Subsidieregeling Dutch Cycling Embassy 2019

[Regeling vervalt per 01-01-2022.]
Geldend van 25-06-2019 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 juni 2019, nr. IENW/BSK-2018/250230, houdende vaststelling van regels betreffende verstrekking van subsidie aan de stichting Dutch Cycling Embassy (Subsidieregeling Dutch Cycling Embassy 2019)

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • activiteitenplan: activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:62 van de wet;

  • de-minimisverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de de-minimisverordening;

  • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • product: (deel)resultaat dat voortkomt uit een project;

  • project: geheel van activiteiten dat deel uitmaakt van een thema;

  • subsidieontvanger: stichting Dutch Cycling Embassy, gevestigd te Delft;

  • wet: Algemene wet bestuursrecht;

  • xls file: het format zoals opgenomen in de bijlage voor ramingen en realisaties van de gesubsidieerde projecten en producten ten behoeve van de subsidieverlening en subsidievaststelling.

Artikel 2. Doel subsidie

  • 1 De minister kan op aanvraag per boekjaar een subsidie verstrekken aan de subsidieontvanger voor het uitvoeren van projecten en producten, gericht op de internationale profilering van Nederland als fietsland.

  • 2 Activiteiten in de zin van het eerste lid zijn:

    • a. het internationaal stimuleren van het gebruik van de fiets als vervoermiddel door het propageren van de Nederlandse kennis en kunde op dat gebied;

    • b. het vervullen van een kennis- en loketfunctie voor internationale vragen over het Nederlandse fietsbeleid en -kennis;

    • c. het coördineren van werkbezoeken, kennisbijeenkomsten en projecten;

    • d. het faciliteren van (economische) samenwerking; en

    • e. het organiseren van kennisbijeenkomsten en werkbezoeken.

  • 3 Geen subsidie wordt verstrekt voor zover:

    • a. voor een project of product als bedoeld in het tweede lid een subsidie is of wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan dan wel hiervoor andere inkomsten van derden zonder tegenprestatie zijn of worden verkregen; of

    • b. voor zover de activiteiten als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, zijn te kwalificeren als economische activiteiten.

Artikel 3

De subsidie voor de activiteiten bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen c tot en met e, valt onder de de-minimis verordening (verordening (EU) van de Commissie nr. 1407/2013 van 18 december 2013, PbEU L352/1).

Artikel 5. Subsidieplafonds

Artikel 6. Subsidiabele kosten

  • 1 Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de gemaakte kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

  • 2 Subsidiabele kosten kunnen ook betrekking hebben op de voor de indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten in 2019.

Artikel 7. Concept-activiteitenplan

  • 1 Uiterlijk op 1 september van het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zendt de subsidieontvanger een concept van het activiteitenplan aan de minister.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt er geen concept-activiteitenplan voorafgaand aan de subsidieaanvraag voor het boekjaar 2019 ingediend.

Artikel 8. Aanvraag tot subsidieverlening

  • 1 De subsidieontvanger dient de aanvraag tot subsidieverlening in bij de minister, uiterlijk op 1 november van het jaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag tot subsidieverlening voor het boekjaar 2019 ingediend binnen een maand na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling is geplaatst.

  • 3 Onverminderd artikel 4:65 van de wet gaat de aanvraag vergezeld van:

    • a. het activiteitenplan waarin tevens een uiteenzetting wordt gegeven van de projecten en producten en waarin tevens rekening is gehouden met de opmerkingen die de minister heeft gemaakt bij het concept-activiteitenplan;

    • b. de begroting, bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onder b, van de wet, die tevens de onderbouwing van het geraamde kosten per project bevat;

    • c. de ingevulde ramingen in de xls file;

    • d. de opgave van het kwartaal waarin de projecten en producten zijn afgerond; en

    • e. het ingevulde formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Artikel 9. Beschikking tot subsidieverlening

  • 1 De minister neemt de beschikking tot subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 In de beschikking worden vermeld:

    • a. de te subsidiëren projecten en producten;

    • b. het kwartaal waarin de subsidieontvanger gehouden is de projecten en producten te hebben afgerond;

    • c. de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld;

    • d. de geraamde kosten per project, en

    • e. de inhoud van het controleprotocol.

Artikel 10. Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 4:35 van de wet kan de minister de subsidieverlening geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel:

  • a. in het activiteitenplan onvoldoende rekening is gehouden met de opmerkingen die hij heeft gemaakt bij het concept-activiteitenplan;

  • b. de aanvraag niet voldoet aan artikel 8; of

  • c. er in voorgaande boekjaren ten aanzien van de subsidieverlening dan wel subsidievaststelling toepassing is gegeven aan de artikelen 4:48, 4:49 en 4:50 van de wet.

Artikel 11. Voorwaarde begrotingsvoorbehoud

Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot subsidieverlening vermeld dat de subsidieverlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 12. Voorschotverlening

  • 1 De minister verleent een voorschot. Deze beschikking wordt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening gegeven.

  • 2 De hoogte van het voorschot en de tijdstippen waarop de delen van het voorschot worden uitgekeerd worden in de beschikking bepaald met dien verstande dat het totale bedrag van de voorschotverlening ten hoogste 95 procent van de verleende subsidie per boekjaar bedraagt.

Artikel 13. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 In aanvulling op de verplichtingen op grond van de wet is de subsidieontvanger verplicht tot:

    • a. het afronden van de uitvoering van projecten en producten waarvoor subsidie is verleend, uiterlijk op het kwartaal dat daarvoor is aangegeven in de beschikking tot subsidieverlening;

    • b. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de subsidie en op de rechtmatige en de doelmatige aanwending daarvan, zoals financiering van projecten en producten vanuit andere bronnen en over- en onderschrijdingen van het geraamde subsidiebedrag van een project van meer dan 25% onder vermelding van de oorzaak van de verschillen;

    • c. het onverwijld doen van een schriftelijke melding aan de minister zodra aannemelijk is dat een gesubsidieerd project niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

    • d. het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de rechtmatige en doelmatige aanwending van de ontvangen subsidiegelden, dat wordt verricht namens of in opdracht van de minister of door de Algemene Rekenkamer en het verstrekken van desverlangd alle informatie aan degene die met dit onderzoek is belast;

    • e. het de minister vooraf op de hoogte stellen indien naar de media wordt getreden ten aanzien van een gesubsidieerd project of product met een landelijk politiek gevoelig of belangrijk landelijk beleidsmatig karakter;

    • f. het verlenen van medewerking binnen een door de minister te stellen termijn aan een door hem ingesteld evaluatieonderzoek teneinde te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger bij het uitvoeren van een gesubsidieerd project, een toegevoegde waarde heeft geleverd aan het in artikel 2, eerste lid, omschreven doel;

    • g. het in acht nemen van het controleprotocol; en

    • i. het onverwijld informeren van de minister nadat:

      • 1°. een verzoek tot verlening van surseance aan of faillietverklaring van de subsidieontvanger bij de rechtbank is ingediend; of

      • 2°. een besluit tot ontbinding bij de rechtbank is ingediend.

  • 2 Voorts kan de minister bij de beschikking tot subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:

    • a. het verkrijgen van andere financiële middelen; of

    • b. andere verplichtingen die de minister wenselijk acht ter verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 3 Tevens draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat:

    • a. een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht dat een gescheiden administratie van kosten en baten wordt gevoerd voor:

      • de gesubsidieerde projecten en producten enerzijds en de overige activiteiten anderzijds en

      • de gesubsidieerde projecten en producten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a en b enerzijds en de gesubsidieerde projecten en producten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen c tot en met e anderzijds;

    • b. een onderzoek als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, van de wet wordt uitgevoerd en dat dit onderzoek geschiedt met inachtneming van hetgeen daarover is bepaald in het controleprotocol, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder e; en

    • c. geen staatssteun wordt verleend aan ondernemingen door middel van de subsidie.

Artikel 14. Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1 De subsidieontvanger dient de aanvraag tot subsidievaststelling in uiterlijk 1 april volgend op het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2 De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een activiteitenverslag dat tevens voldoet aan artikel 4:80, derde lid, van de wet;

    • b. een financieel verslag dat tevens voldoet aan 4:76 van de wet;

    • c. de stand van zaken van de projecten en producten en de kwartalen waarin deze zijn afgerond, het gerealiseerde aantal uren per project met onderbouwing en de gerealiseerde kosten derden per project met onderbouwing;

    • d. een toelichting indien de gemaakte kosten voor een project 25% of meer afwijken van het geraamde bedrag ervoor;

    • e. de ingevulde realisaties in de xls file;

    • f. een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 4:78, derde lid, van de wet, en

    • g. een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 4:79, derde lid, van de wet.

Artikel 15. Beschikking tot subsidievaststelling

  • 1 De minister neemt de beschikking tot subsidievaststelling binnen tweeëntwintig weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 De minister is bevoegd tot ambtshalve vaststelling van de subsidie indien de subsidieontvanger niet tijdig de aanvraag tot vaststelling heeft ingediend.

Artikel 16. Evaluatie

Uiterlijk 31 december 2021 publiceert de Minister een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze subsidieregeling en zendt hij het verslag tevens aan beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 17. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2019.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 18. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Dutch Cycling Embassy 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

S. van Veldhoven-van der Meer

Bijlage 1. behorende bij artikel 8, derde lid, onderdeel e

Verklaring de-minimissteun

Wij raden u aan om, voordat u de verklaring invult, eerst de toelichting in de bijlage van dit formulier te lezen.

Verklaring

Hierbij verklaart ondergetekende, dat aan de hierna genoemde onderneming1

□ geen de-minimissteun is verleend

Over de periode van ..........................(begindatum van het belastingjaar gelegen twee jaar vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ........................... (datum van ondertekening van deze verklaring) is niet eerder de-minimissteun verleend.

□ beperkte de-minimissteun is verleend

Over de periode van.......................(begindatum van het belastingjaar gelegen twee jaar vóór de datum van ondertekening van deze verklaring) tot ........................... (datum van ondertekening van deze verklaring) is eerder de-minimissteun (in welke vorm of voor welk doel dan ook) verleend tot een bedrag van in totaal €.............................

Of deze de-minimissteun al daadwerkelijk is uitbetaald, doet niet ter zake.

Een kopie van de stukken waaruit het verlenen van de-minimissteun blijkt, voegt u hierbij.

reeds andere steun voor dezelfde in aanmerking komende kosten is verleend

Voor dezelfde in aanmerking komende kosten is al staatssteun verleend tot een bedrag van in totaal €........................... Deze staatssteun is verleend op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening,2 de MKB Landbouwvrijstellingsverordening3 of een besluit van de Europese Commissie d.d. ................

Een kopie van de stukken waaruit het verlenen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten blijkt, voegt u hierbij.

Aldus volledig en naar waarheid ingevuld door:

....................................................................................................(bedrijfsnaam)

........................................................................................................................(inschrijfnr. KvK)

........................................................................... (naam en functie ondertekenaar)

............................................................................................ (adres onderneming)

...................................................................................... (postcode en plaatsnaam)

.........................(datum)................................................................. (handtekening)

Zie toelichting hierna

Toelichting verklaring de-minimissteun

Deze toelichting dient als hulpmiddel bij het invullen van de de-minimisverklaring. Aan de toelichting kunnen geen rechten worden ontleend. Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352), hierna ‘de de-minimisverordening’ is bepalend.

De-minimisverordening en staatssteun

De staatssteunregels in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (artikel 107 en 108 VWEU) stellen beperkingen aan overheden als zij steun willen verlenen aan ondernemingen. Deze de-minimisverklaring is nodig voor de overheid om na te gaan of het voordeel dat uw onderneming door deze de-minimissteun krijgt, past binnen de voorwaarden die de Europese staatssteunregels stellen.

In de de-minimisverordening heeft de Europese Commissie verklaard dat steunmaatregelen (zoals subsidieverlening) tot een bepaalde drempel het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedt en de mededinging niet vervalst, en daarom niet beschouwd worden als staatssteun in de zin van het EU-verdrag. Deze drempel is gesteld op € 200.000,– (€ 100.000,– voor ondernemingen die voor rekening van derden goederenvervoer over de weg verrichten). Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun die genoemde drempelbedragen niet overschrijdt, wordt aangemerkt als ‘de-minimissteun’. Voor de visserij- en landbouwsector zijn aparte de-minimisverordeningen van toepassing, waarvoor een drempel van respectievelijk € 30.000,–4 en € 15.000,–5 geldt.

Naast ondernemingen in deze sectoren is de de-minimisverordening (nr. 1407/2013) in bepaalde gevallen niet van toepassing op steun aan ondernemingen die actief zijn in de sector verwerking en afzet van landbouwproducten. Ook exportsteun, steun waardoor binnenlandse producten ten opzichte van ingevoerde producten worden bevoordeeld en steun voor de aanschaf van vervoermiddelen valt buiten de de-minimisvrijstelling.

Eén onderneming

Het de-minimisplafond geldt voor één onderneming. Artikel 2, lid 2 van de de-minimisverordening geeft aan wanneer sprake is van ‘één onderneming’. Het kan namelijk voorkomen dat twee (of meer) ondernemingen een bepaalde band met elkaar onderhouden en onder deze verordening als één onderneming worden gezien. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het hebben van de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders van een andere onderneming, het recht om onder meer bestuursleden van een andere onderneming te benoemen/ontslaan en het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen.

Bedrag van de-minimissteun

Door middel van deze verklaring geeft u aan dat met de huidige financiële bijdrage voor uw onderneming de de-minimisdrempel niet wordt overschreden. U moet daarom nagaan of gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren enige vorm van de-minimissteun door een overheidsinstantie aan uw onderneming is verstrekt. Indien dit het geval is bent u hierover door de overheidsinstantie in kennis gesteld. Het gaat niet alleen om steun die u heeft ontvangen van de rijksoverheid maar van elke overheidsinstantie. Bij overschrijding van de drempel kan geen beroep meer worden gedaan op de de-minimisverordening. Handelen in strijd met de staatssteunregels kan in het ergste geval leiden tot terugvordering van de verleende steun.

De bedragen die dienen te worden gebruikt bij het invullen van de verklaring, zijn brutobedragen vóór aftrek van belastingen. Behalve om subsidieverlening kan het daarbij gaan om leningen tegen gunstige voorwaarden, de verkoop van grond tegen een lagere prijs dan de marktwaarde, vrijstellingen, verlagingen of kwijtschelding van directe of indirecte belastingen, etc. Onder voorwaarden is het mogelijk de verordening toe te passen op leningen en garanties die langer dan drie jaren lopen.

De de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop uw onderneming een wettelijke aanspraak op de steun verwerft, ongeacht de datum waarop de de-minimissteun aan de onderneming wordt betaald.

Samenloop met reguliere staatssteun

Mogelijk heeft uw onderneming voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de huidige de-minimissteun reeds staatssteun ontvangen, die door de Europese Commissie is goedgekeurd of binnen het toepassingsgebied van de zogenaamde algemene groepsvrijstellingsverordening6 of de MKB Landbouwvrijstellingsverordening7 valt. Het totaalbedrag van de-minimissteun en deze staatssteun mag dan de maxima niet overschrijden die op basis van het relevante besluit van de Europese Commissie of de betreffende vrijstellingsverordening zijn toegestaan Als u twijfelt of bepaalde steun die u heeft ontvangen goedgekeurde of vrijgestelde steun is, kunt u hierover contact opnemen met de overheid of uitvoeringsinstantie van wie u de steun heeft ontvangen.

Het formulier heeft betrekking op drie situaties:

  • uw onderneming heeft gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren in het geheel geen de-minimissteun ontvangen;

  • uw onderneming heeft gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren de-minimissteun ontvangen. Opgeteld bij het bedrag van de huidige subsidieverlening wordt echter het bedrag van € 200.000,– niet overschreden (respectievelijk € 100.000,–/€ 30.000,–/€ 15.000,–) of

  • uw onderneming heeft voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de huidige subsidie reeds andere vormen van staatssteun ontvangen.

Uiteraard vult u alléén de rubriek(en) in die op uw situatie van toepassing is/zijn. Vergeet vooral niet om de bijlage(n) bij te sluiten.

  1. In artikel 2, tweede lid, Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352) zijn criteria opgenomen aan de hand waarvan kan worden bepaald wanneer twee of meer ondernemingen binnen dezelfde lidstaat als één onderneming moeten worden beschouwd.

    ^ [1]
  2. Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard PbEU 2014, L 187/1.

    ^ [2]
  3. Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2015 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. PbEU2014, L 193/1.

    ^ [3]
  4. Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector. PbEU 2014, L 190/45.

    ^ [4]
  5. Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van hetVerdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector. PbEU 2013, L 352.

    ^ [5]
  6. Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard PbEU 2014, L 187/1.

    ^ [6]
  7. Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2015 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. PbEU2014, L 193/1.

    ^ [7]
Terug naar begin van de pagina