2019 subsidie is verleend op grond van paragraaf 2 (Programmeringssubsidie reguliere programmering in theater- en concertzalen) van de door het bestuur van de Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten vastgestelde Deelregeling programmeringssubsidies Fonds Podiumkunsten;

b. die in de publicatie ‘poppodia en -festivals in cijfers 2018’ van de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals zijn aangemerkt als ‘groot podium (1.000 of meer)’1;

c. die overigens kunnen worden beschouwd als instellingen met een dragende en belangrijke functie als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19, toetsbaar aan de hand van de criteria voor subsidieverlening, bedoeld in artikel 2.3, eerste en tweede lid, van de door het bestuur vastgestelde Deelregeling programmeringssubsidies Fonds Podiumkunsten; of

d. die zijn gevestigd in de provincies Drenthe, Zeeland en Flevoland, voor zover het instellingen betreft die niet voldoen aan de criteria, bedoeld in onderdeel a tot en met c.

Aanwijzing 4.2. Hoogte van de subsidie

Bij de bepaling van de hoogte van de subsidie past het bestuur van het fonds de rekenregel, bedoeld in artikel 9 van de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 overeenkomstig toe, met dien verstande dat:

a. per aanvrager niet meer wordt verleend dan een bedrag ter hoogte van de helft van de uitkomst van die rekenregel, tot een maximum van € 1.000.000; en

b. het eerste percentage, genoemd in het eerste lid van voornoemd artikel 22,5 bedraagt in plaats van 45.

Aanwijzing 4.3. Subsidieplafonds

1. Het bestuur van het fonds voorziet in de vaststelling van een subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies aan instellingen als bedoeld in:

a. aanwijzing 4.1, onder a en b, ter hoogte van € 26.000.000; en

b. aanwijzing 4.1, onder c en d, ter hoogte van € 3.000.000.

2. Indien door subsidieverstrekking niet alle daarvoor beschikbare middelen binnen een subsidieplafond worden uitgeput, kan het resterende bedrag geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan het andere subsidieplafond.

Aanwijzing 4.4. Verdeelsystematiek

In afwijking van aanwijzing 1.3, derde lid, besluit het bestuur, indien het subsidieplafond, bedoeld in aanwijzing 4.3, eerste lid, onder b, door toepassing van het bepaalde in aanwijzing 1.3, tweede lid, zou worden overschreden, op basis van een rangschikking aan de hand van geografische spreiding.

1 https://vnpf.nl/media/files/vnpf-poppodia-en--festivals-in-cijfers-2018.pdf

Terug naar begin van de pagina