Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid

[Regeling vervalt per 01-09-2023.]
Geraadpleegd op 03-02-2023.
Geldend van 01-02-2023 t/m heden

Wet van 22 april 2020, houdende tijdelijke voorzieningen op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de uitbraak van COVID-19 (Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de uitbraak van COVID-19 wenselijk is enkele spoedeisende tijdelijke voorzieningen te treffen op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Paragraaf 2. Tijdelijke voorziening inzake mondelinge behandeling in burgerlijke en bestuursrechtelijke zaken

[Vervallen per 01-02-2023]

Artikel 2. (mondelinge behandeling in burgerlijke en bestuursrechtelijke gerechtelijke procedures)

  • 1 Indien in verband met de uitbraak van COVID-19 in burgerlijke en bestuursrechtelijke gerechtelijke procedures het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is, kan de mondelinge behandeling plaatsvinden door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.

Artikel 2a

Indien in verband met de uitbraak van COVID-19 in penitentiaire beklag- en beroepsprocedures het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is, kan het horen van de klager en de directeur als bedoeld in de in de artikelen 64, eerste lid, 69, vijfde lid, 73, vierde lid van de Penitentiaire beginselenwet, de artikelen 61, eerste lid, 67, vijfde lid, 69, vierde lid van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de artikelen 69, eerste lid, 74, vijfde lid, en 78, vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen plaatsvinden door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.

Paragraaf 3. Tijdelijke afwijking geldigheidsduur deskundigenverklaring artikel 1:28a BW

[Vervallen per 01-02-2023]

Paragraaf 4. Tijdelijke afwijking diverse bepalingen Burgerlijke Wetboek, Boek 2 (rechtspersonen) en Boek 5 (verenigingen van eigenaars)

Artikel 15. (onbehoorlijke taakvervulling bestuur naamloze vennootschap)

In afwijking van artikel 138 lid 2 wordt een verzuim van de verplichting uit artikel 394 tot openbaarmaking van de jaarrekening die betrekking heeft op het meest recente afgesloten boekjaar niet in aanmerking genomen, indien dat te wijten is aan de gevolgen van de uitbraak van COVID-19.

Artikel 22. (onbehoorlijke taakvervulling bestuur besloten vennootschap)

In afwijking van artikel 248 lid 2 wordt een verzuim van de verplichting uit artikel 394 tot openbaarmaking van de jaarrekening die betrekking heeft op het meest recente afgesloten boekjaar niet in aanmerking genomen, indien dat te wijten is aan de gevolgen van de uitbraak van COVID-19.

Paragraaf 5. Tijdelijke voorziening inzake het verlijden van akten met behulp van audiovisuele hulpmiddelen

[Vervallen per 01-02-2023]

Paragraaf 6. Tijdelijke voorziening ten aanzien van strafzaken

[Vervallen per 01-02-2023]

Artikel 27. (horen of verhoren per telefoon)

  • 2 Tenzij sprake is van uiterste noodzaak, is het eerste lid niet van toepassing:

    • a. ten aanzien van de verdachte die wordt voorgeleid voor de rechter-commissaris in verband met de inbewaringstelling;

    • b. ten aanzien van de verdachte die wordt gehoord bij de behandeling van een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan.

Artikel 28. (mondelinge behandeling in strafzaken)

  • 1 Indien in strafzaken het houden van een fysieke zitting in verband met de uitbraak van COVID-19 niet mogelijk is, kan de mondelinge behandeling plaatsvinden door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een zitting indien het betreft:

    • a. de behandeling van een vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming of tot de verlenging daarvan; of

    • b. de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ter terechtzitting.

Paragraaf 8. Tijdelijke voorziening herstel verzuim in hoger beroep in vreemdelingenzaken

[Vervallen per 01-02-2023]

Paragraaf 9. Tijdelijke voorziening elektronische vergaderingen beroepsorganisaties

[Vervallen per 01-02-2023]

Paragraaf 11. Tijdelijke voorziening bestuursdwang Wet veiligheidsregio’s

[Vervallen per 01-02-2023]

Artikel 34. (Wet veiligheidsregio’s)

Indien de voorzitter van een veiligheidsregio op grond van artikel 39, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s toepassing heeft gegeven aan de onder b van dat artikellid genoemde artikelen uit de Gemeentewet, is hij tevens bevoegd toepassing te geven aan artikel 125 van de Gemeentewet voor zover de last dient tot handhaving van regels die hij in verband met die toepassing uitvoert.

Paragraaf 12. Slotbepalingen

Artikel 35. (inwerkingtreding en verval)

  • 1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld,

  • 2 In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat paragrafen, artikelen of onderdelen van deze wet, met uitzondering van de paragrafen 1, 6, 10 en 11 alsmede de artikelen 15 en 22, terugwerken tot en met 16 maart 2020.

  • 3 Deze wet vervalt op 1 september 2020. Het tijdstip waarop deze wet vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste twee maanden na het tijdstip ligt waarop de wet zou vervallen.

  • 4 De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan een week nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

  • 5 Bij koninklijk besluit kan voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen van deze wet een tijdstip worden aangewezen waarop deze paragrafen, artikelen of onderdelen vervallen, dat ligt vóór het tijdstip bedoeld in het derde lid.

  • 6 In afwijking van het derde lid:

    • a. vervallen de artikelen 15 en 22 met ingang van 1 september 2023;

    • b. vervallen de artikelen 33 en 34 met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid in verband met het verlengen van de geldingsduur van de voorzieningen in de artikelen 33 en 34. Het tijdstip waarop deze artikelen vervallen kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste twee maanden na het tijdstip ligt waarop deze artikelen zouden vervallen. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op dit koninklijk besluit.

Artikel 36. (citeertitel)

Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

’s-Gravenhage, 22 april 2020

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming,

S. Dekker

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

A. Broekers-Knol

Uitgegeven de vierentwintigste april 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven