Circulaire Introductie bij waterschappen van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Geldend van 28-03-2019 t/m heden

Circulaire Introductie bij waterschappen van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Van verzending circulaires naar publicatie op internet

Met ingang van 1 januari 2019 zullen circulaires met betrekking tot de rechtspositie van politieke ambtsdragers uitsluitend nog bekend worden gemaakt op de site van de officiële bekendmakingen (Staatscourant) en op de website www.politiekeambtsdragers.nl. U kunt zich met een RSS-feed abonneren op deze site via https://feeds.politiekeambtsdragers.nl/circulaires.rss. Als er een circulaire op deze site wordt gepubliceerd, ontvangt u een attendering. Vanwege het belang dat de introductie van dit rechtspositiebesluit bij alle betrokkenen bekend is, wordt onderhavige circulaire ook nog per post verzonden.

1. Inleiding

Hierbij informeer ik u over de totstandkoming van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (Stb. 2018, 386), en de daarbij behorende uitvoeringsregeling, de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers (Stcrt 2018, 66006). Deze komen per 28 maart 2019 in de plaats van hoofdstuk 3 van het Waterschapsbesluit.

De ingangsdatum van 28 maart 2019 is gekozen vanwege het feit dat per deze datum een nieuw Algemeen Bestuur zal zijn benoemd. Voor de dagelijks bestuurders die op grond van artikel 41, vierde lid, van de Waterschapswet na 28 maart 2019 pas aftreden op het moment dat tenminste de helft van het door het algemeen bestuur te benoemen aantal leden van het dagelijks bestuur is benoemd, doch uiterlijk drie maanden na de start van de zittingsperiode van het algemeen bestuur, geldt tot hun aftreden de oude rechtspositie. Het doel is immers om de nieuwe rechtspositie te laten gelden voor de nieuw aangetreden waterschapsbestuurders. Deze ingangsdatum geldt ook in principe voor de voorzitters, tenzij er sprake is van overgangsrecht.

In deze regelgeving zijn de rechtspositieregels van alle voorzitters, dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers van de gemeenten, provincies en waterschappen, in één besluit en één regeling samengevoegd. Dit is het sluitstuk van een meerjarig traject1, waarbij de vroegere zeven rechtspositiebesluiten en onderliggende regelingen met betrekking tot deze ambtsdragers, zijn gemoderniseerd, en waar mogelijk geharmoniseerd.

Harmonisatie is bereikt door voor vergelijkbare decentrale politieke ambtsdragers vergelijkbare artikelen op te nemen. Verschillen die enkel historisch waren te verklaren of die intussen achterhaald bleken te zijn, zijn weggenomen. Vervolgens is in het kader van het streven naar modernisering bezien of de voorzieningen nog adequaat waren met het oog op het functioneren van de politieke ambtsdrager.

Dit besluit is tot stand gebracht in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van de koepels (IPO, VNG en Unie van Waterschappen) en van de negen beroepsgroepen van de decentrale politieke ambtsdragers. In gezamenlijkheid is gekomen tot een afgewogen pakket aan arbeidsvoorwaarden dat voor de verschillende groepen ambtsdragers eenvormig, transparant, uitlegbaar en zo eenvoudig mogelijk in de uitvoering is. Verschillen in hoogte van vergoedingen en systematiek zijn vervangen door eigentijdse en adequate voorzieningen die het functioneren van de ambtsdragers versterken.

In §2 wordt een opsomming gegeven van de aanspraken die zijn geïntroduceerd of aangepast. Deze worden toegelicht in de bijlage.

Omdat er voor de waterschappen per 28 maart 2019 een nieuw besluit en een nieuwe (uitvoerings)regeling gaan gelden, met een nieuwe structuur, is ervoor gekozen om nu niet alleen aan te geven wat dit sluitstuk betekent voor de aanspraken van de voorzitters, de dagelijks bestuursleden, de leden van het Algemeen Bestuur en de externe commissieleden, maar juist alle aanspraken te beschrijven, ook die niet inhoudelijk zijn gewijzigd. Op deze manier wordt in de bijlage inzicht gegeven in het gehele arbeidsvoorwaardenpakket van actieve ambtsdragers van de waterschappen.

Er is aandacht gevraagd voor de benodigde tijd om de verordeningen van de waterschappen aan te passen en voor de omschakeling in systemen en administratieve processen. Hierover wordt het volgende opgemerkt.

Met het nieuwe rechtspositiebesluit is ervoor gekozen het merendeel van de aanspraken centraal te regelen en is er geen actie van het individuele waterschap nodig. Voor het relatief kleine aantal aanspraken waarvoor nog wel een regeling bij verordening noodzakelijk is, is politiek debat in het waterschap gewenst (bijvoorbeeld wel of niet een pensioenvoorziening voor leden van het Algemeen Bestuur, wel of niet een bijzondere commissie) en is een besluit per 28 maart 2019 niet per se nodig. Op ander vlak, bijvoorbeeld de lokale scholingsplannen, is er geen inhoudelijke wijziging tot stand gebracht. Alleen het artikelnummer is veranderd.

Wat betreft de uitvoering, geldt dat er op een aantal punten juist een meer eenvoudige uitvoering tot stand is gebracht en dat de vereiste aanpassing eruit bestaat dat bepaalde regels niet meer hoeven te worden toegepast. De reiskostenvergoedingensystematiek is hiervan een voorbeeld. Het kan dus voorkomen dat die nieuwe bedragen niet meteen in de systemen zijn ingeregeld, maar de hantering van één tarief vanaf 28 maart 2019 gaat de uitvoering helpen.

Het kan zijn dat per 28 maart 2019 verordeningen van waterschappen die tot stand zijn gekomen op basis van het tot die tijd geldende Waterschapsbesluit, strijdig zijn met het nieuwe rechtspositiebesluit omdat zij nog niet zijn aangepast. In dat geval gaan het nieuwe rechtspositiebesluit en de nieuwe rechtspositieregeling vóór.

Na publicatie van besluit en regeling is bijvoorbeeld de vraag naar voren gekomen wat overheidsorganen moeten doen die naar oud recht vergoedingen gaven in plaats van verstrekkingen. Er is op dit vlak geen overgangsrecht dus er is voor de waterschappen per 28 maart 2019 geen grondslag meer voor die vergoedingen. Het waterschap moet in voorkomend geval zo snel mogelijk de verstrekkingen gaan regelen. Dat heeft de in de bijlage bij de toelichting van artikel 4.3.2 beschreven voordelen. Die variëren van meer zekerheid over cybersecurity en uniformering van de systemen, tot het nu belastingvrij kunnen verstrekken versus het betalen van belaste vergoedingen. Het kan natuurlijk zijn dat het waterschap niet per 28 maart 2019 in staat is om te verstrekken. Dan moeten betrokkenen nog even verder met de oude situatie van het hanteren van de eigen ICT-voorzieningen, maar bestaat daarvoor per 28 maart 2019 geen recht op vergoeding.

2. Overzicht nieuwe aanspraken

Inhoudelijk zijn de volgende onderwerpen aangepast of voor het eerst geregeld voor de politieke ambtsdragers van de waterschappen:

Voor de voorzitters, de dagelijks bestuursleden en de leden van het Algemeen Bestuur

  • 1. Introductie van een uniforme regeling van reiskostenvergoeding woon-werkverkeer en dienstreizen.

  • 2. In plaats van een financiële vergoeding voor een WIA-voorziening voor een structurele functionele beperking, kan ook een voorziening worden verstrekt.

  • 3. De ICT-bepalingen zijn aangepast aan het huidige fiscale regime: informatie- en communicatievoorzieningen worden voor de duur van het ambt verstrekt, daarbij inbegrepen de abonnementen, die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van dat ambt.

  • 4. Introductie van een grondslag voor de inkoop van bedrijfsgeneeskundige zorg.

  • 5. Nadere omschrijving van het begrip beroepsvereniging.

Specifiek voor de voorzitters en de dagelijks bestuursleden

  • 1. Introductie van de mogelijkheid een auto ter beschikking te stellen (dienstauto’s/leaseauto’s).

  • 2. Introductie van de vergoeding van kosten van loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten tijdens het ambt.

  • 3. Introductie van een grondslag voor schadeloosstelling van dagelijks bestuursleden bij terugroepen uit het buitenland vanwege een calamiteit, en de aanpassing van de grondslag die hiervoor al bestond voor voorzitters.

Specifiek voor dagelijks bestuurders

  • 1. Introductie van een vergoeding voor dagelijks bestuurders van waterschappen die lid zijn van het bestuur van de Unie van Waterschappen.

  • 2. Aanpassing van de tegemoetkoming voor de verzekering van de tijdelijk vervanger van een zwangere of zieke dagelijks bestuurder. De tegemoetkoming is gekoppeld aan de aanstellingsomvang en wordt geïndexeerd.

  • 3. De vergoeding bij een tijdelijke waarneming van de voorzitter van langer dan 30 dagen door een dagelijks bestuurder is omgevormd tot een aanvulling op de bezoldiging tot het niveau van de bezoldiging van de voorzitter.

Specifiek voor leden van het Algemeen Bestuur

  • 1. Introductie van een uniforme regeling van reiskostenvergoeding woon-werkverkeer en dienstreizen voor de leden van het Algemeen Bestuur en voor de commissieleden.

  • 2. Omvorming van de delegatiegrondslag voor een pensioenregeling voor leden van het Algemeen Bestuur tot een bepaling op grond waarvan bij verordening kan worden geregeld dat leden aanspraak hebben op een bedrag per jaar ter grootte van de vergoeding voor de werkzaamheden voor één maand, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.

  • 3. Aanpassing van toelagen voor deelname aan “zware commissies” en introductie van de toelage voor deelname aan een “bijzondere commissie”.

  • 4. Aanpassing toelage fractievoorzitters.

  • 5. De vergoeding bij een tijdelijke waarneming van de voorzitter van langer dan 30 dagen door een lid van het Algemeen Bestuur is omgevormd tot een aanvulling op de vergoeding voor de werkzaamheden tot het niveau van de bezoldiging van de voorzitter.

3. Vragen en informatie op internet

Informatie die betrekking heeft op politieke ambtsdragers kunt u vinden op de volgende internetsite: www.politiekeambtsdragers.nl. Op deze site vindt u alle actuele wet- en regelgeving, circulaires en brochures over politieke ambtsdragers voor het Rijk, de provincie, de gemeente, de waterschappen en ook voor het Koninkrijk en de BES-eilanden voor zover deze afkomstig is van het Ministerie van BZK.

Voor eventuele nadere vragen kunt u ook contact opnemen met het Ministerie van BZK via postbus.helpdeskpa@minbzk.nl.

Bijlage bij de Circulaire betreffende de Introductie bij waterschappen van het nieuwe Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

1. Inleiding

Van alle decentrale politieke ambtsdragers is zijn de arbeidsvoorwaarden nu ondergebracht in één rechtspositiebesluit en op een aantal onderwerpen nader uitgewerkt in één ministeriële regeling.

In §2 van deze bijlage wordt de opzet van het nieuwe besluit toegelicht en in §3 een beschrijving gegeven van de fiscale context. In §4 wordt vervolgens een aantal wijzigingen in algemene zin besproken, waarna in §5 per artikel een toelichting gegeven, zo nodig met voorbeelden.

2. Nieuwe opzet van het rechtspositiebesluit

Met het besluit en de regeling is beoogd de rechtspositie van de decentrale politieke ambtsdragers in de verschillende bestuurslagen zo veel mogelijk te harmoniseren. Ook bij toekomstige wijzigingen zal een zo veel mogelijk geharmoniseerde rechtspositie een belangrijk uitgangspunt blijven. Onderlinge vergelijkbaarheid is daarbij essentieel, ook al is deze niet per se van belang voor individuele gebruikers van het besluit. Daarom is gezocht naar een opzet en wijze van nummering die dit vergemakkelijkt.

Gekozen is voor een indeling van het besluit in afzonderlijke hoofdstukken per bestuurslaag: hoofdstuk 2 betreft de provincies, hoofdstuk 3 de gemeenten en hoofdstuk 4 de waterschappen. Daarnaast is er een hoofdstuk met enkele algemene begripsbepalingen (hoofdstuk 1) en een hoofdstuk met algemene overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 5).

De hoofdstukken kennen ieder enkele algemene bepalingen en zijn verder op identieke wijze onderverdeeld in afdelingen. Er is een afdeling die betrekking heeft op de rechtspositie van de volksvertegenwoordigers, een afdeling voor de voorzitter en dagelijks bestuurders en een afdeling met bepalingen die zowel voor de volksvertegenwoordigers als voor de voorzitter en dagelijks bestuurders gelden. Daarnaast is er een afdeling die van toepassing is op externe commissieleden (waarmee bedoeld wordt leden van commissies die niet tevens lid zijn van provinciale staten, de gemeenteraad of het algemeen bestuur van een waterschap).

Gekozen is voorts voor een gelede nummering van de artikelen, waarmee direct duidelijk is in welk hoofdstuk en in welke afdeling het artikel staat. Daarmee is ook meteen helder op welke beroepsgroep het van toepassing is. De artikelnummers in het besluit bestaan meestal uit drie cijfers, in de volgorde: hoofdstuk, afdeling, artikel. Het laatste getal in een artikelnummer betreft het specifieke onderwerp. De afdelingen en artikelen in de onderscheiden hoofdstukken corresponderen met elkaar. Zo is de vergoeding bij een dienstongeval in elk hoofdstuk te vinden in de afdeling die van toepassing is op zowel de volksvertegenwoordigers als de voorzitter en de dagelijks bestuurders, en wel in de artikelen 2.3.6, 3.3.6 en 4.3.6.

De meeste bepalingen zijn voor de onderscheiden bestuurslagen inhoudelijk geharmoniseerd. Verschillen kunnen zich bijvoorbeeld voordoen als de grondslag in de organieke wetten niet helemaal gelijk zijn, zoals de grondslagen voor de vergoeding van dienstreizen van volksvertegenwoordigers (artikelen 94 en 95 van de Provinciewet, 96 en 97 van de Gemeentewet en 32a van de Waterschapswet).

Sommige onderwerpen zijn niet voor alle bestuurslagen relevant. Zo kennen de gemeenten wel het fenomeen van opclassificatie maar de provincies en waterschappen niet. De opzet van het besluit en de artikelnummering leiden er daarom toe dat een aantal artikelen is voorzien van de aanduiding “leeg”. Dit zijn de artikelen 2.2 tot en met 2.4, 2.1.8, 2.2.16, 3.5, 4.2 tot en met 4.4, 4.1.8, 4.2.5, 4.2.8 en 4.2.16. Onderlinge vergelijkbaarheid is namelijk essentieel. Bovendien is het aantal “lege” artikelen beperkt en zal dit voor de individuele gebruikers naar verwachting niet tot noemenswaardige verwarring leiden.

3. Fiscale aspecten

Waterschappen zijn ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtigen (hierna: werkgever of werkgevers) ten aanzien van hun voorzitter en dagelijks bestuurders. Dit betekent dat zij de loonheffingen op het loon van hun bestuurders moeten inhouden en afdragen. Ook leden van het Algemeen Bestuur kunnen door een melding bij de fiscus door middel van een gezamenlijk verklaring van het desbetreffende lid en de inhoudende instantie, het waterschap, kiezen voor het loonbelastingregime2. Deze leden worden dan door de fiscus aangemerkt als “fictief werknemer”. Onder het begrip loon vallen ook vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen.

Werkgevers kunnen maximaal 1,2% van hun totale loonsom (de “vrije ruimte”) besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor hun werknemers, mits deze zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover deze vrije ruimte wordt overschreden, betaalt de werkgever 80% eindheffing. Deze eindheffing komt voor rekening van de werkgever en wordt dus niet ingehouden op het loon van de werknemer. Na de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel behoren de looncomponenten niet meer tot het loon van de werknemer en daarmee ook niet tot zijn verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting.

Naast deze vrije ruimte kunnen bepaalde voorzieningen, zoals bijvoorbeeld studie, onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld. Het betreft de zogenoemde “gerichte vrijstellingen”. Gerichte vrijstellingen gaan niet ten koste van de vrije ruimte, mits de desbetreffende vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen binnen de normen blijven die voor deze gerichte vrijstellingen gelden. Eventuele overschrijdingen kunnen dus wel in de vrije ruimte worden ondergebracht. Ook de gerichte vrijstellingen kunnen alleen worden toegepast als de looncomponenten zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel.

Het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel is vormvrij. Voor bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aan waterschapsbestuurders is ervoor gekozen de aanwijzing in het rechtspositiebesluit op te nemen (artikel 4.3.8). Deze aanwijzing hoeft derhalve niet meer op lokaal niveau te worden gedaan en is bindend. De Wet op loonbelasting 1964 bevat namelijk ook een gebruikelijkheidstoets: bij elke aanwijzing als eindheffingsbestanddeel van een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling moet beoordeeld worden of deze als zodanig gebruikelijk is. Bij een bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen eindheffingsbestanddeel hoeft deze beoordeling niet meer afzonderlijk plaats te vinden.

Verder is het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel ingeperkt. Verstrekkingen of terbeschikkingstellingen die niet als zodanig kunnen worden aangewezen, zijn bijvoorbeeld auto’s die ook voor privédoeleinden ter beschikking zijn gesteld. Wel kunnen vergoedingen ter compensatie van de belasting over deze verstrekkingen of terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen.

Toelichting vrije ruimte en politieke ambtsdragers

Tijdens de consultatie kwam naar voren dat het beeld leeft dat alle arbeidsvoorwaardelijke voorzieningen van het waterschap in de vrije ruimte van 1,2% van de totale loonsom van het waterschap moeten passen, omdat het waterschap anders een fiscale “boete” krijgt van 80% belastingheffing over de overschrijding. Dit beeld, en de daaraan gekoppelde zorg over die zogenaamde fiscale boete, is onjuist. Natuurlijk is het bevredigend voor het waterschap als er geen belasting behoeft te worden betaald, maar de fiscus staat buiten wat een werkgever aan voorzieningen verstrekt aan zijn werknemers. Daarbij maakt het voor de werkkostenregeling niet uit of die voorzieningen zien op politieke ambtsdragers of op ambtenaren. Fiscaal gezien zijn beide groepen werknemer3. Er is dan ook geen sprake van een boete als de grens van de vrije ruimte wordt overschreden, maar van reguliere belastingheffing. En wanneer het komt tot die belastingheffing, leidt die tot lagere kosten voor de werkgever dan bij het alternatief, bruteren.

Het lijkt erop dat dit beeld van een boete als de grens van de vrije ruimte wordt overschreden, wordt versterkt doordat er gesproken wordt van een eindheffing en omdat deze “afrekening” aan het eind van het jaar plaatsvindt. Doordat het waterschap aldus aan het eind van het jaar wordt geconfronteerd met de belastingheffing, ontstaat het gevoel bij het waterschap dat het fout heeft gehandeld. Er is echter geen sprake van een fout, maar juist van een manier om de kosten van het waterschap te verlagen. Bovendien kan dit gevoel worden tegengegaan wanneer wordt gekozen voor het gebruik van een maandelijkse voorschotnota. Dat is een soort bevoorschottingssysteem waarmee de loonheffing voorspelbaarder kan worden gemaakt. Het maandelijks voorschot kan het waterschap in overeenstemming brengen met de geschatte eindheffing na afloop van het kalenderjaar.

Ook werd tijdens de consultatie naar voren gebracht dat de vrije ruimte door de fiscus zou zijn bedoeld als 'budget' voor alle medewerkers bij het waterschap. Dit is een onjuiste stelling. De wetgever bepaalt in het kader van de werkkostenregeling namelijk niet welk pakket de werkgever moet aanbieden aan aangewezen voorzieningen. En de berekening van de vrije ruimte is gebaseerd op de totale loonsom van het waterschap; dus die van ambtenaren en politieke ambtsdragers tezamen. De vrije ruimte kan dus worden gebruikt voor zowel ambtenaren als politieke ambtsdragers.

Doordat in het rechtspositiebesluit veel voorzieningen voor de politieke ambtsdragers, om de hierboven genoemde redenen, als eindheffingsbestanddeel zijn aangewezen, werd weleens de conclusie getrokken dat het grootste gedeelte van de vrije ruimte wordt opgesoupeerd door de politieke ambtsdragers waardoor weinig ruimte meer resteert voor de ambtenaren van het waterschap. Die conclusie berust echter op een onjuiste vooronderstelling. De fiscus bepaalt namelijk niet wat er beschikbaar is voor de werkgever; de fiscus kijkt voor de loonheffing uitsluitend welk totaalbedrag aan voorzieningen voor ambtenaren en politieke ambtsdragers gezamenlijk resteert boven de forfaitaire vrijstelling van 1,2% van de totale loonsom. Aangezien het totaal van de voorzieningen voor zowel ambtenaren als politieke ambtsdragers niet verandert, en dus ook niet het totaal van de vereiste belastingafdracht, is er enkel sprake van een “waterbedeffect”: welk deel van de vrije ruimte deelt het waterschap als werkgever toe aan ambtenaren en welk deel aan politieke ambtsdragers?

En zelfs als er door het waterschap eindheffing moet worden afgedragen, is dat nog altijd goedkoper dan het alternatief, en dat is bruteren. Vóór de invoering van de werkkostenregeling werden de kostenvergoedingen als individueel toegekend belast loon aangemerkt en vervolgens gebruteerd om politieke ambtsdragers te compenseren voor de loonheffing die over de kostenvergoedingen verschuldigd was. Waar het waterschap bij het bruteren meer dan het dubbele betaalde (+108,3% bij een belastingtarief van 52%) om netto een bepaald bedrag te kunnen verstrekken, betaalt het sinds de invoering van de werkkostenregeling per 1 januari 2015 in de eindheffing 80%, en feitelijk vaak minder: het waterschap betaalt immers pas 80% belasting indien de forfaitaire vrijstelling van 1,2% van de totale fiscale loonsom wordt overschreden.

De werkkostenregeling betekent dus een besparing voor de waterschappen ten opzichte van het oude fiscale systeem van bruteren. Het niet aanwijzen van de vergoedingen en verstrekkingen aan politieke ambtsdragers zou dan ook geen lastenverlichting betekenen, maar juist een lastenverzwaring omdat vergoedingen en verstrekkingen dan weer met 108,3% moeten worden gebruteerd.

Niet bruteren is ook geen optie, omdat de verschuldigde belasting in dat geval moet worden opgebracht door de politieke ambtsdrager. Kiezen voor het alternatief van bruteren zou overigens juist de beeldvorming negatief kunnen beïnvloeden. Omdat dan het bruteren leidt tot het toekennen van hogere bedragen aan de politieke ambtsdragers dan onder de werkkostenregeling.

Een andere overweging is dat door de verplichte aanwijzing voorkomen wordt, dat er in de drie decentrale bestuurslagen structureel twee systemen van vergoedingen blijven gelden, te weten netto en gebruteerde vergoedingen. Het risico van fouten in de uitvoering is reëel en de administratieve lasten worden dan niet verminderd.

4. Algemene toelichting

Vereenvoudiging reiskostenvergoeding

Er is per 1 januari 2019 voor alle decentrale politieke ambtsdragers een reiskostenstelsel geïntroduceerd dat eenvoudiger is dan de complexe regels, die tot dan toe golden. Deze regels waren bovendien onderling afwijkend tussen de verschillende bestuurslagen, en soms ook tussen vergelijkbare functionarissen, terwijl die afwijkingen niet altijd verklaarbaar waren.

Het nieuwe reiskostenstelsel betekent een significante vermindering van de bestuurlijke lastendruk: enerzijds doordat de vergoedingen voor de verschillende decentrale politieke ambtsdragers zoveel mogelijk uniform zijn en anderzijds doordat zij beter aansluiten bij de huidige fiscale regels. De vereenvoudiging van het systeem is ook gunstig voor de individuele ambtsdrager: bij de uitvoering van het oude, complexe stelsel konden gemakkelijker fouten worden gemaakt, wat een politiek risico met zich mee kon brengen. Bij de uitvoering van het nieuwe stelsel mag worden verwacht dat er minder fouten zullen worden gemaakt, waardoor ook dit politieke risico vermindert.

Behalve de uniforme reiskostenvergoeding is in het onderhavige besluit ook geregeld onder welke voorwaarden auto’s ter beschikking kunnen worden gesteld aan voorzitters en dagelijks bestuurders (dienstauto’s of leaseauto’s). Hierop wordt specifiek ingegaan in §5, in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.2.10.

De kosten van openbaar vervoer worden, net als voorheen, geheel vergoed. Wat onder openbaar vervoer wordt verstaan, is gedefinieerd in artikel 1.1 van de regeling. De omschrijving van het begrip is ontleend aan artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met toevoeging van de veerpont en de veerboot.

Een taxi valt niet onder het begrip “openbaar vervoer”. Evenals onder het oude regime worden de kosten van een taxi dus niet vergoed. Er is bewust afgezien van een specifieke bepaling om de vergoeding van taxikosten wel mogelijk te maken. Het risico op politieke discussie bij juist deze kostensoort is namelijk groot.

Wanneer een politieke ambtsdrager echter een functionele beperking heeft (bijvoorbeeld een gebroken been of blindheid), kan hem nu op grond van de onderhavige regeling wel een passende vervoersvoorziening worden geboden, bijvoorbeeld in de vorm van een taxi(vergoeding) of het voor de reis beschikbaar stellen van een dienstauto.

Onder het oude regime was het mogelijk voor ambtsdragers om gebruik te maken van gecontracteerd vervoer. Dit kan nog steeds. Hierop wordt ingegaan bij de toelichting op ter beschikking gestelde auto’s (artikel 4.2.10).

Bij gebruik van de eigen auto wordt het maximale bedrag vergoed dat een werkgever per kilometer fiscaal onbelast mag vergoeden aan een werknemer. Dat is op dit moment € 0,19 per kilometer. Binnen het waterschap hoeft dus, anders dan tot nu toe, geen rekening meer te worden gehouden met verschillende tarieven voor de verschillende politieke ambtsdragers, noch met fiscale afdrachten. Hierdoor zal de lastendruk voor waterschappen aanzienlijk afnemen.

Parkeer- veer- en tolkosten hebben, in tegenstelling tot brandstofkosten, geen relatie met het aantal afgelegde kilometers. Dit speelt vooral bij dienstreizen waarbij de route- en bestemmingsomstandigheden door de ambtsdrager minder te beïnvloeden zijn. Om deze reden is ervoor gekozen dat deze kosten bij dienstreizen door het waterschap worden vergoed.

Ingeval van woon-werkverkeer worden eventuele tol- en veergelden eveneens vergoed, maar blijven de parkeerkosten daarentegen wel voor rekening van de betrokken ambtsdrager. Enerzijds omdat betrokkene meer keuzevrijheid heeft of hij al dan niet parkeerkosten moet maken en anderzijds omdat voorkomen moet worden dat het autogebruik wordt gestimuleerd.

Naheffingsaanslagen die zijn opgelegd in verband met niet of te weinig betalen van parkeergeld worden, net zomin als parkeer- en andere boetes, uiteraard niet vergoed. Voor alle duidelijkheid is dit in de regeling uitdrukkelijk bepaald.

In hoeverre de nieuwe systematiek bij gebruik van de eigen auto voor- of nadelig is voor betrokkenen, is niet in algemene zin te zeggen. Reiskosten zijn sterk individueel bepaald.

Als gevolg van het nieuwe systeem wordt de vergoeding woon-werkverkeer voor de provinciale en gemeentelijke bestuurders verhoogd van € 0,15/km naar € 0,19/km, terwijl dit voor waterschaps-bestuurders blijft gehandhaafd op € 0,19/km. Anderzijds krijgen zij, afhankelijk van de desbetreffende regeling, tot 9 cent minder per kilometer (onbelast) bij dienstreizen. Daar staat tegenover dat dienst-reizen over het algemeen minder vaak worden gemaakt dan reizen voor woon-werkverkeer en dat op grond van de nieuwe regeling bij dienstreizen nu ook de parkeerkosten worden vergoed. Ook worden tol- en veergelden nu vergoed en zijn er meer mogelijkheden met betrekking tot de terbeschikking-stelling van auto’s.

De waarde van dit nieuwe reiskostensysteem is bovendien, zoals gezegd, niet alleen financieel. Hoe minder complex een systeem is uit te voeren, hoe minder fouten er zullen worden gemaakt. Hiermee wordt ook het daarmee soms samenhangende politieke risico sterk verminderd. Van dit administratief sterk vereenvoudigde systeem profiteren zowel de overheidsorganen als de bestuurders. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat het nieuwe reiskostensysteem onderdeel uitmaakt van een in zijn totaliteit afgewogen pakket aan arbeidsvoorwaarden.

Indexcijfers

Tot de inwerkingtreding van het nieuwe besluit werden voor de indexering van geldbedragen bepaalde indexcijfers4 gebruikt die door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn vastgesteld voor de maand september van het voorgaande kalenderjaar. In de praktijk leverde dit in zo verre problemen op, dat bij de totstandkoming van de ministeriële regeling, waarbij de bedragen werden geïndexeerd (en de aankondiging daarvan in de gebruikelijke eindejaarscirculaire), de desbetreffende indexcijfers nog niet definitief waren vastgesteld door het CBS. De voorlopige indexcijfers over de maand september worden namelijk regelmatig door het CBS bijgesteld. Dit leidde niet alleen tot onduidelijkheid en jaarlijks terugkerende verwarring in de uitvoering, maar ook tot uitkomsten die pas in het volgende jaar konden worden gecorrigeerd.

Daarom is nu aansluiting gezocht bij indexcijfers die definitief zijn. Gekozen is voor in beginsel dezelfde indexcijfers, maar dan zoals die één jaar eerder golden, dus de indexcijfers voor de maand september die vooraf is gegaan aan de maand september van het voorgaande kalenderjaar. Met andere woorden: van de maand september van het tweede voorafgaande kalenderjaar. Bovendien is de formulering van de nieuwe indexatiebepalingen verbeterd.

Overigens zijn de bedragen per 1 januari 2019 nog niet geïndexeerd volgens deze nieuwe methode. Op grond van het overgangsrecht, opgenomen in artikel 5.1 van het besluit, zijn de bedragen bij ministeriële regeling voor 2019 nog geïndexeerd volgens de oude methode. Het gaat dan dus om de procentuele wijziging van het indexcijfer dat geldt voor de maand september 2018 ten opzichte van het indexcijfer van de maand september 2017. Dit betreft de vergoedingen voor de werkzaamheden en de vergoedingen voor het bijwonen van de commissievergaderingen (artikelen 4.1.1 en 4.4.1) en de vaste onkostenvergoedingen (artikelen 4.1.6 en 4.2.6). De volgende indexeringen (per 1 januari 2020) vinden plaats bij ministeriële regeling volgens de nieuwe systematiek.

Loopbaanoriëntatie

Tot de inwerkingtreding van het besluit was er voor geen van de decentrale politieke ambtsdragers een grondslag voor vergoeding van kosten voor loopbaanoriëntatie of arbeidsmobiliteit bevorderende activiteiten tijdens het ambt. Dit was onder meer ingegeven uit integriteitsoverwegingen. Daar staat tegenover dat het wenselijk is dat politieke ambtsdragers na aftreden snel kunnen beginnen met solliciteren.

In het onderhavige besluit is daarom in artikel 4.2.11 een grondslag geïntroduceerd op basis waarvan een voorzitter of dagelijks bestuurder ten laste van het waterschap kosten kan maken voor activiteiten, cursussen, opleidingen en dergelijke die betrokkene voorbereiden op een volgende stap in de carrière, maar die géén sollicitatieactiviteiten behelzen. Dus wel een cursus “Ken u zelf”, het leren schrijven van een bedrijfsplan of een sollicitatietraining, maar geen netwerkgesprekken of outplacement. Het doel van de mobiliteit bevorderende activiteiten en loopbaanoriëntatie mag niet verder gaan dan dat betrokkene zo snel mogelijk na aftreden of ontslag een vliegende start kan maken met het daadwerkelijk solliciteren.

Dit recht geldt niet voor leden van het Algemeen Bestuur. Voor hen geldt namelijk na afloop van hun lidmaatschap geen sollicitatieplicht. Voor raadsleden in grote gemeenten vindt op dit moment een proef plaats of aan een vergelijkbare aanspraak behoefte bestaat. Afhankelijk van de uitkomst daarvan wordt bezien of deze mogelijkheid moet worden verbreed naar andere beroepsgroepen.

Het verdient aanbeveling dat de mobiliteit bevorderende activiteiten van voorzitters en dagelijks bestuurders tijdens het ambt aansluiten op die na ontslag uit het ambt. Een juridische koppeling is echter lastig tot stand te brengen, aangezien gedurende de ambtsperiode het onderhavige besluit van toepassing is, en betrokkenen in de uitkeringsperiode onder de werking vallen van de Appa. Het ontbreken van een juridische koppeling zal in de praktijk echter niet problematisch zijn. Het is aannemelijk dat in het op grond van de Appa verplichte re-integratieplan de eerdere activiteiten op het gebied van scholing, loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevordering worden meegenomen teneinde dubbelingen of ongewenst uitstel van sollicitatieactiviteiten te voorkomen. Bovendien ligt het niet voor de hand dat een uitkeringsgerechtigde dezelfde cursus nog eens wenst te doorlopen. In dit verband is het ook van belang dat het dagelijks bestuur van het waterschap hierbij zelf de regie heeft: zowel tijdens het ambt als tijdens de uitkering is het waterschap opdrachtgever.

Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU)

De bepalingen in de voormalige rechtspositiebesluiten die verband hielden met de FPU zijn niet teruggekomen. De FPU is namelijk per 1 januari 2015 vervallen.

Arbeidvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018–2020)

Net als in de voormalige rechtspositiebesluiten is een aantal geldelijke voorzieningen (waaronder de bezoldiging van voorzitters en dagelijks bestuurders) gekoppeld aan de salarisontwikkeling van het personeel in de sector Rijk. Op 13 juli 2018 is de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018–2020) tot stand gekomen. Daarin is met ingang van 1 juli 2018 een verhoging met drie procent van de salarissen van het personeel in de sector Rijk overeengekomen; per 1 juli 2019 worden die salarissen vervolgens met nog eens twee procent verhoogd en met ingang van 1 januari 2020 weer met twee procent. In het onderhavige besluit is voor wat betreft de hoogte van de bedragen van de geldelijke voorzieningen die daarvoor in aanmerking komen5, rekening gehouden met de salarisverhoging bij de sector Rijk per 1 juli 2018. De salarisverhogingen met ingang van 1 juli 2019 en per 1 januari 2020 zullen te zijner tijd bij ministeriële regeling worden verwerkt.

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is ook afgesproken om met ingang van 1 januari 2020 een individueel keuzebudget (IKB) in te voeren. Het budget bestaat uit geld en tijd. Deze elementen zijn naar wens uitwisselbaar. Het IKB zal onder meer worden opgebouwd uit de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Bepaald zal worden dat maandelijks een proportioneel deel van deze uitkeringen aan het IKB van de medewerker wordt toegevoegd. Dat betekent dat de vakantie-uitkering niet meer in mei wordt uitbetaald en dat de eindejaarsuitkering niet meer in november wordt uitbetaald.

Politieke en bestuurlijke functies zijn taakfuncties en niet zoals bij (overheids)werknemers functies met een vastgesteld aantal te werken uren per week of per jaar. Politieke ambtsdragers hebben dan ook geen vastgelegde werktijdenregeling noch de daarop gebaseerde verlofaanspraken zoals vakan-tieverlof. Een individueel keuzebudget is voor voorzitters en dagelijks bestuurders dus niet mogelijk.

Wel moet nog worden bezien welke gevolgen deze afspraken voor de sector Rijk hebben voor de uitbetaling van de vakantie- en eindejaarsuitkering voor de voorzitters en dagelijks bestuurders. Op een later moment wordt hierop teruggekomen.

Wijze van declareren

Politieke ambtsdragers krijgen een vaste onkostenvergoeding of ambtstoelage. Daarnaast kunnen op grond van het besluit bepaalde incidentele kosten worden gedeclareerd. Het declareren van die kosten geschiedt onder overlegging van bewijsstukken. Dit vereiste van overlegging van bewijsstukken geldt uiteraard niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

5. Toelichting per artikel van het besluit

Artikel 4.1

Fractievoorzitter

Uit de omschrijving van het begrip fractievoorzitter volgt dat de voorzitter van een waterschap moet hebben vastgesteld dat betrokkene deze functie vervult. Als de voorzitter vaststelt dat een fractie uit slecht één lid bestaat, is dat lid automatisch ook fractievoorzitter.

Vertrouwenscommissie, rekenkamercommissie, onderzoekscommissie

De Waterschapswet kent niet, zoals de Provinciewet en de Gemeentewet6, artikelen met betrekking tot de vertrouwenscommissie, de rekenkamerfunctie en de onderzoekscommissie, maar deze commissies bestaan in de praktijk ook bij de waterschappen. Daarom is voor deze commissies in artikel 4.1, onderdelen d, e en f, een definitie opgenomen, waarin de activiteiten van deze drie commissies op dezelfde wijze zijn omschreven als in de Provinciewet en Gemeentewet.

Commissielid

De term commissielid wordt in dit besluit alleen gebruikt voor een lid van een commissie, dat niet tevens lid is van het algemeen bestuur, dan wel een ambtenaar is die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.

Voor commissieleden gelden afzonderlijke rechtspositieregels, die zijn opgenomen in afdeling 4.4.

Ambtenaren worden soms ter ondersteuning aan een commissie toegevoegd, maar zijn daarmee geen lid van die commissie7.

De term commissielid heeft geen betrekking op leden van het algemeen bestuur die lid zijn van de vertrouwenscommissie, een onderzoekscommissie of een bijzondere commissie als bedoeld in de artikelen 4.1.2 tot en met 4.1.4.

Artikel 4.5. Totale bezoldiging dagelijks bestuur

Voor de dagelijks bestuurder van een waterschap is sinds jaren het referentiepunt de bezoldiging van een fulltime wethouder van een gemeente van 60.000 – 100.000 inwoners. Het aantal dagelijks bestuurders van een waterschap wordt vastgesteld door het desbetreffende algemeen bestuur. Daarbij bepaalt het algemeen bestuur ook de tijdbestedingsnorm (deeltijdfactor) van de dagelijks bestuurders.

Op grond van artikel 4.5, eerste lid, is het totale, door een waterschap aan zijn dagelijks bestuurders te betalen, bezoldigingsbedrag gesteld op een plafond van 300% van een voltijds bezoldigingsbedrag. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de deeltijdfactor voor een dagelijks bestuurder nooit hoger kan zijn dan 100%.

In het derde en vierde lid wordt een uitzondering gemaakt op dit plafond ingeval een dagelijks bestuurder van een waterschap lid is van het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen.

De leden van het bestuur worden gekozen uit en door de ledenvergadering. Zij worden voor een periode van drie jaar benoemd met de mogelijkheid tot eenmalige herbenoeming. Elk bestuurslid heeft een eigen portefeuille met onderwerpen en is voorzitter van één of meer commissies. Voor dagelijks bestuurders van waterschappen, die in tegenstelling tot voorzitters niet of nauwelijks voltijds zijn aangesteld, is het in de praktijk niet goed mogelijk om naast de werkzaamheden voor het waterschap ook bestuurslid van de Unie van Waterschappen te zijn. Hierbij speelt dat er binnen de waterschappen sprake is van een beperkte pool van dagelijks bestuurders waaruit kan worden geput. Dit is anders voor bijvoorbeeld de vervulling van bestuursfuncties bij de VNG. Wethouders en gedeputeerden zijn bovendien vaker voltijds benoemd of hebben een grote deeltijdfactor.

Daarom is in artikel 4.5, derde lid, bepaald dat het aantal uren dat een bestuurslid van de Unie van Waterschappen aan zijn functie besteedt, moet worden betrokken bij de vaststelling van zijn deeltijd-factor. Met andere woorden: het desbetreffende lid van het dagelijks bestuur van het waterschap moet de werkzaamheden voor de Unie binnen de (voor hem vastgestelde) totale deeltijdfactor voor het waterschap verrichten. Dit betekent echter dat er voor de werkzaamheden die door het dagelijks bestuur voor het waterschap moeten worden verricht minder (dienst)tijd beschikbaar is.

Op grond van het vierde lid van artikel 4.5 wordt daarom het deel van de bezoldiging dat kan worden toegeschreven aan de extra werkzaamheden die het bestuurslidmaatschap van de Unie met zich meebrengt, buiten beschouwing gelaten bij de toepassing van het eerste lid. In feite wordt hierdoor het bezoldigingsplafond van een waterschap van 300% tijdelijk verhoogd voor de periode dat een dagelijks bestuurder van dat waterschap in het bestuur van de Unie zitting heeft. Deze verhoging is gerelateerd aan het gemiddelde extra tijdbeslag per maand dat gemoeid is met de activiteiten van een lid van het dagelijks bestuur ten behoeve van het bestuur van de Unie.

Artikel 4.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden

Vanaf de dag van beëdiging hebben de leden van het algemeen bestuur recht op de vergoedingen die verbonden zijn aan hun functie. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 4.1.1, eerste lid; voor de onkostenvergoeding in artikel 4.1.6 eerste lid.

Een lid van het algemeen bestuur ontvangt een vergoeding voor de werkzaamheden per maand.

Voor zover iemand slechts voor een deel van een maand lid van het algemeen bestuur is, ontvangt hij de vergoeding voor de werkzaamheden voor die maand naar rato van de duur van het lidmaatschap in die maand.

De vergoeding wordt geïndexeerd. De aangepaste indexatiewijze is nader toegelicht in §4, onder “Indexcijfers”.

Het algemeen bestuur kan op grond van het vierde lid van artikel 4.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitbetaald als presentiegeld. Het gaat om maximaal 50% van de vergoeding. In een dergelijke verordening mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de volksvertegenwoordigers: een presentievergoeding geldt dan voor alle leden van het algemeen bestuur.

Artikelen 4.1.2 tot en met 4.1.4 Toelage lid vertrouwenscommissie en rekenkamerfunctie, lid onderzoekscommissie en toelage lid bijzondere commissie

Deze artikelen betreffen de toelagen voor de leden van het algemeen bestuur die lid zijn van zogenaamde “zware commissies”. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie, de rekenkamerfunctie en de onderzoekscommissie, zoals deze in artikel 4.1, onderdelen d, e en f, van het besluit specifiek zijn omschreven.

Ook is er behoefte gebleken aan een grondslag voor vergoedingen voor het werk in andere bijzondere commissies dan de drie die in artikel 4.1 zijn omschreven. Een voorbeeld daarvan is een commissie met een bijzondere opdracht die een zware belasting vormt. Een grondslag voor een vergoeding voor het werk van een dergelijke commissie is opgenomen in artikel 4.1.4 van het besluit.

De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van het algemeen bestuur. Naast de erkenning dat het werk in deze commissie meerwerk is, stelt de toelage deze leden in de gelegenheid om tijd vanuit hun hoofdfunctie beschikbaar te maken voor deze extra werkzaam- heden.

Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde drie zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, en ander-zijds de onderzoekscommissie.

Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie geldt een vast (belast) bedrag van € 120 per maand. Voor dit bedrag is gekozen omdat de voor de provincies en gemeenten vroeger geldende vergoeding voor het werk in deze zware commissies te laag werden geacht, mede gezien de erkenning dat dit meerwerk is. Voor staten- en raadsleden gold een belaste toelage van 5% van de vergoeding voor de werkzaamheden gekoppeld aan de duur van de commissie (activiteit). Dat wil zeggen dat de toelage per maand voor een statenlid circa € 58 per maand was en voor een gemeenteraadslid varieerde tussen circa € 12,50 (inwonersklasse 1) en € 117 (inwonersklasse 9). Voor een lid van het Algemeen bestuur zou harmonisering op een percentage van 5% uitkomen op circa € 25 per maand.

Het bedrag van de toelage wordt bijgesteld aan de hand van de loonontwikkelingen van het personeel in de sector Rijk.

Het werk van de onderzoekscommissie vindt in de praktijk vaak intenser en in een korter tijdsbestek plaats dan de twee andere zware commissies. Het benodigde werk kan inhoudelijk en qua belasting zodanig variëren dat de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor dat werk is overgelaten aan het algemeen bestuur. De vergoeding mag per jaar echter niet hoger zijn dan driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, van het besluit.

Aan de leden van een andere bijzondere commissie kan op dezelfde voet als de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie een vergoeding worden toegekend. Het moet dan wel gaan om een commissie die bij verordening is ingesteld ter uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden van het algemeen bestuur. Ook geldt als vereiste dat het commissiewerk een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag kent, dat die, net als de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, redelijkerwijs niet tot het reguliere werk van het lid van het algemeen bestuur geacht kan worden te behoren.

Door het verordeningsvereiste kan op lokaal niveau een algemene en politieke afweging worden gemaakt. Politieke discussie is gewenst, omdat het gaat om de vraag of een bepaalde groep leden van het algemeen bestuur aanspraak zou moeten kunnen maken op een bepaalde vergoeding; de politieke discussie gaat uitdrukkelijk niet over een declaratie van een individu.

Ook de hoogte van de toelage wordt bij verordening vastgesteld, maar is gemaximeerd op € 120 per maand. Ook hier geldt dus dat een politieke discussie vooraf gaat aan de vaststelling van een toelage. Uitkomst daarvan kan zijn dat een lager bedrag wordt gekozen dan het maximum. Het bedrag wordt, net als bij de zware commissies, naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Het maximum-bedrag dat in artikel 4.1.4, eerste lid, is genoemd, wordt eveneens aangepast aan de loonontwikkeling bij de sector Rijk.

Artikelen 4.1.5. Toelage fractievoorzitter

Het fractievoorzitterschap betekent substantieel meerwerk ten opzichte van de werklast van andere leden van het algemeen bestuur. Daarom wordt ingevolge artikel 4.1.5 aan de fractievoorzitters een toelage per maand toegekend.

De toelage bestaat uit een vast deel en een variabel deel. Het vaste deel geldt voor alle fractie-voorzitters, het variabele deel is afhankelijk van de grootte van de fractie. Het vaste deel is in het besluit bepaald op € 70 per maand. Dat bedrag wordt aangevuld met € 10 voor elk lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt (het variabele deel). De toelage is gemaximeerd op € 150 per maand. De genoemde bedragen worden aangepast aan de loonontwikkeling bij de sector Rijk.

De toelage wordt toegekend voor de duur dat de betrokkene fractievoorzitter is. De voorzitter bepaalt het begin en het einde van deze periode. Voor zover het fractievoorzitterschap in de loop van een maand begint of eindigt, wordt de toelage voor die maand naar rato van de duur van het fractie-voorzitterschap in die maand toegekend.

De toekenning van deze toelage is géén discretionaire bevoegdheid. Het is namelijk niet de bedoeling dat deze toelage onderwerp is of wordt van politieke discussie.

Door de versplintering van het politieke landschap zijn er weliswaar meer fractievoorzitters dan voorheen, maar het financiële effect daarvan voor de waterschappen wordt gemitigeerd doordat in het besluit ongeveer de helft van de maximale toelage afhankelijk is gesteld van het aantal fractieleden van de fractie waarvan betrokkene voorzitter is.

Artikel 4.1.6. Onkostenvergoeding

De leden van het algemeen bestuur ontvangen een maandelijkse onkostenvergoeding voor voorzieningen die niet zuiver functioneel zijn, noch zuiver privé. Het lid kan deze kosten betalen uit de onkostenvergoeding op grond van artikel 4.1.6. Deze onkostenvergoeding betreft een vast bedrag per maand. Wanneer de uitgaven uitstijgen boven de vaste onkostenvergoeding kunnen deze niet alsnog worden gedeclareerd. De vaste onkostenvergoeding is bedoeld voor in ieder geval de volgende kosten:

  • representatie;

  • vakliteratuur;

  • excursies;

  • bureaukosten;

  • contributies, lidmaatschappen, zoals contributies van verenigingen en regionale beroepsverbanden (anders dan beroepsverenigingen voor het ambt; daarvoor geldt in artikel 4.3.4 een specifieke vergoeding);

  • ontvangsten thuis;

  • zakelijke giften.

Betrokkenen ontvangen de onkostenvergoeding vanaf de dag van beëdiging.

De vaste onkostenvergoeding is in artikel 4.3.8 als eindheffingsbestanddeel aangewezen, zodat zij netto uitbetaald wordt.

Daarnaast kunnen leden van het algemeen bestuur op grond van artikel 4.3.3 aanspraak maken op vergoeding van kosten van bepaalde scholing en op grond van artikel 4.3.4 op vergoeding van de kosten van het lidmaatschap van een beroepsvereniging. Ook worden hen op grond van artikel 4.3.2 ICT-middelen ter beschikking gesteld. Deze kosten komen dus niet ten laste van de onkosten-vergoeding. Dit is nader beschreven in de toelichting op de genoemde artikelen.

Het bedrag van de vaste onkostenvergoeding wordt herzien aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Voor de indexering wordt uitgegaan van de CPI die geldt voor de maand september van het tweede voorgaande kalenderjaar. Dit is toegelicht in §4, onder “Indexcijfers”.

Artikel 4.1.7. Reiskostenvergoeding

In dit artikel is de grondslag neergelegd voor een (uniforme) vergoeding aan de leden van het algemeen bestuur van reiskosten die zij maken om de vergaderingen het algemeen bestuur bij te wonen (“woon-werkverkeer”) en voor de reis- en verblijfkosten voor andere reizen die zij als lid van het algemeen bestuur maken (“dienstreizen”).

Om misverstanden te voorkomen8, is in artikel 4.1.7 uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om reizen zowel binnen als buiten het waterschap. Deze grondslag is uitgewerkt in artikel 2.1 van de regeling.

De verschillende aspecten van de reiskostenvergoeding zijn verder toegelicht in §4, onder “Vereenvoudiging reiskostenvergoeding”.

Artikel 4.1.8. Loopbaanoriëntatie

Waarom dit artikel leeg is, is toegelicht in §4, onder “Loopbaanoriëntatie”.

Artikel 4.1.9. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden

Leden van het algemeen bestuur zijn vaak een significant deel van de werkweek voor het algemeen bestuur bezig en kunnen daardoor in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Leden van het algemeen bestuur hebben bovendien mogelijk niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. In artikel 4.1.9 is daarom de grondslag gecreëerd om het mogelijk te maken bij verordening te bepalen dat de leden van het algemeen bestuur een bedrag per jaar ontvangen ter hoogte van één maandbedrag van hun vergoeding voor de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.

Dit is een regeling conform die van de leden van de Eerste Kamer (artikel 10 van de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer). Voor die leden geldt weliswaar een vast bedrag per jaar als vergoeding, maar dit bedrag is vrijwel gelijk aan het bedrag van hun maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden. Door de koppeling aan het maandbedrag wordt de vergoeding automatisch geïndexeerd.

Artikel 4.1.10. Ziektekostenverzekering

De leden van het algemeen bestuur zijn niet in dienstbetrekking bij het waterschap en hebben geen werkgever. Dat betekent dat zij ook niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet. Het waterschap draagt voor leden van het algemeen bestuur derhalve geen werkgeversheffing af aan de Belastingdienst.

Voor leden van het algemeen bestuur die fictief werknemer zijn en daarom onder de loonbelasting vallen (opting in), houdt het waterschap de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in op het nettoloon van deze ambtsdragers en draagt deze af aan de Belastingdienst.

Leden van het algemeen bestuur die inkomsten genieten die de Belastingdienst aanmerkt als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden, betalen de bijdrage Zorgverzekeringswet zelf via een aanslag.

Op grond van artikel 4.1.10, eerste lid, krijgen leden van het algemeen bestuur een tegemoetkoming voor de inkomensafhankelijke bijdrage door een tegemoetkoming in de kosten van hun ziektekosten-verzekering per jaar; dit bedrag wordt op grond van het tweede lid geïndexeerd aan de hand van de salarisontwikkeling van de sector Rijk.

Artikel 4.1.11. Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering

Wanneer een lid van het algemeen bestuur een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, kan op grond van dit artikel de vergoeding voor de werkzaamheden op verzoek van het desbetreffende lid worden verlaagd. Hiermee kan worden voorkomen dat hij naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage wordt uitbetaald. De verlaging van de vergoeding voor de werkzaamheden leidt ertoe dat het totaal van uitkering en vergoeding voor de werkzaamheden op hetzelfde niveau blijft.

In artikel 3.10a van het Waterschapsbesluit was een vergelijkbare bepaling opgenomen met betrekking tot werkloosheidsregelingen. Het gaat dan om de situatie dat het lidmaatschap van het algemeen bestuur wordt gestart tijdens de duur van de werkloosheidsuitkering, omdat in de situatie dat betrokken al lid van het algemeen bestuur was vóórdat er sprake was van een werkloosheids-uitkering, het lidmaatschap van het algemeen bestuur buiten beschouwing wordt gelaten (tenzij er sprake is van een uitbreiding van de werkzaamheden als lid van het algemeen bestuur). Een dergelijke voorziening is niet langer nodig. Met de Wet werk en zekerheid is per 1 juli 2015 de urensystematiek in de Werkloosheidswet (WW) vervangen door een systeem van inkomens-verrekening. De situatie waar artikel 3.10a op zag, doet zich daarom niet meer voor.

Artikel 4.1.12. Waarneming door lid van het algemeen bestuur

Ingevolge artikel 51a, tweede lid, van de Waterschapswet wordt bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter het ambt van voorzitter waargenomen door een lid van het algemeen bestuur.

In de situatie dat deze waarneming meer dan dertig dagen duurt, wordt de vergoeding voor de werkzaamheden van dat lid van het algemeen bestuur aangevuld tot het bedrag van de bezoldiging van de voorzitter en ontvangt hij een vakantie- en een eindejaarsuitkering, alsmede (in plaats van de onkostenvergoeding als lid van het algemeen bestuur) de vaste ambtskostenvergoeding. Een en ander uiteraard met ingang van de eerste dag van vervanging en naar rato van de duur van de waarneming.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat artikel 4.2.2 van toepassing is, ingeval het ambt van voorzitter niet door een lid van het algemeen bestuur, maar door een lid van het dagelijks bestuur wordt waargenomen (artikel 51a, eerste lid, van de Waterschapswet). In artikel 4.2.14 is de rechtspositie geregeld van degene die de voorzitter waarneemt op grond van artikel 51a, derde lid, van de Waterschapswet, in de situatie dat het zittende algemene bestuur is afgetreden.

Artikel 4.1.13. Vergoeding tijdelijk ontslagen lid algemeen bestuur voor werkzaamheden en onkostenvergoeding

Leden van het algemeen bestuur hebben op grond van artikel X 10 van de Kieswet de mogelijkheid om bij zwangerschap en bevalling en bij langdurige ziekte een verzoek tot tijdelijk ontslag in te dienen. In dat geval kan een tijdelijke opvolger worden benoemd9.

Tijdelijk ontslag is geen aftreden. Het tijdelijk ontslagen lid houdt op grond van het eerste lid van artikel 4.1.13 de vergoeding voor de werkzaamheden en op grond van het tweede lid de halve onkostenvergoeding. Ook blijft het tijdelijk ontslagen lid de geldelijke aanspraak houden om voorzieningen te treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden (artikel 4.1.9), evenals de aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering (artikel 4.1.10). Tevens blijft artikel 4.1.11 van toepassing (eventuele lagere vergoeding voor de werkzaam-heden op verzoek).

Daarnaast blijven gedurende het tijdelijke ontslag de bepalingen van afdeling 4.3 van toepassing. Dat betekent dat het tijdelijk ontslagen lid van het algemeen bestuur aanspraken houdt ter zake van het stelsel bewaken en beveiligen, ICT-middelen, de vergoeding van de contributie van een beroeps-vereniging, bedrijfsgeneeskundige zorg, vergoedingen in verband met een dienstongeval en WIA-voorzieningen.

Artikel 4.2.1. Bezoldiging en uitkeringen

In dit artikel is de bezoldiging van zowel de voorzitters als van de dagelijks bestuurders geregeld. Deze bezoldiging is gekoppeld aan wijzigingen van het personeel in de sector Rijk. Verwezen wordt in dit verband naar §4, onder “Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2018-2020)”.

Artikel 4.2.2. Waarneming door dagelijks bestuurder

Indien een dagelijks bestuurder het ambt van voorzitter meer dan dertig dagen waarneemt, wordt zijn bezoldiging aangevuld tot het bedrag van de bezoldiging van een voorzitter.

Er is gekozen voor een aanvulling op de bezoldiging van de dagelijks bestuurder. In de systematiek van de voormalige rechtspositiebesluiten was er sprake van een vergoeding voor de waarneming, waarmee de desbetreffende dagelijks bestuurder tijdelijk een beperkte ABP-pensioenaanspraak opbouwde, terwijl hij als dagelijks bestuurder pensioenaanspraken op grond van de Appa heeft. Voor het aansprakenniveau maakt de nieuwe constructie geen verschil, maar zo’n beperkte ABP-pensioenaanspraak is uitvoeringstechnisch onnodig complex.

Artikel 4.2.3. Neveninkomsten

Dit artikel over de wijze van aanleveren van de inkomensgegevens is noodzakelijk in verband met de artikelen 44 en 48 van de Waterschapswet. Daarin wordt de betrokken politieke ambtsdrager die niet in deeltijd zijn ambt vervult, verplicht gesteld neveninkomsten met de bezoldiging te verrekenen overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.

Onder neveninkomsten worden verstaan alle inkomsten die betrokkene tijdens het ambt geniet uit activiteiten ten behoeve van niet-ambtsgebonden nevenfuncties, als belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.

De wijze waarop de gegevens over deze inkomsten worden verstrekt door de ambtsdrager en de gevolgen van het niet verstrekken van deze gegevens dienen te worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur. De tekst van artikel 4.2.3 is ontleend aan de artikelen 3 en 4 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer. De procedure is als volgt.

Na afloop van een kalenderjaar verstrekt de voorzitter of de dagelijks bestuurder aan de Minister van BZK, dan wel aan een aangewezen instantie, een opgave welke inkomsten daadwerkelijk over dat kalenderjaar zijn genoten. Daarna stelt de Minister van BZK, of de aangewezen instantie, het te verrekenen bedrag vast en deelt dit mee aan het betreffende dagelijks bestuur en de betreffende ambtsdrager.

Indien geen opgave van neveninkomsten door de ambtsdrager wordt ontvangen, dient de bezoldiging in beginsel te worden vastgesteld op 65%. In plaats van een opgave kan worden volstaan met een verklaring dat niet meer dan 14% van de jaarlijkse bezoldiging aan neveninkomsten is genoten, indien de neveninkomsten onder het betreffende bedrag blijven.

De voorzitter of de dagelijks bestuurder kan overigens zelf een verzoek doen om zijn neveninkomsten lopend het jaar alvast te laten korten op zijn bezoldiging. Een reden voor een dergelijk verzoek kan bij voorbeeld zijn om een groot bedrag aan terugvordering te voorkomen. Het gaat hierbij om een klein aantal personen. Daarmee is de administratieve belasting navenant gering. Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid.

Vooral ingeval van winst uit onderneming is het vaak niet mogelijk voor de politieke ambtsdrager om binnen de gestelde termijn de gegevens te genereren. Daarom is het ingevolge het zesde lid mogelijk dat betrokkene dit kan melden en aangeeft wanneer hij daartoe wel in staat denkt te zijn. De termijn waarop gegevens beschikbaar komen, blijkt in de praktijk namelijk erg divers. De politieke ambtsdrager heeft het beste inzicht in wat een redelijke termijn is voor de aanlevering.

In het achtste lid is uitdrukkelijk geregeld dat terugbetaling in termijnen mogelijk is.

De verrekenplicht geldt niet ten aanzien van een bestuurder die zijn ambt in deeltijd uitoefent. De onderhavige regeling hierover is daarom niet van toepassing op deze bestuurders. Dit is niet uitdrukkelijk bepaald, omdat deze uitzondering al geregeld is in de organieke wetten, zoals in artikel 44, zesde lid, Waterschapswet voor de leden van het dagelijks bestuur.

Artikel 4.2.4. Uitkering bij overlijden

De nabestaanden van een voorzitter of een lid van het dagelijks bestuur die tijdens zijn ambtsperiode overlijdt, ontvangen een uitkering ter grootte van drie maanden bezoldiging inclusief vakantie-uitkering.

Artikel 4.2.6. Ambtskosten

Dit artikel regelt de vaste vergoedingen voor ambtskosten voor de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur.

Ambtskosten zijn kosten voor voorzieningen die die niet zuiver functioneel zijn, noch zuiver privé. De ambtsdrager kan deze kosten betalen uit de vergoeding op grond van artikel 4.2.6. Net als de onkostenvergoeding voor volksvertegenwoordigers (artikel 4.1.6) betreft de vergoeding een vast bedrag per maand. Wanneer de uitgaven uitstijgen boven de vaste vergoeding kunnen deze niet alsnog worden gedeclareerd. De vaste vergoeding is bedoeld voor in ieder geval de volgende kosten:

  • representatie;

  • vakliteratuur;

  • excursies;

  • bureaukosten;

  • contributies voor lidmaatschappen van bijvoorbeeld regionale beroepsverbanden (anders dan beroepsverenigingen voor het ambt; daarvoor geldt in artikel 4.3.4 een specifieke vergoeding);

  • ontvangsten thuis;

  • zakelijke giften.

De ambtsdrager die de functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de vergoeding naar rato van de tijdsbestedingsnorm.

De ambtsvergoedingen zijn in artikel 4.3.8 als eindheffingsbestanddeel aangewezen, zodat zij netto moeten worden uitbetaald.

De bedragen van de vaste vergoedingen worden herzien aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Voor een toelichting op de CPI wordt verwezen naar de toelichting op artikel 4.1.6. Voor de indexering wordt uitgegaan van de CPI die geldt voor de maand september van het tweede voorgaande kalenderjaar. Dit is reeds toegelicht in §4, onder “Indexcijfers”.

Artikel 4.2.7. Kosten in verband met verhuizing voorzitter

Het woonplaatsvereiste geldt niet voor de bestuurders van de waterschappen. Voor voorzitters is het geen eis terwijl leden van het algemeen en van het dagelijks bestuur al gevestigd moeten zijn in het waterschap, omdat zij anders niet verkiesbaar zouden zijn geweest.

Als een voorzitter besluit te verhuizen naar het waterschap heeft hij aanspraak op een verhuis-kostenvergoeding conform die van de commissaris en de burgemeester.

De andere huisvestingsvoorzieningen die voor burgemeesters en commissarissen gelden, zoals de tegemoetkoming dubbele woonlasten, zijn echter niet op de voorzitter van toepassing. Aangezien die, zoals gezegd, geen woonplaatsvereiste kent, hoeft dit soort kosten niet voor rekening van het water-schap te komen. In voorkomend geval zijn die het gevolg van een in de privésfeer genomen beslissing.

In artikel 4.2 van de regeling is bepaald dat de verhuiskostenvergoeding bestaat uit een vergoeding voor het overbrengen van de inboedel en een vast bedrag voor de overige uit de verhuizing voortvloeiende kosten. Dit bedrag wordt slechts eenmaal verstrekt, ook wanneer betrokkene extra kosten maakt in verband met de verhuizing naar een tijdelijke woning. Het bedrag is vastgesteld ter hoogte van het fiscaal onbelaste maximum (thans € 7.750).

Artikel 4.2.9. Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten

Dit artikel bevat de delegatiegrondslag voor de regeling door de Minister van BZK van een (uniforme) reiskostenvergoeding voor de voorzitter en de dagelijks bestuurder. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar §4, onder “Vereenvoudiging reiskostenvergoeding”. Deze grondslag is uitgewerkt in artikel 4.6 van de regeling.

Op basis van artikel 5.1, vijfde lid, van de regeling geldt overgangsrecht voor de voorzitter. Voorzitters die op 27 maart 2019 in functie zijn, mogen eenmalig kiezen voor ofwel het nieuwe regime (kort gezegd, € 0,19 per kilometer plus vergoeding parkeer-, veer en tolgelden) of continuering van het oude regime (kort gezegd, € 0,09, € 0,15, € 0,28, € 0,33 of € 0,37 per kilometer zonder vergoeding parkeer-, veer en tolgelden) tot de dag waarop betrokkene aftreedt of wordt herbenoemd.

Voor dagelijks bestuurders is geen overgangsrecht noodzakelijk, omdat die ten tijde van de inwerkingtreding van dit artikel juist zijn benoemd of herbenoemd. Voor de dagelijks bestuurders die op grond van artikel 41, vierde lid, van de Waterschapswet na 28 maart 2019 pas aftreden op het moment dat tenminste de helft van het door het algemeen bestuur te benoemen aantal leden van het dagelijks bestuur is benoemd, doch uiterlijk drie maanden na de start van de zittingsperiode van het algemeen bestuur, geldt tot hun aftreden de oude rechtspositie. Het doel is immers om de nieuwe rechtspositie te laten gelden voor de nieuw aangetreden politieke ambtsdragers.

Artikel 4.2.10. Ter beschikking gestelde auto

In artikel 4.2.10 is bepaald dat aan de voorzitters en de dagelijks bestuurders van waterschappen een auto ter beschikking kan worden gesteld. Dit kan een dienstauto zijn, maar ook een leaseauto. Zowel in geval van een dienstauto als bij een leaseauto is sprake van een ter beschikking gestelde auto. Het financieringsarrangement kan verschillend zijn; het fiscaal regime geldt voor beide soorten auto’s onverkort.

Op grond van dit artikel kan ook een gemeenschappelijke auto ter beschikking worden gesteld. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de situatie dat een heel dagelijks bestuur gebruik maakt van de auto, of dat de leden van een dagelijks bestuur gebruik maken van gecontracteerd vervoer op afroep.

In het artikel is onderscheid gemaakt tussen het gebruik van een ter beschikking gestelde auto voor zakelijke doeleinden en het gebruik voor bestuurlijke doeleinden (derde en vierde lid). Onder zakelijk gebruik wordt verstaan het fiscaal-zakelijk gebruik. Hieronder vallen ritten voor woon-werkverkeer, dienstreizen en ritten voor ambtsgebonden (“qq-“) functies. Als bijvoorbeeld een dagelijks bestuurder zijn waterschap vertegenwoordigt en daarvoor een ter beschikking gestelde auto gebruikt, is er vanuit zijn functie als dagelijks bestuurder bezien sprake van zakelijk gebruik van die auto. Ook bij de onbezoldigde commissies en functies van de Unie van Waterschappen neemt de Belastingdienst het standpunt in dat sprake is van zakelijke ritten voor voorzitters en dagelijks bestuurders. Zij vervullen de functie omdat hun waterschap lid is van de Unie; de bestuursfunctie wordt door de functionaris van het waterschap uitgevoerd. Ook de kring van personen waaruit bestuurders van de Unie blijkens de statuten moeten voortkomen, geeft een aanknopingspunt voor dat standpunt.

Bij bestuurlijke commissies of adviescolleges zal zich echter vaker de situatie voordoen dat iemand deelneemt op grond van deskundigheid en reputatie, en niet uitsluitend als bijvoorbeeld voorzitter van een bepaald waterschap. In dat geval zal de Belastingdienst eerder aannemen dat de bezoldigde nevenfunctie, waarvan de bezoldiging niet in de waterschapskas wordt gestort, niet wordt vervuld in de hoedanigheid van het ambt, en dat er dus sprake is van een niet-zakelijke rit.

Fiscaal gezien wordt al het andere gebruik dan zakelijk gebruik voor het ambt aangemerkt als gebruik voor privédoeleinden, waarop de Regeling privégebruik auto van de werkgever (de zogenoemde bijtellingsregeling) van toepassing is.10

Bij gebruik voor bestuurlijke doeleinden gaat het voor de toepassing van het onderhavige artikel om ritten die door de fiscus weliswaar als privé worden aangemerkt, maar die de betrokken ambtsdrager maakt in het kader van bepaalde nevenfuncties die hij juist vanwege zijn hoedanigheid als politiek ambtsdrager vervult. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een functie van de voorzitter als bestuurslid van het Nederlands Watermuseum. Wanneer door het dagelijks bestuur van een waterschap (uitdrukkelijk) wordt geoordeeld dat een nevenfunctie in het belang is van het waterschap, worden de ritten die in het kader van die nevenfunctie gemaakt worden, aangemerkt als bestuurlijk. Het belang van het waterschap bij de vervulling van een nevenfunctie kan ruim zijn: ook het lidmaatschap in het bestuur van de Kring van Voorzitters van Waterschappen (KVW) kan bijvoorbeeld worden aangemerkt als zijnde in het belang van het waterschap. Het dagelijks bestuur maakt hierover steeds zelf de afweging (vijfde lid).

Bij deze afweging kan ook worden betrokken of de ter beschikking gestelde auto er één zal zijn met chauffeur of niet. De kosten van eventuele chauffeurs, zoals de personele lasten en overheadkosten, worden niet betrokken bij de fiscale bijtelling. In voorkomend geval zijn deze kosten personeelskosten ten laste van het waterschap.

Op grond van artikel 4.2.10, tweede lid, mag een ter beschikking gestelde auto voor zowel zakelijke als bestuurlijke doeleinden worden gebruikt, tenzij het een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een gecontracteerde vervoerder betreft. Dit heeft meestal tot gevolg dat voor het gebruik van de auto de bijtellingsregeling van toepassing zal zijn: gebruik voor bestuurlijke doeleinden wordt immers in het kader van de fiscale bijtellingsregeling als privégebruik aangemerkt zodra hiertoe meer dan 500 niet-zakelijke kilometer per jaar zijn gereden. Omdat het niet redelijk is dat de ambtsdrager wordt geconfronteerd met extra belasting in verband met autoritten die hij in het kader van de uitoefening van zijn functie maakt, wordt hem deze belasting op grond van het zesde lid vergoed. Daar staat tegenover dat vergoedingen die de betrokken ambtsdrager voor het gebruik van de auto uit anderen hoofde ontvangt, ten goede komen aan het waterschap (zevende lid).

In het vijfde lid is geregeld dat het dagelijks bestuur kan besluiten dat een ter beschikking gestelde auto ook privé (althans voor andere doeleinden dan zakelijke of bestuurlijke) mag worden gebruikt. Dit geldt echter niet voor gemeenschappelijke auto’s en gecontracteerd vervoer. Voor het privégebruik van een ter beschikking gestelde auto moet de ambtsdrager een maandelijkse bijdrage aan het water-schap betalen (achtste lid). Bovendien wordt hem de belasting via de bijtellingsregeling niet vergoed. Wel mogen de kosten van de maandelijkse bijdrage voor het privégebruik van de auto in mindering worden gebracht op de fiscale bijtelling. Bovendien mag hij eventuele vergoedingen van derden voor het gebruik van de auto in dat geval zelf houden.

Gemeenschappelijke auto’s en gecontracteerd vervoer mogen ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel alleen ter beschikking worden gesteld voor zakelijke doeleinden. Deze beperking houdt verband met onwenselijke fiscale complicaties.11

In het negende lid is voorts geregeld dat een politiek ambtsdrager geen aanspraak kan maken op reiskostenvergoedingen (inclusief vergoeding voor woon-werkverkeer), wanneer hem (persoonlijk) een auto ter beschikking is gesteld. Als hem niet persoonlijk een auto ter beschikking is gesteld, maar hij maakt wel gebruik van een gemeenschappelijke auto of gecontracteerde auto, ontvangt hij alleen voor de desbetreffende ritten geen vergoeding (tiende lid).

Samenvattend heeft een dagelijks bestuur dus verschillende mogelijkheden als het een auto ter beschikking wil stellen aan één of meer leden van dat dagelijks bestuur. De volgende situaties worden nu onderscheiden die elk een ander rechtspositioneel gevolg hebben.

Ingeval van een auto voor één ambtsdrager zijn er drie mogelijkheden voor het gebruik:

  • uitsluitend zakelijk: geen fiscale bijtelling;

  • zakelijk en bestuurlijk: fiscale bijtelling wordt vergoed;

  • zakelijk en bestuurlijk en ”echt” privé: fiscale bijtelling wordt niet vergoed en betrokkene betaalt een eigen bijdrage per maand voor de “echte” privékilometers.

Bij gebruik van een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep is er vanwege de beschreven ongewenste fiscale consequenties voor alle betrokken gebruikers, maar één optie: uitsluitend zakelijk gebruik en daardoor dus geen bijtelling.

Artikel 4.8 van de regeling bevat nadere regels met betrekking tot de voorwaarden voor het ter beschikking stellen van een auto en het gebruik daarvan, alsmede de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage per maand ingeval van privégebruik van een ter beschikking gestelde auto.

De eigen bijdrage per maand voor een ter beschikking gestelde auto wordt als volgt berekend. Het totaal aantal in het kalenderjaar door betrokkene zuiver privé, dat wil zeggen anders dan zakelijk of bestuurlijk, in de ter beschikking gestelde auto verreden kilometers wordt gedeeld door het totaal in het kalenderjaar in de ter beschikking gestelde auto gereden kilometers. Het resultaat hiervan wordt vermenigvuldigd met het totaalbedrag van de kosten van de auto dat in het kalenderjaar ten laste van het overheidsorgaan komt, daaronder in ieder geval de kosten van afschrijving, onderhoud, brandstof en verzekering. De som daarvan wordt ten slotte gedeeld door twaalf. Deze berekening vindt zo nodig plaats op basis van nacalculatie.

Op deze wijze is de uitkomst gerelateerd aan het precieze aantal kilometers dat door betrokkene zuiver privé in de ter beschikking gestelde auto is verreden. De bijdrage is via de koppeling aan de kosten van de auto die ten laste komen van het overheidsorgaan, verbonden aan de waarde van de specifieke auto of het specifieke financiële arrangement. Omdat de uitkomst dus niet alleen afhankelijk is van het aantal verreden kilometers, maar ook van de individuele omstandigheid van auto of arrangement, kunnen bijvoorbeeld 10.000 zuivere privékilometers voor de één leiden tot een andere bijdrage dan voor een ander. Betrokkene kan hiermee rekening houden bij zijn of haar keuze voor auto of arrangement.

Het is niet mogelijk dat de ambtsdrager een deel van de aanschafwaarde van de auto, van de accessoires of van het financiële arrangement voor eigen rekening neemt. De reden hiervoor is dat de ambtsdrager geen partij is in de aanschaf. Bovendien kan de ambtsdrager in een dergelijk geval in een onderhandelingssituatie komen en dat is ongewenst. Zoals het nu is geregeld, wordt in samen-spraak tussen het waterschap en de ambtsdrager bepaald wat de kosten zijn van de ter beschikking gestelde auto.

Voor de vergoeding van parkeergelden wordt onderscheiden tussen ritten in het kader van dienstreizen enerzijds en privéritten en woon-werkverkeer anderzijds. Bij dienstreizen worden die kosten wel door het waterschap vergoed, bij privéritten en woon-werkverkeer niet. Tol- en veergelden worden wel vergoed als het dienstreizen betreft of woon-werkverkeer, maar niet bij privéritten. Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden nooit vergoed.

In beginsel zijn afzonderlijke vergoedingen voor parkeer-, tol- en veergelden belast. Deze vergoedingen worden bij de werkgever belast, omdat zij op grond van artikel 4.2.10, zesde lid, en artikel 4.3.8, onder d, van het besluit in de eindheffing worden betrokken.

Dit is uitsluitend verschillend bij zakelijke ritten: in geval van een ter beschikking gestelde auto worden parkeer-, tol- en veergelden namelijk door de fiscus aangemerkt als intermediaire kosten. Deze fiscale term wil zeggen dat het gaat om kosten die de werknemer maakt ten behoeve van de werkgever of kosten die samenhangen met het zakelijk gebruik ten behoeve van de werkgever. Deze kosten komen vanwege dit zakelijke karakter niet ten laste van de ambtsdrager maar van het water-schap.

Een rittenadministratie zal vrijwel altijd nodig zijn. Als de auto alleen zakelijk wordt gebruikt, is een rittenadministratie nodig voor de fiscus. Rittenadministratie is ook nodig als de auto tevens “echt” privé mag worden gebruikt (in die zin dat de auto ook wordt gebruikt voor ritten die noch zakelijk, noch bestuurlijk zijn). In dat geval is rittenadministratie weliswaar niet vereist voor de fiscus, maar wel voor het waterschap. Voor de berekening van de maandelijkse bijdrage die de betrokken ambtsdrager moet betalen, is namelijk van belang het aantal kilometers dat noch zakelijk, noch bestuurlijk is verreden. Hiervoor is in beginsel alleen relevant welke ritten “echt” privé zijn, maar met het oog op de controle door het waterschap zal toch een volledige rittenadministratie moeten worden bijgehouden. Wanneer de auto zowel zakelijk als bestuurlijk mag worden gebruikt, maar niet ‘privé”, is formeel geen rittenadministratie nodig, omdat in dat geval automatisch fiscale bijtelling volgt. Het is echter goed voorstelbaar dat het waterschap met het oog op de controle toch betrokkene vraagt een volledige rittenadministratie bij te houden

In het navolgende zijn vier voorbeelden uitgewerkt.

Voorbeeld 1

Voorzitter A krijgt een leaseauto die nieuw is, ter beschikking met een cataloguswaarde van € 40.000 (inclusief btw en bpm). A rijdt er 60.000 km mee in het jaar, uitsluitend zakelijk. Van deze zakelijke kilometers betreft 10.000 km woon-werkverkeer. De kosten van het leasecontract zijn € 826 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 1000 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. A heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.

Er is geen sprake van een bijtelling want alle kilometers zijn fiscaal zakelijk geweest. Alle kosten van de auto (afschrijving, onderhoud, belasting, verzekering, parkeren en tol) komen ten laste van het waterschap: in dit voorbeeld € 12.000 (12 x € 1000) plus vergoedingen parkeren en tol. Daarnaast zijn er de brandstofkosten, ook ten laste van het waterschap: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500.

Totale kosten voor het waterschap per jaar zijn: € 22.500 (12.000+10.500) plus vergoedingen parkeren en tol.

De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor A.

Voorbeeld 2

Dagelijks bestuurder B krijgt een leaseauto ter beschikking die nieuw is, met een cataloguswaarde van € 40.000 (inclusief btw en bpm). B rijdt er 60.000 km mee in het jaar, zakelijk 50.000 km, bestuurlijk 10.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 826 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 1000 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. Voor de bestuurlijke ritten ontvangt B reiskostenvergoedingen ad in totaal € 1.500. B heeft een loonbelasting-percentage van 51,95%.

Aangezien de dagelijks bestuurder meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (10.000 km bestuurlijk), krijgt betrokkene een fiscale bijtelling van € 8.800 (22% van cataloguswaarde auto ad € 40.000). Deze bijtelling leidt tot een extra belasting van € 4.571 per jaar (51,95% van € 8.800). Dit bedrag ad € 4.571 vergoedt het waterschap aan B (via de eindheffing).

Alle kosten van de auto (afschrijving, onderhoud, belasting, verzekering, parkeren en tol) komen ten laste van het waterschap: in dit voorbeeld € 12.000 (12 x € 1000) plus vergoedingen parkeren en tol. Daarnaast zijn er de brandstofkosten, ook ten laste van het waterschap: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500.

Totale kosten van het waterschap per jaar: € 27.071 (€ 4.571+12.000+10.500) plus vergoedingen parkeren en tol.

De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor B.

Het bedrag ad €1.500 dat B ontving aan reiskostenvergoedingen van derden, stort hij in de water-schapskas.

Voorbeeld 3

Voorzitter C krijgt een leaseauto ter beschikking die nieuw is, met een cataloguswaarde van € 40.000 (inclusief btw en bpm). Het dagelijks bestuur heeft bepaald dat de auto gedurende drie jaar door de voorzitter ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. Betrokkene rijdt er 60.000 km mee in het jaar, zakelijk 30.000 km, bestuurlijk 20.000 km; “echt” privé 10.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 826 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 1000 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. Voor de bestuurlijke ritten ontvangt C reiskostenvergoedingen ad in totaal € 3.000 en voor een aantal “privéritten” reiskosten-vergoedingen ad in totaal € 500. C heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.

Aangezien de voorzitter meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (20.000 km bestuurlijk en 10.000 km “echt” privé), krijgt betrokkene een fiscale bijtelling van € 8.800 (22% van cataloguswaarde auto ad € 40.000). Dit bedrag wordt echter verminderd met de eigen bijdrage die C betaalt aan het waterschap en met de brandstofkosten die kunnen worden toegerekend aan zijn privégebruik.

De eigen bijdrage ziet uitsluitend op de “echte” privékilometers en wordt als volgt berekend: (10.000/60.000) = 1/6 * € 1000 per maand (eigenlijk € 12.000 (12*1000):12) = € 166,67 per maand of € 2.000 per jaar.

Daarnaast zijn er de brandstofkosten: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500. Ook deze worden verdeeld volgens de verdeelsleutel privékm/totaalkm. In deze casus: 1/6-5/6. C betaalt dus per jaar € 1.750 aan brandstofkosten; het waterschap € 8.750.

Een nacalculatie is van belang omdat de leaseprijs tot stand komt op basis van een aantal factoren waaronder het aantal kilometers dat met de auto daadwerkelijk wordt verreden en de leaseperiode. Het verdient aanbeveling dat het dagelijks bestuur niet alleen bepaalt dát er privékilometers mogen worden gereden maar ook aangeeft hoeveel kilometers het verwacht dat dit zullen zijn. Wanneer betrokkene namelijk inderdaad dat aantal kilometers verrijdt, maar wel meer zakelijke of bestuurlijke kilometers dan ingeschat, heeft de meerprijs aan leasekosten geen invloed op de eigen bijdrage. Rijdt betrokkene significant meer of minder, juist wel.

In dit voorbeeld is de uiteindelijke bijtelling dus: € 8.800 -/- € 2.000 -/- € 1.750 = € 5.050. De belasting over de bijtelling is € 5.050 x 51,95% = € 2.623.

Aan kosten per jaar heeft het waterschap in totaal € 18.750. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • De leasekosten ad € 12.000 (plus vergoedingen parkeren en tol);

  • Plus de totale benzinekosten ad € 10.500;

  • Minus de eigen bijdrage privégebruik van C ad € 2.000;

  • Minus de brandstofkosten privégebruik van C ad € 1.750.

De voorzitter betaalt € 6.373 per jaar of € 531,08 per maand, namelijk:

  • De belasting over de bijtelling ad € 2.623 (€ 218,58 per maand)

  • Plus de eigen bijdrage privégebruik van C ad € 2.000 (€ 166,67 per maand);

  • Plus de brandstofkosten privégebruik van C ad € 1.750 (€ 145,83 per maand).

De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor C.

Het bedrag ad € 3.000 dat de voorzitter ontving aan reiskostenvergoedingen van derden wordt in de waterschapskas gestort.

De reiskostenvergoeding ad € 500 uit hoofde van zijn privéritten behoudt C; voor die ritten heeft hij immers de eigen bijdrage betaald.

De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor C. Ook kosten voor parkeer-, veer- en tolgelden tijdens het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto blijven logischerwijs voor rekening van de voorzitter.

Voorbeeld 4

Dagelijks bestuurder D krijgt een leaseauto ter beschikking die nieuw is, met een cataloguswaarde van € 30.000 (inclusief btw en bpm). Het dagelijks bestuur heeft bepaald dat de auto door D ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. Betrokkene rijdt er 45.000 km mee in het jaar, zakelijk 30.000 km en “echt” privé 15.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 660 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 800 per maand. Brand-stof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. D heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.

Aangezien D meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (15.000 km “echt” privé), krijgt hij een fiscale bijtelling van € 6.600 (22% van cataloguswaarde auto ad € 30.000). Dit bedrag wordt echter verminderd met de eigen bijdrage die D betaalt aan het waterschap en met de brandstofkosten die kunnen worden toegerekend aan zijn privégebruik.

De eigen bijdrage ziet uitsluitend op de “echte” privékilometers en wordt als volgt berekend: (15.000/45.000) = 1/3 * € 800 per maand (eigenlijk € 9.600 (12*800) :12) = € 266,67 per maand of € 3.200 per jaar.

Daarnaast zijn er de brandstofkosten: 4.500 liter (1:10) * € 1,75 = € 7.875. Ook deze worden verdeeld volgens de verdeelsleutel privékm/totaalkm. In deze casus: 1/3-2/3. D betaalt dus per jaar € 2.625 aan brandstofkosten; het waterschap € 5.250.

In dit voorbeeld is de uiteindelijke bijtelling dus: € 6.600 -/- € 3.200 -/- € 2.625 = € 775 per jaar. De belasting over de bijtelling is € 775 x 51,95% = € 402.

Per jaar heeft het waterschap kosten van in totaal € 11.650. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • De leasekosten ad € 9.600 (plus vergoedingen parkeren en tol);

  • Plus de totale benzinekosten ad € 7.875;

  • Minus de eigen bijdrage privégebruik van D ad € 3.200;

  • Minus de brandstofkosten privégebruik van D ad € 2.625.

De dagelijks bestuurder betaalt € 6.227 per jaar of € 518,92 per maand, namelijk:

  • De belasting over de bijtelling ad € 402 per jaar ( € 33,50 per maand);

  • Plus de eigen bijdrage privégebruik van D ad € 3.200 (€ 266,67 per maand);

  • Minus de brandstofkosten privégebruik van D ad € 2.625 (€ 218,75 per maand).

De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door het waterschap en zijn voor D.

Voor opmerkingen over nacalculatie zie voorbeeld 3.

Artikel 4.2.11. Loopbaanoriëntatie

Dit artikel betreft de grondslag voor de vergoeding van loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten van de voorzitters en dagelijks bestuurders. Dit is al toegelicht in §4, onder “Loopbaanoriëntatie”.

Artikel 4.2.12. Terugkeer wegens dringende redenen

Sinds 1 juli 2014 is voor de voorzitter geregeld dat de schade wordt vergoed die hij en zijn gezinsleden hebben, indien hij uit het buitenland moet terugkeren vanwege een dringende reden. Een dringende redenen van dienstbelang betekent dat het moet gaan om crisissituaties. Dat kunnen zowel calamiteiten zijn als politieke situaties. Er geldt een marginale toets. Ook al is er geen hiërarchische verhouding met de commissaris, van de voorzitter van een waterschap wordt verwacht dat hij voor genoemde marginale toets contact opneemt met de commissaris alvorens hij ingeval van een crisis-situatie voortijdig terugkeert en de eventuele daardoor geleden schade ten laste brengt van het waterschap.

Er is bij nader inzien geen reden om het lid van het dagelijks bestuur in dit opzicht anders te behandelen. De rationale achter de schadeloosstelling voor de voorzitter is immers dezelfde als die voor het lid van het dagelijks bestuur wiens portefeuille wordt geraakt door een calamiteit. Daarom is in het besluit ook voor deze bestuurders de schadeloosstelling geregeld.

Voor de leden van het dagelijks bestuur wordt de marginale toets uitgevoerd door de voorzitter. Mogelijk brengt dit de voorzitter in een lastige positie, maar de marginale toets over de noodzaak van terugkomst laten uitvoeren door het volledige dagelijks bestuur, is niet praktisch. Er zal immers sprake zijn van een zodanige calamiteit die de portefeuille van betrokkene heeft geraakt, dat snel zal moeten worden gehandeld. Het oordeel over de hoogte van de schadevergoeding is wel (net als bij de voorzitter) een verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur.

De regeling is in het onderhavige artikel niet beperkt tot een terugroeping vanuit het buitenland. Het gaat om geleden schade doordat betrokkene snel terug moet vanwege een calamiteit of een andere dringende reden. Die schade kan ook voortvloeien uit een verblijf elders in Nederland. Daarom is nu bepaald dat het moet gaan om de schade die wordt geleden omdat betrokkene zich buiten zijn ambts-gebied bevindt.

De vraag of de terugroeping ook de met de betrokken ambtsdrager meegereisde gezinsleden kan betreffen en of de eventuele daaruit voortvloeiende schade die wordt geleden omdat betrokkene de beslissing neemt om ook die gezinsleden te repatriëren, voor rekening dient te komen van het waterschap, is erg afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval. Het is een weging van die omstandigheden of die schade aan te merken is als de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten of als de consequentie van een in de privésfeer genomen beslissing. Deze weging geschiedt door het dagelijks bestuur bij de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling.

Artikel 4.2.13. Aanspraken bij zwangerschap en bevalling en ziekte

Op grond van artikel 44 van de Provinciewet en artikel 45 van de Gemeentewet kunnen gedeputeer-den of wethouders gedurende zestien weken worden vervangen als zij wegens zwangerschap en bevalling of ziekte hun functie tijdelijk niet kunnen uitoefenen. Anders dan in de regeling voor de volksvertegenwoordigers, die bij zwangerschap of ziekte op hun verzoek tijdelijk worden ontslagen, wordt aan een zieke of zwangere bestuurder tijdelijk verlof verleend. Betrokkene wordt dus niet ontslagen. Omdat er geen sprake is van ontslag, maar van een verlofperiode, verandert de financiële rechtspositie van de vervangen bestuurder niet. Dit met uitzondering van de vaste onkostenvergoe-ing. Bij tijdelijk verlof wordt de functie niet uitgeoefend. Dit betekent dat er minder onkosten zijn. De vaste, maandelijks onkostenvergoeding ziet voor een deel op uitgaven met een doorlopend karakter. Daarom is in de artikelen 2.2.13 en 3.2.13 voor gedeputeerden en wethouders geregeld dat de onkostenvergoeding gedurende het verlof voor de helft wordt doorbetaald.

Een vergelijkbare regeling met betrekking tot zwangerschaps-, bevallings- en ziekteverlof zoals die op grond van de Provinciewet en de Gemeentewet voor gedeputeerden en wethouders van toepassing is, geldt niet voor de dagelijks bestuurders van waterschappen. Vanwege de monistische structuur van de waterschappen geldt voor hen dezelfde regeling als die voor de leden van het algemeen bestuur die niet tevens lid van het dagelijks bestuur zijn: aan hen kan op hun verzoek tijdelijk ontslag worden verleend (artikel 21 Waterschapswet), waarna zij van rechtswege tijdelijk worden vervangen. In artikel 4.2.13 van het besluit is daarom voor de wegens zwangerschap, bevalling of ziekte tijdelijk ontslagen leden van het dagelijks bestuur geregeld dat zij hun rechtspositie gedurende het tijdelijke ontslag behouden, zij het dat de vergoeding voor de ambtskosten, net als bij de zieke en zwangere gedeputeerde en wethouder, wordt gehalveerd.

Voor de voorzitter geldt geen vergelijkbare verlofregeling bij zwangerschap, bevalling en ziekte. Het ambt van voorzitter betreft namelijk een eenhoofdige taakfunctie, waar geen verlofregeling bij past. De afwezigheid van de voorzitter om deze redenen heeft geen financiële gevolge voor betrokkene, omdat die formeel in functie blijft. Dat laat onverlet dat het voor de hand ligt dat betrokkene overlegt met het algemeen bestuur wanneer om deze redenen afwezigheid noodzakelijk is. De termijnen die in de Wet arbeid en zorg gelden voor zwangerschap-, bevalling- en ouderschapsverlof, maar ook voor andere vormen van verlof, zoals adoptieverlof, kunnen hierbij als richtsnoer gelden.

Artikel 4.2.14. Vergoeding bij waarneming van de voorzitter

Dit artikel betreft de situatie waarin het ambt van voorzitter door een lid van het dagelijks bestuur wordt waargenomen. Op de desbetreffende waarnemer zijn in beginsel dezelfde rechtspositieregels van toepassing als die voor het waargenomen ambt gelden. Wel zijn hierop enkele uitzonderingen die voortvloeien uit de aard van de waarneming, te weten de bepalingen omtrent de opgave van neveninkomsten, kennisgeving bij afwezigheid, schorsing en ontslag.

Artikel 4.2.15. Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger dagelijks bestuurder

De vervanger van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap ontvangt een bedrag van € 590 naar evenredigheid van de voor hem vastgestelde deeltijdfactor. Hij ontvangt dit bedrag voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom of overlijden. Betrokkene heeft namelijk geen aanspraken op grond van de Appa. Het bedrag wordt vanaf nu geïndexeerd.

Artikel 4.2.17. Kennisgeving bij afwezigheid

Het ambt van voorzitter van een waterschap is een eenhoofdige taakfunctie, waar geen verlofregeling past. Betrokkene is in beginsel 24 uur per dag en zeven dagen per week in functie, ook wanneer hij feitelijk afwezig is, bijvoorbeeld in verband met vakantie of ziekte. Uiteraard moet hij zijn afwezigheid wel bij het dagelijks bestuur melden.

Artikel 4.2.18. Schorsing

De voorzitter kan op grond van artikel 46 van de Waterschapswet worden geschorst. In artikel 4.2.18 is bepaald dat een schorsingsbesluit in ieder geval het tijdstip van het begin van de schorsing vermeldt en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing. Daarnaast is uitdrukkelijk bepaald dat betrokkene gedurende de schorsing zijn bezoldiging en andere aanspraken behoudt en het hem niet is toegestaan de dienstgebouwen te betreden.

Artikel 4.2.19. Ontslag

De ontslagleeftijd van de voorzitter is, net als in het voormalige artikel 3.20 van het Waterschaps-besluit, gesteld op 70 jaar. Hiermee is aangesloten bij de systematiek zoals deze geldt voor de rechterlijke macht en de Hoge Colleges van Staat. Dit is vastgelegd in het tweede lid.

In het derde lid is een specifieke ontslaggrond opgenomen voor de voorzitter ingeval van ziekte. De achtergrond ervan is deze. De Ziektewet kent een termijn van twee jaar, waarbinnen een werknemer niet ontslagen kan worden wegens ziekte. Voor wat betreft de voorzitter moeten echter niet alleen de arbeidsrechtelijke aspecten, maar ook de bestuurlijke aspecten in het oog worden gehouden. De betrokken functies kunnen wel gedurende enige tijd worden vervuld door een waarnemer, maar een periode van twee jaar is bestuurlijk ongewenst. Ontslag van een voorzitter op grond van ziekte is daarom mogelijk een half jaar na de eerste dag van het ziekteverzuim, tenzij uit geneeskundig onderzoek blijkt dat herstel van zijn ziekte is te verwachten binnen een periode van een jaar na genoemde eerste verzuimdag. Deze ontslaggrond geldt overigens al sinds 2011.

Op grond van het voormalige artikel 3.21, tweede lid, van het Waterschapsbesluit bestond voor de voorzitter een zorgplicht van de Minister van BZK om ingeval van ziekte binnen zijn gezagsbereik te onderzoeken of het mogelijk was om betrokkene na zijn ontslag andere arbeid aan te bieden. De voorzitters zijn met ingang van 27 februari 2010 onder de werking van de Appa gebracht en komen sindsdien na ontslag in aanmerking voor een Appa-uitkering. Nu er een adequate andere voorziening is, was er geen reden meer om een zorgplichtbepaling in het onderhavige besluit op te nemen.

Artikel 4.3.1. Bewaken en beveiligen

Alle politieke ambtsdragers kunnen te maken krijgen met bedreigingen en geweld. Hiervoor geldt het zogenaamde Stelsel bewaken en beveiligen zoals toegelicht in brieven aan de Tweede Kamer12. In dat stelsel wordt onderscheid gemaakt tussen de verantwoordelijkheid van betrokkene zelf voor de eigen beveiliging (deugdelijk hang- en sluitwerk), de verantwoordelijkheid voor de werkgever (in dit geval het waterschap) en die van de overheid. Bij deze laatste verantwoordelijkheid moet worden gedacht aan politie-inzet en dergelijke.

De bepaling welke instrumenten in het individuele geval nodig zijn, gebeurt in principe op basis van een dreigingsanalyse. Wat de werklocatie betreft, treft het waterschap al uit hoofde van goed werkgeverschap beveiligingsmaatregelen. Afhankelijk van de kwetsbaarheid van de werklocatie of het privédomein van de ambtsdrager kan echter worden voorzien in aanvullende maatregelen. Deze kunnen zowel preventief getroffen worden als naar aanleiding van een aangifte of melding. Hiervoor is wel een dreigingsanalyse en een oordeel van de officier van justitie vereist.

In het eerste lid van artikel 4.3.1 is bepaald dat het waterschap verantwoordelijk is voor de bekostiging van voorzieningen ten behoeve van de ambtsdrager die in het Stelsel bewaken en beveiligen worden aangemerkt als werkgeverskosten.

Daarnaast kunnen op grond van het tweede lid bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor preventieve maatregelen die niet binnen de werking van het Stelsel bewaken en beveiligen kunnen worden vergoed. Het gaat hierbij om de situatie dat er geen sprake is van een acute dreiging, maar bijvoorbeeld uit een woningscan blijkt dat er veiligheidsvoorzieningen nodig zijn.

Artikel 4.3.2. Informatie- en communicatievoorzieningen

De bepalingen in de voormalige rechtspositiebesluiten gingen nog uit van een afschrijving in drie jaar van computer- en informatieapparatuur en van verschillen tussen telefoonkosten en ICT-middelen. Intussen is er fiscaal sprake van “digitaal gereedschap” waarvoor een belastingvrijstelling kan worden verkregen als de werkgever kan aantonen dat dit gereedschap noodzakelijk is voor het vervullen van het werk.

Daarom is in artikel 4.3.2 van het besluit bepaald dat het dagelijks bestuur aan alle politieke ambts-dragers van het waterschap voor de duur van hun ambt informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking stelt, daarbij inbegrepen de abonnementen, die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het ambt. Dit artikel is in overeenstemming met de nieuwe fiscale regelgeving. Aangezien de ontwikkelingen op het gebied van telefonie en ICT snel gaan, is gekozen voor een toekomstbestendige formulering.

In verband met de gewijzigde fiscale regelgeving kan digitaal gereedschap tegenwoordig belastingvrij worden verstrekt. Dit is een verbetering met de situatie hiervóór: er is een sterk verband met het vervullen van de functie en er zijn voordelen op het gebied van inkoop, onderhoud, beveiliging en gebruik. Zowel de apparatuur als de abonnementen worden centraal ingekocht en toegedeeld. Mede gezien deze voordelen is ervoor gekozen om niet meer de mogelijkheid te bieden van een vergoeding voor de aanschaf of het gebruik van de eigen ICT-middelen. Die vergoeding zou dan bovendien belast zijn, terwijl de verstrekking op grond van het besluit belastingvrij is.

De vraag is gesteld of het mogelijk is gebruikersovereenkomsten af te sluiten met betrekking tot het gebruik van ICT-middelen en afspraken te maken over eventuele overname van deze middelen aan het einde van de bestuursperiode.

Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor een gebruikers- of bruikleenovereenkomst is niet nodig. Het is aan het waterschap in hoeverre het bij de terbeschikkingstelling van de middelen nadere regels over het gebruik ervan wil stellen. Deze vrijheid gaat uiteraard niet zover dat er (geldelijke) vergoedingen kunnen worden verstrekt; het gaat om de praktische voorwaarden.

Eventuele overname van ICT-middelen aan het einde van de bestuursperiode, al dan niet tegen rest-waarde, is niet toegestaan. Dit is in lijn met het beleid voor rijksambtenaren. De overweging hierbij is, dat het risico van datalekken zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Politieke ambtsdragers hebben veel informatie op hun telefoons en andere apparatuur. Bij overname zou het waterschap hierover de regie kwijt zijn, ook als de apparaten geschoond zijn.

Artikel 4.3.3. Vergoeding kosten scholing

Voor alle decentrale politieke ambtsdragers van het waterschap is expliciet bepaald dat de kosten van niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste worden gebracht van het waterschap. Deze kosten hoeven dus niet voor eigen rekening te worden genomen of te worden betaald uit de onkostenvergoeding. Overigens kan het waterschap ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van het waterschap.

Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van het tweede lid van het artikel kan het algemeen bestuur nadere regels stellen voor de scholing van zijn leden; het dagelijks bestuur kan dit doen voor de scholing van de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur. Die regels zijn het kader waaraan individuele scholingsaanvragen moeten worden getoetst. Dit kader kan bijvoorbeeld worden vormgegeven als een scholingsplan. Hierin kunnen ook procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen alsook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Wat betreft de procedure voor scholingsaanvragen van leden van het algemeen bestuur is het denkbaar dat bepaald wordt dat het dagelijks bestuur deze (aan de hand van het daarvoor gestelde kader) beoordeelt, maar ook kan worden bepaald dat het algemeen bestuur dit doet.

Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door het waterschap in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is.

Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij, betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Om voor kostenvergoeding in aanmerking te komen, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Een door een partij verzorgde communicatie-training is bijvoorbeeld functiegericht als de gegeven lessen algemeen toepasbaar zijn; indien deze communicatietraining erop is gericht de beginselen van de partij zo effectief mogelijk uit te dragen, is zij eerder als partijpolitiek aan te merken.

Artikel 4.3.4. Beroepsvereniging

In 2014 is mogelijk gemaakt dat het waterschap de contributie vergoedt indien een politiek ambts-drager van dat waterschap in verband met de uitoefening van het ambt lid is van een beroeps-vereniging. In de praktijk bleek er onduidelijkheid te bestaan over de vraag wat een beroepsver-eniging is en wie beoordeelt of er sprake is van een beroepsvereniging: het dagelijks bestuur, het algemeen bestuur of de ambtsdrager zelf. Daarom is in het besluit deze aanspraak gepreciseerd.

Enerzijds is het begrip beroepsvereniging nader ingevuld door te bepalen dat die beroepsvereniging een voor iedere ambtsdrager van die beroepsgroep toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging moet zijn die blijkens haar statuten de deskundigheidsbevordering en/of belangenbehartiging van de functie van die beroepsgroep ten doel heeft of mede ten doel heeft.

Anderzijds is verduidelijkt dat het dagelijks bestuur bepaalt of er sprake is van een beroepsvereniging. Deze vaststelling is namelijk een uitvoeringsbeslissing. Het artikel is zodanig geformuleerd dat de aanspraak voorop staat, maar dat het dagelijks bestuur de vergoeding van de contributie kan weigeren, indien het van oordeel is dat de activiteiten van de vereniging onvoldoende invulling geven aan het omschreven doel.

Artikel 4.3.5. Bedrijfsgeneeskundige zorg

Leden van het dagelijks bestuur en leden van het algemeen bestuur konden voorheen geen aanspraak maken op bedrijfsgeneeskundige begeleiding. Bij de vervulling van een politiek ambt is er geen werkgeversrelatie met het waterschap. Ingeval van ziekte is het aan betrokkene zelf om te bepalen, al dan niet na raadpleging van een eigen arts, of de ziekte zijn functioneren zodanig beïnvloedt dat hij moet aftreden of ontslag moet nemen. Wat betreft de voorzitter en leden van het dagelijks bestuur kan het algemeen bestuur betrokkene dwingen tot ontslag of aftreden, maar dat is een ultimum remedium. Vanwege het eenhoofdige karakter van hun functie kennen de voorzitters daarnaast ook nog een procedure voor de specifieke mogelijkheid van ontslag in verband met ziekte (zie artikel 4.2.19). Maar ook voor bedrijfsgeneeskundige vragen die geen verband houden met ontslag, zoals het tegen gaan van burn-outverschijnselen of hoe te re-integreren na ziekte, waren er voor hen geen mogelijkheden.

De voorzitters konden voor de inwerkingtreding van dit besluit wel aanspraak maken op bedrijfs-geneeskundige begeleiding, maar die begeleiding was overeenkomstig de voor ambtenaren geldende voorschriften. Ook zij werden echter weleens geconfronteerd met het gegeven dat zij niet vallen onder de werkingssfeer van de begeleidingscontracten voor hun ambtenaren. Bovendien is het uitgangspunt bij dit besluit dat zo min mogelijk wordt verwezen naar ambtelijke voorzieningen.

Daarom is nu voor alle politieke ambtsdragers van de waterschappen in artikel 4.3.5 opgenomen dat het dagelijks bestuur ten laste van het waterschap een voorziening treft voor bedrijfsgeneeskundige zorg. Vanwege de variëteit aan opties en behoeften is de invulling van deze zorg aan het dagelijks bestuur gelaten. Dit kan via aansluiting bij de bedrijfsgeneeskundige zorg voor de ambtenaren van het betreffende waterschap, maar hoeft dus niet.

Artikel 4.3.6. Voorzieningen in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval

Alle politieke ambtsdragers kunnen risico’s lopen op een dienstongeval (bijvoorbeeld bij een werk-bezoek) en daarmee op een beroepsziekte of andere schade als gevolg van een dergelijk ongeval. Daarom is in het onderhavige artikel een uniforme bepaling voor alle politieke ambtsdragers van de waterschappen opgenomen, waarin is geregeld dat en op welke wijze de eventueel uit een dienst-ongeval voortvloeiende schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 4.3.7. Voorzieningen in verband met een structurele functionele beperking

De Wet arbeid en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kent voorzieningen tot bevordering van de arbeidsparticipatie van werknemers met een structurele functionele beperking. Omdat politieke ambtsdragers geen werknemer zijn in de zin van de WIA, zijn zij uitgesloten van de in die wet geregelde voorzieningen. Op grond van artikel 4.3.7 kunnen alle politieke ambtsdragers van de waterschappen met een structurele functionele beperking echter zo veel mogelijk op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als werknemers en overheidswerknemers op grond van de WIA, een aanspraak doen gelden op een (tegemoetkoming voor) een WIA-voorziening.

Voor een politieke ambtsdrager is het dus niet van belang welke systeemwet hem definieert: als een werknemer in de zin van de WIA die overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de politieke ambtsdrager, recht heeft op een bepaalde WIA-voorziening, dan heeft de politieke ambtsdrager op grond van de bepaling in het rechtspositiebesluit eveneens recht op die WIA-voorziening.

Nieuw ten opzichte van vroeger is dat in plaats van een financiële tegemoetkoming ook een voorziening in natura kan worden verstrekt door het waterschap.

Artikel 4.3.8. Eindheffingsbestanddelen

In dit artikel is een aantal vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel aangewezen. Dit is toegelicht in §3.

De verhuiskostenvergoeding, de vergoedingen voor woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten, de vergoedingen van kosten in verband met scholing en loopbaanoriëntatie en mobiliteit, de verstrekking van ICT-middelen, en de verstrekking of vergoeding van WIA-voorzieningen zijn vergoedingen of verstrekkingen waar gerichte vrijstellingen voor van toepassing zijn. Daarmee komen zij niet ten laste van de vrije ruimte.

De vergoeding voor een ziektekostenverzekering en de vergoeding van belastingheffingen, zoals over de ter beschikking gestelde auto, zijn eindheffingsbestanddelen waar geen gerichte vrijstelling voor geldt en die daarmee wel ten laste van de vrije ruimte komen.

Artikel 4.4.1. Vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen door externe commissieleden

De Waterschapswet kent geen uitdrukkelijke grondslag voor het instellen van commissies waarin ook niet-leden van het algemeen bestuur kunnen zitten, maar in de praktijk bestaan dergelijke commissies wel. Deze kunnen zowel door het Algemeen Bestuur als het Dagelijks Bestuur worden ingesteld. Zo is bij de behandeling van de Wet modernisering waterschapsbestel besloten dat aan de waterschappen zelf wordt overgelaten een rekenkamerfunctie in te stellen. Veel waterschappen hebben dan ook een rekenkamercommissie, in een aantal gevallen ook met externe leden. Daarom is in het onderhavige besluit ook voor de waterschappen een artikel opgenomen over een vergoeding voor externe commissieleden. Zie ook hierboven de toelichting bij artikel 4.1.

De hoogte van de commissievergoeding is voor de waterschappen vastgesteld op een bedrag per vergadering. Dit bedrag wordt geïndexeerd.

Er is geen bevoegdheid voor het algemeen bestuur om de commissievergoeding per vergadering naar beneden bij te stellen met een bepaald percentage of op basis van presentie van gevolgde vergaderingen.

Artikel 4.4.2. Hogere vergoeding

Het algemeen bestuur kan op basis van artikel 4.4.2 een hogere vergoeding vaststellen voor een extern commissielid vanwege zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie en indien de vergoeding op basis van artikel 4.4.1, eerste lid, niet in redelijke verhouding staat tot de taak.

Artikel 4.4.3. Reiskostenvergoeding

Aan externe commissieleden worden reiskosten vergoed voor het bijwonen van commissievergaderingen en reis- en verblijfkosten voor dienstreizen. Nadere regels zijn hiervoor in artikel 4.1 van de regeling gesteld, waarbij is aangesloten bij de algemene regels krachtens artikel 4.1.7, tweede lid van het besluit.

Artikel 4.4.4. Overige vergoedingen en voorzieningen

Ook externe commissieleden hebben aanspraak op ICT-middelen, scholing, en zo nodig op de vergoeding van bewakings- en beveiligingskosten en de kosten van het lidmaatschap van een beroepsvereniging. Ook een (vergoeding van een) noodzakelijke voorziening in verband met een structurele functionele beperking moet aan een commissielid worden verstrekt; uiteraard moet deze voorziening wel proportioneel zijn. Ten slotte heeft een dergelijk commissielid ook aanspraak op de voorzieningen in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval.

  1. Eerdere onderdelen van dit traject zijn in juni 2013 (Stb. 2013, 222) en in juni 2014 (Stb. 2014, 230) tot stand gekomen.

    ^ [1]
  2. Met een door het lid van het Algemeen bestuur en het waterschap ondertekende verklaring loonheffingen-opting-in van de Belastingdienst (https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/verklaring_loonheffing_opting_in_lh0501z9fol.pdf).

    ^ [2]
  3. Het lid van het Algemeen Bestuur is voor de Wet op de loonbelasting 1964 werknemer als er gebruik wordt gemaakt van de zogenoemde opting-in; hij of zij is dan, zoals gezegd, een zogenaamde “fictief werknemer”.

    ^ [3]
  4. Het gaat om enerzijds het consumentenprijsindexcijfer en anderzijds het indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen.

    ^ [4]
  5. Dit betreft de artikelen 4.1.2, 4.1.4, 4.1.5, 4.1.10, 4.2.1 en 4.2.15.

    ^ [5]
  6. Artikelen 61, derde lid, 79p en 151a van de Provinciewet en 61, derde lid, 81oa en 155a van de Gemeentewet.

    ^ [6]
  7. Dit betekent onder meer dat zij geen aanspraak hebben op een vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen. Deze werkzaamheden maken voor hen immers deel uit van hun reguliere werkzaamheden, waarvoor zij reeds loon ontvangen.

    ^ [7]
  8. Misverstand is mogelijk, omdat het in artikel 3.1.7 voor raadsleden alleen gaat om (dienst-)reizen buiten het grondgebied van de gemeente. De Waterschapswet kent geen beperking zoals artikel 96, in samenhang met artikel 97, van de Gemeentewet.

    ^ [8]
  9. Iedere vervangingsperiode duurt zestien weken. Al dan niet aansluitende verlenging met nog een periode van zestien weken is mogelijk. Per zittingsperiode zijn maximaal drie vervangingsperioden toegestaan.

    ^ [9]
  10. De fiscale ‘regeling privégebruik auto van de werkgever’ houdt in dat de werkgever een bedrag bij het loon van de betrokken werknemer moet tellen. Het bedrag dat bij het loon moet worden bijgeteld, is de zogenoemde bijtelling en bedraagt meestal 22% van de cataloguswaarde van de auto. Alleen wanneer het privégebruik omgerekend naar een heel kalenderjaar aantoonbaar niet meer dan 500 kilometers betreft, hoeft er geen bijtelling plaats te vinden. Als de werknemer een vergoeding aan de werkgever moet betalen voor het privégebruik, dan wordt de bijtelling verminderd met die vergoeding.

    ^ [10]
  11. In de situatie dat het hele dagelijks bestuur bijvoorbeeld een gecontracteerde taxi als dienstauto gebruikt en de taxi ook continu oproepbaar is, kan dat leiden tot de conclusie dat een auto ter beschikking is gesteld, en is de bijtellingsregeling van toepassing. Bij het incidenteel inroepen is bepalend of een werknemer (i.c. een politiek ambtsdrager) de auto kan inroepen, want dat betekent dat er sprake is van een beschikkingsrecht. Wanneer een heel dagelijks bestuur zo’n recht heeft, moeten alle leden van het dagelijks bestuur een ritten-administratie bijhouden. De bijtelling zal overigens doorgaans beperkt blijven tot de waarde van één auto per persoon, ook al staat het hele taxipark ter beschikking. Indien de hele groep over een auto kan beschikken wanneer hij dat wil, krijgt iedereen de volle bijtelling. Als bijvoorbeeld de voorzitter altijd voor gaat, heeft alleen hij het beschikkingsrecht en krijgt hij de bijtelling. Voor een dagelijks bestuurder geldt dan dat hij voor een niet-zakelijke rit voor de waarde van dat gebruik van de auto wordt belast (bijvoorbeeld een loonvoordeel geniet van € 80 voor een rit van 100 kilometer).

    ^ [11]
  12. Onder meer Kamerstukken II 2010/11, 28 684, nr. 297.

    ^ [12]
Terug naar begin van de pagina