Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE

Geraadpleegd op 29-06-2022.
Geldend van 01-01-2021 t/m 31-12-2021

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 februari 2020, nr. 2019-0000172044, tot verlening van een eenmalige tegemoetkoming aan werknemers die lijden aan de aandoening CSE als gevolg van de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid (Regeling tegemoetkoming werknemers met CSE)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies, en artikel 34a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • CSE: chronic solvent-induced encephalopathy, een aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen;

    • CSE-panel: multidisciplinair team van experts dat gespecialiseerd is in de aandoening CSE en beoordeelt of een afgegeven diagnose voldoet aan de criteria uit deze regeling;

    • Instituut Asbestslachtoffers: Stichting Instituut Asbestslachtoffers te ’s-Gravenhage;

    • lasten:

      • a. voorschot;

      • b. vergoedingen die door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers worden verstrekt voor de advisering ten behoeve van deze regeling;

    • minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • nabestaanden:

      • a. de langstlevende van de echtgenoten;

      • b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;

      • c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen, degenen met wie hij in gezinsverband leefde;

      • d. bij ontstentenis van de onder a, b en c bedoelde personen, erfgenamen als bedoeld in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, mits een verklaring van erfrecht wordt overgelegd;

    • oplosmiddelen: vluchtige organische stoffen als bedoeld in artikel 4.62a van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

    • Solvent Team: multidisciplinair team van experts, gevestigd in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, dat gespecialiseerd is in het vaststellen of uitsluiten van de aandoening CSE en daarover een diagnose stelt;

    • SVB: Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • voorschot: tegemoetkoming als voorschot op de eventuele vordering van immateriële schade op de werkgever op wie deze schade kan worden verhaald;

    • werkgever: natuurlijke of rechtspersoon voor wie de werknemer arbeid in Nederland verricht of heeft verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was;

    • werknemer: degene die voor een natuurlijke of rechtspersoon arbeid in Nederland verricht of heeft verricht krachtens een Nederlandse publiekrechtelijke aanstelling of krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is of was.

  • 3 In deze regeling wordt niet als echtgenoot aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Hoofdstuk 2. Het recht op en de hoogte van een voorschot

Artikel 3. Voorwaarden recht op een voorschot

  • 1 De werknemer bij wie de aandoening CSE is vastgesteld heeft recht op een voorschot, indien:

    • a. de aandoening CSE voor 1 maart 2020 is vastgesteld;

    • b. het CSE-panel heeft geconcludeerd dat de diagnose CSE voldoet aan de richtlijnen uit het artikel 'Chronic solvent-induced encephalopathy: European consensus of neuropsychological characteristics, assessment, and guidelines for diagnostics' zoals gepubliceerd in het tijdschrift NeuroToxicology 33 (2012), p. 710–726;

    • c. hij aannemelijk heeft gemaakt dat de aandoening CSE is veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;

    • d. hij geen betaling in verband met de aandoening CSE van een of meer werkgevers heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 21.847, ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;

    • e. hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers tussen hem en zijn werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onderdeel f, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;

    • f. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om:

      • 1°. zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen;

      • 2°. de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;

    • g. hij, indien hij een betaling van de werkgever ontvangt in verband met de aandoening CSE na uitbetaling van het voorschot, het voorschot voor het geheel of, wanneer de betaling lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt; en

    • h. hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de betaling, bedoeld in onderdeel g.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan een werknemer tevens recht hebben op een voorschot, indien ten behoeve van de werknemer uiterlijk op 1 september 2020 een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team en dit later leidt tot de diagnose CSE door het Solvent Team.

Artikel 5. Beperking recht op voorschot

Indien de werknemer bij wie de aandoening CSE is vastgesteld tevens tijdens het verrichten van arbeid buiten Nederland is blootgesteld aan oplosmiddelen en in verband daarmee een betaling van een werkgever of buitenlandse werkgever heeft ontvangen, bestaat het recht op een voorschot in afwijking van artikel 3 uitsluitend voor zover die betaling lager is dan € 21.847, ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.

Artikel 6. Hoogte voorschot

  • 1 Het voorschot bedraagt € 21.847.

  • 2 Indien een of meer werkgevers een bedrag hebben betaald aan de werknemer in verband met de aandoening CSE dat in totaal lager is dan € 21.847 of indien de werknemer betalingen heeft ontvangen als bedoeld in artikel 5 wordt de hoogte van het voorschot vastgesteld op het verschil tussen de ontvangen bedragen en € 21.847.

Hoofdstuk 3. Het geldend maken van het recht op het voorschot

Artikel 8. Overlijden na aanvraag

  • 1 De behandeling van de aanvraag wordt in de situatie dat de werknemer is overleden nadat hij de aanvraag heeft ingediend, doch voordat op de aanvraag is beslist, ten behoeve van de nabestaanden voortgezet, tenzij deze schriftelijk te kennen geven daarop geen prijs te stellen.

  • 2 Indien er meer dan één nabestaande is, dragen de nabestaanden er zorg voor dat aan één van hen een volmacht wordt verleend tot vertegenwoordiging ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, het in ontvangst nemen van het voorschot daarbij inbegrepen.

Artikel 9. Informatieverplichtingen aanvraag voorschot

  • 1 De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot in ieder geval de bewijsstukken die noodzakelijk zijn om vast te stellen dat:

    • a. hij voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regeling is gediagnosticeerd met de aandoening CSE; of

    • b. uiterlijk op 1 september 2020 voor hem een verzoek voor een diagnose is ingediend bij het Solvent Team en dit later heeft geleid tot de diagnose CSE door het Solvent Team.

  • 2 In verband met de voorwaarde dat aannemelijk wordt gemaakt dat de aandoening CSE is veroorzaakt door blootstelling aan oplosmiddelen tijdens het verrichten van arbeid als werknemer verstrekt de werknemer de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen bij de indiening van de aanvraag om een voorschot de inlichtingen en zo mogelijk bewijsstukken omtrent:

    • a. de blootstelling aan oplosmiddelen gedurende het verrichten van arbeid als werknemer;

    • b. de periode gedurende welke die blootstelling aan oplosmiddelen heeft plaatsgevonden; en

    • c. degenen die in verband met de arbeid waarbij die blootstelling aan oplosmiddelen heeft plaatsgevonden als werkgever worden aangemerkt.

  • 3 De werknemer verstrekt de SVB of de door haar aangewezen personen of instellingen op verzoek of uit eigen beweging de overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de uitvoering van deze regeling en verleent ook overigens de medewerking die redelijkerwijs nodig is.

  • 4 Indien de aanvraag om het voorschot van een werknemer na diens overlijden wordt voortgezet ten behoeve van de nabestaanden, is dit artikel op hen van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4. Betaling en terugvordering

Artikel 11. Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1 De SVB herziet een besluit tot toekenning van het voorschot of trekt dat in indien degene aan wie het voorschot is toegekend of de nabestaande hiervan:

    • a. nadien alsnog een betaling heeft ontvangen waarmee rekening zou zijn gehouden bij de vaststelling van het recht op het voorschot; of

    • b. een verplichting als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onder e, g of h, of 9 niet of niet behoorlijk is nagekomen en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van het voorschot.

  • 2 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de SVB besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

  • 3 Het voorschot dat als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt van degene aan wie het voorschot is toegekend, of de nabestaande hiervan, teruggevorderd.

Hoofdstuk 5. Uitvoering en financiering

Artikel 15. Overeenkomst tussen SVB en Instituut Asbestslachtoffers

  • 1 De SVB en het Instituut Asbestslachtoffers stellen een overeenkomst op betreffende de samenwerking en werkwijze in het kader van de uitvoering van deze regeling.

  • 2 In de in het eerste lid bedoelde overeenkomst wordt ten minste vastgelegd:

    • a. op welke wijze de behandeling van aanvragen om een voorschot plaatsvindt;

    • b. op welke wijze de juistheid en de volledigheid van de verkregen inlichtingen wordt onderzocht;

    • c. op welke wijze de informatievoorziening aan belanghebbenden wordt ingericht;

    • d. welke vergoeding door de SVB aan het Instituut Asbestslachtoffers zal worden verstrekt;

    • e. op welke wijze de verstrekking van de vergoedingen, bedoeld onder d, zal worden ingericht;

    • f. dat periodiek overleg zal worden gevoerd betreffende de uitvoering van deze regeling, alsmede de frequentie daarvan;

    • g. welke informatie door het Instituut Asbestslachtoffers aan de SVB wordt verstrekt ten behoeve van de informatieverplichting van de SVB aan de minister; en

    • h. hoe uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen zullen worden beslecht.

Artikel 16. Raming baten en lasten

  • 1 Voor 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de minister in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot deze regeling, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.

  • 2 In de opgave van de uitkeringslasten, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de posten genoemd in artikel 18, tweede lid.

Artikel 17. Betaling voorschot

  • 1 De uitkeringslasten en uitvoeringskosten van deze regeling worden gefinancierd uit een rijksbijdrage ten laste van de begroting van de minister.

  • 2 De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van:

    • a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en

    • b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

  • 3 De minister kan, na overleg met de SVB, van de in het tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 18. Afrekening

  • 2 Op de in het eerste lid bedoelde uitkeringslasten komen in mindering:

  • 3 Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 februari 2020

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

T. van Ark

Naar boven