Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal Nederlandse Arbeidsinspectie 2017

Geraadpleegd op 25-05-2024.
Geldend van 01-05-2022 t/m 31-08-2023

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 augustus 2017, 2017-0000141181, houdende de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan onder de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2017)

§ 1. Begripsbepaling

Artikel 1. Begrippen

In deze regeling en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • directeur: een functionaris die, afzonderlijk of met een andere directeur, leiding geeft aan een of meer directies;

  • directie: een van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2;

  • IG-team: de inspecteur-generaal en de directeuren van de directies die ressorteren onder de inspecteur-generaal;

  • inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal Nederlandse Arbeidsinspectie;

  • jaarplan: het jaarplan voor de gehele Nederlandse Arbeidsinspectie, genoemd in artikel 8, tweede lid, tweede zin, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009;

  • opdrachtgever: de functioneel leidinggevende van de programmamanager of de projectleider;

  • portefeuille: het totaal aan lijnverantwoordelijkheid van een directeur, gecombineerd met diens functionele verantwoordelijkheid voor programma’s of projecten en de al dan niet door de inspecteur-generaal aan een directeur opgedragen taak of verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, of een samenstel daarvan;

  • portfolio:het totaal aan programma’s en projecten van de Nederlandse Arbeidsinspectie gedurende een bepaalde periode;

  • programma: een tijdelijke set van activiteiten en projecten die zijn gericht op het bereiken van een of meer samenhangende doelstellingen;

  • project: een project is een tijdelijk samenwerkingsverband waarbij binnen een bepaalde tijd wordt toegewerkt naar een door de opdrachtgever gesteld resultaat.

§ 2. Organisatie

Artikel 2. Organisatie Nederlandse Arbeidsinspectie

Onder de inspecteur-generaal ressorteren:

  • a. de directie Analyse, Programmering en Strategie;

  • b. de directie Toezicht;

  • c. de directie Meldingen en Verzoeken;

  • d. de directie Informatievoorziening;

  • e. de directie Opsporing.

Artikel 3. Het IG-team

  • 1 De inspecteur-generaal en de directeuren voeren regelmatig collegiaal overleg over de strategische sturing van de Nederlandse Arbeidsinspectie en over de vervulling van de portefeuilles. Dit overleg staat onder voorzitterschap van de inspecteur-generaal. Beslissingen worden genomen door de inspecteur-generaal, gehoord de overige leden van het IG-team.

  • 2 De inspecteur-generaal kan elk van de directeuren schriftelijk belasten met taken en verantwoordelijkheden, de inspectie betreffende, naast de verantwoordelijkheden voor de eigen directie. Over dergelijke taken en verantwoordelijkheden verantwoordt de desbetreffende directeur zich op de wijze, aangegeven door de inspecteur-generaal.

Artikel 4. Sturing organisatie

  • 1 Het uitvoerende werk van de Nederlandse Arbeidsinspectie vindt zowel plaats in de reguliere lijnstructuur als in programma’s en projecten.

  • 2 Op basis van een risico- en omgevingsanalyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie wordt een een- of meerjarig portfolio samengesteld en door het IG-team vastgesteld. In het portfolio wordt tevens op hoofdlijnen bepaald hoe mensen en middelen worden ingezet. Het portfolio wordt periodiek herijkt.

  • 3 De directie Opsporing voert als Bijzondere Opsporingsdienst onder het gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie strafrechtelijke onderzoeken uit, hetgeen een aantal aanvullende eisen stelt aan de sturing op werkprocessen.

§ 3. Verantwoordelijkheden

Artikel 5. Verantwoordelijkheden directeuren

Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor:

  • a. het leiding geven aan de eigen directie;

  • b. het door tussenkomst van de inspecteur-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie en het attenderen van hen op politiek en maatschappelijk gevoelige aspecten;

  • c. het binnen de door de inspecteur-generaal gestelde kaders zorg dragen voor een effectieve en efficiënte organisatie, met uitzondering van de vaststelling van de formatie, voor periodieke evaluatie daarvan en voor de planning en bewaking van de productie van de eigen directie;

  • d. personeelsaangelegenheden van de onder elk van hen ressorterende functionarissen, met inbegrip van de uitvoering van het arbeidsomstandigheden- en ziekteverzuimbeleid, voor zover dit niet is voorbehouden aan de secretaris-generaal, de inspecteur-generaal dan wel de directeur Analyse, Programmering en Strategie;

  • e. het zorg dragen voor de administratieve en financiële afhandeling van de uitvoering van de eigen personeelsaangelegenheden voor zover deze niet is opgedragen aan anderen, zoals de directeur Analyse, Programmering en Strategie, de directeur Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van het ministerie en de Stichting Pensioenfonds ABP;

  • f. het op orde hebben van de administratieve organisatie, voor zover deze niet is belegd bij de directeur Analyse, Programmering en Strategie;

  • g. het leveren van een bijdrage betreffende zijn directie aan het meerjarig strategisch plan, het jaarplan en het jaarverslag van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

  • h. het voorbereiden en uitvoeren van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan binnen de door de secretaris-generaal en inspecteur-generaal vastgestelde uitgangspunten;

  • i. het rapporteren aan de inspecteur-generaal over de uitvoering van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan;

  • j. het na overeenstemming daarover met de inspecteur-generaal aanwijzen van een plaatsvervangend directeur;

  • k. het zorg dragen voor de vastlegging van de organisatie van de eigen directie en de daarbinnen geldende mandaten, volmachten en machtigingen in een organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit voor de eigen directie;

  • l. het behandelen van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op de gedragingen van de onder hen ressorterende functionarissen.

Artikel 6. Verantwoordelijkheden directeur Analyse, Programmering en Strategie

  • 1 De directeur Analyse, Programmering en Strategie is verantwoordelijk voor:

    • a. het in samenwerking met de directies voorbereiden van beslissingen over de strategie en de programmering betreffende de werkzaamheden van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waaronder het meerjarig strategisch plan, de landelijke strategieën op het gebied van de programma’s, de opsporing van de directie Opsporing en het uitvoeren van deze beslissingen voor zover het de eigen directie betreft;

    • b. het coördineren van de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de Nederlandse Arbeidsinspectie met de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de andere onderdelen van het ministerie en van andere ministeries;

    • c. het verrichten van de risicoanalyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie en risicoanalyses voor onderdelen van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waaronder mede begrepen rapportages betreffende de opsporing, zoals criminaliteitsbeelden, risicoanalyses en onderzoeksevaluaties;

    • d. het uitvoeren van de taken van het verbindingsbureau detacheringsarbeid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie;

    • e. het coördineren en opstellen van het handhavingsarrangement, genoemd in artikel 11 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

    • f. het bijdragen aan de Integrale Rapportage Handhaving van het ministerie over de realisatie van de afspraken uit het handhavingsarrangement, genoemd in artikel 11 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

    • g. het zorgen voor de totstandkoming van handhaafbaarheids- en toezichtbaarheidstoetsen, in samenwerking met de desbetreffende directie;

    • h. het verzorgen van de communicatie in brede zin van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

    • i. het verzorgen van de beleidsondersteuning en beleidsmatige signalering;

    • j. het analyseren van de gemeten effecten betreffende de Nederlandse Arbeidsinspectie en haar activiteiten;

    • k. het ondersteunen van inspecteurs en rechercheurs op het gebied van handhavings- en wetgevingskennis en het formuleren van een handhavingsbeleid van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

    • l. het bewaken van de kwaliteit en consistentie van de boetebeschikkingen en toepassing van bestuursdwang en het zorg dragen voor de voortgang en bewaking van termijnen;

    • m. het opstellen van boete- en bestuursdwangbeschikkingen van de Nederlandse Arbeidsinspectie in het kader van toezicht en handhaving, en de executie van die beschikkingen;

    • n. het geven van waarschuwingen inzake stillegging van werkzaamheden in verband met recidive, alsmede het voorbereiden en bekendmaken van beschikkingen tot stillegging van werkzaamheden in verband met recidive;

    • o. de actieve openbaarmaking op grond van de Wet open overheid van inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen binnen de kaders van het daaromtrent vastgestelde beleid;

    • p. het voorbereiden van kaderstellende beslissingen over inrichting en uitvoering van een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering van de Nederlandse Arbeidsinspectie, voor periodieke evaluatie daarvan;

    • q. de regie op de calamiteitenorganisatie;

    • r. de planning, administratie en control, waaronder mede begrepen het financiële beheer, van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

    • s. het voorbereiden van het jaarplan en het jaarverslag van de Nederlandse Arbeidsinspectie, in samenwerking en afstemming met de overige directies van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

    • t. het personeelsadvies en -beleid, de personeelsontwikkeling en het personeelsbeheer van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

    • u. het facilitymanagement en het relatiemanagement met leveranciers van de Nederlandse Arbeidsinspectie, en de afstemming daarover met de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel van het ministerie, alsmede de beveiliging van personen en gebouwen;

    • v. het materieelbeheer overeenkomstig de Regeling materieelbeheer roerende zaken van het Rijk;

    • w. het verlenen van administratieve ondersteuning voor de werkzaamheden van de Nederlandse Arbeidsinspectie en van secretariële ondersteuning van de inspecteur-generaal, de directeuren en de managers.

  • 2 Bij de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde verantwoordelijkheid ten aanzien van de directie Opsporing wordt rekening gehouden met de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, met name waar het betreft de taken en bevoegdheden van de Minister van Justitie en Veiligheid en het College van procureurs-generaal.

Artikel 7. Verantwoordelijkheden directeur Toezicht

  • 1 De directie Toezicht staat onder verantwoordelijkheid van twee directeuren.

  • 2 Iedere directeur Toezicht is verantwoordelijk voor:

    • a. het doen vormgeven van het programmaplan, de doorontwikkeling en de realisatie van de aan hem toegewezen programma’s, met bijzondere aandacht voor de invulling van de politiek-bestuurlijke visie van de programma’s en het zorg dragen voor initiatie, bestuurlijke haalbaarheid en interventies ten behoeve van het bereiken van beoogde maatschappelijke effecten;

    • b. actieve afstemming op strategisch niveau met onder meer departementale vertegenwoordigers en externe belanghebbenden ten behoeve van de doorontwikkeling en realisatie van de toezichtsprogramma’s;

    • c. het onderkennen en tijdig melden van politiek-bestuurlijke of maatschappelijke risico’s voortkomend uit de toezichtsprogramma’s en het besluiten tot beheersmaatregelen;

    • d. het onderkennen en agenderen van programma-overstijgende vraagstukken en risico’s, waaronder allocatie- en portfoliovraagstukken;

    • e. het toezicht op de naleving door werkgevers van wet- en regelgeving op het gebied van de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen, met name ten aanzien van illegale tewerkstelling van vreemdelingen, allocatie van arbeidskrachten door intermediairs, gelijke behandeling en beloning van mannen en vrouwen en de betaling van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten;

    • f. het toezicht op de naleving door werkgevers en werknemers van wet- en regelgeving op het gebied van arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, met inbegrip van stralingsbescherming, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gevaarlijke werktuigen en stoffen, en daaraan gerelateerd milieubeheer, alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten;

    • g. het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving ten aanzien van het in de handel brengen van producten, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van de Warenwet, die bestemd zijn voor de Europese Economische Ruimte alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten;

    • h. het toezicht op de naleving door werkgevers en werknemers van wet- en regelgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden, met name op het terrein van risico’s op zware ongevallen en – waar voorgeschreven – het beschikken over aanvullende risico- inventarisaties en -evaluaties, alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten, dit mede ter zake van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • i. het behandelen van klachten, meldingen, signalen en verzoeken over het niet naleven van wet- en regelgeving door werkgevers en werknemers betreffende het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie voor zover niet behandeld door de directie Meldingen en Verzoeken, waaronder in geval worden begrepen:

    • j. het verrichten of laten verrichten van onderzoek bij arbeidsongevallen voor zover niet behandeld door de directie Meldingen en Verzoeken en het verrichten of laten verrichten van onderzoek bij arbeidsongevallen in bedrijven met een hoog risico op zware ongevallen;

    • k. de uitvoering van de taken, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, met uitzondering van de taken, genoemd in artikel 38, eerste en tweede lid, en artikelen 40 en 41 van voornoemde wet, voor zover zij behoren tot de verantwoordelijkheden van de directeur Analyse, Programmering en Strategie;

    • l. het namens de minister uitvoeren van de volgende aan de minister opgedragen taken op grond van wet- en regelgeving op het terrein van arbeidsveiligheid, arbeidsgezondheid en productveiligheid:

      • 1°. het op hun verzoek aanwijzen van instellingen als certificatie- of keuringsinstelling die zijn belast met het verstrekken van certificaten dan wel het verrichten van keuringen in het belang van veiligheid en gezondheid in de arbeid, waaronder mede zijn begrepen beslissingen tot wijziging, schorsing en intrekking van aanwijzingen;

      • 2°. het uitoefenen van toezicht op en doen van onderzoek naar certificatie- en keuringsinstellingen;

      • 3°. het verrichten van onderzoek naar de werking van de stelsels van persoonsregistratie, certificering en keuringen;

    • m. het zorgdragen voor de kwaliteitsontwikkeling binnen de vakgroep Programma- & Projectmanagement en de vakgroep Major Hazard Control;

    • n. het verlenen van ondersteuning van projecten van de Nederlandse Arbeidsinspectie.

Artikel 8. Verantwoordelijkheden directeur Meldingen en Verzoeken

De directeur Meldingen en Verzoeken is verantwoordelijk voor:

  • a. het effectief en efficiënt ontvangen, opwerken en opvolgen of doen opvolgen van meldingen en verzoeken conform de daartoe vast te stellen criteria en prioritering;

  • b. het sturen, monitoren en analyseren van de meldingenstroom en uitvoering van dit proces met het oog op informatie gestuurd werken, leereffecten voor het toezicht, politieke verantwoording en trendsignalering;

  • c. de sturing, monitoring en analyse op meldingen en informatie die binnenkomt alsook de beoordeling, de registratie, het uitzetten en de analyse hiervan;

  • d. het regionaal uitvoeren van meldingen en verzoeken in samenwerking met regionale ketenpartners en overheden en met interne afdelingen en het ontwikkelen en borgen van de samenwerkingsnetwerken in de regio;

  • e. het op verzoek van programma’s uitvoeren van landelijke en regionale programmatische/actieve toezichtswerkzaamheden in de regio gericht op gezond, veilig en eerlijk werk;

  • f. het doorzetten van meldingen naar de directie Toezicht dan wel de directie Opsporing;

  • g. het zorgdragen voor de vakontwikkeling en een professionele thuisbasis voor de inspecteurs op het terrein van arbeidsomstandigheden en arbeidsmarktfraude, waaronder begrepen het uitvoeren van projecten van de Nederlandse Arbeidsinspectie en het opleiden en begeleiden van nieuwe inspecteurs;

  • h. kennismanagement en kennisontwikkeling: de inhoud van operationele kennis en de borging hiervan;

  • i. het zorgdragen voor de kwaliteitsontwikkeling binnen de vakgroep Arbeidsomstandigheden en de vakgroep Arbeidsmarktfraude;

  • j. het toezicht op de naleving door werkgevers van wet- en regelgeving op het gebied van de arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen, met name ten aanzien van illegale tewerkstelling van vreemdelingen, allocatie van arbeidskrachten door intermediairs, gelijke behandeling en beloning van mannen en vrouwen en de betaling van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten;

  • k. het toezicht op de naleving door werkgevers en werknemers van wet- en regelgeving op het gebied van arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, met inbegrip van stralingsbescherming, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, gevaarlijke werktuigen en stoffen, en daaraan gerelateerd milieubeheer, alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten;

  • l. het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving ten aanzien van het in de handel brengen van producten, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van de Warenwet, die bestemd zijn voor de Europese Economische Ruimte alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten;

  • m. het toezicht op de naleving door werkgevers en werknemers van wet- en regelgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden, met name op het terrein van risico’s op zware ongevallen en – waar voorgeschreven – het beschikken over aanvullende risico- inventarisaties en -evaluaties, alsmede het in verband daarmee opsporen van strafbare feiten, dit mede ter zake van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

  • n. het behandelen of doen behandelen van klachten, meldingen, signalen en verzoeken over het niet naleven van wet- en regelgeving door werkgevers en werknemers betreffende het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waaronder in ieder geval worden begrepen:

  • o. het vervullen van de rol van verwerkingsverantwoordelijke, bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren.

Artikel 8a. Verantwoordelijkheden directeur Informatievoorziening

De directeur Informatievoorziening is verantwoordelijk voor:

  • a. de regie op de strategische informatievoorziening in brede zin;

  • b. het voorzien in advies en beleid op het gebied van informatievoorziening, informatiehuishouding, data governance, integrale veiligheid en privacy;

  • c. het voorzien in advies op de gebieden informatiemanagement en businessconsultancy;

  • d. het ontwikkelen en leveren van informatie- en dataproducten;

  • e. het doen van analyse en onderzoek;

  • f. het voorzien in instrumenten en processen voor innovatie met data;

  • g. het beheer, de doorontwikkeling, de vernieuwing en de exploitatie van ICT-, informatie- en datavoorzieningen;

  • h. het leveren van IV-dienstverlening;

  • i. het coördineren van het procesmanagement;

  • j. het voorzien in leveranciersmanagement, contractmanagement en relatiebeheer ten behoeve van de informatievoorziening.

Artikel 9. Verantwoordelijkheden directeur Opsporing

  • 1 De directeur Opsporing is verantwoordelijk voor:

    • a. het opsporen – onder het gezag van de officier van justitie – van strafbare feiten op de beleidsterreinen waarvoor de minister verantwoordelijkheid draagt, het in het kader van deze opsporing constateren van andere strafbare feiten welke daarmee verband houden, het in verband met de opsporing van strafbare feiten verzamelen van criminele inlichtingen en het verwerken van persoonsgegevens binnen de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, alsmede het opsporen van strafbare feiten op andere beleidsterreinen, voor zover daartoe door het desbetreffende bestuursorgaan bevoegdheid is gegeven;

    • b. de inrichting, het onderhoud en het beheer van de archieven met opsporingsinformatie van de eigen directie;

    • c. de ontwikkeling en het onderhoud van diverse financiële processen welke specifiek zijn voor een bijzondere opsporingsdienst.

  • 2 De activiteiten van de directie Opsporing strekken zich slechts uit tot het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover hierom door of namens de directeur-generaal Werk wordt verzocht of dit door de directie Opsporing en de directeur-generaal Werk wordt overeengekomen, dan wel dit voortvloeit uit wet- of regelgeving.

§ 4. Bevoegdheden

Artikel 10. Bevoegdheden directeuren

  • 1 Elk van de directeuren is bevoegd om namens een bewindspersoon besluiten te nemen, overeenkomsten aan te gaan en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met de taken en verantwoordelijkheden van het onder hem ressorterende dienstonderdeel, tenzij deze zijn voorbehouden aan een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of de inspecteur-generaal.

  • 2 Aan elke directeur wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten over, het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op:

  • 3 De in het eerste lid genoemde bevoegdheid omvat de bevoegdheid tot het verlenen en vaststellen van subsidies en rijksvergoedingen, het aangaan van verbetertrajecten en het korten op bevoorschotting, voor zover het de uitvoering betreft van regelingen op zijn werkterrein.

  • 4 De in het eerste lid genoemde bevoegdheid omvat voorts de bevoegdheid tot het nemen van dwangsombesluiten die verband houden met het niet tijdig afdoen van een besluit, voor zover dit betrekking heeft op hun eigen verantwoordelijkheden.

  • 5 De in het eerste lid genoemde bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan is beperkt tot overeenkomsten met een waarde per overeenkomst onder de laagste drempel voor aanbesteding conform de Europese aanbestedingsrichtlijnen, met dien verstande dat de volgende overeenkomsten mogen worden aangegaan tot een waarde van € 500.000,– per overeenkomst:

    • a. overeenkomsten welke gebaseerd zijn op een raamovereenkomst;

    • b. overeenkomsten voor het opleiden van medewerkers van de directie;

    • c. overeenkomsten voor het inhuren van personeel voor de uitvoering van werkzaamheden die onder de directe verantwoordelijkheid van het departementale management worden verricht;

    • d. [Red: vervallen;]

    • e. overeenkomsten met betrekking tot raden en commissies;

    • f. overeenkomsten met betrekking tot onderzoek;

    • g. overeenkomsten met betrekking tot incidentele beleidsinformatie, met uitzondering van overeenkomsten met het Centraal bureau voor de statistiek;

    • h. overeenkomsten met betrekking tot de ontwikkeling, de uitvoering en de verantwoording van programma’s en projecten.

  • 6 Het mandaat, bedoeld in het eerste lid, omvat niet het nemen van besluiten in bezwaar- en beroepsprocedures, welke bevoegdheid is voorbehouden aan de inspecteur-generaal, onverminderd mandatering daarvan aan een andere functionaris.

Artikel 11. Bevoegdheden voorbehouden aan de inspecteur-generaal

De volgende bevoegdheden zijn voorbehouden aan de inspecteur-generaal:

  • a. het vaststellen van het meerjarig strategisch plan, het jaarplan en het jaarverslag van de Nederlandse Arbeidsinspectie en rapporten die worden toegezonden aan een bewindspersoon;

  • b. het aangaan en ondertekenen van convenanten of samenwerkingsovereenkomsten met een partij buiten het ministerie, het vaststellen en ondertekenen van brieven, gericht aan een bewindspersoon of secretaris-generaal, alsmede van brieven ter aanbieding van vastgestelde jaarplannen, meerjarenplannen en rapporten aan instellingen die onder toezicht staan van de directie Toezicht op het terrein van Werk en Inkomen;

  • c. het ondertekenen van beschikkingen tot stillegging van werkzaamheden in verband met recidive.

Artikel 12. Doorverlening bevoegdheden

  • 1 De directeuren kunnen hun vertegenwoordigingsbevoegdheden in een door hen te bepalen omvang doorverlenen aan onder hen ressorterende functionarissen, met dien verstande dat bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden slechts kunnen worden doorverleend aan rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen en slechts voor zover het betreft:

    • a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;

    • b. het houden van personeelsgesprekken;

    • c. verlof van medewerkers;

    • d. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kunnen directeuren bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden doorverlenen aan functionarissen die rechtstreeks ressorteren onder rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen, voor zover dit noodzakelijk is vanwege de organisatiestructuur van de directie en voor zover de inspecteur-generaal daarmee schriftelijk instemt. Voor zover de doorverlening van bevoegdheden de beoordeling van medewerkers betreft, geschiedt de vaststelling van een beoordeling van een medewerker door de functionaris die leiding geeft aan de functionaris die de beoordeling heeft opgemaakt. Daar waar de bevoegdheid tot het opmaken van de beoordeling is doorverleend aan functionarissen die rechtstreeks ressorteren onder een rechtstreeks onder een directeur ressorterende functionaris, kan de bevoegdheid tot het vaststellen van de beoordeling worden doorverleend aan de rechtstreeks onder de directeur ressorterende functionaris.

  • 3 Onverminderd het eerste lid kunnen directeuren, na schriftelijke toestemming van de inspecteur-generaal hun vertegenwoordigingsbevoegdheden doorverlenen aan functionarissen van een ander organisatieonderdeel.

  • 4 De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.

Artikel 12a. Plaatsvervanging

  • 1 Bij afwezigheid of verhindering van de inspecteur-generaal worden, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, de taken en bevoegdheden van de inspecteur-generaal geheel of gedeeltelijk waargenomen door een daartoe aan te wijzen plaatsvervanger.

  • 2 Bij afwezigheid of verhindering van zowel de inspecteur-generaal als de plaatsvervangend inspecteur-generaal worden, voor de duur van de afwezigheid, de taken en bevoegdheden van de inspecteur-generaal geheel of gedeeltelijk waargenomen door een daartoe door de inspecteur-generaal aan te wijzen directeur.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2017.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal Nederlandse Arbeidsinspectie 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 31 augustus 2017

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

namens deze,

M.J. Kuipers

inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Naar boven