Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen

[Regeling vervalt per 01-01-2024.]
Geraadpleegd op 09-02-2023.
Geldend van 01-10-2021 t/m heden

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 maart 2020, nr. 2020-0000011303, houdende regels met betrekking tot de stimulering van aardgasvrije huurwoningen (Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van het aardgasvrij maken van huurwoningen en huur- en koopwoningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht waarvan een of meer leden verhuurder zijn van een woning in dat gebouw of die gebouwen door middel van opschaling en versnelling van:

  • a. het aardgasvrij maken van woningen en het aansluiten op warmtenetten van die aardgasvrije woningen of gebouwen waarvan de woningen onderdeel uitmaken; en

  • b. het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 3. Aanvraagperiode en wijze van indienen

  • 1 Een aanvraag voor een subsidie kan worden ingediend van 1 mei 2020 tot en met 31 december 2023.

  • 2 Voor huurwoningen van een verhuurder en huur- en koopwoningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht waarvan een of meer leden van die vereniging verhuurder zijn van een woning in dat gebouw of die gebouwen die op grond van dezelfde overeenkomst met een warmteleverancier worden aangesloten op een warmtenet wordt één aanvraag ingediend.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing op een aanvraag voor een subsidie voor het geheel aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 4 Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat door de minister ter beschikking is gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 185.300.000 voor het totaal van:

    • a. de aanvragen voor subsidies van € 25.000 of meer als bedoeld in hoofdstuk 2; en

    • b. de aanvragen voor subsidies voor uitsluitend het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 2 Het subsidieplafond voor aanvragen voor subsidies van minder dan € 25.000 als bedoeld in hoofdstuk 3, anders dan aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onder b, bedraagt € 10.000.000.

  • 3 De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5. Staatssteun

  • 1 Een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 2 kan staatsteun bevatten en gerechtvaardigd worden door artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3 kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door de de-minimisverordening.

Hoofdstuk 2. Subsidies van € 25.000 of meer

Artikel 6. Verstrekken van een subsidie van € 25.000 of meer

  • 1 De Minister kan aan verhuurders en verenigingen van eigenaars waarvan een of meer leden verhuurder zijn op aanvraag subsidie verstrekken van € 25.000 of meer voor activiteiten ten behoeve van het aardgasvrij maken en aansluiten op het warmtenet van meerdere woningen of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken of het volledig aardgasvrij maken van meerdere woningen die reeds zijn aangesloten op het warmtenet.

  • 2 Een subsidie kan uitsluitend worden verleend voor activiteiten die:

    • a. nog niet zijn aangevangen op het moment van aanvraag van de subsidie;

    • b. voor zover deze verricht worden in huurwoningen die geen onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: betrekking hebben op huurwoningen die gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd;

    • c. voor zover deze verricht worden in woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: betrekking hebben op ten minste één huurwoning die gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden is verhuurd;

    • d. binnen vijf jaar na moment van aanvraag van de subsidie kunnen worden afgerond; en

    • e. als beoogd resultaat hebben dat woningen na afronding van de activiteiten:

      • 1°. aardgasvrij zijn; en

      • 2°. zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 3 Het tweede lid, onder e, onder 2°, is niet van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 7. Subsidiabele kosten

  • 1 Een subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a. de kosten gerekend door de netbeheerder voor het afkoppelen van de aardgasaansluiting bedoeld voor ruimteverwarming, koken of warmtapwater en het verwijderen van de gasmeter;

    • b. het aanpassen of vervangen van het ruimteverwarmingssysteem en de voorzieningen voor koken en warmtapwater door middel van:

      • 1°. het verwijderen van de individuele of collectieve CV-ketel inclusief rookgasafvoer;

      • 2°. het aanpassen van de warmteafgiftesystemen ten behoeve van verwarming met lage temperatuur;

      • 3°. het verwijderen van het individuele warmtapwatertoestel;

      • 4°. het verwijderen van het gasfornuis;

      • 5°. het aanschaffen van een volledig elektrische kookvoorziening; of

      • 6°. het installeren van een niet-gasgedreven warmtapwatervoorziening;

    • c. andere bouwkundige aanpassingen die nodig zijn voor het aardgasvrij maken van de woning of het aansluiten van de woning op een warmtenet, inhoudende:

      • 1°. het aankoppelen van de binneninstallatie aan het warmtenet;

      • 2°. het aankoppelen van de binneninstallatie aan het inpandig leidingstelsel;

      • 3°. het aanpassen van de meterkast en leidingen ten behoeve van elektrisch koken;

      • 4°. het verwijderen van de stijgleidingen;

      • 5°. bouwkundige aanpassingen ten behoeve van het plaatsen van de afleverset;

      • 6°. het verwijderen van gasleidingen; of

      • 7°. het aanleggen van een inpandig leidingstelsel; en

    • d. de kosten gerekend door de warmteleverancier voor het aansluiten van de huurwoning of het gebouw waar de huurwoningen onderdeel van uitmaken op het warmtenet of indien de aanvraag betrekking heeft op een vereniging van eigenaars waarvan een of meer leden verhuurder zijn van een woning in het gebouw waarvoor de vereniging van eigenaars is opgericht de kosten gerekend door de warmteleverancier voor het aansluiten van de huurwoning, koopwoning of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken op het warmtenet.

  • 2 De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn subsidiabel voor zover het gaat om kosten, die rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming en die als kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie

  • 2 Een subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, bedraagt ten hoogste 30 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 3.800 per woning.

  • 3 De aanvrager van de subsidie mag de kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, onder 7°, opvoeren bij de onder het tweede lid genoemde kosten, met hetzelfde subsidiepercentage en maximum, als:

    • a. de aanvrager optreedt als doorleverancier van de warmte geleverd door een andere warmteleverancier; of

    • b. de aanvrager kosten maakt voor het aanleggen van een inpandig leidingstelsel en de eigendom of het beheer van dit leidingstelsel wordt overgedragen aan de warmteleverancier.

Artikel 9. Aanvraag van de subsidie

  • 1 Een aanvraag bevat:

    • a. adresgegevens van de huurwoningen waarop de aanvraag betrekking heeft en indien van toepassing: adresgegevens van de koopwoningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht waarvan een of meer leden verhuurder zijn van een woning waarop de aanvraag mede betrekking heeft;

    • b. indien van toepassing: het L-nummer van de aanvrager;

    • c. indien de aanvrager een natuurlijke persoon is: het burgerservicenummer van de aanvrager;

    • d. indien de aanvraag betrekking heeft op een vereniging van eigenaars of één of meer leden van een vereniging van eigenaars: een afschrift van het rechtsgeldige besluit van de algemene ledenvergadering tot het aardgasvrij maken van alle woningen of toestemming voor het aardgasvrij maken van een deel van de woningen en het aansluiten van die aardgasvrije woningen of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken op het warmtenet of het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op het warmtenet;

    • e. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt:

      • 1°. hoeveel de kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, bedragen, met uitzondering van een in de overeenkomst opgenomen verhoging van deze kosten in verband met mogelijke stijging van de prijs in de toekomst;

      • 2°. dat de woningen, bedoeld onder a, of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken zullen worden aangesloten op een warmtenet; en

      • 3°. dat het aansluiten van de woningen of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken op een warmtenet binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag zal plaatsvinden;

    • f. een verklaring waaruit blijkt dat de verhuurder die de aanvraag heeft ingediend of de verhuurder of verhuurders die onderdeel uitmaken van een vereniging van eigenaars die de aanvraag heeft ingediend voor de activiteiten waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt aangevraagd niet meer steun ontvangt dan is toegestaan op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • g. indien de aanvraag betrekking heeft op woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: een verklaring waaruit blijkt dat ten minste één woning gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden is verhuurd;

    • h. indien de aanvraag betrekking heeft op huurwoningen die geen onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: een verklaring van de verhuurder waaruit blijkt dat de huurwoningen gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd; en

    • i. als de verhuurder die de aanvraag heeft ingediend of een verhuurder die onderdeel uitmaakt van de vereniging van eigenaars die de aanvraag heeft ingediend meer dan € 500.000 aanvraagt of ontvangt voor de kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid: informatie over de grootte van de onderneming, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onder e, bevat een aanvraag voor subsidie voor activiteiten ten behoeve van het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat de woningen zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 10. Subsidieverplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit te voeren of te laten uitvoeren binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag voor de subsidie; en

    • b. de minister te informeren wanneer de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verstrekt, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze.

  • 2 Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger een maal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.

Artikel 11. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor zover:

  • a. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen of woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht en waarin zich ten minste één huurwoning bevindt die niet zijn gelegen in Nederland;

  • b. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen of woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht en waarin zich ten minste één huurwoning bevindt die zijn gebouwd op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of na 1 juli 2018 en die niet zijn gelegen in een door college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld artikel 10, zevende lid, onder a, van de Gaswet;

  • c. de verhuurder die de aanvraag heeft ingediend of een verhuurder die onderdeel uitmaakt van de vereniging van eigenaars die de aanvraag heeft ingediend een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of

  • d. een bedrag aan subsidie verstrekt zou worden aan een verhuurder dat hoger is dan geoorloofd is op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 12. Verlening, voorschot en vaststelling van de subsidie

  • 1 De hoogte van het voorschot bij verlening bedraagt:

    • a. als de subsidie betrekking heeft op huurwoningen die geen onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: 50 procent van de subsidie;

    • b. als de subsidie betrekking heeft op woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: 70 procent van de subsidie.

  • 2 Bij de aanvraag tot vaststelling wordt door de subsidieontvanger aangetoond dat is voldaan aan artikel 10 en de subsidieverplichtingen die zijn opgenomen in de verleningsbeschikking.

Artikel 13. Bekendmaking van gegevens over steunverlening

  • 1 De minister maakt binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, als de subsidie aan de verhuurder die de aanvraag heeft ingediend of een verhuurder die onderdeel uitmaakt van de vereniging van eigenaars die de aanvraag heeft ingediend meer bedraagt dan € 500.000.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

Hoofdstuk 3. Subsidies van minder dan € 25.000

Artikel 14. Verstrekken van de subsidie

  • 1 De Minister kan op aanvraag een subsidie van minder dan € 25.000 verstrekken aan verhuurders en verenigingen van eigenaars waarvan een of meer leden verhuurder zijn voor activiteiten ten behoeve van het aardgasvrij maken en aansluiten op het warmtenet van een of meerdere woningen waarop de aanvraag betrekking heeft of het gebouw of de gebouwen waar meerdere woningen onderdeel van uitmaken of het volledig aardgasvrij maken van een of meerdere woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 2 Een subsidie als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden verleend voor activiteiten die:

    • a. zijn aangevangen na 17 september 2019 en ten tijde van de aanvraag lopend of afgerond zijn;

    • b. voor zover deze verricht worden in huurwoningen die geen onderdeel uitmaken van een gebouw waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: betrekking hebben op huurwoningen die gedurende de twee jaar voor de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd;

    • c. voor zover deze verricht worden in woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: betrekking hebben op ten minste één huurwoning die gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden is verhuurd;

    • d. binnen vijf jaar na moment van aanvraag van de subsidie kunnen worden afgerond; en

    • e. tot beoogd resultaat hebben dat woningen na afronding van de activiteiten:

      • 1°. aardgasvrij zijn; en

      • 2°. zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 3 Het tweede lid, onder e, onder 2°, is niet van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 15. Subsidiabele kosten

  • 1 Een subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a. de kosten gerekend door de netbeheerder voor het afkoppelen van de aardgasaansluiting bedoeld voor ruimteverwarming, koken of warmtapwater en het verwijderen van de gasmeter;

    • b. het aanpassen of vervangen van het ruimteverwarmingssysteem en de voorzieningen voor koken en warmtapwater door middel van:

      • 1°. het verwijderen van de individuele of collectieve CV-ketel inclusief rookgasafvoer;

      • het aanpassen van de warmteafgiftesystemen ten behoeve van verwarming met lage temperatuur;

      • 3°. het verwijderen van het individuele warmtapwatertoestel;

      • 4°. het verwijderen van het gasfornuis;

      • 5°. het aanschaffen van een volledig elektrische kookvoorziening; of

      • 6°. het installeren van een niet-gasgedreven warmtapwatervoorziening;

    • c. andere bouwkundige aanpassingen die nodig zijn voor het aardgasvrij maken van de woning of het aansluiten van de woning op een warmtenet, inhoudende:

      • 1°. het aankoppelen van de binneninstallatie aan het warmtenet;

      • 2°. het aankoppelen van de binneninstallatie aan het inpandig leidingstelsel;

      • 3°. het aanpassen van de meterkast en leidingen ten behoeve van elektrisch koken;

      • 4°. het verwijderen van de stijgleidingen;

      • 5°. bouwkundige aanpassingen ten behoeve van het plaatsen van de afleverset;

      • 6°. het verwijderen van gasleidingen; of

      • 7°. het aanleggen van een inpandig leidingstelsel; en

    • d. de kosten gerekend door de warmteleverancier voor het aansluiten van de huurwoning of het gebouw waar huurwoningen onderdeel van uitmaken op het warmtenet of indien de aanvraag betrekking heeft op een vereniging van eigenaars waarvan een of meer leden verhuurder zijn van een woning in het gebouw waarvoor de vereniging van eigenaars is opgericht de kosten gerekend door de warmteleverancier voor het aansluiten van de huurwoning, koopwoning of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken op het warmtenet.

Artikel 16. Hoogte van de subsidie

  • 2 Een subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder d, bedraagt ten hoogste 30 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 3.800 per woning.

  • 3 De aanvrager van de subsidie mag de kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, onder 7°, opvoeren bij de onder het tweede lid genoemde kosten, met hetzelfde subsidiepercentage en maximum, als:

    • a. de aanvrager optreedt als doorleverancier van de warmte geleverd door een andere warmteleverancier; of

    • b. de aanvrager kosten maakt voor het aanleggen van een inpandig leidingstelsel en de eigendom of het beheer van dit leidingstelsel wordt overgedragen aan de warmteleverancier.

Artikel 17. Aanvraag van de subsidie

  • 1 Een aanvraag bevat:

    • a. adresgegevens van de huurwoningen waarop de aanvraag betrekking heeft en indien van toepassing: adresgegevens van de koopwoningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht waarvan een of meer leden verhuurder zijn van een woning waarop de aanvraag mede betrekking heeft;

    • b. indien van toepassing: het L-nummer van de aanvrager;

    • c. indien de aanvrager een natuurlijke persoon is: het burgerservicenummer van de aanvrager;

    • d. indien de aanvraag betrekking heeft op een vereniging van eigenaars of één of meer leden van een vereniging van eigenaars: een afschrift van het rechtsgeldige besluit van de algemene ledenvergadering tot het aardgasvrij maken van alle woningen of toestemming voor het aardgasvrij maken van een deel van de woningen en het aansluiten van die aardgasvrije woningen of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken op het warmtenet of het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op het warmtenet;

    • e. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt:

      • 1°. hoeveel de kosten, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder d, bedragen, met uitzondering van een in de overeenkomst opgenomen verhoging van deze kosten in verband met mogelijke stijging van de prijs in de toekomst;

      • 2°. dat de woningen, bedoeld onder a, of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken zullen worden aangesloten op een warmtenet; en

      • 3°. dat het aansluiten van die woningen of het gebouw waar de woningen onderdeel van uitmaken op een warmtenet binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag zal plaatsvinden;

    • f. indien de aanvraag betrekking heeft op woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: een verklaring waaruit blijkt dat ten minste één woning gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden is verhuurd;

    • g. indien de aanvraag betrekking heeft op huurwoningen die geen onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht: een verklaring van de verhuurder waaruit blijkt dat de huurwoning of de huurwoningen gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd; en

    • h. een verklaring waaruit blijkt dat de verhuurder die de aanvraag heeft ingediend of de verhuurder of verhuurders die onderdeel uitmaken van een vereniging van eigenaars die de aanvraag heeft ingediend voor de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet meer steun ontvangt dan is toegestaan op basis van de de-minimisverordening.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onder e, bevat een aanvraag voor subsidie voor activiteiten ten behoeve van het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat de woningen zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 18. Subsidieverplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit te voeren of te laten uitvoeren binnen vijf jaar na het indienen van de aanvraag.

  • 2 Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger een maal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.

Artikel 19. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor zover:

  • a. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen of woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht en waarin zich ten minste één huurwoning bevindt die niet zijn gelegen in Nederland; of

  • b. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen of woningen die onderdeel uitmaken van een gebouw of gebouwen waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht en waarin zich ten minste één huurwoning bevindt die zijn gebouwd op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of na 1 juli 2018 en die niet zijn gelegen in een door college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld artikel 10, zevende lid, onder a, van de Gaswet.

Artikel 20. Verlening en vaststelling van de subsidie

  • 2 Als een subsidie wordt verleend voor activiteiten die nog niet zijn afgerond ten tijde van de aanvraag wordt de subsidie uiterlijk vijf jaar na indienen van de aanvraag ambtshalve vastgesteld als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder b, van het Kaderbesluit.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 20a. Vangnetbepaling

Op een aanvraag die wordt ingediend door een vereniging van eigenaars waarvan aan het lid dat verhuurder is of de leden die verhuurder zijn van één of meerdere woningen in het gebouw of de gebouwen waarvoor de vereniging van eigenaars is opgericht op grond van deze regeling voor 1 oktober 2021 een subsidie is verleend zijn de artikelen 3, tweede lid, 6, tweede lid, onder a en c, en 14, tweede lid, onder c, niet van toepassing.

Artikel 21. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2020, en vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn verstrekt.

Artikel 22. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

R.W. Knops

Naar boven