Beleidsregel tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Beleidsregels van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 december 2019, kenmerk 2772918, betreffende de tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Beleidsregels tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen)

De Minister voor Rechtsbescherming,

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Titel 1.1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Titel 1.2. Persoonsgericht werken

Artikel 1:2. Persoonsgericht werken

Bij de afwegingen voorafgaand aan iedere beslissing die tijdens de tenuitvoerlegging van (een) strafrechtelijke beslissing(en) wordt genomen, worden in ieder geval betrokken:

  • a. de actuele informatie over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissing(en) zoals die bekend is bij het CJIB/AICE;

  • b. het advies van de officier van justitie of de rechter ten aanzien van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissing(en), voor zover dit advies is gegeven.

Artikel 1:3. Gebruik adressen ten behoeve van de tenuitvoerlegging

  • 1 Natuurlijke personen die onderwerp zijn van de tenuitvoerlegging van (een) sanctie(s), worden per post aangeschreven op het tijdens de opsporing, vervolging of berechting opgegeven adres, dan wel op het adres uit de basisregistratie personen.

  • 2 Rechtspersonen die onderwerp zijn van de tenuitvoerlegging van (een) sanctie(s), worden aangeschreven op het adres zoals dit bij de Kamer van Koophandel geregistreerd staat.

  • 3 Indien een persoon niet kan worden bereikt op een adres als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan een adres worden gebruikt waarvan een indicatie bestaat dat die persoon daar wel kan worden bereikt.

Artikel 1:4. Niet geslaagde tenuitvoerlegging strafbeschikking

Het CJIB/AICE verzoekt de officier van justitie een beslissing te nemen over verdere vervolging, indien de tenuitvoerlegging van een strafbeschikking geheel of ten dele niet is geslaagd.

Artikel 1:5. Relaties tussen verschillende strafrechtelijke beslissingen

  • 1 Wanneer een maatregel opname psychiatrisch ziekenhuis, terbeschikkingstelling, plaatsing in een justitiële jeugdinrichting of opname in een inrichting voor stelselmatige daders ten uitvoer wordt gelegd, wordt afgezien van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis dan wel gijzeling, en/of wordt afgezien van het indienen van een verzoek om omzetting van de vervangende hechtenis dan wel de (machtiging) gijzeling inzake geldelijke sancties.

  • 2 Indien de veroordeelde die een ISD-maatregel ondergaat geldelijke sancties open heeft staan, wordt hiervoor zoveel mogelijk een betalingsregeling getroffen in samenhang met andere openstaande schulden voorafgaand aan de tussentijdse toets.

Hoofdstuk 2. Vrijheidsbenemende sancties

Titel 2.1. Detentie- en arrestatiegeschikt

Artikel 2:1. Detentiegeschiktheid

  • 1 De veroordeelde die van mening is dat hij om medische redenen niet detentiegeschikt is, kan een verzoek indienen om onderzoek te laten verrichten naar zijn detentiegeschiktheid.

  • 2 Het verzoek van de veroordeelde die zich moet melden in een inrichting als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, dient te worden voorzien van een ondertekende toestemmingsverklaring voor het opvragen van medische informatie.

  • 3 Het verzoek wordt niet in behandeling genomen, indien:

    • a. het verzoek van de veroordeelde die zich moet melden in een inrichting als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, niet overeenkomstig het tweede lid is ingediend;

    • b. ten behoeve van het verzoek van de veroordeelde, niet zijnde de veroordeelde die zich moet melden in een inrichting als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, de toestemmingsverklaring niet binnen zeven dagen na verzending door de medisch adviseur van DJI is ontvangen.

Artikel 2:2. Advies medisch adviseur

  • 1 Indien de medisch adviseur van DJI adviseert dat de veroordeelde die niet in detentie zit tijdelijk niet detentiegeschikt is, kan de selectiefunctionaris van DJI besluiten de tenuitvoerlegging op te schorten voor de duur als vermeld in het advies van de medisch adviseur, tenzij zich feiten en omstandigheden voordoen die maken dat de afwezigheid van detentiegeschiktheid in twijfel moet worden getrokken. De veroordeelde wordt over de beslissing naar aanleiding van het advies geïnformeerd.

  • 2 Indien de veroordeelde in detentie zit, en de medisch adviseur van DJI adviseert op verzoek van DJI, de Dienst Justis of het Adviescollege levenslanggestraften, wordt het advies van de medisch adviseur betrokken bij een besluit inzake detentiefasering, het besluit op een gratieverzoek, of het advies van het Adviescollege levenslanggestraften aan de Minister.

  • 3 De veroordeelde die niet in detentie zit, dient er melding van te maken, indien de oorzaak voor de tijdelijke afwezigheid van detentiegeschiktheid is komen te vervallen voorafgaande aan de bedoelde termijn in het eerste lid.

  • 4 Indien de persoon ten aanzien van wie een onderzoek naar detentiegeschiktheid is uitgevoerd, na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van mening is dat nog immer geen sprake is van detentiegeschiktheid, dient de persoon een verzoek in te dienen als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, na ontvangst van de nieuwe oproep.

  • 5 Indien de medisch adviseur van DJI adviseert dat de veroordeelde blijvend niet detentiegeschiktheid is, kan deze veroordeelde een gratieverzoek indienen bij de Dienst Justis.

  • 6 De tenuitvoerlegging van de initiële vrijheidsbeperkende of geldelijke sanctie, waarbij is besloten tot vervangende hechtenis, -jeugddetentie of gijzeling, wordt hervat, indien de medisch adviseur van DJI blijvende afwezigheid van detentiegeschiktheid adviseert waardoor vervangende hechtenis of gijzeling niet ten uitvoer gelegd kan worden.

Artikel 2:3. Arrestatiegeschiktheid

  • 1 Indien aanhouding niet mogelijk is wegens persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, kan op dat moment van aanhouding worden afgezien. Onder persoonlijke omstandigheden wordt in ieder geval verstaan dat de veroordeelde die gearresteerd moet worden:

    • a. in het ziekenhuis ligt en de benodigde zorg binnen detentie niet geleverd kan worden.

    • b. de zorg draagt over één of meer minderjarige kinderen en deze zorg niet direct kan worden overgedragen.

  • 2 Indien ambtenaren van de politie bij de uitvoering van een last tot aanhouding van een persoon signaleren dat mogelijk sprake is van medische problematiek die aanleiding kan geven om de vrijheid van die persoon niet te ontnemen, wordt na de aanhouding op het politiebureau een arts geraadpleegd ten behoeve van medisch advies en, voor zover nodig, medische zorg.

  • 3 De vrijheidsbeneming van de in het tweede lid bedoelde aangehouden persoon wordt zonder nadere maatregelen voortgezet, indien de geraadpleegde arts constateert dat er geen sprake is van medische problematiek die vrijheidsbeneming in de weg staat.

  • 4 Zorg wordt verleend aan de in het tweede lid bedoelde aangehouden persoon, indien de geraadpleegde arts constateert dat sprake is van medische problematiek waarvoor gepaste zorg noodzakelijk is. Deze zorg kan onder diens verantwoordelijkheid op het politiebureau kan worden verleend, dan in een inrichting of het justitieel centrum voor somatisch zorg onder verantwoordelijkheid van de directeur van die inrichting.

  • 5 De vrijheidsbeneming van de in het tweede lid bedoelde aangehouden persoon wordt opgeschort voor ten minste de duur van een onderzoek naar diens detentiegeschiktheid, indien de geraadpleegde arts constateert dat sprake is van medische problematiek waarvoor de gepaste zorg niet op het politiebureau in een inrichting of het justitieel centrum voor somatische zorg kan worden verleend.

Titel 2.2. Oproep tot zelfmelding

Artikel 2:4. Oproep tot zelfmelding dan wel de intrekking daarvan

  • 1 Het CJIB/AICE beoordeelt met in achtneming van artikel 2:1 van de regeling of de veroordeelde wordt opgeroepen om zichzelf te melden voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie.

  • 2 DJI verzendt de oproep tot zelfmelding en vermeldt daarbij de datum waarop de veroordeelde zich moet melden.

  • 3 Het CJIB/AICE geeft in ieder geval een last tot aanhouding, indien:

    • a. de veroordeelde niet wordt opgeroepen om zich te melden;

    • b. de veroordeelde niet tijdig gehoor geeft aan een verzonden oproep tot zelfmelding.

  • 4 DJI beoordeelt of een oproep tot zelfmelding overeenkomstig artikel 2:2 van de regeling moet worden ingetrokken en doet hiervan mededeling aan de veroordeelde.

Titel 2.3. Uitzondering op (weekend)ontslag

Artikel 2:5. Uitzondering op (weekend)ontslag

De directeur van de justitiële inrichting kan de veroordeelde van wie de laatste dag van de straftijd een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is, maximaal vier dagen eerder dan deze laatste dag in vrijheid stellen, voor zover dit noodzakelijk is om te borgen dat vervolghandelingen met betrekking tot:

  • a. de opname in een kliniek;

  • b. de behandeling in therapie;

  • c. beschermd wonen of verblijf in zorgvoorziening (als bijzondere voorwaarde);

  • d. de plaatsing in gesloten jeugdzorg;

  • e. de nazorg door de gemeenten;

  • f. de uitzetting als vreemdeling,

direct daarop aansluitend kunnen volgen.

Titel 2.4. Levenslange gevangenisstraf

Artikel 2:6. Levenslange gevangenisstraf

In het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, wordt via het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie een (aanvullende) Pro Justitia-rapportage opgesteld voor een adequate inschatting van de zorgbehoefte van een levenslanggestrafte.

Hoofdstuk 3. Vrijheidsbeperkende sancties

Titel 3.1. Tenuitvoerlegging algemene en bijzondere voorwaarden

Artikel 3:1. Waarschuwing tijdens tenuitvoerlegging toezicht

De uitvoerder van het toezicht kan een schriftelijke waarschuwing aan de onder toezicht gestelde geven wegens het niet naar behoren naleven van de voorwaarden. Een schriftelijke waarschuwing aan de onder toezicht gestelde wordt in ieder geval gegeven indien:

  • a. de onder toezicht gestelde zonder geldige reden meermaals niet verschijnt op een afspraak in het kader van het toezicht;

  • b. de onder toezicht gestelde afspraken van het plan van aanpak en/of het toezichtplan bewust en verwijtbaar overtreedt;

  • c. de onder toezicht gestelde zijn gedrag, ondanks één of meerdere mondelinge waarschuwingen niet verbetert;

  • d. de onder toezicht gestelde agressief gedrag vertoont, gericht op de uitvoerder van het toezicht.

Artikel 3:2. Normen voor verzoek vervolgbeslissing toezicht

  • 1 De uitvoerder van het toezicht verzoekt de officier van justitie in ieder geval om een vervolgbeslissing te nemen als bedoeld in artikel 6:3:14, vierde lid, van de wet (gericht op wijziging van de voorwaarden, de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel of verlenging van de proeftijd) indien:

    • a. de onder toezicht gestelde de uitvoerder van het toezicht bedreigt met fysiek geweld, dan wel fysiek geweld tegen de uitvoerder van het toezicht gebruikt;

    • b. de onder toezicht gestelde een gevaar vormt voor het slachtoffer of de samenleving;

    • c. de onder toezicht gestelde na een schriftelijke waarschuwing zijn gedrag niet verbetert en dit hem te verwijten is.

  • 2 De uitvoerder van het toezicht kan de officier van justitie verzoeken een vervolgbeslissing te nemen gericht op de wijziging van de voorwaarden van het toezicht, in het geval dat de onder toezicht gestelde niet kan voldoen aan de voorwaarden.

  • 3 De uitvoerder van het toezicht kan de officier van justitie verzoeken een vervolgbeslissing te nemen gericht op de beëindiging van het toezicht, indien de onder toezicht gestelde aan de voorwaarde(n) heeft voldaan.

Artikel 3:3. Openstaande voorwaarden bij schorsing voorlopige hechtenis

Het toezicht op voorwaarden die zijn gesteld bij schorsing van een bevel tot voorlopige hechtenis wordt uiterlijk beëindigd op het moment dat het vonnis of arrest met betrekking tot het strafbare feit waarvoor de voorlopige hechtenis was verleend, onherroepelijk is geworden.

Titel 3.2. Tenuitvoerlegging taakstraf

Artikel 3:4. Waarschuwing tijdens tenuitvoerlegging taakstraffen

Een schriftelijk waarschuwing als bedoeld in artikel 3:19 van het besluit wordt in ieder geval gegeven, indien:

  • a. de taakgestrafte zonder geldige reden meermaals niet verschijnt op een afspraak in het kader van de taakstraf;

  • b. de taakgestrafte zonder geldige reden niet op het afgesproken adres aanwezig is tijdens een ziektecontrole;

  • c. de taakgestrafte de standaardregels van de taakstrafovereenkomst als bedoeld in artikel 3:14, vijfde lid, van het besluit bewust en verwijtbaar overtreedt;

  • d. het gedrag van de taakgestrafte ondanks één of meerdere aanmaningen niet verbetert;

  • e. de taakgestrafte agressief gedrag vertoont, gericht op de uitvoerder taakstraffen of anderen binnen het project waar de taakgestrafte geplaatst is.

Artikel 3:5. Normen voor verzoek vervolgbeslissing taakstraffen

De uitvoerder taakstraffen kan de officier van justitie in ieder geval om een vervolgbeslissing verzoeken indien:

  • a. de taakgestrafte een bedreiging met fysiek geweld uit en/of zich agressief gedraagt tegen de uitvoerder taakstraffen of derden binnen het project waar de taakgestrafte is geplaatst;

  • b. de taakgestrafte bij de uitvoering van de taakstraf alcohol, drugs of wapens bij zich heeft;

  • c. de taakgestrafte een poging doet om de uitvoerder taakstraffen of een medewerker van de projectplaats te bewegen tot medewerking aan een onttrekking aan de correcte tenuitvoerlegging van de taakstraf;

  • d. de taakgestrafte verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit tijdens de tenuitvoerlegging van de taakstraf.

Hoofdstuk 4. Geldelijke sancties

Titel 4.1. Algemeen

Artikel 4:1. Fasen en volgorde

Geldelijke sancties worden in volgorde van inning, incasso en dwang dan wel vervangende hechtenis tenuitvoergelegd, tenzij een persoonsgerichte tenuitvoerlegging aanleiding geeft hiervan af te wijken.

Artikel 4:2. Betaling

  • 1 Het CJIB doet bij de aanschrijving van een geldelijke sanctie aan de betalingsplichtige mededeling van de vervaldatum en de aangewezen rekening van het CJIB waarop de betaling moet plaatsvinden.

  • 2 Een eventueel opgelegde verhoging wordt ongedaan gemaakt indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de betaling niet tijdig bij het CJIB is ontvangen als gevolg van een fout van de bank. Daartoe overlegt de betalingsplichtige een schriftelijke verklaring van de bank die opdracht heeft ontvangen tot overmaking van het verschuldigde bedrag.

Artikel 4:3. Conservatoir beslag

Het uitwinnen van conservatoir beslag op grond van artikel 94a van de wet vindt niet eerder plaats dan nadat de betalingsplichtige in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde bedrag te betalen. Het bepaalde is eveneens van toepassing indien het in beslag genomen voorwerp op grond van artikel 117 van de wet is vervreemd voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijk beslissing door het CJIB.

Titel 4.2. Inningsfase

Artikel 4:4. Aanmaningen geldboete vonnis/arrest en strafbeschikking

  • 1 De betalingsplichtige ontvangt geen aanmaningen tot betaling van een geldboete voorafgaand aan het moment waarop het vonnis/arrest tot betaling van een geldboete onherroepelijk wordt.

  • 2 De betalingsplichtige ontvangt voorafgaand aan het moment waarop de strafbeschikking tot betaling van een geldboete onherroepelijk wordt, een eerste en eventueel tweede aanmaning zonder verhoging van het verschuldigde bedrag.

  • 3 Indien de strafbeschikking onherroepelijk is geworden gedurende de termijn van de eerste dan wel tweede aanmaning zoals bedoeld in het tweede lid, ontvangt de betalingsplichtige opnieuw een eerste en eventuele tweede aanmaning met het openstaande bedrag inclusief verhoging.

Titel 4.3. Incassofase

Artikel 4:5. Inschakeling deurwaarder

Met de tenuitvoerlegging van meerdere dwangbevelen als bedoeld in artikel 6:4:5 van de wet, ten behoeve van het verhaal van voorwerpen onder één persoon, wordt zo veel mogelijk één gerechtsdeurwaarder belast.

Titel 4.4. Gijzeling, vervangende hechtenis en lijfsdwang

Artikel 4:6. Gijzeling

  • 1 Het verzoek om een vervolgbeslissing aan het OM, ingeval een volledige betaling is uitgebleven, teneinde gijzeling te vorderen of toe te passen, blijft in ieder geval achterwege indien:

    • a. sprake is van één of meer contra-indicaties zoals neergelegd in het beleid van het OM voor het vorderen van gijzeling;

    • b. de betalingsplichtige de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt;

    • c. de betalingsplichtige op basis van informatie volgens het CJIB buiten staat is om de geldelijke sanctie(s) betaling te voldoen.

  • 2 Indien de betalingsplichtige die gegijzeld is geweest na de tenuitvoerlegging van die eerdere gijzeling niet overgaat tot betaling, beoordeelt het CJIB, met inachtneming van de wettelijk toegestane duur van de gijzeling, of het OM wordt verzocht om de betalingsplichtige opnieuw te gijzelen of daartoe een vordering in te stellen.

Artikel 4:7. Waarschuwingsbrief

Het CJIB verzendt voorafgaand aan de toepassing van vervangende hechtenis of het gijzeling een waarschuwingsbrief.

Artikel 4:8. Beëindigen gijzeling, vervangende hechtenis en lijfsdwang

  • 1 De gijzeling, vervangende hechtenis of lijfsdwang kan op basis van een beoordeling door het CJIB voortijdig worden beëindigd indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  • 2 Een gijzeling, vervangende hechtenis of lijfsdwang wordt niet beëindigd in geval van een deelbetaling.

Artikel 4:9. Bijzonderheden schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen

  • 2 Indien de verhaalsmogelijkheden zijn uitgeput, of van verhaal is afgezien, kan vervangende hechtenis worden toegepast bij een ontnemingsmaatregel waarin vóór 1 september 2003 vonnis of arrest is gewezen. Hiervoor is toestemming vereist van het OM. In geval van ontnemingsmaatregelen waarin voor inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet lijfsdwang is gewezen door de rechter, kan tenuitvoerlegging van de lijfsdwang plaatsvinden.

  • 3 Het CJIB kan op verzoek van de betalingsplichtige de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel opschorten, indien een verminderingsverzoek is ingediend overeenkomstig artikel 6:6:26 van de wet.

Titel 4.5. Slachtoffers

Artikel 4:10. Voorschotregeling en rechtspersonen

Onder rechtspersoon als bedoeld in artikel 6:4:2, zesde lid, van de wet wordt mede verstaan een vennootschap onder firma als bedoeld in artikel 16 van het Wetboek van Koophandel.

Artikel 4:11. Opschorting uitkering voorschotregeling bij verzet strafbeschikking

Een eventuele uitkering aan het slachtoffer op basis van de voorschotregeling zoals bedoeld in artikel 6:4:2, zesde lid, van de wet, wordt opgeschort indien tegen een strafbeschikking met een schadevergoedingsmaatregel verzet is ingesteld als bedoeld in artikel 257e van de wet.

Artikel 4:12. Overlijden slachtoffer

Aan eventuele nabestaanden van een slachtoffer dat overlijdt voordat een uitkering uit het voorschotfonds ingevolge artikel 6:4:2, zesde lid, van de wet ontstaat, wordt niet uitgekeerd.

Artikel 4:13. Einde inning schadevergoedingsmaatregel

Het CJIB beëindigt de inning en incasso van de schadevergoedingsmaatregel definitief indien het slachtoffer zelf afspraken maakt met betrekking tot de betaling van de toegewezen schadevergoeding met de betalingsplichtige. Het niet nakomen van dergelijke afspraken door de betalingsplichtige komt voor risico van het slachtoffer.

Titel 4.6. Betalingsregelingen

Artikel 4:14. Reikwijdte

Betalingsregelingen kunnen slechts worden toegestaan voor zover zij betrekking hebben op administratieve sancties op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen en inkomende geldelijke sancties.

Artikel 4:15. Uitvoering van met de rechter of officier van justitie getroffen betalingsregeling

  • 1 De bepalingen in deze paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van een betalingsregeling die door de rechter of de officier van justitie wordt toegestaan. Voor zover het CJIB tevens voor één of meer andere openstaande vorderingen een betalingsregeling toestaat, worden de betalingsregelingen samengevoegd tot één betalingsregeling.

  • 2 Bij de tenuitvoerlegging van een betalingsregeling die door de rechter of de officier van justitie wordt toegestaan, kan het CJIB op verzoek van de betalingsplichtige gunstigere voorwaarden hanteren.

Artikel 4:16. Opschorting

  • 1 De tenuitvoerlegging van de openstaande vordering loopt in beginsel door tot het moment dat een betalingsregeling wordt toegestaan door het CJIB.

  • 2 De inning en incasso van geldelijke sancties ten aanzien waarvan een betalingsregeling is toegestaan, wordt opgeschort voor de duur van die betalingsregeling.

Artikel 4:17. Beperkingen ten aanzien van het treffen van een betalingsregeling

  • 1 Een betalingsregeling kan slechts worden toegestaan voor ten hoogste de duur van de tenuitvoerleggingstermijn van de geldelijke sancties waarop zij betrekking heeft.

  • 2 Een betalingsregeling is mogelijk indien het totaal openstaand bedrag inclusief de verhogingen, zonder de administratiekosten, ten minste € 75,00 bedraagt. Voor een betalingsplichtige die op de pleegdatum nog geen 16 jaar oud was, geldt dat het openstaand bedrag tenminste € 37,50 dient te zijn.

  • 3 Een betalingsregeling strekkende tot betaling in termijnen wordt toegestaan in de vorm van een standaardregeling of een maatwerkregeling.

  • 4 Een betalingsregeling kan slechts worden toegestaan met het oog op een volledige voldoening van de betalingsverplichtingen. Percentagevoorstellen tegen finale kwijting worden niet toegestaan.

Artikel 4:18. Standaardregeling

  • 1 Een standaardregeling voor één of meer openstaande vorderingen kan worden getroffen indien sprake is van geldelijke sancties waarvoor nog geen verhaal met dwangbevel of een dwangmiddel/vervangende hechtenis wordt toegepast.

  • 2 Een standaardregeling voor een enkele administratieve sanctie kent een looptijd van maximaal 12 maanden. Voor de overige standaardregelingen geldt een looptijd van maximaal 36 maanden.

  • 3 Het termijnbedrag voor de standaardregeling en het aantal termijnen wordt bepaald op grond van het in dit verband op de website van het CJIB gepubliceerde kader. Bij het bepalen van het termijnbedrag kan een begrenzing plaatsvinden tot een maximaal openstaand bedrag en maximum aantal maanden.

Artikel 4:19. Maatwerkregeling

  • 1 Een maatwerkregeling kan worden getroffen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden en de standaardregeling niet mogelijk is, of geen uitkomst biedt.

  • 2 Een maatwerkregeling heeft geen betrekking op vorderingen waarvoor de gerechtsdeurwaarder reeds is ingeschakeld. Daarnaast heeft een maatwerkregeling in beginsel geen betrekking op vorderingen waarvoor reeds dwangmiddelen inclusief vervangende hechtenis schadevergoedingsmaatregelen worden toegepast.

  • 3 Een maatwerkregeling duurt maximaal 72 maanden, tenzij dit naar het oordeel van het CJIB onredelijk is.

Artikel 4:20. Uitstel van betaling

Uitstel van betaling kan uitsluitend worden verleend als de betalingsplichtige aannemelijk maakt dat volledige betaling of een significante deelbetaling binnen een redelijke termijn zal volgen. Uitstel van betaling voor onbepaalde duur wordt niet verleend.

Artikel 4:21. Wijze van indienen verzoek betalingsregeling

  • 1 Een verzoek om een betalingsregeling wordt bij voorkeur via de daarvoor opengestelde elektronische weg ingediend.

  • 2 Het CJIB kan van de betalingsplichtige in geval van een telefonisch verzoek alsnog verlangen om het verzoek via de opengestelde elektronische weg of schriftelijk in te dienen bij het CJIB.

Artikel 4:22. Medewerking verlenen

Het CJIB kan van de betalingsplichtige die verzoekt om een betalingsregeling, verlangen dat hij gegevens met betrekking tot zijn inkomen en/of vermogen overlegt ter onderbouwing van zijn betalingsonmacht of de betalingscapaciteit.

Artikel 4:23. Voeging van nieuwe vorderingen

In bijzondere gevallen kunnen op verzoek vorderingen die zijn ontstaan nadat een betalingsregeling is toegestaan, worden gevoegd in die betalingsregeling. Dit wordt slechts één keer per twaalf maanden toegestaan.

Artikel 4:24. Voorwaarden

Bij het toestaan van een betalingsregeling kunnen in ieder geval als voorwaarden worden gesteld dat:

  • a. betalingen via een machtiging tot automatische incasso worden gedaan;

  • b. de betalingsplichtige een bankrekeningnummer doorgeeft;

  • c. de betalingsplichtige een adres heeft in de Basis Registratie Personen of de Kamer van Koophandel, dan wel een ander betrouwbaar adres waarop hij kan worden bereikt;

  • d. het voertuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen of Reglement verkeersregels en verkeerstekens dat vanwege het niet verzekeren of keuren daarvan aanleiding gaf tot de oplegging van een geldboete, alsnog wordt verzekerd en gekeurd;

  • e. het kenteken dat vanwege het niet schorsen of de naam door te halen aanleiding gaf tot de oplegging van een geldboete, alsnog wordt geschorst of de naam wordt doorgehaald;

  • f. de betalingsplichtige iedere wijziging in diens financiële situatie onverwijld meldt.

Artikel 4:25. Weigeringsgronden

  • 1 Een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling wordt in ieder geval afgewezen, indien:

    • a. de betalingsplichtige naar het oordeel van het CJIB onvoldoende medewerking als bedoeld in artikel 4:22 verleent;

    • b. de betalingsplichtige verwijtbaar onjuiste gegevens verstrekt;

    • c. de betalingsregeling zich over een voor het CJIB niet redelijke termijn uitstrekt.

  • 2 Een betalingsregeling kan worden afgewezen indien:

    • a. de betalingsplichtige binnen twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek een eerder toegestane betalingsregeling verwijtbaar niet is nagekomen;

    • b. de betalings- of vermogenscapaciteit van de betalingsplichtige zodanig is dat hij direct geheel de vorderingen kan voldoen;

    • c. de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling naar het oordeel van het CJIB geen uitkomst zal bieden.

Artikel 4:26. Uitgesloten vorderingen

De volgende vorderingen worden niet toegestaan als onderdeel van een betalingsregeling:

  • a. vorderingen uit een strafrechtelijke beslissing waartegen beroep is ingesteld of verzet is gedaan;

  • b. vorderingen inzake een strafbeschikking die zijn overgedragen aan de officier van justitie teneinde een beslissing te nemen met betrekking tot de vervolging van de zaak.

Artikel 4:27. Informatie bij het toestaan van de betalingsregeling

Bij het toestaan van een betalingsregeling wordt de betalingsplichtige geïnformeerd over:

  • a. de vorderingen die onderdeel vormen van de betalingsregeling;

  • b. de ingangsdatum, termijnen en termijnbedragen;

  • c. de voorwaarden onder welke de betalingsregeling wordt toegestaan;

  • d. de gevolgen indien de voorwaarden niet worden nageleefd;

  • e. betalingsherinneringen bij niet tijdige voldoening van termijnbedragen.

Artikel 4:28. Betalingsherinnering

Indien de betalingsplichtige het termijnbedrag van een betalingsregeling niet binnen de gestelde termijn betaalt, stuurt het CJIB eenmalig een betalingsherinnering met het verzoek het termijnbedrag alsnog te voldoen. In de betalingsherinnering wordt aangegeven dat het CJIB binnen de eerstvolgende termijn zowel het alsdan te betalen termijnbedrag, als het bedrag dat eerder niet is betaald, moet hebben ontvangen.

Artikel 4:29. Voortijdige beëindiging betalingsregeling

  • 1 Het CJIB kan de betalingsregeling in ieder geval beëindigen, indien:

  • 2 Indien de betalingsregeling voortijdig wordt beëindigd door het CJIB, informeert het CJIB de betalingsplichtige over de reden daarvan en het vervolg.

Artikel 4:30. Gevolg voortijdige beëindiging betalingsregeling door CJIB

  • 1 Indien de betalingsregeling wordt beëindigd door het CJIB, wordt de betalingsplichtige in de gelegenheid gesteld om binnen 30 dagen het totaal openstaande bedrag in één keer te voldoen. Na deze periode wordt de tenuitvoerlegging hervat van de geldelijke sancties waarop de betalingsregeling betrekking had.

Artikel 4:31. Eindigen van de betalingsregeling

De betalingsregeling eindigt indien alle openstaande vorderingen zijn voldaan binnen de gestelde termijn of deeltermijnen.

Titel 4.7. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Artikel 4:32. Toepasselijke bepalingen

De artikelen 1:3, 2:1, 2:2, 2:3, 2:5, 4:1, 4:2, 4:5, 4:6, 4:7, 4:8 en titel 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van administratieve sancties op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

Artikel 4:33. Zekerheidsstelling in beroep

Als de betalingsplichtige beroep instelt tegen een administratieve sanctie bij de rechtbank dient het bedrag ter zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, aan het CJIB te worden betaald.

Artikel 4:34. Verhaal zonder dwangbevel

  • 1 Verhaal zonder dwangbevel middels beslag op een bankrekening wordt toegepast bij administratieve sancties waarvan het sanctiebedrag inclusief verhogingen maximaal € 500 bedraagt.

  • 2 Indien verhaal zonder dwangbevel voor meerdere administratieve sancties wordt toegepast, bedraagt het maandelijks te innen bedrag bedraagt maximaal € 500,–.

Artikel 4:35. Inneming rijbewijs

  • 1 Voorafgaand aan de inneming van het rijbewijs ontvangt de betalingsplichtige een aanschrijving om het rijbewijs in te leveren of de vordering te betalen.

  • 2 Indien het rijbewijs van de betalingsplichtige reeds is ingevorderd uit andere hoofde, vindt binnen drie maanden opnieuw een beoordeling plaats of het rijbewijs alsnog kan worden ingenomen.

Artikel 4:36. Buitengebruikstelling

De opbrengst van de verkoop van het buiten gebruik gestelde voertuig strekt tot voldoening van de vordering. Een eventuele meeropbrengst strekt tot voldoening van andere nog bij het CJIB openstaande vorderingen. Een eventueel restant wordt gestort in de Rijkskas.

Artikel 4:37. Minnelijke Schuldregeling Natuurlijke Personen

Het CJIB beoordeelt of indien administratieve sancties resteren na afloop van een regeling op grond van de Minnelijke Schuldregeling Natuurlijke Personen, de inning hiervan wordt beëindigd.

Artikel 4:38. Buiten invordering stellen

Het CJIB stelt de administratieve sanctie buiten invordering, indien hiertoe op basis van redelijkheid of doelmatigheid wordt besloten.

Hoofdstuk 5. Gratie

Artikel 5:1. Buiten behandeling laten van een verzoekschrift

  • 1 Een verzoek tot gratie dat is ingediend met betrekking tot een taakstraf, wordt buiten behandeling gelaten in het geval bij de officier van justitie tevens een verzoek is ingediend tot wijziging van die taakstraf op grond van artikel 6:3:2 van de wet.

  • 2 In de gevallen waarin het aanstonds duidelijk is dat het verzoek strekt tot een algehele kwijtschelding van de taakstraf, omdat de veroordeelde vanwege zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid nooit in staat zal zijn deze te verrichten, kan het gratieverzoek, als aan de overige vereisten van de gratiewet is voldaan, meteen in behandeling worden genomen.

Artikel 5:2. Opschortende/schorsende werking

Onverminderd artikel 6:7:2 van de wet kan de Minister ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde de tenuitvoerlegging van de straf waarvan gratie wordt verzocht opschorten, indien het naar zijn oordeel hoogstwaarschijnlijk is dat het verzoek om gratie wordt ingewilligd. De Minister kan in ieder geval opschorten, indien:

  • a. de veroordeelde een levensbedreigende ziekte of aandoening heeft;

  • b. een bloedverwant in de eerste graad van de veroordeelde een levensbedreigende ziekte of aandoening heeft;

  • c. de echtgenoot, de geregistreerde partner of ander levensgezel van de veroordeelde een levensbedreigende ziekte of aandoening heeft;

  • d. de veroordeelde een bij wet niet toegelaten straf of combinatie van straffen is opgelegd;

  • e. er sprake is van expliciete ondersteuning door de Minister of een voorstel tot gratieverlening in overweging wordt genomen door de Minister.

Artikel 5:3. Omzetting van een sanctie in een taakstraf

  • 1 De beslissing op het verzoek tot gratie om een opgelegde sanctie om te zetten in een taakstraf, wordt maximaal achttien maanden aangehouden indien de op grond van de Gratiewet betrokken adviserende organisatie hiertoe adviseert en de Minister voormeld advies overneemt, zodat de veroordeelde de taakstraf kan verrichten.

  • 2 Na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn wordt beoordeeld of de veroordeelde de taakstraf volledig heeft uitgevoerd. De uitkomst van deze beoordeling wordt betrokken bij de beoordeling van het ingediende gratieverzoek. Hiervoor gelden de volgende maatstaven:

    • a. indien betrokkene de taakstraf verwijtbaar niet, niet volledig of niet goed heeft verricht, zal het gratieverzoek volledig worden afgewezen;

    • b. indien de veroordeelde de taakstraf volledig en naar behoren heeft verricht, wordt Zijne Majesteit de Koning geadviseerd het gratieverzoek in te willigen.

Deze beleidsregels worden met de toelichting in de Staatscourant gepubliceerd.

De Minister voor Rechtsbescherming,

S. Dekker

Bijlage USB bevoegdhedenschema

In de wet, het besluit en de regeling zijn zowel verantwoordelijkheden, als daarmee samenhangende bevoegdheden bij de Minister belegd. De wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de bevoegdheden wordt geregeld in deze beleidsregels en het samenwerkingsreglement. In de matrix is getracht om de hoogst geldende wet dan wel regelgeving te benoemen. Mogelijk is het genoemde wetsartikel in de lagere wet- of regelgeving verder uitgewerkt.

BEVOEGDHEID

WIE IS BEVOEGD?

Toelichting op bevoegdheid

TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

OM-ADVIES

Het OM verzoeken een advies uit te brengen dan wel aan te vullen.

Artikel 6:1:10 lid 2 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van de tenuitvoerleggingsvolgorde / persoonsgerichte beoordeling.

De uitvoeringsorganisaties: DJI, 3RO, GI, RvdK, CJIB-I&I, etc. worden namens de Minister bevoegd indien dit nodig is voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke beslissing(en).

AANVANG, SCHORSING, BEËINDIGING EN TENUITVOERLEGGINGSTERMIJN

Bepalen datum onherroepelijk.

Artikel 6:1:16, 6:1:17 en 6:1:18 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

BEREKENEN TENUITVOERLEGGINGSTERMIJN

Berekenen tenuitvoerleggingstermijn.

Artikel 6:1:23 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

Schorsen/opschorten tenuitvoerleggingstermijn.

Artikel 6:1:18 lid 3, 6:1:19, 6:1:20, 6:1:23 en 6:1:24 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

OPSPOREN VEROORDEELDEN EN VERDACHTEN

Opstellen en beschikbaar stellen van een last tot tenuitvoerlegging die strekt tot aanhouding van een verdachte of veroordeelde in het kader van de Wet USB.

Artikel 6:1:5 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

Innen van gelden door een opsporingsambtenaar.

Artikel 4:5 en 4:6 Besluit

• De Minister is bevoegd

De opsporingsambtenaar is namens de Minister bevoegd.

De beoordeling tijdens / voorafgaand aan de aanhouding of een veroordeelde ‘arrestatiegeschikt’ is door de opsporingsambtenaar.

Artikel 3 Politiewet¹

• Politie is bevoegd

 

Besluit op verzoek i.v.m. mogelijke persoonsverwisseling.

Artikel 6:1:6 lid 3, artikel 52 en 27a Sv, Wivvg en het Protocol

Identiteitsvaststelling

• De Minister is bevoegd

Justid (matchingsautoriteit) is namens de Minister bevoegd om een verzoek te doen om een nader onderzoek in te stellen.

De opsporingsambtenaar is namens de Minister bevoegd om op het verzoek onderzoek te doen.

PASPOORTSIGNALERING

Weigeren of vervallen verklaren van een paspoort.

Artikel 18 paspoortwet (nieuw)

• De Minister is bevoegd (in het kader van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

VORDEREN VAN GEGEVENS

Een ieder vorderen om de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, een arrest of een strafbeschikking.

Artikel 6:1:9 Sv en artikel 22 Wahv

• De Minister is bevoegd

Iedere uitvoeringsorganisatie wordt namens de Minister bevoegd t.b.v. de uitvoering van zijn taak.

VRIJHEIDSBENEMENDE SANCTIES

ZELFMELDERS

Besluit of veroordeelde (volwassene of jeugdige) in aanmerking komt voor het zelfmelden.

Artikel 2.2 Regeling

• De Minister is bevoegd

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

Oproepen veroordeelde als zelfmelder.

Artikel 2.2 MR USB + art. 15 PBW + art. 12 beginselenwet JJI

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is bevoegd namens de Minister.

Besluit op een door de veroordeelde ingesteld bezwaar/verzoek tot uitstel n.a.v. de zelfmeldoproep.

Artikel 2.4 MR USB + artikel 17 PBW + artikel 12 beginselenwet JJI

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is bevoegd namens de Minister.

Besluit op een door de veroordeelde ingesteld beroep n.a.v. het besluit in een bezwaarprocedure tegen een zelfmeldoproep.

Artikel 73 PBW en artikel 78 Beginselenwet JJI

• Een door de RSJ benoemde commissie is bevoegd

 

Besluit tot het intrekken zelfmeldoproep.

Artikel 2.2 MR USB + artikel 15 PBW + artikel 12 beginselenwet JJI

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is bevoegd namens de Minister.

ONDERBREKEN VAN DE LOPENDE DETENTIE

Besluit tot strafonderbreking detentie.

Artikel 6:2:4 Sv en de artikelen 34 t/m 40 Rtvi

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is bevoegd namens de Minister.

NB. Verzoek strafonderbreking komt van OM, veroordeelde/raadsman of ambtshalve

Besluit tot strafonderbreking voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.

Artikel 6:2:4 Sv en art. 40a Rtvi

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is bevoegd namens de Minister.

NB. Verzoek strafonderbreking komt van AVIM/KMar of DT&V

DETENTIEGESCHIKTHEID

Besluit op verzoek tot opschorten detentie als gevolg van afwezigheid detentiegeschiktheid, voorafgaand aan de detentie (veroordeelde) en wordt aangehouden door de politie.

De ambtsinstructie van de politie hoofdstuk 5 en 6

• Politie is bevoegd

De politie is hiervoor feitelijk verantwoordelijk (het gaat hier om het nemen van een besluit en niet om een aanvraag/verzoek).

Besluit tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een detentie als gevolg van een ingediend gratieverzoek.

Artikel 6:7:2, 6:7:3, 6:7:4 Sv

• De Minister is bevoegd

Dienst Justis is namens de Minister bevoegd.

TENUITVOERLEGGEN ISD-MAATREGEL

Besluit tot opschorten tenuitvoerlegging overige vrijheidsbenemende sancties als gevolg van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.

Artikel 2.5 MR wet USB

• De Minister is bevoegd

Het CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd om de tenuitvoerleggingsvolgorde te bepalen. Het AICE bepaald welke sancties voorafgaand aan de uitvoering van de ISD-maatregel uitgevoerd worden, en van welke sancties de uitvoering opgeschort wordt.

Besluit beëindigen tenuitvoerlegging overige straffen nadat een ISD-maatregel naar behoren ten uitvoer is gelegd.

Artikel 6:1:11, 6:7:1 e.v. Sv

• De Minister is bevoegd

Het CJIB-I&I beëindigd namens de Minister eventuele de rechtelijke boetes onder de 340,00 euro.

Dienst Justis is namens de Minister bevoegd om een gratiebesluit te nemen op de (eventuele) nog openstaande vrijheidsbenemende sancties (op verzoek van de veroordeelde).

DETENTIEFASERING LEVENSLANGE GEVANGENISSTRAF

Besluit of de levenslanggestrafte in aanmerking komt voor re-integratieactiviteiten.

Artikel 49a PBW

• De Minister is bevoegd

DJI is namens de Minister bevoegd een voorgenomen besluit op te stellen. De bewindspersoon neemt het definitieve besluit.

TENUITVOERLEGGING TBS-MAATREGEL

TENUITVOERLEGGEN PIJ-MAATREGEL

Besluit nemen tot intrekking of schorsing van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel

Artikel 2:17 Besluit USB

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is namens de Minister bevoegd.

ONGEOORLOOFD AFWEZIG

Melden ongeoorloofde afwezigheid van een gedetineerde/verpleegde.

Artikel 5a PBW, artikel 5 beginselenwet JJI en artikel 7a beginselenwet verpleging TBS-gestelden

• De directeur/hoofd van de inrichting is bevoegd

 

Melding geven indien de ongeoorloofd afwezige zichzelf meldt bij de inrichting/kliniek.

Artikel 2.9, 3.7 en 4.10 Regeling melding ongeoorloofde afwezigheid

• De directeur/hoofd van de inrichting is bevoegd

 

BEËINDIGEN TENUITVOERLEGGING

Beëindigen tenuitvoerlegging.

Artikel 6:1:24 Sv

• De Minister is bevoegd

Het CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

NB. na binnenkomst positief afloopbericht buitenlandse autoriteit.

Besluit tot uitzetting van een TBS-gestelde.

Artikel 6:2:18 Sv

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is namens de Minister bevoegd.

NB. Kan ook door de ZM, zie artikel 6:6:10 Sv.

Beëindigen TBS-maatregel ten aanzien van de vreemdeling die is uitgezet.

Artikel 6:2:18 Sv

• De Minister is bevoegd

Het CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

PIJ voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen op advies van de RvdK.

Artikel 6:2:22 lid 3 Sv

• De Minister is bevoegd

DJI is namens de Minister bevoegd.

Beëindigen tenuitvoerlegging maatregel opname Psychiatrisch Ziekenhuis.

Artikel 8:18 WvGGZ

• Geneesheer-Directeur is bevoegd

 

Onmiddellijke invrijheidstelling indien de Minister de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straffen en maatregelen beëindigd.

Artikel 6:2:5 Sv

• De Minister is bevoegd

Het CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

Beëindigen tenuitvoerlegging ISD-maatregel.

Artikel 6:2:20 Sv

• De Minister is bevoegd

DJI-DIZ is namens de Minister bevoegd.

VRIJHEIDSBEPERKENDE SANCTIES

TAAKSTRAF TENUITVOERLEGGEN

De bevoegdheid tot het goedkeuren van werk-/leerplaatsen taakstraffen.

Artikel 3:8 en 3:11 Besluit

• De Minister is bevoegd

Het bestuursdepartement is namens de Minister bevoegd.

Beoordeling opgelegde taakstraf naar behoren verrichte taakstraf.

Artikel 6:3:5 Sv

• De Minister is bevoegd

3RO (volwassenen) en de RvdK (jeugdigen) worden namens de Minister bevoegd.

Eenmalig waarschuwingsgesprek in geval van overtreding en/of niet mee willen werken aan de tenuitvoerlegging van een taakstraf.

Artikel 3:17 Besluit

• Uitvoerder taakstraf is bevoegd

NB. Uitvoerder taakstraf kan ambtshalve dit besluit nemen.

NB. Met uitvoerder taakstraf wordt de 3RO of RvdK bedoeld.

Besluit nemen over een klacht van een taakgestrafte.

Artikel 3:26 en 3:27 Besluit

• (Externe) klachtencommissie van de 3RO/RvdK is bevoegd

 

TOEZICHT TENUITVOERLEGGEN

Een aangewezen stichting, gecertificeerde instelling of reclasseringsinstelling opdracht geven het toezicht op de naleving van bijzondere voorwaarden te houden en de verdachte of de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Artikel 6:3:14 Sv

• De Minister is bevoegd

Het CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

Toezicht te houden op de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden met betrekking tot jeugdigen.

Artikel 6:1:25 Sv

• RvdK is bevoegd

 

De gecertificeerde instelling inschakelen voor de vrijwillige begeleiding van een jeugdige.

Artikel 6:1:25 Sv

• De Minister is bevoegd

RvdK namens de Minister bevoegd.

GELDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN

INNING EN INCASSO

Zekerheidstellen na ingesteld beroepschrift op een Wahv-beschikking

Artikel 11 Wahv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I is namens de Minister bevoegd.

Bepalen aan te wijzen plaats en wijze van inning van een Wahv-beschikking.

Artikel 22 Wahv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I is namens de Minister bevoegd.

Bepalen van de dag(en) waarop de betaling van een geldboete of een maatregel uiterlijk moet geschieden.

Artikel 6:4:1 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt namens de Minister bevoegd.

Besluit om een betalingsregelingen/ uitstel van betaling toe te staan.

Artikel 6:4:1 Sv en Artikel 23 Wahv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I is/wordt namens de Minister bevoegd.

NB. de rechter (vonnis 24a Sr)/OvJ (strafbeschikking 257 Sv) kan een betalingsregeling toestaan, de Minister is bevoegd hiervan af te wijken ten gunste van de veroordeelde.

Aanmanen tot betaling.

Artikel 6:4:2 Sv en Artikel 24 Wahv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I is/wordt namens de Minister bevoegd.

Afzien van verhaal zonder of met dwangbevel.

Artikel 6:4:3 Sv en Artikel 26, 27 Wahv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt/is namens de Minister bevoegd.

Toepassen van verhaal zonder of met dwangbevel, uitvaardigen dwangbevelen.

Artikel 6:4:5 Sv en Artikel 26 en 27 Wahv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt/is namens de Minister bevoegd.

Besluit om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank op een verzetsprocedure in een Wahv-zaak.

Artikel 26a Wahv

• De Minister is bevoegd

Het CJIB-I&I is namens de Minister bevoegd.

Innemen rijbewijs, buitengebruik stellen voertuig of aan het voertuig een mechanisch hulpmiddel aanbrengen.

Artikel 28a, 28b en 29 Wahv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I is namens de Minister bevoegd.

TOEPASSEN VERVANGENDE HECHTENIS / GIJZELING

Toepassen van vervangende hechtenis geldboete.

Artikel 6:4:3 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt namens de Minister bevoegd.

Beëindigen gijzeling (of het niet toepassen daarvan).

Artikel 6:6:25 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt namens de Minister bevoegd.

BEËINDIGEN TENUITVOERLEGGING GELDELIJKE SANCTIE

Beëindigen tenuitvoerlegging van geldboetes waarvoor geen gratie kan worden verleend.

Artikel 6:1:11 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt namens de Minister bevoegd.

TERUGGAVE GELDSOMMEN

Besluit op verzoek tot teruggave borgsom na afloop van de strafzaak.

Artikel 6:4:21 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt namens de Minister bevoegd.

NB. I&I verrekent eerst eventueel met openstaande geldelijke sancties.

Verrekenen aan een verdachte of veroordeelde uit te keren bedrag met verschuldigde geldsommen.

Artikel 6:1:13 Sv

• De Minister is bevoegd

CJIB-I&I wordt namens de Minister bevoegd.

GRATIE

VOORSTEL TOT GRATIEVERLENING

Besluit om een voorstel tot gratieverlening in te dienen.

Artikel 19 Gratiewet

• De Minister is bevoegd

CJIB-AICE wordt namens de Minister bevoegd.

Besluit om een voorstel tot gratie van het OM of CJIB-AICE in overweging nemen.

Artikel 19 Gratiewet

• De Minister is bevoegd

Dienst Justis is namens de Minister bevoegd.

Besluit om een voorstel tot gratieverlening in overweging te nemen na uiterlijk 27 jaar detentie.

Artikel 49a PBW en Artikel 19 Gratiewet

• De Minister is bevoegd

Dienst Justis is namens de Minister bevoegd.

OPSCHORTEN TENUITVOERLEGGING

Besluit tot opschorting van de strafrechtelijke beslissing waarvoor een gratieverzoek is ingediend (in afwachting van het formele gratiebesluit).

Artikel 6:7:2, 6:7:3 en 6:7:4 Sv

• De Minister is bevoegd

Dienst Justis is namens de Minister bevoegd.

Besluit tot opschorting in afwachting van het beschikbaar hebben van een Koninklijk Besluit indien:

– OM en ZM positief geadviseerd hebben.

– degene die het gratieverzoek heeft ingediend hier om vraagt.

Artikel 6:7:4 Sv

• De Minister is bevoegd

Dienst Justis is namens de Minister bevoegd.

¹ Bij de afweging om (tijdelijk) af te zien om een veroordeelde/gesignaleerde aan te houden, kan de discretionaire bevoegdheid van de Politie aan ten grondslag liggen. Deze komt voor uit artikel 3 van de Politiewet (taak van de politie). Het komt echter niet vaak voor, maar stel dat een veroordeelde/gesignaleerde bijv. als gevolg van een medische aandoening niet vervoerd kan/mag worden, dan zou daardoor mogelijk de aanhouding uitgesteld kunnen worden.

Terug naar begin van de pagina