Aanpassingsbesluit Wnra

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Besluit van 30 september 2019, houdende aanpassing van besluiten in verband met de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingsbesluit Wnra)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 juli 2019, nr. 2019-0000364482, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Gelet op de artikelen 44, eerste lid, 72, en 89 van de Grondwet, de artikelen 9, eerste lid, en 22 van de Archiefwet 1995, artikel 4.20, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Comptabiliteitswet 2016, artikel 8 van de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, de artikelen 44, eerste en tweede lid, 66, eerste en tweede lid, 79 en 95, vierde lid, van de Gemeentewet, artikel 5 van de Instellingswet W.R.R., de artikelen 16 en 17 van de Intrekkingswet BB, de artikelen 12, onder o, en 12quater, eerste lid, onderdelen e en f, van de Militaire Ambtenarenwet 1931, artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, de artikelen 43, eerste en tweede lid, 65, eerste en tweede lid, 77 en 94, derde lid, van de Provinciewet, de artikelen 9, 15 en 16 van de Uitvoeringswet grondkamers, artikel 44, eerste lid, van de Waterschapswet, de artikelen 12 en 12o van de Wet ambtenaren defensie, de artikelen 34 en 37 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, de artikelen 2, derde lid, en 3, tweede lid, van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, de artikelen 23 en 24 van de Wet gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel, artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet Huis voor klokkenluiders, de artikelen 4, vijfde lid, 5, tweede lid, en 12 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, de artikelen 33, vierde lid, en 102 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, artikel 46d, onderdeel g, van de Wet op de ondernemingsraden, artikel 48b, tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, artikel 193, eerste lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, artikel 2 van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen, de artikelen 2, eerste lid, en 3, tweede lid, van de Wet rechtspositie Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman, artikel 2, vierde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, artikel II van de Wet van 19 mei 1994, tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de pensioenberekening), de artikelen 6, vijfde lid, en 7, derde lid van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, de artikelen 51i, vierde lid, 51k, eerste lid, 126h, vierde lid, 142, vierde lid en 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, artikel 17, derde lid, Wet op de economische delicten, de artikelen 9, eerste lid, 47, eerste en vierde lid en 81, eerste lid, van de Politiewet 2012, de artikelen 3 en 16, vierde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers, de artikelen 14, vierde lid, 25, derde lid, 67, zesde lid, 73, derde lid en 89, vierde lid van de Wet op de rechterlijke organisatie, artikel 16d van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 90, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens, de artikelen 17, vijfde lid, 18, vierde lid, en 19 van de Wet College voor de rechten van de mens, de artikelen 16, eerste en zesde lid, 25, tweede lid, 67, vijfde en zesde lid, en 86, eerste, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, artikel 3 van de Beroepswet, artikel 4 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de artikelen 50, vierde lid, 51, derde lid en 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de artikelen 6 en 7 van de Wet tarieven in strafzaken, artikel 33e, derde lid en artikel 37, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, artikel 8 van de Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 2015, artikel 37, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, de artikelen 7, vierde lid, en 41, vierde lid van de Penitentiaire beginselenwet, de artikelen 7, vijfde lid, en 46, vierde lid, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de artikelen 10, vijfde lid en 40, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 september 2019, no. W04.19.0224/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 25 september 2019, nr. 2019-0000503917;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 2. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Hoofdstuk 3. Ministerie van Defensie

Hoofdstuk 5. Ministerie van Justitie en Veiligheid

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1

Artikel 8.2. Overgangsrecht

Artikel 8.3. Intrekking van besluiten

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Artikel 8.4. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 30 september 2019

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K.H. Ollongren

Uitgegeven de tiende oktober 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Terug naar begin van de pagina