Regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo

[Regeling vervalt per 01-01-2024.]
Geldend van 01-01-2019 t/m heden

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 22 november 2018, nr. VO/1387562, houdende regels voor het verstrekken van subsidie voor het aanbieden van extra ondersteuning voor begaafde leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 (Regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo)

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

De minister kan aan een samenwerkingsverband subsidie verstrekken om, eventueel in samenwerking met andere partijen, extra ondersteuning aan te bieden aan leerlingen met kenmerken van begaafdheid, die niet voldoende hebben aan het aanbod in het reguliere onderwijs, voor zover de extra ondersteuning niet onder de basisondersteuningsvoorzieningen valt. Onder extra ondersteuning wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het inzetten van begeleiders met expertise op het gebied van begaafdheid om het zelfregulerend vermogen van leerlingen met kenmerken van begaafdheid te vergroten;

  • b. het aanbieden van een ontwikkelomgeving die inspeelt op begaafdheidskenmerken;

  • c. het aanbieden van arrangementen voor complexe ondersteuningsbehoeften van leerlingen met kenmerken van begaafdheid;

  • d. het aanbieden van voorzieningen om de doorlopende ontwikkeling van leerlingen met kenmerken van begaafdheid te stimuleren;

  • e. het vergroten van de expertise op het gebied van begaafdheid en het faciliteren van de professionele ontwikkeling van betrokken medewerkers;

  • f. het versterken van de onderlinge samenwerking tussen scholen in de regio;

  • g. het organiseren van initiatieven om de samenwerking tussen onderwijs, zorg en andere instanties in de eigen regio en omgelegen regio’s te verbeteren; of

  • h. het structureel opnemen van complexe vraagstukken over begaafdheid als aandachtsgebied.

Artikel 4. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 in totaal € 56 miljoen beschikbaar.

Artikel 5. Verdeling beschikbare middelen en subsidiebedrag

  • 1 Het subsidieplafond, bedoeld in artikel 4, wordt verdeeld naar rato van het aantal leerlingen dat op 1 oktober 2017 ingeschreven stond binnen het samenwerkingsverband.

  • 2 Het subsidiebedrag per leerling bedraagt ten hoogste € 5,74 en ten hoogste 50 procent van de totale kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Voor de dekking van de kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt, wordt geen bijdrage van ouders gevraagd.

  • 3 De minister verdeelt het ingevolge het subsidieplafond beschikbare bedrag over de aanvragen waarover de commissie, bedoeld in artikel 7, positief heeft geadviseerd.

  • 4 Voor de toepassing van deze regeling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn het tweede en derde lid niet van toepassing en bedraagt het subsidiebedrag per leerling ten hoogste € 5,74.

Artikel 6. Subsidieaanvraag

  • 1 De aanvraag bevat een activiteitenplan en een begroting. Het activiteitenplan en de begroting hebben betrekking op activiteiten die worden uitgevoerd in een periode tussen 1 januari 2019 en 1 augustus 2023. De artikelen 3.4 en 3.5 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2 De aanvraag bevat een door alle partijen waarmee volgens de subsidieaanvraag wordt samengewerkt, getekende verklaring, waarin zij verklaren dat zij samenwerken om gezamenlijk de activiteiten uit te voeren, en voor zover van toepassing in hoeverre andere partijen bijdragen in de kosten.

  • 3 De aanvraag kan worden ingediend van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019. Aanvragen die na 31 maart 2019 worden ingediend, worden afgewezen.

  • 4 De subsidie wordt aangevraagd met het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op www.dus-i.nl.

  • 5 Voor de toepassing van deze regeling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing.

Artikel 7. Beoordeling subsidieaanvragen

  • 1 De minister beoordeelt de subsidieaanvragen aan de hand van de criteria, bedoeld in bijlage 1.

  • 2 Een door de minister in te stellen commissie adviseert de minister aan de hand van de criteria, bedoeld in bijlage 1, over de beoordeling van de subsidieaanvragen.

  • 3 De commissie adviseert positief indien zij de aanvraag ten aanzien van ten minste vier van de vijf beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage 1 als voldoende beoordeelt. Een beoordelingscriterium wordt als voldoende beoordeeld indien aan alle bijbehorende deelaspecten wordt voldaan. De aanvraag dient daarbij in ieder geval als voldoende beoordeeld te zijn ten aanzien van de volgende beoordelingscriteria: doelstelling en visie, samenwerking en draagvlak, expertiseontwikkeling en kennisdeling en haalbaarheid en duurzaamheid.

  • 4 Op verzoek van de commissie verstrekt de subsidieaanvrager aanvullende informatie over de aanvraag.

  • 5 Voor de toepassing van deze regeling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn het eerste tot en met vierde lid niet van toepassing.

Artikel 8. Subsidieverplichting

  • 1 De subsidieontvanger neemt actief deel aan het monitor- en effectonderzoek dat wordt uitgevoerd gedurende en na afloop van het subsidietraject.

  • 2 Voor de toepassing van deze regeling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 9. Besteding en vaststelling subsidie

  • 1 Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor aan het samenwerkingsverband bekostiging wordt verstrekt.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de subsidie voor de toepassing van deze regeling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden besteed aan activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

  • 3 De subsidie wordt direct vastgesteld binnen dertien weken na 31 maart 2019.

Artikel 10. Betaling

  • 1 De minister betaalt het subsidiebedrag in vier gelijke jaarlijkse termijnen. De termijnen worden uiterlijk betaald in de maand juni van de kalenderjaren 2019, 2020, 2021, respectievelijk 2022.

  • 2 In afwijking van het eerste lid vindt de betaling van de eerste termijn uiterlijk in december 2019 plaats, indien die betaling plaatsvindt naar aanleiding van een aanvraag die na 31 maart 2019 is aangevuld.

Artikel 11. Verantwoording

  • 1 In afwijking van artikel 9.1, vijfde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS geschiedt de verantwoording van de subsidie zowel bij subsidie tot € 125.000 als bij subsidie van € 125.000 of meer in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 2 De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

  • 3 De verantwoording van de subsidie voor de toepassing van deze regeling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geschiedt overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

Artikel 12. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2024.

Artikel 13. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Bijlage 1

Deze bijlage behoort bij artikel 7, eerste en tweede lid, van de Regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo.

Beoordelingskader activiteitenplan behorend bij regeling subsidie begaafde leerlingen po en vo

Hieronder worden criteria voor succes weergegeven waarop individuele subsidieaanvragen in de vorm van een activiteitenplan (zie artikel 7.2 van de regeling) zullen worden beoordeeld. Bij elk criterium wordt aangegeven wat er minimaal in de aanvraag moet worden opgenomen (randvoorwaarde) en waarop de beoordeling van de aanvragen zal plaatsvinden door de adviescommissie (zie artikel 7). De activiteitenplannen moeten op tenminste vijf van de zes criteria voor succes voldoende scoren om in aanmerking te komen voor subsidie.

Beoordelingscriteria voor succes

Deelaspect

Minimale vereiste

Scoring (onvoldoende/voldoende)

 

Beschrijving van deelaspecten waaruit het criterium is opgebouwd.

Indien in het projectvoorstel niets is opgenomen over dit aspect, zal het projectvoorstel niet worden meegenomen voor inhoudelijke beoordeling (scoring) door de adviescommissie.

Op basis hiervan worden punten gegeven door de adviescommissie (zie artikel 7.3 van de regeling). De projecten die aan alle randvoorwaarden voldoen, worden inhoudelijk beoordeeld, waarbij zij op tenminste vijf van de zes criteria voor succes voldoende moeten scoren.

1. Doelstelling en visie

Op dit deelaspect wordt een voldoende toegekend wanneer:

 

Er is een beschrijving van de doelgroep op wie het activiteitenplan betrekking heeft.

Het is duidelijk wat het samenwerkingsverband verstaat onder begaafdheid en daarmee voor welke groep(en) leerlingen het project is bedoeld (definiëring doelgroep). Daar waar mogelijk (en indien relevant) wordt dit inzichtelijk gemaakt aan de hand van leerlingkenmerken en aantallen.

De ondersteunings- en onderwijsbehoefte van de doelgroep is beschreven, c.q. in kaart gebracht.

Het is duidelijk voor wie dit project bedoeld is en wat deze leerlingen nodig hebben.

De kenmerken van begaafdheid zijn benoemd en de doelgroep is helder en duidelijk beschreven. Het is duidelijk waar de huidige ondersteunings- en onderwijsbehoefte bij de doelgroep uit bestaat. Dan wel wordt beschreven op welke wijze deze in kaart wordt gebracht.

Er is een heldere doelstelling en visie ten aanzien van het verbeteren van het ondersteunings- en onderwijsaanbod voor leerlingen met kenmerken van begaafdheid.

De doelstelling sluit aan bij de behoefte van de doelgroep en is gebaseerd op een analyse van huidige voorzieningen en (specifieke) expertise die het samenwerkingsverband vanuit de basisvoorziening biedt.

Een beschrijving van de ontwikkeling die het samenwerkingsverband (en eventuele partners) in de komende jaren wil doormaken om te komen tot een beter ondersteunings- en onderwijsaanbod voor leerlingen met kenmerken van begaafdheid.

Het is duidelijk waar het huidige ondersteunings- en onderwijsaanbod voor leerlingen met kenmerken van begaafdheid uit bestaat en in welke behoeften dit voorziet/kan voorzien.

Het is duidelijke welke (specifieke) expertise reeds aanwezig is en in welke behoefte dit voorziet.

Duidelijk is in welke mate de beschikbare expertise, het ondersteunings- en onderwijsaanbod voorziet in de behoefte van de doelgroep. Dit laat zien waar ruimte is voor verbetering en aanpassingen c.q. wat vraagt om maatregelen.

Er is een set van maatregelen gekozen die logisch volgt uit de doelstelling en de analyse.

De beoogde maatregelen zijn niet aanbod gedreven en logisch gekozen. Ze gaan uit van de kwalitatieve en kwantitatieve behoeften van de doelgroep.

De maatregelen zijn een aanvulling op het huidige aanbod en de beschikbare expertise.

Het is duidelijk welke concrete maatregelen het plan bevat. In het activiteitenplan zijn de bijbehorende activiteiten opgenomen (SMART geformuleerd).

2. Samenwerking en draagvlak

Samenwerking

Overzicht van de betrokken partijen waar het samenwerkings-verband mee samenwerkt.

Denk aan: medezeggenschap, de leerlingen, ouders, zorgpartners, gemeenten, experts, andere samenwerkings-verbanden, etc.

Het is duidelijk hoe de samenwerking van de verschillende betrokkenen georganiseerd is. Als er naast het samenwerkingsverband ook andere partijen zijn dan is duidelijk welke rol en inbreng de verschillende partijen in het project brengen.

Het is duidelijk welke partijen bij dit project betrokken zijn en welke rol en inbreng de verschillende partijen in het project brengen.

De samenstelling volgt logisch uit de doelstelling.

In het activiteitenplan is een duurzame samenwerkingsstructuur opgezet

De samenwerking tussen de partijen is zo neergezet dat deze na afloop van de subsidie kan blijven behouden.

Er is beschreven waar de interne en externe samenwerking van het samenwerkingsverband uit bestaat en hoe deze wordt vormgegeven (rollen en inbreng van de partijen).

Er zijn duidelijke en concrete afspraken gemaakt met betrekking tot taak- en verantwoordelijkheden.

Er zijn in het activiteitenplan concrete activiteiten geformuleerd met betrekking tot een duurzame samenwerking.

Draagvlak

Er is draagvlak voor het plan bij de scholen van het samenwerkings-verband en de eventuele andere betrokken partijen.

In het plan wordt het gezamenlijk belang voor de doelgroep geformuleerd.

Men laat zien hoe medezeggenschap en andere partijen blijven worden betrokken en hoe men samen investeert in het project en zich samen eigenaar toont.

Er zijn acties geformuleerd hoe het draagvlak wordt vergroot/kan worden vergroot.

3. Expertiseontwikkeling en kennisdeling

Expertise ontwikkeling

Er wordt een (duurzame) infrastructuur ontwikkeld waarin de (specifieke) kennis en expertise over het verzorgen van een passend ondersteunings- en onderwijsaanbod blijvend ontwikkeld wordt en met andere kan worden gedeeld.

In het plan wordt beschreven onder welke voorwaarden de kennis en (specifieke) expertise van betrokken blijvend ontwikkeld kunnen worden en wat daarvoor nodig is.

Voor wat betreft de professionalisering van betrokkenen uit het samenwerkingsverband en de betrokken scholen wordt gemeld hoe dit past in het HR-beleid van het samenwerkingsverband dan wel de scholen.

In het plan wordt eventueel onderzoek met betrekking tot (hoog)begaafdheid gemeld. Daarbij wordt uitgelegd wat dit betekent/kan betekenen voor de specifieke expertiseontwikkeling en voor het verbeteren van de ondersteuning- en onderwijsaanbod aan leerlingen met kenmerken van begaafdheid.

Optioneel: in het plan wordt beschreven wie, anders dan de betrokken partijen, worden ingezet bij de expertise ontwikkeling (derden partijen). Denk hierbij bijvoorbeeld aan pabo’s, lerarenopleidingen en onderzoeksinstellingen.

Er is (structureel) aandacht voor de individuele als ook de collectieve kennis- en expertiseontwikkeling van de betrokkenen (zo mogelijk is dit onderdeel van het HR beleid).

Het is duidelijk wat de betrokkenen hiervoor nodig hebben en hoe daarin wordt voorzien c.q. welke activiteiten en structuren daartoe worden ingezet

Het is duidelijke welke andere partijen eventueel betrokken zijn bij de kennis en expertise ontwikkeling en wat hun rol daarin is.

Kennisdeling

Beknopte beschrijving van de wijze waarop de kennisdeling tussen de partners en de interne kennisdeling in het samenwerkingsverband is georganiseerd en wordt gestimuleerd.

In het plan wordt beschreven op welke manier kennis en ervaringen worden gedeeld en geborgd, zodat deze niet verloren gaat. Denk hierbij aan: intervisie, bijeenkomsten voor kennisoverdracht, inhoudelijke verdieping, etc.

Het is duidelijk wie (welke partijen of betrokkenen) verantwoordelijk zijn voor de kennisdeling en welke kennisdelingsactiviteiten er plaatsvinden.

Het is ook duidelijk wat het doel is van de kennisdeling.

4. Evaluatie van de voortgang

 

Jaarlijkse evaluatie van de voortgang van het activiteitenplan.

Uit de aanvraag blijkt dat de voortgang van het plan (doelstelling, samenwerking, expertise ontwikkeling) wordt meegenomen in de evaluatie en op welke wijze de resultaten uit de evaluatie worden gebruikt.

In het activiteitenplan is beschreven hoe het samenwerkingsverband en de eventuele betrokkenen ervoor zorgen dat zij voortdurend/frequent de behoeften van de leerlingen monitoren.

Uit de aanvraag blijkt hoe jaarlijks met betrokken partijen het project wordt geëvalueerd.

Hoe de uitkomsten van de evaluatie gebruikt worden om het project te verbeteren.

Hoe expertise verder verspreid wordt binnen scholen en samenwerkingsverbanden

Uit het activiteitenplan blijkt tevens (groeiend) inzicht in de ondersteunings- en onderwijsbehoefte van de doelgroep en de daarvoor benodigde aanpassingen van het onderwijsprogramma en de organisatie van het onderwijs.

Er is aandacht voor het monitoren van de (veranderende) behoefte van de individuele leerlingen.

5. Haalbaarheid en duurzaamheid

Haalbaarheid en uitvoerbaarheid

Het activiteitenplan is uitvoerbaar en haalbaar in de tijd.

De in het activiteitenplan neergelegde doelstellingen zijn inzichtelijk gemaakt in een activiteitenplanning, waaruit ook de taakverdeling/rolverdeling tussen de betrokken partijen blijkt.

Er is een activiteitenplan met concrete activiteiten. Er is een realistisch tijdpad en taakverdeling. Bij de activiteiten zijn mijlpalen, beoogd resultaat geformuleerd. De activiteiten sluiten logisch aan op de beoogde doelstelling(en) van het activiteitenplan.

Duurzaamheid

De risico’s en beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht.

Uit het activiteitenplan blijkt dat er aandacht is besteed aan mogelijke risico’s en het monitoren van de voortgang van het project (mogelijkheden tot bijsturen).

Er is een heldere beschrijving van de risico’s.

Mogelijke maatregelen die genomen kunnen worden als een risicofactor zich voordoet zijn beschreven.

Uit het voorstel blijkt dat het project zal worden voortgezet na afloop van de subsidietermijn. De samenwerking is organisatorisch en inhoudelijk zo neergezet dat deze na afloop kan worden doorgezet.

In het activiteitenplan is inzichtelijk gemaakt hoe de samenwerking na de subsidieperiode wordt voortgezet en welke activiteiten daar gedurende de looptijd voor worden ondernomen.

Er is een heldere beschrijving van activiteiten die het samenwerkingsverband en de eventuele betrokkenen ondernemen om voortzetting na de subsidieperiode te kunnen garanderen.

Financiële duurzaamheid

Er is een financiële raming voor de periode na de subsidie.

Uit het activiteitenplan blijkt dat duurzame voortzetting van het project mogelijk is met reguliere bekostiging.

Uit de financiële raming moet blijken dat er financiële afspraken zijn gemaakt om voortzetting na afloop van de subsidieperiode te kunnen garanderen.

Terug naar begin van de pagina