Besluit opleidingseisen orthopedagoog-generalist

Geraadpleegd op 15-06-2024.
Geldend van 01-12-2022 t/m heden

Besluit van 1 oktober 2019, houdende regels inzake de opleiding tot orthopedagoog-generalist

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Medische Zorg van 15 juli 2019, kenmerk 1543320-192213-WJZ;

Gelet op de artikelen 33e en 41, vijfde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2019, no. W13.19.0232/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Medische Zorg van 26 september 2019, kenmerk 1582129-192213-WJZ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2

Om in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van orthopedagogen-generalist te kunnen worden ingeschreven, is vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen ter afsluiting van een opleiding tot orthopedagoog-generalist heeft afgelegd, uitgereikt door een krachtens artikel 7 aangewezen opleidingsinstelling.

§ 2. Opleiding

Artikel 3

  • 1 De opleiding tot orthopedagoog-generalist bestaat uit ten minste 3.600 uren, die als volgt zijn verdeeld:

    • a. 810 uren theoretisch en praktisch onderwijs op het gebied van de orthopedagogiek, waarvan ten minste 90 uren supervisiesessies;

    • b. 2.790 uren werkervaring op het gebied van de orthopedagogiek.

  • 2 Het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, omvat in elk geval orthopedagogische diagnostiek ten aanzien van de zorgvrager en zijn opvoedings- en ontwikkelingscontext en het toepassen van orthopedagogische behandelingsmethoden en begeleiding ten aanzien van de volgende categorieën van personen:

    • a. kinderen en jeugdigen en diegenen die betrokken zijn bij hun opvoeding en ontwikkeling; en

    • b. volwassenen met een orthopedagogische zorgvraag.

  • 3 De werkervaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is gespreid over ten minste twee jaren en wordt in elk geval opgedaan met de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van orthopedagogische behandelings- en begeleidingsmethoden in opvoedings- en ontwikkelsituaties en in afhankelijkheidsrelaties.

Artikel 4

De opleiding tot orthopedagoog-generalist is erop gericht dat de betrokkene competenties verwerft die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid als bedoeld in artikel 33f van de wet, te weten:

  • a. orthopedagogische deskundigheid;

  • b. communicatie;

  • c. organisatie;

  • d. samenwerking;

  • e. kennis en wetenschap;

  • f. professionaliteit;

  • g. maatschappelijk handelen.

Artikel 5

  • 1 De competentie orthopedagogische deskundigheid omvat de bekwaamheid om:

    • a. doeltreffende en ethisch verantwoorde orthopedagogische diagnostiek, begeleiding en behandeling toe te passen binnen de jeugd-, gehandicapten-, ouderen- en geestelijke gezondheidszorg en het onderwijs;

    • b. wetenschappelijke kennis over opvoedings- en psychische stoornissen toe te passen bij het handelen als orthopedagoog-generalist;

    • c. maatschappelijke opvoedings- en ontwikkelingsvraagstukken te betrekken bij het handelen als orthopedagoog-generalist;

    • d. de zorginhoudelijke, juridische, culturele en sociaaleconomische context van de zorgvrager en degenen die bij zijn opvoeding- en ontwikkeling betrokken zijn, te betrekken bij het handelen als orthopedagoog-generalist.

  • 2 De competentie communicatie omvat de bekwaamheid om:

    • a. met zorgvragers een goede behandelrelatie aan te gaan dan wel te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen;

    • b. informatie te verzamelen over de hulpvraag van de zorgvrager, van degenen die bij zijn opvoeding- en ontwikkeling betrokken zijn en de verzamelde informatie te integreren;

    • c. relevante informatie te bespreken met de zorgvrager, degenen die bij zijn opvoeding- en ontwikkeling betrokken zijn of andere zorgverleners om zo optimale zorg aan de zorgvrager te leveren;

    • d. doeltreffend in woord en geschrift te communiceren met andere zorgverleners over de aan hem toevertrouwde zorgvragers;

    • e. de zorgvrager en degenen die bij zijn opvoeding en ontwikkeling betrokken zijn te begeleiden;

    • f. met diverse groepen van zorgvragers zoals kinderen, jeugdigen, volwassenen en ouderen en zorgvragers met verschillende zorginhoudelijke, juridische, culturele en sociaaleconomische achtergronden om te gaan.

  • 3 De competentie organisatie omvat de bekwaamheid om:

    • a. doeltreffend gebruik te maken van informatietechnologie;

    • b. een visie en doelstelling te formuleren, een strategie te ontwikkelen en adequate actie te ondernemen die bijdragen aan de ontwikkeling van de eigen organisatie voor een doeltreffende en doelmatige zorgverlening;

    • c. middelen effectief in te zetten voor gezondheidszorg, onderzoek en onderwijs.

    • d. goed geïnformeerd te zijn over het Nederlandse gezondheidszorgsysteem, en deze kennis doeltreffend en efficiënt te benutten voor de eigen functie en organisatie;

    • e. de uitgangspunten van kwaliteitszorg, zijnde bewaking, bevordering en waarborging, in de praktijk toe te passen.

  • 4 De competentie samenwerking omvat de bekwaamheid om:

    • a. in samenspraak met andere zorgverleners op doeltreffende wijze te komen tot samenwerking;

    • b. een doeltreffende bijdrage aan interdisciplinaire teams op het gebied van zorg, onderwijs en onderzoek te leveren.

  • 5 De competentie kennis en wetenschap omvat de bekwaamheid:

    • a. toegepast empirisch wetenschappelijk onderzoek op te zetten, uit te voeren en te evalueren;

    • b. de principes van wetenschappelijk denken toe te passen op en te vertalen naar bronnen van orthopedagogische informatie en toe te passen in interactie met anderen;

    • c. bij beslissingen en handelingen in de orthopedagogische praktijk het beschikbare wetenschappelijke bewijs te betrekken.

  • 6 De competentie professionaliteit omvat de bekwaamheid om:

    • a. op een verbindende en betrokken wijze orthopedagogische zorg te leveren, met aandacht voor de integriteit van de zorgvrager;

    • b. adequaat professioneel gedrag te demonstreren in gezondheidszorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs;

    • c. op sterke en zwakke kanten in het eigen functioneren te reflecteren en daardoor sturing te geven aan het eigen leerproces en verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen professionele groei, met als doel levenslange ontwikkeling als professional;

    • d. te reflecteren op het eigen handelen in de orthopedagogische praktijk, in relatie tot de eigen gevoelens en cognities;

    • e. te reflecteren op de invloed van eigen attitude, normen en waarden op het eigen orthopedagogisch handelen.

  • 7 De competentie maatschappelijk handelen omvat de bekwaamheid om:

    • a. de impact van maatschappelijke ontwikkelingen en relevante wet- en regelgeving te vertalen naar verantwoorde preventie en zorgverlening;

    • b. de impact van maatschappelijke ontwikkelingen te vertalen naar beleidsadviezen op individueel, macro- en mesoniveau;

    • c. een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat en beleid rondom de orthopedagogische zorgverlening.

Artikel 6

  • 1 Tot de opleiding tot orthopedagoog-generalist wordt slechts toegelaten diegene die in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij een doctoraalexamen of een masteropleiding pedagogische wetenschappen, psychologie of gezondheidswetenschappen aan een instelling voor wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg heeft afgerond.

  • 2 Voor zover opleidingsonderdelen als bedoeld in het derde lid geen deel uitmaakten van de opleiding die recht geeft op een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, is voor de toelating tot de opleiding tot orthopedagoog-generalist vereist het bezit van een bewijsstuk waaruit blijkt dat voor die onderdelen met goed gevolg een proeve van bekwaamheid op het niveau van een masteropleiding van een instelling voor wetenschappelijk onderwijs is afgelegd.

  • 3 De opleidingsonderdelen, bedoeld in het tweede lid zijn:

    • a. klinische vaardigheden op het terrein van de psychologie of pedagogiek; en

    • b. een klinische stage van ten minste 520 uur op het terrein van de psychologie of pedagogiek, ten aanzien van een categorie van personen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a of b.

§ 3. Opleidingsinstellingen

Artikel 7

  • 1 Onze Minister kan, op hun daartoe strekkende verzoek, opleidingsinstellingen aanwijzen die een opleiding tot orthopedagoog-generalist verzorgen die naar zijn oordeel voldoet aan de artikelen 3 tot en met 5.

  • 2 Voor aanwijzing komen in aanmerking opleidingsinstellingen waarvan in redelijkheid verwacht mag worden dat zij:

    • a. de artikelen 3 tot en met 6, 8 en 9 zullen naleven;

    • b. zorg dragen voor een evenwichtige verhouding tussen het theoretische en praktische gedeelte van de opleiding enerzijds en de werkervaring anderzijds;

    • c. zorg dragen voor het op systematische wijze bewaken en in stand houden van de kwaliteit van de opleiding.

  • 3 De aanwijzing van een opleidingsinstelling als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. De geldigheidsduur, bedoeld in de eerste volzin kan terugwerken tot een in de aanwijzing vast te stellen termijn.

  • 4 De aangewezen opleidingsinstelling verstrekt Onze Minister op verzoek informatie die noodzakelijk is om te beoordelen of de opleiding tot orthopedagoog-generalist op enig moment voldoet aan de bij dit besluit gestelde eisen.

  • 5 Onze Minister kan een aanwijzing intrekken zodra de opleiding niet of niet langer voldoet aan de bij dit besluit gestelde eisen.

  • 6 Van een aanwijzing of een intrekking van een aanwijzing wordt kennisgegeven in de Staatscourant.

Artikel 9

  • 1 De opleidingsinstelling wijst een hoofdopleider aan die verantwoordelijk is voor de opleiding van een persoon die tot de opleiding is toegelaten.

  • 2 De hoofdopleider is orthopedagoog-generalist en heeft gedurende ten minste vijf jaren ingeschreven gestaan:

    • a. in het register van orthopedagogen-generalist van de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen, of

    • b. in het krachtens artikel 3 van de wet ingestelde register van orthopedagogen-generalist, of

    • c. in de onder a en b bedoelde registers gezamenlijk.

§ 4. Overgangsrecht

Artikel 10

  • 1 Met het bezit van een getuigschrift als bedoeld in artikel 2 wordt gelijkgesteld het gezamenlijk bezit van:

    • a. een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene een doctoraalexamen of een masteropleiding pedagogische wetenschappen, psychologie of gezondheidswetenschappen aan een instelling voor wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg heeft afgerond; en

    • b. een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene tussen 1 januari 2001 en 1 januari 2023 een opleiding tot orthopedagoog-generalist heeft afgerond aan de RINO Zuid, de Postdoctorale Beroepsopleiding Orthopedagogiek Randstad, de Rijksuniversiteit Groningen of het opleidingsinstituut Postmasteropleidingen binnen de Psychologie en de Orthopedagogiek te Groningen of een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een door de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen vastgesteld opleidingstraject vóór 1 juli 2023 heeft afgerond.

  • 2 Met het bezit van een getuigschrift als bedoeld in artikel 2 wordt tot één jaar na inwerkingtreding van dit besluit tevens gelijkgesteld het gezamenlijk bezit van:

    • a. een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene een doctoraalexamen of een masteropleiding pedagogische wetenschappen, psychologie of gezondheidswetenschappen aan een instelling voor wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg heeft afgerond; en

    • b. een bewijs dat de betrokkene op het moment van inwerkingtreding van dit besluit is ingeschreven in het register van orthopedagogen-generalist van de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 1 oktober 2019

Willem-Alexander

De Minister voor Medische Zorg,

B.J. Bruins

Uitgegeven de zeventiende oktober 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven