Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid

[Regeling vervalt per 01-08-2022.]
Geldend van 13-10-2020 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2020, 2020-0000046630, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden (Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën;

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies en artikel 32d, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling

  • 2 Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.

Artikel 2. Inleidende bepaling

  • 2 Formulieren waarnaar in deze regeling wordt verwezen, worden door de Minister beschikbaar gesteld op www.uwv.nl.

  • 3 De werkgever die een wtv-aanvraag heeft ingediend en waarop voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling nog niet is beslist, wordt geacht een aanvraag om subsidie te hebben ingediend op grond van deze regeling.

Artikel 3. Doel van de subsidie

Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

Artikel 4. Voorwaarden voor subsidieverlening

De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020.

Artikel 5. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening geweigerd, indien of voor zover:

Artikel 6. Omzetdaling

  • 1 De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond.

  • 2 De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet, die is gerealiseerd in de periode tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie, gerekend vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf:

    • a. de aanvang van de bedrijfsuitoefening, indien sprake is van een werkgever waarvan de bedrijfsuitoefening na 1 januari 2019 is aangevangen; of

    • b. de overgang, indien de werkgever na 1 januari 2019 een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4 Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon, tenzij artikel 6a van toepassing is.

  • 5 Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het vierde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.

  • 6 Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.

  • 7 Het derde lid, onderdeel b, wordt toegepast, indien de werkgever daarom verzoekt bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 6a. Afwijking van bepalen omzetdaling op niveau concern of groep

  • 1 In afwijking van artikel 6, vijfde lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, die daarom bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie heeft verzocht, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. de rechtspersoon of vennootschap heeft geen bedrijfsmatige activiteiten die voor meer dan de helft bestaan uit het binnen de groep ter beschikking stellen van arbeidskrachten;

    • b. de werkgever handelt in overeenstemming met een overeenkomst, die door hem voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie wordt aangegaan, inclusief dagtekening, met de belanghebbende verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, en bij gebreke daarvan een andere vertegenwoordiging van werknemers, over werkbehoud. Bij werkmaatschappijen met minder dan 20 werknemers volstaat akkoord van een vertegenwoordiging van werknemers;

    • c. het groepshoofd, bedoeld in artikel 406, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, verklaart voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie dat over 2020 geen dividenden aan aandeelhouders of bonussen aan de Raad van Bestuur en directie van het concern en de rechtspersoon of vennootschap voor waarop dit artikel wordt toegepast, waaronder mede begrepen winstdelingen, zullen worden uitgekeerd of eigen aandelen zullen worden ingekocht door de rechtspersonen binnen de groep. Met dividend worden gelijkgesteld andere winstuitkeringen aan derden buiten de groep. Indien de rechtspersoon, natuurlijke persoon of groep verplicht is op grond van een vaststellingsverklaring met de Belastingdienst of een wettelijke plicht om dividend uit te keren dan blijft dit toegestaan voor het gedeelte waarover de plicht geldt;

    • d. de andere rechtspersonen of vennootschappen binnen een groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, voeren geen opdrachten of projecten uit die ten koste kunnen gaan van de rechtspersoon of vennootschap waarvoor de omzetdaling met toepassing van dit artikel wordt bepaald; en

    • e. de omzetdaling van de groep, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, bedraagt minder dan 20%, in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c.

  • 2 Onverminderd artikel 3 heeft de subsidie die verstrekt wordt aan de werkgever, bedoeld in het eerste lid, ten doel om de werkgever tegemoet te komen in de loonkosten, voor zover door de groep geen winst of bonussen worden uitgekeerd of eigen aandelen worden aangekocht.

  • 3 Indien en voor zover werknemers van de rechtspersoon of vennootschap, waarvan de omzet met toepassing van het eerste lid wordt vastgesteld, in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, werkzaamheden verrichten bij een andere rechtspersoon of vennootschap, wordt de omzet van de rechtspersoon naar boven bijgesteld. Voor de berekening van de verhoging wordt de omzet over 2019 afgezet tegen de loonkosten over 2019. Deze verdeling wordt toegepast op de loonkosten zoals deze zijn ingezet bij de andere rechtspersoon of vennootschap en toegerekend aan de omzet over de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c.

  • 4 Bij toepassing van het eerste lid worden bij de berekening van de omzet:

    • a. dezelfde verrekenprijsregels en grondslagen van waardering en resultaatbepaling gehanteerd als in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening; en

    • b. mutaties in de voorraden gereed product toegerekend aan de omzet.

  • 6 Indien in strijd wordt gehandeld met het eerste lid, onderdeel e, of het derde lid, wordt voor de toepassing van dit artikel de omzet bijgesteld ten opzichte van de situatie waarin niet in strijd met die artikelen zou zijn gehandeld.

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:

    A x B x 3 x 1,3 x 0,9

    Hierbij staat:

    A voor het percentage van de omzetdaling;

    B voor de constante B*, zoals berekend op grond van artikel 10, met dien verstande dat:

    • a. de loonsom wordt verminderd met de werkloosheidsuitkeringen die het UWV over het gehanteerde aangiftetijdvak aan de werkgever heeft uitbetaald, voor zover die uitkeringen in de loonsom zijn inbegrepen;

    • b. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;

    • c. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;

    • d. de loonsom wordt verminderd met een extra periode salaris dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid van artikel 10. Onder extra periode salaris wordt verstaan extra loon dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald naar aanleiding van afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, en dat niet afhankelijk is van bedrijfsresultaten of kwalitatieve of kwantitatieve prestaties van de werknemer; en

    • e. de maximering van het loon per werknemer tot € 9.538 per tijdvak van een maand, bedoeld in artikel 10, plaatsvindt na toepassing van de onderdelen a tot en met d.

  • 2 Indien de loonsom bedoeld onder de constante C lager is dan driemaal de loonsom als bedoeld onder de constante B in het eerste lid, wordt de subsidie verlaagd met:

    (B x 3 – C) x 1,3 x 0,9

    Hierbij staat:

    B voor de constante B, zoals berekend op grond van het eerste lid;

    C voor de loonsom over de periode 1 maart tot en met 31 mei 2020, met dien verstande dat het bepaalde onder het eerste lid, constante B, van overeenkomstige toepassing is, waarbij het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per aangiftetijdvak van een maand en de gehanteerde aangiftetijdvakken het derde tot en met het vijfde aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn.

  • 3 Indien er sprake is van een werkgever die per vier weken aangifte doet voor de loonheffingen, wordt de loonsom, bedoeld in het tweede lid, constante C, verhoogd met 8,33 procent. Artikel 10, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de constante C worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 19 juli 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Indien de loonaangifte na laatstgenoemde datum naar beneden wordt bijgesteld, kan de Minister besluiten de gewijzigde loonaangifte in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de loonsom, bedoeld in het tweede lid, constante C.

  • 5 Indien de werkgever na 17 maart 2020 een verzoek om toestemming heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst van één of meer werknemers op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de subsidie verlaagd met:

    D x 1,5 x 3 x 1,3 x 0,9

    Hierbij staat D voor het loon dat de werknemers, bedoeld in de eerste zin, hebben ontvangen, berekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, constante B.

  • 6 Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover de werkgever het verzoek om toestemming heeft ingetrokken binnen vijf werkdagen:

    • a. na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, indien het verzoek om toestemming voor dat tijdstip is gedaan; of

    • b. nadat het verzoek is ingediend.

  • 7 Indien de loonsom, bedoeld onder de constante E, hoger is dan driemaal de loonsom als bedoeld onder de variabele B, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie verhoogd met:

    A x (E – B x 3) x 1,3 x 0,9

    Hierbij staat:

    A en B voor de variabelen A en B, bedoeld in het eerste lid;

    E voor de loonsom van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, met dien verstande dat:

    • a. het bepaalde onder het tweede lid, constante B, van overeenkomstige toepassing is, waarbij het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per aangiftetijdvak van een maand;

    • b. de gehanteerde aangiftetijdvakken het derde tot en met het vijfde aangiftetijdvak van het jaar 2020 zijn; en

    • c. de maximale hoogte van constante E driemaal de loonsom over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020 is.

  • 8 Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het zevende lid, constante E.

  • 9 In afwijking van het achtste lid worden de in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de maximale hoogte van constante E, met betrekking tot het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020 beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend en met betrekking tot het vierde en vijfde aangiftetijdvak van het jaar 2020 beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 19 juli 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op 15 mei 2020, respectievelijk 19 juli 2020 hebben plaatsgevonden.

Artikel 8. Aanvraag van de subsidieverlening

  • 1 De werkgever dient een subsidieaanvraag in door middel van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier.

  • 2 Een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 14 april 2020, of een eerder tijdstip, dat bekend gemaakt wordt via www.uwv.nl, tot en met 5 juni 2020.

  • 3 De werkgever kan eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag indienen.

  • 4 In de subsidieaanvraag wordt in ieder geval vermeld:

    • a. indien de werkgever na 31 augustus 2019 een wtv-aanvraag heeft ingediend, het dossiernummer van de aanvraag;

    • b. de verwachte omzetdaling, uitgedrukt in hele procenten, afrondend naar boven;

    • c. in welke aaneengesloten periode van drie kalendermaanden binnen de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 de werkgever een omzetdaling verwacht;

    • d. het loonheffingennummer; en

    • e. het rekeningnummer waarop de werkgever betalingen van de Belastingdienst inzake loonheffingen ontvangt.

  • 5 Indien de werkgever onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, of indien de werkgever meerdere loonheffingennummers heeft, wordt hetzelfde percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, alsook eenzelfde periode voor de verwachte omzetdaling, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, voor alle rechtspersonen en vennootschappen binnen de groep respectievelijk de loonheffingennummers gehanteerd. In afwijking van de eerste zin hoeft voor de werkgever die onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, niet hetzelfde percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b te worden gehanteerd als het percentage dat voor de groep wordt gehanteerd, als de werkgever bij de aanvraag tot vaststelling verzoekt artikel 6a toe te passen.

  • 6 De werkgever, bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag om subsidie op grond van deze regeling binnen 4 weken aan te vullen, met de gegevens, bedoeld in het vierde lid.

  • 7 De subsidieaanvraag wordt elektronisch gedaan, tenzij op www.uwv.nl kenbaar wordt gemaakt dat een schriftelijke subsidieaanvraag ook mogelijk is.

  • 8 Indien het rekeningnummer, bedoeld in het vierde lid, onderdeel e, geen rekeningnummer betreft uit een land dat valt onder de EU-Verordening/260/2012, vult de werkgever op verzoek van de minister de aanvraag aan met een rekeningnummer uit een land dat valt onder die EU-verordening.

  • 9 Door het indienen van een aanvraag wordt de werkgever geacht ermee ingestemd te hebben dat de volgende gegevens uit het subsidiedossier openbaar gemaakt kunnen worden:

    • a. de naam en de vestigingsplaats van werkgever;

    • b. het verstrekte voorschot; en

    • c. de vastgestelde subsidie.

Artikel 9. Verlening van de subsidie

  • 1 De Minister besluit uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidieverlening.

  • 2 De subsidiebeschikking vermeldt in ieder geval:

    • a. de periode waarvoor de subsidie wordt verleend;

    • b. de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening en het voorschot;

    • c. de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, waaraan de werkgever moet voldoen; en

    • d. de termijn waarbinnen de vaststelling van de subsidie moet worden aangevraagd.

  • 3 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt niet het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld.

Artikel 10. Berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening

  • 1 De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van:

    A* x B* x 3 x 1,3 x 0,9

    Hierbij staat:

    A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling;

    B* voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538.

  • 2 Voor de loonsom, bedoeld in de omschrijving van de constante B*, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het eerste aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.

  • 3 Indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar 2019. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het twaalfde aangiftetijdvak van het jaar 2019, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.

  • 4 Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand.

  • 5 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van constante B*, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 maart 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

Artikel 11. Voorschot

  • 1 De Minister verstrekt de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot.

  • 2 De hoogte van het voorschot bedraagt 80% van het bedrag van de verlening, bedoeld in artikel 10.

  • 3 Het voorschot wordt betaald in ten hoogste drie termijnen.

Artikel 12. Opschorting van de betaling

Onverminderd artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht, schort de Minister de betaling van een voorschot als bedoeld in artikel 11 op, indien:

Artikel 13. Verplichtingen

  • 1 Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a. de werkgever is verplicht de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;

    • b. de werkgever doet na 17 maart 2020 geen verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend;

    • c. de werkgever is verplicht de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van de loonkosten;

    • d. de werkgever is verplicht de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden, of bij het ontbreken daarvan, de werknemers te informeren over de subsidieverlening;

    • e. de werkgever voert een zodanig controleerbare administratie dat alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en verleent desgevraagd tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie inzage in deze administratie;

    • f. de werkgever doet de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 op de voorgeschreven momenten;

    • g. de werkgever meldt onverwijld en schriftelijk aan de Minister indien zich andere omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie;

    • h. de werkgever overlegt na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c;

    • i. de werkgever werkt tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, of de ontwikkeling van het beleid van de Minister.

  • 2 De aanvraag van de vaststelling gaat vergezeld van een verklaring over de naleving van de subsidievoorwaarden, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep. Deze verklaring voldoet aan standaarden die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants zijn vastgesteld, met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen accountantsprotocol. Van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot dat is verstrekt aan die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, minder is dan € 100.000,–. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 125.000,– of meer, of indien de werkgever heeft verzocht om toepassing van artikel 6a.

  • 3 De werkgever die op grond van het tweede lid is vrijgesteld van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen, overlegt ten behoeve van de vaststelling van de subsidie het in de bijlage bij deze regeling opgenomen formulier met een verklaring van een deskundige derde waarmee de omzetdaling wordt bevestigd. De Minister wijst aan welke deskundige derden een verklaring kunnen afgeven. Van de verplichting om een verklaring van een deskundige derde te overleggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, dat verstrekt is minder dan € 20.000,– bedraagt. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een deskundige derde te overleggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 25.000,– of meer.

Artikel 14. Subsidievaststelling

  • 1 De werkgever vraagt de vaststelling van de subsidie na 6 oktober 2020 aan, binnen 24 weken na die datum, door middel van een door de Minister vast te stellen formulier. De termijn, bedoeld in de eerste zin, bedraagt 38 weken, indien de werkgever op grond van artikel 13, tweede lid, een verklaring van een accountant overlegt. Artikel 8, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De werkgever die bij de aanvraag van de vaststelling verzoekt om toepassing van artikel 6a verklaart dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6a en zendt een verklaring van een accountant mee waaruit dat blijkt.

  • 4 Indien aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6 een voorschot wordt verstrekt van € 100.000,– of meer, of indien de hoogte van de subsidie die wordt verstrekt € 125.000,– of meer bedraagt, vult de werkgever, die geen verklaring van een accountant heeft meegezonden, op verzoek van de minister de aanvraag binnen 14 weken aan met een verklaring van een accountant.

  • 5 De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien:

    • a. de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, minder dan 20% bedraagt;

    • b. de werkgever geen verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een verklaring van een deskundige derde als bedoeld in artikel 13, derde lid, verstrekt, tenzij hij daarvan op grond van artikel 13, tweede of derde lid, is vrijgesteld; of

    • c. de werkgever die verzocht heeft om toepassing van artikel 6a, niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 6a of indien in strijd is gehandeld met de verklaring, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onderdeel c.

  • 6 De Minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15. Terugvordering

Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, is voldaan.

Artikel 16. Wijziging subsidievaststelling

Onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Minister de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de werkgever wijzigen, indien de werkgever door zijn handelen of nalaten tijdens of na de periode waarover hij subsidie heeft ontvangen geacht wordt niet te hebben voldaan aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 3.

Artikel 17. Mandaat, volmacht en machtiging UWV en Inspectie SZW

  • 1 De Minister verleent aan de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling:

    • a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn;

    • b. te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en

    • c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.

  • 2 De Raad van Bestuur van het UWV is in het kader van de uitvoering van deze regeling bevoegd tot het verlenen van ondermandaat of het doorverlenen van zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden aan bij het UWV werkzame functionarissen.

  • 4 Onverminderd het eerste tot en met derde lid worden door de voorzitter van de raad van bestuur van het UWV onder hem ressorterende functionarissen, werkzaam bij het UWV, aangewezen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 13.

  • 5 Onverminderd het eerste tot en met derde lid kunnen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, worden aangewezen:

    • a. de door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende functionarissen, van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • b. de door de Directeur Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering aangewezen functionarissen werkzaam bij de Directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 18. Financiering

  • 1 Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling.

  • 2 Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 In verband met het middelenbeheer wordt de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

  • 4 De Minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onder b, van de Regeling Wfsv, na overleg met het UWV maandelijks een periodiek voorschot op de rijksbijdrage, bedoeld in het derde lid, van:

    • a. de door het UWV voorafgaand aan iedere maand geraamde subsidielasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en

    • b. de door het UWV voorafgaand aan iedere maand geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

  • 5 De Minister kan, na overleg met het UWV, van de in het vierde lid, onder a en b, bedoelde bedragen en data afwijken.

Artikel 19. Verslag UWV

  • 3 Op de in het tweede lid bedoelde subsidielasten komen in mindering de subsidies die op grond van artikel 15 zijn teruggevorderd en de bedragen die anderszins zijn terugbetaald.

Artikel 20. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt op 1 augustus 2022.

  • 3 In afwijking van het tweede lid blijft deze regeling, zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt, van toepassing op de afwikkeling van de subsidieaanvragen op grond van deze regeling.

  • 4 In afwijking van het tweede lid blijven de verplichtingen voor werkgevers aan wie op grond van deze regeling subsidie is verleend, op grond van artikel 13, eerste lid, onderdelen e en i, gelden na 1 augustus 2022, gedurende de in die onderdelen genoemde periode.

  • 5 In afwijking van het tweede lid blijft artikel 8, negende lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze regeling vervalt, van toepassing op openbaarmakingen van het subsidiedossier na de dag waarop deze regeling vervalt.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 31 maart 2020

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. Koolmees

Bijlage bij artikel 13, tweede lid, van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid

Accountantsprotocol

behorend bij de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid1 (NOW 1)

Dit accountantsprotocol is op maat gemaakt voor de subsidieregeling NOW 1, waarbij rekening is gehouden met de Schrijfwijzer accountantsprotocollen van de NBA en relevante bepalingen in de subsidieregeling. Er zal een apart accountantsprotocol komen voor de subsidieregeling NOW 2 en eventuele opvolgende regelingen

7 oktober 2020

Inhoudsopgave

Inhoud

Hoofdstuk 1 Uitgangspunten

2

1.1

Reikwijdte accountantsprotocol

2

1.2

Accountantsproducten

3

1.3

Procedures en termijnen

5

1.4

Reviewbeleid

5

1.5

Relevante wet- en regelgeving

6

Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak betreffende de aanvraag tot vaststelling

6

2.1

Reikwijdte onderzoek

6

 

2.1.1

Aanleiding

6

 

2.1.2

Uit te voeren werkzaamheden inzake de aanvraag tot vaststelling

6

 

2.1.3

Algemene vereisten inzake de uit te voeren werkzaamheden

7

2.2

Uitwerking netto-omzet

7

 

2.2.1

Werkzaamheden betreffende netto-omzet in de referentieperiode

8

 

2.2.2

Werkzaamheden betreffende netto omzet in de meetperiode en bepaling van de omzetdaling

10

2.3

Werkzaamheden betreffende specifieke aspecten van de loonsom

11

2.4

Werkzaamheden bij aanvragen op grond van artikel 6a (werkmaatschappij)

11

2.5

Werkzaamheden betreffende andere informatie

12

Hoofdstuk 3 Materialiteit

12

3.1

Aan assurance verwante opdracht

12

3.2

Assurance-opdracht

13

3.3

Overig

16

Hoofdstuk 4 Format en inhoud accountantsverklaring

16

Bijlage I Tabellen werkzaamheden

17

Deel A: Nadere toelichting tabellen voor aan assurance verwante opdrachten (kwadrant I)

17

Deel B: Nadere toelichting tabellen voor assurance-opdrachten (kwadranten II, III en IV en aanvragen op grond van artikel 6a)

23

Hoofdstuk 1. Uitgangspunten

1.1. Reikwijdte accountantsprotocol

Dit accountantsprotocol heeft betrekking op de subsidieregeling Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (Staatscourant nr. 2020, 19874, Staatscourant nr. 2020, 20561, Staatscourant nr. 2020, 25372, Staatscourant nr. 2020, 29256, Staatscourant nr 2020, 34308 en Staatscourant 2020, 50202), hierna: de regeling. De regeling, de toelichting hierop en overige van belang zijnde documenten zijn, evenals dit accountantsprotocol, te vinden op de website www.uwv.nl, op www.wetten.nl en op de website van Uitvoering van Beleid (UVB) www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Op de website van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA), www.nba.nl, en rijksoverheid.nl zijn frequently asked questions (FAQ’s) opgenomen die relevant zijn voor de accountant bij de praktische uitwerking van zijn werkzaamheden. Op de website van de NBA is tevens het accountantsprotocol opgenomen.

Met dit accountantsprotocol wordt beoogd om een efficiënte en effectieve uitvoering betreffende de werkzaamheden van de accountants inzake de informatie, opgenomen in de aanvraag tot vaststelling, te bevorderen.

In de regeling, artikel 13, tweede lid, is vastgelegd dat voor de subsidievaststelling een verklaring van een accountant (hierna omschreven als ‘accountantsverklaring’) vereist is indien het voorschotbedrag € 100.000 of meer bedraagt of het vast te stellen subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt. Om te bepalen of op grond van de regeling een accountantsverklaring is vereist dienen de verschillende aanvragen van de loonheffingennummers in de organisatie of in de groep bij elkaar opgeteld te worden. Voor werkgevers die aanvragen op grond van artikel 6a van de regeling is in alle gevallen een accountantsverklaring nodig.

In de aanwijzingen voor de subsidieverstrekking2 is opgenomen dat er bij subsidieregelingen in het algemeen een accountantsproduct wordt verlangd indien er sprake is van een subsidieverstrekking van € 125.000 of meer. Gangbaar is dat hierbij de subsidieverstrekker een controleverklaring (met een redelijke mate van zekerheid) verlangt. Bij dit accountantsprotocol voor NOW 1 is echter gekozen voor een gedifferentieerde aanpak. Hierbij is relevant dat de accountantswerkzaamheden bij de meeste subsidieregelingen zijn gericht op de juistheid en rechtmatigheid van verantwoorde kosten die de hoogte van de vast te stellen subsidie bepalen. De NOW-subsidie wijkt hiervan deels af. De hoogte van de NOW-subsidie is niet alleen afhankelijk van de betreffende kosten (in dit geval de gecorrigeerde loonsom), maar ook van de omzetdaling: de door de organisatie behaalde omzet gedurende een bepaalde meetperiode ten opzichte van de omzet in de referentieperiode.

De aanvragen voor de NOW worden ingediend op loonheffingennummer. In artikel 6 lid 5 van de regeling is aangegeven dat, ondanks dat aanvragen op loonheffingennummer moeten worden ingediend, er wel rekening moet worden gehouden indien aanvragers onderdeel uitmaken van een groep: Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. Als gevolg daarvan richt de accountant zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden in geval van een groep op de omzetdaling van de groep, zoals opgenomen in artikel 6, lid 5. Uitgezonderd zijn rechtspersonen of vennootschappen (werkmaatschappijen) die op grond van artikel 6a een aanvraag hebben ingediend. Ten aanzien van aspecten van de loonsom (zie paragraaf 2.3) worden daarentegen werkzaamheden uitgevoerd op het niveau van de individuele aanvraag op loonheffingennumme.

1.2. Accountantsproducten

In dit accountantsprotocol wordt onderscheid gemaakt naar drie accountantsproducten. Er zijn twee factoren bepalend voor dit onderscheid.

Als eerste factor geldt of een organisatie voldoet aan de criteria voor controleplicht. Dit is het geval als een organisatie over (een deel van) 2019 of 2020 voldoet aan de criteria voor controleplicht voor de jaarrekening op grond van artikel 396 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of als een organisatie op grond van een andere wettelijke verplichting controleplichtig is voor de jaarrekening over (een deel van) 2019 of 2020. Hierbij gaat het niet om het voldoen aan de criteria voor controleplicht per loonheffingennummer, maar om het voldoen aan de criteria voor controleplicht voor die natuurlijke persoon of rechtspersoon of, indien van toepassing, de groep.

Als tweede factor geldt de omvang van de NOW-subsidie. Net als bij de ondergrens of er een accountantsverklaring dient te worden verstrekt, geldt dat het hier niet gaat om het subsidiebedrag per loonheffingennummer, maar om de totale subsidie voor die natuurlijke persoon of rechtspersoon, of, indien van toepassing, de groep. Om de subsidie te kunnen berekenen is een rekentool beschikbaar, zie: https://www.simulatienow.nl.

Per loonheffingennummer dient een aanvraag tot vaststelling te worden ingediend. Als gevolg hiervan dient er ook bij elke aanvraag tot vaststelling een accountantsproduct te worden ingediend. Indien sprake is van een groep met meerdere aanvragen dient bij alle aanvragen tot vaststelling hetzelfde type accountantsproduct te worden verstrekt.

Ten behoeve van deze regeling heeft de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) twee nieuwe standaarden ontwikkeld; Standaard 3900N gaat in op de opdrachten tot het verstrekken van een assurance-rapport met een redelijke mate van zekerheid en het verstrekken van een assurance-rapport met een beperkte mate van zekerheid. Standaard 4415N gaat in op het verstrekken van een verklaring in het kader van een aan assurance verwante opdracht. Standaard 3900N levert als accountantsproduct een van de twee genoemde assurance-rapporten op, Standaard 4415N een samenstellingsverklaring. De differentiatie in combinatie met de nieuwe ontwikkelde standaarden leidt tot de volgende indeling voor opdrachten.

Tabel voor aanvragen op grond van artikel 6 (op basis van de totale subsidie voortvloeiend uit de aanvraag tot vaststelling):

Type organisatie

Organisatie die niet voldoet aan criteria controleplicht

Organisatie die voldoet aan criteria controleplicht

Subsidiebedrag

   

≥€ 125.000 (of voorschot € 100.000) < € 375.000

I. Aan assurance verwante opdracht, inclusief aanvullende werkzaamheden (Standaard 4415N)

III. Assurance-opdracht met beperkte mate van zekerheid (Standaard 3900N)

≥€ 375.000

II. Assurance-opdracht met beperkte mate van zekerheid (Standaard 3900N)

IV. Assurance-opdracht met redelijke mate van zekerheid (Standaard 3900N)

Tabel voor aanvragen op grond van artikel 6a:

Aanvraag niveau werkmaatschappij (artikel 6a van de regeling)

Assurance-opdracht met redelijke mate van zekerheid (Standaard 3900N)

Aan assurance verwante opdracht, inclusief aanvullende werkzaamheden (kwadrant I)

Voor organisaties die wel een accountantsproduct nodig hebben maar die niet voldoen aan de criteria voor controleplicht wordt onder een subsidiebedrag van € 375.000 geen assurance-rapport vereist. In deze situatie volstaat een aan assurance verwante opdracht inclusief aanvullende werkzaamheden (samenstelopdracht met aanvullende werkzaamheden gebaseerd op dit accountantsprotocol uitmondende in een samenstellingsverklaring). De aanvullende werkzaamheden zijn relevant voor het onderzoek naar de risico’s in het kader van de NOW 1 -subsidie, zoals het verschuiven van omzet naar een andere periode, het buiten de administratie houden van omzet, of risico’s ten aanzien van aspecten van de loonsom. Deze werkzaamheden worden in dit accountantsprotocol omschreven. Dit betreft derhalve een aan assurance verwante opdracht op basis van Standaard 4415N.

Het format voor de samenstellingsverklaring is opgenomen op de websites van www.uwv.nl, rijksoverheid.nl en www.nba.nl. Dit format dient te worden gehanteerd voor deze subsidieregeling.

Assurance-opdracht met beperkte mate van zekerheid (kwadrant II en III)

Bij subsidiebedragen vanaf € 375.000 wordt bij organisaties die niet voldoen aan de criteria voor controleplicht een accountantsproduct met zekerheid verlangd. Dit betekent dat bij bedragen vanaf € 375.000 een accountant een onderzoek dient te doen dat leidt tot een assurance-rapport met een beperkte mate van zekerheid. Deze beperkte mate van zekerheid betreft een hogere mate van zekerheid dan een reguliere beoordelingsopdracht in het kader van Standaard 2400N. Dit is nader uitgewerkt in Standaard 3900N en dit accountantsprotocol. Voor het verkrijgen van de beperkte mate van zekerheid en de betekenis van de inherente beperkingen hierbij wordt in het bijzonder verwezen naar de vereisten 16, A18 tot en met A27 van Standaard 3900N.

Bij organisaties die voldoen aan de criteria voor controleplicht is het afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag welke verklaring bij de aanvraag tot vaststelling dient te worden bijgevoegd. Indien een organisatie een accountantsproduct nodig heeft wordt tot een bedrag van € 375.000,– een assurance-rapport met beperkte mate van zekerheid gevraagd, zoals hierboven aangegeven.

De formats voor de assurance-rapporten zijn opgenomen op de websites van www.uwv.nl,www.rijksoverheid.nl en www.nba.nl. Deze formats dienen te worden gehanteerd voor deze subsidieregeling.

Assurance-opdracht met redelijke mate van zekerheid (kwadrant IV) en aanvragen ex artikel 6a

Bij subsidiebedragen vanaf € 375.000 wordt bij organisaties die voldoen aan de criteria voor controleplicht een assurance-rapport met een redelijke mate van zekerheid gevraagd.

Voor werkgevers die de omzetdaling bepalen op het niveau van de werkmaatschappij of tussenholding met toepassing van artikel 6a van de regeling geldt dat, vanwege de aanvullende risico’s, altijd, dus ongeacht de hoogte van het subsidiebedrag, een redelijke mate van zekerheid wordt gevraagd.

Dit is nader uitgewerkt in Standaard 3900N en in dit accountantsprotocol.

De formats voor de assurance-rapporten met een redelijke mate van zekerheid worden zijn opgenomen op de websites van www.uwv.nl, www.rijksoverheid.nl en www.nba.nl. Deze formats dienen te worden gehanteerd voor deze subsidieregeling.

Mocht bij de indiening van de documenten blijken dat een onjuist type verklaring of assurance-rapport bij de aanvraag tot vaststelling is bijgevoegd, dan zal op grond van artikel 14 lid 4 van de subsidieregeling verzocht worden om alsnog een verklaring of assurancerapport in te dienen in overeenstemming met bovenstaande tabellen. Indien door de aanvrager wordt gekozen om een accountantsproduct in te dienen met daarin een mate van zekerheid die groter is dan volgens de tabel voorgeschreven is dit toegestaan.

Het door de accountant te verstrekken accountantsproduct is bestemd voor de werkgever (de aanvrager of gecontroleerde), die ter voldoening aan de regels deze samen met de aanvraag tot vaststelling dient te verstrekken aan het UWV. De werkgever is de opsteller van de aanvraag tot vaststelling. Het UWV en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna ‘ministerie van SZW’) zijn de gebruikers van de accountantsverklaring en van de aanvraag tot vaststelling. In dit protocol zijn zij verder aangeduid als ‘de gebruikers’. In aansluiting op de genoemde standaarden zijn door het UWV en het ministerie van SZW in dit accountantsprotocol een aantal voorschriften opgenomen, waar de accountant bij alle type opdrachten rekening mee dient te houden, tenzij in de tekst expliciet is aangegeven dat de voorschriften alleen voor (een) bepaald(e) type(n) opdracht(en) van toepassing is/zijn dan wel bepaalde voorschriften bij de verschillende type opdrachten een verschillende uitwerking kennen.

Voor de volledigheid wordt vermeld dat voor voorschotten lager dan € 100.000 én subsidies lager dan € 125.000, met uitzondering van situaties waar gebruik gemaakt wordt van artikel 6a van de regeling, geen accountantsverklaring is vereist, maar dat de werkgever in veel gevallen kan volstaan met een verklaring van een deskundige derde.3 Dit betekent overigens niet dat er in die gevallen geen nadere onderzoeken worden uitgevoerd. Deze nadere onderzoeken zullen steekproefsgewijs, zowel risicogericht als at random, worden uitgevoerd door of namens het ministerie van SZW (zie ook artikel 17, lid 5, van de regeling).

1.3. Procedures en termijnen

De aanvraag tot vaststelling van de NOW-subsidie wordt, vergezeld van een verklaring of assurancerapport, conform artikel 14, eerste lid, ingediend binnen 38 weken na 6 oktober 2020. Voor de volledigheid wordt vermeld dat de termijn voor aanvragen tot vaststelling van de NOW-subsidie, waarbij geen accountantsverklaring of assurancerapport vereist wordt 24 weken bedraagt Deze termijn van 24 weken geldt ook voor aanvragen tot vaststelling, waarbij een verklaring van een deskundige derde is vereist.

1.4. Reviewbeleid

De minister van SZW (en het UWV die deze regeling in mandaat uitvoert) heeft als subsidieverstrekker te allen tijde de mogelijkheid een review uit te voeren of te laten uitvoeren bij de accountant belast met het onderzoek naar de informatie opgenomen in de aanvraag tot vaststelling teneinde na te gaan of het onderzoek met inachtneming van de relevante regelgeving van de NBA en dit accountantsprotocol is uitgevoerd. Deze reviews komen niet in de plaats van andere controles dan wel reviews uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer.

De accountant belast met het onderzoek en verantwoordelijk voor het verstrekken van het accountantsproduct bij de aanvraag tot vaststelling stemt er mee in dat de onderzoeksdossiers ten behoeve van bovengenoemde reviews integraal aan de reviewers ter inzage worden gegeven. Voorts zal de accountant, schriftelijk dan wel mondeling, alle gevraagde gegevens verstrekken die in het kader van voornoemde reviews worden opgevraagd. In dit kader wordt verwezen naar de bepalingen in hoofdstuk 6, paragraaf 1, van de Comptabiliteitswet 2016.

Indien de accountant belast met het onderzoek en verantwoordelijk voor het verstrekken het accountantsproduct bij de aanvraag tot vaststelling gebruikt heeft gemaakt van werkzaamheden van een andere accountant die belast is met het onderzoek naar de omzetdaling op groepsniveau (de groepsaccountant), zal ingeval van selectie voor review, ook die accountant worden betrokken in de review. De groepsaccountant dient, rekening houdend met het gevraagde accountantsproduct bij de aanvraag van vaststelling, de werkzaamheden ook uit te voeren in overeenstemming met dit accountantsprotocol. Het onderzoek van de omzetdaling door deze groepsaccountant wordt dan ook direct object van de review. Dit betekent dat de groepsaccountant weet heeft (of dient te hebben) en akkoord moet gaan dat hij zelf in dat kader gereviewed kan worden en zijn dossier desgewenst beschikbaar stelt voor een review door of namens minister in overeenstemming met de bevoegdheden zoals vastgelegd in de Comptabiliteitswet 2016.

De accountant die gebruik maakt van de werkzaamheden van een andere accountant dient de voorwaarden uit Standaard 3900N, vereiste 64 tot en met 66 of Standaard 4415, vereiste 30, na te leven, waaronder ervoor te zorgen dat de opdracht conform dit protocol wordt uitgevoerd. Dit betekent ook dat de accountant erop alert is dat de opdracht en de verklaring van de groepsaccountant voldoet aan de vereisten van het betreffende accountantsproduct zoals opgenomen in paragraaf 1.2 en nader is uitgewerkt in dit protocol en de betreffende Standaard.

1.5. Relevante wet- en regelgeving

De van belang zijnde regelgeving is als volgt;

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2020, 2020-00000466302020-0000046763, tot vaststelling van een Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming in de loonkosten in verband met het coronavirus en de toelichting hierop; en de opeenvolgende wijzigingen met toelichting hierop, (citeertitel: Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid) vindbaar in: Staatscourant nr. 2020, 20561; Staatscourant nr. 2020, 25372; Staatscourant nr. 2020, 29256, Staatscourant nr. 2020, 34308 en Staatscourant nr. 2020, 50202 (hierna: de regeling). De geconsolideerde versie is vindbaar op: https://wetten.overheid.nl/BWBR0043340

Artikel 3 e.v. Kaderwet SZW-subsidies in verband met grondslag van de regeling

Artikelen 1 en 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met de verwijzing naar werkgever en loon in de regeling.

Voor de belangrijkste definities en begrippen wordt verwezen naar artikel 1 van de regeling en de toelichting op de regeling.

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

Hoofdstuk 2. Onderzoeksaanpak betreffende de aanvraag tot vaststelling

2.1. Reikwijdte onderzoek

2.1.1. Aanleiding

Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.

De NOW-subsidie wordt berekend over de gecorrigeerde loonsom van maart t/m mei 2020, afhankelijk van het percentage omzetdaling, in overeenstemming met de artikelen 7 en 10 van de regeling. De maximale vergoeding wordt berekend op basis van 90% van de gecorrigeerde loonsom. Naarmate de omzetdaling groter is, wordt er een groter deel van de loonkosten vergoed. Bij 100% omzetdaling wordt de NOW-subsidie berekend op basis van 100% * 90% = 90% van de gecorrigeerde loonsom, bij 75% omzetdaling wordt de NOW-subsidie berekend op basis van 75% * 90% = 67,5% van de gecorrigeerde loonsom. Bij minder dan 20% omzetdaling is er geen recht op NOW-subsidie. De te vergoeden loonkosten worden verhoogd met een forfaitaire opslag voor werkgeverslasten van 30%.

2.1.2. Uit te voeren werkzaamheden inzake de aanvraag tot vaststelling

Zoals ook al aangegeven in paragraaf 2 van hoofdstuk 1 zijn er drie accountantsproducten te onderscheiden op basis van de vier genoemde kwadranten in de eerste tabel en aanvragen op grond van artikel 6a in de tweede tabel.

Het object van onderzoek is de aanvraag tot vaststelling. De aanvraag tot vaststelling wordt per loonheffingennummer ingediend. Op de websites waarop de accountantsverklaringen worden gepubliceerd (zie hoofdstuk 1) is ook het formulier voor de aanvraag tot vaststelling opgenomen. De werkgever zal de informatie zoals opgenomen in het formulier voor de aanvraag tot vaststelling ook in de beveiligde portal van het UWV dienen in te voeren en het door de accountant gewaarmerkte formulier voor de aanvraag tot vaststelling en het accountantsproduct in de beveiligde portal dienen te plaatsen. Hierover is meer praktische uitleg gegeven op de website van UWV.

Ten aanzien van de werkzaamheden van de accountant wordt onderscheid gemaakt in de volgende onderdelen van de aanvraag tot vaststelling:

  • 1. Gegevens over de omzet van de referentieperiode (referentie-omzet), de omzet van de meetperiode en de hierop gebaseerde omzetdaling. Indien sprake is van een groep dienen alle onder de groep ressorterende aanvragen/loonheffingennummers deze gegevens op het niveau van de groep te bevatten.

  • 2. Beweringen inzake specifieke aspecten van de loonsom over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 betreffende:

    • Dat alle (netto)lonen uit de loonaangifte die meetellen in de berekening van de tegemoetkoming daadwerkelijk zijn uitbetaald aan de betreffende werknemers;

    • Dat in de periode van maart tot en met mei 2020 geen gefingeerde dienstverbanden zijn aangegaan;

    • Voor zover sprake is van bevindingen voortvloeiende uit bovenstaande twee beweringen, deze hebben geleid tot een neerwaartse wijziging van de loonaangifte over de maanden maart, april en mei 2020 (en per wanneer);4

  • 3. Indien sprake is van een aanvraag op grond van artikel 6a: Bewering dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6a;

  • 4. Andere informatie in de aanvraag tot vaststelling.

Voor de hiervoor genoemde onderdelen wordt verwezen naar de paragrafen 2.2 tot en met 2.5.

2.1.3. Algemene vereisten inzake de uit te voeren werkzaamheden

Indien er sprake is van een aan assurance verwante opdracht, dan dient de accountant met een professioneel kritische instelling de aanvraag tot vaststelling samen te stellen in overeenstemming met de regeling, mede rekening houdend met de aanvullend uit te voeren werkzaamheden zoals vastgelegd in bijlage I, de tabellen A1 tot en met A4 en Standaard 4415N.

De accountant belast met een assurance-opdracht dient zich bij de opdracht met een professioneel kritisch instelling te richten op mogelijke afwijkingen van materieel belang in de aanvraag tot vaststelling zoals vastgelegd in bijlage I, de tabellen B1 tot en met B5 en Standaard 3900N.

Van de accountant wordt verwacht dat hij de naleving van de subsidievoorwaarden onderzoekt zoals deze met name voortkomen uit de artikelen 6 en 6a van de regeling, alsmede de toelichting, en specifieke aspecten met betrekking tot de loonsom. Ook zal in de aanvraag tot vaststelling andere informatie staan.

Indien er sprake is van (een vermoeden van) misbruik, oneigenlijk gebruik en/of fraude, dan dient de accountant nadere acties te ondernemen in lijn met de bij het betreffende onderzoek van toepassing zijnde standaarden en overige wet- en regelgeving. Dit betekent dat de accountant indien hij misbruik of fraude tegenkomt, conform de NV NOCLAR dient te handelen en indien nodig een melding van dient te maken bij de bevoegde instantie(s). Voor de NOW is dit het UWV.5

Conform Standaard 3900N, vereiste 46 overweegt de accountant, in ieder geval bij een assurance-opdracht met een redelijke mate van zekerheid, of er interne beheersingsmaatregelen zijn waarop de accountant wil of moet steunen en waarvan de accountant de effectieve werking wil toetsen (systeemgerichte werkzaamheden) en welke gegevensgerichte werkzaamheden daarnaast zullen worden uitgevoerd.

2.2. Uitwerking netto-omzet

Een belangrijke component voor de bepaling van de hoogte van de NOW-subsidie is de netto-omzetdaling.

Met betrekking tot de regelgeving wordt het volgende opgemerkt:

In artikel 1, lid 2, is de definitie van netto-omzet opgenomen. De definitie is als volgt:

‘Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.’

Van belang is dat de term netto-omzet breed is gedefinieerd in artikel 1 lid 2. In de toelichting op de regeling is opgenomen dat hieronder ook baten, giften, overige ontvangsten en subsidies vallen. Dit betekent dat andere compensaties door andere regelingen, zoals de Tegemoetkoming schade COVID-19 (TOGS)6, regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers COVID-197 en ondersteuning voor zorgaanbieders8 dienen te worden meegerekend. Hieronder dient niet de NOW-subsidie zelf te worden begrepen.9

Ook van belang is dat in artikel 6, zesde lid, is bepaald dat subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de referentieperiode of de meetperiode in 2020 voor de bepaling van de omzetdaling naar rato aan de betreffende perioden worden toegerekend.

Daarnaast is van belang dat de netto-omzet op het juiste niveau is gerapporteerd. Als de onderneming onderdeel is van een groep dan telt de netto-omzetdaling van de groep van rechtspersonen of natuurlijke personen als geheel. Dit is de hoofdregel. De werkgevers in de groep moeten dus hetzelfde percentage netto-omzetdaling en dezelfde meetperiode hebben. Er vindt wel per loonheffingennummer een aanvraag tot vaststelling plaats. Voor het begrip groep is niet relevant of hier sprake is van een Nederlandse of van een internationale groep. Voor de bepaling van de netto-omzetdaling van de ‘NOW-groep’ worden vervolgens alleen de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen van die groep in aanmerking genomen in de berekening, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met SV-loon in Nederland. Indien er sprake is van een moeder-dochterrelatie als bedoeld in artikel 24a Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de moeder(s) en dochter(s) voor de NOW behandeld als ware zij een groep. Hierbij wordt uitgegaan van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. Ook hier betreft het alleen de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met SV-loon in Nederland. Verwezen wordt naar artikel 6 lid 5 van de regeling.

Indien sprake is van een groep, zoals beschreven in de voorgaande alinea, wordt tevens verwezen naar Standaard 3900N, vereisten 64 tot en met 66 en Standaard 4415N, vereiste 30.

2.2.1. Werkzaamheden betreffende netto-omzet in de referentieperiode

In de subsidieregeling wordt de omzet van de meetperiode van drie maanden uit 2020 vergeleken met de omzet uit de referentieperiode (referentie-omzet). Voor de referentieperiode geldt het volgende:

  • De omzet van geheel 2019, indien de werkgever op 1 januari 2019 reeds bestond. In dit geval dient de omzet over 2019 gedeeld te worden door 4. Zie hiervoor artikel 6, lid 2 van de regeling.

  • De netto-omzet van een deel van 2019 en 2020, indien de werkgever op 1 januari 2019 nog niet bestond. Hierbij geldt de volgende regel:

  • ‘vanaf de eerste kalendermaand na de dag van aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.’ Hier kan ook sprake van zijn als er sprake is geweest van overgang van onderneming na 1 januari 2019 en de werkgever een keuze maakt voor de afwijkende berekening van de referentieperiode. In dat geval dient de referentieomzet als volgt berekend te worden: de netto-omzet vanaf de eerste volledige maand na datum overgang onderneming tot en met 29 februari 2020 / aantal maanden * 3.

  • Zie hiervoor artikel 6, lid 3, van de regeling.

Voorbeeld:

De onderneming is op 3 augustus 2019 opgericht. Volgens de NOW dient dan de omzet van 1 september 2019 t/m 29 februari 2020 te worden meegenomen als referentieomzet. De omzet over deze periode is € 90.000. De referentieomzet is € 90.000 / 6 maanden * 3 maanden = € 45.000.

Voor de accountant gelden de volgende vereisten voor de netto-omzet in de referentieperiode:

  • De accountant dient vast te stellen dat de omzet op het goede organisatorische niveau is berekend (dit vereiste geldt ook voor de meetperiode en is nader toegelicht in de tabellen A1 en B1 van bijlage I).

  • De accountant dient vast te stellen dat de omzet voor de referentieperiode in overeenstemming met de regeling is berekend. Voor de uitvoering van de werkzaamheden kan de accountant gebruik maken van de jaarrekening 2019 of (indien van toepassing) de jaarrekeningen van de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020, uiteraard voor zover de jaarrekening(en) beschikbaar is/zijn. Hierbij dient rekening te worden gehouden of een organisatie reeds op 1 januari 2019 bestond, zoals hiervoor is toegelicht. Hierna wordt ingegaan op de situaties waarbij er wel of geen sprake is van een gecontroleerde jaarrekening over 2019.

Gecontroleerde jaarrekening over 2019

Indien bij de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020) een controleverklaring van een accountant is verstrekt, hetgeen is vereist voor controleplichtige organisaties, kan de accountant in het kader van zijn werkzaamheden uitgaan van de omzet, opgenomen of afgeleid van de onderzochte jaarrekening waarbij de verklaring is verstrekt. Hierbij hoeft alleen te worden vastgesteld of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. Het UWV en SZW zijn zich er van bewust dat voor het onderzoek naar de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020) mogelijk een andere materialiteit is gehanteerd dan in het kader van deze regeling is voorgeschreven. Van de accountant wordt geen aanvullend onderzoek op de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling, anders dan opgenomen in de laatste twee alinea’s van deze subparagraaf 2.2.1.

Aandacht wordt gevraagd voor de situatie waarbij de accountant geen goedkeurende verklaring bij de jaarrekening heeft afgegeven. In deze situaties gaat de accountant na of de beperking, oordeelonthouding of afkeuring betrekking heeft op de omzet en zo ja, of er gevolgen zijn voor zijn werkzaamheden. Hierbij wordt opgemerkt dat de accountant voor de omzet in de referentieperiode dient vast te stellen dat de omzet niet te hoog is. De controlerichting voor de omzet in de referentieperiode is derhalve de juistheid. Indien de beperking, oordeelonthouding of afkeuring betrekking heeft op de volledigheid van de omzet, dan kan de accountant in het kader van dit onderzoek ook hier uitgaan van de omzet, opgenomen of afgeleid van de onderzochte jaarrekening waarbij de verklaring is verstrekt, rekening houdend met hetgeen in de voorgaande alinea is opgenomen. Heeft de beperking, oordeelonthouding of afkeuring betrekking op de juistheid van de omzet, dan zal de accountant aanvullende werkzaamheden moeten uitvoeren.

Situatie waarin de jaarrekening over 2019 niet is gecontroleerd

Ook in het geval de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020) niet is gecontroleerd door een accountant en er dus geen sprake is van een controleverklaring van een accountant, betrekking hebbend op de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020), dan mag de accountant uitgaan van de omzet, opgenomen in de vastgestelde, de door de accountant samengestelde, of door de accountant beoordeelde definitieve jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020). Hierbij wordt alleen nagegaan of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. Van de accountant wordt verder slechts betrokkenheid ten aanzien van de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling op de onderdelen die zijn opgenomen in de laatste twee alinea’s van deze subparagraaf 2.2.1. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden, in verband met het mogelijk verhoogde verschuivingsrisico nadien, is wel relevant of de jaarrekening is vastgesteld, samengesteld of beoordeeld voor 1 april 2020. Dit geldt niet als de accountant bij de uitvoering van zijn samenstellingsopdracht of beoordelingsopdracht die is afgerond na 1 april 2020 al rekening heeft gehouden met het mogelijk verhoogde verschuivingsrisico. Hier wordt in de tabel van bijlage I aandacht aan geschonken (A2 en B2).

Voor natuurlijke personen kan de accountant voor zijn werkzaamheden uitgaan van de omzet zoals opgenomen in de aangifte Inkomstenbelasting over 2019 op basis van artikel 1, tweede lid, van de regeling. Hierbij wordt alleen getoetst of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. Van de accountant wordt alleen onderzoek op de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling op de onderdelen die zijn opgenomen in de hierna opgenomen alinea’s van deze subparagraaf 2.2.1.

Ten aanzien van de vereisten inzake de netto-omzet in de referentieperiode zijn in bijlage I, tabel A1, A2, B1 en B2 behorende bij dit accountantsprotocol mogelijke risico’s geïdentificeerd en daarop afgestemde uit te voeren accountantswerkzaamheden opgenomen. De verwachtingen van de gebruikers ten aanzien van deze accountantswerkzaamheden voor aan assurance verwante opdrachten respectievelijk assurance-opdrachten zijn opgenomen in de toelichtingen voorafgaand aan de tabellen A (assurance verwante opdrachten) en B (assurance-opdrachten).

Op grond van zijn professioneel-kritische instelling en, in het geval van een assurance-opdracht, ook zijn risicoanalyse dient de accountant, gericht op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn verklaring, te overwegen of deze werkzaamheden moeten worden uitgebreid met andere (gegevensgerichte) werkzaamheden.

2.2.2. Werkzaamheden betreffende netto omzet in de meetperiode en bepaling van de omzetdaling

De werkgever heeft in de subsidieaanvraag gekozen voor een meetperiode (maart-april-mei, april-mei-juni of mei-juni-juli). Indien er sprake is van een groepsrelatie of moeder-dochterrelatie dient dezelfde meetperiode te worden gehanteerd voor alle werkgevers (loonheffingennummers). In de aanvraag tot vaststelling dient een werkgever de gerealiseerde omzet in deze meetperiode op te geven. Op basis van de opgegeven omzet in de referentieperiode en de meetperiode wordt de omzetdaling berekend.

Indien sprake is van een groep, zoals opgenomen in paragraaf 2.1.1, wordt tevens verwezen naar Standaard 3900N, vereisten 64 tot en met 66 en Standaard 4415N, vereiste 30.

Voor de accountant gelden de volgende vereisten voor de netto-omzet in de meetperiode:

  • De accountant dient vast te stellen dat de juiste meetperiode is gehanteerd. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant zelf de juiste meetperiode te hanteren of dit zo nodig door de werkgever te laten herstellen op het formulier.

  • De accountant dient vast te stellen dat de afgrenzing, classificatie en volledige verantwoording van de omzet voor de meetperiode volgens de regeling en consistent met de referentieperiode heeft plaatsgevonden. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant zelf hiermee rekening te houden bij de uitvoering van zijn samenstelwerkzaamheden en de aanvullende werkzaamheden zoals opgenomen in dit accountantsprotocol.

  • De accountant houdt hierbij rekening met risico’s op fouten, misbruik en fraude bij de verantwoording van de omzet, en dient te evalueren welke categorieën van opbrengsten/baten, welke hiermee samenhangende transacties en welke andere informatie aanleiding geven tot dergelijke risico’s. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant alert te zijn op de mogelijk onvolledige aanlevering van informatie en documentatie ten behoeve van de berekening van de netto-omzet. Verwezen wordt naar hetgeen hierover is vastgelegd in Standaard 3900N en Standaard 4415N.

  • De accountant dient vast te stellen dat de omzetdaling in overeenstemming met de regeling is berekend. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant zelf de omzetdaling te bepalen in overeenstemming met de regelgeving.

Het is, afhankelijk van het type accountantsproduct, van belang dat de accountant voor de omzet in de meetperiode nagaat of, en zo ja, op welke wijze procedures, inclusief maatregelen van interne beheersing, zijn opgezet, bestaan en hebben gewerkt en dat de accountant nagaat in hoeverre deze procedures consistent zijn met de periode voorafgaand aan de coronacrisis voor zover dat relevant is voor de opdracht. De nadere toelichting op de uit te voeren werkzaamheden per type accountantsproduct en de eventuele gevolgen voor de verklaring zijn opgenomen voor de tabellen in bijlage I. Ten aanzien van de vereisten inzake de netto-omzet in de meetperiode zijn in bijlage I, tabel A1 en A3 en B1 en B3 behorende bij dit accountantsprotocol mogelijke risico’s geïdentificeerd en daarop afgestemde uit te voeren accountantswerkzaamheden opgenomen. De verwachtingen van de gebruikers ten aanzien van deze accountantswerkzaamheden voor aan assurance verwante opdrachten respectievelijk assurance-opdrachten zijn opgenomen in de toelichtingen voorafgaand aan de tabellen A (assurance verwante opdrachten) en B (assurance-opdrachten).

In deze tabellen wordt ingegaan op het risico dat er sprake is van een onvolledige omzetverantwoording, waarbij specifiek aandacht is voor een onjuiste afgrenzing (verschuivingsgevaar) van de omzet met betrekking tot de meetperiode. Bij de reguliere jaarrekeningcontrole is de afgrenzing tussen de maanden binnen het jaar niet (of veel minder) relevant. Nu dit voor de NOW-subsidie wezenlijk anders is, zijn ook voor het afgrenzings- en verschuivingsrisico meerdere werkzaamheden opgenomen. Samenvattend richten de werkzaamheden ten aanzien van de netto-omzet in de meetperiode zich op de volledigheid van de omzet met onder meer aandacht voor een juiste afgrenzing (verschuivingsgevaar) en classificatie.

Op grond van zijn professioneel-kritische instelling en, in het geval van een assurance-opdracht ook zijn risicoanalyse, dient de accountant, gericht op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn verklaring, te overwegen of deze werkzaamheden moeten worden uitgebreid met andere (gegevensgerichte) werkzaamheden.

2.3. Werkzaamheden betreffende specifieke aspecten van de loonsom

Het doel van de regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten over de periode maart t/m mei 2020. Daartoe heeft de werkgever een subsidieaanvraag ingediend op basis van een loonheffingennummer (per aanvraag kan er maximaal één loonheffingennummer opgegeven worden, werkgevers kunnen dus meerdere aanvragen doen). Het UWV bepaalt op basis van het loonheffingennummer vervolgens de daarbij behorende loonsom) op basis waarvan de toekenningsbeschikking wordt opgesteld en de voorschotten worden betaald.

De loonsom wordt voor een groot deel getoetst door het UWV. Van de accountant worden over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 werkzaamheden met betrekking tot drie aspecten van de loonsom verwacht. Deze zijn:

  • Vaststellen dat de bewering van het management dat alle nettolonen uit de loonaangifte die meetellen in de berekening van de tegemoetkoming daadwerkelijk zijn uitbetaald aan de desbetreffende werknemers juist is;

  • Vaststellen dat de bewering van het management dat er geen gefingeerde dienstverbanden zijn aangegaan (het opnemen van ‘personeel’ in de loonaangifte zonder dat sprake is van een dienstverband met feitelijke werkzaamheden10) in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020 aannemelijk is; en

  • Vaststellen dat, voor zover sprake is van bevindingen voortvloeiende uit vorenstaande twee aspecten, de bewering van het management dat deze bevindingen hebben geleid tot een neerwaartse wijziging van de loonaangifte over de maanden maart, april en mei 2020 (en wanneer) juist is.11

Ten aanzien van deze aspecten van de loonsom zijn in bijlage I, tabel A4 en B4 behorende bij dit accountantsprotocol mogelijke risico’s geïdentificeerd en daarop afgestemde uit te voeren accountantswerkzaamheden opgenomen. Hierin is ook aangegeven op basis waarvan de accountant kan beoordelen of de bewering van het management dat er geen gefingeerde dienstverbanden tussen 1 maart en 31 mei 2020 zijn aangegaan wel of niet aannemelijk is. Vanwege de binaire conclusie op dit onderwerp wordt geadviseerd dat de accountant deze evaluatie en afwegingen hierbij goed documenteert en vastlegt in zijn dossier. De verwachtingen van de gebruikers ten aanzien van deze accountantswerkzaamheden voor aan assurance verwante opdrachten respectievelijk assurance-opdrachten zijn opgenomen in de toelichtingen voorafgaand aan de tabellen A (assurance verwante opdrachten) en B (assurance-opdrachten).

Op grond van zijn professioneel kritische instelling en in het geval van een assurance-opdracht ook zijn risicoanalyse dient de accountant, gericht op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn verklaring, te overwegen of deze werkzaamheden moeten worden uitgebreid met andere (gegevensgerichte) werkzaamheden.

2.4. Werkzaamheden bij aanvragen op grond van artikel 6a (werkmaatschappij)

Deze paragraaf is alleen van toepassing indien wordt aangevraagd op het niveau van werkmaatschappij, aangezien er dan aanvullende voorwaarden gelden. Bij een dergelijke aanvraag is altijd een assurance-opdracht met een redelijke mate van zekerheid vereist (zie Tabel voor aanvragen op grond van artikel 6a zoals opgenomen in hoofdstuk 1). Deze werkzaamheden betreffen:

  • De accountant dient vast te stellen dat de groep minder dan 20% omzetdaling heeft, maar de werkmaatschappij/tussenholding 20% of meer (artikel 6a lid 1eef)12;

  • De accountant dient vast te stellen dat de omzet voor de meetperiode in overeenstemming met de aanvullende voorwaarden in de regeling is berekend (artikel 6a lid 3, 4, 5 en 6).

  • De accountant dient vast te stellen dat de werkmaatschappij/tussenholding heeft voldaan aan de additionele voorwaarden (artikel 6a lid 1 a tot en met e, in combinatie met artikel 14, vijfde lid, onderdeel c). Dit geldt tot de datum van afgifte van het assurance-rapport.

Indien de accountant op een moment na afgifte van het assurance-rapport informatie ontvangt op basis waarvan hij vaststelt dat de aanvrager ná afgifte van zijn assurance-rapport niet heeft voldaan aan de additionele voorwaarden, zoals hiervoor genoemd, dan dient hij de werkgever te verzoeken dit kenbaar te maken aan UWV en erop toe te zien dat dit daadwerkelijk plaats vindt. In deze situatie hoeft de accountant zijn assurance-rapport niet in te trekken, maar wordt wel verwacht dat hij erop toeziet dat de werkgever het niet voldoen aan de additionele voorwaarden aan UWV meldt en dat hij dit eventueel zelf meldt op grond van de NV NOCLAR.

Ten aanzien van deze aanvullende voorwaarden voor aanvragen op grond van artikel 6a zijn in bijlage I, tabel B5 behorende bij dit accountantsprotocol mogelijke risico’s geïdentificeerd en daarop afgestemde accountantswerkzaamheden opgenomen. De verwachtingen van de gebruikers ten aanzien van deze accountantswerkzaamheden zijn opgenomen in de toelichting voorafgaand aan tabel B (assurance-opdrachten).

Op grond van zijn professioneel kritische instelling en zijn risicoanalyse dient de accountant, gericht op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn verklaring, te overwegen of deze werkzaamheden moeten worden uitgebreid met andere (gegevensgerichte) werkzaamheden.

2.5. Werkzaamheden betreffende andere informatie

Naast de informatie waarvoor de accountantswerkzaamheden zijn uitgewerkt in de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 bevat de aanvraag tot vaststelling ook andere informatie. Dit betreft:

  • de intentieverklaring waarin de werkgever verklaart dat de informatie in de aanvraag tot vaststelling juist en volledig is, dat kennis is genomen van de uitleg en voorwaarden van de NOW 1-regeling en dat voldaan is aan alle in de NOW 1-regeling genoemde verplichtingen;

  • de gegevens van de werkgever en, indien van toepassing, de NOW-groep; en

  • de gegevens over de accountantsverklaring.

Dit houdt in dat de accountant deze andere informatie leest en op basis van zijn kennis en begrip (verkregen vanuit zijn werkzaamheden ten aanzien van de opgave van de omzet over de referentieperiode, de omzet over de meetperiode 2020, de genoemde aspecten van de loonsom over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 en, indien van toepassing, de aanvullende voorwaarden voor aanvragen op grond van artikel 6a, of anderszins) overweegt of de andere informatie (materiële) afwijkingen bevat en desgewenst aanvullende werkzaamheden uit te voeren. De accountant die een assurance-opdracht uitvoert dient deze andere informatie te beschouwen als andere informatie in de zin van Standaard 720 uit de NV COS.

Hoofdstuk 3. Materialiteit

Voor de netto omzet verwachten UWV en het ministerie van SZW voor alle opdrachten inclusief aan assurance verwante opdrachten dat alle tijdens het onderzoek door de accountant geïdentificeerde afwijkingen worden gecorrigeerd in de aanvraag tot vaststelling.

3.1. Aan assurance verwante opdracht

Materialiteit is niet van toepassing voor de accountant die belast is met een aan assurance verwante opdracht (kwadrant I). UWV en het ministerie van SZW gaan ervanuit dat indien de accountant een samenstellingsverklaring heeft afgegeven in overeenstemming met Standaard 4415N:

  • hij rekening heeft gehouden met de bevindingen die tijdens zijn werkzaamheden naar voren zijn gekomen;

  • hij bij de samenstelling van de aanvraag tot vaststelling en voor bevindingen met betrekking tot de beweringen inzake de specifieke aspecten van de loonsom heeft vastgesteld dat herstelacties hebben plaatsgevonden (zie verder in dit hoofdstuk) en

  • hij is nagegaan dat de andere informatie in de aanvraag tot vaststelling verenigbaar is met de kennis en begrip die verkregen is uit de werkzaamheden uitgevoerd door de accountant.

Indien het hiervoor genoemde niet het geval is kan er ook geen samenstellingsverklaring verstrekt worden door de accountant.

3.2. Assurance-opdracht

Een goedkeurend assurance-rapport met een beperkte respectievelijk redelijke mate van zekerheid impliceert dat in het vaststellingsformulier geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven materialiteitsgrens.

Er is sprake van een materialiteit voor het onderzoek naar de omzet en een materialiteit voor het onderzoek naar de aspecten van de loonsom. Voor het voldoen aan de (kwalitatieve) voorwaarden in geval van aanvragen op grond van artikel 6a is er geen materialiteit van toepassing.

De materialiteitsgrenzen worden door de accountant gebruikt bij de evaluatie van de bevindingen ten aanzien van de omzet van de referentieperiode, de omzet van de meetperiode en de aspecten van de loonsom. De materialiteitsgrenzen zijn tevens het uitgangspunt voor de berekening van de uitvoeringsmaterialiteitsgrenzen die door de accountant worden gebruikt voor de planning van de werkzaamheden ten aanzien van de omzet van de referentieperiode, de omzet van de meetperiode en de aspecten van de loonsom.

De accountant dient de materialiteitsgrens te herzien wanneer hij zich gedurende dan wel na afloop van het onderzoek bewust wordt van informatie die ertoe leidt dat de te hanteren materialiteitsgrens substantiële neerwaartse aanpassing behoeft. Hierbij wordt ook verwezen naar paragraaf 44 en A53 van Standaard 3900N.

Voor het onderzoek naar de omzet in de referentieperiode en het onderzoek naar de omzet in de meetperiode in 2020 bedraagt de goedkeuringsmaterialiteit 2% van de omzet in de referentieperiode op het niveau van de groep (indien van toepassing). Verwezen wordt naar artikel 6 lid 5 van de regeling. Indien bij een reeds gecontroleerde jaarrekening 2019 een andere materialiteit is gehanteerd wordt dit voor de omzet in de referentieperiode geaccepteerd (zie subparagraaf 2.2.1).

Voor het onderzoek naar aspecten van de loonsom bedraagt de goedkeuringsmaterialiteit 2% van 3 keer de gecorrigeerde loonsom in de verleningsbeschikking. Dit is, afhankelijk van de verleningsbeschikking 3 keer de gecorrigeerde loonsom van november 2019, januari 2020 of maart 2020. De materialiteit voor het onderzoek naar de aspecten van de loonsom wordt berekend op loonheffingennummer, niet het niveau van de groep.

Voor de strekking van het oordeel / de conclusie dienen per component de volgende materialiteitsgrenzen gehanteerd te worden:

Netto omzet

Goedkeurende verklaring: resterende onzekerheden en niet gecorrigeerde fouten < 2%

Verklaring met beperking: resterende onzekerheden en niet gecorrigeerde fouten >= 2% en < 4%

Verklaring van oordeelonthouding: resterende onzekerheden >= 4%

Afkeurende verklaring: niet gecorrigeerde fouten >= 4%

Aspecten van de loonsom

Goedkeurende verklaring: niet gecorrigeerde fouten < 2%

Afkeurende verklaring: niet gecorrigeerde fouten >= 2%

Indien de accountant zowel fouten in de informatie opgenomen in de aanvraag tot vaststelling als onzekerheden in de controle aantreft, dan weegt hij deze bij zijn oordeelsvorming altijd in onderlinge samenhang. Hierbij is relevant dat de resterende onzekerheden én niet-gecorrigeerde fouten in onderlinge samenhang moeten worden bezien tegen de vermelde materialiteitsgrenzen. Van fouten in de verantwoording is sprake indien naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de verantwoordingsinformatie in het formulier onjuistheden bevat omdat deze niet voldoen aan de vereisten in de regeling en de toetsingscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van dit accountantsprotocol. Van een onzekerheid in het onderzoek is sprake als er onvoldoende (controle-)informatie beschikbaar is om de ingevulde verantwoordingsinformatie in het formulier als goed of fout aan te merken. Kortom, indien onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de toetsingscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van dit accountantsprotocol.

Hierna wordt ingegaan op gevolgen naar aanleiding van bevindingen m.b.t. de netto omzet, de specifieke aspecten van de loonsom en de voorwaarden samenhangend met een aanvraag ex artikel 6a.

Netto omzetdaling

Zoals eerder vermeld verwachten UWV en het ministerie van SZW voor alle opdrachten dat alle tijdens het onderzoek door de accountant geïdentificeerde fouten en onzekerheden betreffende de netto omzetdaling door de werkgever worden gecorrigeerd in de aanvraag tot vaststelling. UWV vergoedt namelijk alleen bedragen waarvan is vastgesteld dat deze correct zijn en geen bedragen waarvan de accountant oordeelt of concludeert dat deze fout of onzeker zijn. Indien fouten en onzekerheden groter dan de materialiteit van 2% niet door de werkgever in zijn aanvraag tot vaststelling worden gecorrigeerd, kan de accountant geen goedkeurend(e) oordeel/ conclusie afgeven. Dit kan leiden tot een oordeel of conclusie met beperking, een oordeelonthouding of onthouding van conclusie of tot een afkeurend(e) oordeel of conclusie.

Indien er sprake is van een kwantificeerbare fout en/of onzekerheden tussen 2% en 4% leidt dit tot een oordeel of conclusie met beperking. In dat geval dient de accountant het effect van de fout(en) en onzekerheden voor de gegevens met betrekking tot de netto-omzet in de referentieperiode en/of de netto-omzet in de meetperiode en de omzetdaling (in %) pro-forma te berekenen en de uitkomsten daarvan als separate sectie inzake overige rapporterings-verplichtingen op te nemen in zijn assurance-rapport. Hierbij gelden de volgende instructies:

  • Voor fouten gaat de accountant bij de kwantificering van het effect op de genoemde gegevens uit van de werkelijke vastgestelde afwijking;

  • Voor onzekerheden met betrekking tot de omzet van de referentieperiode en/of de omzet van de meetperiode heeft de accountant al gekwantificeerd en vastgesteld dat deze lager zijn dan 4% van de omzet van de referentieperiode (maar hoger dan 2%). Voor de onzekerheden lager dan 4% gaat de voorgeschreven berekening bij de kwantificering uit van de bandbreedte van de mogelijke afwijkingen als gevolg van de onzekerheid gedeeld door 2. Dit betreft derhalve het middelpunt van de onzekerheid.

Dit wordt door de minister van SZW en het UWV beschouwd als passende correctie in een situatie waarbij sprake is van een oordeel of conclusie met beperking als gevolg van een onzekerheid in de controle.

Voorbeeldberekening

De werkgever geeft in de aanvraag tot vaststelling van de NOW-subsidie het volgende op:

Netto-omzet in de meetperiode: € 300.000

Netto-omzet in de referentieperiode: € 1.  200.000

Percentage netto-omzetdaling: 75%.

De accountant constateert zowel een fout als een onzekerheid ten aanzien van de netto-omzet in de meetperiode die de werkgever weigert te corrigeren. De accountant heeft geen bevindingen over de netto-omzet in de referentieperiode en evenmin over de aspecten van de loonsom.

De door de accountant geconstateerde fout betreft een te lage opgave van de netto-omzet in de meetperiode van € 16.000. Daarnaast heeft de accountant een onzekerheidsinterval van € 0 tot € 30.000 over de volledigheid van de netto-omzet in de meetperiode. De som van het bedrag van de geconstateerde fout en de bovenkant van het onzekerheidsinterval is bepalend voor de vraag of de in het accountantsprotocol voorgeschreven materialiteitsgrenzen worden overschreden. In dit geval gaat het opgeteld om € 46.000, zijnde 3,8% van de netto-omzet in de referentieperiode. Dit betekent dat de accountant een verklaring met beperking dient af te geven.

Het middelpunt van het onzekerheidsinterval (de maximale afwijking als gevolg van de onzekerheid gedeeld door 2) is € 15.000. De som van het bedrag van de fout en het bedrag van het middelpunt van het onzekerheidsinterval komt uit op € 31.000. De voorgeschreven pro forma berekening leidt dan tot de volgende uitkomsten (het percentage netto-omzetdaling mag hierbij op grond van artikel 6, eerste lid, van de NOW-regeling naar boven worden afgerond):

Netto-omzet in de meetperiode € 331.000

Netto-omzet in de referentieperiode: € 1.200.000

Percentage netto-omzetdaling: 73%.

Aangezien de minister van SZW en UWV bij de vaststelling uitgaan van bovenstaande gegevens in het assurance-rapport van de accountant, is het dringende advies vastgestelde fouten en onzekerheden, die leiden tot een oordeel of conclusie met beperking, te (laten) corrigeren in de aanvraag tot vaststelling. Als de aanvrager kiest voor een correctie, dan kan de accountant een goedkeurend(e) oordeel of conclusie verstrekken. Indien de aanvrager dit niet doorvoert, zal de accountant de fout of onzekerheid rapporteren en conform bovenstaande in de referentie-omzet, en/of de omzet in de meetperiode en de omzetdaling mee te nemen in zijn pro-forma berekening.

Een afkeurend(e) oordeel of conclusie zal leiden tot een vaststelling van de subsidie op nihil en terugvordering van de verstrekte voorschotten. Derhalve wordt ook bij een afkeurend(e) oordeel of conclusie vanwege niet gecorrigeerde fouten >= 4% van de referentieomzet dringend geadviseerd de afwijkingen te laten corrigeren.

Bij een oordeelonthouding of onthouding van conclusie heeft de accountant niet kunnen vaststellen dat de omzet in de meetperiode volledig is en hiermee het percentage omzetdaling voor de NOW-subsidie juist is. Hij heeft daarover niet voldoende en geschikte assurance-informatie kunnen verkrijgen. In deze gevallen kan de subsidieverstrekker (ministerie van SZW) zich daarom ook geen oordeel vormen over de juistheid van de gegevens van de aanvraag tot vaststelling. Een oordeelonthouding of een onthouding van conclusie samenhangend met een onzekerheid van diepgaande invloed leidt in principe tot een vaststelling van de subsidie op nihil.

Een dergelijke werkwijze kan wel tot schrijnende situaties leiden bij ondernemingen die een verklaring met een redelijke mate van zekerheid nodig hebben, maar waarbij uitsluitend sprake is van inherente beperkingen in het kader van een NOW-onderzoek op grond van Standaard 3900N. De minister van SZW en het UWV verzoeken, als dit het geval is, dit expliciet te verwoorden in de sectie ‘Basis voor ons oordeel’ aan de hand van onderstaande passage. Dit betekent dat de minister van SZW en UWV erop vertrouwen dat er volgens de accountant geen andere aangelegenheden zijn die tot een niet-goedkeurend oordeel zouden hebben geleid dat de in de aanvraag tot vaststelling opgenomen gegevens over de netto-omzet en de netto-omzetdaling niet in alle van materieel belang zijnde aspecten zijn opgesteld in overeenstemming met de vereisten bij of krachtens de NOW 1-regeling. In deze gevallen zullen het ministerie van SZW en het UWV de subsidie niet op nihil stellen, maar een korting op de subsidie toepassen.

Bijgevoegd is de passage opgenomen waarin de accountant aangeeft dat deze oordeelonthouding uitsluitend het gevolg is van inherente beperkingen:

Oordeelonthouding is uitsluitend het gevolg van inherente beperkingen op grond van Standaard 3900N13

Zoals uit het bovenstaande blijkt, is onze oordeelonthouding uitsluitend het gevolg van inherente beperkingen zoals gedefinieerd in Standaard 3900N.

Specifieke aspecten van de loonsom

Aangezien voor de loonsom drie specifieke aspecten op juistheid worden onderzocht, wordt van de accountant verwacht dat hij werkzaamheden uitvoert op basis waarvan hij concludeert of wel of niet is voldaan aan deze aspecten. Indien sprake is van afwijkingen inzake de specifieke aspecten van de loonsom verwacht de subsidieverstrekker dat de aanvrager alle afwijkingen herstelt door middel van een correctie in zijn loonaangifte en/of nabetaling van de nettolonen aan de werknemers waarvoor de lonen zijn opgenomen in de loonaangifte, alsmede dat de accountant dit vaststelt, vóórdat de accountant tot afgifte van zijn verklaring overgaat. Indien een werkgever op basis van dit onderzoek zijn loonaangifte corrigeert door de loonsom over de periode 1 maart tot en met 31 mei 202014 naar beneden bij te stellen (na de peildatum van 19 juli 2020) dient hij dit bij de aanvraag tot vaststelling te verklaren en daarbij tevens te verklaren per welke datum de laatste correctie naar beneden heeft plaatsgevonden. UWV gaat bij de vaststelling van de subsidie uit van deze datum. De accountant stelt dan vast of de werkgever deze bewering heeft opgenomen op het formulier en of per de datum, zoals vermeld in de aanvraag tot vaststelling, inderdaad de correctie in de loonaangifte heeft plaatsgevonden.

Mocht de aanvrager afwijkingen groter dan de materialiteit niet herstellen/corrigeren in overeenstemming met de voorgaande alinea, dan verwachten UWV en het ministerie van SZW dat de accountant, mede vanwege de aard van de specifieke aspecten, een afkeurend(e) oordeel/ conclusie in zijn assurance-rapport afgeeft. Dit zal leiden tot een vaststelling van de subsidie op nihil en terugvordering van de voorschotten. Als gevolg van het voorgaande zijn een oordeel/ conclusie met beperking of een oordeelonthouding/ onthouding van conclusie vanwege bevindingen ten aanzien van de loonsom niet aan de orde. Het betekent dat in geval een accountant de aannemelijkheid van de informatie niet heeft kunnen vaststellen, dit altijd moet worden aangemerkt als een fout (afwijking).

Aanvragen op grond van artikel 6a

Ook indien sprake is van het niet voldoen aan één of meer van de voorwaarden uit artikel 6a van de regeling, brengt de accountant dit altijd tot uitdrukking in zijn oordeel. Indien sprake is van het niet voldoen aan één of meer van de voorwaarden uit artikel 6a, al dan niet in combinatie met artikel 14, vijfde lid, onderdeel c, leidt dit altijd tot een afkeurend oordeel.

3.3. Overig

Het ministerie van SZW benadrukt dat de tolerantie, die de accountant hanteert voor het onderzoek van het formulier, alleen bedoeld is voor de opzet, uitvoering en evaluatie van de werkzaamheden van de accountant. Het is de werkgever niet toegestaan om de tolerantie te gebruiken als acceptabele foutmarge voor het opstellen van het formulier. Dit laatste geldt uiteraard voor alle opdrachten, inclusief aan assurance verwante opdrachten.

Tot slot wordt benadrukt dat van de accountant wordt verwacht dat de strekking van het oordeel of de conclusie wordt bepaald door het zwaarste oordeel of conclusie van de onderliggende assurance-objecten: netto-omzet, aspecten van de loonsom en, indien van toepassing, naleving van de voorwaarden op grond van artikel 6a. Indien de accountant bijvoorbeeld tot een goedkeurend(e) oordeel of conclusie komt voor de netto-omzet, maar tot een afkeurend(e) oordeel of conclusie over de aspecten van de loonsom, verstrekt de accountant een afkeurende verklaring.

Hoofdstuk 4. Format en inhoud accountantsverklaring

Het onderzoek van de accountant leidt tot een accountantsverklaring die samen met de aanvraag tot vaststelling bij het UWV wordt ingediend. Met de term accountantsverklaring wordt in dit protocol bedoeld een assurance-rapport volgens Standaard 3900N of een samenstellingsverklaring volgens NVCOS Standaard 4415N.

De formats van de verklaring van de accountant zijn opgenomen op de websites www.uwv.nl, www.rijksoverheid.nl en www.nba.nl. De accountant dient op grond van dit protocol verplicht gebruik te maken van deze verklaringen, die ook in pdf-versie beschikbaar zullen worden gesteld.

Zoals ook in paragraaf 1.1 is opgenomen, dient er rekening te worden gehouden met situaties waarbij sprake is van meerdere aanvragen binnen één groep, zoals vermeld in artikel 6 lid 5. Per loonheffingennummer dient een aanvraag tot vaststelling bij het UWV te worden ingediend. Voor de bepaling van het type accountantsproduct worden de criteria toegepast op het niveau van de groep, dat wil zeggen de subsidies van alle aanvragen binnen de groep en het voldoen aan de criteria voor controleplicht voor de groep. Het type accountantsverklaring dat hieruit volgt is van toepassing op alle aanvragen tot vaststelling binnen de groep. Bij elke aanvraag tot vaststelling dient een accountantsverklaring te worden verstrekt waarbij de gegevens van de omzet betrekking hebben op de groep en de aspecten van de loonsom (en aanvullende voorwaarden in geval van een aanvraag op grond van artikel 6a) op de individuele aanvrager (loonheffingennummer). In dit kader wordt tevens verwezen wordt tevens naar vereisten 64 tot en met 66 van Standaard 3900N en vereiste 30 van Standaard 4415N voor wat betreft het gebruik van gegevens van een andere accountant.

Hierna is nadere toelichting opgenomen voor de samenstellingsverklaring (kwadrant I) en het assurance-rapport (kwadranten II, III en IV, alsmede aanvragen op grond van artikel 6a).

Samenstellingsverklaring (kwadrant I)

Voor de verklaring inzake de aan assurance verwante opdracht geldt dat de accountant zelf heeft bijgedragen c.q. ondersteund bij de samenstelling van de aanvraag tot vaststelling. De gebruikers van zijn rapportage en de aanvraag tot vaststelling gaan ervanuit dat indien de accountant een samenstellingsverklaring heeft afgegeven de aanvrager in zijn aanvraag tot vaststelling alle bevindingen met betrekking tot de omzet heeft verwerkt c.q. laten verwerken en voor alle bevindingen ten aanzien van de specifieke aspecten van de loonsom vervolgacties hebben plaatsgevonden vóór afgifte van de verklaring. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3. De andere informatie die door het management van de organisatie is opgesteld en is opgenomen in de aanvraag tot vaststelling is volgens de accountant verenigbaar met de kennis en begrip die hij heeft verkregen naar aanleiding van de uitgevoerde werkzaamheden. Indien vorenstaande niet het geval is en/of niet heeft plaatsgevonden kan er ook geen samenstellingsverklaring verstrekt worden door de accountant.

Assurance-rapport met een beperkte mate van zekerheid (kwadrant II en III) en assurance-rapport met een redelijke mate van zekerheid (kwadrant IV en aanvragen ex artikel 6a)

De gebruikers van de assurance-rapporten en de aanvraag tot vaststelling verwachten dat alle bevindingen met betrekking tot de omzet zijn verwerkt in de aanvraag tot vaststelling en dat voor alle bevindingen ten aanzien van de specifieke aspecten van de loonsom vervolgacties hebben plaatsgevonden vóór afgifte van het assurance-rapport. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3. De andere informatie opgenomen in de aanvraag tot vaststelling is volgens de accountant verenigbaar met de kennis en begrip die hij heeft verkregen naar aanleiding van de uitgevoerde werkzaamheden.

De gebruikers verwachten vervolgens dat de accountant een eventuele niet-goedkeurend(e) oordeel of conclusie in een afzonderlijke paragraaf afdoende toelicht, inclusief kwantificering van het (mogelijke) effect bij een verklaring met beperking. Voor deze verklaring met beperking of een oordeelonthouding wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van dit protocol.

Omgang met kennis over het niet-naleven van de NOW-regeling die de accountant ter kennis komt na afgifte van de verklaring of het assurance-rapport

Indien de accountant informatie ontvangt (die ziet op de periode voor afgifte van het assurance-rapport) op basis waarvan hij vaststelt dat zijn verklaring of assurance-rapport onjuist is (bijv. tot de accountant is informatie gekomen waaruit blijkt dat de omzet over de meetperiode materieel hoger is dan gerapporteerd), dan dient hij zijn verklaring of assurance-rapport in te trekken en dient de aanvrager dit onverwijld te melden bij UWV. De accountant ziet erop toe dat deze melding plaats vindt.

Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 (aanvragen op grond van artikel 6a), dient de accountant, indien hij op een moment na afgifte van de verklaring of het assurance-rapport informatie ontvangt op basis waarvan hij vaststelt dat de aanvrager ná afgifte van zijn assurance-rapport niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de NOW-regeling, zoals deze additionele voorwaarden van artikel 6a, op grond van de NV NOCLAR, de werkgever te verzoeken dit kenbaar te maken aan de bevoegde instantie, in dit geval UWV15, en er op toe te zien dat dit daadwerkelijk plaats vindt. In deze situatie hoeft de accountant zijn assurance-rapport niet in te trekken, maar wordt wel verwacht dat hij erop toeziet dat de werkgever het niet voldoen aan de regeling aan UWV meldt en eventueel zelf meldt op grond van de NV NOCLAR. Een melding van fraude kan worden gedaan via de website van UWV.16

Bijlage I. Tabellen werkzaamheden

Algemene toelichting

In deze bijlage zijn in tabellen de voornaamste risico’s en (mogelijke) werkzaamheden met betrekking tot de regeling opgenomen die door de gebruiker zijn onderkend.

Onderscheid wordt gemaakt tussen tabellen voor aan assurance verwante opdrachten (tabellen deel A) respectievelijk tabellen voor assurance opdrachten (tabellen deel B). Dit onderscheid is van belang omdat voor aan assurance verwante opdrachten geldt dat de werkzaamheden (grotendeels) zijn voorgeschreven, terwijl voor assurance-opdrachten geldt dat de werkzaamheden gezien moeten worden als werkzaamheden samenhangend met mogelijke risico’s, afhankelijk van de risico-inschatting die de accountant dient uit te voeren op basis van vereisten 43 tot en met 47 in Standaard 3900N. Geadviseerd wordt dat deze risico-inschatting (met evaluatie en afweging) wordt vastgelegd in het reviewdossier. De aan assurance verwante opdrachten en assurance-opdrachten worden nader toegelicht voorafgaand aan de tabellen deel A en respectievelijk de tabellen deel B.

In de tabellen zijn de type werkzaamheden opgenomen. Voor de omvang en diepgang van de werkzaamheden wordt verwezen naar de Standaard 4415N, vereisten 26 tot en met 29 (Aan assurance verwante opdrachten) en Standaard 3900N (assurance-opdrachten), vereisten 30 tot en met 70’, alsmede hetgeen in de nadere toelichting voorafgaand aan de tabellen deel A en deel B is vermeld als gevolg van inherente beperkingen met betrekking tot de AO/IB samenhangend met de omzet.

Deel A. Nadere toelichting tabellen voor aan assurance verwante opdrachten (kwadrant I)

De accountant belast met een aan assurance verwante opdracht dient zich er bewust van te zijn dat er omstandigheden kunnen zijn die ertoe leiden dat de aangeleverde informatie en documentatie onjuist en/of niet volledig is. Daarom zijn er voor hem aanvullende werkzaamheden opgenomen die naast de reguliere werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden.

Voor inherente beperkingen met betrekking de AO/IB samenhangend met de omzet geldt het volgende: Bij de organisaties waarbij van de accountant gevraagd wordt om een aan assurance verwante opdracht (inclusief aanvullende werkzaamheden) uit te voeren, zou het kunnen zijn dat de AO/IB, gezien de relatief beperktere omvang van de onderneming, niet van voldoende niveau is en/of niet voldoende heeft gefunctioneerd. Bij deze organisaties wordt dit laatste echter ook niet gevraagd. Het niet voldoende aanwezig zijn of niet voldoende functioneren van procedures samenhangende met de omzet hoeft derhalve geen gevolgen te hebben voor het kunnen afgeven van de samenstellingsverklaring, die wordt verstrekt aan UWV en het ministerie van SZW. Benadrukt wordt dat de accountant in dergelijke situaties wel de omvang en diepgang van zijn de werkzaamheden uitbreidt. In algemene zin geldt bij de tabellen dat de mate van diepgang van de werkzaamheden van de accountant mede afhankelijk is van de aard en kwaliteit van de administratie.

De tabellen zijn als volgt onderverdeeld:

Tabel A.1: risico’s en werkzaamheden rapportage juiste niveau omzetdaling

Tabel A.2: risico’s en werkzaamheden netto-omzet referentieperiode

Tabel A.3: risico’s en werkzaamheden netto-omzet meetperiode

Tabel A.4: risico’s specifieke werkzaamheden loonsom

De niet-schuingedrukte werkzaamheden zijn verplicht, tenzij het risico evident niet aanwezig is (bijvoorbeeld: er zijn geen risico’s op fouten met onderhanden projecten, omdat de onderneming deze niet heeft). Schuingedrukt zijn mogelijke werkzaamheden opgenomen die de accountant kan verrichten indien hij dit nodig acht. Daarnaast kan de accountant op grond van zijn professioneel kritische instelling zelf aanvullende werkzaamheden bepalen.

Deel A. Tabellen voor aan assurance verwante opdrachten

NB: Vanwege de leesbaarheid van de teksten in de tabel is in de tekst ‘de accountant stelt vast’/’ de accountant gaat na’ ook begrepen dat de accountant rekening houdt met het risico bij het zelfstandig opstellen/bepalen van de aanvraag tot vaststelling.

Tabel A1: Risico’s en werkzaamheden bepaling juiste niveau omzet (kwadrant I)

ONDERDEEL NIVEAU GROEPS-/WERKMAATSCHAPPIJ

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

       

1.1

Het risico bestaat dat de werkgever het omzet verlies berekent op het niveau van de werkgever en niet op het niveau van de relevante groep of moeder(s)/dochter(s).

1.1a

De accountant stelt vast dat de omzetdaling in de meetperiode op het juiste organisatorische niveau is berekend.

   

1.1b

De accountant gaat na wie de aandeelhouders zijn van de organisatie van de werkgever, en waar relevant wie haar aandeelhouders zijn tot op het hoogste groepsniveau.

   

1.1c

De accountant gaat na welke entiteiten tot de groep op het hoogste niveau behoren.

1.2

Het risico bestaat dat de organisatie van de werkgever zich niet realiseert dat haar buitenlandse moeder andere Nederlandse deelnemingen of buitenlandse deelnemingen met Nederlands SV loon heeft

1.2a

De accountant stelt vanuit de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij op het hoogste niveau en aanvullende documenten vast welke Nederlandse deelnemingen en welke buitenlande deelnemingen met SV-loon in deze jaarrekening zijn geconsolideerd. De accountant stelt vast (ook in geval van wijzigingen hierin) dat hiermee bij de bepaling van de omzetdaling rekening is gehouden. Hij verkrijgt daartoe de juridische structuur per 1 maart 2020 en die over 2019 en stelt vast of er wijzigingen hebben plaatsgevonden.

Indien er een geconsolideerde jaarrekening is (zonder wijzigingen):

De accountant stelt vanuit de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij op het hoogste niveau vast welke Nederlandse organisaties en buitenlandse deelnemingen met Nederlands SV-loon in deze jaarrekening zijn geconsolideerd. Hierbij wordt uitgegaan van de laatste vastgestelde jaarrekening per 1 maart 2020.

Indien er een geconsolideerde jaarrekening is (met overnames):

De accountant stelt vast welke Nederlandse organisaties en buitenlandse deelnemingen met Nederlands SV-loon tot de groep behoren en gaat na per welke datum deze situatie geldt.

Indien er geen geconsolideerde jaarrekening is:

De accountant verkrijgt de juridische structuur per 1 maart 2020 en die over 2019 en stelt vast of er wijzigingen hebben plaatsgevonden.

1.3

Het risico bestaat dat binnen de groep niet dezelfde meetperiode is gehanteerd.

1.3a

De accountant stelt vast dat per entiteit binnen de groep dezelfde meetperiode is gehanteerd.

Tabel A2: Risico’s en werkzaamheden omzet referentieperiode (kwadrant I)

ONDERDEEL OMZET REFERENTIERPERIODE

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

2.1

Het risico bestaat dat de netto-omzet over de referentieperiode niet is bepaald in overeenstemming met de definitie van artikel 1 lid 2 (rechtspersonen en natuurlijke personen), alsmede de toelichting hierop (7. Definitie van de omzet)

2.1a

De accountant stelt vast dat de omzet voor de referentieperiode correct is berekend in overeenstemming met artikel 1, lid 2, artikel 6, lid 2, en de toelichting. De accountant bespreekt met het management hoe deze de opgave heeft opgesteld: hoe de netto-omzet is bepaald t.b.v. de NOW-subsidie op grond van de NOW-regeling; hoe is gewaarborgd dat grondslagen goed zijn toegepast; en hoe de juistheid van de referentie-omzet is gewaarborgd. Hierbij mag uitgegaan worden van de samengestelde definitieve jaarrekening 2019 of, in geval van een gebroken verslagjaar, de samengestelde definitieve jaarrekeningen 2018/2019 en 2019/2020, waarbij wel vastgesteld wordt of de juiste definitie is gehanteerd. Is de jaarrekening 2019 nog niet samengesteld, dan dienen wel aanvullende werkzaamheden over 2019 te worden uitgevoerd in het kader van de afgrenzing. Zie hierna ook 2.5 in deze tabel.

2.2

Het risico bestaat dat de netto-omzet in de referentieperiode nog niet is samengesteld c.q. vastgesteld als onderdeel van de jaarrekening.

2.2a

De accountant stelt vast dat de werkgever de jaarrekening over 2019 heeft vastgesteld of dat de samenstellingsverklaring (of beoordelingsverklaring) hierbij door de accountant is afgegeven en dat de omzet uit de referentieperiode aansluit (of is aangesloten) op de jaarrekening. Voor zover er rekening is gehouden met buitenlandse organisaties is van belang dat buitenlandse ondernemingen zonder Nederlands SV-loon niet worden meegenomen in de berekening van de omzet van de referentieperiode en de meetperiode.

   

2.2b

Indien de jaarrekening nog niet is vastgesteld c.q. de samenstellingsverklaring (of beoordelingsverklaring) nog niet is afgegeven wordt dit proces bij voorkeur eerst afgerond. Indien dit niet mogelijk is, dan dient de accountant de achterliggende administratie te betrekken bij zijn onderzoek.

   

2.2c

Indien sprake is van een gebroken boekjaar:

De accountant stelt vast dat de werkgever de jaarrekening over 2018/2019 en 2019/2020 (in geval van een gebroken verslagjaar) heeft vastgesteld of dat de samenstellingsverklaring hierbij door de accountant is afgegeven. Indien niet, zie 2.2b.

2.3

Het risico bestaat dat in geval van een gebroken boekjaar de afgrenzing niet correct is bepaald.

2.3a

De accountant stelt bij een gebroken boekjaar de toerekening van de omzet vast door;

• Aansluiting met de Btw-afdrachten

• Aansluiting met de administratie

• De beoordeling van de verwerking van facturen rondom de afgrenzingsdatum (1 januari 2019 en 31 december 2019) van het gebroken boekjaar: De splitsing van de omzet op peilmoment 1 januari 2019 in het gebroken boekjaar 2018/2019 en de splitsing van de omzet op peilmoment 31 december 2019 in het gebroken boekjaar 2019/2020.

2.4

Het risico bestaat dat ter bepaling van de omzet in de referentieperiode niet het juiste aantal maanden is genomen ter bepaling/berekening van de omzet.

2.4a

Indien er sprake is van een onderneming die na 1 januari 2019 is gestart stelt de accountant de juiste ingangsdatum vast aan de hand van officiële documenten zoals contracten, notariële aktes etc. Bij start of overgang van onderneming na 1 januari 2019 geldt een afwijkende berekening (zie paragraaf 2.2.1).

   

2.4b

Indien er sprake is van overgang van onderneming (overgang van een economische eenheid) gedurende 2019 of uiterlijk 1 februari 2020 stelt de accountant de juiste ingangsdatum vast aan de hand van officiële documenten zoals contracten, notariële aktes etc. Bij start of overgang van onderneming na 1 januari 2019 geldt een afwijkende berekening (zie paragraaf 2.2.1).

2.5

Het risico bestaat dat de afgrenzing van de netto-omzet (referentieperiode) tussen 2019 en 2020 niet juist heeft plaatsgevonden omdat de jaarrekening niet reeds was samengesteld, beoordeeld en/of vastgesteld vóór 1 april 2020. Het risico is dat de netto-omzet 2019 ten onrechte hoger wordt vastgesteld en zo een hogere omzetdaling wordt gerealiseerd, tenzij de accountant hier in de samenstellingsopdracht of beoordelingsopdracht voor de jaarrekening 2019 al rekening mee heeft gehouden.

2.5a

De accountant stelt vast dat de omzet in de juiste periode (jaar) is verantwoord waarbij met name aandacht moet zijn voor verschuivingen van omzet van 2020 naar 2019.

   

2.5b

De accountant stelt vast dat de omzet aansluit met de aangifte BTW / suppletieaangifte en met eventuele subsidiebeschikkingen (indien ook onderdeel van de netto-omzet volgens de regeling artikel 6, lid 5)

   

2.5c

De accountant analyseert de handmatige journaalposten, creditboekingen/nota’s, kortingen en ongebruikelijke boekingen per jaareinde 2019 (afgrenzing) op relevantie voor de regeling.

   

2.5d

De accountant stelt van facturen geboekt in december 2019 vast dat de leveringsdatum/datum van de goederen/dienstverlening niet in 2020 is.

   

2.5e

De accountant analyseert de bepaling van het onderhanden werk/ onderhanden projecten op tendenties om omzet naar 2019 te boeken. (Bijvoorbeeld; meerwerk 2020 ten onrechte meenemen in 2019).

   

2.5f

Omzetbonussen moeten in de juiste periode opgenomen worden. Bij het samenstellen houdt de accountant hier rekening mee. Omzetbonussen over 2020 dienen in boekjaar 2020 verantwoord te worden.

Tabel A3: Risico’s en werkzaamheden omzet meetperiode (kwadrant I)

ONDERDEEL OMZET MEETPERIODE

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

3.1

Het risico bestaat dat de omzetdefinitie niet consistent is gehanteerd

3.1a

De accountant gaat na dat de omzet correct is berekend en hierbij sprake is van een consistente toepassing conform de in de laatst vastgestelde jaarrekening /IB-aangifte gehanteerde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling.

   

3.1b

De accountant gaat na of er sprake is van een consistente toepassing van de presentatie van de omzet conform de laatst vastgestelde jaarrekening met specifieke aandacht voor de tendentie die het management kan hebben (door bijvoorbeeld omzet te verschuiven of subsidies niet meenemen.

   

3.1c

De accountant bespreekt met het management hoe deze de opgave dan wel documenten ten grondslag aan de opgave heeft opgesteld: Hoe de netto-omzet is bepaald t.b.v. de NOW-subsidie op grond van de NOW-regeling; Hoe is gewaarborgd dat grondslagen goed zijn toegepast; en hoe juistheid en volledigheid omzet meetperiode is gewaarborgd.

   

3.1d

De accountant neemt kennis van de interne managementrapportages en notulen en onderzoekt verschillen met de verantwoording voor de NOW-subsidie alsmede mogelijke tendenties die hieruit blijken.

   

3.1e

De accountant sluit de omzet zoals opgenomen in de aanvraag tot vaststelling aan met de financiële administratie 2020.

   

3.1f

De accountant gaat de juiste classificatie/presentatie van omzet na met specifieke aandacht voor de tendentie die het management hierbij kan hebben (door bijvoorbeeld subsidies niet mee te nemen).

3.2

Het risico bestaat dat de meetperiode volgens de aanvraag gedaan bij opening van de regeling niet overeenkomt met de meetperiode zoals gebruikt in het formulier tot vaststelling.

3.2a

De accountant vergelijkt de meetperiode volgens de aanvraag met het formulier tot vaststelling. De accountant dient vast te stellen dat de meetperiode overeenkomt met de aanvraag voor de subsidie.

Toelichting:

Werkgevers kunnen kiezen of zij de omzetdaling berekenen over de meetperiode startend op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. Het moet daarbij altijd om een aaneensluitende periode van drie maanden gaan. Werkgevers moeten deze keuze voor de meetperiode maken bij de aanvraag; bij de aanvraag tot definitieve afrekening kan de meetperiode niet meer worden aangepast.

3.3

Het risico bestaat dat binnen de groep aanvragen zijn ingediend bij de opening van de regeling waarbij entiteiten binnen groep verschillende meetperiodes hebben gehanteerd.

3.3a

De accountant stelt vast dat de meetperiode voor alle aanvragen tot vaststelling binnen het concern/groep gelijk zijn.

De accountant dient vast te stellen dat de periode in aanvraag tot vaststelling overeenkomt met de aanvraag.

De werkgever en het concern/groep hebben anders een aanvraag gedaan die in strijd is met de regeling. Werkgever en het concern moeten dan eerst de fout herstellen. Anders kan er niet een juist vaststellingsverzoek worden ingediend.

3.4

Het risico bestaat dat de afgrenzing van de netto-omzet in de meetperiode in 2020 niet juist heeft plaatsgevonden. Het risico is dat de omzet in de meetperiode te laag wordt opgegeven waardoor een te grote omzetdaling wordt gerealiseerd.

3.4a

De accountant doet onderzoek of de omzet in de juiste meetperiode is verantwoord waarbij met name aandacht moet zijn voor verschuivingen van omzet in de meetperiode naar vóór of na de meetperiode.

   

3.4b

De accountant voert een cijferanalyse uit op de netto-omzet voor wat betreft de periode vóór de meetperiode, de periode tijdens de meetperiode en de periode na de meetperiode met als doel mogelijke verschuivingen van de omzet van de meetperiode naar buiten de meetperiode te detecteren. Hij stelt vast of er uitkomsten zijn die nader in detail onderzocht moeten worden.

Toelichting; denk hierbij aan cijferanalyses (inclusief mogelijke logische verbanden) van omzet en debiteuren, voorraden/OHW, inkopen versus verkopen en urenregistraties (kosten van de omzet) gericht op risico’s van verschuivingsgevaar o.b.v. verwachtingen en mogelijke patronen.

   

3.4c

De accountant stelt vast dat de netto omzet in de gekozen meetperiode aansluit op de gerapporteerde omzet in het formulier aanvraag tot vaststelling en stel vast dat er ook een aansluiting is met de financiële administratie, tussentijdse rapportages etc. Let daarbij op de juiste afgrenzing, relevantie van OHW, bestendige toepassing van verslaggevingsprincipes, boekingen op juiste rekeningen.

   

3.4d

De accountant stelt de aansluiting vast met de aangifte BTW / suppletieaangifte en eventuele subsidiebeschikkingen (indien ook onderdeel van de netto-omzet volgens de regeling artikel 6, lid 5).

   

3.4e

De accountant analyseert de handmatige journaalposten, creditboekingen/nota’s, kortingen en ongebruikelijke boekingen (afgrenzing) op juistheid met inachtneming van de geïdentificeerde risico’s op grond van de geldende regeling.

   

3.4f

De accountant analyseert de bepaling van het onderhanden werk/onderhanden projecten op tendenties om omzet buiten de meetperiode te boeken. (Bijvoorbeeld; meerwerk april ten onrechte meenemen in juni).

   

3.4g

De accountant analyseert berekening van nog te ontvangen bonussen die betrekking hebben op de omzet 2019 door af te stemmen met contracten, de voor de berekening relevante informatie te beoordelen en na te gaan of reeds ontvangen voorschotten over 2019 juist zijn verwerkt. Omzetbonussen over 2020 dienen in boekjaar 2020 verantwoord te worden.

/toegerekend.

   

3.4h

De accountant stelt aan de hand van de bankafschriften en kasontvangsten vast of zowel voorafgaande, gedurende als na afloop van de meetperiode de omzet samenhangend met de ontvangen gelden op een correcte wijze zijn toegerekend aan de meetperiode en gaat na of hier aanwijzingen voor opbrengsten uit naar voren komen die niet als omzet in de meetperiode zijn verantwoord.

   

3.4i

De accountant neemt het grootboek door op mogelijke niet op omzetrekeningen geboekte omzet. Hij beoordeelt daar met name boekingen die in het dagboek verkoop (of het dagboek waar normaliter de omzet in wordt geboekt, bijvoorbeeld kasboek bij horeca) zijn geboekt maar niet op een omzetrekening zijn geboekt en overige onverklaarbare creditboekingen op andere grootboekrekeningen, zoals bijvoorbeeld tussenrekeningen.

De accountant onderzoekt de geboekte omzet door analyse en overige werkzaamheden uit te voeren t.a.v. de omzet geboekt voorafgaande aan de meetperiode en na afloop de meetperiode.

Toelichting: Risico is dat omzet buiten de meetperiode wordt verantwoord terwijl die wel betrekking wel heeft op de meetperiode (levering heeft wel plaatsgevonden bijvoorbeeld).

3.5

Omzet verantwoorden buiten de entiteit/groep. Het risico bestaat dat activiteiten en of omzet buiten de entiteit is verantwoord, bv. winkel binnen winkel, andere entiteit, van zakelijk naar privé (volledigheid en afgrenzing)

3.5a

De accountant bespreekt met het management hoe Covid-19 effect heeft gehad op de activiteiten en wat het management heeft gedaan om de onderneming overeind te houden. Aanvullend bespreken of in de administratie voldoende aandacht is geweest voor het risico dat activiteiten en of omzet buiten de omzetverantwoording is gehouden of dat er naar de mening van het management mogelijk omzet niet in de administratie is verantwoord.

De accountant gaat hierbij tevens na of op andere manieren omzet gerealiseerd is die niet verantwoord is. Dit betreft onder meer de omzet uit nieuwe, alternatieve, activiteiten, omzetcompensatie-subsidies en omzet samenhangend met het uitlenen van personeel aan andere organisaties.

3.6

Het risico bestaat dat transacties met verbonden partijen niet volledig en nauwkeurig zijn verantwoord (niet at ‘arms length’).

3.6a

De accountant bespreekt met management of transacties met verbonden partijen hebben plaatsgevonden en zo ja, of deze goed zijn verantwoord.

3.7

Het risico bestaat op onjuiste presentatie en waardering van netto-omzet.

3.7a

De accountant stelt vast dat dezelfde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gehanteerd voor de meetperiode als voor het boekjaar 2019.

3.8

Het risico bestaat dat andere netto-omzet niet wordt verantwoord.

3.8a

De accountant gaat na of vervreemde activa met opbrengsten op een juiste wijze zijn verantwoord in de omzet. Gedacht kan worden aan afvalproducten met opbrengsten of incourante voorraden met een restwaarde.

   

3.8

De accountant beoordeelt contracten, notulen op (incidentele) omzet en omzet elders verantwoord.

3.9

Het risico bestaat dat barter/ruil transacties niet verwerkt zijn als omzet en kosten.

3.9a

De accountant bespreekt met het management of barter-transacties (ruiltransacties) hebben plaatsgevonden en hoe deze zijn verwerkt. Hij onderzoekt daartoe notulen en andere documentatie om vast te stellen dat alle barter-transacties zijn geïdentificeerd en verwerkt conform de grondslagen van de vennootschap.

3.10

Het risico bestaat dat niet-betaalde of oninbare facturen niet zijn opgegeven als omzet.

3.10a

De accountant stelt vast dat facturen in de juiste periode zijn verantwoord, ook als er sprake is van (mogelijke) oninbaarheid. Hij let hierbij onder andere op opeenvolgende nummering en dateringen op de facturen.

Toelichting: ook al zijn de facturen nog niet (of later) betaald of oninbaar, dan dienen deze wel als omzet te worden meegenomen (uitgezonderd verantwoordingen op kasstelsel).

3.11

Het risico bestaat dat onderneming andere subsidieregelingen niet heeft verantwoord in de meetperiode.

3.11a

Overige baten die behoren tot de normale activiteiten van de organisatie behoren ook tot de omzet worden gerekend (zie artikel 1 lid 2). Onder overige baten vallen bijvoorbeeld ook de subsidies die bedoeld zijn als compensatie van de omzetdaling niet zijnde de NOW-subsidie. De accountant stelt vast of ook aanspraak is gemaakt op andere subsidieregelingen en of de verantwoording in de juiste periode heeft plaatsgevonden.

3.12

Het risico bestaat dat facturatie niet in de juiste periode hebben plaatsgevonden.

3.12a

De accountant analyseert de vooruit gefactureerde posten en de vooruit ontvangsten van klanten in de meetperiode en vooruit gefactureerde posten en vooruit ontvangsten in de periode vóór de meetperiode. De accountant gaat na dat verantwoording in de juiste periode heeft plaatsgevonden.

Tabel A4: Risico’s en specifieke werkzaamheden loonsom (kwadrant I)

ONDERDEEL LOONSOM

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

4.1

Het risico bestaat dat de lonen en salarissen niet uitbetaald worden terwijl wel de NOW vergoeding wordt geclaimd.

4.1a

De accountant stelt vast dat de lonen en salarissen over de periode maart-mei uitbetaald zijn door een aansluiting te maken tussen de gerapporteerde loonheffingennummers met bijbehorende loonaangifte, de verzamelloonstaat en de bank- en kasbetalingen. Indien het niet aansluit gaat hij na of na deze periode er salarisbetalingen hebben plaatsgevonden die zien op de loonaangifte van de eerdere periode (foutherstel), waardoor vastgesteld kan worden dat de salarissen zijn betaald.

4.2

Het risico bestaat dat de lonen en salarissen niet op de juiste bankrekeningen worden uitbetaald.

4.2a

De accountant stelt vast dat de uitbetaling van de lonen en salarissen is gedaan op de bankrekeningnummers van de werknemers zoals opgenomen in het personeelsdossier van de werknemer. Hij beoordeelt daarbij eventuele wijzigingen in de bankrekeningnummers in maart-mei ten opzichte van bankrekeningnummers in de maand januari 2020

4.3

Het risico bestaat dat de loonsom op niveau wordt gehouden door het afsluiten van gefingeerde arbeidsovereenkomsten.

4.3b

De accountant beoordeelt de nieuwe dienstverbanden en uitbreidingen van dienstverbanden op aannemelijkheid op basis van een gesprek met het management en eventuele overige documentatie, zoals arbeidsovereenkomsten, over de functie en werkzaamheden van het nieuw aangenomen personeel c.q. de uitbreiding van het dienstverband, toegang die zij hebben tot de werkplek en het bestaan van vacatures.

Een mogelijke werkzaamheid is dat de accountant de uitdiensttredingen vanaf juni 2020 en oktober 2020 (in verband met het aflopen van de periode van NOW2) in het personeelsbestand in zijn onderzoek betrekt.

Deel B. Nadere toelichting tabellen voor assurance-opdrachten (kwadranten II, III en IV en aanvragen op grond van artikel 6a)

Hierna zijn tabellen opgenomen met mogelijke risico’s die zijn geïdentificeerd in het kader van de regeling en mogelijke werkzaamheden die door een accountant kunnen worden uitgevoerd in het kader van een assurance-opdracht. Niet alle risico’s in deze tabellen zullen bij elke organisatie relevant zijn en deze tabellen bevatten ook niet alle risico’s. Hetzelfde geldt voor de kolom met mogelijke werkzaamheden om informatie te verkrijgen dat de risico’s niet hebben geleid tot een materiële afwijking. De accountant zal op basis van de specifieke situatie in het kader van zijn professioneel-kritische instelling en risicoanalyse moeten bepalen welke risico’s aanwezig zijn en welke werkzaamheden hij uit zal voeren om hierop in te spelen. Daarnaast is het ook mogelijk dat er andere risico’s en werkzaamheden zijn die niet zijn opgenomen in de tabellen. De accountant zal de werkzaamheden dan ook op maat moeten maken en deze zijn onder meer afhankelijk van de typologie, of de accountant al dan niet moet, wil en/of kan steunen op de AO/IB, of er eerder accountantscontrole heeft plaatsgevonden, of er wijzigingen zijn in omstandigheden bij de werkgever, etc. De accountant is verantwoordelijk om voldoende en geschikte assurance-informatie te verzamelen voor zijn assurance-rapport. Hierbij is relevant dat de gebruiker van de accountant verwacht dat er een volledige risicoanalyse en planning en uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden en is vastgelegd in het dossier, die bij een assurance-opdracht met een beperkte mate van zekerheid gelijk is aan die met een redelijke mate van zekerheid. Alleen bij de evaluatie en rapportering zullen beide opdrachten uit elkaar lopen. Dat wordt hieronder (schuingedrukt) uiteengezet.

Voor inherente beperkingen met betrekking de AO/IB samenhangend met de omzet geldt het volgende:

In het geval van een assurance-opdracht met een redelijke mate van zekerheid is het van belang dat de accountant vaststelt dat de onvervangbare maatregelen van AO/IB, die van invloed zijn op de vaststelling van de omzet hebben gefunctioneerd.

Indien dat niet het geval is, kan dat niet gecompenseerd worden met gegevensgerichte werkzaamheden. De gebruikers verwachten echter dat de organisaties waarvan een assurance-rapport met een redelijke mate van zekerheid wordt gevraagd een dusdanig grote omvang hebben dat het functioneren van de onvervangbare maatregelen van AO/IB, ook gedurende de periode van COVID-19, veelal van voldoende niveau is gebleven c.q. had moeten blijven, en dat dit achteraf door de accountant kan worden vastgesteld. Mocht dit desondanks niet het geval zijn, dan dient de accountant de omvang en diepgang van de werkzaamheden uit te breiden, in vergelijking met situaties waarin de accountant wél heeft kunnen vaststellen dat de betreffende procedures, inclusief onvervangbare maatregelen van AO/IB, toereikend zijn én ook gedurende de meetperiode in voldoende mate hebben gefunctioneerd.

Voorts dient de accountant in een dergelijke situatie in zijn assurance-rapport de eventuele oordeelonthouding in een afzonderlijke paragraaf te onderbouwen en hierbij gebruik te maken van het format dat beschikbaar gesteld wordt. De minister van SZW en het UWV verzoeken daarom de accountant in een oordeelonthouding tot uitdrukking te brengen, indien van toepassing, dat deze oordeelonthouding uitsluitend komt door inherente beperkingen zoals toegelicht in Standaard 3900N. Dit laatste is voor de gebruikers van belang om het recht op en de hoogte van de subsidie te kunnen vaststellen.

Bij organisaties waar gevraagd wordt om een assurance-opdracht met een beperkte mate van zekerheid zou het kunnen zijn dat de AO/IB samenhangend met de omzet, gezien de relatief beperktere omvang van de onderneming, niet van voldoende niveau is en/of niet voldoende heeft gefunctioneerd om een oordeel te geven met een redelijke mate van zekerheid. Bij deze organisaties wordt dit laatste ook niet gevraagd. Het niet voldoende aanwezig zijn of niet voldoende functioneren van procedures ten behoeve van de omzet hoeft voor deze opdracht derhalve geen gevolgen te hebben voor de strekking van de conclusie die wordt verstrekt aan UWV. Benadrukt wordt dat de accountant in dergelijke situaties wel de omvang en diepgang van de (gegevensgerichte) werkzaamheden dient uit te breiden, in vergelijking met situaties waarin de accountant wél heeft kunnen vaststellen dat de betreffende procedures, inclusief onvervangbare maatregelen van AO/IB, toereikend zijn én ook gedurende de meetperiode in voldoende mate hebben gefunctioneerd. Hierbij wordt ook verwezen naar hetgeen in Standaard 3900N is vermeld hierover.

De tabellen voor de assurance opdracht zijn als volgt onderverdeeld:

Tabel B1: risico’s en werkzaamheden rapportage juiste niveau omzetdaling

Tabel B2: risico’s en werkzaamheden netto-omzet referentieperiode

Tabel B3: risico’s en werkzaamheden netto-omzet meetperiode

Tabel B4: risico’s specifieke werkzaamheden loonsom

Tabel B5: aanvullende risico’s en aanvullende werkzaamheden inzake artikel 6a

Deel B. Tabellen voor assurance-opdrachten

Tabel B1: Risico’s en werkzaamheden bepaling juiste niveau omzet

ONDERDEEL NIVEAU GROEPS-/WERKMAATSCHAPPIJ

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

1.1

Het risico bestaat dat de werkgever het omzet verlies berekent op het niveau van de werkgever en niet op het niveau van de relevante groep of moeder(s)/dochter(s).

1.1a

De accountant stelt vast dat de omzetdaling in de meetperiode op het juiste organisatorische niveau is berekend.

   

1.1b

De accountant gaat na wie de aandeelhouders zijn van de organisatie van de werkgever, en waar relevant wie haar aandeelhouders zijn tot op het hoogste groepsniveau.

   

1.1c

De accountant gaat na welke entiteiten tot de groep op het hoogste niveau behoren.

   

1.1d

De accountant gaat na dat de netto-omzet van alle Nederlandse organisaties alsmede buitenlandse organisaties met Nederlands SV-loon zijn meegenomen om tot de omzetdaling te komen zoals opgenomen in de aanvraag tot vaststelling.

1.2

Het risico bestaat dat de organisatie van de werkgever zich niet realiseert dat haar buitenlandse moeder andere deelnemingen met Nederlands SV loon heeft

1.2a

De accountant stelt vanuit de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij op het hoogste niveau en aanvullende documentatie vast welke Nederlandse deelnemingen en welke buitenlande deelnemingen met SV-loon in deze jaarrekening zijn geconsolideerd. De accountant stelt vast (ook in geval van wijzigingen hierin) dat hiermee bij de bepaling van de omzetdaling rekening is gehouden. Hij verkrijgt daartoe de juridische structuur per 1 maart 2020 en die over 2019 en stelt vast of er wijzigingen hebben plaatsgevonden.

Indien er een geconsolideerde jaarrekening is (zonder wijzigingen):

De accountant stelt vanuit de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij op het hoogste niveau vast welke Nederlandse organisaties en buitenlandse deelnemingen met Nederlands SV-loon in deze jaarrekening zijn geconsolideerd. Hierbij wordt uitgegaan van de laatste vastgestelde jaarrekening per 1 maart 2020.

Indien er een geconsolideerde jaarrekening is (met overnames):

De accountant stelt vast welke Nederlandse organisaties en buitenlandse deelnemingen met Nederlands SV-loon tot de groep behoren en gaat na per welke datum deze situatie geldt.

Indien er geen geconsolideerde jaarrekening is:

De accountant verkrijgt de juridische structuur per 1 maart 2020 en die over 2019 en stelt vast of er wijzigingen hebben plaatsgevonden.

1.3

Het risico bestaat dat binnen de groep niet dezelfde meetperiode is gehanteerd.

1.3a

De accountant stelt vast dat per entiteit binnen de groep dezelfde meetperiode is gehanteerd.

Voor de specifieke risico’s, en de daaraan gekoppelde werkzaamheden m.b.t. aanvragen tot vaststelling op niveau van werkmaatschappij (gebruik van artikel 6a) wordt verwezen naar tabel B5.

Tabel B.2: Risico’s en werkzaamheden omzet referentieperiode

ONDERDEEL OMZET REFERENTIERPERIODE

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

2.1

Het risico bestaat dat de netto-omzet over de referentieperiode niet is bepaald in overeenstemming met de definitie van artikel 1 lid 2 (rechtspersonen en natuurlijke personen), alsmede de toelichting hierop (7. Definitie van de omzet)

2.1a

De accountant stelt vast dat de omzet voor de referentieperiode correct is berekend in overeenstemming met artikel 1 lid 2 en artikel 6 lid 2 en de toelichting. De accountant bespreekt met het management hoe deze de opgave heeft opgesteld: Hoe de netto-omzet is bepaald t.b.v. de NOW-subsidie op grond van de NOW-regeling; Hoe is gewaarborgd dat grondslagen goed zijn toegepast; en hoe juistheid referentie-omzet is gewaarborgd. Hierbij mag uitgegaan worden van de gecontroleerde en/of samengestelde definitieve (inrichtings)jaarrekening 2019 of, in geval van een gebroken verslagjaar, de gecontroleerde en/of samengestelde definitieve jaarrekeningen 2018/2019 en 2019/2020, waarbij wel vastgesteld wordt of de juiste definitie is gehanteerd. Is de jaarrekening 2019 nog niet gecontroleerd, beoordeeld of samengesteld, dan dienen wel aanvullende werkzaamheden over 2019 te worden uitgevoerd in het kader van de afgrenzing. Zie hierna ook 2.5 in deze tabel.

2.2

Het risico bestaat dat de netto-omzet in de referentieperiode nog niet is gecontroleerd c.q. vastgesteld als onderdeel van de jaarrekening.

2.2a

De accountant stelt vast dat de werkgever de jaarrekening over 2019 heeft vastgesteld of dat de controle hierop door de accountant is afgerond en dat de omzet uit de referentieperiode aansluit op de jaarrekening. Voor zover er rekening is gehouden met buitenlandse organisaties is van belang dat buitenlandse ondernemingen zonder Nederlands SV-loon niet worden meegenomen in de berekening van de omzet van de referentieperiode en de meetperiode.

   

2.2b

Indien de jaarrekeningcontrole, beoordeling of samenstelling is nog niet afgerond wordt dit proces bij voorkeur eerst afgerond, of dient de jaarrekening eerst te worden vastgesteld. Hierbij dient aandacht te zijn voor de omstandigheid dat de jaarrekening is vastgesteld na 1 april 2020 (in verband met het mogelijk verhoogde verschuivingsrisico indien er sprake is van een vaststelling na bekendmaking van de NOW-regeling), tenzij de accountant niet in de samenstellingsopdracht of beoordelingsopdracht voor de jaarrekening 2019 al rekening mee heeft gehouden.

Indien de samenstelling van de jaarrekening is nog niet afgerond wordt dit proces bij voorkeur eerst afgerond.

   

2.2c

Indien sprake is van een gebroken boekjaar:

De accountant stelt vast dat de werkgever de jaarrekening over 2018/2019 en 2019/2020 (in geval van een gebroken verslagjaar) heeft vastgesteld of dat de controle hierop door de accountant is afgerond. Indien niet, zie 2b.

2.3

Het risico bestaat dat in geval van een gebroken boekjaar de afgrenzing niet correct is bepaald.

2.3a

De accountant stelt bij een gebroken boekjaar de toerekening van de omzet vast door;

• Aansluiting met de BTW-afdrachten

• Afstemming met de administratie

• De verwerking van facturen rondom de afgrenzingsdatum van het gebroken boekjaar

• De splitsing van de omzet op peilmoment 1 januari 2019 in het gebroken boekjaar 2018/2019 en de splitsing van de omzet op peilmoment 31 december 2019 in het gebroken boekjaar 2019/2020.

2.4

Het risico bestaat dat ter bepaling van de omzet in de referentieperiode niet het juiste aantal maanden is genomen ter bepaling/berekening van de omzet.

2.4a

Indien er sprake is van een onderneming die na 1 januari 2019 is gestart stelt de accountant de juiste ingangsdatum vast aan de hand van officiële documenten zoals contracten, notariële aktes etc. Bij start of overgang van onderneming na 1 januari 2019 geldt een afwijkende berekening (zie paragraaf 2.2.1).

   

2.4b

Indien er sprake is van overgang van onderneming (overgang van economische eenheid) gedurende 2019 of uiterlijk 1 februari 2020 stelt de accountant de juiste ingangsdatum vast aan de hand van officiële documenten zoals contracten, notariële aktes etc. Bij start of overgang van onderneming na 1 januari 2019 geldt een afwijkende berekening (zie paragraaf 2.2.1).

2.5

Het risico bestaat dat de afgrenzing van de netto-omzet (referentieperiode) tussen 2019 en 2020 niet juist heeft plaatsgevonden omdat de werkgever niet controleplichtig was en de jaarrekening niet voor 1 april 2020 is vastgesteld.

2.5a

De accountant stelt vast dat de omzet in de juiste periode (jaar) is verantwoord waarbij met name aandacht moet zijn voor verschuivingen van omzet van 2020 naar 2019, creditboekingen, aanpassingen in onderhanden projecten etc. om hiermee een grotere omzetdaling te realiseren. De mate van diepgang van de werkzaamheden van de accountant is mede afhankelijk van de kwaliteit van de administratieve organisatie.

   

2.5b

De accountant stelt vast dat de omzet 2019 aansluit met de aangifte BTW / suppletieaangifte en eventuele subsidiebeschikkingen (ook onderdeel van de netto-omzet volgens de regeling artikel 6, lid 5)

   

2.5c

De accountant analyseert de handmatige journaalposten en ongebruikelijke boekingen per jaareinde 2019 (afgrenzing) op relevantie voor de regeling. Het risico hierbij is dat de netto-omzet 2019 ten onrechte hoger wordt voorgesteld).

   

2.5d

De accountant stelt van facturen geboekt in december 2019 vast dat de leveringsdatum/datum van de dienstverlening niet in 2020 is i.v.m. risico op verschuiving omzet naar 2019 om zodoende hogere omzetdaling te realiseren.

   

2.5e

De accountant analyseert de bepaling van het onderhanden werk op tendenties om omzet naar 2019 te boeken. (Meerwerk 2020 ten onrechte meenemen in 2019).

   

2.5f

De accountant analyseert de berekening van de nog te ontvangen omzetbonussen. Omzetbonussen moeten in de juiste periode opgenomen worden. Omzetbonussen over 2020 dienen in boekjaar 2020 verantwoord te worden.

Tabel B3: Risico’s en werkzaamheden omzet meetperiode

ONDERDEEL OMZET MEETPERIODE

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

3.1

Het risico bestaat dat de omzetdefinitie niet juist/consistent is gehanteerd

3.1a

De accountant gaat na dat de omzet correct is berekend en hierbij sprake is van een consistente toepassing conform de in de laatst vastgestelde jaarrekening gehanteerde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling.

   

3.1b

De accountant bespreekt met het management hoe deze de opgave heeft opgesteld: Hoe de netto-omzet is bepaald t.b.v. de NOW-subsidie op grond van de NOW-regeling; Hoe is gewaarborgd dat grondslagen goed zijn toegepast; en hoe de juistheid en de volledigheid van de omzet over de meetperiode is gewaarborgd.

   

3.1c

De accountant neemt kennis van de interne managementrapportages en notulen en onderzoekt verschillen met de verantwoording voor de NOW-subsidie alsmede mogelijke tendenties die hieruit blijken.

   

3.1d

De accountant sluit de aanvraag tot vaststelling aan op de financiële administratie 2020.

   

3.1e

De accountant gaat de juiste classificatie/presentatie van omzet na met specifieke aandacht voor de tendentie die het management hierbij kan hebben (door bijv. omzet te verschuiven of subsidies niet mee te nemen).

   

3.1f

De accountant toetst of in de meetperiode sprake is geweest van een toereikende functionerende administratieve organisatie, voor wat betreft de onvervangbare maatregelen van interne beheersing die van belang zijn voor onderzoek naar de verantwoording van de omzet over de meetperiode. Voor de overige maatregelen van AO/IB beoordeelt de accountant de opzet en het bestaan en afhankelijk of de accountant wil en/of kan steunen op de AO/IB toetst hij de werking. Eventuele bevindingen hieromtrent neemt hij mee in zijn onderzoeksaanpak.

   

3.1g

Indien er sprake is van een voor het onderzoek relevante AO/IB dient de accountant deze te toetsen, evenals de mogelijke wijzigingen in AO/IB. Dit betreft in ieder geval de onvervangbare maatregelen van interne beheersing. Voor de overige maatregelen van AO/IB beoordeelt de accountant de opzet en het bestaan en afhankelijk of de accountant wil en/of kan steunen op de AO/IB toetst hij de werking. De accountant gaat na of er wijzigingen zijn in de AO/IB en of er mogelijkheden voor het management zijn om de AO/IB te doorbreken. De accountant gaat na of er nieuwe/gewijzigde processen zijn en of er mogelijkheden voor het management zijn om de AO/IB te doorbreken. Let op mogelijke wijzigingen in onder meer functiescheiding (ook in de systemen) en integriteit van systemen en gegevens als gevolg van mogelijk gewijzigde situatie (bijv. door thuiswerken, remote control door IT-beheerder, nieuwe processen inclusief nieuwe applicaties daarvoor (change management), aangepaste gebruikersrechten, mutatie prijstabellen). Eventuele bevindingen hieromtrent neemt hij mee in zijn onderzoeksaanpak. Indien de accountant reeds tussentijdse werkzaamheden in het kader van de jaarrekeningcontrole heeft uitgevoerd kan hij de bevindingen hiervan meenemen bij het bepalen van de aard en omvang en uitvoering van de te verrichten werkzaamheden in het kader van het onderzoek naar de aanvraag tot vaststelling.

3.2

Het risico bestaat dat de meetperiode volgens de aanvraag gedaan bij opening van de regeling niet overeenkomt met de meetperiode zoals gebruikt in het formulier tot vaststelling.

3.2a

De accountant vergelijkt de meetperiode volgens de aanvraag met het formulier tot vaststelling. De accountant dient vast te stellen dat de meetperiode voor de aanvragen tot vaststelling gelijk is met de subsidieverlening.

Toelichting:

Werkgevers kunnen kiezen of zij de omzetdaling berekenen over de meetperiode startend op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. Het moet daarbij altijd om een aaneensluitende periode van drie maanden gaan. Werkgevers moeten deze keuze voor de meetperiode maken bij de aanvraag; bij de definitieve afrekening kan de meetperiode niet meer worden aangepast.

3.3

Het risico bestaat dat binnen de groep aanvragen zijn ingediend bij de opening van de regeling waarbij entiteiten binnen groep verschillende meetperiodes hebben gehanteerd (UWV heeft namelijk geen inzicht in de concernrelaties).

3.3a

De werkgever en het concern/groep hebben dan een aanvraag gedaan die in strijd zijn met de regeling. Werkgever en het concern moeten dan de fout herstellen. Anders kan er niet een juiste aanvraag tot vaststelling worden gedaan.

De accountant dient vast te stellen dat de meetperiode voor alle aanvragen tot vaststelling binnen het concern gelijk zijn.

De accountant dient vast te stellen dat de periode in aanvraag tot vaststelling overeenkomt met de aanvraag.

3.4

Het risico bestaat dat de afgrenzing van de netto-omzet in de meetperiode in 2020 niet juist heeft plaatsgevonden.

3.4a

De accountant doet onderzoek of de omzet in de juiste meetperiode is verantwoord waarbij met name aandacht moet zijn voor verschuivingen van omzet in de meetperiode naar voor of na de meetperiode, creditboekingen, aanpassingen in onderhanden projecten etc. om hiermee een grotere omzetdaling te realiseren. De mate van diepgang van de werkzaamheden van de accountant is mede afhankelijk van de kwaliteit van de administratieve organisatie.

   

3.4.b

De accountant voert een cijferanalyse uit op de netto-omzet voor wat betreft de periode vóór de meetperiode, de periode tijdens de meetperiode en de periode na de meetperiode met als doel mogelijke verschuivingen van de omzet van de meetperiode naar buiten de meetperiode te detecteren. Hij stelt vast of er uitkomsten zijn die nader in detail onderzocht moeten worden.

Toelichting; denk hierbij aan cijferanalyses (inclusief mogelijke logische verbanden) van omzet en debiteuren, voorraden/OHW, inkopen versus verkopen en urenregistraties (kosten van de omzet) gericht op risico’s van verschuivingsgevaar o.b.v. verwachtingen en mogelijke patronen.

   

3.4c

De accountant bespreekt met het management hoe de interne beheersing is ingericht ten aanzien van maandafsluitingen en hoe dit heeft gewerkt in de meetperiode. De accountant beoordeelt de opzet van de afsluitingsprocedures en stelt het bestaan van deze procedures vast. Afhankelijk of de accountant wil en/of kan steunen op deze procedures, toetst hij de werking.

   

3.4d

De accountant stelt vast dat de netto omzet in de gekozen meetperiode zoals gerapporteerd in het formulier aanvraag tot vaststelling aansluit op de financiële administratie, tussentijdse rapportages etc. Hij let daarbij op de juiste afgrenzing, relevantie van onderhanden projecten, toerekening van baten naar rato van de meetperiode, boekingen op juiste rekeningen.

   

3.4e

De accountant stelt de aansluiting vast met de aangifte BTW / suppletieaangifte en eventuele subsidiebeschikkingen (ook onderdeel van de netto-omzet volgens de regeling artikel 6, lid 5).

   

3.4f

De accountant analyseert de handmatige journaalposten, creditboekingen/nota’s, kortingen en ongebruikelijke boekingen (afgrenzing) op juistheid met inachtneming van de geïdentificeerde risico’s op grond van de geldende regeling.

   

3.4g

De accountant onderzoekt de bepaling van het onderhanden werk op tendenties om omzet buiten de meetperiode te boeken. (zoals meerwerk 2020 ten onrechte meenemen in 2019).

   

3.4h

De accountant sluit de berekening van de nog te ontvangen bonussen die betrekking hebben op de omzet 2019 aan door af te stemmen met contracten, de voor de berekening relevante gerealiseerde volumes te beoordelen en gaat na of reeds ontvangen voorschotten over 2019 juist zijn verwerkt en toegerekend aan de juiste periode.

   

3.4i

De accountant stelt aan de hand van de bankafschriften en kasontvangsten vast of zowel voorafgaande, gedurende als na afloop van de meetperiode de omzet samenhangend met de ontvangen gelden op een correcte wijze zijn toegerekend aan de meetperiode en gaat na of hier aanwijzingen voor opbrengsten uit naar voren komen die niet als omzet in de meetperiode zijn verantwoord.

3.5

Timing; Het risico bestaat dat omzetstromen buiten de periode worden gehouden (verschuivingsgevaar) (volledigheid, afgrenzing, presentatie), zowel bij de start en het einde van de meetperiode in 2020, zoals:

– Leveringen onterecht uitstellen tot na de meetperiode;

– Leveringen aan het einde van de meetperiode administratief na de meetperiode verantwoorden;

– eventuele subsidies en overige) baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten niet toegerekend aan de periode

3.5a

De accountant gaat na of de omzet over de meetperiode op nauwkeurige wijze is berekend overeenkomstig de regeling. De accountant gaat na of het verband tussen het moment van het verantwoorden van de omzet en het moment van het verrichten van de gerelateerde prestaties is vastgesteld. Hij voert hiervoor verschillende werkzaamheden uit, zoals detailtesten gericht op verantwoording omzet in juiste periode (levering versus omzet rond beide afgrensmomenten van de meetperiode), ook buiten de meetperiode.

De accountant onderzoekt de volledigheid van de geboekte omzet door analyse en overige werkzaamheden uit te voeren t.a.v. de omzet geboekt voorafgaande aan de meetperiode en na afloop de meetperiode.

Toelichting: Risico is dat omzet buiten de meetperiode wordt verantwoord terwijl die wel betrekking heeft op de meetperiode (levering heeft bijvoorbeeld wel plaatsgevonden).

   

3.5b

De accountant voert een onderzoek uit op de juistheid (terecht) van de creditnota's, kortingen etc. die zijn geboekt in de meetperiode.

   

3.5c

Overige baten die behoren tot de normale activiteiten van de organisatie behoren ook tot de omzet worden berekend (zie artikel 1 lid 2). Onder overige baten vallen bijvoorbeeld ook de subsidies die bedoeld zijn als compensatie van de omzetdaling. De accountant stelt vast dat subsidieregelingen en andere tegemoetkomingen op een juiste wijze in de netto-omzet in de meetperiode zijn verwerkt.

3.6

Omzet verantwoorden buiten de entiteit/groep. Het risico bestaat dat activiteiten en of omzet buiten de entiteit is verantwoord, bv. winkel binnen winkel, andere entiteit, van zakelijk naar privé (volledigheid en afgrenzing)

3.6a

De accountant bespreekt met het management hoe Covid-19 effect heeft gehad op de activiteiten en wat het management heeft gedaan om de onderneming overeind te houden. Aanvullend bespreken of in de administratie voldoende aandacht is geweest voor het risico dat activiteiten en of omzet buiten de omzetverantwoording is gehouden of dat er naar de mening van het management mogelijk omzet niet in de administratie is verantwoord en hoe dit risico is gemitigeerd.

De accountant gaat hierbij tevens na of op andere manieren omzet gerealiseerd is die niet verantwoord is. Dit betreft onder meer het omzet uit nieuwe, alternatieve, activiteiten, omzetcompensatie-subsidies en omzet samenhangend met het uitlenen van personeel aan andere organisaties.

3.7

Het risico bestaat dat transacties met verbonden partijen niet volledig en nauwkeurig zijn verantwoord (niet at ‘arms length’).

3.7a

De accountant bespreekt met het management of transacties met verbonden partijen hebben plaatsgevonden en zo ja, of deze goed zijn verantwoord.

   

3.7b

De accountant stelt vast of er transacties zijn met verbonden partijen. Daarbij gaat hij na of deze op het juiste niveau zijn geautoriseerd, hoe is vastgesteld dat deze ‘at arms length’ zijn verantwoord en op de juiste wijze zijn verwerkt.

3.8

Het risico bestaat op onjuiste presentatie en waardering van netto-omzet, zoals:

• subsidies parkeren op balans, subsidies in mindering op kosten, bij subsidies alleen voorschot verwerken;

• kortingen: onjuiste %, kortingen later verrekenen;

• retouren en andere specifieke zaken;

• Onterechte uitstel facturering (inconsistent met gebruikelijke procedures c.q. AO/IB).

3.8a

De accountant stelt vast dat dezelfde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gehanteerd voor de meetperiode als voor het boekjaar 2019.

3.9

Het risico bestaat dat de mutatie onderhanden projecten zodanig wordt voorgesteld dat dit leidt tot een lagere netto-omzet in de meetperiode en/of dat er conservatieve(re) schattingen van de voortgang van projecten is gemaakt etc. Aandacht dient ook te zijn voor boekingen voorafgaande en na afloop van de meetperiode met als doel de netto-omzet in de meetperiode te verlagen.

3.9a

Afhankelijk van specifieke situatie voert de accountant (additionele) werkzaamheden uit op mutaties OHW. Onderdeel hiervan kan zijn een onderzoek naar en toetsen van de relevante AO/IB. Nagegaan dient te worden welke (wijzigingen in) processen er zijn rondom OHW (denk aan functiescheiding inclusief autorisatie o.a. tussen projectadministratie en financiële administratie (wie autoriseert en boekt b.v. uren en kosten op projecten), het maken van calculaties/schattingen en (maand)afsluitingen).

   

3.9b

De accountant voert deelwaarnemingen uit gericht op de verantwoording OHW mutaties in juiste periode, ook buiten de meetperiode.

   

3.9c

De accountant onderzoekt de berekeningen, schattingen en overige onderbouwingen etc behorende bij de standen van de onderhanden projecten bij de start en het einde van de meetperiode (voortgang van projecten en dienstverlening, variabele vergoedingen etc.).

3.10

Het risico bestaat dat begin en/of eindstanden van voorraden niet zijn geïnventariseerd bij de start en/of het einde van de meetperiode.

3.10a

De accountant gaat na of goederenontvangsten en -afgiften volledig, juist en tijdig worden verantwoord o.a. door functiescheiding tussen bewaring, in- en verkoop en registratie.

3.11

Het risico bestaat dat voorraadstanden worden gemanipuleerd om omzetdaling in meetperiode zo hoog mogelijk weer te geven

3.11a

De accountant woont voor zover mogelijk en noodzakelijk voorraadopnames in de meetperiode bij.

Indien bijwonen niet mogelijk is:

• Overweegt hij of het mogelijk is zelf een voorraadopname uit te voeren.

• gaat hij na of de werkgever zelf (een) voorraadopname(s) heeft uitgevoerd en inspectie van de resultaten daarvan (b.v. verwerking van voorraadverschillen) en/of

• inspecteert hij documentatie met betrekking tot voorraadwijzigingen (aankoop en/of verkoop van voorraden).

De accountant voert deelwaarnemingen uit op de voorraadmutaties en sluit deze aan met verkopen/verantwoorde omzet (brondocumenten).

3.12

Het risico bestaat dat andere netto-omzet niet wordt verantwoord.

3.12a

De accountant gaat na of op andere manieren omzet gerealiseerd is die niet verantwoord is. Dit betreft onder meer het omzet uit nieuwe, alternatieve, activiteiten, omzetcompensatie uit subsidies en omzet samenhangend met het uitlenen van personeel aan andere organisaties.

   

3.12b

De accountant gaat na of vervreemde activa met opbrengsten op de juiste wijze zijn verantwoord in de omzet. Gedacht kan worden aan afvalproducten die hebben geleid tot opbrengsten of incourante voorraden met een restwaarde.

   

3.12c

De accountant beoordeelt contracten, notulen op (incidentele) omzet en omzet elders verantwoord.

   

3.12d

De accountant laat afnemers contractvoorwaarden bevestigen.

   

3.12e

De accountant stelt vast dat afboekingen van voorraad als gevolg van verkopen ook leiden tot omzet c.q. dat in geval incourante voorraden er geen mogelijkheden zijn om deze buiten de entiteit/administratie te verkopen.

3.13

Het risico bestaat dat barter/ruil transacties niet verwerkt zijn als omzet en kosten;

3.13a

De accountant bespreekt met het management of barter-transacties hebben plaatsgevonden en hoe deze zijn verwerkt. Hij onderzoekt daartoe notulen en andere documentatie om vast te stellen dat alle barter-transacties zijn geïdentificeerd en verwerkt conform de grondslagen van de vennootschap.

3.14

Het risico bestaat dat niet-betaalde of oninbare facturen niet zijn opgegeven als omzet

3.14a

De accountant stelt vast dat facturen in de juiste periode zijn verantwoord, ook als er sprake is van (mogelijke) oninbaarheid.

Toelichting: ook al zijn de facturen nog niet (of later) betaald of oninbaar, dan dienen deze wel als omzet te worden meegenomen (uitgezonderd verantwoordingen op kasstelsel)

3.15

Het risico bestaat dat onderneming andere subsidieregelingen niet heeft verantwoord in de meetperiode

3.15a

Overige baten die behoren tot de normale activiteiten van de organisatie behoren ook tot de omzet worden gerekend (zie artikel 1 lid 2). Onder overige baten vallen bijvoorbeeld ook de subsidies die bedoeld zijn als compensatie van de omzetdaling niet zijnde de NOW-subsidie. De accountant stelt vast of ook aanspraak is gemaakt op andere subsidieregelingen en of de verantwoording in de juiste periode heeft plaatsgevonden.

3.16

Het risico bestaat dat facturatie niet in de juiste periode hebben plaatsgevonden

3.16a

De accountant analyseert de vooruit gefactureerde posten en de vooruit ontvangsten van klanten in de meetperiode en vooruit gefactureerde posten en vooruit ontvangsten in de periode vóór de meetperiode. De accountant gaat na dat verantwoording in de juiste periode heeft plaatsgevonden.

Tabel B4: Risico’s en specifieke werkzaamheden loonsom

ONDERDEEL LOONSOM

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant

4.1

Het risico bestaat dat de lonen en salarissen niet uitbetaald worden terwijl hier wel de NOW vergoeding wordt geclaimd.

4.1a

De accountant stelt vast dat de lonen en salarissen over de periode maart-mei uitbetaald zijn door een aansluiting te maken tussen de gerapporteerde loonheffingennummers met bijbehorende loonaangifte, de salarisadministratie en de bankbetalingen. Indien het niet aansluit gaat hij na of na deze periode er salarisbetalingen hebben plaatsgevonden die zien op de loonaangifte van de eerdere periode (foutherstel), waardoor vastgesteld kan worden dat de salarissen zijn betaald.

4.2

Het risico bestaat dat de lonen en salarissen niet op de juiste bankrekeningen uitbetaald worden.

4.2a

De accountant stelt vast dat de uitbetaling van de lonen en salarissen is gedaan op basis van de bankrekeningnummers van de werknemers. Dit kan hij doen door aansluiting te zoeken met het personeelsdossier van de werknemer.

4.3

Het risico bestaat dat personeel uit dienst niet is gemeld en dat salarissen wel worden aangegeven op de loonaangifte.

4.3a

De accountant beoordeelt gedurende de periode maart-mei 2020 de opzet van de AO/IB rondom de aanname en ontslag van personeel en stelt het bestaan van de AO/IB vast. Afhankelijk of de accountant wil en/of kan steunen op de AO/IB toetst hij de werking van de maatregelen van AO/IB dan wel voert hij gegevensgerichte controlewerkzaamheden uit op de mutaties.

Dit betreft mede de tijdige verwerking van uitdiensttredingen in de salarisadministratie.

4.4

Het risico bestaat dat er gefingeerde dienstverbanden en/of uitbreidingen worden aangegaan ‘ter compensatie’ van de personeelskosten van ontslagen medewerkers om zodoende de loonsom gelijk te houden (zie artikel 13, lid a)

4.4a

De accountant stelt vast aan de hand van een mutatieoverzicht personeel gedurende de periode maart-mei 2020 dat nieuwe dienstverbanden of uitbreiding van dienstverbanden tot stand zijn gekomen op basis van de reguliere procedures die van kracht waren vóór deze periode.

   

4.4b

De accountant beoordeelt de nieuwe dienstverbanden en uitbreidingen van dienstverbanden op aannemelijkheid op basis van een gesprek met het management en eventuele overige documentatie, zoals arbeidsovereenkomsten, over de functie en werkzaamheden van het nieuw aangenomen personeel c.q. de uitbreiding van het dienstverband, toegang die zij hebben tot de werkplek en het bestaan van vacatures.

Een mogelijke werkzaamheid is dat de accountant de uitdiensttredingen vanaf juni 2020 en oktober 2020 (in verband met het aflopen van de periode van NOW2) in het personeelsbestand in zijn onderzoek betrekt.

Tabel B5: Aanvullende risico’s en werkzaamheden regeling ex artikel 6a van de regeling

Deze tabel is alleen van toepassing indien sprake is van gebruik van artikel 6a van de regeling op niveau van de werkmaatschappij. Een tussenholding kan ook een dergelijk verzoek doen op grond van de regeling om als werkmaatschappij behandeld te worden.

ONDERDEEL regeling werkmaatschappij ex artikel 6a

NR.

Risico

 

Werkzaamheden accountant (indien relevant)

5.1

Het risico bestaat dat er geen overeenkomst is omtrent werkbehoud in het kader van het beroep op de NOW regeling in het kader van artikel 6a, lid 1b)

5.1a

De accountant gaat na of er tijdig (voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling) een overeenkomst over werkbehoud is gesloten met de vakbond of de werknemersvertegenwoordiging op grond van de werkmaatschappijregeling (artikel 6a). Hij neemt kennis van de overeenkomst met de belanghebbende verenigingen van werknemers (zie artikel 6a lid b) en treedt, indien nodig, in contact met de werknemersvertegenwoordiging .

5.2

Het risico bestaat dat er bonussen worden uitgekeerd aan de Raad van Bestuur en directie van het concern en de entiteiten waarvoor NOW wordt aangevraagd, dat er eigen aandelen worden ingekocht of dividend uitgekeerd (artikel 6a, lid 1c, in combinatie met artikel 14, vijfde lid, onder c).

5.2a

De accountant stelt vast dat tot aan de datum van afgifte van het accountantsproduct over 2020 geen bonussen aan de Raad van Bestuur en directie van het concern en de aanvragende rechtspersoon of vennootschap zijn uitgekeerd, geen eigen aandelen zijn ingekocht door de rechtspersonen binnen de groep en geen dividend is uitgekeerd aan aandeelhouders. Hiertoe treedt hij in overleg met de Raad van Bestuur en de directie van het concern en de werkmaatschappij(en)/tussenholding. In dit overleg zal hij ook navraag doen of de Raad van Bestuur en de directie voornemens zijn om later bonussen/dividend uit te keren en/of eigen aandelen in te kopen.

   

5.2b

De accountant neemt kennis van de notulen van de Raad van Bestuur betreffende eventuele bonussen die zijn uitgekeerd, eigen aandelen die zijn ingekocht en dividend dat is uitgekeerd over 2020.

   

5.2c

De accountant stelt vast door analyse van de personeelskosten dat er geen bonussen zijn uitgekeerd aan de raad van bestuur en Directie van het concern of de werkmaatschappij/tussenholding.

   

5.2d

De accountant stelt vast dat de Raad van Bestuur een bestuursverklaring (voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling) heeft opgesteld waarin zij verklaart dat er geen bonussen en dividenden worden uitgekeerd en geen eigen aandelen worden ingekocht.

5.3

Risico op inconsistent gebruik van de transferpricing systematiek

5.3a

De accountant analyseert de verhouding van omzet versus loonkosten bij werkmaatschappij(en) en voert aanvullende werkzaamheden uit indien hier aanleiding toe is. Indien dit onjuist is doorgevoerd vindt hier een correctie op plaats conform de regeling.

5.4

Het risico dat een aanvraag wordt ingediend op werkmaatschappijniveau (artikel 6a van de regeling) terwijl de omzetdaling voor de groep hoger is dan 20% (waardoor de afrekening op groepsniveau moet plaatsvinden).

5.4a

Indien de aanvraag is gebaseerd op artikel 6a, stelt de accountant vast dat de omzetdaling op groepsniveau is bepaald (met een redelijke mate van zekerheid en waarbij is voldaan aan dit accountantsprotocol en Standaard 3900N) en dat deze lager is dan 20% (mede ook om vast te stellen of de aanvraag op basis artikel 6a terecht heeft plaatsgevonden).

5.5

Het risico bestaat dat binnen de groep verschuiving van netto-omzet naar andere groepsonderdelen plaatsvindt die niet voor de bepaling van de NOW netto omzet meegenomen hoeven te worden. Deze verschuivingen van netto-omzet zijn niet conform de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zoals die golden voor het boekjaar 2019 en hebben ook geen bedrijfseconomische rechtvaardiging (ongebruikelijke transactie). (Dit kan ook effect hebben op een aanvraag om NOW gelden in het kader van artikel 6a).

5.5a

De accountant stelt vast dat de omzet bij juiste werkmaatschappijen is verantwoord:

De accountant stelt vast dat er geen activiteiten en daaraan gekoppelde netto-omzet buiten de verantwoording van de NOW wordt gehouden en is verschoven tussen werkmaatschappijen. Daartoe is hij alert op ongebruikelijke (administratieve) transacties tussen de entiteiten die in aanmerking komen voor de NOW gelden en entiteiten binnen de groep waarvoor dat niet geldt.

   

5.5b

De accountant neemt kennis van contractpartijen en het contract, de van de aard producten/diensten t.o.v. de activiteiten die de entiteiten normaal gesproken uitvoeren en beoordeelt hij de consistentie ten opzichte van het voorgaande jaar.

   

5.5c

De accountant onderzoekt en toetst de relevante AO/IB rondom het consolidatieproces inzake de netto-omzet inclusief wijzigingen/doorbrekingen hiervan. Indien nodig voert de accountant hier detailtesten op uit. Eventuele bevindingen hieromtrent neemt hij mee in zijn controleaanpak.

   

5.5d

De accountant analyseert de verhouding omzet versus loonkosten bij de werkmaatschappijen en voert aanvullende werkzaamheden uit indien hiertoe aanleiding is.

   

5.5e

De accountant stelt vast of dezelfde verrekenprijsregels en grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gehanteerd als in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, waarbij hij mede alert is op het onterecht schuiven van omzet tussen werkmaatschappijen.

5.6

Het risico bestaat dat inzet van personeel van de werkmaatschappij bij andere groepsonderdelen wordt ingezet zonder (adequate) vergoeding c.q. verhoging van de omzet.

5.6a

De accountant analyseert de verhouding omzet versus loonkosten bij de werkmaatschappijen en voert aanvullende werkzaamheden uit indien hiertoe aanleiding is. Ook voor de loonkosten is de accountant alert op onterechte verschuivingen tussen werkmaatschappijen.

Bijlage bij artikel 13, derde lid, van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid

Formulier derdenverklaring

Uitleg formulier

U wilt een aanvraag indienen tot vaststelling van de subsidie tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden (hierna: ‘NOW-subsidie’). Deze subsidie wordt verstrekt op grond van de Eerste Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna: ‘NOW-regeling’).

Een aanvrager die een voorschot ontvangt van € 20.000 of meer, dan wel die een subsidie aanvraagt van € 25.000 of meer, maar onder de drempel blijft van € 100.000 respectievelijk € 125.000, is verplicht een verklaring van een deskundige derde te overleggen. Als derde deskundige kan een boekhouder/administratiekantoor, een belastingdeskundige/ belastingadvieskantoor, een brancheorganisatie of een accountant optreden. Deze categorie aanvragers vertegenwoordigen gezamenlijk circa 30% van het totale aantal aanvragers in de eerste NOW-regeling. Daarmee is dit voor de subsidieverstrekker een belangrijke categorie en is de inzet van een objectieve deskundige derde die niet werkt binnen de eigen organisatie een effectief middel om naleving van de regelgeving te waarborgen middels concreet uit te voeren werkzaamheden. Indien u als werkgever subsidie aanvraagt met betrekking tot meer dan één loonheffingennummer en/of onderdeel bent van een groep dienen de ontvangen voorschotten respectievelijk de aangevraagde subsidiebedragen bij elkaar opgeteld te worden. De hoogte van de totale subsidie is bepalend voor het type verklaring dat vervolgens bij elke individuele aanvraag tot vaststelling (per loonheffingennummer) bijgevoegd dient te worden.

De verklaring van een deskundige derde is onderdeel van de monitoring en beheerstructuur die door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna ‘het ministerie van SZW’) is opgezet om naleving van de regelgeving te garanderen en misbruik van de NOW-gelden zoveel mogelijk te voorkomen. Bij aanvragers die een derdenverklaring dienen in te dienen zal er ook risicogericht onderzoek door het ministerie van SZW zelf gedaan worden. Deze aanvragers kunnen dus na indiening van de aanvraag tot vaststelling onderzocht worden. Let op dat bij aanvragers die een voorschot ontvangen van € 100.000 of meer dan wel die een subsidie aanvragen van € 125.000 of meer een accountantsverklaring wordt vereist bij indiening van de aanvraag tot vaststeling. Bij aanvragen tot vaststelling op grond van artikel 6a (werkmaatschappijregeling) dient op grond van artikel 14 lid 3 van de subsidieregeling altijd een accountantsverklaring te worden overlegd, ongeacht de hoogte van het subsidiebedrag.

De werkzaamheden van de deskundige derde hebben met name betrekking op de naleving van de regelgeving rondom de bepaling van de omzetdaling en de loonsom. De voorgeschreven werkzaamheden zijn gebaseerd op de bepalingen uit de NOW-regeling en de risico-inschatting van het ministerie van SZW van mogelijke fouten, veroorzaakt door niet-naleving van de voorwaarden uit de regeling. Deze fouten kunnen zowel bewust als onbewust zijn gemaakt. De mogelijke fouten zijn:

  • 1. Een lagere netto omzetdaling dan in de aanvraag is opgegeven;

  • 2. Het niet uitbetalen van de nettolonen aan de werknemers.

Van de deskundige derden wordt in dit kader niet meer verwacht dan het vakkundig en kritisch verrichten van de hierna gedefinieerde werkzaamheden. Tevens voert het UWV, als uitvoerder van de subsidieregeling, en het ministerie van SZW, als subsidieverstrekker, aanvullend ook zelfstandig onderzoeken uit bij aanvragers om naleving van de regelgeving vast te stellen.

U dient de door de deskundige derde geconstateerde afwijkingen te herstellen alvorens de deskundige derde de verklaring mag tekenen. Indien u de geconstateerde afwijkingen niet herstelt zal de deskundige derde de verklaring niet tekenen.

De deskundige derden dienen de werkzaamheden zodanig te documenteren dat verantwoording kan worden afgelegd over de uitgevoerde werkzaamheden. Van hen wordt verwacht dat zij op verzoek uitleg geven over deze werkzaamheden. Deze dienen in een dossier te worden vastgelegd. Hierin staat welke werkzaamheden zijn gedaan, welke brondocumentatie daarvoor is gehanteerd en bij afwijkingen, welke wijzigingen hebben plaatsgevonden. Dit dossier dient tot vijf jaar na de vaststellingsdatum van de NOW-subsidie te worden bewaard.

Bijgevoegd formulier is door de Minister van SZW beschikbaar gesteld ten behoeve van deze verklaring van de deskundige derde. U dient de deskundige derde opdracht te geven de werkzaamheden uit te voeren en hierbij het aanvraagformulier met uw gegevens van uw aanvraag tot vaststelling aan de deskundige derde te overhandigen. De deskundige derde zal dit formulier na eventuele correcties die na de werkzaamheden worden doorgevoerd waarmerken. U dient beide formulieren in een gezamenlijk bestand bij het UWV bij uw aanvraag tot vaststelling in te dienen. U dient de deskundige derde zonder beperkingen inzage te geven in uw volledige administratie 2019 en 2020 en nadere informatie te verstrekken als de deskundige derde daarom vraagt in het kader van deze opdracht.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat onderstaand formulier verplicht is om te volgen. Afwijkingen, door bijvoorbeeld werkzaamheden te verwijderen, worden niet geaccepteerd en kunnen leiden tot vertraging in het vaststellingsproces of het lager vaststellen van de subsidie.

Aan: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

Formulier: verklaring van deskundige derde in het kader van de aanvraag tot vaststelling van de NOW-subsidie aan het UWV

(Invullen wat van toepassing is).

Profiel van de deskundige derde

<Naam organisatie van de deskundige > met <kvk-nummer> verleent als:

  • Boekhouder/administratiekantoor diensten ten behoeve van het voeren van de financiële administratie en/of het opstellen van de jaarrekening

  • Belastingdeskundige/belastingadvieskantoor diensten ten behoeve van de financiële administratie en/of fiscale dienstverlening

  • Brancheorganisatie van de branche <...> waarbij <naam entiteit> is aangesloten, reguliere financiële diensten ten behoeve van financiële vragen en/of hulp bij het voeren van de administratie

  • Accountant diensten ten behoeve van het voeren van de financiële administratie, het opstellen van de jaarrekening en/of fiscale dienstverlening.

Alleen deze deskundige derden zijn door de Minister van SZW aangewezen om een verklaring te kunnen afgeven.

<Naam organisatie van de deskundige > had voordat deze opdracht werd geaccepteerd al een / nog geen formele cliëntrelatie met <naam entiteit>. <Indien wel een formele cliëntrelatie>: Aantal jaren (afgerond): ......

De deskundige derde heeft de hierna opgenomen werkzaamheden naar eer en geweten uitgevoerd en zich hierbij gedistantieerd van niet integer handelen of nalaten.

De door de deskundige derde verrichte werkzaamheden

Ondergetekende heeft aan de hand van de aanvraag tot vaststelling op <datum> de wijze waarop de aanvraag tot vaststelling tot stand is gekomen en de wijze waarop de regels zijn nageleefd met de aanvrager besproken.

De werkzaamheden zijn mede gebaseerd op een risicoanalyse, uitgevoerd door het ministerie van SZW, gericht op mogelijke niet-naleving van de voorwaarden uit de NOW-regeling. Hierbij moet gedacht worden aan een lagere werkelijke omzetdaling dan in de aanvraag is opgegeven en het niet uitbetalen van de nettolonen aan de werknemers. Hieronder zijn de werkzaamheden opgenomen die uitgevoerd dienen te zijn, voor zover van toepassing. Deze werkzaamheden zijn noodzakelijk om deze verklaring te kunnen afgeven.

Ad 1. Gesprek tussen ondergetekende en de leiding van de organisatie ten aanzien van de inhoudelijke aspecten van de aanvraag tot vaststelling inclusief het kennis nemen van de situatie van de aanvrager tijdens Covid-19 waarin de volgende aspecten aan bod zijn gekomen:

  • 1.1 Wie heeft de aanvraag tot vaststelling opgesteld?

  • 1.2 Hoe is geborgd dat de gegevens van de aanvrager in de aanvraag correct verwerkt zijn en hoe is vastgesteld dat deze overeenkomen met een recent uittreksel van de KvK of de digitale registratie bij de KvK?

  • 1.3 Hoe is door de aanvrager geborgd dat er geen omzet op onjuiste rekeningen is geboekt in de meetperiode (verlagen van de kosten, tijdelijk parkeren op tussenrekeningen)?

  • 1.4 Volstaat een derdenverklaring op basis van de gegevens uit de aanvraag tot vaststelling17?

  • 1.5 Heeft de aanvrager ten aanzien van de administratie nog ondersteuning nodig gehad inzake de verwerking van de administratie met betrekking tot de boekingen van omzet en loonadministratie?

  • 1.6 Zijn de administraties, zoals de grootboekadministratie en de loonadministratie zodanig bijgewerkt dat de voorgeschreven werkzaamheden door de derde deskundige uitgevoerd kunnen worden?

  • 1.7 Zijn onderliggende brondocumenten, die voor het uitvoeren van de voorgeschreven werkzaamheden door de derde deskundige noodzakelijk zijn, aanwezig en beschikbaar?

  • 1.8 Is de omzet zoals gedefinieerd in de regeling gedaald met de oorspronkelijk verwachte daling bij de initiële aanvraag en zo nee, wat was hiervan de reden?

  • 1.9 Is de aanvrager gedurende de crisis nieuwe activiteiten begonnen of zijn andere baten verkregen (zoals bijvoorbeeld subsidies)18 of is op andere wijze omzetverlies voorkomen (door bijvoorbeeld uitleen personeel) en zo ja, hoe zijn deze nieuwe inkomstenbronnen in de administratie verwerkt?

  • 1.10 Is omzet als gevolg van de nieuwe activiteiten meegenomen in de omzetbepaling over de meetperiode en op welke grootboekrekeningen zijn deze activiteiten geboekt?

  • 1.11 Zijn de andere baten die onder het omzetbegrip van de NOW-subsidie vallen in de omzetbepaling over de meetperiode meegenomen en op welke grootboekrekeningen zijn deze activiteiten geboekt?

  • 1.12 Zijn dezelfde grondslagen toegepast voor de bepaling van de omzet in de meetperiode als voor de bepaling van de omzet in de referentieperiode en zijn beide bepaald in overeenstemming met de vereisten zoals opgenomen in artikel 1.2 van de NOW-regeling? Indien van toepassing dient hierbij apart gevraagd te worden naar de verwerking van de onderhanden projecten en de onderhanden voorraden.

  • 1.13 Indien sprake is van een groep: Welke entiteiten behoren tot de groep en is van alle entiteiten ook een omzetbedrag in de aanvraag tot vaststelling verwerkt? De aanvrager geeft hierbij inzage in de benodigde informatie.

  • 1.14 Indien er sprake is van een groep: Zijn er wijzigingen in de structuur van de groepsorganisatie geweest?

  • 1.15 Indien sprake is van een groep: Wat heeft de aanvrager gedaan om (eventuele) intercompany transacties te onderkennen en hoe is vastgesteld dat deze transacties binnen de groep conform de regeling zijn uitgevoerd?

Van de ondergetekende wordt verwacht dat zij in een dossier de belangrijkste zaken uit het gesprek vastleggen in een besprekingsverslag, met daarbij een verwijzing naar door de aanvrager overlegde brondocumentatie. In geval van geconstateerde afwijkingen legt de ondergetekende in het dossier vast welk herstel in de aanvraag tot vaststelling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het gesprek.

Ad 2. Werkzaamheden ten aanzien van de omzetdaling, waarbij de aanvrager de ondergetekende inzage heeft gegeven in brondocumentatie en achterliggende documentatie waaruit blijkt en de ondergetekende constateert dat:

  • 2.1 De meetperiode19 overeenkomt met de meetperiode die is vermeld in de initiële aanvraag;

  • 2.2 Indien er sprake is van een groepsstructuur: er van de op basis van de in het gesprek onderkende entiteiten omzet is meegenomen in de aanvraag. De aanvrager heeft de benodigde brondocumentatie hiervoor overlegd, zoals de (digitale) Kamer van Koophandel registratie en de jaarrekening 2019 en 2020 van de aanvrager.

  • 2.3 De opgegeven omzetdaling in de meetperiode correct is berekend (rekenkundig juist is) en in het formulier ten minste 20% bedraagt;

  • 2.4 De gegevens op het aanvraagformulier over de omzet in de referentieperiode en de meetperiode, voor zover relevant en toepasbaar, aansluiten op de administraties over 2019 en 2020, de BTW-aangiftes over deze periodes en de jaarrekening 2019 of IB aangifte 2019;

  • 2.5 10 (of minder indien er minder zijn) willekeurige, door de derde deskundige geselecteerde, creditboekingen die zijn geboekt op tussenrekeningen in de balans of op kostenrekeningen in de resultatenrekening gedurende de meetperiode niet tot de netto omzet behoren;

  • 2.6 10 (of minder indien er minder zijn) willekeurige, door de derde deskundige geselecteerde, debetboekingen in de meetperiode, op omzetrekeningen in de meetperiode mogen worden verwerkt;

  • 2.7 5 willekeurige, door de derde deskundige geselecteerde, (of minder indien er minder zijn) creditnota’s in de meetperiode mogen worden verwerkt;

  • 2.8 De omzet van de 5 grootste facturen/bankontvangsten/kasontvangsten in de twee maanden na afloop van de meetperiode en de omzet van de 3 grootste facturen/bankontvangsten/kasontvangsten in de twee maanden voorafgaande aan de meetperiode in de betreffende periode mogen worden verwerkt aan de hand van orderbevestigingen, contracten, levering/pakbonnen, betaaldata en/of urenspecificaties;

  • 2.9 5 (of minder indien er minder zijn) willekeurig, door de derde deskundige, geselecteerde brondocumenten ten grondslag liggend aan nieuwe activiteiten in de omzetbepaling over de meetperiode zijn meegenomen; Selectie van de brondocumenten vindt plaats op basis van boekingen in het grootboek van de aanvrager in de meetperiode.

  • 2.10 5 (of minder indien er minder zijn) willekeurig, door de derde deskundige, geselecteerde brondocumenten ten grondslag liggend aan andere baten, die in het kader van de omzetbepaling voor de NOW moeten worden betrokken, in de omzetbepaling over de meetperiode zijn meegenomen. Selectie van de brondocumenten vindt plaats op basis van boekingen in het grootboek van de aanvrager in de meetperiode.

  • 3. Werkzaamheden ten aanzien van de loonsom, waarbij de aanvrager de ondergetekende inzage heeft gegeven in brondocumentatie en achterliggende documentatie waaruit blijkt en de ondergetekende constateert dat:

  • 3.1 De verzamelloonstaat aansluit bij de loonaangifte over de periode maart-april-mei 2020;

  • 3.2 De namen en (totaal)bedragen van de nettosalarissen van de werknemers zoals opgenomen in de verzamelloonstaat overeenkomen met de bankmutaties of kasmutaties in deze periode.

4. Verklaring20

Op basis van lezing van de aanvraag tot vaststelling, bespreking met de aanvrager van de organisatie en de bovengenoemde inzage in brondocumenten en constateringen, verklaart ondergetekende als volgt:

  • Ondergetekende heeft kennisgenomen van de door <naam entiteit> opgestelde aanvraag tot vaststelling van de NOW-subsidie, inclusief de opgegeven omzetdaling ad xxxx% en de verleningsbeschikking NOW-subsidie;

  • Ondergetekende heeft alle bovengenoemde werkzaamheden ten aanzien van de omzetdaling en de loonsom vakkundig en kritisch uitgevoerd;

  • Ondergetekende heeft kennisgenomen dat de geconstateerde afwijkingen uit de bij 1 tot en met 3 uitgevoerde werkzaamheden door de aanvrager zijn aangepast in de aanvraag tot vaststelling van de NOW-subsidie. Wij hebben geen aanvullend onderzoek of extrapolaties uitgevoerd buiten de genoemde werkzaamheden om vast te stellen of er verder nog correcties nodig zouden zijn21;

  • Ondergetekende heeft de eigen werkzaamheden zodanig gedocumenteerd dat hierover verantwoording kan worden afgelegd aan het ministerie van SZW;

  • Het formulier van de aanvraag tot vaststelling van de aanvrager is door ondergetekende gewaarmerkt.

Deze verklaring is uitsluitend gebaseerd op het gesprek en bovengenoemde werkzaamheden Wij kunnen dan ook verder geen enkele uitspraak doen of zekerheid geven over het al dan niet aanwezig zijn van afwijkingen in de aanvraag tot vaststelling.

Bovenstaande moet gelezen worden in samenhang met het onderstaande:

Aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden

Deze verklaring van een deskundige derde wordt verstrekt op grond van artikel 13 lid 3 van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.

Beperking in het gebruik en verspreidingskring

Deze verklaring en de door ons gewaarmerkte versie van de aanvraag tot vaststelling van de NOW-subsidie zijn uitsluitend bestemd voor het UWV en het ministerie van SZW en mogen derhalve niet aan anderen worden verstrekt zonder onze uitdrukkelijke toestemming vooraf.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en zijn gaarne bereid de inhoud van deze brief verder toe te lichten.

Plaats, datum

Naam en contactgegevens derde deskundige

Handtekening derde deskundige

  1. Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2020, 2020-00000466302020-0000046763, tot vaststelling van een Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming in de loonkosten in verband met het coronavirus

    ^ [1]
  2. https://wetten.overheid.nl/BWBR0027023/2012-07-01.

    ^ [2]
  3. Een verklaring van een deskundige derde is vereist als er een voorschot wordt ontvangen van € 20.000,– of meer, of een subsidie wordt vastgesteld van € 25.000,– of meer.

    ^ [3]
  4. Indien per periode van vier weken (in plaats van per kalendermaand) loonaangifte wordt gedaan bij de Belastingdienst, gaat het hier om het 3e, 4e en 5e aangiftetijdvak van 2020. UWV gebruikt de loonsommen zoals die op 19 juli 2020 bij de Belastingdienst bekend zijn. Voor de NOW telt alleen het loon waarover in Nederland sociale premies zijn betaald. De werkgever is verplicht om wijzigingen die na 19 juli 2020 nog aan de Belastingdienst zijn gemeld op het aanvraagformulier tot vaststelling te vermelden.

    ^ [4]
  5. In de regeling in artikel 17, eerste lid, is UWV aangewezen als uitvoerder van de Regeling. Daarbij wordt op grond van het vierde lid worden de UWV werknemers aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht. Dit valt onder het algemene aanwijzingsbesluit van de directie Handhaving van UWV: https://wetten.overheid.nl/BWBR0023509/2015-01-21.

    ^ [5]
  6. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-19159.html.

    ^ [6]
  7. https://wetten.overheid.nl/BWBR0043501/2020-06-13.

    ^ [7]
  8. https://www.zn.nl/actueel/nieuws/nieuwsbericht?newsitemid=4787044352 .

    ^ [8]
  9. Staatscourant 2020 nr. 34308, p. 24.

    ^ [9]
  10. Bij een gefingeerd dienstverband wordt op papier een dienstverband aangegaan zonder dat daar een tegenprestatie in de vorm van arbeid tegenover staat of waarbij minder uur of voor een andere beloning wordt gewerkt dan in het contract staat vermeld. Het kan ook zijn dat de afgesproken arbeid door een andere persoon verricht wordt en dat er sprake is van illegale arbeid en/of onderbetaling. Een dergelijk dienstverband kan leiden tot het recht op een uitkering, maar kan ook dienen voor het verkrijgen van leningen of als garantstelling bij gezinshereniging. Bij het creëren van deze gefingeerde dienstverbanden spannen de werkgever, de werknemer en eventueel degene die op naam van de pseudowerknemer daadwerkelijk de arbeid verricht, samen. Zie https://www.inspectieszw.nl/publicaties/rapporten/2018/06/15/aanpak-schijnconstructies-en-cao-naleving-2014-2018

    ^ [10]
  11. Indien per periode van vier weken (in plaats van per kalendermaand) loonaangifte wordt gedaan bij de Belastingdienst, gaat het hier om het 3e, 4e en 5e aangiftetijdvak van 2020. UWV gebruikt de loonsommen zoals die op 19 juli 2020 bij de Belastingdienst bekend zijn. Voor de NOW telt alleen het loon waarover in Nederland sociale premies zijn betaald. De werkgever is verplicht om wijzigingen die na 19 juli 2020 nog aan de Belastingdienst zijn gemeld op het aanvraagformulier tot vaststelling te vermelden.

    ^ [11]
  12. Indien gebruik wordt gemaakt van gegevens van een andere accountant dient te worden voldaan aan de vereisten hiervoor in de Standaard en de vereisten in dit accountantsprotocol (inclusief de vereiste dat hierbij een redelijke mate van zekerheid dient te worden afgegeven).

    ^ [12]
  13. Indien deze aanvullende uiting niet kan worden gedaan, dient deze tekst te worden verwijderd.

    ^ [13]
  14. Indien per periode van vier weken (in plaats van per kalendermaand) loonaangifte wordt gedaan bij de Belastingdienst, gaat het hier om het 3e, 4e en 5e aangiftetijdvak van 2020. UWV gebruikt de loonsommen zoals die op 19 juli 2020 bij de Belastingdienst bekend zijn. Voor de NOW telt alleen het loon waarover in Nederland sociale premies zijn betaald. De werkgever is verplicht om wijzigingen die na 19 juli 2020 nog aan de Belastingdienst zijn gemeld op het aanvraagformulier tot vaststelling te vermelden.

    ^ [14]
  15. In de regeling in artikel 17, eerste lid, is UWV aangewezen als uitvoerder van de Regeling. Daarbij wordt op grond van het vierde lid worden de UWV werknemers aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht. Dit valt onder het algemene aanwijzingsbesluit van de directie Handhaving van UWV: https://wetten.overheid.nl/BWBR0023509/2015-01-21.

    ^ [15]
  16. https://www.uwv.nl/particulieren/klantenservice/fraude-melden/index.aspx.

    ^ [16]
  17. Bij aanvragers die een voorschot ontvangen van € 100.000 of meer dan wel die een subsidie aanvragen van €  125.000 of meer is een accountantsverklaring vereist bij indiening van de aanvraag tot vaststeling. Bij aanvragen tot vaststelling op grond van artikel 6a (werkmaatschappijregeling) dient op grond van artikel 14 lid 3 van de subsidieregeling altijd een accountantsverklaring te worden overlegd, ongeacht de hoogte van het Subsidiebedrag.

    ^ [17]
  18. Hieronder behoort niet de NOW-subsidie zelf. Zie: Staatscourant 2020, 34308.

    ^ [18]
  19. De meetperiode is de periode waarover de aanvrager NOW-subsidie heeft aangevraagd. Deze periode vindt u in de initiële beschikking.

    ^ [19]
  20. Indien ondergetekende voor de werkgever administratie voert en genoemde werkzaamheden al zijn verricht in het kader van de normale dienstverlening voor de voorbereiding van de aanvraag tot vaststelling door de werkgever en er geen resterende afwijkingen zijn, mag er op basis daarvan getekend worden voor akkoord door de deskundige derde. De derde deskundige stelt dan wel vast dat die eerdere werkzaamheden nog volstaan in het licht van gewijzigde omstandigheden in de tussenliggende periode.

    ^ [20]
  21. Indien geconstateerde afwijkingen niet door de aanvrager zijn hersteld, is het niet mogelijk deze verklaring af te geven.

    ^ [21]
Terug naar begin van de pagina