Bestuursreglement Politieacademie

Geldend van 06-12-2018 t/m heden

Bestuursreglement Politieacademie

Artikel 1. De Politieacademie

  • 1 Er is een Politieacademie. De Politieacademie heeft rechtspersoonlijkheid.

  • 2 De Politieacademie heeft tot taak:

    • a. het ontwikkelen en verzorgen van politieonderwijs;

    • b. het ontwikkelen van kennis over de politie of de politietaak en het bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de politietaak onder meer door onderzoek zoals nader omschreven in hoofdstuk 8 van de Politiewet 2012.

Taak directeur en plaatsvervangend directeur

Artikel 2. Taakopdracht directeur

  • 1 De directeur van de Politieacademie is belast met de leiding en het beheer van de Politieacademie. Hij vertegenwoordigt de Politieacademie in en buiten rechte.

  • 2 De directeur van de Politieacademie hanteert de maatschappelijke opdracht van de Politieacademie als uitgangspunt voor het beleid ten aanzien van de uitvoering van de taken van de Politieacademie.

Artikel 3. Algemene verantwoordelijkheden directeur Politieacademie

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende verantwoordelijkheden ten aanzien van de Politieacademie:

  • 1. hij is belast met de leiding van de Politieacademie;

  • 2. hij vertegenwoordigt de Politieacademie in en buiten rechte;

  • 3. op hem rusten de verplichtingen die wet- en regelgeving opleggen aan de Politieacademie;

  • 4. hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Politieacademie;

  • 5. hij is verantwoordelijk voor de organisatie en de instandhouding van de Politieacademie;

  • 6. hij ziet toe op het functioneren van de sectorhoofden en teamchefs en bevordert de synergie tussen de sectoren en de teams;

  • 7. hij voert het overleg met de Ondernemingsraad van de Politieacademie.

Artikel 4. Taakverdeling en onderlinge werkwijze directeur – plaatsvervangend directeur

  • 1 De Politieacademie heeft een directeur en een plaatsvervangend directeur. Zij worden benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit.

  • 2 De plaatsvervangend directeur beschikt niet over eigen bevoegdheden; hij of zij oefent de bevoegdheden namens de directeur uit en stelt daarvan de directeur op de hoogte.

  • 3 De directeur en zijn plaatsvervanger komen een onderlinge taak- en portefeuilleverdeling overeen, onverminderd de verantwoordelijkheid van de directeur. Zij streven naar onderlinge consensus bij de uitoefening van hun taken; als consensus ontbreekt, beslist de directeur.

  • 4 Als de functie van directeur vacant is, dan treedt de plaatsvervangend directeur tijdelijk in diens plaats in afwachting van de benoeming van een nieuwe directeur.

  • 5 De directeur en plaatsvervangend directeur houden minimaal twee keer per maand directie-overleg en de directeur neemt ter vergadering de benodigde besluiten. Besluiten die buiten vergadering zijn genomen, worden in de eerstvolgende vergadering bekrachtigd.

  • 6 De directie-overleggen worden aan de hand van een vooraf opgestelde agenda door de directeur geleid.

Artikel 5. Nevenfuncties directeur en plaatsvervangend directeur

  • 1 De directeur en de plaatsvervangend directeur maken het voornemen tot het aanvaarden van nevenfuncties anders dan uit hoofde van hun functie schriftelijk bekend aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

  • 2 De directeur en plaatsvervangend directeur vervullen geen nevenfuncties die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun functie of de handhaving van hun onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Zij vermijden te allen tijde de schijn van belangenverstrengeling bij de uitoefening van hun functie.

  • 3 Nevenfuncties anders dan uit hoofde van hun functie worden openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt door het ter inzage leggen van een opgave van deze nevenfuncties bij de Politieacademie en bij de Minister.

Artikel 6. Taakuitoefening; advisering door Raad van Advies Politieacademie

  • 1 De Politieacademie heeft een Raad van Advies.

  • 2 De Raad van Advies van de Politieacademie adviseert de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger desgevraagd of uit eigen beweging over de taakuitvoering door de Politieacademie, in de zin van de Politiewet 2012. Daarnaast fungeert de Raad van Advies als klankbord voor de directeur en de plaatsvervangend directeur van de Politieacademie.

  • 3 De Raad van Advies stelt een reglement vast over zijn werkwijze, dat aangeeft hoe de advisering van de Raad van Advies plaatsvindt en de wijze van afstemming met de directeur en zijn plaatsvervanger.

  • 4 De directeur neemt bij zijn adviesvragen aan de Raad van Advies het reglement van de Raad van Advies in acht. De directeur van de Politieacademie verstrekt de Raad van Advies Politieacademie desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. De directeur en zijn plaatsvervanger zijn aanwezig bij de vergaderingen van de Raad van Advies.

  • 5 De directeur besteedt in het jaarverslag van de Politieacademie aandacht aan de adviezen van de Raad van Advies en aan de wijze waarop hij is omgegaan met deze adviezen.

Artikel 7. Periodiek overleg directeur Politieacademie – Korpschef – Minister

De directeur, de Korpschef en de Minister van Justitie en Veiligheid voeren ten minste viermaal per jaar overleg onder meer over:

  • het pakket van Politieonderwijs en de ontwikkelingen daarbinnen;

  • de ontwikkelingen binnen de Politie en de rol van onderwijs en onderzoek daarbij;

  • de kwaliteit van uitvoering van het Politieonderwijs;

  • de uitvoering van de Strategische Onderzoeksagenda;

  • de meerjarige en jaarlijkse onderwijsbehoefte van het Korps en van derden-afnemers;

  • de daarop gebaseerde behoefte aan mensen en middelen van de Politieacademie.

Artikel 8. Overleg Korpsleiding – Politiechefs – Directeuren Korpsstaven

De directeur onderhoudt het contact en voert periodiek overleg met:

  • de Korpsleiding;

  • de regionale Politiechefs, ook in hun hoedanigheid van landelijke portefeuillehouders;

  • de directeuren van de landelijke Korpsstaven;

  • onder meer over:

  • de kwalitatieve en kwantitatieve opleidingsbehoefte van het Korps;

  • de behoefte van de Politieacademie aan de mensen en middelen die de Korpsleiding aan de Politieacademie dient te verschaffen om haar in staat te stellen om haar taken uit te voeren;

  • en in de opleidingsbehoefte van het Korps te voorzien;

  • de samenwerking met de Politie bij het werkend leren;

  • het onderlinge samenspel tussen Korps en de Politieacademie.

  • De directeur en zijn plaatsvervanger voeren de overleggen in dit verband in de regel gezamenlijk.

Artikel 9. Politieonderwijsraad

De directeur en zijn plaatsvervanger hebben beiden als lid zitting in de Politieonderwijsraad.

Artikel 10. Inspectie Justitie en Veiligheid

  • 1 De directeur verleent de Inspectie Justitie en Veiligheid de door haar verlangde ondersteuning bij de uitoefening van haar toezicht op de kwaliteit van het Politieonderwijs en de examinering.

  • 2 De directeur onderhoudt het contact met het Hoofd van de Inspectie Justitie en Veiligheid en voert het periodiek overleg, zoals voortvloeiend uit het geldende toezichtskader van genoemde Inspectie.

Artikel 11. Strategische samenwerkingsrelaties

De directeur onderhoudt namens de Politieacademie de strategische samenwerkingsrelaties ten behoeve van gezamenlijke onderwijs- en kennisontwikkeling en -uitvoering, met name met:

  • andere onderwijs- en kennisinstellingen in het veiligheidsdomein;

  • reguliere onderwijsinstellingen (ROC’s, Hogescholen en Universiteiten) en hun landelijke koepelorganisaties;

  • buitenlandse collega instellingen voor Politieonderwijs en -onderzoek.

Hij gaat waar nodig samenwerkingsovereenkomsten met deze instellingen aan. De directeur van de Politieacademie neemt bij het aangaan van samenwerkingsovereenkomsten de daartoe in de Kaderwet ZBO’s en de Politiewet 2012 gestelde voorwaarden in acht.

De directeur is verantwoordelijk voor de relatie met alle extern belanghebbenden van de Politieacademie en neemt besluiten met inachtneming van de effecten voor externe belanghebbenden.

Bevoegdheden directeur

Artikel 12. Algemene bevoegdheden directeur Politieacademie

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende algemene bevoegdheden ten aanzien van de Politieacademie:

  • 1. hij stelt het bestuursreglement van de Politieacademie vast;

  • 2. hij stelt het inrichtingsplan van de Politieacademie vast met daarin onder meer de organisatiestructuur en formatie van de organisatie-eenheden van de Politieacademie;

  • 3. hij stelt ten minste éénmaal in de vier jaar een meerjarig beleidsplan voor de Politieacademie vast;

  • 4. hij stelt jaarlijks vóór 1 juni het jaarplan vast, waarin het meerjarig beleid is geconcretiseerd;

  • 5. hij stelt jaarlijks vóór 15 maart het jaarverslag en van de Politieacademie vast, waarin hij verantwoording aflegt over de uitvoering van de taken van de Politieacademie en de daarbij behaalde resultaten en tevens verantwoording aflegt over de inzet van de aan de Politieacademie ter beschikking gestelde sterkte en middelen;

  • 6. hij stelt jaarlijks vóór 1 april de begroting van de Politieacademie vast en legt die aan de Minister ter goedkeuring voor;

  • 7. hij legt drie tot vier keer per jaar door middel van managementrapportages verantwoording af aan de Minister over de taakuitvoering, over de uitvoering van het jaarplan en over de omvang en inzet van de sterkte en middelen die feitelijk ter beschikking zijn gesteld.

De directeur geeft relevante belanghebbenden inzicht in de realisatie van het beleid van de Politieacademie en de behaalde resultaten bij de taakuitvoering door de Politieacademie.

Artikel 13. Bevoegdheden directeur ten aanzien van het Politieonderwijs

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van het Politieonderwijs:

  • 1. hij stelt jaarlijks het onderwijsassortiment van de Politieacademie vast;

  • 2. hij zorgt voor de aanleg, het beheer en de bekendmaking van een register Politieopleidingen, waarin de relatie met de kwalificatiestructuur en de onderliggende kwalificatiedossiers van de Politieopleidingen zijn opgenomen;

  • 3. hij stelt de studieduur van de politieopleidingen vast met inachtneming van de eisen in de Politiewet 2012 ten aanzien van het opleidingsniveau;

  • 4. hij zorgt ervoor dat de politieopleidingen zodanig zijn ingericht dat de studenten de kwalificaties binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld;

  • 5. hij stelt jaarlijks een Onderwijs- en Examenregeling vast, per opleiding of groep van opleidingen, en maakt die bekend;

  • 6. hij stelt de vormgeving van de systematische kwaliteitszorg van het Politieonderwijs vast, onder meer door vaststelling en bijstelling van het kwaliteitsdossier Politieacademie;

  • 7. hij stelt de kwaliteitseisen voor het Politieonderwijs vast;

  • 8. hij ziet toe op de naleving van de kwaliteitseisen die gelden voor de leerwerkplekken van studenten en voor de begeleiding van studenten, in overleg met de Korpschef;

  • 9. hij zorgt voor een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het Politieonderwijs mede door onafhankelijke deskundigen of instellingen. Hij betrekt daarbij het Korps en de studenten.

Artikel 14. Bevoegdheden directeur ten aanzien van de examens

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van de examens van het Politieonderwijs:

  • 1. hij geeft de studenten gelegenheid een examen af te leggen;

  • 2. hij stelt de examencommissie(s) in en benoemt haar leden;

  • 3. de examencommissie reikt een diploma, deeldiploma of certificaat uit, als bewijs dat een examen met goed gevolg is afgelegd, nadat de directeur van de Politieacademie heeft verklaard dat aan de procedurele eisen voor uitreiking is voldaan;

  • 4. hij stelt een commissie van beroep voor de examens in en benoemt haar leden;

  • 5. hij stelt jaarlijks een Onderwijs- en Examenregeling vast, per opleiding of groep van opleidingen, en maakt die bekend.

Artikel 15. Bevoegdheden directeur ten aanzien van kennis en onderzoek

  • 1 De directeur stelt jaarlijks het onderzoeksprogramma van de Politieacademie vast, op basis van de door de Minister vastgestelde Strategische Onderzoeksagenda.

  • 2 De directeur stelt de vormgeving van de systematische kwaliteitszorg van het onderzoek vast.

Artikel 16. Bevoegdheden directeur Politieacademie en aanzien van personeel

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van het personeel:

  • 1. hij heeft het gezag over de medewerkers die de Korpschef aan de Politieacademie ter beschikking heeft gesteld voor de uitvoering van de Politieacademie taken en stuurt deze functioneel aan. De medewerkers leggen over hun werkzaamheden uitsluitend aan hem verantwoording af. Dit geldt zowel voor de personen die zijn aangesteld bij het korps als voor de personen die door het korps worden ingehuurd ten behoeve van de Politieacademie;

  • 2. hij heeft het recht van aanbeveling en instemming bij de selectie en aanstelling van medewerkers en het recht van instemming bij de beëindiging van het feitelijk ter beschikking stellen van medewerkers die werkzaam zijn ten behoeve van de uitvoering van taken van de Politieacademie en binnen de staf van de Politieacademie;

  • 3. hij stelt vast aan welke kwaliteitseisen deze medewerkers moeten voldoen;

  • 4. hij zorgt ervoor voor dat de medewerkers die werkzaam zijn ten behoeve van de uitvoering van de taken van de Politieacademie en binnen de staf van de Politieacademie de gelegenheid krijgen de rechten en verplichtingen na te komen die verbonden zijn aan hun aanstelling als ambtenaar van Politie;

  • 5. hij zorgt voor de behandeling van klachten over gedragingen van medewerkers die werkzaam zijn ten behoeve van de uitvoering van taken van de Politieacademie en binnen de staf van de Politieacademie.

Artikel 17. Bevoegdheden directeur Politieacademie ten aanzien het beheer

De directeur heeft, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet, onder meer de volgende bevoegdheden ten aanzien van de ondersteunende middelen en diensten die de Korpschef aan de Politieacademie ter beschikking stelt voor de uitvoering van haar taken:

  • 1. hij verstrekt jaarlijks vóór 1 april aan de Minister, in afschrift aan de Korpschef, een opgave van sterkte en middelen die de Politieacademie nodig heeft om te voorzien in de totale meerjarige behoefte aan onderwijs, kennis en onderzoek van het Korps;

  • 2. hij inventariseert jaarlijks de onderwijsbehoefte van de Koninklijke Marechaussee en de Rijksrecherche en van andere door de Minister aangewezen organisaties die een publiekrechtelijke taak uitoefenen op het terrein van politie, justitie en veiligheid, alsmede van het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN) en doet opgave van sterkte en middelen die de Politieacademie nodig heeft om te voorzien in die behoefte;

  • 3. hij geeft jaarlijks aan welke specifieke eisen op het gebied van bedrijfsvoering er zijn, die voortvloeien uit de taken van de Politieacademie en die daaraan ten dienste staan;

  • 4. hij heeft het recht van instemming bij de selectie van de middelen voor de uitvoering van de taken van de Politieacademie en bij de beëindiging van de ter beschikkingstelling daarvan.

Organisatorische inrichting en sturing Politieacademie

Artikel 18. Indeling Sectoren

De Politieacademie is onderverdeeld in de volgende sectoren:

  • Basis Politie Onderwijs (BPO);

  • Vakspecialistisch Politie Onderwijs (VPO);

  • Kennis & Onderzoek (K&O);

  • Staf.

Artikel 19. Sectorhoofden

  • 1 De sectoren BPO en VPO staat onder collegiale leiding van één of twee sectorhoofden.

  • 2 In het geval van twee sectorhoofden is de deskundigheid zowel ten aanzien van de Politie als ten aanzien van onderwijs vertegenwoordigd. In het geval van twee sectorhoofden komen zij een onderlinge taak- en portefeuilleverdeling overeen.

  • 3 De sectoren K&O en Staf staan onder leiding van één sectorhoofd.

Artikel 20. Algemene verantwoordelijkheden sectorhoofden

De sectorhoofden hebben de volgende algemene verantwoordelijkheden:

  • 1. zij zijn belast met de dagelijkse leiding van de sector;

  • 2. zij bevorderen de synergie en samenhang tussen het onderwijs, kennis en onderzoek en de stafondersteuning binnen de Politieacademie;

  • 3. zij zien toe op het functioneren van de teamchefs en bevorderen de synergie tussen de teams;

  • 4. zij maken een optimale uitvoering van het politieonderwijs in de teams mogelijk;

  • 5. zij zien toe op het functioneren van de systematische kwaliteitszorg binnen de teams;

  • 6. zij zorgen voor een samenhangende ontwikkeling van nieuw politieonderwijs op basis van behoeftestelling door de Korpschef.

Besluiten van de sectorhoofden moeten passen binnen de Politieacademie brede kaders, zoals door de directeur vastgesteld.

Artikel 21. Hoofd bedrijfsvoering Politieacademie

  • 1 Binnen de Politieacademie is een hoofd bedrijfsvoering onder het gezag van de directeur belast met het formuleren van de behoefte aan personeel, middelen en bedrijfsvoering(sdiensten) die de Politieacademie nodig heeft voor de uitvoering van haar taken. De directeur Politieacademie stelt deze behoefte vast.

  • 2 Het hoofd bedrijfsvoering onderhoudt het contact met, en voert periodiek overleg met, de relevante bedrijfsvoerings- en beleidsonderdelen van de Politie.

  • 4 Het hoofd bedrijfsvoering is onder het gezag van de directeur belast met het opstellen van de jaarlijkse verantwoording over de inzet van de aan de Politieacademie ter beschikking gestelde sterkte en middelen. De directeur Politieacademie stelt deze verantwoording vast.

Artikel 22. Jaarafspraken directeur – sectorhoofden

  • 1 De sectorhoofden en het hoofd bedrijfsvoering zijn over hun functioneren verantwoording verschuldigd aan de directeur.

  • 2 De directeur maakt jaarlijks met de sectorhoofden en met het hoofd bedrijfsvoering afspraken over de door de hen te behalen resultaten en toegewezen middelen. De sectorhoofden en het hoofd bedrijfsvoering werken daartoe het meerjarig beleidsplan en het jaarplan van de Politieacademie uit in resultaat- en werkafspraken voor de sector, vast te stellen door de directeur.

  • 3 De sectorhoofden en het hoofd bedrijfsvoering leggen gedurende het jaar verantwoording over de behaalde resultaten door middel van periodieke managementrapportages.

  • 4 De directeur voert over elke managementrapportage een managementgesprek met het sectorhoofd en het hoofd bedrijfsvoering.

Artikel 23. Management team Politieacademie

  • 1 De directeur en plaatsvervangend directeur vormen samen met de sectorhoofden en het hoofd bedrijfsvoering het Managementteam van de Politieacademie.

  • 2 Dit overleg komt op initiatief van de directeur regelmatig bij elkaar. Het overleg heeft een afstemmend, adviserend en informatief karakter en dient om de samenhang en synergie binnen de Politieacademie te bevorderen.

  • 3 De directeur oefent zijn bevoegdheden als regel uit na bespreking in het Management team Politieacademie.

  • 4 De sectorhoofden en het hoofd bedrijfsvoering dragen bij aan het beleid van de Politieacademie, onder andere aan de totstandkoming van het meerjarig beleidsplan en van het jaarplan en aan de totstandkoming van de behoeftestelling aan mensen en middelen.

Artikel 24. Indeling teams

Elke sector is onderverdeeld in teams. Het door de directeur vastgestelde inrichtingsplan van de Politieacademie bevat de verdeling in teams. De teams staan onder leiding van één of meer teamchefs.

Artikel 25. Algemene verantwoordelijkheden teamchefs

De teamchefs hebben de volgende algemene verantwoordelijkheden:

  • zij zijn resultaatsverantwoordelijk voor de kwaliteit van de taakuitvoering, waaronder de uitvoering van het onderwijs en de uitvoering van het onderzoeksprogramma;

  • zij zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling van nieuw onderwijs volgens de gestelde behoefte van het Korps;

  • zij werken samen met andere onderzoeks- en kennisinstituten bij de taakuitvoering;

  • zij werken samen met de eenheden en de landelijke portefeuillehouders bij de taakuitvoering;

  • zij meten de kwaliteit van de taakuitvoering en leggen daarover verantwoording af;

  • zij sturen de medewerkers van het team aan en dragen zorg voor hen;

  • zij dragen zorg voor de samenwerking van het team met andere teams en sectoren;

  • zij dragen bij aan de ontwikkeling en innovatie van het politievak;

  • zij dragen zorg voor de overdracht van kennis naar het politieonderwijs en de politiepraktijk.

Artikel 26. Bevoegdheden sectorhoofden en teamchefs ten aanzien van personeel en beheer

De sectorhoofden en teamchefs oefenen ten aanzien van personeel en financiën de beheersbevoegdheden uit, zoals hen zijn toegekend in de geldende mandaatregeling.

Artikel 27. Bevoegdheden sectorhoofden en teamchefs onderwijs ten aanzien van het Politieonderwijs

De bevoegdheden van sectorhoofden en teamchefs oefenen ten aanzien van het Politieonderwijs en de examinering de bevoegdheden uit, zoals toegekend in de jaarlijks door de directeur vastgestelde Onderwijs- en Examenregeling.

Artikel 28. Bevoegdheden ten aanzien van financiële middelen Politieacademie

De directeur van de Politieacademie stelt een mandaatregeling vast voor de bevoegdheid tot besteding van de (financiële) middelen die ingevolge de Politiewet 2012 in de rechtspersoon zijn ondergebracht.

Artikel 30. Inwerkingtreding

Dit reglement wordt aangehaald als: Bestuursreglement Politieacademie.

Dit reglement treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Terug naar begin van de pagina