Stimuleringsregeling Wonen en Zorg

[Regeling vervalt per 04-04-2024.]
Geraadpleegd op 04-12-2022.
Geldend van 04-04-2020 t/m 31-12-2021

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 maart 2019, kenmerk 1498910-188109-DMO, houdende regels voor het verstrekken van subsidie ter stimulering van de ontwikkeling en totstandkoming van woonzorgarrangementen (Stimuleringsregeling Wonen en Zorg)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definitiebepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • lening: een geldlening verstrekt door een financier voor de bouw- en nafinancieringsfase:

    • 1°. die al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, en

    • 2°. die onder deze regeling een lagere rang in kan nemen ten opzichte van andere vorderingen van een financier;

  • algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • borgstelling: de in een borgstellingsovereenkomst geregelde borgtocht van de Staat als bedoeld in artikel 7:850 en verder van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de financier;

  • bouw- en nafinancieringsfase: de periode waarin het woonzorgarrangement wordt gebouwd of verbouwd en aansluitend in gebruik wordt genomen;

  • de-minimisverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de de-minimisverordening;

  • de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;

  • financier:

    • 1. een bank die:

      • a. voldoet aan de definitie van kredietinstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 1, van Verordening (EU) 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, en;

      • b. beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, en;

      • c. in het geval van het aangaan van een kredietovereenkomst met een ondernemer die is gevestigd in het openbaar lichaam van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, tevens een kredietinstelling is in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen.

    • 2. een door de minister aangewezen kredietverstrekker;

  • financieringsfaciliteit: krediet of een deel van een krediet waarvoor de Staat, provincie of gemeente niet borg of garant staat;

  • initiatieffase: de periode van maximaal 1 jaar na subsidieverlening waarin de juridische, planologische en financiële haalbaarheid van het woonzorgarrangement wordt onderzocht en een conclusie wordt getrokken over de haalbaarheid;

  • kmo: kleine en middelgrote ondernemingen die aan de in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoen;

  • kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan:

    • 1°. een financier aan een WZ-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of

    • 2°. de WZ-ondernemer tot een bepaald bedrag kan opnemen of zal kunnen opnemen van een rekening bij een financier;

  • kredietrapport: een door de financier opgestelde onderbouwing van de financieringsaanvraag, in elk geval bestaande uit een beschrijving van het Woonzorg-initiatief, het investerings- en financieringsplan, de zekerheden, een analyse van de risico’s en het fiat van de financier;

  • minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • NHG: Nationale Hypotheek Garantie van het Waarborgfonds Eigen Woningen;

  • ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • planontwikkelfase: een fase van maximaal drie jaar waarin het projectplan voor een woonzorgarrangement wordt ontwikkeld en de bouw wordt voorbereid;

  • planontwikkellening: lening die uitsluitend wordt verstrekt door de minister ten behoeve van de kosten voor de planontwikkelfase van een woonzorgarrangement;

  • procesbegeleider: een persoon of rechtspersoon, niet zijnde een toekomstige bewoner van het woonzorgarrangement, die de realisatie van het woonzorgarrangement begeleidt;

  • stichtings- of verwervingskosten: projectkosten die onder meer bestaan uit ontwerpkosten, kosten voor aankoop van de bouwkavel, advieskosten, bouwkosten, leges, rentekosten en onvoorziene kosten;

  • wooneenheid: een zelfstandige leefeenheid, in een woongebouw of cluster van woningen die ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en die minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad;

  • woonzorgarrangement: een samenhangend geheel van activiteiten, uitgevoerd in de vorm van een rechtspersoon, gericht op het voorbereiden en realiseren van wooneenheden overeenkomstig de voorwaarden genoemd in artikel 1.4 van deze regeling;

  • WZ-borgstellingskrediet: een financiering in de vorm van een krediet of een lening die uitsluitend wordt verstrekt ten behoeve van een woonzorgarrangement dat is verstrekt door een financier waarmee de minister een borgstellingsovereenkomst, waarin de rechten en plichten van de minister en de financier zijn vastgelegd, heeft gesloten;

  • WZ-ondernemer: één of meerdere rechtspersonen (vereniging, stichting of besloten vennootschap) niet zijnde rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld, die een kmo in stand houden, die gericht is op het realiseren van een woonzorgarrangement;

  • zorg: Zvw-zorg en Wlz-zorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.

Artikel 1.3. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het stimuleren van de ontwikkeling en totstandkoming van vernieuwende, kleinschalige en geclusterde woonzorgarrangementen voor mensen met laag- of middeninkomen met levensloopbestendige of gemakkelijk aanpasbare woningen.

Artikel 1.4. Voorwaarden woonzorgarrangement

Voor een woonzorgarrangement, bedoeld in artikel 1.3, geldt dat:

  • a. het project in Nederland uitgevoerd wordt en uit minimaal 5 wooneenheden bestaat;

  • b. minimaal de helft van de wooneenheden zijn bestemd voor bewoning door mensen van 55 jaar en ouder;

  • c. de gemeente heeft verklaard dat een locatie beschikbaar is voor de ontwikkeling van het woonzorgarrangement dan wel dat zij zich inspant een locatie beschikbaar te stellen;

  • d. de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het woonzorgarrangement wordt ontwikkeld, heeft de intentie dit te verkopen dan wel te verhuren;

  • e. wordt beoogd dat deze leidt tot voorkoming van de vraag naar ondersteuning of zorg, tot een toename van sociale cohesie en ontmoeting of voor mensen met een intensieve zorgvraag leidt tot een betere kwaliteit van leven;

  • f. diensten met betrekking tot dagelijkse boodschappen en zorgverleners in de omgeving van het woonzorgarrangement aanwezig en goed toegankelijk zijn;

  • g. minimaal 25 procent van de wooneenheden onder de huurtoeslaggrens wordt verhuurd of minimaal 25 procent van de koopwoningen beneden de grens van de NHG wordt verkocht.

Hoofdstuk 2. Initiatieffase

Artikel 2.1. Subsidiabele activiteiten

De minister kan op grond van dit hoofdstuk op aanvraag subsidie verstrekken aan een WZ-ondernemer ten behoeve van het onderzoeken van de haalbaarheid van een woonzorgarrangement.

Artikel 2.2. Aanvraag tot verlening van subsidie

  • 1 Voor een aanvraag tot verlening van de subsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 2 De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een verklaring, die niet ouder is dan een jaar op het moment van de aanvraag, van de betreffende gemeente dat er een locatie beschikbaar is voor de ontwikkeling van het woonzorgarrangement dan wel dat zij zich inspant een locatie beschikbaar te stellen;

    • b. een projectomschrijving met een planning en een begroting van de kosten die samenhangen met het onderzoeken van de haalbaarheid van het woonzorgarrangement;

    • c. een de-minimisverklaring.

Artikel 2.3. Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt € 1.000 per wooneenheid tot een maximum van € 20.000 per woonzorgarrangement.

Artikel 2.4. Subsidieplafond

  • 1 De minister stelt jaarlijks een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidie op grond van dit hoofdstuk.

  • 2 Het subsidieplafond voor 2020 bedraagt € 1.000.000.

  • 3 De minister verdeelt het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de complete aanvragen.

  • 4 Indien op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één complete aanvraag ontvangen wordt en de volgorde van binnenkomst van deze aanvragen niet is vast te stellen, wordt de volgorde vastgesteld door middel van loting.

Artikel 2.5. Verlening, bevoorschotting en betaling

  • 1 De minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking tot verlening van de subsidie.

  • 2 Indien een beschikking niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met acht weken worden verlengd.

  • 3 De minister verleent bij het besluit tot verlening van de subsidie een voorschot van 100% van het subsidiebedrag.

Artikel 2.6. Meldingsplicht

  • 1 De subsidieontvanger meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien:

    • a. aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;

    • b. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan; of

    • c. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

  • 2 De melding wordt voorzien van een toelichting. Bij de melding worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel 2.7. Subsidieverplichtingen

  • 1 Het onderzoek naar de haalbaarheid van het woonzorgarrangement als bedoeld in artikel 2.1 dient binnen één jaar na het verlenen van de subsidie te zijn afgerond met een verslag over de haalbaarheid.

  • 2 De minister kan maximaal een jaar ontheffing verlenen van de termijn, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van dit hoofdstuk uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

  • 4 De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 2.8. Vaststelling

  • 1 De minister neemt binnen 6 weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 2.7, eerste of tweede lid, ambtshalve een besluit tot vaststelling van de subsidie.

  • 2 De ontvanger van een subsidie toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie.

  • 3 De subsidie wordt vastgesteld op een bedrag tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

Artikel 2.9. Staatssteun

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt slechts verleend indien deze in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

Hoofdstuk 3. Planontwikkelfase

Artikel 3.1. Subsidiabele activiteiten

De minister kan op grond van dit hoofdstuk op aanvraag subsidie in de vorm van een geldlening aan een WZ-ondernemer verlenen ten behoeve van de kosten voor de planontwikkelfase van een woonzorgarrangement.

Artikel 3.2. Subsidieplafond

  • 1 De minister stelt jaarlijks een plafond vast voor het verlenen van planontwikkelleningen op grond van deze regeling.

  • 2 Het subsidieplafond voor 2020 bedraagt € 15.000.000.

  • 3 Het uit hoofde van het subsidieplafond beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.3. Omvang planontwikkellening

  • 1 De planontwikkellening per woonzorgarrangement bedraagt maximaal € 200.000.

  • 2 De planontwikkellening bedraagt maximaal 67% van de totale kosten van de planontwikkelfase.

  • 3 De eigen inbreng bedraagt minimaal 33% van de totale kosten van de planontwikkelfase.

Artikel 3.4. Aanvraag

  • 1 Voor de aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1, wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 2 De aanvraag bevat ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, tekenbevoegdheid, het Kamer van Koophandel-nummer, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. de gegevens over het plan, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten en de omvang van de gevraagde subsidie;

    • d. een projectplan voor de planontwikkelfase van het woonzorgarrangement met daarin de ijkpunten in de voortgang en de daarmee samenhangende kosten.

  • 3 De aanvraag gaat in elk geval vergezeld van een kopie van:

    • een offerte van de procesbegeleider;

    • een offerte van de architect;

    • een haalbaarheidsrapport van het woonzorgarrangement;

    • een verklaring van de betreffende gemeente dat er een locatie beschikbaar is gesteld voor het ontwikkelen van het woonzorgarrangement;

    • een de-minimisverklaring.

  • 4 De minister beslist binnen acht weken op de aanvraag.

Artikel 3.5. Afwijzingsgrond

De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien er in onvoldoende mate kan worden aangetoond dat de WZ-ondernemer de planontwikkellening kan terugbetalen binnen de in artikel 3.7, derde lid, genoemde periode.

Artikel 3.6. Uitbetaling in tranches

  • 1 De geldlening, bedoeld in artikel 3.1, wordt uitbetaald in de vorm van één of meerdere tranches op basis van de voortgang van de activiteiten voor de planontwikkeling van het woonzorgarrangement.

  • 2 De eerste tranche wordt op verzoek van de WZ-ondernemer op basis van facturen voor de kosten van de planontwikkelfase voor een bedrag van minimaal 15% van de geldlening verstrekt, nadat is aangetoond dat minimaal 50% van de eigen inbreng, als bedoeld in artikel 3.3, derde lid, is ingebracht.

  • 3 Een volgende tranche wordt op verzoek van de WZ-ondernemer verstrekt nadat:

    • a. is aangetoond dat de resterende 50% van de eigen inbreng, als bedoeld in artikel 3.3, derde lid, is voldaan; en

    • b. voor ten minste 15% van de geldlening een even groot bedrag als bedoeld in het vorige lid aan nieuwe facturen voor de kosten van de planontwikkelfase voor het woonzorgarrangement is ingediend; of

    • c. in afwijking van onderdeel b een zoveel lager bedrag tot aan het bedrag van de totale geldlening.

Artikel 3.7. Subsidievoorwaarden

  • 1 De WZ-ondernemer is verplicht over het uitstaande saldo aan de minister jaarlijks het overeenkomstig artikel 3.8, bepaalde rentepercentage te betalen, dat op de planontwikkellening van toepassing blijft, totdat aan de terugbetalingsverplichtingen geheel is voldaan.

  • 2 De rente wordt aan het eind van elk kalenderjaar rentedragend bij het uitstaande saldo bijgeschreven.

  • 3 De WZ-ondernemer is verplicht het uitstaande saldo van de geldlening binnen 3 jaar, na subsidieverlening, aan de minister geheel terug te betalen.

  • 4 De termijn, bedoeld in het derde lid, kan op verzoek worden verlengd, indien door onvoorziene omstandigheden de planontwikkelfase nog niet is afgerond.

  • 5 Nadat de planontwikkellening inclusief rente geheel is terugbetaald, wordt de subsidie ambtshalve op nihil vastgesteld.

  • 6 De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de pandakte die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd binnen vier weken na die beschikking is ondertekend en teruggestuurd naar de minister.

Artikel 3.8. Rente

  • 1 Het rentepercentage, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, over de planontwikkellening bedraagt 2,5% per jaar, over de gehele periode van de lening.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan een marktconform rentepercentage gehanteerd worden.

  • 3 Het rentepercentage, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend op basis van de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14).

Artikel 3.9. Verhoging subsidie

  • 1 Indien de activiteiten voor de planontwikkeling van het woonzorgarrangement essentieel worden gewijzigd door onvoorziene omstandigheden zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen als omschreven in het plan, kan de minister op aanvraag van de WZ-ondernemer het bedrag van het eerdere plan verhogen tot maximaal het bedrag dat voor kosten van de planontwikkeling van het woonzorgarrangement aan geldlening kan worden verkregen.

  • 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt volgens eenzelfde procedure en volgens dezelfde criteria behandeld als een eerste subsidieaanvraag voor de kosten van een planontwikkeling voor een woonzorgarrangement, als bedoeld in artikel 3.4.

Artikel 3.10. Meewerken aan onderzoek

  • 1 De WZ-ondernemer werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek naar de effecten van het door hem uitgevoerde ontwikkelingsproject.

  • 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 3.11. Staatssteun

  • 1 De subsidie in de vorm van een geldlening, bedoeld in artikel 3.1, wordt slechts verleend indien deze in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan de subsidie in de vorm van een geldlening ook worden verleend in overeenstemming met de Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PbEU 2008, C 14).

Hoofdstuk 4. Bouw- en nafinancieringsfase

Artikel 4.1. Subsidiabele activiteiten

  • 1 De minister kan op grond van dit hoofdstuk op aanvraag subsidie aan een WZ-ondernemer verstrekken voor te verlenen WZ-borgstellingskredieten.

  • 2 Voor subsidie komt in aanmerking een WZ-ondernemer die een kredietovereenkomst sluit met een financier ten behoeve van een WZ-borgstellingskrediet voor de bouw- en nafinanciering.

  • 3 De subsidie wordt verleend in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat een financier op grond van een kredietovereenkomst aan een WZ-ondernemer zal verstrekken voor de duur van de kredietovereenkomst, onder de opschortende voorwaarde dat de WZ-ondernemer binnen acht weken aan de minister de in artikel 4.4 bedoelde provisie heeft betaald.

Artikel 4.2. Borgstellingsplafond

  • 1 De minister stelt jaarlijks een plafond vast voor het verlenen van borgstellingen op grond van deze regeling.

  • 2 Het borgstellingsplafond voor 2020 bedraagt € 81.600.000.

  • 3 Het borgstellingsplafond voor 2021 bedraagt € 100.000.000.

  • 4 Het uit hoofde van het borgstellingsplafond beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 4.3. Hoogte en looptijd borgstelling (per woonzorgarrangement)

  • 1 Er wordt borg gestaan voor maximaal 80% van het WZ-borgstellingskrediet.

  • 2 Het WZ-borgstellingskrediet bedraagt maximaal € 2.000.000.

  • 3 Het WZ-borgstellingskrediet bedraagt maximaal 15% van de totale stichtings- of verwervingskosten van de te financieren wooneenheden.

  • 4 Indien een financier meer dan 70% van de stichtings- of verwervingskosten financiert bedraagt het WZ-borgstellingskrediet maximaal 50% van het verschil tussen het financieringsbedrag zonder borgstelling en de totale stichtings- of verwervingskosten.

  • 5 De hoogte van de borgstelling loopt in maximaal 40 kwartalen en minimaal volgens het volgende schema af:

    Ultimo jaar

    Aflopend in 10 jaar

    Percentage (%)

    1

    95

    2

    88

    3

    81

    4

    72

    5

    60

    6

    48

    7

    36

    8

    24

    9

    12

    10

    0

  • 6 In afwijking van het vijfde lid kan de looptijd van de borgstelling maximaal 12 jaar zijn. In dat geval vangt de afbouw van de borgstelling uiterlijk aan op de eerste dag na het achtste kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan het WZ-borgstellingskrediet is verstrekt, is gesloten, onder de voorwaarde dat gelijktijdig voor dezelfde periode de verplichting tot aflossing van de financieringsfaciliteit wordt opgeschort. De hoogte van de borgstelling loopt in deze variant in maximaal 48 kwartalen, minimaal volgens het volgende schema, af:

    Ultimo jaar

    Aflopend in 12 jaar

    Percentage (%)

    1

    100

    2

    100

    3

    95

    4

    88

    5

    81

    6

    72

    7

    60

    8

    48

    9

    36

    10

    24

    11

    12

    12

    0

  • 7 De minister kan vanwege onvoorziene omstandigheden en op aanvraag van de financier de vermindering, bedoeld in het vijfde lid, gedurende de looptijd een periode van ten minste een kalenderkwartaal opschorten indien de financier voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het WZ-borgstellingskrediet en de financieringsfaciliteit.

Artikel 4.4. Provisie

  • 1 Het tarief van de provisie bedraagt eenmalig 1,6 procent over de hoofdsom van het WZ-borgstellingskrediet.

  • 2 De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt.

Artikel 4.5. Aanvraag

  • 1 Voor de aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

  • 2 De aanvraag gaat vergezeld van een kredietrapport.

  • 3 De aanvraag bevat in ieder geval de naam van de WZ-ondernemer, het Kamer van Koophandel-nummer, het post- en bezoekadres en het bankrekeningnummer van de aanvrager.

  • 4 De minister beslist binnen acht weken tot verlening van de borgstelling over het WZ-borgstellingskrediet.

Artikel 4.6. Afwijzingsgrond

De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien er onvoldoende bevredigende continuïteits- en rentabiliteitsperspectieven kunnen worden aangetoond door de WZ-ondernemer, waaruit blijkt dat de WZ-ondernemer de geldlening, bedoeld in artikel 4.1, kan terugbetalen.

Artikel 4.7. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.1, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 21 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 5.1a. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 4 april 2019 en vervalt met ingang van 4 april 2024, met uitzondering van Hoofdstuk 2, dat in werking treedt met ingang van 15 april 2019 en vervalt met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

H.M. de Jonge

Naar boven