Besluit vaststelling rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Hoofdbedrijfschap Detailhandel

Geraadpleegd op 25-05-2022.
Geldend van 19-10-2019 t/m heden

Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 oktober 2019, nr. WJZ/19222296, houdende vaststelling van de rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het voormalig Hoofdbedrijfschap Detailhandel

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op artikel XLVI van de Wet opheffing bedrijfslichamen;

Besluit:

Dit besluit wordt met de bijlage geplaatst in de Staatscourant en toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal.

’s-Gravenhage, 7 oktober 2019

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C.J. Schouten

Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel

Met de inwerkingtreding van de Wet opheffing bedrijfslichamen (Wob) op 1 januari 2015 zijn de zeventien Product- en bedrijfschappen opgeheven. In artikel XXXIX, derde lid, werd de Minister van EZ bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogens van de schappen. Op 1 januari 2019 is de Wob aangepast en werd de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen.

Voor u ligt de Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD). Het schriftelijk verslag, opgenomen in Deel I, gaat vergezeld van een slotbalans op 31 december 2017 en een rekening van baten en lasten over de periode 2015–2017 die zijn opgenomen in Deel II, en een bijlage waarin het stappenplan van de vereffening wordt toegelicht.

Het Ontwerp van de Rekening en verantwoording heeft conform artikel XLVI, vierde lid, van de Wob 8 weken ter inzage gelegen op het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hiervan is op 19 april 2019 mededeling gedaan in de Staatscourant nr. 23196. In deze periode hebben zich geen nieuwe schuldeisers gemeld. Het voorliggende document is de definitief vastgestelde Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel.

Na vereffening resteert voor HBD een batig saldo van € 1.775.407.

Conform artikel XLVII van de Wob draagt de Minister er zorg voor dat het saldo een bestemming krijgt die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij HBD.

Conform artikel XLVI, achtste lid, van de Wob zendt de Minister de vastgestelde Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van HBD aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Inhoudsopgave

Deel I, Schriftelijk verslag

1.

Achtergrond

2.

Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel

3.

Verplichtingen jegens oud-werknemers

4.

Vorderingen van het schap

5.

Vorderingen op het schap

6.

Projectsubsidies

7.

Overgedragen financiële middelen

8.

Juridische claims

9.

Materiële vaste activa

10.

Financiële vaste activa

11.

Overige zaken in het kader van de vereffening

12.

Archiefbescheiden

13.

Bezwaren ingediend naar aanleiding van de terinzagelegging door de Minister

14.

Verwerking van de ingediende bezwaren in de Rekening en verantwoording

15.

Bestemming van het resterende vermogen

Deel II, Financiële gegevens

Algemeen

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Slotbalans op 31-12-2017

Toelichting op de Slotbalans

Staat van Baten en Lasten over de periode 2015–2017

Toelichting op de Staat van Baten en Lasten

Bijlage

Stappenplan w aarlangs de vermogens van de schappen zijn vereffend

Verslag van de vereffening van het vermogen van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel

Deel I, Schriftelijk verslag

1. Achtergrond

1.1. De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

Product- en bedrijfschappen, ook wel schappen genoemd, waren publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van representatieve ondernemers- en werknemersorganisaties die activiteiten ontplooiden ten behoeve van een branche of sector van het bedrijfsleven. Een schap verrichtte taken die individuele ondernemers of verenigingen van ondernemers en werknemers ieder voor zich niet konden verrichten, maar die met het oog op het algemeen belang of het belang van de branche of sector noodzakelijk werden geacht. Deze taken werden gefinancierd door, op basis van verordeningen, heffingen op te leggen aan alle ondernemingen in de betreffende sector. Schappen voerden ook taken in medebewind uit, die voortvloeiden uit overheidswet- en regelgeving en die ten goede kwamen aan de hele samenleving. Deze taken werden door de betreffende minister opgedragen aan een schap en gefinancierd door het departement en/of de Europese Unie (EU). Het merendeel van de medebewindstaken diende ter uitvoering van Europese regelgeving op het gebied van de landbouw, waaronder marktordeningsmaatregelen in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU. Maar het betrof ook taken op het gebied van plant- en diergezondheid, dierenwelzijn en voedselveiligheid en gezondheid. Schappen waren er in uiteenlopende branches en sectoren zoals onder meer de tuinbouw, de akkerbouw, de detailhandel en de horeca. Representatieve organisaties van ondernemers en werknemers in een bedrijfstak bepaalden zelf of zij een schap wilden laten instellen. Daarom hadden sommige sectoren van het bedrijfsleven wel een schap en andere niet.

Het stelsel van schappen werd ook wel de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (hierna: PBO) genoemd. Voor de schappen vormde de Wet op de bedrijfsorganisatie (1950) (hierna: Wbo) de juridische basis. Vanaf de oprichting van het eerste schap in 1954, het inmiddels opgeheven Landbouwschap, zijn tot de jaren ’60 van de vorige eeuw uiteindelijk 56 schappen ontstaan. Dit aantal is in de loop der jaren teruggelopen naar 37. Met een hergroeperingsoperatie in 1997 is het aantal schappen vervolgens via opheffing en samenvoeging verder teruggebracht tot het uiteindelijke aantal van 17; 11 productschappen en 6 bedrijfschappen.

Een schap (in de Wbo: bedrijfslichaam) werd, volgens de laatstelijk daarvoor geldende bepalingen in de Wbo, ingesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) op voordracht van de betrokken Minister(s). In eerdere versies van de Wbo heeft instelling ook plaatsgevonden bij wet respectievelijk bij verordening van de Sociaal-Economische Raad (SER). De betrokken Minister(s) wonnen over het voornemen een schap in te stellen, eerst advies in van de SER. De SER hoorde, voordat hij advies uitbracht, de representatieve ondernemers- en werknemersorganisaties uit de betreffende marktsector. De leden van het bestuur van een schap werden benoemd door de representatieve ondernemers- en werknemersorganisaties.

De SER had wettelijk de taak om toezicht op de schappen uit te oefenen. De Bestuurskamer van de SER had onder meer taken op het terrein van de samenstelling en representativiteit van de besturen van de schappen. De Toezichtkamer van de SER hield onder meer toezicht op de verordeningen en besluiten, de financiën (heffingsverordeningen, begrotingen en jaarrekeningen) en de bevoegdheden (inclusief de principes van goed bestuur) van de schappen.

1.2. Politieke ontwikkelingen

Al jarenlang waren er in het parlement langlopende discussies over het bestaansrecht van de schappen. Destijds zijn door het Kabinet, mede gelet op de door de Tweede Kamer aangenomen motie Aptroot c.s. van 16 februari 2011, meerdere alternatieven tot omvorming respectievelijk voortzetting van de schappen onderzocht. Op 20 december 2011 werd door een meerderheid van de Tweede Kamer de motie Aptroot aangenomen waarin het Kabinet werd opgeroepen om de schappen af te schaffen. In het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ van oktober 2012 werd vastgelegd dat de schappen zouden worden opgeheven. Hieraan is gevolg gegeven met het ontwerp van de Wet opheffing bedrijfslichamen (Wob), het daarop volgende parlementaire traject en de inwerkingtreding van de Wob per 1 januari 2015.

Als gevolg van het opheffen van de schappen is hoofdstuk 2 van de Wbo komen te vervallen. De publieke taken van de schappen, onder meer op het gebied van plant-, dier- en volksgezondheid, zijn met een deel van de betrokken medewerkers van de desbetreffende schappen overgegaan naar het (toenmalige) Ministerie van Economische Zaken (EZ) en naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); in samenhang met deze overgang van taken is de daarop van toepassing zijnde regelgeving gewijzigd. De overige taken van de schappen die niet als publiek werden beschouwd, zijn beëindigd, dan wel in de vorm van private initiatieven voortgezet.

1.3. wob

Met de inwerkingtreding van de Wob per 1 januari 2015 zijn de zeventien schappen opgeheven. Conform de Wob, artikel XXXIX, derde lid, werd de Minister van EZ (thans: Economische Zaken en Klimaat; hierna de Minister) bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogen van een schap, waaronder het vervreemden van onroerende en roerende zaken en het voldoen en innen van vorderingen. Onder verantwoordelijkheid van de plaatsvervangend secretaris-generaal is de uitvoering van deze taak belegd bij de Vereffeningsorganisatie PBO (VOPBO). In artikel XL is bepaald dat de kosten van de vereffening van het vermogen van een schap ten laste komen van het vermogen van het desbetreffende schap.

In juli 2017 heeft de Minister schriftelijk gerapporteerd aan beide Kamers over de stand van de vereffening over de periode 2015–2016 (vergaderjaar 2016-2017, 33 910, nr. 27).

Op 1 januari 2019 is de Wob aangepast en werd de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen.

Zodra de vereffening van het vermogen van een schap is afgerond, brengt de VOPBO daarover verslag uit aan de Minister van LNV in de vorm van een Ontwerp Rekening en verantwoording. Nadat de in de Wob vastgelegde hoor- en wederhoor procedure is doorlopen, stelt de Minister van LNV de Rekening en verantwoording van een schap vast en stuurt deze naar de Eerste en Tweede Kamer. Op grond van artikel XLVII, vierde lid, van de Wob draagt de Minister van LNV er zorg voor dat een batig saldo een bestemming krijgt die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij het desbetreffende schap. In geval van een nadelig saldo geeft de Minister van LNV op basis van artikel XLI, vierde lid, van de Wob aan hoe hier mee om te zullen gaan.

2. Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel

Op grond van de Wbo werd in 2004 Hoofdbedrijfschap Detailhandel (hierna: HBD) opnieuw ingesteld als opvolger van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel dat in 1993 was ingesteld. Oorspronkelijk was het Hoofdbedrijfschap voor de Detailhandel in 1957 ingesteld en in de jaren tot 1993 nog enkele malen op onderdelen aangepast.

Net als de andere schappen kreeg HBD tot taak om een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening te bevorderen bij de ondernemingen waarvoor het was ingesteld maar ook het behartigen van het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen. Het maakte daarbij geen verschil of de detailhandel plaatsvond in een winkel of in een marktkraam of via postorder of internet. Meer specifiek lagen de activiteiten op het gebied van voorkomen van (winkel)criminaliteit, ruimtelijke ordening, sociale wetgeving en scholing.

HBD voerde geen taken in medebewind uit.

3. Verplichtingen jegens oud-werknemers

De medewerkers van de voormalige PBO hadden een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met de inwerkingtreding van de Wob op 1 januari 2015 zijn conform artikel XXXVII, vierde lid, de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomsten van de voormalige medewerkers van de PBO ongewijzigd overgegaan op de Staat (lees: de Minister van EZK) als rechtsverhouding naar burgerlijk recht, dus niet naar ambtelijk recht. Op deze arbeidsovereenkomsten zijn de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor de PBO van toepassing en de in het kader van de opheffing van de PBO afgesloten Sociale Plannen.

3.1. Verloop uitkeringen in het kader van het Sociaal Plan Bedrijfschappen

Op 1 januari 2015 ontvingen 30 oud-medewerkers van HBD een uitkering in het kader van het Sociaal Plan Bedrijfschappen. In de jaren daarna is een aantal oud-medewerkers met pensioen gegaan of maakt om andere redenen geen gebruik meer van de regelingen. Vanaf 2018 maken 22 oud-medewerkers van HBD nog aanspraak op een uitkering. Naar verwachting zal het Sociaal Plan voor HBD doorlopen tot in 2025.

3.2. Pensioen

De pensioenaanspraken van de voormalige werknemers van HBD waren bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) verzekerd in een collectief pensioencontract met levenslange uitkeringsgarantie. Voor de oud-werknemers met recht op een wachtgelduitkering is de pensioenopbouw voortgezet voor de duur van de voor hen resterende wachtgeldperiode.

4. Vorderingen van het schap

Op 1 januari 2015 heeft de VOPBO de rechten en plichten van HBD overgenomen tot zowel het opleggen als het innen van (achterstallige) heffingen.

4.1. Opleggen van achterstallige heffingen

Voor HBD zijn geen (achterstallige) heffingen opgelegd.

4.2. Innen van (achterstallige) vorderingen

In 2014 had HBD alle nog openstaande vorderingen uit de jaren 2013–2014 ter afhandeling (en zonder incassokosten) overgedragen aan een deurwaarderskantoor. Op 31 december 2014 zijn alle vorderingen afgeboekt. De vorderingen van vóór 2013 waren bij een ander deurwaarderskantoor ondergebracht en voorzieningen waren getroffen voor nog nakomende invorderingskosten. In de periode 2015–2017 zijn alle dossiers afgehandeld of bij gebleken oninbaarheid, afgeboekt. Er was vrijval. Voor een toelichting wordt verwezen naar Deel II, paragraaf A.9 van dit verslag.

4.3. Overige vorderingen

Er was op 31 december 2014 nog 1 overige vordering. Voor een toelichting wordt verwezen naar Deel II, paragraaf 2.2 van dit verslag.

5. Vorderingen op het schap

Ter uitvoering van artikel XLV, eerste lid, van de Wob is de datum van de aanvang van de vereffening op 1 oktober 2015 bekend gemaakt in de Staatscourant nr. 31964 van 29 september 2015. Hierbij zijn degenen die een (nog niet bekende) vordering op een schap hadden, opgeroepen deze vordering binnen negen maanden (derhalve voor 1 juli 2016) schriftelijk in te dienen bij de VOPBO onder vermelding van de grondslag van de vordering.

Voor HBD heeft bovengenoemde bekendmaking geen reacties opgeleverd.

6. Projectsubsidies

Subsidies werden toegekend onder het regiem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarbij de besturen van de voormalige schappen voorwaarden stelden aan de begunstigden. In de regel werd de toekenning van het volledige subsidiebedrag over een aantal jaren verdeeld waarbij jaarlijks op basis van een aantal voorwaarden een voorschot van 80% opgevraagd kon worden. Dit gold ook voor de toegekende subsidies die nog enkele jaren na de opheffing van het schap doorliepen.

De VOPBO voerde uit wat in de beschikkingen tot subsidieverlening was vastgelegd en had geen bevoegdheid tot het toekennen van wijzigingen daarin. Periodiek (en bij de uiteindelijke vaststelling van een subsidie) werd nagegaan of de begunstigden aan de voorwaarden voldeden. Dit gebeurde op basis van jaarlijks over te leggen verantwoordingsinformatie, zoals inhoudelijke tussentijdse- en eindrapportages, kostenverantwoordingen, jaarrekeningen en, indien van toepassing, controleverklaringen. Ook diende tijdig gerapporteerd te worden als er zich gebeurtenissen voordeden die van negatieve invloed konden zijn op de naleving van de gestelde subsidievoorwaarden, zodat noodzakelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van de gevolgen (vertraging, bijstellen van doelstellingen) tijdig getroffen konden worden. Bleek bij de vaststelling van een project dat niet alle gelden volledig besteed waren aan de gestelde doelen dan werden deze gelden in de vorm van vrijval weer toegevoegd aan het vermogen van het voormalig schap.

Op 1-1-2015 had HBD één projectsubsidie uitstaan die eind 2014 voor 100% was bevoorschot. Deze projectsubsidie wordt in fasen verantwoord. In 2017 werd de periode 2015–2016 afgewikkeld, in 2018 de periode 2017. Er was geen vrijval. De subsidie loopt door tot in 2020. De definitieve vaststelling is in voorjaar 2021.

7. Overgedragen financiële middelen

Voor de opheffing van de schappen had een aantal besturen bij privaatrechtelijke overeenkomst financiële middelen overgedragen aan private partijen. In deze overeenkomsten waren verplichtingen gesteld aan de ontvangende partij.

Periodiek werd door de VOPBO nagegaan of de ontvangende partijen aan deze verplichtingen voldeden. Centraal daarbij stond de vraag of de overgedragen middelen waren besteed aan de overeengekomen doelstellingen: de uitvoering en financiering van activiteiten ten behoeve van de sector. Dit gebeurde op basis van verantwoordingsinformatie, zoals begrotingen, kostenverantwoordingen, jaarrekeningen en, zo nodig, controleverklaringen. Indien ontvangende partijen niet aan de bij overeenkomst gestelde verplichtingen voldeden, konden sancties worden opgelegd als deze in de overdrachtsovereenkomsten waren vastgelegd. Een mogelijke sanctie was het terugvorderen van (een deel van) de eerder overgedragen middelen. Als er zich gebeurtenissen voordeden die van negatieve invloed konden zijn op de naleving van de verplichtingen (zoals dreigende discontinuïteit, onderbesteding of liquiditeitsproblemen) dan diende de ontvangende partij zo snel mogelijk hierover informatie te verstrekken aan de VOPBO.

Op 1 januari 2015 had HBD geen ‘Overgedragen middelen’ die afgehandeld moesten worden.

8. Juridische claims

Met het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Vereffeningsorganisatie PBO van 27 februari 2015 heeft de Minister mandaat, volmacht en machtiging verleend aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften van de voormalige PBO. Dit betreft het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, het instellen van (hoger) beroep en het behandelen van eventueel hieruit voortkomende verzoeken om informatie op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoeken). Voor de behandeling van civiele zaken is mandaat en machtiging verleend aan de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ) van EZ(K)/LNV, met daar waar opportuun inschakeling van de Landsadvocaat.

Op 1 januari 2015 had HBD één juridische procedure lopen die nog afgehandeld moest worden. Deze procedure wordt hieronder toegelicht.

In het verleden had een ondernemer diverse bezwaarschriften en ingebrekestellingen ingediend tegen heffingen die waren opgelegd in de periode 2009–2014. Begin 2016 deelde de Rechtbank in Den Haag mee dat er beroep was aangetekend. Er bleken in deze zaak nauwelijks of geen stukken overgedragen te zijn aan de VOPBO of aan de RVO.nl. In juni 2016 werd de zaak tijdens de zitting geschorst. Nadat over en weer aanvullende stukken waren aangeleverd werd een nieuwe zitting gepland voor februari 2017. Vlak voor de zitting werd het beroep overgedragen aan het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb). Dit was voor beide partijen aanleiding om de mogelijkheden te verkennen voor een schikking. Medio 2017 werd de schikking vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst waarna de gerechtelijke procedure werd ingetrokken en beide partijen niets meer van elkaar te vorderen hadden.

In de periode 2015–2017 werden geen nieuwe juridische procedures aangemeld.

9. Materiële vaste activa

Dit betreft het kantoorpand van HBD en de bijbehorende grond die in juni 2015 voor € 2.2 mln. zijn verkocht.

In 2014 had het bestuur van HBD de voorlopige koopakte ondertekend voor de verkoop van de eeuwigdurende rechten van erfpacht van de grond met de daarop staande panden Nieuwe Parklaan 72/74 te ’s Gravenhage. De definitieve koopovereenkomst werd in juni 2015 getekend door de manager VOPBO, hiertoe gemandateerd door de Minister waarna het pand werd overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Voor een toelichting wordt verwezen naar Deel II, paragraaf 1.1. van dit verslag.

De verkoop is gerealiseerd voor de boekwaarde op 31 december 2014.

10. Financiële vaste activa

Niet van toepassing.

11. Overige zaken in het kader van de vereffening

Ten tijde van de vereffening kwamen drie dossiers aan de orde die een niet-reguliere vordering bevatten, of die niet direct naar een vordering van of op een schap waren te herleiden en evenmin als personele aangelegenheid waren aan te merken. Deze drie dossiers worden hieronder kort beschreven.

11.1. Overdracht Modelprotocol Collectief Winkelverbod aan het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV)

Begin deze eeuw was de criminele derving in de detailhandel een groot probleem geworden. De toename van geweld en agressie werd zelfs als een nog groter probleem ervaren. Op veel plaatsen waren winkeliers, gemeente, politie en Openbaar Ministerie met elkaar in overleg over een geschikte manier om veelplegende winkeldieven en structurele overlastveroorzakers in winkelgebieden aan te pakken. In de praktijk bleek een van de meest effectieve maatregelen het instellen van een collectief winkelverbod. Het betreft een maatregel waarbij een ‘ongewenste klant’ de toegang tot meerdere winkels ontzegd kan worden.

Op 1 januari 2008 werd het Modelprotocol collectief winkelverbod door HBD geregistreerd als een zgn. zwarte lijst bij de Autoriteit Persoonsgegevens. In samenhang met het modelprotocol bood HBD een ‘basismodel’ website aan die lokale ondernemingsverenigingen konden uitbouwen tot een ‘eigen’ website voor hun winkelgebied. Vervolgens zijn er zo’n 200 sites ter beschikking gesteld waarvan naar schatting zo’n 30 sites gebruik hebben gemaakt van de module collectief winkelverbod. Eind 2013 waren er circa 1.100 personen geregistreerd met een ontzegging of een waarschuwing. Op 1-1-2015 werd HBD opgeheven. Dit betekende dat het genoemde modelprotocol vanaf die datum niet meer gebruikt kon worden.

In 2016 was de criminele derving in de detailhandel opgelopen tot ca. € 1 mld. per jaar. Voor een gemiddelde winkel betekende dit dat 1 dag in de week voor niets werd gewerkt (zonder derving een extra netto resultaat van 17%). Daarom verzocht het CCV om alsnog gebruik te mogen maken van het modelprotocol. De bijhorende applicatie om persoonsgegevens in op te kunnen slaan, zou in eigen beheer ontwikkeld worden.

Uit nadere bestudering van het verzoek bleek dat er voor de uitvoering van het modelprotocol tot eind 2013 websites operationeel waren, waarin persoonsgegevens waren opgeslagen. Niet duidelijk was of deze gegevens waren vernietigd. Desgevraagd bevestigde het hostingbedrijf dat de applicaties (bekend als ‘Platvorm Lokale sites’ en ‘HBD Lokaal’) rond 31 december 2013 waren uitgezet en dat daarmee de websites onbereikbaar waren geworden. De achterliggende data waren vernietigd en daarmee ook de opgeslagen persoonsgegevens.

Omdat het CCV het collectief winkelverbodsysteem gratis ter beschikking zou stellen aan de winkeliersverenigingen werd in juli 2016 het modelprotocol conform artikel 3:84, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ‘om niet’ overgedragen aan het CCV.

11.2. Verzoek Stichting Detailhandelsfonds (SDF) om een toezegging te doen over de besteding van een eventueel batig saldo na vereffening van het vermogen van HBD

In maart 2017 stelde het Kamerlid Geurts (CDA) vragen aan de Minister over het teruggeven van het geld aan het bedrijfsleven uit de reserves van de product- en bedrijfschappen. Aansluitend op deze Kamervragen vroeg de Stichting Detailhandelsfonds (SDF) schriftelijk aan de Minister mede in het licht van het aanstaand nieuwe kabinet, een toezegging te doen over de bestemming van een eventueel batig saldo dat mogelijk zou resteren na vereffening van het schap. Indien dit niet mogelijk was dan verzocht het SDF hiervoor wellicht een overdrachtsadvies op te stellen voor zijn opvolger.

In zijn antwoord gaf de Minister aan dat in de Wob is vastgelegd dat pas aan het slot van de vereffening inzage gegeven kan worden over de dan overgebleven reserves en dat conform de Wob de eventuele resterende middelen ten goede komen aan de sector die ze heeft opgebracht. De VOPBO zou daarom geen informatie verstrekken over de tussenstand en de ontwikkeling van de diverse te vereffenen reserves omdat dit momentopnames waren die nog steeds aan (grote) schommelingen onderhevig konden zijn. Tevens gaf de Minister aan dat de VOPBO geen middelen uit deze reserves beschikbaar zou stellen wanneer daar door de besturen van de voormalige bedrijfslichamen vóór 1 januari 2015 geen bestemming aan was gegeven.

11.3. Afwikkeling klacht met betrekking tot een heffing uit 2012

In voorjaar 2017 kwam via het Ministerie van EZK bij de VOPBO een klacht binnen van een gewezen ondernemer over de afhandeling van een heffingsbezwaar uit 2012. Na telefonisch overleg met de klager heeft de VOPBO–uit coulance–de heffing ingetrokken, de invordering gestaakt en de kosten hiervan geseponeerd. Beide partijen hebben vervolgens schriftelijk aan elkaar bevestigd niets meer van elkaar te vorderen te hebben.

12. Archiefbescheiden

Alle archiefbescheiden die vanaf januari 2015 zijn overgedragen aan de VOPBO, zijn behandeld en geselecteerd overeenkomstig de Archiefwet 1995. Op 1 mei 2015 ontving de VOPBO de door de Algemeen Rijksarchivaris ondertekende verklaring van overbrenging als bedoeld in artikel 9, lid 3, van het Archiefbesluit 1995, van het archief van HBD en gedeponeerde archieven over de periode 1943–2014.

De archiefbescheiden die niet in aanmerking kwamen voor overbrenging naar het Nationaal Archief maar wel nog een aantal jaren (wettelijk) bewaard moeten blijven, zijn opgeslagen bij de firma Oasis in Leidschendam. Door het tekenen van de ‘Overeenkomst bewaren en vernietigen’ van 30 november 2017 is toestemming verleend voor het vernietigen van de documenten per januari 2025 (einde wettelijke bewaartermijn voor de documenten van HBD). Na de vereffening wordt de overeenkomst overgedragen aan het Ministerie van LNV.

De archiefbescheiden die na 1 januari 2015 zijn opgebouwd en nog een aantal jaren bewaard moeten blijven, worden na de vereffening eveneens opgeslagen bij de firma Oasis.

De archiefbescheiden zijn, voor zover (nog) mogelijk, ook–onder de naam HBD–opgeslagen in een digitaal archief dat na de vereffening wordt overgedragen aan het Ministerie van LNV.

13. Bezwaren ingediend naar aanleiding van de terinzagelegging door de Minister

In overeenstemming met artikel XLVI, vierde lid, van de Wob is op 19 april 2019 in de Staatscourant nr. 23196 bekend gemaakt dat de Ontwerp Rekening en verantwoording van de vereffening van het vermogen van het Schap X vanaf 1 mei 2019 gedurende 8 weken op het Ministerie van LNV ter inzage is gelegd en digitaal is op te vragen. In deze periode kan iedere schuldeiser bezwaren tegen dit ontwerp inbrengen bij de Minister van LNV.

Voor HBD zijn geen bezwaren of opmerkingen ingediend.

14. Verwerking van de ingediende bezwaren in de Rekening en verantwoording

Niet van toepassing.

15. Bestemming van het resterende vermogen

Na de vereffening van het vermogen van HBD is overgebleven:

een batig saldo van € 1.775.407

De Minister draagt er zorg voor dat dit saldo een bestemming krijgt die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij HBD.

Verslag van de vereffening van het vermogen van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel

Deel II, Financiële gegevens

Algemeen

Namens de Minister–aanvankelijk de Minister van EZ(K), later de Minister van LNV–heeft de Vereffeningsorganisatie PBO (VOPBO) de vereffening uitgevoerd. De opdracht was om op doelmatige en zorgvuldige wijze alle (mogelijke) verplichtingen met betrekking tot de vermogens van de schappen af te wikkelen. De veelal financiële werkzaamheden werden uitgevoerd door oud-medewerkers van de schappen die goed waren ingewerkt in de materie en in de historie. Alle werkzaamheden op personeel en facilitair gebied werden eveneens door oud-medewerkers uitgevoerd. Daarnaast was een oud medewerker van een van de schappen overgekomen voor de afwikkeling van de projectsubsidies en een oud-medewerker van de Sociaal-Economische Raad (SER) voor de afwikkeling van de meer algemene dossiers. Specialistische werkzaamheden op juridisch, personeels- en (incidenteel) op financieel gebied werden in overleg met de VOPBO uitgevoerd door medewerkers van de daarvoor door de Minister gemandateerde directies van EZ(K)/LNV. Voor enkele juridisch zeer specialistische dossiers werd de Landsadvocaat ingehuurd. In bijlage I. is het stappenplan opgenomen waarlangs de vermogens van de schappen zijn vereffend.

Begin 2015 werden allereerst de afsluitende jaarrekeningen 2014 van de schappen opgesteld. Daarna kon een start gemaakt worden met de vereffeningswerkzaamheden. Begonnen werd met het opleggen van (achterstallige) heffingen en het actief innen van de vorderingen. De niet voorziene opbrengsten zijn als incidentele baten toegevoegd aan het vermogen van de desbetreffende schappen. Ook het afhandelen van de subsidieprojecten door de jaren heen heeft veel vrijval opgeleverd dat als incidentele baten weer is toegevoegd aan de vermogens van de schappen. In de vereffeningsverslagen van de desbetreffende schappen is dit zichtbaar gemaakt.

In 2014 hebben de besturen van de schappen overdrachtsdocumenten opgesteld en daarin aangegeven welke werkzaamheden na 1 januari 2015 nog uitgevoerd moesten worden. In de loop van de vereffening werd duidelijk dat een deel van de vereffeningswerkzaamheden niet was voorzien in deze documenten. Begin 2015 was niet duidelijk hoeveel projectsubsidies afgewikkeld moesten worden. In de loop van de vereffening bleken dit er ruim 550 te zijn; sommige vrij overzichtelijk om financieel vast te stellen maar andere zeer ingewikkeld. Een aantal juridische claims was (zeer) complex waardoor er veel tijd nodig was om ze af te handelen. Voor deze uitvoeringskosten waren geen voorzieningen getroffen. De uitvoering van de sociale plannen was extern belegd en loopt voor de meeste schappen nog jaren door. De kosten van deze werkzaamheden waren veelal niet meegenomen in de voorzieningen. In zijn algemeenheid had bijna geen enkel schap een voorziening getroffen voor de afwikkeling van de archiefbescheiden. Dit gold ook voor de kosten van de ICT-voorzieningen die nodig waren om de vereffeningswerkzaamheden goed uit te kunnen voeren. Alle kosten van de vereffening zijn conform artikel XL van de Wob ten laste gebracht van de vermogens van de schappen.

Bij de berekeningen voor het vaststellen van de voorzieningen waren de schappen uitgegaan van het worst case scenario (100% voorzien). Door enkele schappen werden de voorzieningen voor de sociale plannen in de loop van 2014 naar beneden bijgesteld.

Dit alles heeft er toe geleid dat er in de loop van de vereffening voor de meeste schappen meerdere keren extra dotaties gedaan moesten worden aan de voorzieningen voor de kosten van de vereffeningswerkzaamheden en/of voor de uitvoering van de sociale plannen.

Samenvattend heeft de vereffening van de vermogens van de schappen langer geduurd dan in 2014 was voorzien en waren de voorzieningen voor de vereffeningskosten te laag ingeschat. Ook waren de kosten van de werkzaamheden voor de uitvoering van de sociale plannen na de vereffening niet of nauwelijks in de voorzieningen opgenomen.

Op verzoek van de plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van EZK heeft de Auditdienst Rijk (ADR) een opdracht tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden bij de VOPBO uitgevoerd. Deze opdracht was op basis van negen onderzoeksvragen gericht op de inrichting van de slotbalansen op 31 december 2017 en de onderbouwing van de daarin opgenomen vermogensposities. De opdracht is in maart 2019 afgerond.

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Discontinuïteit

Met opheffing van de bedrijfslichamen op 1 januari 2015 is de continuïteitsveronderstelling komen te vervallen. De jaarrekening 2014 van HBD is dan ook opgesteld uitgaande van liquidatie van het geheel der werkzaamheden van de organisatie. Ook ten aanzien van de financiële verantwoording over de vereffening van het vermogen van HBD is dit van toepassing.

Waarderingsgrondslagen

De grondslagen van waardering zijn op liquidatiebasis en zijn als volgt:

  • vorderingen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde onder aftrek van een voorziening voor oninbaarheid;

  • liquide middelen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde;

  • schulden zijn gewaardeerd tegen de bedragen die noodzakelijk zijn om de desbetreffende posten contractueel af te wikkelen;

  • voorzieningen zijn gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen die op balansdatum bestaan waarbij het waarschijnlijk is dat dit leidt tot een uitstroom van middelen en waarvan de omvang op betrouwbare wijze is in te schatten en zijn gewaardeerd tegen nominale waarde tegen de beste schatting van de bedragen die nodig zijn om de verplichtingen af te wikkelen;

  • baten en lasten zijn verantwoord in het jaar waarop deze betrekking hebben.

Slotbalans op 31 december 2017 Hoofd Bedrijfschap Detailhandel

ACTIVA

31-12-2017

 

1-1-2015

 

 

           

1. Vaste activa

         

1.1 Materiele vaste activa

         

Gebouw

   

2.200.000

 
 

 

2.200.000

           

1.2 Financiële vaste activa

 

   

           

2. Vlottende activa

         
           

Vorderingen op korte termijn

         

2.1 Uit hoofde van heffingen

   

 

2.2 Overige vorderingen

   

35.115

 

2.3 Te verrekenen inzake subsidies

   

 

2.4 Lopende interest

   

26.190

 

2.5 Rekeningen courant

55.592

   

 

2.6 Overige overlopende activa

   

16.960

 

Totaal vlottende activa

55.592

 

78.265

           

3. Liquide middelen

         
           

Tegoeden bij banken

5.719.998

   

5.969.093

 

Totaal liquide middelen

5.719.998

 

5.969.093

           

TOTAAL ACTIVA

 

5.775.590

   

8.247.358

PASSIVA

31-12-2017

   

1-1-2015

 
 

   

 
           

4. Eigen vermogen

         

4.1 Algemene reserve

1.775.407

   

–338.490

 

4.2 Bestemmingsreserve

   

 

4.2 Herwaarderingsreserve gebouw

   

2.199.999

 

Totaal eigen vermogen

1.775.407

 

1.861.509

           

5. Bestemmingsfondsen

 

   

           

6. Voorzieningen

         

6.1 Voorziening sociaal plan

3.740.017

   

6.083.260

 

6.2 Voorziening vereffeningskosten

156.250

   

226.193

 

6.3 Voorziening risico's afbouw schap

   

 

6.4 Voorziening WGA

   

 

6.5 Overige voorzieningen

   

33.000

 

Totaal voorzieningen

3.896.267

 

6.342.453

           

7. Vlottende passiva

         

7.1 Te betalen inzake subsidies

   

 

7.2 Diverse crediteuren en transitoria

103.916

   

43.396

 

Totaal vlottende passiva

103.916

 

43.396

           

TOTAAL PASSIVA

 

5.775.590

   

8.247.358

Toelichting op de Slotbalans op 31 december 2017

1. Vaste activa

1.1. Materiele vaste activa

Voor een toelichting op de materiele vaste activa wordt verwezen naar Deel I, paragraaf 9. van dit verslag. Zie ook paragraaf 4.3 van deel II van dit verslag.

1.2. Financiële vaste activa

Niet van toepassing.

2. Vlottende activa

2.1. Vorderingen uit hoofde van heffingen.

HBD heeft op 31 december 2014 alle openstaande vorderingen uit hoofde van heffingen ter incasso overgedragen aan een deurwaarderskantoor.

2.2. Overige vorderingen

Het bedrag op 1 januari 2015 betreft een vordering op het UWV vanwege nog te ontvangen uitkeringen in het kader van de werkloosheidswet van oud-werknemers die een uitkering sociaal plan ontvangen. De WW-uitkeringen zijn begin 2015 ontvangen.

2.3. Te verrekenen inzake subsidies

Niet van toepassing.

2.4. Lopende interest

De lopende interest betreft de in de maand januari ontvangen interest over het voorgaande boekjaar. Door de teruglopende rentevergoedingen en een afname van de liquide middelen is dit bedrag jaarlijks afgenomen. In 2017 zijn de spaarrekeningen opgeheven en is geen sprake meer van lopende interest.

2.5. Rekening courant

De rekening courant HBA heeft betrekking op de personeelslasten vanuit de voorziening CRK.

De (overige) rekening(en) courant betreffen de verrekening van de kosten van de vereffeningsorganisatie en van de medewerkers die vanuit de schappen zijn gaan werken voor de VOPBO. De kosten van deze medewerkers zijn op basis van urenregistratie doorberekend aan het schap waarvoor werkzaamheden zijn verricht.

 

31-12-2017

 
 

 

Rekening courant HBA

43.461

 

Rekening(en) courant

12.131

 

Balans

55.592

 

2.6. Overige overlopende activa

Het te ontvangen bedrag op 1 januari 2015 betreft een toen verwachte uitkering vanuit een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dit bleek een onjuiste veronderstelling en deze vordering is eind 2015 afgeboekt.

3. Liquide middelen

 

31-12-2017

 

31-12-2016

 

31-12-2015

 

1-1-2015

 

 

 

 

Spaartegoeden

 

5.314.195

 

5.288.421

 

5.239.289

Rekening(en) courant

5.719.998

 

994.667

 

1.702.272

 

729.804

Balans

5.719.998

 

6.308.862

 

6.990.693

 

5.969.093

De liquide middelen worden aangehouden bij de ING bank. Op 31 december 2017 is nog één bankrekening aangehouden.

4. Eigen vermogen

4.1. Algemene reserve

 

2017

 

2016

 

2015

 
 

 

 

 

Stand per 1-1

1.790.524

 

1.780.574

 

–338.490

 

Herwaarderingsreserve gebouw

 

 

2.199.999

 

Exploitatie resultaat

–15.117

 

9.950

 

–80.935

 

Balans 31-12

1.775.407

 

1.790.524

 

1.780.574

 

Het exploitatie resultaat over de periode 2015-2017 is € -86.102. Vanwege de vrijgevallen herwaarderingsreserve gebouw, € 2.199.999 neemt de algemene reserve toe met € 2.113.897 wat leidt tot een algemene reserve op 31 december 2017 van € 1.775.407.

4.2. Bestemmingsreserve

Niet van toepassing.

4.3. Herwaarderingsreserve gebouw.

Deze reserve ten bedrage van € 2.199.999 bleek niet nodig omdat het gebouw is verkocht voor de waarde zoals op 1 januari 2015 opgenomen op de balans. Het bedrag is volledig vrijgevallen ten gunste van de algemene reserve.

5. Bestemmingsfonds

Niet van toepassing.

6. Voorzieningen

6.1.1. Voorziening sociaal plan HBD

 

2017

 

2016

 

2015

 
 

 

 

 

Stand per 1-1

3.315.763

 

3.939.272

 

4.861.129

 

Onttrekkingen

–381.266

 

–623.509

 

–921.857

 

Dotatie

 

 

 

Vrijval

–182.478

 

 

 

Balans 31-12

2.752.019

 

3.315.763

 

3.939.272

 

De voorziening is getroffen ter dekking van de verplichtingen voortvloeiende uit het sociaal plan.

6.1.2. Voorziening sociaal plan HBD-CRK

 

2017

 

2016

 

2015

 
 

 

 

 

Stand per 1-1

1.069.527

 

1.107.062

 

1.222.131

 

Aandeel HBA

496.398

 

531.722

 

712.997

 

Onttrekkingen

–127.754

 

–72.859

 

–296.344

 

Dotatie (incl. HBA aandeel)

8.386

 

 

 

Vrijval

 

 

 

Aandeel HBA

–458.559

 

–496.398

 

–531.722

 

Balans 31-12

987.998

 

1.069.527

 

1.107.062

 

De voorziening HBD-Centraal Registratie Kantoor (CRK) is getroffen ten behoeve van de oud- medewerkers van de afdeling registratie en heffing welke een samenwerkingsverband was met het Hoofd Bedrijfschap Ambachten. De verdeelsleutel van de kosten was per 31 december 2014 HBA 31,7% en HBD 68,3%. Deze verdeling is door VOPBO voor de gehele vereffeningsperiode gehanteerd.

In 2017 zijn de voorzieningen sociaal plan herijkt. Voor HBD heeft dit geleid tot een vrijval van € 182.478, en voor de voorzieningen HBD-CRK tot een dotatie van € 8.386. Naar verwachting zullen beide voorzieningen doorlopen tot in 2025.

6.2. Voorziening vereffeningskosten

 

2017

 

2016

 

2015

 
 

 

 

 

Stand per 1-1

55.809

 

166.077

 

226.193

 

Aandeel HBA (CRK mdw.)

11.481

 

 

 

Onttrekkingen

–103.854

 

–98.787

 

–84.380

 

Dotatie (incl. HBA aandeel)

201.560

 

 

20.659

 

Correctie

 

 

3.605

 

Aandeel HBA (CRK mdw.)

–8.746

 

–11.481

 

 

Balans 31-12

156.250

 

55.809

 

166.077

 

In 2014 is door HBD een voorziening getroffen voor de kosten van vereffening op basis van eigen inschattingen. Gebleken is dat de kosten van vereffening hoger uitvallen dan de oorspronkelijk getroffen voorziening. In 2015 heeft de vereffeningsorganisatie een nieuwe begroting opgesteld ten behoeve van de vereffeningskosten tot en met 31 december 2016, de op dat moment verwachte einddatum van de vereffeningsperiode. Voor HBD heeft dit in 2015 geleid tot een dotatie (incl. het HBA aandeel) van € 20.659. Verder is er nog een resterend bedrag ad € 3.605 van nog te betalen personeelskosten betreffende PSB Compensatie werknemersbijdrage aan de voorziening toegevoegd. Met ingang van 2016 is het aandeel in de vereffeningskosten van HBA in de kosten van de verwerking van wachtgelduitkeringen van oud-medewerkers CRK in rekening gebracht bij HBA. In 2017 is de voorziening vereffeningskosten opnieuw herijkt. Deze herijking omvat alle kosten van vereffening tot het einde van de looptijd van het sociaal plan. Voor HBD (incl. het HBA aandeel) heeft dit geleid tot een extra dotatie van € 201.560. In totaal is over de periode 2015-2017 een bedrag van € 222.219 extra gedoteerd. Het aandeel HBA-CRK is bij HBA in rekening gebracht.

6.3. Voorziening risico’s afbouw schap

Niet van toepassing.

6.4. Voorziening WGA

Niet van toepassing.

6.5. Overige voorzieningen

Voorziening incassokosten

2017

 

2016

 

2015

 
 

 

 

 

Stand per 1-1

29.167

 

27.319

 

33.000

 

Onttrekkingen

–27.654

 

 

–5.681

 

Dotatie

 

 

 

Toevoeging vanuit storting

 

1.848

 

 

Vrijval

–1.513

 

 

 

Balans 31-12

 

29.167

 

27.319

 

De voorziening is door het schap opgenomen ten behoeve van de aan een deurwaarderskantoor overgedragen vorderingen en die hiermee gepaard gaande kosten. De in 2016 gerapporteerde toevoeging is het gevolg van door het deurwaarderskantoor aan het schap afgedragen ontvangen incassokosten.

7. Vlottende passiva

7.1. Te betalen inzake subsidies

Niet van toepassing.

7.2. Diverse crediteuren en transitoria

 

31-12-2017

 

31-12-2016

 

31-12-2015

 

1-1-2015

 

 

 

 

Crediteuren

 

351

 

 

Rekening courant

103.897

 

75.729

 

68.715

 

Rekening courant HBA

 

 

32.335

 

Overlopende passiva

19

 

7.670

 

4.695

 

43.396

Balans

103.916

 

83.750

 

105.745

 

43.396

De op 31 december 2016 openstaande crediteur is het begin van het volgende boekjaar betaald.

De Rekening Courant betreft de verrekening van de kosten van de vereffeningsorganisatie en van de medewerkers die vanuit de schappen zijn gaan werken voor de VOPBO. De kosten van deze medewerkers zijn op basis van urenregistratie doorberekend aan het schap waarvoor werkzaamheden zijn verricht.

De rekening courant HBA heeft betrekking op een correctie op de personeelslasten vanuit de voorziening CRK.

De overlopende passiva betreffen:

 

31-12-2017

 

31-12-2016

 

31-12-2015

 

1-1-2015

 

 

 

 

Nog te betalen accountantskosten

 

 

 

25.000

Nog te betalen huisvestingskosten

 

 

 

16.459

Nog te betalen personeelskosten

 

7.611

 

4.695

 

17.431

Overige overlopende passiva

19

 

59

 

 

965

Balans

19

 

7.670

 

4.695

 

59.855

8. Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Niet van toepassing.

Staat van Baten en Lasten over de periode 2015–2017.
     

1-1-2015 t/m 31-12-2017

     

 

A.

BATEN

       

1

Algemene Heffing

     

1.241

2

Bestemmingsheffing

     

3

Retributies

     

4

Rente

     

91.046

5

Niet bestede subsidies

     

6

Diensten aan derden

     

7

Vergoeding voor opgedragen taken

     

8

Vrijval Sociaal plan

     

176.751

9

Vrijval voorziening Incassokosten

     

4.004

10

Overige baten

     

21

 

Totaal baten

     

273.063

           

B.

LASTEN

       

1

Voorzitter/personeelskosten

 

38.410

   

2

Reis,-verblijf-en repres.kosten

 

   

3

Huisvestingskosten

 

21.324

   

4

Bureaukosten

 

2.394

   

5

Vergaderkosten

 

   

6

Subsidies ingekochte diensten tbv de sector

 

   
 

a) Subsidies

 

   
 

b) Ingekochte diensten

 

   

7

Ingekochte diensten tbv het schap

 

53.650

   

8

Dotatie voorziening vereffeningskosten

 

217.604

   

9

Overige lasten

 

25.783

   
 

Totaal lasten

 

359.165

   
           
 

Exploitatie resultaat (A minus B)

 

–86.102

   
           
 

Reserve 1-1-2015

 

1.861.509

   
 

Bestemmingsfonds 1-1-2015

 

   
 

Eigen Vermogen 1-1-2015

 

1.861.509

   
           
 

Reserve 31-12-2017

 

1.775.407

   
 

Bestemmingsfonds 31-12-2017

 

   
 

Eigen Vermogen 31-12-2017

 

1.775.407

   

Toelichting op de Staat van Baten en Lasten over de periode 2015–2017

A. Baten

A.1. Algemene heffing

De nagekomen baten betreffen uitkeringen vanuit faillissementen en/of schuldsaneringen.

A.2. Bestemmingsheffing

Niet van toepassing.

A.3. Retributies

Niet van toepassing.

A.4. Rente

Dit betreft de ontvangen rente over de tegoeden bij banken.

A.5. Niet bestede subsidies

Niet van toepassing.

A.6. Diensten aan derden

Niet van toepassing.

A.7. Vergoeding opgedragen taken

Niet van toepassing.

A.8. Vrijval sociaal plan

Zie de toelichting op de balans onder paragraaf 6.1.2.

A.9. Vrijval voorziening Incassokosten

Dit betreft een vrijval vanwege lagere kosten dan voorzien.

A.10. Overige baten

Dit betreft een tweetal nagekomen bedragen.

B. Lasten

B.1. Voorzitter/personeelskosten

Dit betreft kosten van de inhuur van een medewerker ten behoeve van het opstellen van de jaarrekening 2014.

B.2. Reis, -verblijf en representatiekosten

Niet van toepassing.

B.3. Huisvestingskosten

Deze kosten vloeien voort uit contracten die afgesloten waren door het schap en nog niet opgezegd op 31 december 2014.

B.4. Bureaukosten

Deze kosten vloeien deels voort uit contracten die afgesloten waren door het schap en nog niet opgezegd op 31 december 2014 en deels uit materialen ten behoeve van archivering.

B.5. Vergaderkosten

Niet van toepassing.

B.6.a. Subsidies ten behoeve van de sector

Niet van toepassing.

B.6.b. ingekocht diensten ten behoeve van de sector

Niet van toepassing.

B.7. Ingekochte diensten ten behoeve van het schap

Hieronder zijn gerapporteerd de nagekomen kosten voortvloeiend uit verkoop van het gebouw (€ 26.620) en accountantskosten (€ 27.030) ten behoeve van de controle 2014.

B.8. Dotatie voorziening vereffeningskosten

Zie de toelichting op de balans onder 6.2.

B.9. Overige lasten

De overige lasten betreffen grotendeels de afboeking van het overlopend actief inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering (€ 16.960), zie de toelichting op de balans onder 2.6, en advieskosten (€ 5.166).

Bijlage

Stappenplan waarlangs de vermogens van de schappen zijn vereffend

  • 1. Het opstellen van de jaarrekeningen 2014 van de afzonderlijke schappen, voorzien van controleverklaringen door onafhankelijk accountants, en de vaststelling van de jaarrekeningen 2014 door de Minister van Economische Zaken (thans EZK)

    (afgerond juli 2015).

  • 2. Het ter inzage leggen van de jaarrekeningen 2014 en de controleverklaringen van externe accountants door de Minister van EZK en het daarvan mededeling doen in de Staatscourant (afgerond juli 2015).

  • 3. Het opstellen van boedelbeschrijvingen op bedrijfslichaam terstond na de vaststelling van de jaarrekeningen 2014 door de Minister van EZK, het ter inzage leggen daarvan op het ministerie en het daarvan mededeling doen in de Staatscourant (afgerond juli 2015).

  • 4. Het bekendmaken van het tijdstip van de aanvang van vereffening met de oproep tot het indienen van vorderingen binnen een nader te bepalen termijn van minstens zes maanden na bekendmaking (de aanvang van de vereffening werd gesteld op 1 oktober 2015, vorderingen konden worden ingediend tot 1 juli 2016, nieuwe vorderingen werden niet gemeld).

  • 5. Het voldoen van bekende vorderingen (afgerond 31-12-2017).

  • 6. Het toezenden van een tussentijds verslag over het verloop van de vereffening van de vermogens van de bedrijfslichamen door de Minister van EZK naar beide Kamers der Staten-Generaal (toegezonden juli 2017).

  • 7. In het geval dat bekende vorderingen op het vermogen van een voormalig bedrijfslichaam zijn voldaan en geen toekomstige vorderingen meer bekend zijn, het beëindigen van de vereffening van het vermogen van het schap (31 december 2017).

  • 8. Ten behoeve van het beëindigen van de vereffening van het vermogen van een bedrijfslichaam, het opstellen van de ontwerp rekening en verantwoording en het ter inzage leggen van de rekening en verantwoording door de Minister Van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) (ter inzage legging in 2de kwartaal 2019, nieuwe vorderingen werden niet gemeld).

  • 9. Het vaststellen van de rekening en verantwoording inzake het vereffende vermogen van een bedrijfslichaam door de Minister van LNV (3de kwartaal 2019).

  • 10. Het toezenden van de door de Minister van LNV vastgestelde rekening en verantwoording inzake het vermogen van een bedrijfslichaam aan beide Kamers der Staten-Generaal (vanaf 4de kwartaal 2019).

Naar boven