Begripsbepalingen
Cliënt
Een natuurlijk persoon zoals omschreven in artikel 1 van de Wmo 2015. Het begrip cliënt in dit protocol is slechts van toepassing op de tolkvoorziening in het leefdomein.
Dienstbetrekking
Een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de ZW/WAO/WW of een op grond van artikel 4 of 5 van de ZW/WAO/WW gelijkgestelde arbeidsverhouding.
(Tijdelijke) dienstbetrekkingen die elkaar binnen een periode van maximaal 4 weken opvolgen, beschouwt UWV als een en dezelfde dienstbetrekking.
Generieke werkgeversvoorziening
Een werkgeversvoorziening die door de werkgever is gerealiseerd om een of meerdere (opeenvolgende) klanten, met dezelfde of vergelijkbare structureel functionele beperkingen, in dienst te nemen en te houden, die gedurende de pilotperiode van 3 jaar op het gebruik van de voorziening zijn aangewezen om hun werkzaamheden te kunnen verrichten.
Instelling
Organisaties die zich specifiek inzetten voor mensen met een auditieve beperking en organisaties die bijeenkomsten in het leefdomein organiseren waarbij tolkgebruikers tot de doelgroep horen.
Leefvoorziening
Een voorziening die een cliënt ondersteunt bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
Leefvervoer
Vervoer in de privésfeer van een klant.
Maatschappelijke ondersteuning
Maatschappelijke ondersteuning in de zin van artikel 1.1.1. van de Wmo 2015. Onder maatschappelijke ondersteuning wordt onder andere verstaan ‘het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking in de eigen leefomgeving’.
Meeneembare voorziening
Een voorziening die in overwegende mate op de individuele klant is afgestemd ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethode én die de klant ondersteunt ter compensatie van zijn structureel functionele beperking(en). Een meeneembare voorziening is te allen tijde een materieel hulpmiddel dat in natura in eigendom of bruikleen aan de klant wordt verstrekt (bijv. apparatuur voor visueel beperken en speciale werktafels).
Ministerie OCW
Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap.
Ministerie SZW
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ministerie VWS
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Onderwijsvoorziening
Een voorziening die een leerling ondersteunt bij het volgen van initieel onderwijs. Initieel onderwijs is het onderwijs dat leerlingen volgen vanaf het moment dat ze leerplichtig worden tot het moment dat ze de arbeidsmarkt opgaan.
Het gaat hier om de voorzieningen als bedoeld in:
Reisvergoeding
De vergoeding voor gereden kilometers die door de tolk en de overige verleners van intermediaire activiteiten, in de werk- en leefsituatie, als werktijd wordt beschouwd. Hierbij is ook de fiscaal toegestane norm onkostenvergoeding per kilometer begrepen.
Startende zelfstandige
De natuurlijke persoon die, anders dan in dienstbetrekking, arbeid in zelfstandig beroep of bedrijf gaat verrichten of verricht, teneinde zich daarmee een inkomen te verwerven.
Subsidie
De financiële tegemoetkoming die UWV aan de werkgever verstrekt voor het realiseren van werkvoorzieningen ten behoeve van het in dienst nemen of houden van een klant of klanten overeenkomstig artikel 36 WIA.
Subsidie Generieke werkgeversvoorziening
De financiële tegemoetkoming die UWV aan de werkgever verstrekt voor het realiseren van een Generieke werkgeversvoorziening.
Structureel functionele beperkingen
Beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Gaat het om beperkingen bij het verrichten van inkomensvormende arbeid, dan is de verwachting dat deze minimaal één jaar zullen duren. Beperkingen die er toe leiden dat een leerling belemmeringen ondervindt bij het volgen van onderwijs duren naar verwachting tenminste 3 maanden.
Tolk
Een vertaler van (gesproken) tekst in (geschreven) woord of gebaar die in het Register Tolken Gebarentaal en Schrijftolken (RTGS www.stichtingrtgs.nl) staat ingeschreven. Een communicatie assistent kan niet als tolk optreden.
Tolk op afstand
Een tolk die zijn tolkdiensten verricht vanuit een eigen werklocatie, niet zijnde de locatie waar de klant – die gebruik maakt van de tolk – zich bevindt.
Voorziening
Een middel of dienst die beoogt de beperkingen als gevolg van ziekte en/of gebrek voor het vinden en/of verrichten van inkomensvormende arbeid, het deelnemen aan onderwijs en het maatschappelijk verkeer (uitsluitend voor de tolkvoorziening en het leefvervoer) zoveel als mogelijk weg te nemen. UWV onderscheidt drie type hoofdvoorzieningen; te weten werkvoorzieningen, onderwijsvoorzieningen en een leefvoorziening.
Werkgeversvoorziening
Een voorziening die naar aard der zaak duurzaam is verenigd met het bedrijf van de werkgever. Het kenmerk van deze voorziening is dat:
• de voorziening onlosmakelijk met het productiemateriaal/bedrijfsmiddelen (bijv. machines, computers en software) dan wel de werkplek zijn verbonden óf
• deze niet zonder schade toe te brengen aan de bedrijfsmiddelen kan worden meegenomen en/of
• een zodanige specifieke aanpassing betreft, dat deze – na losmaken hiervan – weliswaar meegenomen kan worden, maar dat deze van geen (toegevoegde) waarde is voor een andere werkgever.
Een werkgeversvoorziening heeft alleen een specifieke waarde voor de betreffende werkgever bij wie de voorziening is gerealiseerd.
Uwv
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
Werkvoorziening
Een voorziening die een klant ondersteunt bij het aan het werk gaan of bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het gaat hier om voorzieningen als bedoeld in:
Zelfstandig ondernemer
Een natuurlijk persoon die voor eigen rekening en risico deelneemt aan het economisch verkeer.
Hoofdstuk 1. - INLEIDING
UWV draagt verantwoordelijkheid voor de re-integratie van werkzoekenden. In dat kader heeft UWV onder meer de wettelijke taak om aan werkzoekenden met structurele functionele beperkingen voorzieningen te verstrekken. Deze werkvoorzieningen hebben tot doel de klant te ondersteunen bij het aan het werk komen of aan het werk blijven.
Daarnaast heeft UWV – in opdracht van Ministerie OCW – de taak om voor klanten die belemmeringen ondervinden bij het volgen van onderwijs voorzieningen te verstrekken. De inzet van een onderwijsvoorziening maakt het mogelijk dat een klant onderwijs volgt of kan volgen.
Mocht een klant, als gevolg van auditieve beperkingen, belemmeringen ondervinden in zijn leefsituatie, dan kan UWV in opdracht van Ministerie VWS een tolkvoorziening verstrekken. De bevoegdheid betreft enkel en uitsluitend de tolkvoorziening.
Het Protocol voorzieningen bevat o.a. de aanvullende bepalingen op de wetsartikelen uit de Wajong, WIA, Wmo en de WOOS, die verband houden met de verstrekking voorzieningen. Aanvullend hebben de Ministeries van SZW, OCW en VWS de voorwaarden omtrent de verstrekking van voorzieningen nader uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten en regelingen. Al deze kaders tezamen vormen voor UWV de grondslag op basis waarvan UWV voorzieningen kan verstrekken.
Alleen als daarvoor de ruimte wordt geboden, kan UWV, ter nadere invulling van de eerder genoemde kaders, beleid ontwikkelen. Deze Beleidsregel – het Protocol Voorzieningen – bevat enkel en uitsluitend het nadere beleid met betrekking tot de in dit Protocol Voorzieningen opgenomen voorzieningen. Alleen als nodig is om het beleid te verduidelijken zijn de bepalingen uit eerder genoemde wet- en regelgeving op hoofdlijnen beschreven. Op deze manier wordt een totaaloverzicht geboden binnen welke kaders UWV voorzieningen kan inzetten.
Hierna is een overzicht van de betreffende wetsartikelen en Ministeriële Besluiten en Regelingen opgenomen. De bepalingen in deze wet- en regelgeving vormen de grondslag voor de beleidsbepalingen in dit Protocol. Het gaat om:
a. Wetsartikelen voor de werkvoorzieningen:
•
34a WIA en 2:23 Wajong met de titel “Voorzieningen ter bevordering en ondersteuning van arbeid als zelfstandige”;
•
35 WIA en 2:22 Wajong met de titel ‘Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid”
b. Wetsartikel voor de werkgeversvoorziening:
c. Wetsartikel voor de onderwijsvoorzieningen:
d. Wetsartikel voor tolkvoorziening als leefvoorziening:
e. Wetsartikelen voor tolkvoorzieningen voor klanten die onder de Participatiewet vallen:
f. Uitvoeringsbesluiten en regelingen:
De wetsartikelen genoemd onder a tot en met e zijn door de Ministeries SZW, OCW en VWS nader uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten en regelingen. Het betreft de volgende uitvoeringsbesluiten en regelingen:
Uitsluitend waar dit van toegevoegde waarde is – bijvoorbeeld om een beleidsuitgangspunt te verduidelijken – is de hierbovengenoemde regelgeving (op hoofdlijnen) in dit Protocol aangehaald. Voor een exacte (en daarmee enige correcte) uitleg dient altijd voornoemde regelgeving te worden geraadpleegd.
In het Protocol Voorzieningen zijn aanvullende bepalingen opgenomen met betrekking tot de inzet van de in deze beleidsregel opgenomen voorzieningen. Het gaat vooralsnog om de intermediaire activiteiten, vervoers- en computervoorziening in de werk- en onderwijssituatie en de tolkvoorziening in de leefsituatie. Daarnaast wordt ingegaan op het beleid als een klant wil starten als zelfstandig ondernemer en (financiële) ondersteuning van UWV nodig heeft alsmede de subsidieregeling werkgever en de subsidieregeling Generieke werkgeversvoorziening.
Bij de publicatie van de eerste versie van dit Protocol Voorzieningen (gepubliceerd in Staatscourant 21722 van 20 april 2018) is aangegeven, dat het protocol een groeidocument is. In dit Protocol zal UWV uiteindelijk het beleid met betrekking tot de inzet van alle voorzieningen bevatten. In deze versie wordt hier een volgende stap gezet door o.a. de bepalingen rondom de verstrekking van subsidie werkgevers en de pilot subsidie Generieke werkgeversvoorzieningen op te nemen.
De Beleidsregel Protocol Voorzieningen UWV 2019 vervangt de Beleidsregel Protocol Voorzieningen UWV 2019 van 2 juli 2019, gepubliceerd in Staatscourant 42444 van 31 juli 2019.
UWV hanteert voor de in dit Protocol Voorzieningen opgenomen voorzieningen normbedragen. Deze bedragen staan in het Besluit normbedragen voorzieningen UWV, hierna te noemen Normbedragenbesluit.
Deel b. De voorzieningen
Hoofdstuk 3. Vervoersvoorzieningen
UWV kent de volgende typen vervoersvoorzieningen:
– Een (rolstoel)taxikostenvergoeding;
– Een verstrekking van een (aangepast) vervoermiddel in bruikleen;
– Een aanpassing van een eigen vervoermiddel als een klant daarover beschikt;
– Een vergoeding voor het gebruik van een vervoermiddel (bijv. een kilometervergoeding).
3.1. Inkomensgrens
UWV verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan een klant indien hij naar het oordeel van UWV – gelet op zijn structureel functionele beperkingen – aangewezen is op aangepast vervoer. De aanspraak op een vervoersvoorziening, in de vorm van vervoer per auto of taxi – is inkomensafhankelijk. Als het bruto (gezins)inkomen boven de inkomensgrens ligt, dan ziet UWV het vervoer per auto of taxi als algemeen gebruikelijk. UWV verstrekt dan in principe geen auto of taxikostenvergoeding als voorziening, tenzij anders bepaald. Zie ook artikel 5 van het Reïntegratiebesluit en artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap. De wijze waarop UWV het inkomen berekent, is opgenomen in de Reïntegratieregeling en de Regeling onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap.
Het normbedrag C20-I geldt als inkomensgrens als er binnen het gezin 1 persoon is aangewezen op een vervoersvoorziening; de eerste inkomensgrens (leef)vervoersvoorziening. Zijn er 2 of meer personen binnen hetzelfde gezin aangewezen op een vervoersvoorziening, dan geldt normbedrag C20-III als inkomensgrens waarboven UWV vervoer per auto als algemeen gebruikelijk ziet (tweede inkomensgrens).
In artikel 12 van de Reïntegratieregeling staat in welke situaties de inkomensgrens niet van toepassing is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan vergoeding voor de aanschaf van een vervoermiddel dat specifiek bedoeld is voor gebruik voor personen met een ziekte of gebrek.
In de onderwijssituatie is er geen toetsing aan een inkomensgrens. Beide normbedragen gelden daarom niet voor de onderwijssituatie.
3.2. Combinatie vervoersvoorziening in werk- en leefsituatie
Als een klant een vervoersvoorziening nodig heeft in zowel de werk- als leefsituatie, dan kent UWV voor zowel het werk- als leefdomein de voorziening toe. Maakt een klant gebruik van een (bruikleen)auto, dan kan de klant maximaal 2000 kilometers aan leefkilometervergoeding declareren. Rijdt hij meer dan dit aantal kilometers, dan zijn de extra kosten in principe voor de klant tenzij door UWV anders is bepaald.
Zie voor de hoogte van de kilometervergoeding onder paragraaf 3.4.
3.3. Taxikostenvergoeding
UWV verstrekt een taxikostenvergoeding aan een klant als hij – naar het oordeel van UWV – niet meer dan 100 meter kan lopen. Daarnaast dient hij voor elke verplaatsing buitenshuis aangewezen te zijn op een taxi.
Op de taxikostenvergoeding in de werksituatie is de klant een eigen bijdrage verschuldigd. Heeft de klant een inkomen beneden de inkomensgrens C 20-I dan betaalt hij een eigen bijdrage ter hoogte van normbedrag C 26-I. Als de klant een inkomen heeft boven de inkomensgrens C 20- I of C 20-III, dan geldt een eigen bijdrage ter hoogte van C 26-II per kilometer. UWV maximeert de eigen bijdrage op het in normbedrag C 27 genoemde bedrag per maand. Dit geldt voor elke klant, ongeacht de hoogte van het inkomen.
In artikel 12 lid 5 van de Reïntegratieregeling is namelijk bepaald dat de inkomensgrens niet van toepassing is op een (rolstoel)taxivergoeding in de werksituatie onder de voorwaarde dat UWV geen hogere vergoeding verstrekt dan het verschil tussen de kosten van het gebruik van een (rolstoel)taxi en het door UWV vastgestelde normbedrag voor gebruik van een eigen auto.
Is een klant ook voor zijn leefsituatie aanwezen op taxivervoer, dan ontvangt hij voor zijn leefsituatie de volgende normbedragen:
– C31 indien hij niet meer dan 100 meter kan lopen en voor elke verplaatsing buitenshuis is aangewezen op een taxi;
– C32 als de klant een visuele beperking heeft;
– C33 als de klant gebruik maakt van een rolstoeltaxi;
– C34 als de klant ook gebruik kan maken van een (goedkoper) alternatief vervoermiddel zoals een (bel)bus.
De hiervoor vermelde normbedragen worden enkel en uitsluitend in combinatie met een taxikostenvergoeding in het werk/onderwijsdomein verstrekt.
Een klant kan per jaar tot maximaal het bedrag zoals opgenomen in codes C31 tot en met C34 aan taxikosten ten behoeve van zijn leefsituatie bij UWV declareren. Met de genoemde normbedragen kan een klant per jaar een afstand tussen de 1500 tot 2000 kilometer overbruggen.
3.4. Vergoedingen voor gebruik van eigen auto dan wel auto in bruikleen
Maakt een klant voor zijn vervoer gebruik van zijn eigen auto, dan wel een auto in bruikleen, dan komt hij in aanmerking voor de vergoeding van extra te maken kosten. Dit zijn de kosten die uitgaan boven het kostenniveau dat hoort bij de zogenaamde referentieauto (normbedrag C18-II).
UWV kan vergoedingen verstrekken als bijdrage in de kosten voor:
Alleen in de werksituatie gaat hier nog een eigen bijdrage vanaf; zie ook onder 3.4.2. De eigen bijdrage geldt niet in de onderwijssituatie.
3.4.1. Eigen bijdrage verzekeringskosten en motorrijtuigenbelasting
Is er sprake van een noodzakelijke aanschaf van een auto, dan vergoedt UWV uitsluitend de meerkosten voor verzekering en de motorrijtuigenbelasting ten opzichte van de kosten van een referentieauto. De eigen bijdrage die een klant betaalt voor zijn verzekeringskosten en motorrijtuigenbelasting zijn te vinden in de volgende normbedragen:
Het gaat hier om een maandelijkse bijdrage.
3.4.2. Kilometervergoeding
Net als elke valide persoon die van of naar zijn werk gaat, dient ook een klant zelf een bijdrage te leveren aan zijn vervoerskosten. De hoogte van de bijdrage is afhankelijk van de inkomensgrens:
– Normbedrag C26-I beneden inkomensgrens C20-I, respectievelijk C20-III;
– Normbedrag C26-II boven inkomensgrens C20-I, respectievelijk C20-III.
Eigen bijdrage klant
Kent UWV een kilometervergoeding toe in de werksituatie dan worden de in het normbedrag C26-I en C26-II genoemde bedragen van deze vergoeding afgetrokken. Welk bedrag wordt afgetrokken is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.
Voor deze eigen bijdrage geldt dat UWV deze maximeert op het in normbedrag C 27 genoemde bedrag per maand. Dit geldt voor elke klant, ongeacht de hoogte van het inkomen.
De eigen bijdrage geldt niet in de onderwijssituatie.
UWV onderscheidt een drietal kilometervergoedingen:
– Een kilometervergoeding C22: als er sprake is van een auto in bruikleen;
– Een kilometervergoeding C25- I: als de klant gebruik maakt van zijn eigen personenauto;
– Een kilometervergoeding C25-V: als de klant gebruik maakt van zijn eigen bestelauto of bus.
UWV stelt de kilometervergoeding op nihil als de eigen bijdrage hoger is dan de door UWV te verstrekken kilometervergoeding.
Het aantal kilometers dat UWV vergoedt, wordt uiteindelijk bepaald door de woon- werkafstand of woon-schoolafstand. Zie in dit verband paragraaf 2.6.
Als UWV naast een vergoeding voor vervoerskosten in de werksituatie ook een vergoeding toe heeft gekend voor vervoerskosten in de leefsituatie van een klant, dan geldt er geen eigen bijdrage voor de vergoeding in de leefsituatie. Op de kilometers die de klant in de leefsituatie rijdt, worden in dat geval de in het normbedrag C26-I en C26-II genoemde bedragen niet van de kilometervergoeding afgetrokken.
3.5. Reiskosten begeleider
Is een klant niet in staat om zelfstandig te reizen, dan kan hij zich laten vergezellen door een begeleider. UWV verstrekt in dat geval jaarlijks een vaste vergoeding ter dekking van de reiskosten van de begeleider. Deze vaste vergoeding is opgenomen onder normbedrag C71.
Hoofdstuk 4. Intermediaire activiteiten als onderwijs- en werkvoorziening
Dit hoofdstuk bevat uitsluitend de bepalingen met betrekking tot de intermediaire activiteiten in het onderwijs- en werkdomein. De voorwaarden voor het leefdomein zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.
4.1. Intermediaire activiteiten
Intermediaire activiteiten zijn activiteiten die zijn gericht op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende lichaamsfunctie. De lichaamsfunctie moet verband houden met de visuele, auditieve of motorische mogelijkheden van de betrokkene, en de activiteiten moeten bestaan uit diensten die door een persoon worden verricht.
De dienstverlening bevordert de lichaamsfuncties en/of de waarnemingsvaardigheden van een klant die doof én blind of doof én zeer slechtziend is. Voorbeelden van intermediaire activiteiten zijn de tolkvoorziening en de voorleeshulp. Voor alle intermediaire activiteiten – met uitzondering van de tolkvoorziening – geldt dat deze niet behoren tot de gebruikelijke werkzaamheden van de persoon die de dienstverlening verricht.
Op grond van deze omschrijving vallen buiten het begrip ‘intermediaire activiteiten’:
• Hulpmiddelen en trainingen voor het gebruik van door UWV verstrekte voorzieningen: deze kunnen als onderdeel van de betreffende voorziening worden vergoed;
• Activiteiten inzake meer algemeen gerichte begeleiding bij arbeid: deze kunnen mogelijk in de vorm van een jobcoach worden vergoed:
• Trainingen om een werkgever, de collega’s en de gehandicapte medewerker aan elkaar te laten wennen;
• Algemeen gebruikelijke secretariële en facilitaire ondersteuning;
• Dienstverrichting door dieren zoals blinde geleidehonden;
• Mechanische en elektronische hulpmiddelen: indien aan de voorwaarden wordt voldaan, kunnen deze als meeneembare voorziening worden verstrekt.
De vergoeding voor intermediaire dienstverleners visueel gehandicapten en motorisch gehandicapten is opgenomen in normbedragen E17-III en E17-A3.
4.2. Tolkvoorziening in het werk- en onderwijsdomein
Aan klanten met een auditieve beperking kan UWV een tolkvoorziening toe kennen. UWV onderscheidt o.a. de volgende type tolken:
De klant bepaalt zelf welk type tolk hij inzet.
4.2.1. Omvang tolkuren
• Werksituatie
UWV kent aan klanten, die ondersteuning nodig hebben van een tolk bij de uitoefening van hun werkzaamheden in dienstbetrekking per kalenderjaar maximaal 15% van het aantal te werken uren toe aan tolkuren. UWV kan van dit percentage afwijken als de toepassing van de 15% norm leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de klant (zie artikel 7 lid 2 en 3 van het Reïntegratiebesluit).
Is een klant werkzaam op een meerjarige arbeidsovereenkomst of elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever? Dan kunnen niet gebruikte tolkuren in enig kalenderjaar niet meegenomen worden naar een volgend kalenderjaar. UWV geeft de klant bij de start van elk kalenderjaar inzicht in het aantal beschikbare tolkuren voor dat kalenderjaar.
• Onderwijssituatie
Als de leerling een meerjarige opleiding volgt, dan geeft UWV de leerling bij de start van elk leerjaar inzicht in het aantal tolkuren voor dat betreffende leerjaar. UWV stelt voor alle onderwijstypen (met uitzondering van het middelbaar beroepsonderwijs) per leerjaar 1000 tolkuren beschikbaar. Voor het middelbaar beroepsonderwijs stelt UWV 1600 tolkuren per leerjaar beschikbaar omdat hier sprake is van het lopen van stages. Mocht de individuele situatie van de leerling daarom vragen, dan kan UWV – na een gemotiveerde aanvraag daartoe van de leerling – van dit aantal uren afwijken. Individueel maatwerk blijft hierdoor mogelijk. UWV vergoedt de volgende tolkactiviteiten ten laste van deze tolkuren:
UWV vergoedt geen tolkuren als de lesuren waarvoor de voorziening is aangevraagd, betrekking hebben op incidenteel of aanvullend onderwijs bij een instelling voor regulier onderwijs door een leerling die staat ingeschreven bij een instelling voor speciaal onderwijs.
4.2.2. (minimaal) te tolken tijd en uurtarief
4.2.2.1. (minimaal) te tolken tijd
UWV vergoedt de inzet van een tolk slechts over de tijd waarin de gevraagde dienstverlening heeft plaatsgevonden, afgerond op een heel kwartier. Hierbij geldt als minimale inzet:
Als afrondingsregel geldt:
– In onderwijssituaties: het lesuur. Hieronder wordt verstaan de op de desbetreffende onderwijsinstelling geldende (vaak korter dan een klokuur durende) lengte van de leseenheid;
– De declaratie van lestijd over één etmaal in één onderwijsinstelling mag over het totaal naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele kwartier;
– In alle overige situaties: per tolkopdracht naar boven op het eerstvolgende hele kwartier.
Deze minimale eis geldt per getolkte tijd, per opdracht en per locatie in een etmaal.
Pauzes van de klant in de werk- en onderwijssituatie
Als een klant gebruik maakt van de diensten van een tolk tijdens zijn pauze, om bijv. zijn sociale contacten ten behoeve van het werk of het volgen van onderwijs te onderhouden en te bevorderen, dan kan de tolk deze tijd als getolkte tijd declareren.
Als een leerling een tussenuur of een studie-uur heeft in het onderwijs, dan kunnen eventuele tolkactiviteiten niet worden gedeclareerd. Het gaat hier om vooraf ingeroosterde uren. Valt er een lesuur uit, dan gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 4.2.6.
4.2.2.2. Uurtarief tolken
Uurtarief tolken
UWV hanteert een vast uurtarief voor de vergoeding van de tolk, dat is gebaseerd op het normbedrag E17-I. UWV vergoedt naast dit uurtarief geen afzonderlijke kosten, tenzij dit in dit Protocol anders is bepaald.
Voor inzet van een tolk tussen 08:00 en 18:00 uur geldt een vergoedingspercentage van 100% van het normbedrag in de werksituatie. Dit is het basis uitgangspunt voor vergoeding van het uurtarief.
Afwijkende percentage normbedrag onderwijssituatie
In de onderwijssituatie is het vergoedingspercentage voor inzet van een tolk tussen 08:00 en 18:00 afhankelijk van het type onderwijs:
a. in wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs:
|
105% van het normbedrag
|
b. in het middelbaar (beroeps) onderwijs:
|
100% van het normbedrag
|
c. in het lager onderwijs:
|
95% van het normbedrag
|
UWV hanteert, in overleg met het Ministerie OCW, afwijkende vergoedingspercentages omdat de intensiteit van de tolkopdracht per type onderwijs verschilt. De idee is dat bij het lager onderwijs de intensiteit lager is dan bij het middelbaar- en hoger beroeps/wetenschappelijk onderwijs.
4.2.3. Opslag voor tolkopdrachten in Nederland in verband met buitengewone werktijden
Voor tolkopdrachten binnen Nederland wordt in geval van de hieronder vermelde buitengewone werktijden van de tolk de uurvergoeding verhoogd. De navolgende tabel bevat de totaalpercentages van de uurvergoeding:
Maandag t/m vrijdag:
|
00.00 uur tot 6.00 uur:
|
140%
|
|
6.00 uur tot 8.00 uur:
|
120%
|
|
18.00 uur tot 22.00 uur:
|
120%
|
|
22.00 uur tot 24.00 uur:
|
140%
|
|
|
|
Zaterdag: 0.00 uur tot 6.00 uur: 140%
|
|
|
|
6.00 uur tot 22.00 uur:
|
130%
|
|
22.00 uur tot 24.00 uur:
|
140%
|
|
|
|
Zondag/feestdag:
|
0.00 uur tot 24.00 uur:
|
145%
|
Voor de opslagpercentages is aansluiting gezocht bij de cao Welzijn.
UWV volgt de maatschappelijke ontwikkelingen bij de bepaling of er sprake is van een feestdag.
Buitenland
De hiervoor genoemde opslagpercentages gelden alleen als de tolk in Nederland zijn diensten verleent. Tolkt een tolk voor een klant tijdens diens verblijf in het buitenland, dan geldt er geen opslagpercentage. UWV vergoedt slechts 100% van het normbedrag, ongeacht het tijdstip waarop is getolkt.
4.2.4. Reisvergoeding
UWV verstrekt een reisvergoeding aan de tolk en de intermediaire dienstverleners op basis van het aantal werkelijk gereisde kilometers, rekening houdend met het in paragraaf 2.6. bepaalde. Aanvullende voorwaarden bij de verstrekking van de reisvergoeding zijn:
– Het adres van de bedrijfsvestiging van de tolk of intermediaire dienstverlener en het adres waar de werkzaamheden worden verricht verschillen minimaal één cijfer of letter in de postcode;
– UWV vergoedt maximaal 110 kilometer per enkele reis.
Voor klanten die naast een ernstige auditieve handicap ook een ernstige visuele handicap hebben, kan tot op zekere hoogte het maximaal aantal kilometers dat de tolk ten behoeve van de
klant rijdt, worden overschreden. Het gaat om klanten die doof én blind of doof én zeer slechtziend zijn. UWV bepaalt op basis van de omstandigheden of de meerdere gedeclareerde kilometers redelijk zijn. De tolk mag ten behoeve van de klant tegen de geldende normvergoeding omrijden om de klant op te halen en/of terug naar huis te brengen. Dit onder voorwaarde dat de klant zelf om deze dienstverlening vraagt.
4.2.5. Bijzondere situaties
In deze paragraaf wordt ingegaan op een aantal bijzondere situaties bij de inzet van tolken. Deze situaties zijn alleen van toepassing op de inzet van een tolkvoorziening, dus niet op de overige intermediaire activiteiten.
Tolken in het buitenland
UWV wil bevorderen dat er voor een tijdelijk verblijf in het buitenland zoveel als mogelijk van ter plaatse beschikbare dienstverlening gebruik wordt gemaakt. Hiervoor kan een vergoeding worden verstrekt ten behoeve van een tolk ter plaatse. Hierbij wordt rekening gehouden met de bepalingen in dit besluit. UWV geeft daarom geen vergoeding voor door de tolk te maken reis- en verblijfskosten in en naar het buitenland.
Groepsgewijze inzet van tolken in het buitenland
In de situatie dat er sprake is van een tolk die voor een groep tolkgebruikers activiteiten verricht in het buitenland (zgn. Madridmodel), dient de klant voorafgaand toestemming aan UWV te vragen. Deze aanvraag dient uiterlijk 3 weken voordat de activiteit plaatsvindt door UWV te zijn ontvangen.
Bij een groepsgewijze toepassing van de tolkvoorziening in het buitenland kan UWV afwijken van het normbedrag E17-I. UWV zal op basis van maatwerk een passende vergoeding aan de tolk toekennen. Dit geldt ook voor de werkelijk gemaakte reis- en verblijfkosten.
Dit betreft een afwijking van de hoofdregel dat UWV geen vergoeding geeft voor de door te tolk gemaakte reis- en verblijfskosten in en naar het buitenland.
Aan een bemiddelaar kan worden verzocht om, op basis van de samenstelling van de groep, een aantal tolken van het benodigde type vast te stellen.
Voor groepsgewijze tolkdiensten in het buitenland geldt:
– Per dag wordt voor iedere tolk een vergoeding verstrekt voor het daadwerkelijk benodigde aantal tolkuren, met een maximum van acht;
– Reis- en verblijfskosten van de tolk worden vergoed, waarbij als uitgangspunt geldt de werkelijke reis- en verblijfskosten, op basis van een groepsarrangement.
Teamtolk
Er is sprake van een teamtolk als minimaal twee tolken tegelijkertijd voor een klant tolkactiviteiten verrichten. Een klant kan binnen het aan hem aantal toegekende uren naar eigen inzicht gebruik maken van een teamtolk. Een klant kan zowel een teamtolk in Nederland als in het buitenland inzetten. Een teamtolk kan door een klant onder de volgende voorwaarden worden ingezet:
– De opdrachtduur is langer dan een klokuur;
– Van te voren staat vast dat gedurende de opdracht geen pauzes van de tolk(en) mogelijk zijn;
– Van te voren staat vast dat het achtereenvolgens inzetten van verschillende tolken niet mogelijk is.
Zet een klant een teamtolk in, dan ontvangt elk van de tolken een vergoeding conform normbedrag E17-I en de daarbij geldende uitgangspunten.
Tolk op afstand
Van een tolk op afstand is er sprake als de tolk zich niet op dezelfde locatie als de klant bevindt. Is er sprake van inzet van een tolk op afstand, dan kan de tolk het volgende declareren: normbedrag E17-I, vermeerderd met
Het is niet toegestaan beide aanvullingen op het normbedrag E17-I te declareren.
4.2.6. Annulering van tolkopdrachten
UWV vergoedt onder bepaalde voorwaarden de annulering van de door de klant bestelde tolkopdrachten. De annuleringsregels zijn als volgt:
Annulering door de klant:
– 0% vergoeding als de annulering plaatsvindt meer dan 24 uur voor dat de tolkopdracht zou plaatsvinden;
– Een vergoeding van 50% van het normbedrag als de opdracht binnen 24 uur voor het afgesproken tijdstip van uitvoering van de tolkopdracht is geannuleerd.
Annulering door de tolk:
UWV trekt de door de klant geannuleerde tolkuren af van het aan de klant toegekende aantal uren. Daarnaast verstrekt UWV – tenzij er sprake is van een annulering ter plaatse – geen reisvergoeding aan de tolk. Dit geldt ook in het geval de annulering de tolk niet of niet tijdig heeft bereikt.
Getolkte tijd is korter dan de oorspronkelijke tijdsduur
Als blijkt dat de getolkte tijd korter is dan de oorspronkelijke tijdsduur, zoals deze door de klant is aangevraagd, dan merkt UWV dit verschil als geannuleerde tijd aan. Het verschil dient tenminste 15 minuten te zijn. Immers UWV rondt de tijd af op een heel kwartier naar boven.
UWV zal niet meer vergoeden dan de oorspronkelijk overeengekomen duur van de tolkopdracht, bij een opdracht die korter blijkt dan de oorspronkelijke tijdsduur.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat de tolk ook de reisvergoeding kan declareren.
Annulering ter plaatse
In het geval de tolkopdracht door de klant wordt geannuleerd op het moment dat de tolk de plaats van bestemming al heeft bereikt, vergoedt UWV 50% van het aantal afgesproken tolkuren. Daarnaast kan de tolk een reisvergoeding declareren.
4.2.7. Bemiddelingskosten
UWV kan de kosten voor bemiddeling bij het vinden van een tolk, die de diensten gaat verrichten, vergoeden als:
• Het om dienstverlening gaat, die door een tolk wordt uitgevoerd of
• De noodzaak van de bemiddeling naar het oordeel van UWV is aangetoond.
De achterwachtregeling
De achterwachtregeling zorgt er voor dat een klant in bijzondere situaties over een tolk kan beschikken. Meestal gaat het om de inzet van een tolk op ongewone en niet voorzienbare tijdstippen of in ongewone situaties. Is een tolk nodig, dan kan een tolkbemiddelaar deze voor de klant beschikbaar stellen. UWV heeft hiervoor een contract met een tolkbemiddelaar gesloten.
De tolk die de tolkactiviteiten verricht kan zijn uren declareren conform de in dit hoofdstuk gestelde uitgangspunten.
Hoofdstuk 5. Computervoorziening
Onder een computervoorziening verstaat UWV de verstrekking van zowel een computer als de eventuele aanpassingen hierop. Onder een computer verstaat UWV een desktop, een laptop of tablet.
Een computervoorziening betreft niet enkel en uitsluitend de verstrekking van de computer, maar als dit nodig is, kan UWV ook aanpassingen aan de computer vergoeden. Afhankelijk van de situatie van de klant bepaalt UWV de inhoud van de computervoorziening.
Voor het verstrekken van een computer (desktop, laptop of tablet) geldt een normbedrag, te weten normbedrag G22-I. Dit betreft het maximumbedrag voor de eenvoudige computer voor de lees-en schrijffunctie.
5.1. De computer in de werksituatie
In de werksituatie beschouwt UWV het hebben van een computer als algemeen gebruikelijk. Deze komt dan ook niet voor verstrekking door UWV in aanmerking. Wel kan UWV, als dit nodig is ter compensatie van de structurele functionele beperking, als computervoorziening eventuele aanpassingen aan een computer vergoeden.
5.2. De computer in de onderwijssituatie
In de onderwijssituatie wordt het gebruik van een computer – afhankelijk van het type onderwijs – door UWV als algemeen gebruikelijk beschouwd. Als dat zo is, dan verstrekt UWV geen computer. Wel kan UWV, als dit nodig is ter compensatie van de structurele beperkingen, wel eventuele aanpassingen aan de computer vergoeden. Hierna is uitgelegd wanneer een computer als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.
5.2.1. Wanneer is de computer in de onderwijssituatie algemeen gebruikelijk?
Gaat het om een leerling in:
• het voortgezet onderwijs: klassen Havo 5 en VWO 5 en 6;
• ROC/MBO;
• HBO Bachelor en Master;
• WO Bachelor en Master;
• Of als het gaat om onderwijs waar het hebben van een eigen computer is opgenomen in de school- of studiegids (ook wel bekend als laptopklas).
dan wordt de computer als algemeen gebruikelijk gezien. Deze komt dan ook niet voor verstrekking door UWV in aanmerking. Wel kan UWV, als dit nodig is ter compensatie van de structurele functionele beperking, als computervoorziening eventuele aanpassingen aan een computer vergoeden.
Overgangsregeling
De overgangsregeling is van toepassing op leerlingen in het basisonderwijs (groep 1 t/m 8) en voortgezet onderwijs (klas 1 t/m 4) en die in de beschikking hebben over een door UWV verstrekte computer. Als zij onderwijs volgen op een school die heeft voorgeschreven dat zij de beschikking moeten hebben over een eigen computer, dan wordt slechts aan de 1e vervangingsvraag, op of na 21 april 2018, de datum waarop het Protocol Voorzieningen UWV 2018 van toepassing is, voldaan. Op een 2e vervangingsvraag zal UWV geen computer (meer) verstrekken.
Eenzelfde handelwijze geldt ook voor leerlingen die onderwijs volgen op een ROC/MBO in niveau 1 en 2. Voor hen gaat gelden dat een computer als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. Gaat het om een 1e vervangingsvraag, op of na 21 april 2018, de datum waarop Protocol Voorzieningen UWV 2018 van toepassing is, dan verstrekt UWV deze nog. Op een 2e vervangingsvraag zal UWV geen computer meer verstrekken.
5.2.2. Wanneer is de computer in de onderwijssituatie niet algemeen gebruikelijk?
Gaat het om een leerling in:
dan wordt een computer niet als algemeen gebruikelijk gezien. Hierop geldt in een bepaalde situatie een uitzondering: zie par. 5.2.1, 5e bullit)
In deze situatie kan UWV zowel de computer zelf als eventuele aanpassingen verstrekken.
5.3. Computervoorziening ter ondersteuning van de beperkingen van de leerling
De bevoegdheid van UWV inzake het vergoeden van computervoorzieningen is op twee verschillende situaties gericht. De meest algemene situatie is de computer (desktop, laptop of tablet) zonder aanpassingen die alleen is gericht op de versterking van de lees- en schrijffunctie van de gehandicapte leerling. In deze situatie is de computer in bepaalde typen onderwijs, in sterke mate algemeen gebruikelijk geworden (zie paragraaf 5.2). Daarnaast is UWV ook bevoegd tot het verstrekken van computers die zijn toegerust met specifieke aanpassingen voor leerlingen met een lichamelijke en/of visuele handicap. Hierin heeft UWV een aanvullende bevoegdheid op de taak van de zorgverzekeraars
Samenvattend zet UWV in de onderwijssituatie de computervoorziening in om:
UWV heeft in de onderwijssituatie slechts een aanvullende bevoegdheid op de taak die een zorgverzekeraar heeft.
De leerling die in aanmerking kan komen voor een computervoorziening kent derhalve een:
– Visuele beperking (bijv. blind, slechtziend);
– Motorische beperking (kan bijv. geen gebruik maken van algemeen gebruikelijke schrijfmiddelen zoals pen en papier);
– Auditieve beperking (bijv. doof of slechthorend); of
– Is langdurig ziek. Van langdurige ziekte is sprake indien de ziekte naar verwachting ten minste drie maanden zal duren. Ten aanzien van langdurig zieke kinderen wordt als aanvullende voorwaarde gesteld, dat deze leerlingen zodanig bedlegerig zijn dat zij niet in staat zijn met een zekere regelmaat de school te bezoeken.
Voorwaarde is wel dat de leerling staat ingeschreven bij een instelling voor regulier onderwijs. Onder regulier onderwijs wordt verstaan:
5.3.1. Situaties waarin UWV gelet op de aard van de beperkingen van de leerling geen computer(voorziening) verstrekt
De verstrekking van een computervoorziening heeft tot doel om een oplossing te bieden voor het lees- of schrijfprobleem van een leerling. Gelet op deze doelstelling verstrekt UWV dan ook géén computervoorziening aan bijvoorbeeld:
a. de leerling die alleen cognitieve beperkingen heeft;
b. de enige diagnose van de leerling dyslexie is;
c. aan een leerling die is ingeschreven bij een onderwijsinstelling die valt onder de Wet op de expertisecentra en die een computervoorziening nodig heeft voor het maken van huiswerk in de thuissituatie.
Ad a.
Een leerling met een cognitieve beperking zal in de regel in staat zijn wel gebruik te kunnen maken van algemeen gebruikelijke schrijfmiddelen. Zijn behoefte aan een computervoorziening zal veel meer gelegen zijn in het oefenen met onderwijsmiddelen. Hiervoor ligt de verantwoordelijkheid bij de school.
Ad. b.
Is een leerling uitsluitend bekend met dyslexie, daarvan heeft het Ministerie van OCW bepaald dat deze zijn uitgesloten van een computervoorziening. Spelen er meer factoren mee die de ondersteuning door een computervoorziening rechtvaardigen: in dat geval kan UWV wel een voorziening verstrekken.
Ad. c.
Gaat het om een leerling die is ingeschreven bij een onderwijsinstelling die valt onder de Wet op de Expertisecentra (speciaal onderwijs), dan verstrekt UWV ook geen computervoorziening. Het gaat hier om de clusterscholen 1, 2, 3 en 4 voor respectievelijk leerlingen met een visuele, auditieve, motorische of cognitieve beperking of leerlingen met ernstige gedragsstoornissen en/of psychiatrische problematiek. Aan leerlingen van het speciaal onderwijs worden door UWV geen voorzieningen verstrekt. Daarnaast verstrekt UWV geen computervoorziening voor het maken van huiswerk omdat UWV deze als algemeen gebruikelijk beschouwt. Uitgangspunt hierbij is dat in Nederland nagenoeg ieder huishouden de beschikking heeft over tenminste één computer. Zijn hierop aanpassingen nodig, dan kan de zorgverzekeraar deze vergoeden.
5.4. Vorm en duur van de computervoorziening
UWV verstrekt de computervoorziening uitsluitend in natura. Aan een leerling kan uitsluitend één type computer per verstrekkingsperiode worden toegekend.
De kosten van reguliere soft- en hardware om de leerling in staat te stellen gebruik te maken van de computer, vergoedt UWV niet. In de onderwijssituatie gaat het veelal om software die via speciale regelingen van of via de onderwijsinstelling kan worden betrokken. Evenmin vergoedt UWV de kosten voor instandhouding of verzekering van de computer.
De gemiddelde levensduur van een computervoorziening is bepaald op tenminste vier jaar. Is tussentijds vervanging nodig, dan houdt UWV met een eventuele vervangingsvraag rekening met deze levensduur.
Hoofdstuk 6. Startende zelfstandigen
Personen die naar het oordeel van UWV een structurele functionele beperking hebben en die arbeid als zelfstandige verrichten of gaan verrichten kunnen in het kader van de inschakeling en ondersteuning bij de arbeid als zelfstandige van UWV voorzieningen krijgen.
Voorzieningen worden alleen verstrekt in verband met een naar het oordeel van UWV aanwezige structurele functionele beperking die het gevolg is van een ziekte of handicap:
• die bij de arbeid als zelfstandige al aanwezig was of
• binnen drie jaar na de start als zelfstandige is ontstaan. Voorwaarde hiervoor is dat bij de aanvang van de zelfstandige arbeid al een eerste ziekte of handicap aanwezig was.
De aanwezigheid van structurele functionele beperkingen die tot een voorziening kunnen leiden moet vast staan op het moment van de start van de werkzaamheden als zelfstandige. Het is echter geen vereiste dat de startende zelfstandige de voorziening op dat moment al heeft aangevraagd.
6.1. Inkomensgrens voorzieningen
Er geldt een wettelijke inkomensgrens voor de verstrekking van voorzieningen aan startende zelfstandigen. Dit betreft het normbedrag Z1. Deze inkomensgrens gaat gelden vanaf het 4e kalenderjaar (loopt van 1 januari tot en met 31 december) na aanvang van de arbeid als zelfstandige.
De inkomensgrens Z1 geldt voor de meeneembare voorzieningen, de aanpassingen aan de bedrijfsruimte en de intermediaire activiteiten die door de startende zelfstandige worden aangevraagd. De inkomensgrens Z1 geldt niet voor het starterskrediet en de bijbehorende instrumenten.
Heeft een zelfstandige een vervoersvoorziening nodig, dan gelden de inkomensgrenzen C 20-I en C 20-III met uitzondering van o.a. aanpassingen en faciliteiten van een vervoermiddel of vervoersvoorzieningen die speciaal bestemd zijn voor personen met een ziekte of gebrek. Dit geldt ook voor de meerkosten die worden gemaakt voor de aanschaf en gebruik van een bijzonder type auto (bijv. bij aanschaf van een bestelbusuitvoering omdat de persoon zittend in een rolstoel vervoerd dient te worden).
Om te voorkomen dat een eenmalige piek in het inkomen van de pas gestarte zelfstandige tot een afwijzing of intrekking van voorzieningen leidt, middelt UWV de vastgestelde inkomens van de laatste drie jaren. Hiermee nivelleert UWV eenmalige uitschieters in het inkomen van de zelfstandige (artikel 15b lid 2 Reïntegratiebesluit).
6.2. Kosten begeleiding voor en na de start
De kosten van begeleiding voor en na de start als zelfstandige kunnen als voorziening in de zin van artikel 34a WIA worden vergoed. Deze vergoeding kan UWV verstrekken aan alle aanvragers in een zelfstandig beroep of die een bedrijf willen starten. Bovendien kan deze begeleiding worden verstrekt aan klanten, die bij UWV een aanvraag hebben ingediend voor een starterskrediet.
Begeleiding voor de start is in het bijzonder gericht op de voltooiing van het ondernemersplan, waarvoor de startende zelfstandige zelf een eerste aanzet moet leveren.
Begeleiding na de start is gericht op de versterking van de ondernemersvaardigheden bijvoorbeeld bij het opstellen van de jaarrekening, de BTW-afdracht en de belastingaangifte. Voor elk van beide vormen van begeleiding kan een vergoeding tot het maximale bedrag van normbedrag Z2 worden verstrekt.
Als voorwaarde voor deze begeleiding stelt UWV dat de startende zelfstandige niet tegelijkertijd in aanmerking is gebracht voor ondersteuning bij re-integratieactiviteiten.
6.3. Voorbereidingskrediet startende zelfstandige
Het voorbereidingskrediet is bestemd voor de bekostiging van marketing-, netwerk- en overige voorbereidingsactiviteiten van de startende zelfstandige. Het voorbereidingskrediet wordt, na toekenning van het eigenlijke starterskrediet, bij het bedrag van dit krediet opgeteld en dient op gelijke wijze en met hetzelfde rentepercentage te worden afgelost. In geval van afwijzing door UWV van de aanvraag starterskrediet behoeft het inmiddels verkregen bedrag van het voorbereidingskrediet niet te worden terugbetaald. UWV sluit hiermee aan op de uitvoeringspraktijk van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen.
De hoogte van het voorbereidingskrediet is opgenomen in normbedrag Z3.
Hoofdstuk 7. - SUBSIDIEREGELING WERKGEVER
7.1. Subsidie werkgever
UWV kan op aanvraag een werkgever in aanmerking brengen voor subsidie voor (de meerkosten) voor het realiseren van werkgeversvoorzieningen voor het in dienst nemen of in dienst houden van een klant met structureel functionele beperkingen. Met deze subsidie kan de werkgever een of meerdere arbeidsplaatsen en/of productie- en werkmethode aanpassen ten behoeve van klanten ter compensatie van hun structureel functionele beperking(en).
Voor het verstrekken van deze subsidie gelden dezelfde voorwaarden als de verstrekking van overige voorzieningen. Denk aan o.a. de doelgroep voor wie de voorziening bedoeld is en de beoordeling van de goedkoopste adequate oplossing (zie Hoofdstuk 2). De aanvullende voorwaarden voor deze subsidieverstrekking zijn opgenomen in artikel 36 WIA en de artikelen 9, 10 en 11 van het Reïntegratiebesluit. Hierna zijn de meest belangrijkste bepalingen voor het verlenen van deze subsidie uit de betreffende artikelen weergegeven.
a. Bepalingen op basis van artikel 36 WIA kan UWV subsidie verstrekken als:
– De werkgever met een individuele klant een dienstbetrekking aangaat voor een periode van tenminste 6 maanden dan wel waarmee – door elkaar opvolgende dienstbetrekkingen – een dienstbetrekking van ten minste zes maanden blijkt te bestaan;
– Het niet gaat om een dienstbetrekking in de zin van de Wsw. Het gaat hierbij zowel om een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 Wsw (beschut werken al dan niet op basis van detachering) als een dienstbetrekking in de zin van artikel 7 Wsw (begeleid werken in dienst van een reguliere werkgever met Wsw-subsidie);
– De kosten die de werkgever maakt of heeft gemaakt houden verband met werkgeversvoorzieningen.
b. Bepalingen op basis van de artikelen 9,10 en 11 van het Reïntegratiebesluit;
– De aanvraag bestaat uit een minimale set aan gegevens. Deze set aan gegevens zijn in het aanvraagformulier op uwv.nl verwerkt.
– Indien de kosten meer bedragen dan € 22.689,– dan wordt bij de bepaling van de hoogte van de subsidie rekening gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever bij de te treffen voorziening (artikel 10 lid 2 Reïntegratiebesluit). UWV sluit bij het vaststellen van dit bedrijfseconomisch voordeel aan bij de in het maatschappelijk verkeer aanvaarde bedrijfseconomische normen.
UWV beoordeelt de aanvraag van de werkgeversvoorziening op onder andere bovenstaande aspecten en weegt dus de bepalingen zoals opgenomen in Hoofdstuk 2 eveneens mee.
Tot slot wordt nog eens expliciet benoemd, dat UWV géén subsidie kan verstrekken voor een werkgeversvoorziening die behoort tot de Arbotaak van de werkgever. Voorzieningen die behoren tot de Arbotaak van de werkgever, zijn voorzieningen die inherent zijn aan de normale bedrijfsvoering op een bedrijf, ook al zou de aanschaf of gebruik samenhangen met een ziekte of gebrek.
Ook voorzieningen die als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken of algemeen gebruikelijk zijn geworden (in een bepaalde bedrijfstak) komen niet voor vergoeding in aanmerking. UWV maakt deze afweging bij zowel een aanvraag als bij een vervangingsvraag van een eerder gerealiseerde voorziening door werkgever. Dan weegt UWV mee – als de voorziening inmiddels als algemeen gebruikelijk is aan te merken – of er mogelijk sprake is van onderinvestering.
Gaat het om een aanpassing van een werkplek, dan kan UWV uitsluitend subsidie verstrekken als deze aanpassing verder gaat dan de normale Arbo-verantwoordelijkheid van de werkgever.
Alleen als aan de vereiste voorwaarden zijn voldaan, kent UWV de subsidie toe.
7.1.1. Herziening/intrekking van de subsidievaststelling
UWV herziet de beschikking tot subsidievaststelling of trekt deze in met terugwerkende kracht, indien (artikel 76 lid 2 WIA):
– Er feiten of omstandigheden zijn waarvan UWV bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn of
– Als de subsidievaststelling onjuist was en de werkgever dit wist of behoorde te weten of
– De werkgever na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
UWV vordert de subsidie die als gevolg van de beschikking waarbij de beschikking tot subsidievaststelling is herzien of ingetrokken teveel of ten onrechte is betaald van de werkgever terug (artikel 77 lid 1 WIA).
7.2. Generieke werkgeversvoorziening
7.2.1. Doel Generieke werkgeversvoorziening
Onder artikel 36 WIA kan UWV op aanvraag van de werkgever in de periode 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020, subsidie verstrekken om een Generieke werkgeversvoorziening te realiseren. Het gaat hier om een pilot. Deze pilot beoogt een bijdrage te leveren aan de doelstelling om meer stappen te zetten richting een inclusieve arbeidsmarkt. Voor het jaar 2020 zijn door het Ministerie SZW middelen vrijgemaakt om inclusiviteit op de arbeidsmarkt te bevorderen.
De subsidie die UWV op basis van artikel 36 WIA (zie paragraaf 7.1) kan verstrekken, beoogt het aangaan van dienstverbanden met klanten die bekend zijn met een structureel functionele beperking aantrekkelijker te maken. Deze werkgeversvoorzieningen worden verstrekt aan de hand van een individueel dienstverband voor een of meerdere klanten tezamen. De werkgever meldt bij zijn aanvraag dat hij die specifieke beoogde werknemer(s) in dienst neemt/zal nemen. De aanpassing wordt op de betreffende werknemer(s) afgestemd.
De pilot Generieke werkgeversvoorziening heeft tot doel het (meer) inclusief maken van de werkgelegenheid. De werkgever kan met behulp van de subsidie een of meerdere werkplekken en/of zijn bedrijfsproces aanpassen. Het is dan de bedoeling dat de werkgever meerdere werknemers – tegelijk of volgtijdelijk – in dienst neemt, die bekend zijn met dezelfde of een vergelijkbare structureel functionele beperking en die zijn aangewezen op de voorziening om te kunnen werken. Bij zijn aanvraag meldt de werkgever welke werknemer(s) hij beoogd in dienst te nemen die gebruik zal maken van de voorziening.
Met het toekennen van de subsidie Generieke werkgeversvoorziening verplicht de werkgever zich, om gedurende de pilotperiode (vanaf datum start in 2020 tot en met 31 december 2023) werknemers uit de beoogde doelgroep in dienst te hebben die zijn aangewezen op het gebruik van de voorziening. Zo worden arbeidsplekken toegankelijker gemaakt voor een groep personen van wie de verdiencapaciteit veelal nog onbenut blijft. Dit is een belangrijk verschil met de werkgeverssubsidie.
Omdat de subsidie voor een Generieke werkgeversvoorziening bedoeld is voor het te werkstellen van meerdere arbeidsbeperkte werknemers, kent UWV een verruimd afwegingskader met betrekking tot de te kiezen oplossing. UWV dient wettelijk gezien altijd uit te gaan van de goedkoopste adequate oplossing. Deze afweging zal onder deze pilot niet alleen op basis van één individu gemaakt worden, maar gerelateerd worden aan het aantal werknemers dat de werkgever in dienst neemt of heeft, die van de voorziening gebruik (gaan) maken en de gebruiksduur van de voorziening tijdens de pilotperiode van 2020 tot en met 2023. Met dit afwegingskader zullen naar verwachting (de meerkosten van) technologische innovaties eerder als de meest goedkoopste adequate oplossing aan te merken zijn.
In deze paragraaf zijn de voorwaarden waaronder UWV subsidie voor een Generieke werkgeversvoorziening kan verstrekken opgenomen. Als deze voorwaarden afwijken van de huidige wet- en regelgeving in artikel 36 WIA en het Reïntegratiebesluit dan wel de bepalingen in hoofdstuk 2 van dit Protocol dan wordt dit expliciet vermeld.
7.2.2. Looptijd pilot
De pilot kent een looptijd van 1 maart 2020 tot en met op 31 december 2023. De aanvraagperiode voor het verkrijgen van subsidie is 1 maart 2020 tot 31 december 2020. De verplichting tot het gebruik van de voorziening voor één of meerdere werknemers loopt vanaf datum realisatie van de voorziening in 2020 tot en met 31 december 2023.
De subsidie kan uitsluitend worden verleend voor Generieke werkgeversvoorzieningen die op of na 1 maart 2020 zullen worden gerealiseerd. Dit houdt in dat reeds gerealiseerde voorzieningen, die op de datum waarop dit Protocol Voorzieningen in gaat, al operationeel zijn, niet voor subsidiering in aanmerking komen. Wel kunnen eventuele aanpassingen – die op of na 1 maart 2020 plaatsvinden – aan deze reeds gerealiseerde voorzieningen voor subsidie in aanmerking komen. Deze aanvragen worden gezien als een aanvraag voor het realiseren van een nieuwe Generieke werkgeversvoorziening.
Monitoring
UWV zal gedurende gehele pilotperiode de werkgever monitoren om te beoordelen of aan de vereiste subsidievoorwaarden voor een Generieke werkgeversvoorziening is voldaan.
7.2.3. Doelgroep
De doelgroep voor wie een werkgever een Generieke werkgeversvoorziening kan realiseren is opgenomen in paragraaf 2.2.1. Aanvullend hierop eist UWV dat de klant in staat is; dan wel in staat wordt geacht om:
– tenminste 20% van het voor hem geldende wettelijk minimumloon per uur te verdienen (zonder inzet van loondispensatie dan wel loonkostensubsidie) én
– in staat is om minimaal 8 uur per week arbeid te kunnen verrichten.
7.2.4. Type en aard Generieke werkgeversvoorziening
De eisen die UWV aan de werkgeversvoorziening stelt, zijn in hoofdstuk 2 en paragraaf 7.1. weergegeven.
Als een werkgever een voorziening aanvraagt, beoordeelt UWV of deze voorziening de goedkoopste adequate oplossing is. UWV weegt hierbij de kosten af tegen de afgesproken duur van de pilot en het aantal klanten dat van deze voorziening gebruik zal maken.
Ten overvloede wordt opgemerkt, dat UWV geen Generieke werkgeversvoorzieningen verstrekt:
– die weliswaar bedrijfsmatig kunnen worden toegepast, maar waarvoor een vergoeding op grond van de ZVW mogelijk is, tenzij de voorziening vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie of vrijwel uitsluitend gebruikt kan worden in of voor de werksituatie;
– die voortvloeien uit de Arbo-verplichting van de werkgever en/of
– als een zogenaamde meeneembare voorziening aan de klant verstrekt dient te worden.
7.2.5. Eisen aan de individuele dienstbetrekking
Als een werkgever een klant in dienst neemt, dan stelt UWV de volgende (aanvullende) eisen aan het eerste individuele dienstverband:
– de dienstbetrekking wordt aangegaan voor de duur van tenminste 6 (opeenvolgende) maanden, zie onder paragraaf 7.1.1. én
– het aantal te werken uren tijdens deze dienstbetrekking bedraagt minimaal 8 uur per week én
– de klant is in staat om tenminste 20% van het wettelijk minimumloon te verdienen.
7.2.6. Proefplaatsing
Het is niet mogelijk om op een proefplaatsing een Generieke werkgeversvoorziening te realiseren.
7.2.7. Aanmeldvereisten aan en verplichtingen van werkgever
Om voor de subsidie Generieke werkgeversvoorziening in aanmerking te komen dient de werkgever aan te tonen/te verklaren dat er:
– Geen sprake is van een faillissement of liquidatie dan wel dat de werkzaamheden zijn gestaakt en/of dat er sprake is van surseance van betaling;
– Dat hij heeft voldaan aan zijn verplichtingen ten aanzien van de betaling van belastingen en sociale zekerheidsbijdragen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van het land waar hij is gevestigd of van Nederland;
– Het bedrijf is ingeschreven als rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel. Een buitenlands bedrijf dient door inschrijving in het nationale beroeps-/handelsregister een vergelijkbaar document aan inschrijving in de Kamer van Koophandel te overleggen;
– Hij de intentie heeft om de Generieke werkgeversvoorziening te treffen om werknemers met dezelfde of vergelijkbare structurele functionele beperking in dienst te nemen die van de voorziening gebruik zullen maken;
– Onderdeel van de aanvraag is dat de werkgever concrete afspraken heeft gemaakt om minimaal één werknemer in dienst te nemen, die gebruik zal maken van de voorziening.
Na toekennen van de subsidie heeft de werkgever de verplichting om:
– Direct tot realisatie van de Generieke werkgeversvoorziening over te gaan;
– UWV direct te informeren op het moment dat de Generieke werkgeversvoorziening (aantoonbaar) is gerealiseerd en daarmee operationeel is;
– Na realisatie van de Generieke werkgeversvoorziening – zich voor een met UWV af te spreken periode in te spannen dat de voorziening gedurende deze periode zal worden gebruikt door klanten uit de beoogde doelgroep (met wie gelijktijdig dan wel opeenvolgende dienstverbanden worden aangegaan);
– UWV onmiddellijk op de hoogte te stellen als er geen werknemers meer in dienst zijn of zullen zijn, die aangewezen zijn op het gebruik van de Generieke werkgeversvoorziening;
– Mee te werken aan bedrijfsbezoeken door UWV, waarbij monitoring en gebruik van de Generieke werkgeversvoorziening door klanten met een structureel functionele beperking centraal staat.
– UWV direct te informeren over al die aspecten met betrekking tot de bedrijfsvoering die evident relevant zijn voor het gebruik van de Generieke werkgeversvoorziening;
– Om eventueel samen met UWV te onderzoeken – als er geen klanten meer in dienst (zullen) zijn die zijn aangewezen op het gebruik van de Generieke werkgeversvoorziening. De verantwoordelijkheid voor de werving van klanten ligt bij de werkgever. Niettemin kan samen met UWV onderzocht worden hoe UWV vanuit zijn publieke arbeidsbemiddelingstaak de werkgever kan ondersteunen in de werving van potentiële kandidaten;
– Mee te werken aan de evaluatie van de subsidieregeling, waarbij gegevens worden verzameld en interviews met werkgevers worden afgenomen.
7.2.8. Hoogte van de subsidie
Uitsluitend Generieke werkgeversvoorzieningen waarvan de (meer)kosten een waarde hebben van tenminste € 22.689,– (inclusief BTW) komen voor subsidieverstrekking in aanmerking. Het maximum bedrag dat UWV aan subsidie kan toekennen bedraagt € 1.000.000,–. Bij de toekenning van het subsidiebedrag houdt UWV rekening met het (eventuele) bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever. UWV verstrekt subsidie voor zover het subsidieplafond van € 8 miljoen (inclusief uitvoeringskosten) nog niet is bereikt.
7.2.9. Vaststelingsbeschikking
Na de positieve beslissing op de aanvraag ontvangt de werkgever 100% van de door UWV vastgestelde bedrag aan subsidie. Wijkt UWV af van het door de werkgever aangevraagde subsidiebedrag, dan zal UWV in de vaststellingsbeschikking motiveren waarom van dit bedrag is afgeweken.
7.2.10. Aanvraag en aanvraagtermijn en beslistermijn
Werkgever maakt gebruik van een daartoe door UWV beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op uwv.nl. In de aanvraag geeft de werkgever aan met welke klant/klanten hij concreet afspraken heeft gemaakt om bij hem in dienst te treden en die van de voorziening gebruik zal/zullen maken.
UWV biedt werkgevers de mogelijkheid om in periode 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 een aanvraag voor subsidie Generieke werkgeversvoorziening in te dienen. De werkgever ontvangt dan nog in 2020 – bij een positieve beschikking en resterend budget – het subsidiebedrag. Voor het tijdvak 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 is maximaal € 8 miljoen aan subsidie (inclusief uitvoeringskosten voor UWV) beschikbaar.
UWV neemt op een tijdig én volledig ingediende aanvraag binnen maximaal 8 weken een beslissing. Zie in dit verband ook paragraaf 2.1.2.5.
7.2.11. Intrekking/herziening en terugvordering
Als de werkgever niet voldoet of niet blijft voldoen aan de aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn, dan herziet UWV de subsidievaststelling dan wel trekt UWV de subsidievaststelling in ten nadele van de werkgever. UWV vordert de subsidie die als gevolg van de gehele of gedeeltelijke intrekking van de subsidievaststelling teveel of ten onrechte is betaald van de werkgever terug (artikel 77 lid 1 WIA). Zie in dit verband ook onder paragraaf 7.1.
Aanvullend geldt het volgende:
UWV trekt de subsidievaststelling gedeeltelijk in als de werkgever niet tot (volledige) realisatie van de voorziening komt binnen een met UWV afgesproken termijn (realisatietermijn afhankelijk van type voorziening). UWV trekt de subsidievaststelling in ieder geval volledig in indien er niets is gerealiseerd.
– UWV trekt de subsidievaststelling volledig in als de werkgever direct na realisatie van de voorziening niet één of meerdere werknemers op de voorziening heeft werken die op het gebruik hiervan zijn aangewezen. Werkgever kan daarbij niet aantonen dat hij zich gehouden heeft aan zijn inspanningsverplichting. Op grond daarvan heeft de werkgever zich niet aan zijn verplichtingen voldaan.
– Indien UWV vaststelt dat geen van de werknemers met structureel functionele beperkingen die zijn aangewezen op gebruik van de Generieke werkgeversvoorziening werkzaam zijn met de voorziening na 1 jaar: UWV wijzigt de subsidievaststelling door de subsidie met 2/3e deel van het oorspronkelijk toegekende bedrag te verlagen. Werkgever kan daarbij niet aantonen dat hij zich gehouden heeft aan zijn inspanningsverplichting. Op grond daarvan heeft de werkgever zich niet aan zijn verplichtingen voldaan.
– Indien UWV vaststelt dat geen van de werknemers met structureel functionele beperkingen die zijn aangewezen op gebruik van de Generieke werkgeversvoorziening werkzaam zijn met de voorziening na 2 jaar: UWV wijzigt de subsidievaststelling door de subsidie met 1/3e deel van het oorspronkelijk toegekende bedrag te verlagen. Werkgever kan daarbij niet aantonen dat hij zich gehouden heeft aan zijn inspanningsverplichting. Op grond daarvan heeft de werkgever zich niet aan zijn verplichtingen voldaan.
– Aan het einde van de pilotperiode, of zoveel eerder als de werkgever met zijn bedrijfsactiviteiten (ten behoeve van werknemers met de beperking voor wie de voorziening is gerealiseerd) stopt, maakt UWV de balans op.
7.2.12. Randvoorwaarden en evaluatie
De pilot is beoogd een vervolg te krijgen met een tweede subsidiefase met onderzoek naar een verdergaande generieke vorm van voorziening. Aan de hand van monitoring en evaluatie moet de eerste fase van de pilot – te starten in 2020 – uiteindelijk voldoende onderbouwing bieden voor besluitvorming over structurele uitbreiding van Generieke werkgeversvoorzieningen UWV. Werkgevers worden verplicht om mee te werken aan deze evaluatie.
7.3. Overzicht van verschillen subsidie werkgever artikel 36 WIA en de Generieke werkgeversvoorziening
Dit overzicht bevat de meest bepalende verschillen tussen de nu geldende subsidie werkgever voor het realiseren van een werkgeversvoorziening en de subsidie voor het realiseren van een Generieke werkgeversvoorziening.
Aspect
|
Subsidie werkgever op basis van artikel 36 WIA
|
Subsidie Generieke werkgeversvoorziening
|
Relevante regelgeving
|
Bepalingen uit artikel 36 WIA en Reïntegratiebesluit van toepassing
|
idem
|
Klant
|
De voorziening is gericht op het in dienst nemen of houden van een of meerdere klanten met dezelfde of vergelijkbare beperkingen.
|
idem
|
De individuele klant/ de klanten is/zijn in beeld – de werkgever neemt de klant in dienst.
|
Idem.
|
Geen eisen m.b.t. loonwaarde en aantal te werken uren. Er wordt slechts gekeken naar proportionaliteit.
|
De klant is in staat om – zonder inzet van loondispensatie – tenminste 20% van het wettelijk minimumloon te verdienen en 8 uur per week te werken
|
Werkgever
|
Geen specifieke eisen aan de werkgever
|
Eisen aan werkgever m.b.t. solvabiliteit, inschrijving Kamer van Koophandel etc.
|
Doelgroep
|
UWV is verantwoordelijk voor de verstrekking van voorzieningen
|
idem
|
Goedkoopste adequate oplossing
|
UWV verstrekt altijd de goedkoopste adequate voorziening
|
Idem. Schaalvoordeel en gebruiksduur gedurende de pilot kan tot een verruimde afweging leiden
|
Aard- en nagelvast
|
Subsidie kan verstrekt worden als de voorziening in de aard van de zaak verenigd is met het bedrijf van werkgever
|
Idem
|
Gebruiksduur voorziening
|
Geen specifieke eisen
|
Gedurende de gehele pilotfase tot en met 31 december 2023
|
Datum realisatie voorziening
|
Terugwerkende kracht realisatie voorziening tot maximaal 1 jaar voor datum aanvraag gebeurd of moet nog gerealiseerd worden
|
Geen terugwerkende kracht.
Uitsluitend voorzieningen die na datum aanvraag zijn/worden gerealiseerd. Eerst mogelijke datum is 1 maart 2020, startdatum van de pilot
|
Aanvraagtermijn subsidie
|
Geen tijdslot
|
Tijdslot voor de duur van de pilot. Van 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020
|
Aanvraagvereisten
|
Conform artikel 9 van het Reïntegratiebesluit
|
Idem met aanvulling vanuit pilot
|
Duur en omvang dienstverband
|
Ten minste 6 maanden aaneengesloten of tenminste 6 maanden heeft geduurd
|
Idem, waarbij het minimaal aantal te werken uren 8 per week bedraagt en loonwaarde klant 20% wml.
|
Bevoorschotting
|
Nee
|
Nee
|
Subsidie
|
Minimaal subsidiebedrag van € 137,– (= drempelbedrag voorzieningen)
|
Minimaal subsidiebedrag van € 22.689,–
|
Geen maximaal subsidiebedrag
|
Maximaal subsidiebedrag € 1.000.000,–
|
Geen subsidieplafond, noch voor UWV noch per aanvraag
|
Subsidieplafond voor pilotperiode én subsidieplafond per aanvraag
|
Monitoring
|
Nee
|
Actieve monitoring door UWV
|