Regeling energie vervoer

Geldend van 01-07-2018 t/m 30-11-2018

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 18 juni 2018, nr. IenW/BSK-2018/123399, houdende vaststelling van regels ter uitvoering van de titels 9.7 en 9.8 van de Wet milieubeheer en het Besluit energie vervoer en tot intrekking van de Regeling hernieuwbare energie vervoer 2015 en wijziging van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging (Regeling energie vervoer)

Hoofdstuk 1. Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 2

De energie-inhoud op basis van de onderste verbrandingswaarde van biobrandstof waarvoor in bijlage III bij de richtlijn hernieuwbare energie geen energie-inhoud wordt vermeld en van hernieuwbare brandstof, wordt door de inboeker aan het bestuur van de emissieautoriteit aangetoond aan de hand van bestaande gegevens of vastgesteld door een volgens ISO-/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium.

Artikel 3

  • 1 De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit alle informatie die de emissieautoriteit nodig heeft om te bepalen welke ondernemingen een jaarverplichting hebben. Hiertoe levert zij ten minste in oktober respectievelijk februari een lijst met namen van de dan bekende ondernemingen met een jaarverplichting over het betreffende respectievelijk voorafgaande kalenderjaar. Deze lijst omvat de houders van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën, geregistreerd geadresseerden voor minerale oliën en importeurs, die meer dan 500.000 liter benzine of diesel uitslaan tot verbruik als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns.

  • 2 De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit alle informatie die de emissieautoriteit nodig heeft om te bepalen of in het register de levering tot eindverbruik door ondernemingen juist en volledig is geregistreerd. Hiertoe voert de rijksbelastingdienst ten minste een gegevensanalyse uit nadat zij daartoe de benodigde gegevens heeft ontvangen van de emissieautoriteit. Ook verstrekt zij aan de emissieautoriteit risicosignalen ten aanzien van ondernemingen bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit informatie die de emissieautoriteit nodig heeft om specifieke toezicht- of handhavingsonderzoeken te doen naar ondernemingen die een rekening hebben in het register.

  • 4 De rijksbelastingdienst en het bestuur van de emissieautoriteit sluiten over de invulling van het bepaalde in dit artikel een bestuursovereenkomst. Deze bestuursovereenkomst wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

§ 2. Jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer

Artikel 4

Bij het invoeren van de hoeveelheid benzine en diesel, bedoeld in artikel 9.7.2.3, eerste lid, van de wet, vermeldt de leverancier tot eindverbruik de volgende gegevens:

  • a. soort brandstof;

  • b. periode overeenkomend met de periode van de accijnsaangifte;

  • c. volume in liters bij een temperatuur van 15 °C;

  • d. of de opgave afwijkt van de accijnsopgave en de omvang van de afwijking;

  • e. indien de opgave afwijkt van de accijnsopgave, de verklaring voor die afwijking.

Artikel 5

Teneinde aan te tonen dat de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van benzine en diesel, betrekking heeft op andere bestemmingen dan bedoeld in artikel 9.8.1.2 van de wet, overlegt de leverancier tot eindverbruik op verzoek bewijsstukken, in ieder geval een factuur en betaalbewijs waaruit dat blijkt.

§ 3. Inboeken hernieuwbare energie vervoer

Artikel 6

  • 1 De hoeveelheid vloeibare biobrandstof die wordt ingeboekt is de hoeveelheid in liters bij een temperatuur van 15 °C, dan wel de hoeveelheid in kilogram, die blijkens de massabalans van het gehanteerde duurzaamheidssysteem en de bedrijfsadministratie van de locatie van de inboeker is geleverd aan de Nederlandse markt voor vervoer.

  • 2 Voor een hoeveelheid vloeibare biobrandstof die wordt ingeboekt stelt de inboeker ten behoeve van het bestuur van de emissieautoriteit een bewijs van duurzaamheid op.

  • 3 Bij vermenging van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof met een hoeveelheid vloeibare fossiele brandstof wordt de biobrandstof bij deelleveringen uit de gemengde hoeveelheid in gelijke percentages aan die deelleveringen toegekend.

  • 4 Voor het aantonen dat een hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof is uitgeslagen tot verbruik als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns aan vervoer, voldoet de inboeker aan de in bijlage 1 genoemde eisen.

  • 5 Indien de geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof als dubbel tellend ingeboekt wordt, dan komt de aard van de grondstof van het bewijs van duurzaamheid overeen met de aard van de grondstof van de dubbeltellingverklaring.

Artikel 7

  • 1 Bij een levering van een gasvormige biobrandstof met behulp van het gastransportnet, is de hoeveelheid aan vervoer in Nederland geleverde gasvormige biobrandstof die wordt ingeboekt, de geleverde hoeveelheid gas in normaal m3 die door garanties van oorsprong vergroend wordt.

  • 2 Bij een levering van een gasvormige biobrandstof met behulp van een directe lijn, is de hoeveelheid aan vervoer in Nederland geleverde gasvormige biobrandstof die wordt ingeboekt, de geleverde hoeveelheid biogas in normaal m3 die door garanties van oorsprong voor niet-netlevering vergroend wordt.

  • 3 De geleverde hoeveelheid gas in normaal m3, bedoeld in het eerste lid, blijkt uit de meter van het bemeterde leverpunt en heeft ten minste de omvang van de hoeveelheid gasvormige biobrandstof die op de garanties van oorsprong vermeld is.

  • 4 De geleverde hoeveelheid biogas in normaal m3, bedoeld in het tweede lid, blijkt uit de meter van het bemeterde leverpunt en heeft ten minste de omvang van de hoeveelheid gasvormige biobrandstof die op de garanties van oorsprong voor niet-netlevering vermeld is.

  • 6 Voor de bepaling van de omvang in normaal m3van de garanties van oorsprong, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt de inhoud in MWh uitgedrukt in MJ en gedeeld door de bovenste verbrandingswaarde van 35,17 MJ/normaal m3.

  • 7 Indien de geleverde hoeveelheid gasvormige biobrandstof als dubbel tellend ingeboekt wordt, dan komt de aard van de grondstof van de garanties van oorsprong, bedoeld in het derde en vierde lid, overeen met de aard van de grondstof van de dubbeltellingverklaring.

Artikel 8

  • 1 De hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof die wordt ingeboekt is de hoeveelheid in liters bij een temperatuur van 15 °C die blijkens de bedrijfsadministratie van de inboeker is geleverd aan de Nederlandse markt voor vervoer.

  • 2 Voor een hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof die wordt ingeboekt is een verificatieverklaring hernieuwbare brandstof afgegeven.

  • 3 Vloeibare hernieuwbare brandstof kan worden ingeboekt door de onderneming die de brandstof geleverd heeft gekregen van de producent.

Artikel 9

De hoeveelheid aan wegvoertuigen in Nederland geleverde elektriciteit die wordt ingeboekt is de geleverde hoeveelheid in kWh die blijkt uit de meter van het bemeterd leverpunt.

Artikel 10

  • 1 De inboeker beschikt over een administratieve organisatie met maatregelen van interne beheersing die in opzet en werking waarborgen dat hij de hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare energie vervoer juist verantwoordt.

  • 2 Bij het inboeken van een hoeveelheid hernieuwbare energie vervoer vermeldt de inboeker de in bijlage 3 genoemde gegevens.

  • 3 De inboeker beschikt over bewijsstukken met betrekking tot de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 De inboeker vermeldt bij het inboeken de gegevens zoals die vermeld zijn op de bewijsstukken.

Artikel 11

  • 1 Het gedeelte van de energie-inhoud, bedoeld in artikel 9.7.4.6, derde lid, van de wet, is het door Eurostat bekend gemaakte gemiddelde aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de Europese Unie drie jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar.

Artikel 12

De importeur die een hoeveelheid vloeibare biobrandstof heeft ingeboekt, overlegt aan het bestuur van de emissieautoriteit een bewijs van aangifte accijns voor die hoeveelheid.

Artikel 13

  • 1 De voorwaarden voor de goedkeuring als duurzaamheidssysteem voor de afgifte van een bewijs dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, zijn:

    • a. de reikwijdte van het duurzaamheidssysteem omvat materialen die onder bijlage IX van de richtlijn hernieuwbare energie vallen;

    • b. het duurzaamheidssysteem beoordeelt of geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat een levering, geheel of gedeeltelijk, onder bijlage IX van de richtlijn hernieuwbare energie komt te vallen, indien de biobrandstof vervaardigd is uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen.

Artikel 15

  • 1 De verificateur hernieuwbare brandstof:

    • a. voorziet de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof van een uniek nummer dat tot hem te herleiden is;

    • b. verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit een overzicht van de door hem afgegeven en ingenomen verificatieverklaringen hernieuwbare brandstof;

    • c. controleert dat te verifiëren hoeveelheden energie en grondstoffen zijn bepaald met behulp van voldoende nauwkeurige meters.

  • 2 De verificatie en de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof voldoen aan de eisen gesteld in bijlage 6.

Artikel 16

  • 1 De dubbeltellingverificateur:

    • a. voorziet de dubbeltellingverklaring van een uniek nummer dat tot hem te herleiden is;

    • b. beheert de unieke nummers van de dubbeltellingverklaringen;

    • c. verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit een overzicht van de door hem afgegeven en ingenomen verklaringen;

    • d. controleert dat te verifiëren hoeveelheden grondstoffen en biobrandstoffen zijn bepaald met behulp van voldoende nauwkeurige meters;

    • e. controleert dat het toegepaste duurzaamheidssysteem passend is voor de gebruikte grondstof.

  • 2 De dubbeltellingverificatie en de dubbeltellingverklaring voldoen aan de eisen gesteld in bijlage 7.

Artikel 17

  • 1 De inboeker verstrekt de inboekverificatieverklaring dan wel het rapport van bevindingen langs elektronische weg aan het bestuur van de emissieautoriteit.

  • 2 De inboekverificateur vermeldt in het register het resultaat van de verificatie.

  • 3 De inboekverificatie en de inboekverificatieverklaring voldoen aan de eisen gesteld in bijlage 8.

  • 4 Het rapport van bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de norm ISAE 3000 op basis van een verificatie van alle inboekingen die ter verificatie werden aangeboden.

§ 4. Register hernieuwbare energie vervoer

Artikel 18

  • 1 Het register is toegankelijk via het internet.

  • 2 Voor de toegang tot het register wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit aangewezen inlogmiddel.

  • 3 Het bestuur van de emissieautoriteit kan de toegang tot het register opschorten indien schade is ontstaan of dreigt te ontstaan aan het register.

  • 4 Het bestuur van de emissieautoriteit neemt alle maatregelen die redelijkerwijs verwacht kunnen worden om te zorgen dat het register beschikbaar is op werkdagen van 9.00 tot 17.00 uur.

  • 5 Het bestuur van de emissieautoriteit draagt tevens zorg voor de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard die redelijkerwijs verwacht kunnen worden ter beveiliging van het register tegen verlies of aantasting van gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan.

Artikel 19

  • 1 De aanvraag voor een rekening vermeldt de gewenste faciliteiten.

  • 2 Bij de aanvraag voor een rekening verstrekt de onderneming aan het bestuur van de emissieautoriteit langs elektronische weg de volgende gegevens:

    • a. de naam, het vestigingsadres en handelsregisternummer van de onderneming;

    • b. de naam en een kleurenkopie van het geldige legitimatiebewijs van de statutair vertegenwoordigingsbevoegde van de onderneming alsmede een uittreksel uit het handelsregister waaruit de bevoegdheid blijkt;

    • c. de naam, het woonadres, het burgerservicenummer en een kleurenkopie van het geldige legitimatiebewijs van de rekeningbevoegden en fiatteurs;

    • d. het bewijs van een actieve bankrekening van de onderneming;

    • e. indien de onderneming een vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën heeft of geregistreerd geadresseerde voor minerale oliën is, de afgiftedatum, de ingangsdatum, de einddatum en het nummer van de vergunning voor de accijnsgoederenplaats, alsmede het Rechtspersonen en Samenwerkingsverbanden Informatienummer (RSIN).

  • 3 Het bestuur van de emissieautoriteit kan om een verklaring omtrent het gedrag en om waarmerking van de kleurenkopie van het legitimatiebewijs, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, verzoeken.

Artikel 20

Bij de aanvraag van een rekening met inboekfaciliteit verstrekt de onderneming aan het bestuur van de emissieautoriteit langs elektronische weg voorts de volgende gegevens, indien de onderneming:

  • a. vloeibare biobrandstof wil inboeken:

    • 1°. de naam en het vestigingsadres van de bedrijfslocaties;

    • 2°. per bedrijfslocatie de naam van het voor die locatie gehanteerde duurzaamheidssysteem of de voor die locatie gehanteerde duurzaamheidssystemen;

    • 3°. bewijs dat de bedrijfslocatie, bedoeld in sub 2, gecertificeerd is door het duurzaamheidssysteem of de duurzaamheidssystemen en dat die certificering geldig is;

    • 4°. het nummer waaronder de locatie van de accijnsgoederenplaats bij de Rijksbelastingdienst geregistreerd is.

  • b. gasvormige biobrandstof wil inboeken:

    • 1°. bij levering met het gastransportnet: het EAN van de gasaansluiting of gasaansluitingen, dan wel bij levering met een directe lijn: het EAN van het bemeterde leverpunt en de naam van de netbeheerder van die gasaansluiting of gasaansluitingen;

    • 2°. het adres waar de gasaansluiting of aansluitingen, dan wel het bemeterde leverpunt zich bevinden;

    • 3°. een machtiging om bij de netbeheerder informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van de aansluiting op het gastransportnet in te winnen.

  • c. hernieuwbare brandstof wil inboeken: de naam van de producent van de hernieuwbare brandstof.

  • d. elektriciteit wil inboeken:

    • 1°. het EAN van de elektriciteitsaansluiting of elektriciteitsaansluitingen en de naam van de netbeheerder van die elektriciteitsaansluiting of elektriciteitsaansluitingen;

    • 2°. het adres waar de elektriciteitsaansluiting of elektriciteitsaansluitingen zich bevinden;

    • 3°. een machtiging om bij de netbeheerder informatie over de tenaamstelling en de eigenschappen van de elektriciteitsaansluiting of elektriciteitsaansluitingen in te winnen.

Artikel 21

  • 1 Het bestuur van de emissieautoriteit controleert of de gegevens en documenten die verstrekt zijn, volledig, actueel, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn.

  • 2 Indien is voldaan aan de eisen voor het hebben van een rekening maakt de emissieautoriteit uiterlijk twintig werkdagen na ontvangst van de gegevens, bedoeld in de artikelen 19 en 20 in het register een rekening aan voor de aanvrager.

  • 3 Alvorens de rekening te gebruiken accepteert de rekeninghouder de gebruiksvoorwaarden.

Artikel 22

  • 2 De emissieautoriteit wijzigt de gegevens, nadat de juistheid van de melding, bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld overeenkomstig die melding binnen twintig werkdagen na ontvangst van die melding.

Artikel 23

  • 1 Indien een rekeningbevoegde weet of vermoedt dat een onbevoegde persoon zich toegang tot de rekening kan verschaffen, meldt hij dit onverwijld langs elektronische weg aan het bestuur van de emissieautoriteit.

  • 2 Indien een melding als bedoeld in het eerste lid is ontvangen, blokkeert de emissieautoriteit de toegang tot de betreffende rekening.

  • 3 Tot het moment waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen, wordt elke toegang tot de rekening als bevoegd aangemerkt.

Artikel 24

  • 1 De rekeninghouder wijst per rekening ten minste twee en ten hoogste tien rekeningbevoegden aan.

  • 2 De rekeninghouder kan per rekening ten minste twee en ten hoogste tien fiatteurs aanwijzen.

  • 3 Een rekeningbevoegde kan slechts fiatteur zijn voor een transactie die hij niet heeft voorgesteld.

Hoofdstuk 2. Rapportage- en reductieverplichting vervoersemissies

§ 1. Algemeen

Artikel 27

  • 1 De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit alle informatie die de emissieautoriteit nodig heeft om te bepalen welke ondernemingen rapportageplichtig zijn. Hiertoe levert zij ten minste in oktober respectievelijk februari een lijst met namen van de dan bekende rapportageplichtigen over het betreffende respectievelijk voorafgaande kalenderjaar. Deze lijst omvat de houders van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën, geregistreerd geadresseerden voor minerale oliën en importeurs, die meer dan 500.000 liter of kilogram benzine, diesel, LPG of LNG uitslaan tot verbruik als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns.

  • 2 De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit alle informatie die de emissieautoriteit nodig heeft om te bepalen of in het register de uitslag tot vervoersverbruik door ondernemingen juist en volledig is geregistreerd. Hiertoe voert de rijksbelastingdienst ten minste een gegevensanalyse uit nadat zij daartoe de benodigde gegevens heeft ontvangen van de emissieautoriteit. Ook verstrekt zij aan de emissieautoriteit risicosignalen ten aanzien van ondernemingen bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit informatie die de emissieautoriteit nodig heeft om specifieke toezicht- of handhavingsonderzoeken te doen naar ondernemingen die een rekening hebben in het register.

  • 4 De rijksbelastingdienst en het bestuur van de emissieautoriteit sluiten over de invulling van het bepaalde in dit artikel een bestuursovereenkomst. Deze bestuursovereenkomst wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

§ 2. Rapportage- en reductieverplichting

Artikel 28

Ten behoeve van het voldoen aan de rapportageverplichting:

  • a. maakt de rapportageplichtige gebruik van de berekeningsmethode in bijlage I en de definities in artikel 2 van richtlijn (EU) 2015/652;

  • b. maakt de rapportageplichtige gebruik van zijn rekening met reductieverplichtingfaciliteit in het register.

Artikel 29

  • 1 Teneinde aan te tonen dat de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van benzine en diesel, betrekking heeft op andere bestemmingen dan bedoeld in artikel 9.8.1.2 van de wet, overlegt de rapportageplichtige op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit bewijsstukken, in ieder geval een factuur en betaalbewijs waaruit dat blijkt.

  • 2 Teneinde aan te tonen dat de uitslag tot verbruik, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de accijns, van betere fossiele brandstof tevens een uitslag tot vervoersverbruik is, overlegt de rapportageplichtige op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit bewijsstukken in ieder geval een factuur en betaalbewijs waaruit dat blijkt.

§ 3. Exploitatiereductie-eenheden en hernieuwbare brandstofeenheden

Artikel 31

  • 1 Voor de verkrijging van exploitatiereductie-eenheden boekt een rekeninghouder, bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Verordnung zur Anrechnung von Upstream-Emissionsminderungen auf die Treibhausgasquote, voor 1 maart 2021 een hoeveelheid exploitatiereductie-eenheden als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordnung, over naar de afboekrekening van de Nederlandse emissieautoriteit, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Verordnung, in het register, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die Verordnung.

  • 2 De rekeninghouder, bedoeld in het eerste lid, verstuurt voor 1 maart 2021 aan het bestuur van de emissieautoriteit een ondertekende brief waarin hij aangeeft voor welke rapportageplichtige de overgeboekte hoeveelheid exploitatiereductie-eenheden, bedoeld in het eerste lid, bestemd zijn.

Artikel 32

  • 2 De rekeninghouder, bedoeld in het eerste lid, verstuurt voor 1 maart 2021 aan het bestuur van de emissieautoriteit een ondertekende brief waarin hij aangeeft voor welke rapportageplichtige de overgeboekte hoeveelheid gecertificeerde emissiereducties, bedoeld in het eerste lid, bestemd zijn.

Artikel 33

  • 1 Het bestuur van de emissieautoriteit stelt jaarlijks op uiterlijk 1 april de broeikasgasemissiereductiebijdrage van de hernieuwbare brandstofeenheden vast voor het lopende kalenderjaar.

  • 2 Bij de berekening van de broeikasgasemissiereductiebijdrage maakt het bestuur van de emissieautoriteit gebruik van de broeikasgasemissiereductiebijdragen van de ingeboekte hernieuwbare energie van het voorafgaande kalenderjaar en de broeikasgasemissiereductiebijdragen van de geleverde betere fossiele brandstoffen van het daaraan voorafgaande kalenderjaar die aan vervoer geleverd zijn.

  • 3 Het bestuur van de emissieautoriteit maakt de vastgestelde broeikasgasemissiereductiebijdrage op elektronische wijze kenbaar.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 35

Een wijziging van de bijlagen I, II of IV van richtlijn (EU) 2015/652 gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

S. van Veldhoven-van der Meer

Bijlage 1. behorend bij artikel 6, vierde lid

De eisen voor het aantonen van uitslag tot verbruik van de ingeboekte vloeibare biobrandstof:

  • 1. Van benzine, die voldoet aan de milieutechnische specificatie van benzine volgens bijlage I van richtlijn 98/70/EG, en diesel, die voldoet aan de milieutechnische specificatie van diesel volgens bijlage II van richtlijn 98/70/EG, dan wel aan de specificatie van EN15940, en LPG, geleverd aan wegvoertuigen, niet voor de weg bestemde mobiele machines (inclusief niet-elektrische spoorvoertuigen), landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen:

    • a. Uitslag tot verbruik met behulp van een tankauto, waarbij de inboeker, in zijn boekhouding, kan aantonen dat de geleverde benzine, diesel of LPG:

      • een hoeveelheid biobrandstof ter grootte van de inboeking bevatte en deze biobrandstof duurzaam was; en

      • vanaf een locatie geleverd is waarover hij (voor de ingeboekte biobrandstof) de massabalans beheert.

    • b. Levering onder schorsing van betaling van accijns, met behulp van een tankauto, waarbij de inboeker, in zijn boekhouding, kan aantonen dat de geleverde benzine, diesel of LPG:

      • een hoeveelheid biobrandstof ter grootte van de inboeking bevatte en deze biobrandstof duurzaam was;

      • vanaf een locatie geleverd is waarover hij (voor de ingeboekte biobrandstof) de massabalans beheert; en

      • waarvan de accijnsbetaalverplichting door hem met behulp van een maandverklaring als bedoeld in artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit accijns verlegd is.

  • 2. Van benzine, die niet voldoet aan de milieutechnische specificatie van benzine volgens bijlage I van richtlijn 98/70/EG, en diesel, die niet voldoet aan de milieutechnische specificatie van diesel volgens bijlage II van richtlijn 98/70/EG, dan wel aan de specificatie van EN15940, geleverd aan wegvoertuigen, niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van niet-elektrische spoorvoertuigen), landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen

    Uitslag tot verbruik met behulp van een tankauto, waarbij de inboeker, in zijn boekhouding, kan aantonen dat de geleverde benzine of diesel:

    • een hoeveelheid biobrandstof ter grootte van de inboeking bevatte en deze biobrandstof duurzaam was;

    • vanaf een locatie geleverd is waarover hij (voor de ingeboekte biobrandstof) de massabalans beheert; en

    • door hem aan wegvoertuigen, niet voor de weg bestemde mobiele machines (met inbegrip van niet-elektrische spoorvoertuigen), landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen geleverd is (met behulp van een factuur en betaalbewijs).

  • 3. Van benzine, die voldoet aan de milieutechnische specificatie van benzine volgens bijlage I van richtlijn 98/70/EG, benzine die niet aan deze milieutechnische specificaties voldoet, van diesel, die voldoet aan de milieutechnische specificatie van diesel volgens bijlage II van richtlijn 98/70/EG, dan wel aan de milieutechnische specificatie van EN15940, diesel die niet aan deze milieutechnische specificaties voldoet, en LPG, waarvoor een vrijstelling van accijns verleend is als bedoeld in artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns (rode diesel aan binnenvaartschepen en zeevaartschepen):

    Uitslag tot verbruik, waarbij de inboeker, in zijn boekhouding, kan aantonen dat de geleverde diesel of brandstof:

    • een hoeveelheid biobrandstof ter grootte van de inboeking bevatte en deze biobrandstof duurzaam was;

    • vanaf een locatie geleverd is waarover hij (voor de ingeboekte biobrandstof) de massabalans beheert; en

    • aan een binnenvaart- of zeeschip in Nederland geleverd is ten behoeve van de voortstuwing.

  • 4. Van halfzware olie en zware stookolie geleverd aan zeevaartschepen:

    Uitslag tot verbruik, waarbij de inboeker, in zijn boekhouding, kan aantonen dat de geleverde halfzware olie en stookolie:

    • een hoeveelheid biobrandstof ter grootte van de inboeking bevatte en deze biobrandstof duurzaam was;

    • vanaf een locatie geleverd is waarover hij (voor de ingeboekte biobrandstof) de massabalans beheert; en

    • aan een zeevaartschip in Nederland geleverd is ten behoeve van de voortstuwing.

  • 5. Van halfzware olie geleverd aan luchtvaartuigen (kerosine):

    Uitslag tot verbruik of leveringen onder schorsing van betaling van accijns, waarbij de inboeker, in zijn boekhouding, kan aantonen dat de geleverde kerosine:

    • een hoeveelheid biobrandstof ter grootte van de inboeking bevatte en deze biobrandstof duurzaam was;

    • vanaf een locatie geleverd is waarover hij (voor de ingeboekte biobrandstof) de massabalans beheert;

    • aan een luchthaven in Nederland geleverd heeft;

    • bij een levering met behulp van een pijplijn aan een andere vergunninghouder accijnsgoederenplaats voor minerale oliën geleverd is: dat deze andere vergunninghouder aantoonbaar aansluiting heeft met deze pijplijn en te boek staat als een bedrijf dat kerosine aan luchtvaartuigen levert.

Bijlage 3. behorend bij artikel 10, tweede lid

Bij inboeking van hernieuwbare energie vervoer te vermelden gegevens:

1. Algemeen

  • a. soort hernieuwbare energie vervoer;

  • b. datum of periode van levering aan de Nederlandse markt voor vervoer, aan vervoer in Nederland dan wel aan wegvoertuigen in Nederland.

2. Vloeibare biobrandstof

  • a. de soort vloeibare biobrandstof;

  • b. de hoeveelheid in liters bij 15 °C, dan wel in kilogram;

  • c. de locatie van waaraf geleverd is, met inbegrip van identificerende naam, het nummer waaronder de locatie van de accijnsgoederenplaats bij de Rijksbelastingdienst geregistreerd is en het adres;

  • d. of de vloeibare biobrandstof tot verbruik is uitgeslagen of onder schorsing van betaling van accijns aan een andere houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns is geleverd;

  • e. het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;

  • f. het nummer van het bewijs van duurzaamheid;

  • g. de naam van de grondstof of de grondstoffen volgens het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvond;

  • h. het land van herkomst van de grondstof of de grondstoffen;

  • i. de broeikasgasemissie per grondstof in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;

  • j. in het geval van meerdere grondstoffen: per grondstof de bijdrage van die grondstof aan de totale energie-inhoud van, indien van toepassing het hernieuwbare gedeelte van, de biobrandstof als percentage;

  • k. of de fysieke productie van de biobrandstof op een locatie plaatsvond die na 5 oktober 2015 operationeel is geworden;

  • l. indien volgens artikel 13 geboden: het bewijs dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd;

  • m. indien de vloeibare biobrandstof als dubbel tellend is aangemerkt:

    • 1°. het nummer van de dubbeltellingverklaring;

    • 2°. bij een gesplitste hoeveelheid dubbel tellende vloeibare biobrandstof, de nummers van ingetrokken dubbeltellingverklaringen.

3. Gasvormige biobrandstof

  • a.

    • bij gastransportnetlevering: de per aansluiting volgens het bemeterde leverpunt of de bemeterde leverpunten geleverde hoeveelheid gas in normaal m3, met inbegrip van de identificerende naam, het adres en het EAN van de gasaansluiting;

    • bij leveringen met een directe lijn: de volgens het bemeterde leverpunt of de bemeterde leverpunten geleverde hoeveelheid biogas in normaal m3, met inbegrip van de identificerende naam, het adres en het EAN van het bemeterde leverpunt;

  • b. van de garantie van oorsprong, bedoeld in artikel 7, tweede lid:

    • 1°. het nummer van de certificaatreeks;

    • 2°. de aanmaakdatum van de certificaatreeks;

    • 3°. de naam van de grondstof of de grondstoffen volgens het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;

    • 4°. het land van herkomst van de grondstof of de grondstoffen;

    • 5°. in het geval van meerdere grondstoffen: per grondstof de bijdrage van die grondstof aan de totale energie-inhoud van de biobrandstof als percentage;

    • 6°. het duurzaamheidssysteem waaronder de levering plaatsvindt;

    • 7°. de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;

    • 8°. de energieproductie zonder, indien toegepast, correctie voor eigen gebruik van het gas als vermeld in artikel 6, tweede lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit;

  • c. indien de gasvormige biobrandstof als dubbel tellend is aangemerkt:

    • 1°. het nummer van de dubbeltellingverklaring;

    • 2°. bij een gesplitste hoeveelheid dubbel tellende gasvormige biobrandstof, de nummers van ingetrokken dubbeltellingverklaringen;

  • d. indien volgens artikel 13, tweede lid, geboden: het bewijs dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd.

4. Hernieuwbare brandstof

  • a. de soort hernieuwbare brandstof;

  • b. de hoeveelheid in liters bij 15 °C;

  • c. de locatie van waaraf geleverd is, met inbegrip van een identificerende naam en het adres;

  • d. of er sprake is van levering tot eindverbruik of levering aan een andere houder van een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns;

  • e. de naam en het vestigingsadres van de producent van de hernieuwbare brandstof;

  • f. de broeikasgasemissie in g CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie;

  • g. het nummer van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof.

5. Elektriciteit

De per elektriciteitsaansluiting volgens het aan die elektriciteitsaansluiting gekoppelde bemeterde leverpunt of de aan die elektriciteitsaansluiting gekoppelde bemeterde leverpunten aan wegvoertuigen in Nederland geleverde hoeveelheid elektriciteit in kWh, met inbegrip van een identificerende naam, het adres en het EAN van de elektriciteitsaansluiting.

Bijlage 4. behorend bij artikel 13, tweede lid

Lijst van grondstoffen waarvoor een bewijs is vereist dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd (gebaseerd op bijlage IX van Richtlijn 2009/28/EG):

Deel A.

  • b) De biomassafractie van gemengd stedelijk afval, maar niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/98/EG;

  • c) Bioafval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG van particuliere huishoudens, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn;

  • d) De biomassafractie van industrieel afval ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen, met inbegrip van materiaal van de groot- en detailhandel, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde grondstoffen;

  • f) Dierlijke mest en zuiveringsslib;

  • g) Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen;

  • h) Talloliepek;

  • i) Ruwe glycerine;

  • k) Draf van druiven en droesem;

  • o) Biomassafractie van afvalstoffen en residuen uit de bosbouw en de houtsector, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie;

Deel B.

Bijlage 5. behorend bij artikel 14

De grondstoffen, bedoeld in artikel 9.7.4.6, eerste lid, onderdeel b, sub 2, van de wet (biomassafractie van industrieel afval) zijn:

Grondstof

Omschrijving

Afval/residuen uit alcoholverwerking (waste/residues from processing of alcohol)

Dit omvat droesem, drab en slib/onzuiverheden uit gisting of distillatie. Ongeschikt voor menselijke of dierlijke consumptie.

Afvalwater uit vetsmelterijen (waste water from slaughter houses)

Afvalwater ontstaan bij de verwerking van dierlijke bijproducten in vetsmelterijen. De dierlijke vetten hierin kunnen worden herwonnen. Het materiaal heeft geen toepassing (in significante hoeveelheden) anders dan voor energie.

Biogene component van oude autobanden (renewable component of end-of-life tyres)

Banden worden gefabriceerd uit een mix van niet-hernieuwbare materialen en natuurlijk rubber. Alleen end-of-life banden (die op grond van geldende wetgeving zijn aangemerkt als afval), kennen een afvalstatus. Alleen het biogene deel mag worden ingeboekt.

Cashew Nut Shell Liquid (CNSL) (idem)

CNSL is de olie geperst uit het harde omhulsel van cashewnoten. Dit omhulsel blijft over als residu bij het consumptiegeschikt maken van de cashewnoot.

Gebruikte bleekaarde (spent bleaching earth)

Bleekaarde is een medium bij het filteren van plantaardige oliën. Uit gebruikte bleekaarde kunnen achtergebleven (residuale) oliën via extractie worden teruggewonnen.

Gft en soortgelijke afvalstromen uit handel, diensten en bedrijven (bio-waste from trade, services and companies)

Gft en soortgelijke afvalstromen uit handel, diensten en bedrijven. Dit is inclusief etensresten van restaurants (swill)

Laagwaardige zetmeelslurry (starch slurry (low grade))

Een mengsel van water en zetmeel uit het proces van natte tarwevermaling. Het droge stof gehalte van de stroom bedraagt maximaal 20% en het aandeel aan vaste bestanddelen, gemeten over een filter met een gestandaardiseerde perforatie van 5 micron, bedraagt maximaal 10 %. Bepaling van het droge stof gehalte dient plaats te vinden op het punt van scheiding van een fabrieksproduct.

Putvet (brown grease/grease trap fat)

Putvet is het materiaal dat in afscheiders voor oliën en vetten uit afvalwater van restaurants en andere grootkeukens wordt verzameld.

Suikerbietresiduen (sugar beet residues)

Toppen, punten en proceswater uit de verwerking van suikerbieten. De kroon van de suikerbiet valt hier niet onder.

Voedingsmiddelen ongeschikt voor menselijke of dierlijke consumptie (food and feed products unfit for human and animal consumption, i.e. food waste and feed waste)

Dit betreft voedsel- en voederafval, zoals over datum producten, of producten die uit gezondheids- of veiligheidsoverwegingen uit de markt worden gehaald. Hiervan moet zijn vastgesteld dat zij ongeschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie.

Bijlage 6. behorend bij artikel 15, tweede lid

Volgens artikel 17, eerste lid, van het Besluit energie vervoer, levert de verificateur hernieuwbare brandstoffen, ten behoeve van de verificatie hernieuwbare brandstoffen, een onbevangen en onpartijdig oordeel dat gericht is op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid in de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof geen materiële afwijking bevatten. Hiertoe toetst hij of de hernieuwbare brandstoffen voldoen aan de voorwaarden, zoals neergelegd in artikelen 9.7.4.4 en 9.7.4.5 van de Wet milieubeheer en uitgewerkt in artikel 9 van het Besluit energie vervoer en in artikel 8 van de Regeling energie vervoer.

De verificatie hernieuwbare brandstof vindt plaats overeenkomstig het goedgekeurde verificatieprotocol en op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens, genoemd in artikel 17, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, toetst hij vervolgens de hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare brandstof met een materialiteitgrens van twee procent op een tweetal criteria, opgesomd in onderdelen a en b van dat artikel. De verificateur hernieuwbare brandstof maakt gebruik van de standaard auditingprocessen (overeenkomstig de norm ISAE 3000) bij de beoordeling van documenten, vraaggesprekken, observaties en het toetsen van data en informatie aan externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen en te documenteren om tot een verificatieverklaring te kunnen komen. Het verificatiedossier dient alle informatie te bevatten die een toezichthouder nodig heeft om zich een oordeel te vormen over de uitvoering van de verificatie.

Van belang zijn drie elementen. Het eerste element is de systeemverificatie, oftewel de beoordeling van de kwaliteit van de administratieve organisatie en de interne beheersingsprocessen. Het tweede element is de totaalcontrole, omwille van een algemeen oordeel over de waarschijnlijkheid van de totale hoeveelheid geproduceerde dan wel ingeboekte hernieuwbare brandstof, waarbij de verificateur hernieuwbare brandstoffen een koppeling maakt tussen enerzijds de totale hoeveelheid geproduceerde hernieuwbare brandstof en anderzijds de totale hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare brandstof en de totale hoeveelheid op de rekening van de NEa. Het derde element is de dataverificatie, die bestaat uit steekproeven of kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan, om te komen tot een oordeel met een redelijke mate van zekerheid over de hoeveelheid in het register ingeboekte hernieuwbare brandstof, over de bron van hernieuwbare energie voor de productie van de hernieuwbare brandstof, over de periode van productie en levering en over de bestemming van de levering, te weten vervoer in Nederland.

Verificatieverklaringen hernieuwbare brandstof worden afgegeven bij:

  • a. de producent van de hernieuwbare brandstof (verificatieverklaring hernieuwbare brandstof deel productie), en

  • b. afnemers van de hernieuwbare brandstof, die die hernieuwbare brandstof inboeken (verificatieverklaring hernieuwbare brandstof deel inboeken).

  • A. De verificatieverklaring hernieuwbare brandstof die wordt afgegeven bij de producent van de hernieuwbare brandstof voldoet aan de volgende eisen:

    • 1. Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof is en blijft de verificateur hernieuwbare brandstof bekend met de administratieve processen en de productie-installatie van de brandstof. Gelet op dit oogmerk:

      • bezoekt de verificateur hernieuwbare brandstof de productielocatie ten minste eenmaal tijdens het initieel onderzoek;

      • bezoekt de verificateur de productielocaties ten minste eenmaal per jaar in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven.

    • 2. De verificatieverklaring hernieuwbare brandstof (deel productie) vermeldt:

      • a. dat nagegaan is of de brandstof met behulp van energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2 onderdeel a van de richtlijn hernieuwbare energie wordt geproduceerd;

      • b. de energie-inhoud van de hernieuwbare brandstof op basis van de onderste verbrandingswaarde overgenomen is van bestaande gegevens of wordt bepaald door een laboratorium dat voor die werkzaamheden geaccrediteerd is overeenkomstig ISO/IEC 17025.

    • 3. Met betrekking tot de hoeveelheid hernieuwbare brandstoffen, heeft de verificatieverklaring hernieuwbare brandstoffen betrekking op:

      • de hoeveelheid vervaardigde hernieuwbare brandstof, die overeenkomt met de hoeveelheid grondstof en hernieuwbare energie die voor zijn productie aangewend is, rekening houdend met productieverliezen.

      • de onderste verbrandingswaarde en energie-inhoud;

      • de aantoonbaarheid van bron van hernieuwbare energie waarmee de hernieuwbare brandstof is geproduceerd.

      • het land waarin de hernieuwbare brandstof is geproduceerd;

      • de broeikasgasemissie in CO2eq/MJ, berekend overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

    • 4. De verificatieverklaring hernieuwbare brandstof (deel productie) geeft een risicoanalyse die gebaseerd is op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen bevat:

      • controle op de hoeveelheid en aard van de energie uit hernieuwbare bron;

      • controle op de hoeveelheid vervaardigde hernieuwbare brandstof;

      • controle op de wijze waarop de producent levert aan de afnemer;

      • beoordeling van de administratieve organisatie en interne controle van de producent;

      • locatiegesprekken.

    • 5. Een verificatieverklaring hernieuwbare brandstof (deel productie) vermeld:

      • de gegevens van de producent hernieuwbare brandstof;

      • een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte productielocatie);

      • de hoeveelheid door de producent aan de afnemer geleverde hernieuwbare brandstof en de wijze waarop deze geleverd is;

      • dat de verificateur een redelijke mate van zekerheid heeft gekregen dat de hernieuwbare brandstof met behulp van energie uit hernieuwbare bron is geproduceerd;

      • Een totaal oordeel waaruit blijkt dat de verificateur hernieuwbare energie, met een redelijke mate van zekerheid, de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid van de geproduceerde en aan de afnemer geleverde hernieuwbare brandstof kan vaststellen;

      • een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.

  • B. De verificatieverklaring hernieuwbare brandstof die wordt afgegeven bij de afnemer die de hernieuwbare brandstof inboekt, voldoet aan de volgende eisen:

    • 1. Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof is en blijft de verificateur hernieuwbare brandstof bekend met de administratieve processen van de afnemer, ook zijnde de inboeker hernieuwbare brandstof. Gelet op dit oogmerk:

      • bezoekt de verificateur hernieuwbare brandstof de locaties van de afnemer ten minste eenmaal tijdens het initieel onderzoek;

      • bezoekt de verificateur hernieuwbare brandstof de locaties van de afnemer ten minste eenmaal per jaar in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven.

    • 2. Met betrekking tot de ingeboekte hoeveelheid hernieuwbare brandstof, heeft de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof (deel inboeken) betrekking op:

      • de hoeveelheid hernieuwbare brandstof die de inboeker in het desbetreffende kalenderjaar aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverd heeft;

      • de hoeveelheid hernieuwbare brandstof die de inboeker op grond van artikel 9.7.4.1. van de Wet milieubeheer in het register ingeboekt heeft.

    • 3. De verificatieverklaring hernieuwbare brandstof (deel inboeken) geeft een risicoanalyse die gebaseerd is op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen omvat:

      • controle dat de inboeker van hernieuwbare brandstof evenredig aan deelleveringen toerekent bij vermenging van hernieuwbare brandstof met een hoeveelheid fossiele brandstof als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de regeling;

      • controle of de inboeker de uitslag tot verbruik van een hoeveelheid hernieuwbare brandstof kan aantonen overeenkomstig bijlage 1 van de regeling;

      • beoordeling van de administratieve organisatie en de interne controle;

      • vraaggesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de hernieuwbare brandstof betrokken zijn;

      • locatiebezoeken.

    • 4. Een verificatieverklaring hernieuwbare brandstof (deel inboeken) vermeldt:

      • de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;

      • de beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte locaties);

      • de hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare brandstof, opgedeeld per soort hernieuwbare brandstof;

      • dat de verificateur hernieuwbare brandstof een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare brandstof in het register geen materiële afwijkingen bevat;

      • dat de verificateur hernieuwbare brandstof een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de inboeker de kenmerken van het deel productie van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof heeft overgenomen;

      • een totaal oordeel waaruit blijkt dat de verificateur hernieuwbare brandstof, met een redelijke mate van zekerheid, de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid ingeboekte hernieuwbare brandstof en de wijze van levering van de hernieuwbare brandstof van de producent naar de afnemer kan vaststellen;

      • een verklaring van de verificateur hernieuwbare brandstof dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om voor het deel inboeken van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof tot zijn oordeel te komen.

  • C. Met betrekking tot de totstandkoming van de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof (deel productie en deel inboeken):

    • vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich er van dat alle partijen en organisaties bij wie gedurende het verificatieproces informatie wordt verzameld deze informatie minimaal vijf jaar bewaren;

    • vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich ervan dat een verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof aanwezig is waarop de inboekende partij als afnemer staat vermeld en waarvan de hoeveelheid hernieuwbare brandstof overeen stemt met de hoeveelheid op de uit te geven verklaring inboeking hernieuwbare brandstof;

    • neemt de onafhankelijke instelling de verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof in;

    • geeft de verificateur hernieuwbare brandstof het unieke nummer van de verklaring weer volgens het formaat xxx.9999999, waarbij de drie letters betrekking hebben op de identificatiecode van de verificatie-instelling.

  • D. Met betrekking tot het transport van hernieuwbare brandstof van de producent naar de afnemer:

    • 1. is de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof gericht op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid;

    • 2. wordt de segregatiemethode als ‘traceerbaarheidsketen’ systeem gehanteerd dan wel indien de hernieuwbare brandstof met niet hernieuwbare brandstof wordt gemengd, wordt slechts het deel van het mengsel dat fysiek uit hernieuwbare brandstof afkomstig is (dus naar rato van de gemengde hoeveelheden) als hernieuwbare brandstof beschouwd. Voor vloeibare hernieuwbare brandstoffen is het massabalanssysteem uit artikel 18, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie niet van toepassing;

    • 3. vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich er op basis van transportdocumenten, die in de administratie van de inboeker aanwezig dienen te zijn, van dat de hoeveelheid vloeibare hernieuwbare brandstof, zoals vermeld op de verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof, is geladen bij de producent;

    • 4. vergewist de verificateur hernieuwbare brandstof zich er op basis van transportdocumenten, die in de administratie van de inboeker aanwezig dienen te zijn, van dat:

      • de hernieuwbare brandstof niet vermengd met andere brandstoffen is gelost bij de inboeker, dan wel

      • indien de hoeveelheid hernieuwbare brandstof, zoals vermeld op de verificatieverklaring productie hernieuwbare brandstof en geladen bij de producent, vermengd is met een hoeveelheid andere brandstoffen, zowel de hoeveelheid hernieuwbare brandstof als de hoeveelheid andere brandstof zijn gelost bij de inboeker, of

      • indien de hoeveelheid hernieuwbare brandstof, zoals vermeld op de verificatieverklaring hernieuwbare brandstof is geladen bij de producent, vermengd is met een hoeveelheid andere brandstoffen en de gemengde hoeveelheid niet in het geheel bij de inboeker zijn gelost, op basis van de transportdocumenten naar rato is ingeboekt.

  • E. De verificateur hernieuwbare brandstof rondt een verificatie hernieuwbare brandstof af door het verstrekken van een verificatieverklaring hernieuwbare brandstof en het plaatsen van een aantekening in het register, dan wel door het opstellen van een rapport van bevindingen indien hij materiële afwijkingen ontdekt heeft.

  • F. Zowel de producent als de afnemer/inboeker als de verificateur hernieuwbare brandstof houden een deugdelijke administratie bij van de verificatie hernieuwbare brandstof en het verificatieproces hernieuwbare brandstof. Het verificatiedossier laat duidelijk alle relevante verificatiestappen en hun onderlinge samenhang zien, bevat voldoende motivering van de keuzes die de verificateur heeft gemaakt in het kader van zijn oordeelsvorming, bevat een voldoende gedetailleerde vastlegging van de uitgevoerde verificatiewerkzaamheden en is compleet en overzichtelijk.

Bijlage 7. behorend bij artikel 16, tweede lid

Volgens artikel 20, eerste lid, van het Besluit energie vervoer, levert de dubbeltellingverificateur, ten behoeve van de dubbeltelingsverificatie, een onbevangen en onpartijdig oordeel dat gericht is op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid dat de dubbeltellingverklaring geen materiële afwijking bevat. Hiertoe toetst hij of de dubbel tellende biobrandstoffen voldoen aan de voorwaarden, zoals neergelegd in artikelen 9.7.4.8 van de Wet milieubeheer en uitgewerkt in artikel 12 van het Besluit energie vervoer.

De dubbeltellingsverificatie vindt plaats overeenkomstig het goedgekeurde verificatieprotocol en op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens, genoemd in artikel 20, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, toetst hij vervolgens de hoeveelheid en aard van de gebruikte grondstof in relatie tot de dubbeltelling van de biobrandstof met een materialiteitgrens van twee procent op de criteria, opgesomd in dat artikel. De dubbeltellingverificateur maakt gebruik van de standaard auditingprocessen zoals de beoordeling van documenten, vraaggesprekken, observaties en het toetsen van data en informatie aan externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen en te documenteren om tot een verificatieverklaring te kunnen komen. Het verificatiedossier dient alle informatie te bevatten die een toezichthouder nodig heeft om zich een oordeel te vormen over de uitvoering van de verificatie.

Van belang zijn drie elementen. Het eerste element is de systeemverificatie, oftewel de beoordeling van de kwaliteit van de administratieve organisatie en de interne beheersingsprocessen. Het tweede element is de totaalcontrole, omwille van een algemeen oordeel over de waarschijnlijkheid van de totale hoeveelheid geproduceerde dubbel tellende biobrandstof, waarbij de dubbeltellingverificateur een koppeling maakt tussen enerzijds de aard en de totale hoeveelheid gebruikte grondstof en anderzijds de totale hoeveelheid dubbel tellende biobrandstof. Het derde element is de dataverificatie, die bestaat uit steekproeven of kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan, om te komen tot een oordeel met een redelijke mate van zekerheid over de hoeveelheid dubbel tellende biobrandstof en over de hoeveelheid en aard van de grondstof die gebruikt is voor de productie van deze biobrandstof.

  • 1. Met betrekking tot de totstandkoming van de dubbeltellingverklaring is de dubbeltellingverificateur bekend met de administratieve processen en de productie-installatie van de biobrandstof. Gelet op dit oogmerk:

    • bezoekt de verificateur de productielocatie ten minste eenmaal tijdens het initieel onderzoek;

    • bezoekt de verificateur de productielocatie ten minste eenmaal per jaar in ieder jaar waarin verklaringen worden uitgegeven.

  • 2. Met betrekking tot de administratieve processen vermeldt de dubbeltellingverklaring:

    • a. onder welk duurzaamheidssysteem productie en opslag op de productielocatie plaats vindt; of

    • b. de hoeveelheid dubbel tellende biobrandstof die volgens de massabalans van het duurzaamheidssysteem van de producent aan de ontvanger van de dubbeltellingverklaring geleverd is;

    • c. dat de geleverde dubbel tellende biobrandstof niet door een andere verificatie-instelling voor dubbeltelling geverifieerd is.

  • 3. Met betrekking tot de aard van de grondstof en de dubbeltelling van de biobrandstof:

    • a. vermeldt de dubbeltellingverklaring uit welke dubbel tellende grondstof de biobrandstof geproduceerd is, gelet op artikel 12 van het Besluit energie vervoer;

    • b. vermeldt de dubbeltellingverklaring de energie-inhoud van de biobrandstof overeenkomstig artikel 2 van de Regeling energie vervoer;

    • c. kan in de dubbeltellingverklaring gebruik worden gemaakt van analyseresultaten als bewijslast voor de inzet van dubbel tellende grondstoffen of brandstoffen of de samenstelling van grondstoffen of brandstoffen, voor zover de analyses uitgevoerd zijn door een laboratorium dat geaccrediteerd is overeenkomstig ISO/IEC 17025.

  • 4. Met betrekking tot de hoeveelheid grondstoffen of brandstoffen en de hoeveelheid dubbel tellende biobrandstof:

    • a. omvat de dubbeltellingverklaring:

      • 1°. de hoeveelheden biobrandstof, waaronder tevens worden verstaan de onderste verbrandingswaarde en energie-inhoud;

      • 2°. de aantoonbaarheid van productie uit dubbel tellende grondstoffen en brandstoffen, waaronder wordt verstaan de grondstoffen en brandstoffen waarvan de biobrandstof afkomstig is;

      • 3°. het land van of de landen van herkomst van de grondstoffen en brandstoffen;

    • b. staat de hoeveelheid dubbel tellende biobrandstof waarvoor een dubbeltellingverklaring wordt afgegeven, in een juiste verhouding tot de hoeveelheid grondstoffen en brandstoffen die voor zijn productie aangewend is.

  • 5. Met betrekking tot de geverifieerde dubbel tellende biobrandstof:

    • a. specificeert de dubbeltellingverklaring de hoeveelheid biobrandstof die in een vastgestelde tijdsperiode geleverd is, evenals de afnemer en de leverancier in de handelsketen;

    • b. geeft de verificateur voor een geproduceerde hoeveelheid dubbel tellende biobrandstof per afnemer een dubbeltellingverklaring met een unieke code af, waarbij de som van de hoeveelheden waarop deze dubbeltellingverklaringen betrekking hebben, niet meer bedraagt dan de oorspronkelijke geproduceerde hoeveelheid volgens de massabalans van het controlerend duurzaamheidssysteem;

    • c. kan een hoeveelheid dubbel tellende biobrandstof, waarvoor reeds een dubbeltellingverklaring afgegeven is, worden gesplitst in een of meer kleinere hoeveelheden, voor zover de oorspronkelijke dubbeltellingverklaring nog niet door een inboeker is gebruikt als bewijs voor dubbeltelling;

    • d. kunnen de dubbeltellingverklaringen die voor de gesplitste hoeveelheden worden opgesteld, opgeteld geen grotere hoeveelheid betreffen, dan in de oorspronkelijke verklaring verantwoord werd;

    • e. neemt de dubbeltellingverificateur bij de splitsing de oorspronkelijke dubbeltellingverklaring in;

    • f. wordt bij splitsing een nieuw uniek nummer afgegeven, terwijl alle voorgaande unieke nummers worden vermeld;

    • g. de dubbeltellingverificateur geeft het nummer van de verklaring weer volgens het formaat xxx.9999999, waarbij de drie letters betrekking hebben op de identificatiecode van de verificatie-instelling.

Bijlage 8. behorend bij artikel 17, derde lid

A. – verificatie van een hoeveelheid ingeboekte (aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverde) vloeibare biobrandstof

Volgens artikel 23, eerste lid, van het Besluit energie vervoer, levert de inboekverificateur, ten behoeve van de inboekverificatie, een onbevangen en onpartijdig oordeel dat gericht is op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid dat de inboekingen in het register geen materiële afwijking bevatten. Hiertoe toetst hij inboekingen op het voldoen aan de voorwaarden voor het inboeken van een geleverde hoeveelheid vloeibare biobrandstof, zoals neergelegd in artikelen 9.7.4.2 en 9.7.4.5 van de Wet milieubeheer en uitgewerkt in artikel 7 van het Besluit energie vervoer en in artikel 6 en bijlage 1 van de Regeling energie vervoer.

De inboekverificatie vindt plaats overeenkomstig het goedgekeurde verificatieprotocol en op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens, genoemd in artikel 23, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn. Ingevolge artikel 23, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, toetst hij vervolgens de inboekingen van vloeibare biobrandstof met een materialiteitgrens van twee procent van de totale hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof, op een drietal criteria, opgesomd in onderdelen a, b en c van dat artikel. De inboekverificateur maakt gebruik van de standaard auditingprocessen zoals de beoordeling van documenten, vraaggesprekken, observaties en het toetsen van data en informatie aan externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen en te documenteren om tot een verificatieverklaring te kunnen komen. Het verificatiedossier dient alle informatie te bevatten die een toezichthouder nodig heeft om zich een oordeel te vormen over de uitvoering van de verificatie.

Van belang zijn drie elementen.

Het eerste element is de systeemverificatie, oftewel de beoordeling van de kwaliteit van de administratieve organisatie en de interne beheersingprocessen. Het tweede element is de totaalcontrole, omwille van een algemeen oordeel over de waarschijnlijkheid van de totale hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof, waarbij de inboekverificateur een boekhoudkundige koppeling maakt tussen de totale hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof, de totale hoeveelheid afgeboekte biobrandstof in de massabalans van de inboeker, de totaal ontvangen en afgegeven hoeveelheden biobrandstof, de begin- en eindvoorraden biobrandstof en de totale hoeveelheid betaalde en met een maandverklaring verlegde accijns in de accijnsboekhouding.

Het derde element is de dataverificatie, die bestaat uit steekproeven of kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan, om te komen tot een oordeel met een redelijke mate van zekerheid over de hoeveelheid in het register ingeboekte vloeibare biobrandstof, over de juiste overname van de duurzaamheidkenmerken en over de levering aan de Nederlandse markt voor vervoer.

  • 1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekverificatieverklaring, is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante fysieke situaties op de locaties die onder het duurzaamheidssysteem zijn gecertificeerd. Gelet op dit oogmerk:

    • bezoekt de inboekverificateur de (door de inboeker in dat kalenderjaar gebruikte) locaties, die onder het duurzaamheidcertificaat van de inboeker vallen, ten minste eenmaal tijdens het initieel onderzoek;

    • bezoekt de inboekverificateur de (door de inboeker in dat kalenderjaar gebruikte) locaties, die onder het duurzaamheidcertificaat van de inboeker vallen, wanneer op die locaties een substantiële verandering is doorgevoerd en wel op basis van een risico-analyse;

    • bezoekt de inboekverificateur in elk geval de hoofdlocatie waar de inboeker zijn boekhouding heeft.

  • 2. De inboekverificatieverklaring vermeldt de energie-inhoud van de vloeibare biobrandstof overeenkomstig artikel 2 van de Regeling energie vervoer.

  • 3. Met betrekking tot de hoeveelheid vloeibare biobrandstof, heeft de inboekverificatieverklaring betrekking op:

    • de hoeveelheid vloeibare biobrandstof die de inboeker in het desbetreffende kalenderjaar aan de Nederlandse markt voor vervoer geleverd heeft;

    • de hoeveelheid vloeibare biobrandstof die de inboeker op grond van artikel 9.7.4.1 van de Wet milieubeheer in het register ingeboekt heeft.

  • 4. De inboekverificatieverklaring geeft een risicoanalyse die gebaseerd is op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen omvat:

    • controle of het certificaat van het duurzaamheidssysteem toereikend is voor alle locaties van de accijnsgoederenplaats waarvanaf de inboeker levert;

    • controle dat de inboeker de vloeibare biobrandstof evenredig aan deelleveringen toerekent bij vermenging van de vloeibare biobrandstof met een hoeveelheid fossiele brandstof als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de regeling;

    • controle of de inboeker de uitslag tot verbruik van een hoeveelheid vloeibare biobrandstof kan aantonen overeenkomstig bijlage 1 van de regeling;

    • controle van verklaringen afgegeven door een dubbeltellingverificateur, alsmede de samenhang met het bewijs van duurzaamheid;

    • controle van de wijze waarop de inboeker voorkomt dat hij de hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof als duurzaam doorlevert;

    • beoordeling van de administratieve organisatie en de interne controle;

    • vraaggesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de vloeibare biobrandstof betrokken zijn;

    • locatiebezoeken.

  • 5. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:

    • de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;

    • een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte locaties);

    • de hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof, opgedeeld per soort vloeibare biobrandstof (zoals bedoeld in bijlage III van de richtlijn hernieuwbare energie) en opgesplitst in enkel- en dubbel tellende vloeibare biobrandstof;

    • dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof in het register geen materiële afwijkingen bevat;

    • dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de inboeker de kenmerken van het bewijs van duurzaamheid juist heeft overgenomen;

    • een totaal oordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur, met en redelijke mate van zekerheid, de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof, de mogelijke dubbeltelling en de bijbehorende duurzaamheidkenmerken van de hoeveelheid ingeboekte vloeibare biobrandstof kan vaststellen;

    • een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.

  • 6. De inboekverificateur rondt een inboekverificatie af door het verstrekken van een inboekverificatieverklaring en het plaatsen van een aantekening in het register, dan wel door het opstellen van een rapport van bevindingen indien hij materiële afwijkingen ontdekt heeft.

  • 7. Zowel de inboeker als de inboekverificateur houden een deugdelijke administratie bij van de inboekverificatie en het inboekverificatieproces. Het verificatiedossier laat duidelijk alle relevante verificatiestappen en hun onderlinge samenhang zien, bevat voldoende motivering van de keuzes die de verificateur heeft gemaakt in het kader van zijn oordeelsvorming, bevat een voldoende gedetailleerde vastlegging van de uitgevoerde verificatiewerkzaamheden en is compleet en overzichtelijk.

B. – verificatie van een hoeveelheid ingeboekte (aan vervoer in Nederland geleverde) gasvormige biobrandstof

Volgens artikel 23, eerste lid, van het Besluit energie vervoer, levert de inboekverificateur, ten behoeve van de inboekverificatie, een onbevangen en onpartijdig oordeel dat gericht is op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid dat de inboekingen in het register geen materiële afwijking bevatten. Hiertoe toetst hij inboekingen op het voldoen aan de voorwaarden voor het inboeken van een geleverde hoeveelheid gasvormige biobrandstof, zoals neergelegd in artikelen 9.7.4.3 en 9.7.4.5 van de Wet milieubeheer en uitgewerkt in artikel 8 van het Besluit energie vervoer en in artikel 7 van de Regeling energie vervoer.

De inboekverificatie vindt plaats op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens, genoemd in artikel 23, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn. Ingevolge artikel 23, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, toetst hij vervolgens de inboekingen van gasvormige biobrandstof met een materialiteitgrens van twee procent van de totale hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof, op een drietal criteria, opgesomd in onderdelen a, b en c van dat artikel. De inboekverificateur maakt gebruik van de standaard auditingprocessen zoals de beoordeling van documenten, vraaggesprekken, observaties en het toetsen van data en informatie aan externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen en te documenteren om tot een verificatieverklaring te kunnen komen. Het verificatiedossier dient alle informatie te bevatten die een toezichthouder nodig heeft om zich een oordeel te vormen over de uitvoering van de verificatie.

Van belang zijn drie elementen.

Het eerste element is de systeemverificatie, oftewel de beoordeling van de kwaliteit van de administratieve organisatie en de interne beheersingsprocessen. Het tweede element is de totaalcontrole, omwille van een algemeen oordeel over de waarschijnlijkheid van de totale hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof, waarbij de inboekverificateur een boekhoudkundige, bij leveringen met behulp van het gastransportnet, een koppeling maakt tussen enerzijds de totale hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof en de totale hoeveelheid op de rekening van de NEa in het Vertogas-register geboekte garanties van oorsprong en anderzijds de totale hoeveelheid op de aansluiting op het gastransportnet ontvangen gas en de hoeveelheid (met behulp van een bemeterd leverpunt) geleverde hoeveelheid gas. Bij leveringen met behulp van een directe lijn, maakt de inboekverificateur een koppeling tussen enerzijds de totale hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof en de totale hoeveelheid op de rekening van de NEa in het Vertogas-register geboekte garanties van oorsprong niet-netlevering en anderzijds de totale hoeveelheid op de directe lijn ingevoede hoeveelheid biogas en de hoeveelheid (met behulp van een bemeterd leverpunt) geleverde hoeveelheid biogas.

Het derde element is de dataverificatie, die bestaat uit steekproeven of kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan, om te komen tot een oordeel met een redelijke mate van zekerheid over de hoeveelheid in het register ingeboekte gasvormige biobrandstof, over de juiste overname van de duurzaamheidkenmerken van de garantie van oorsprong en de garantie van oorsprong niet-netlevering, over de periode van levering en over de bestemming van de levering, te weten vervoer in Nederland.

  • 1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekingverificatieverklaring is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker en de relevante fysieke situaties op de locaties waar de inboeker het gas of biogas aan vervoer in Nederland levert. Gelet op dit oogmerk:

    • bezoekt de inboekverificateur de locaties, waar de inboeker het gas of het biogas aan vervoer in Nederland geleverd wordt, steekproefsgewijs tijdens het initieel onderzoek;

    • bezoekt de inboekverificateur de locaties, waar de inboeker het gas of het biogas aan vervoer in Nederland geleverd wordt, wanneer op die locaties een substantiële verandering is doorgevoerd en wel op basis van een risico-analyse;

    • bezoekt de inboekverificateur in elk geval de hoofdlocatie waar de inboeker zijn boekhouding heeft.

  • 2. Met betrekking tot de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof, heeft de inboekverificatieverklaring betrekking op:

    • de vergroende hoeveelheid gas (bij leveringen met behulp van het gastransportnet) of biogas (bij leveringen met behulp van een directe lijn) die de inboeker in het desbetreffende kalenderjaar aan vervoer in Nederlands heeft geleverd;

    • de hoeveelheid gasvormige biobrandstof die de inboeker op grond van artikel 9.7.4.1 van de Wet milieubeheer in het register heeft ingeboekt.

  • 3. De inboekverificatieverklaring geeft een risicoanalyse die is gebaseerd op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen omvat:

    • controle dat de hoeveelheid ingeboekt gas (bij leveringen met behulp van het gastransportnet) of biogas (bij leveringen met behulp van een directe lijn) die de inboeker vergroend heeft, ook in het desbetreffende kalenderjaar aan vervoer in Nederlands geleverd is;

    • controle of de aansluiting op het gastransportnet alleen bestemd is voor de levering van gas aan vervoer in Nederland (bij leveringen met behulp van het gastransportnet);

    • controle of voor de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof geen exploitatiesubsidie verstrekt is;

    • controle of de garanties van oorsprong op moment van de boeking op de rekening van de NEa in het Vertogas-register hun geldigheid niet verloren hadden;

    • controle van de in- en verkoopboekhouding van gas, alsmede de financiële boekhouding;

    • controle van verklaringen afgegeven door een dubbeltellingverificateur, alsmede de samenhang met het bewijs van duurzaamheid;

    • beoordeling van de administratieve organisatie en de interne controle;

    • vraaggesprekken met de werknemers die bij de inboeking van de gasvormige biobrandstof betrokken zijn;

    • locatiebezoeken, waarbij de inboekverificateur ook de meter van de aansluiting op het gastransportnet en de meters van de bemeterde leverpunten controleert (bij leveringen met behulp van het gastransportnet).

  • 4. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:

    • de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;

    • een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte locaties);

    • de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof, opgedeeld per soort gasvormige biobrandstof (zoals bedoeld in bijlage III van de richtlijn hernieuwbare energie) en opgesplitst in enkel- en dubbel tellende gasvormige biobrandstof;

    • dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof in het register geen materiële afwijkingen bevat;

    • dat een redelijke mate van zekerheid is verkregen dat de inboeker de kenmerken van de garanties van oorsprong en de garanties van oorsprong niet-netlevering juist heeft overgenomen;

    • een totaal oordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur met en redelijke mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de soort en hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof, de mogelijke dubbeltelling en de bijbehorende duurzaamheidkenmerken van de hoeveelheid ingeboekte gasvormige biobrandstof kan vaststellen;

    • een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.

  • 5. De inboekverificateur rondt een inboekverificatie af door het verstrekken van een inboekverificatieverklaring en het plaatsen van een aantekening in het register, dan wel door het opstellen van een rapport van bevindingen indien hij materiële afwijkingen ontdekt heeft.

  • 6. Zowel de inboeker als de inboekverificateur houden een deugdelijke administratie bij van de inboekverificatie en het inboekverificatieproces. Het verificatiedossier laat duidelijk alle relevante verificatiestappen en hun onderlinge samenhang zien, bevat voldoende motivering van de keuzes die de verificateur heeft gemaakt in het kader van zijn oordeelsvorming, bevat een voldoende gedetailleerde vastlegging van de uitgevoerde verificatiewerkzaamheden en is compleet en overzichtelijk.

C. – verificatie van een hoeveelheid ingeboekte (aan wegvoertuigen in Nederland geleverde) elektriciteit

Volgens artikel 23, eerste lid, van het Besluit energie vervoer, levert de inboekverificateur, ten behoeve van de inboekverificatie, een onbevangen en onpartijdig oordeel dat gericht is op het verschaffen van een redelijke mate van zekerheid dat de inboekingen in het register geen materiële afwijking bevatten. Hiertoe toetst hij inboekingen op het voldoen aan de voorwaarden voor het inboeken van een geleverde hoeveelheid elektriciteit, zoals neergelegd in artikel 9.7.4.1 en 9.7.4.5 van de wet en uitgewerkt in artikel 10 van het Besluit energie vervoer en in artikel 9 van de Regeling energie vervoer.

De inboekverificatie vindt plaats op basis van een verificatieplan dat de materialiteitsgrens, genoemd in artikel 23, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, hanteert met betrekking tot het ontdekken van kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen die van materieel belang zijn. Ingevolge artikel 23, tweede lid, van het Besluit energie vervoer, toetst hij vervolgens de inboekingen met een materialiteitgrens van twee procent van de totale hoeveelheid ingeboekte elektriciteit, op een drietal criteria, opgesomd in onderdelen a, b en c van dat artikel. De inboekverificateur maakt gebruik van de standaard auditingprocessen zoals de beoordeling van documenten, vraaggesprekken, observaties en het toetsen van data en informatie aan externe informatiebronnen. Het doel is om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen en te documenteren om tot een verificatieverklaring te kunnen komen. Het verificatiedossier dient alle informatie te bevatten die een toezichthouder nodig heeft om zich een oordeel te vormen over de uitvoering van de verificatie.

Van belang zijn drie elementen.

Het eerste element is de systeemverificatie, oftewel de beoordeling van de kwaliteit van de administratieve organisatie en de interne beheersingsprocessen. Het tweede element is de totaalcontrole, omwille van een algemeen oordeel over de waarschijnlijkheid van de totale hoeveelheid ingeboekte elektriciteit, waarbij de inboekverificateur een boekhoudkundige koppeling maakt tussen de totale hoeveelheid ingeboekte elektriciteit en de totaal op een aansluiting op het elektriciteitsnet ontvangen elektriciteit.

Het derde element is de dataverificatie, die bestaat uit steekproeven of kritische deelwaarnemingen van de gerapporteerde gegevens op basis van het verificatieplan, om te komen tot een oordeel met een redelijke mate van zekerheid over de hoeveelheid in het register ingeboekte elektriciteit, over de periode van levering van de elektriciteit en over de bestemming van de geleverde elektriciteit, te weten wegvoertuigen in Nederland.

  • 1. Met betrekking tot de totstandkoming van de inboekingverificatieverklaring is de inboekverificateur bekend met de administratieve processen van de inboeker. De inboekverificateur bezoekt daarom in elk geval de hoofdlocatie waar de administratieve processen worden gedocumenteerd en indien door hem noodzakelijk geacht, de fysieke locaties waar een groot verschil tussen de aansluiting op het elektriciteitsnet geleverde hoeveelheid elektriciteit en de (met behulp van een bemeterd leverpunt) aan wegvoertuigen in Nederland geleverde hoeveelheid elektriciteit.

  • 2. Met betrekking tot de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit heeft de verificatieverklaring betrekking op:

    • de hoeveelheid elektriciteit in kWh die in het betreffende kalenderjaar is geleverd aan wegvoertuigen in Nederland;

    • de hoeveelheid elektriciteit in kWh die de inboeker op grond van artikel 9.7.4.1 van de Wet milieubeheer in het register heeft ingeboekt.

  • 3. De inboekverificatieverklaring geeft een risicoanalyse die is gebaseerd op een onderzoek dat ten minste de volgende onderdelen omvat:

    • controle dat de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit in het desbetreffende kalenderjaar geleverd is;

    • controle of de aansluiting op het elektriciteitsnet alleen bestemd is voor de levering van elektriciteit aan wegvoertuigen in Nederland;

    • controle van de in- en verkoopboekhouding van elektriciteit, alsmede de financiële boekhouding;

    • beoordeling van de administratieve organisatie en de interne controle;

    • vraaggesprekken met de werknemers die bij de inboeking van elektriciteit betrokken zijn.

  • 4. Een inboekverificatieverklaring vermeldt:

    • de gegevens van de inboeker met inbegrip van zijn rekeningnummer in het register;

    • een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (met inbegrip van de bezochte locaties en geraadpleegde registers;

    • de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit;

    • dat de inboekverificateur een redelijke mate van zekerheid heeft verkregen dat de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit en de periode van levering geen materiële afwijkingen bevat;

    • een totaal oordeel waaruit blijkt dat de inboekverificateur met en redelijke mate van zekerheid de juistheid van de data en informatie over de hoeveelheid ingeboekte elektriciteit kan vaststellen;

    • een verklaring van de verificateur dat hij voldoende en geschikte controle-informatie heeft gekregen om tot zijn oordeel te komen.

  • 5. De inboekverificateur rondt een inboekverificatie af door het verstrekken van een inboekverificatieverklaring en het plaatsen van een aantekening in het register, dan wel door het opstellen van een rapport van bevindingen indien hij materiële afwijkingen ontdekt heeft.

  • 6. Zowel de inboeker als de inboekverificateur houden een deugdelijke administratie bij van de inboekverificatie en het inboekverificatieproces. Het verificatiedossier laat duidelijk alle relevante verificatiestappen en hun onderlinge samenhang zien, bevat voldoende motivering van de keuzes die de verificateur heeft gemaakt in het kader van zijn oordeelsvorming, bevat een voldoende gedetailleerde vastlegging van de uitgevoerde verificatiewerkzaamheden en is compleet en overzichtelijk.

Bijlage 9. behorend bij artikel 30

Projectactiviteiten met de CDM-referentienummers; zie website http://cdm.unfccc.int/Projects/projsearch.html:

CDM-referentienummer

Omschrijving

6008

Recovery and Utilization of Associated Gas at Pondok Tengah LPG Plant – PT. Yudistira Energy

6808

Recovery and Utilization of Associated Gas at Tugu Barat Plant

6817

Associated Gas Recovery and Utilization at Block 9

7727

Grid connected combined cycle power plant project in Qadirpur utilizing permeate gas, previously flared

8276

Oil Search Limited Flare and Vent Gas Conservation Project

8286

Gas Flaring Reduction at Neelam & Heera Asset

8598

Nanba Associated Gas Processing Plant and the Auxiliary Engineering

8788

Tarim oil wells associated gas recovery and utilization project (CNG)

8896

Jubilee Oil Field Associated Gas Recovery & Utilization Project

9023

Sukowati-Mudi (Tuban) LPG Associated Gas Recovery and Utilization Project

9163

Recovery and Utilization of Associated Gas from the Obodugwa and neighbouring oil fields in Nigeria

9193

Sao Thian-A Oil Field Flare Gas Recovery and Utilization Project

9400

Flare gas reduction through spiking compressor at Shah

10108

Gas Flaring Reduction Project at GGS, Chariali, Sibasagar, ONGC, Assam

Terug naar begin van de pagina