Besluit waardering verzekeringsvorderingen in faillissement

Geldend van 01-08-2019 t/m heden

Besluit van 10 juli 2019, houdende regels met betrekking tot de waardering van vorderingen uit hoofde van een verzekering in geval van een faillietverklaring van een verzekeraar (Besluit waardering verzekeringsvorderingen in faillissement)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 16 mei 2019, 2019-0000070363, directie Financiële Markten, gedaan mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming;

Gelet op artikel 213l, vierde lid, van de Faillissementswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juni 2019, nr. W06.19.0120/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 5 juli 2019, 2019-0000086038, directie Financiële Markten, uitgebracht mede namens Onze Minister voor Rechtsbescherming;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Reikwijdte

Dit besluit is van toepassing op de waardering van vorderingen uit hoofde van een verzekering in faillissement.

Artikel 2. Definities

  • 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

    • a. verordening solvabiliteit II: gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU 2015, L 12);

    • b. relevante risicovrije rentetermijnstructuur: de risicovrije rentetermijnstructuur van spot rentes, berekend overeenkomstig de artikelen 43 tot en met 46 van de verordening solvabiliteit II, zonder matchingsopslag, zonder volatiliteitsaanpassing en zonder gebruikmaking van de ultimate forward rate, met dien verstande dat voor de rentelooptijden waarvoor geen risicovrije spotmarktrente tot stand komt, de relevante risicovrije rentetermijnstructuur berekend wordt met de eenjaars forward rate onder de vooronderstelling dat de eenjaars forward rate voor deze rentelooptijden gelijk is aan de eenjaars forward rate van het laatste liquide punt;

    • c. eenjaars forward rate: het rendement dat hoort bij de verandering van opeenvolgende spot rentes.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a. matchingsopslag: de matchingsopslag, bedoeld in de artikelen 52 tot en met 54 van de verordening solvabiliteit II;

    • b. volatiliteitsaanpassing: de volatiliteitsaanpassing, bedoeld in de artikelen 49 tot en met 51 van de verordening solvabiliteit II;

    • c. ultimate forward rate: de ultimate forward rate, bedoeld in artikel 47 van de verordening solvabiliteit II.

Artikel 3. Geen toezegging om rente te voldoen

De toezegging door een verzekeraar tot het doen van een uitkering uit hoofde van verzekering als bedoeld in artikel 925, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet een toezegging om interesten te voldoen als bedoeld in artikel 128 van de Faillissementswet.

Artikel 4. Actuele overlevingstafel

Bij het vaststellen van de hoogte van de vordering uit hoofde van een verzekering, waarbij de verzekeraar zich heeft verbonden tot het verrichten van uitkeringen waarvan de hoogte, het tijdstip of de duur afhankelijk is gesteld van het wel of niet in leven zijn van een verzekerde, wordt een op het moment van de vaststelling algemeen aanvaarde overlevingstafel gehanteerd.

Artikel 5. Algemene uitgangspunten bij vaststelling rechten polishouder

  • 1 Indien de curator met toepassing van artikel 213ka van de Faillissementswet heeft verklaard dat de overeenkomst niet wordt nagekomen, zijn de waarde van het toegezegde rendement en de waarde van de toegezegde risicoafdekking op premies die niet zijn betaald op het tijdstip van faillietverklaring nihil.

  • 2 De wederpartij heeft slechts een vordering tot teruggave van het deel van de door de wederpartij betaalde premies of koopsom dat betrekking heeft op het nog niet verstreken deel van de looptijd van de polis op het in onderdeel b bedoelde tijdstip indien:

    • a. het een verzekering betreft waarbij een verzekeraar zich uitsluitend heeft verbonden tot het verrichten van een uitkering wanneer een onzeker voorval zich voor een bepaald tijdstip voordoet:

    • b. de curator met toepassing van artikel 213kaa van de Faillissementswet de overeenkomst na drie maanden heeft beëindigd; en

    • c. het voorval zich niet heeft voorgedaan voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarvan de verzekering is beëindigd.

  • 3 De hoogte van een vordering uit hoofde van een verzekering waarbij de verzekeraar zich heeft verbonden tot het verrichten van een uitkering bij het bereiken van een bepaalde leeftijd door de verzekerde wordt berekend overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 9. Het tweede lid is niet van toepassing.

  • 4 Indien een verzekering betaling van alle overeengekomen premies als voorwaarde bevat voor het als gevolg van een rendementsgarantie bereiken van het in die verzekering opgenomen verzekerde bedrag, is die voorwaarde niet van toepassing op de vermeerdering, bedoeld in artikel 6, vierde lid.

Artikel 6. Premiebetalende verzekering niet zijnde beleggingsverzekering

  • 1 De waarde van een vordering uit hoofde van een verzekering wordt berekend overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid, indien de verzekeraar zich heeft verbonden tot het verrichten van een uitkering waarbij het tijdstip of hoogte onzeker is en de hoogte van de uitkering niet gebaseerd is op de tegenwaarde in beleggingseenheden en:

    • a. de wederpartij van de verzekeraar zich heeft verbonden tot het betalen van premie in termijnen;

    • b. de wederpartij op het tijdstip van faillietverklaring de laatste premie nog niet heeft voldaan; en

    • c. de curator met toepassing van artikel 213ka van de Faillissementswet heeft verklaard dat de overeenkomst niet wordt nagekomen.

  • 2 Premies die zijn voldaan tot aan het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, worden verminderd met vergoedingen voor kosten en risicodekkingen in de verzekering niet zijnde de kernverplichting in de verzekering.

  • 3 Vervolgens wordt de som genomen van de premiebedragen uit het tweede lid en het voor de begunstigde gerealiseerde rendement op de verzekering tot het tijdstip met ingang waarvan die overeenkomst niet meer wordt nagekomen.

  • 4 Vervolgens worden de bedragen berekend waartoe het ingevolge het derde lid vastgestelde bedrag op grond van de verzekering zou zijn vermeerderd conform de actuele rentetermijnstructuur, eventueel het in de verzekering toegezegde rendement, en de actuele verzekeringstechnische grondslagen op de tijdstippen waarop de verzekeraar op grond van de overlevingstafel tot uitkering had moeten overgaan.

  • 5 Indien op grond van de verzekering de verzekerde bedragen worden verhoogd op basis van een extern vastgestelde rendementsparameter, wordt de rendementsparameter vanaf het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, geschat met toepassing van de op dat moment geldende opslag van de rendementsparameter op de risicovrije rentetermijnstructuur.

  • 6 De hoogte van de vordering is de contante waarde van de in het vierde of, indien van toepassing, het vijfde lid, bedoelde bedragen op het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen. Discontering geschiedt met toepassing van de risicovrije rentetermijnstructuur.

Artikel 7. Verzekeringen waarbij alle premie is betaald, niet zijnde beleggingsverzekeringen

De waarde van een vordering uit hoofde van een verzekering waarbij de verzekeraar zich heeft verbonden tot het verrichten van een uitkering waarbij het tijdstip of de hoogte onzeker is, de hoogte van de uitkering niet is gebaseerd op de tegenwaarde in beleggingseenheden en de wederpartij op het tijdstip van faillietverklaring aan al haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, wordt bepaald overeenkomstig artikel 6, vijfde en zesde lid, met dien verstande dat de verzekerde bedragen in de overeenkomst geacht worden de bedragen te zijn, bedoeld in artikel 6, vierde lid.

Artikel 8. Beleggingsverzekeringen met gegarandeerde ondergrens

  • 1 De waarde van een vordering uit hoofde van een verzekering waarbij de verzekeraar zich heeft verbonden tot het verrichten van uitkeringen waarbij het tijdstip of hoogte onzeker is, de hoogte van de uitkering gebaseerd is op de tegenwaarde in beleggingseenheden en een uitkeringsgarantie is toegezegd, wordt berekend overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid.

  • 2 De tegenwaarde van de beleggingseenheden op het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 9.

  • 3 Met de relevante risicovrije rentetermijnstructuur wordt het bedrag berekend waartoe de tegenwaarde van de beleggingseenheden op het tijdstip met ingang waarvan de overeenkomst niet meer wordt nagekomen, zou zijn vermeerderd op de tijdstippen waarop de verzekeraar op grond van die verzekering tot uitkering had moeten overgaan alsmede op elk van de tijdstippen waarop volgens de verzekering de tegenwaarde van de beleggingseenheden wordt vergeleken met de minimumgarantiewaarde.

  • 4 De minimumgarantiewaarden worden vastgesteld overeenkomstig onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b:

    • a. indien de wederpartij van de verzekeraar op het tijdstip van faillietverklaring aan al haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, wordt op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, laatste zinsnede, de tegenwaarde van de beleggingseenheden vergeleken met de hoogtes van de minimumgarantiewaarden;

    • b. indien de wederpartij van de verzekeraar zich heeft verbonden tot het betalen van premie in termijnen, zij op het tijdstip van faillietverklaring de laatste termijn nog niet heeft voldaan, en de curator met toepassing van artikel 213ka van de Faillissementswet heeft verklaard dat de overeenkomst niet wordt nagekomen, wordt op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, laatste zinsnede, de tegenwaarde van de beleggingseenheden vergeleken met de hoogtes van de tot dat tijdstip vermeerderde waarden op basis van de premies en het rendement dat tot de minimumgarantiewaarden leidt.

  • 5 De waarde van de vordering wordt bepaald overeenkomstig artikel 6, vierde en zesde lid, met dien verstande dat de bedragen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, voor de uitkeringen bij leven, de uitkomsten zijn van de vergelijking op elk van de tijdstippen, bedoeld in het derde lid, tussen de tegenwaarde van de beleggingseenheden en de minimumgarantiewaarde, waarbij telkens de hoogste van deze twee waarden wordt genomen.

Artikel 9. Beleggingsverzekeringen zonder gegarandeerde ondergrens

  • 1 Voor verzekeringen waarbij de verzekeraar zich heeft verbonden tot het verrichten van een uitkering waarbij het tijdstip of hoogte onzeker is, waarbij de hoogte van de uitkering bij leven is gebaseerd op de tegenwaarde in beleggingseenheden en waarbij een uitkeringsgarantie niet is meeverzekerd, is de waarde van de vordering van de uitkeringen bij leven de tegenwaarde van de beleggingseenheden op het tijdstip met ingang waarvan de verzekering niet meer wordt nagekomen.

  • 2 De waarde van de vordering, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de verzekering ook voorziet in een uitkering bij overlijden, verhoogd met de waarde van de vordering van de uitkering bij overlijden, berekend overeenkomstig artikel 6, vierde en zesde lid.

Artikel 10. Alternatieve berekeningsmethoden

Onverminderd de artikelen 2 tot en met 5 en in afwijking van de artikelen 6 tot en met 9 kan de waarde van een vordering uit hoofde van een verzekering op een andere wijze worden berekend indien door de curator genoegzaam wordt aangetoond dat deze methode tot dezelfde uitkomst leidt.

Artikel 11. Overgangsbepaling

Dit besluit is niet van toepassing op een faillissement van een verzekeraar dat is uitgesproken voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2019. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 juli 2019 treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt het terug tot en met 1 augustus 2019.

Artikel 13. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit waardering verzekeringsvorderingen in faillissement.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 10 juli 2019

Willem-Alexander

De Minister van Financiën,

W.B. Hoekstra

De Minister voor Rechtsbescherming,

S. Dekker

Uitgegeven de negenentwintigste juli 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Terug naar begin van de pagina