Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5

[Regeling vervalt per 31-07-2024.]
Geraadpleegd op 25-06-2022.
Geldend van 23-01-2021 t/m heden

Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 mei 2020, nr. PO/24137474, houdende regels voor een experiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de gemeenten Amsterdam, Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • G5-gemeenten: gemeente Amsterdam, de gemeente Almere, de gemeente Den Haag, de gemeente Rotterdam en de gemeente Utrecht;

  • minister: minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

  • noodplan: plan van bevoegde gezagsorganen en gemeenten in de G5-gemeenten betreffende noodmaatregelen lerarentekort genaamd Noodplan lerarentekort Amsterdam, Actie in perspectief (Den Haag), Slim organiseren (Rotterdam), Actieplan Utrecht Leert of Noodplan lerarentekort Almere;

  • school: school als bedoeld in artikel 1 van de WPO of artikel 1 van de WEC;

  • WEC: Wet op de expertisecentra;

  • WPO: Wet op het primair onderwijs.

Artikel 2. Doel experiment

Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken:

  • a. welke impact de mogelijkheid om bij een tekort in de formatie van een school af te wijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 3, onder de aldaar genoemde voorwaarden, heeft op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen; en

  • b. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.

Artikel 3. Het experiment

Het bevoegd gezag dat met een school deelneemt aan het experiment mag afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b, van de WEC en daarbij andere onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC aanbieden als noodmaatregel, indien:

Artikel 4. De aanvraagprocedure en voorwaarden voor deelname aan het experiment

  • 1 Het bevoegd gezag dat wil deelnemen aan het experiment kan bij de minister een aanvraag doen, mits het bevoegd gezag het noodplan in de betreffende stad heeft ondertekend.

  • 2 Alleen scholen die liggen in een G5-gemeente kunnen deelnemen aan het experiment.

  • 3 De aanvraag voor deelname aan het experiment wordt gedaan in de periode van 14 mei 2020 tot en met 13 september 2020. Een bevoegd gezag dat nog niet meedoet aan het experiment kan in de daaropvolgende schooljaren tot uiterlijk 29 februari 2024 de aanvraag voor deelname indienen.

  • 4 Het bevoegd gezag overlegt bij de aanvraag:

    • a. de contactgegevens van het bevoegd gezag; en

    • b. een beschrijving van de uitvoering van het noodplan in de betreffende stad waarin in ieder geval het volgende is opgenomen:

      • 1°. Een overzicht van de wijze waarop het bevoegd gezag voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en

      • 2°. De wijze waarop onbevoegde docenten worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.

Artikel 5. Selectie en beslistermijn

  • 1 Voor toelating tot het experiment beoordeelt de minister of de aanvraag voldoet aan de voorschriften uit artikel 4.

  • 2 De minister besluit uiterlijk op 30 september 2020 op de aanvragen, bedoeld in artikel 4, derde lid, eerste volzin, tot deelname aan het experiment. De minister besluit in de daarop volgende schooljaren:

    • a. uiterlijk op 1 januari op aanvragen ingediend vanaf 1 oktober tot en met 30 november;

    • b. uiterlijk op 1 april op aanvragen ingediend vanaf 1 december tot en met 28 februari dan wel 29 februari;

    • c. uiterlijk op 1 juli op aanvragen ingediend vanaf 1 maart tot en met 31 mei;

    • d. uiterlijk op 1 november op aanvragen ingediend vanaf 1 juni tot en met 30 september.

  • 3 Aanvragen ingediend na 29 februari 2024 worden afgewezen.

Artikel 6. Looptijd van het experiment

  • 1 Het experiment begint op 1 augustus van een schooljaar en eindigt op 31 juli 2024.

  • 2 Bevoegde gezagsorganen en scholen die deelnamen aan het experiment voldoen vanaf de start van het schooljaar 2024–2025 weer aan de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3.

  • 3 In afwijking van het eerste lid begint het experiment op 1 oktober 2020 voor een bevoegd gezag dat in 2020 een aanvraag heeft ingediend in de periode van 8 juni 2020 tot en met 13 september 2020.

  • 4 In afwijking van het eerste lid begint het experiment voor een bevoegd gezag dat vanaf 1 januari 2021 een aanvraag heeft ingediend de dag na ontvangst van de goedkeurende beschikking tot deelname.

Artikel 7. Melding gebruik en beëindiging van het gebruik van het noodplan

  • 1 Een school van een bevoegd gezag dat deelneemt aan het experiment kan pas gebruik maken van de in artikel 3 geboden mogelijkheden, nadat de school melding heeft gemaakt bij het onderzoeksbureau van het besluit dat zij voornemens is om de acties uit het plan, bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder b, daadwerkelijk ten uitvoer te brengen.

  • 2 De melding bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:

    • a. de contactgegevens van het bevoegd gezag en van de betreffende school;

    • b. de dagtekening;

    • c. een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau als bedoeld in artikel 8, eerste lid;

    • d. een omschrijving van de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en

    • e. de verwachte duur van de afwijking van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3 in de vorm van een verwachte startdatum en een verwachte einddatum, waarbij de einddatum niet later ligt dan op 31 juli volgend op de melding.

  • 3 De mogelijkheid gebruik te maken van de in de artikel 3 geboden mogelijkheden verloopt op 31 juli van het schooljaar waarin de melding is gedaan. Tijdens de looptijd van het experiment kan een nieuwe melding worden gedaan, waardoor opnieuw gebruik kan worden gemaakt van de in de artikel 3 geboden mogelijkheden.

  • 4 Bevoegde gezagsorganen en scholen die deelnemen aan het experiment streven ernaar om zo snel als mogelijk terug te keren naar een situatie waarbij afwijken van de wet niet meer noodzakelijk is en zij maken er dan ook melding van op het moment dat zij terugkeren naar deze situatie.

  • 5 De afmelding, bedoeld in het vierde lid, geschiedt gedurende het schooljaar waarin de melding, bedoeld in het eerste lid, is gedaan als blijkt dat het gebruik van het plan op schoolniveau niet meer noodzakelijk is.

  • 6 De afmelding, bedoeld in het vierde en vijfde lid bevat:

    • a. de contactgegevens van het bevoegd gezag en de betreffende school;

    • b. de dagtekening;

    • c. de situatie die aanleiding is voor het afmelden;

    • d. een omschrijving van de wijze waarop werd afgeweken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en

    • e. de startdatum en einddatum van de afwijking van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3.

Artikel 8. Plan op schoolniveau

  • 1 Voordat een school een eerste melding doet als bedoeld in artikel 7, stelt de school een plan op schoolniveau op en legt dit ter instemming voor aan de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen. Indien het plan op schoolniveau inhoudelijk wordt gewijzigd is opnieuw instemming van de medezeggenschapsraad nodig.

  • 2 In het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt opgenomen:

    • a. in welke situaties op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het plan op schoolniveau, en

    • b. de procedure die wordt gevolgd na inzet van het plan op schoolniveau om het gebruik hiervan zo spoedig mogelijk te beëindigen.

Artikel 9. Onderzoek en evaluatie

  • 1 Bevoegde gezagsorganen en scholen die deelnemen aan dit experiment werken mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat gericht is op het verschaffen van inlichtingen aan de minister ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid.

  • 2 Bij het onderzoek zal in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze en in welke mate scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de frequentie van de afwijkingen, het type afwijkingen en de impact daarvan op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen.

  • 3 De minister schakelt een onderzoeksbureau in ten behoeve van de meldingen, bedoeld in artikel 7 en het onderzoek bedoeld in de eerste twee leden.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Naar boven