Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017

[Regeling vervalt op nader te bepalen datum].
Geraadpleegd op 05-02-2023.
Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 2 december 2016, nr. IENM/BSK-2016/283517, ter uitvoering van de artikelen 2.3, eerste lid, en 2.12, vierde lid, van de Waterwet, houdende regels voor het bepalen van de hydraulische belasting en de sterkte en procedurele regels voor de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen (Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017)

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 2.3, eerste lid, en 2.12, vierde lid, van de Waterwet;

BESLUIT:

Artikel 1

De door de beheerder te verrichten beoordeling van de veiligheid van een primaire waterkering, bedoeld in artikel 2.12, vierde lid, van de Waterwet, geschiedt volgens de in bijlage I bij deze regeling opgenomen Procedure beoordeling veiligheid primaire waterkeringen.

Artikel 2

Bij het bepalen van de hydraulische belasting op een primaire waterkering, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Waterwet, gaat de beheerder uit van de in bijlage II bij deze regeling opgenomen Voorschriften bepaling hydraulische belastingen primaire waterkeringen.

Artikel 3

Bij het bepalen van de sterkte van een primaire waterkering, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Waterwet, gaat de beheerder uit van de in bijlage III bij deze regeling opgenomen Voorschriften bepaling sterkte en veiligheid primaire waterkeringen.

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 2 november 2016 tot wijziging van de Waterwet en enkele andere wetten (nieuwe normering primaire waterkeringen) in werking treedt. Indien die wet in werking treedt na 1 januari 2017, werkt deze regeling terug tot en met die datum.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Bijlage I. Procedure beoordeling veiligheid primaire waterkeringen (bijlage bij artikel 1 van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017)

Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017

Bijlage I. Procedure

Colofon

Uitgegeven door

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Informatie

Helpdesk Water http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid/primaire/beoordelen-(wbi)/

Uitgevoerd door

Rijkswaterstaat, Water Verkeer en Leefomgeving

Inhoud

1

Inleiding

3

1.1

Het Wettelijk beoordelingsinstrumentarium

3

1.2

Signaleringswaarde en ondergrens

3

1.3

Gehanteerde begrippen

3

1.4

Leeswijzer

4

     

2

De beoordeling op hoofdlijnen

4

2.1

Inleiding

4

2.2

Voorbereiding

5

2.3

Uitvoering

5

2.3.1

Algemeen filter

5

2.3.2

De toetsprocedure

6

2.3.3

Het veiligheidsoordeel

6

2.4

Rapportage

6

     

3

Uitvoering

7

3.1

Algemeen filter

7

3.1.1

Inleiding

7

3.1.2

Filter op trajectniveau

7

3.1.3

Filter op vakniveau

8

3.2

Toetsprocedure

9

3.2.1

Schematiseren

9

3.2.2

De eenvoudige toets

9

3.2.3

De gedetailleerde toets per vak

10

3.2.4

Toetsoordeel per vak

10

3.2.5

Vervolgstappen

11

3.2.6

Gedetailleerde toets per traject

12

3.2.7

De toets op maat

12

3.2.8

Toetsoordeel per traject

13

3.3

Veiligheidsoordeel

13

     

4

Rapportage

14

4.1

Inleiding

14

4.2

Rapportageverplichtingen

14

4.2.1

Veiligheidsoordeel

15

4.2.2

Duiding van het veiligheidsoordeel

15

4.2.3

Een overzicht van de te treffen voorzieningen

15

4.2.4

Aanvullende informatie

16

     

5

Kwaliteitsborging en herleidbaarheid

16

5.1

Inleiding

16

5.2

Schematisering

16

5.3

Beoordeling volgens het algemene filter

16

5.4

Beoordeling volgens de eenvoudige toets en gedetailleerde toets per vak per toetsspoor

16

5.5

Beoordeling volgens toets op maat

16

5.6

Logboek en overige informatie

17

     

6

Bijzondere beoordelingen

17

6.1

Inleiding

17

6.2

Voorliggende keringen

17

6.2.1

Inleiding

17

6.2.2

Stormvloedkeringen

18

6.2.3

Oosterscheldekering

18

6.2.4

Te beoordelen zijde van voorliggende keringen

18

6.3

Compartimenterende keringen

18

6.4

Keringen langs het Volkerak-Zoommeer

19

6.5

Niet-waterkerende objecten (NWO’s)

19

6.6

Voorlanden

19

6.7

Projecten opgenomen in het programma van het HWBP

19

6.8

Recent opgeleverde projecten

20

6.9

Keringen in het buitenland

20

6.10

Innovatie

20

     

Appendix A

Overzicht documenten en software

21

     

Appendix B

Begrippenlijst

22

     

Appendix C

Filter op trajectniveau

43

     

Appendix D

Afkortingen

44

1. Inleiding

1.1. Het Wettelijk beoordelingsinstrumentarium

Het Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium 2017 (hierna: WBI 2017) bevat zowel de voorschriften voor het bepalen van de hydraulische belastingen en de sterkte, als de procedurele voorschriften voor de beoordeling van de veiligheid van de primaire waterkeringen. Het WBI 2017 bestaat uit een ministeriële regeling (Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017) met de volgende bijlagen:

Bijlage I

Procedure beoordeling veiligheid primaire waterkeringen

(hierna: Bijlage I Procedure).

In deze bijlage staat de procedure die moet worden doorlopen voor de beoordeling en worden de rapportageverplichtingen beschreven. In deze bijlage is een begrippenlijst opgenomen met een uitleg van alle begrippen die in het WBI 2017 worden gebruikt.

Bijlage II

Voorschriften bepaling hydraulische belasting primaire waterkeringen

(hierna: Bijlage II Hydraulische belastingen).

In deze bijlage wordt de methode beschreven om de hydraulische belastingen op de primaire waterkeringen te bepalen.

Bijlage III

Voorschriften bepaling sterkte en veiligheid primaire waterkeringen

(hierna: Bijlage III Sterkte en veiligheid).

In deze bijlage staat op welke manier de primaire waterkering moet worden beoordeeld om te komen tot een oordeel over de veiligheid van de gehele kering.

Het voorliggende document is Bijlage I Procedure.

Toelichtende teksten bij de regels zijn cursief weergegeven.

1.2. Signaleringswaarde en ondergrens

Het wetsvoorstel nieuwe normering primaire waterkeringen introduceert signaleringswaarden en ondergrenzen voor de primaire waterkeringen. Overschrijding van de signaleringswaarde is meestal een vroegtijdig signaal dat een kering op termijn versterkt moet worden. Er is dan voldoende tijd voor de uitvoering van versterkingsmaatregelen. Het streven is dat die maatregelen afgerond zijn voordat de ondergrens wordt overschreden oftewel voordat de kering niet meer voldoet aan de maximaal toelaatbare overstromingskans of faalkans. Als een kering niet meer aan de signaleringswaarde voldoet, wordt dit gemeld aan de Minister van I en M en start een proces voor versterking.1 Bij de melding wordt uiteraard ook aangegeven of de kering nog voldoet aan de ondergrens.2

Om de werkzaamheden en inspanning die voor de beoordeling geleverd moeten worden, af te stemmen op de risico’s voor de veiligheid wordt het in sommige gevallen aan de beheerder overgelaten om de afweging te maken tussen een beoordeling op basis van de signaleringswaarde of de ondergrens. In deze gevallen staat in de tekst het woord ‘norm’. In die gevallen waar de keuze niet aan de beheerder is, wordt de term ‘signaleringswaarde‘ of ‘ ondergrens‘ gebruikt.

Als de beheerder bijvoorbeeld verwacht dat het te beoordelen dijktraject ruim niet aan de ondergrens zal voldoen, zal dat de meest logische waarde zijn om de berekeningen mee uit te voeren. Vervolgens wordt voor alle vakken en toetssporen binnen het dijktraject de ondergrens gebruikt.

1.3. Gehanteerde begrippen

Hieronder staan de definities van de meest voorkomende begrippen. Voor een uitgebreid overzicht van de begrippen wordt verwezen naar appendix B.

Tabel 1-1 Definities van de meest voorkomende begrippen.

Dijktraject

Gedeelte van een primaire waterkering dat afzonderlijk genormeerd is.

Faalkans

Kans op overschrijden van de uiterste grenstoestand van een waterkering of een onderdeel daarvan. De uiterste grenstoestand wordt vastgelegd door een faaldefinitie.1

Faalkans per vak of

Faalkans per doorsnede of

Faalkans per kunstwerk

Faalkans voor een vak voor een toetsspoor als resultaat van de analyse in de gedetailleerde toets per vak. Een vak heeft betrekking op een dijkdoorsnede, duinenraai of kunstwerk.

Faalkans per traject

Faalkans voor een dijktraject voor een toetsspoor of combinatie van toetssporen als resultaat van de analyse in de gedetailleerde toets per traject of in de toets op maat.

Faalkanseis per traject

Toelaatbare faalkans voor een dijktraject voor een toetsspoor of combinatie van toetssporen voor een faalkansbegroting afgeleid uit de norm.

Faalkanseis per vak of

Faalkanseis per doorsnede of

Faalkanseis per kunstwerk

Toelaatbare faalkans voor een vak per toetsspoor afhankelijk van de faalkansbegroting, het lengte-effect en de norm.

Norm

Toelaatbare overstromingskans van een dijktraject. De norm wordt uitgedrukt in de ondergrens of signaleringswaarde.

Toetsoordeel

Resultaat van een eenvoudige toets, gedetailleerde toets of toets op maat.

Toetsoordeel per traject

Resultaat van een toetsspoor of een combinatie van toetssporen voor een dijktraject.

Toetsoordeel per vak of

Toetsoordeel per vak per toetsspoor

Resultaat van een toetsspoor voor een vak

Toetsspoor

De wijze waarop een mechanisme of een onderdeel van de waterkering wordt beoordeeld.

Signaleringswaarde

Overstromingskans van het dijktraject waarvan overschrijding gemeld moet worden aan de Minister van I en M.

Ondergrens

Overstromingskans van het dijktraject die hoort bij het minimale beschermingsniveau dat de kering moet bieden.

Vak

Een deel van een waterkering – dijkdoorsnede, duinenraai of kunstwerk – met uniforme eigenschappen en belasting2.

Veiligheidsoordeel

Oordeel over de veiligheid tegen overstromen van het dijktraject.

1 Deze definitie van faalkans wijkt af van de definitie van faalkans in artikel 1.1. van de Waterwet. Het begrip ‘faalkans‘ in de Waterwet is specifiek gekoppeld aan voorliggende keringen, en komt daar in de plaats van het begrip ‘overstromingskans‘ dat voor de overige primaire keringen wordt gebruikt.

2 Hoe te komen tot een vakindeling staat in de schematiseringshandleidingen.

1.4. Leeswijzer

Hoofdstuk 2

beschrijft de procedure op hoofdlijnen voor de beoordelingsperiode 2017–2023.

Hoofdstuk 3

beschrijft de uitvoering van de beoordeling.

Hoofdstuk 4

geeft de eisen weer die worden gesteld aan de rapportage van de keringsbeheerder.

Hoofdstuk 5

geeft de eisen weer die worden gesteld aan de kwaliteitsborging en herleidbaarheid van de resultaten.

Hoofdstuk 6

beschrijft hoe dient te worden omgegaan met een aantal bijzondere beoordelingen.

Appendices:

A:

Overzicht te gebruiken documenten en software in de beoordeling

B:

Begrippenlijst voor het gehele WBI 2017

C:

Overzicht trajecten voor het filter op trajectniveau

D:

Afkortingen

2. De beoordeling op hoofdlijnen

2.1. Inleiding

De beoordeling bestaat uit de volgende fases:

  • I. Voorbereiding

  • II. Uitvoering

  • III. Rapportage

Een fase kan uit verschillende onderdelen bestaan.

Kennis van de keringbeheerder

Van de keringbeheerder wordt verwacht dat hij zijn gebiedskennis en kennis van de kering inbrengt in alle fases en stappen van de beoordeling.

Bijlage 258043.png
Figuur 2-1 Fasen en onderdelen van fasen in de beoordeling.

2.2. Voorbereiding

De voorbereiding bestaat uit het verzamelen van de voor de beoordeling benodigde informatie en het opstellen van een beoordelingsstrategie. De voorbereiding start met het verzamelen van alle bestaande relevante informatie over het te beoordelen traject. Op basis van deze informatie wordt een beoordelingsstrategie en een strategie voor het verkrijgen van de ontbrekende gegevens opgesteld. Het is mogelijk om bij het verkrijgen van ontbrekende gegevens van grof naar fijn te werken en pas gedetailleerde extra gegevens in te winnen als er te weinig gegevens voorhanden zijn om een betrouwbaar resultaat te verkrijgen.

2.3. Uitvoering

De uitvoeringsfase van de beoordeling van de primaire keringen in de periode 2017 tot 2023 bestaat op hoofdlijnen uit drie onderdelen:

  • Het toepassen van het algemene filter (zie paragraaf 2.3.1).

  • Het doorlopen van de toetsprocedure, die bestaat uit verschillende toetsen (zie paragraaf 2.3.2).

  • Het opstellen van het veiligheidsoordeel over het traject (zie paragraaf 2.3.3).

De beoordeling inclusief de resultaten van de analyses worden geadministreerd in de WBI 2017-software.

2.3.1. Algemeen filter

Het algemene filter bestaat uit een aantal criteria (zie paragraaf 3.1.2 en 3.1.3) op basis waarvan de beheerder kan bepalen of het mogelijk is direct tot een oordeel over het traject te komen. Het algemene filter is gebaseerd op beleidsmatige afwegingen passend binnen de ambitie voor de beoordelingsperiode 2017-2023. Als niet aan de criteria van het algemene filter wordt voldaan, wordt de beoordeling voortgezet volgens de voorgeschreven toetsprocedure (zie paragraaf 3.2).

Het algemene filter bestaat uit een filter op trajectniveau en een filter op vakniveau. Een traject is een dijktraject als bedoeld in de Waterwet. Een vak is een gedeelte van een dijktraject en kan een dijk zijn, maar ook een dam, een kunstwerk, of een duin. Voor dijktrajecten die aan de criteria van het algemene filter voldoen, kan direct een veiligheidsoordeel worden opgesteld. Voor vakken die voldoen aan de criteria van het algemene filter op vakniveau kan direct een toets op maat worden uitgevoerd.

2.3.2. De toetsprocedure

Voor de trajecten die niet voldoen aan de voorwaarden van het algemene filter, wordt de beoordeling voortgezet volgens de in dit deel beschreven toetsprocedure en de in Bijlage II Hydraulische belastingen en Bijlage III Sterkte en veiligheid beschreven voorschriften.

De toetsprocedure verloopt stapsgewijs en bestaat uit verschillende toetsen. Deze toetsen gaan van globaal, eenvoudig en generiek naar scherp en (vaak) complex en locatiespecifiek. Dat betekent dat:

  • De conservatieve schattingen in de beoordelingsmethode afnemen met de volgende toets. De beoordeling moet worden voortgezet in de volgende toets, als niet aan de eisen van de voorafgaande toets wordt voldaan.

  • Het detailniveau van de informatie die de toetsing oplevert met de volgende toets toeneemt. Hoe gedetailleerder het resultaat, hoe nauwkeuriger kan worden bepaald in welke de categorie het veiligheidsoordeel valt.

De procedure bestaat uit de volgende vier verschillende soorten toetsen (van globaal naar gedetailleerd):

  • Eenvoudige toets: deze wordt uitgevoerd per vak en per toetsspoor.

  • Gedetailleerde toets per vak: uitgevoerd per vak en per toetsspoor.

  • Gedetailleerde toets per traject: deze toets wordt uitgevoerd voor het gehele dijktraject waarbij vakken of toetssporen worden gecombineerd.

En

  • Toets op maat: deze toets kan zowel worden uitgevoerd per vak en per toetsspoor als voor het gehele dijktraject.

Voor de uitvoering van de eenvoudige toets en de gedetailleerde toetsen zijn in Bijlage III Sterkte en veiligheid voorschriften opgenomen. Deze voorschriften zijn afgeleid voor een breed toepassingsgebied en daarmee generiek van aard. De kwaliteit en de toepasbaarheid van deze voorschriften is reeds aangetoond.

Als de generieke toetsen (eenvoudige toets, gedetailleerde toets per vak en per traject) niet toepasbaar zijn op een specifieke locatie of een te conservatief beeld geven van de veiligheid, maakt de toets op maat het mogelijk om:

  • Locatiespecifieke analyses uit te voeren die beter aansluiten bij de lokale situatie of waarnemingen van de beheerder, of

  • Geavanceerde analyses uit te voeren.

Voor de toets op maat zijn in Bijlage III Sterkte en veiligheid geen specifieke voorschriften opgenomen, maar worden alleen mogelijkheden voor nadere analyses aangereikt.

Als de beheerder van mening is dat de resultaten van de andere toetsen geen juist beeld opleveren van de veiligheid van de kering, biedt de toets op maat de mogelijkheid om een ‘beheerdersoordeel’ te onderbouwen.

In hoofdstuk 3 van dit document worden de verschillende toetsen op hoofdlijnen beschreven en wordt aangegeven hoe de procedure moet worden doorlopen.

2.3.3. Het veiligheidsoordeel

Als het algemene filter op trajectniveau van toepassing is, of wanneer alle toetsen zijn uitgevoerd, stelt de beheerder het veiligheidsoordeel op over het traject. Het veiligheidsoordeel wordt uitgedrukt in categorieën. De categorieën geven inzicht in de mate waarin het traject wel of niet voldoet aan de norm, zie paragraaf 3.3.

2.4. Rapportage

De beheerder moet over de resultaten van de beoordeling rapporteren aan de minister. In hoofdstuk 4 van Bijlage I Procedure staan de eisen die worden gesteld aan deze rapportage.

In de praktijk rapporteert de beheerder aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), die namens de minister het toezicht houdt op de primaire keringen.

3. Uitvoering

3.1. Algemeen filter

3.1.1. Inleiding

De uitvoering begint met het algemene filter. Het algemene filter bevat een filter op het niveau van het dijktraject en een filter op het niveau van een vak.

Als het dijktraject voldoet aan de criteria van het filter op trajectniveau, kan de beheerder op basis van de resultaten van het project Veiligheid Nederland in Kaart (VNK) en expert judgement een veiligheidsoordeel over het traject opstellen.

Op vakniveau geldt dat als wordt voldaan aan de criteria de beheerder direct een toets op maat kan uitvoeren. Als niet wordt voldaan aan de criteria wordt de beoordeling voortgezet met het uitvoeren van de generieke toetsen. Deze werkwijze is schematisch weergegeven in onderstaande figuur.

Bijlage 258044.png
Figuur 3-1 Het algemene filter.

Voor een schematisch overzicht van de gehele uitvoering wordt verwezen naar figuur 3-4.

3.1.2. Filter op trajectniveau

Het algemene filter op trajectniveau selecteert dijktrajecten waarvan de overstromingskans veel groter of juist veel kleiner is dan de signaleringswaarde. Voor de geselecteerde dijktrajecten mag de beheerder direct een veiligheidsoordeel opstellen op basis van de resultaten van VNK en expert judgement.

Het doel van het filter is het efficiënt inzetten van de beschikbare tijd en middelen bij de beheerders bij de eerste beoordeling op basis van de nieuwe veiligheidsbenadering. Daarom is op grond van de kennis die al beschikbaar is vanuit het project VNK en de beleidsmatige afwegingen een selectie gemaakt van dijktrajecten met een, naar verwachting, veel grotere of veel kleinere overstromingskans dan de signaleringswaarde.

De dijktrajecten waarvoor in het project VNK een veel grotere overstromingskans is berekend dan de signaleringswaarde, zijn opgenomen in tabel 1 in appendix C.

Het filter op dijktrajectniveau is van toepassing als:

  • Het traject is opgenomen in tabel 1 van appendix C, èn

  • De beheerder kan aantonen dat het totaal aan nieuwe inzichten die verwerkt zijn in het WBI 2017 en wijzigingen aan de kering ten opzichte van de situatie die gehanteerd is in VNK, niet leiden tot een substantieel kleinere overstromingskans voor het traject.

De dijktrajecten waarvoor in het project VNK een veel kleinere overstromingskans is bepaald dan de signaleringswaarde, zijn opgenomen in tabel 2 in appendix C.

Het filter op dijktrajectniveau is van toepassing als:

  • Het dijktraject is opgenomen in tabel 2 van appendix C, èn

  • De beheerder kan aantonen dat het totaal aan nieuwe inzichten dat verwerkt is in het WBI 2017 en wijzigingen aan de kering ten opzichte van de situatie die is gehanteerd in VNK, niet leiden tot een substantieel grotere overstromingskans voor het traject.

Onderbouwing van 2e criterium

Het project VNK heeft voor een groot deel van Nederland de overstromingskansen en -risico’s in beeld gebracht. De uitkomsten van dit studieproject zijn gebaseerd op het kennisniveau van 2006. In het WBI 2017 zijn nieuwe inzichten verwerkt, waardoor er verschillen zullen zijn tussen de resultaten van VNK en de uitkomsten van de beoordeling. Ook kan de kering zelf zijn veranderd. Om gebruik te kunnen maken van de resultaten van VNK, moet de beheerder aantonen dat het totaal aan nieuwe inzichten in het WBI 2017 geen positieve of negatieve invloed heeft op de overstromingskans van het traject en dat het resultaat van VNK nog steeds een goede inschatting is van de overstromingskans van het traject.

Veiligheidsoordeel

Wanneer het algemene filter op trajectniveau van toepassing is, kan direct een veiligheidsoordeel worden gegeven. Het veiligheidsoordeel is het oordeel over het gehele traject, uitgedrukt in de categorieën zoals beschreven in hoofdstuk 3.3. Voor trajecten waarop het algemene filter van toepassing is geldt:

  • Het traject valt in veiligheidscategorie D wanneer het traject is opgenomen in tabel 1 van appendix C.

  • Het traject valt in veiligheidscategorie A wanneer het traject is opgenomen in tabel 2 van appendix C.

3.1.3. Filter op vakniveau

Het algemeen filter op vakniveau geldt per vak en per toetsspoor. Voordat het algemeen filter op vakniveau kan worden toegepast, moet het dijktraject zijn ingedeeld in vakken. Hoe wordt gekomen tot een vakindeling staat beschreven in de schemateriseringshandleidingen (zie paragraaf 3.2.1).

Als het filter op vakniveau van toepassing is, kan direct een toets op maat worden uitgevoerd. Het filter op vakniveau is van toepassing als wordt voldaan aan één of meer van de onderstaande criteria:

  • 1: Toepassen van de generieke toetsen voor een vak voor één of meer toetssporen leidt niet tot een betrouwbaar oordeel.

    De voorschriften in het WBI 2017 zijn vastgesteld voor een breed toepassingsgebied. Dit betekent dat in sommige situaties deze generieke regels niet goed toepasbaar zijn. Ook kan het voorkomen dat het WBI 2017 voor de betreffende situatie geen voorschriften bevat. De beheerder kan gebruik maken van resultaten uit de voorafgaande beoordelingsperiode om aan te tonen dat het WBI 2017 niet leidt tot een betrouwbaar oordeel, als in de vorige beoordelingsperiode de voorschriften niet konden worden toegepast en de voorschriften niet gewijzigd zijn.

  • 2: Het direct uitvoeren van een toets op maat leidt met minder inspanning tot een vergelijkbaar resultaat als het toepassen van de voorschriften uit het WBI 2017.

    Dit criterium biedt mogelijkheden voor de beoordeling van recent versterkte vakken. Een vergelijkbaar resultaat wil zeggen dat het toetsoordeel even betrouwbaar is als wanneer de voorschriften worden gevolgd.

Als de beheerder kan aantonen dat aan één van bovenstaande criteria wordt voldaan, is het filter van toepassing en kan direct een toets op maat worden uitgevoerd.

3.2. Toetsprocedure

3.2.1. Schematiseren

Om de analyses die voor de verschillende toetsen nodig zijn te kunnen uitvoeren, moeten de beschikbare gegevens over het dijktraject worden omgezet in geschikte invoer voor de rekenmodellen die voor de verschillende toetssporen worden gebruikt. Dit proces wordt schematiseren genoemd.

De hoeveelheid gegevens die nodig is om te schematiseren en het detailniveau waarop het vak wordt geschematiseerd verschilt per toets en is sterk locatieafhankelijk. Schematiseren is een iteratief proces, passend bij de werkwijze ‘van grof naar fijn’. De beoordeling kan worden gestart met een grove schematisering op basis van de beschikbare gegevens. Vervolgens wordt de schematisering tijdens de hele beoordeling verfijnd als dat nodig is om te komen tot een scherper oordeel. Om de schematisering te verfijnen, kunnen extra gegevens nodig zijn.

Schematiseringshandleidingen

De schematiseringshandleidingen (zie appendix A) beschrijven voor de verschillende toetssporen de werkwijze om te komen tot de schematisering. Het gebruik van de schematiseringshandleidingen is voorgeschreven voor de eenvoudige toets en gedetailleerde toetsen per vak en per dijktraject. Als wordt afgeweken van de werkwijze die is beschreven in de schematiseringshandleidingen, moet dit worden gemotiveerd en wordt de gehanteerde werkwijze vastgelegd in het logboek (zie Hoofdstuk 5 over kwaliteitsborging en herleidbaarheid).

Referentie voor de schematisering

De beoordeling van de veiligheid gaat uit van de sterkte van de kering aan het einde van de beoordelingsperiode. Dit is voor de beoordelingsperiode 2017-2022, 31 december 2022. Dit wordt de peildatum genoemd. Deze datum is ook gehanteerd voor het afleiden van de hydraulische belastingen.

Het uitgangspunt voor de beoordeling is dan ook de verwachte toestand van de waterkering en het watersysteem op de peildatum.

Met verwachte toestand wordt bedoeld:

  • 1: Het verwachte profiel van de waterkering op de peildatum.

    Dit is meestal de actuele kruinhoogte en profiel gecorrigeerd voor de zetting en klink en/of de ontwikkeling van voorland of duin die wordt verwacht tot peildatum.

  • 2: De verwachte toestand van onderdelen van de waterkering op de peildatum.

    De verwachte toestand van een waterkering of onderdelen daarvan op peildatum kan bepaald worden op basis van de resultaten van (visuele) inspectie of monitoring en/of op basis van de programmering van de benodigde (onderhouds)maatregelen. Daarbij geldt het volgende:

    • (Onderhouds)maatregelen die zijn opgenomen in de programmering en naar verwachting voor peildatum zijn gerealiseerd, worden als uitgevoerd beschouwd. De betreffende onderdelen van de waterkering worden geschematiseerd in de reeds verbeterde toestand.

    • Onderhoudsmaatregelen die niet zijn opgenomen in de programmering of niet voor de peildatum zijn gerealiseerd, worden buiten beschouwing gelaten. In de schematisering van de waterkering wordt rekening gehouden met de mogelijk verminderde sterkte van de betreffende onderdelen door schade of degradatie. In dergelijke gevallen is het vaak niet mogelijk om op basis van een generieke toets tot een oordeel te komen, maar is een toets op maat nodig.

Als rekening wordt gehouden met een verminderde sterkte of onderhoudsaspecten van de kering, geeft de beheerder dit aan in de motivering bij de schematisering en in de rapportage.

3.2.2. De eenvoudige toets

Als het filter op trajectniveau en het filter op vakniveau niet van toepassing zijn, begint de toetsprocedure met het uitvoeren van de eenvoudige toets.

In de eenvoudige toets wordt per vak en per toetsspoor met eenvoudige beslisregels gecontroleerd of het toetsspoor relevant is. De beslisregels zijn gebaseerd op veilige afmetingen van (onderdelen van) de kering, algemene eigenschappen van de kering waardoor een faalmechanisme niet kan optreden of eenvoudige rekenregels.

Als wordt voldaan aan de beslisregels is de bijdrage van het mechanisme of van het falen van het onderdeel van de kering aan de overstromingskans van het traject verwaarloosbaar klein. Als niet wordt voldaan aan de beslisregels moet de beoordeling worden voortgezet met een gedetailleerde toets per vak. Deze werkwijze is weergegeven in figuur 3-2.

De beslisregels voor de eenvoudige toets worden beschreven in Bijlage III Sterkte en veiligheid.

Bijlage 258045.png
Figuur 3-2 Stappen na eenvoudige toets.

De beheerder kan zelf de keuze maken de eenvoudige toets over te slaan en de beoordeling te starten met de gedetailleerde toets per vak en per toetsspoor. Voor enkele toetssporen is geen eenvoudige toets beschikbaar. Daarbij begint de beoordeling altijd met de gedetailleerde toets per vak en per toetsspoor.

3.2.3. De gedetailleerde toets per vak

Bij de gedetailleerde toets per vak worden de eisen die aan het vak worden gesteld afgeleid uit de wettelijke overstromingskans van het dijktraject (de norm). Daarvoor wordt deze overstromingskans via een in Bijlage III Sterkte en veiligheid voorgeschreven verhouding toegedeeld aan de faalmechanismen die in de verschillende toetssporen worden beoordeeld (faalkansbegroting) en vervolgens over de vakken. Op deze manier wordt per toetsspoor voor ieder vak de maximaal toelaatbare faalkans afgeleid: de faalkanseis per vak. De toets bestaat uit het beoordelen of de berekende faalkans voldoet aan de faalkanseis.

De beoordeling vindt per toetsspoor plaats door het uitvoeren van probabilistische of semi-probabilistische berekeningen. Op basis van deze berekeningen kan worden bepaald of de kans dat de kering faalt doordat het betreffende mechanisme optreedt (of het onderdeel van de kering faalt) kleiner is dan de faalkanseis voor het vak. Het resultaat van deze toets is een oordeel per vak per toetsspoor, uitgedrukt in een categorie. In Bijlage III Sterkte en veiligheid worden per toetsspoor de voorschriften beschreven en wordt aangegeven op welke manier de eisen per vak worden afgeleid.

De eerste stap binnen elk toetsspoor is het controleren of een rekenmodel wordt voorgeschreven (zie Bijlage III Sterkte en veiligheid bij de verschillende toetssporen) en of het voorgeschreven rekenmodel voor het te beschouwen vak toepasbaar is. Wanneer dit niet het geval is kan direct naar ‘vervolgstappen’ worden gegaan (zie 3.2.5). Voor de overige vakken wordt per vak en per toetsspoor gecontroleerd of aan de eisen uit deze toets wordt voldaan.

De uitvoering van de gedetailleerde toets per vak kan een iteratief proces zijn, bijvoorbeeld als een verfijning van de schematisering nodig is om te komen tot een scherper oordeel.

3.2.4. Toetsoordeel per vak

Na de uitvoering van de eenvoudige toets, de gedetailleerde toets per vak en/of de toets op maat (voor die vakken waar het filter op vakniveau van toepassing is), kan voor elk toetsspoor een oordeel over het vak worden gegeven, het toetsoordeel per vak.

De toetsoordelen per vak worden uitgedrukt in categorieën. Deze categorieën zijn gerelateerd aan de afstand tot de norm van het traject. De categorieën voor het toetsoordeel per vak zijn en de wijze waarop wordt bepaald tot welke categorie een vak behoort staan beschreven in Bijlage III Sterkte en veiligheid (hoofdstuk 2).

Op basis van alle toetsoordelen worden de vervolgstappen bepaald. Bovenstaande werkwijze is schematisch weergegeven in onderstaande figuur.

Bijlage 258046.png
Figuur 3-3 Toetsoordeel per vak en per toetsspoor en keuze vervolgstappen.

3.2.5. Vervolgstappen

Op basis van het eerste toetsoordeel per vak en per toetsspoor dient de beheerder te beoordelen welke vervolgstappen nodig zijn om tot een veiligheidsoordeel per traject te komen. In het schema in figuur 3-4 is dit aangegeven met ‘keuze vervolgstappen’. Dit is ook het moment waarop de beheerder oordeelt of er discrepantie bestaat tussen zijn ervaring met en kennis van het dijktraject en het resultaat uit de toetsing.

Er zijn vier mogelijke vervolgstappen:

  • 1: Uitvoeren van een gedetailleerde toets per traject

    Het toetsoordeel wordt aangescherpt door het gebruik van probabilistische benadering op trajectniveau waarbij (onder andere) de faalkansbegroting wordt losgelaten (zie paragraaf 3.2.6). De faaldefinitie en de modellen die hierbij gebruikt worden wijzigen niet. Het resultaat is een oordeel per traject.

  • 2: Aanscherpen van de schematisering

    Het toetsoordeel wordt aangescherpt door het aanscherpen (verfijnen) van de schematisering van de kering of van de geschematiseerde eigenschappen. Dit kan zowel worden overwogen voor de gedetailleerde toets per vak als de gedetailleerde toets per traject.

  • 3: Uitvoeren van een toets op maat

    Het toetsoordeel per vak en per toetsspoor zal in de meeste gevallen zijn bepaald met generieke en breed toepasbare faaldefinities en modellen. Daardoor kan het voorkomen dat het toetsoordeel geen betrouwbaar resultaat geeft voor de specifieke lokale situatie. Het toetsoordeel kan worden aangescherpt door het toepassen van locatiespecifieke kennis of geavanceerde analyses.

    Gecontroleerd kan worden of met andere rekenmodellen of het aanscherpen van de definitie van falen (die dus dichter bij daadwerkelijk falen ligt, bijvoorbeeld door het meenemen van reststerkte) een scherper beeld kan worden verkregen van de mate waarin de waterkering al dan niet voldoet aan de norm.

    Als het toetsoordeel niet in overeenstemming is met de kennis en ervaring van de beheerder, dan kan de toets op maat bestaan uit een oordeel, onderbouwd op basis van de kennis en ervaring van de beheerder (beheerdersoordeel).

  • 4: Stoppen van de beoordeling

    De beheerder bepaalt dat de beoordeling van een traject wordt beëindigd. Dit kan als wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • De beheerder kan onderbouwen dat het uitvoeren van nadere analyses er niet toe zal leiden dat het toetsoordeel in een andere categorie valt.

      Nadere analyses zijn bijvoorbeeld de verdere verfijning van de schematisering, het uitvoeren van een gedetailleerde toets per traject of een toets op maat.

    • De beoordeling levert ten minste de in hoofdstuk 4 genoemde informatie voor het opstellen van de rapportage.

    • Als met een kosten-baten analyse kan worden aangetoond dat het aanscherpen van het toetsoordeel niet kosteneffectief is ten opzichte van het uitvoeren van een herstel- of verbetermaatregel.

      De analyses die nodig zijn voor het aanscherpen van het toetsoordeel kunnen duurder zijn dan de verbetermaatregel. In dat geval heeft verbeteren de voorkeur boven het aanscherpen van het toetsoordeel.

Er is een uitzondering mogelijk waarin niet wordt voldaan aan bovenstaande criteria, maar de beheerder kan besluiten voor deze ronde te stoppen met beoordelen. Als de beheerder kan motiveren dat het oordeel over het traject niet in categorie D valt en verder aanscherpen van het oordeel voor het betreffende vak of toetsspoor geen toegevoegde waarde heeft voor het oordeel over het traject in deze beoordelingsronde. De beheerder geeft in dat geval aan in de rapportage dat het eindoordeel een voorlopig veiligheidsoordeel is, in welke categorie(en) hij verwacht dat het uiteindelijke oordeel zal vallen en wanneer de beoordeling in de volgende ronde (2023–2034) wordt afgerond.

Er is bijvoorbeeld sprake van een voorlopig oordeel dat ertoe leidt dat verbetering een lage prioriteit heeft ten opzichte van andere oordelen en maatregelen binnen het gebied van de beheerder.

In de rapportage geeft de beheerder aan welke beheersmaatregelen worden getroffen in de periode tot de beoordeling is afgerond. Als een voorlopig oordeel over het traject wordt afgegeven, kan het traject na een afgeronde beoordeling in de volgende beoordelingsronde worden aangemeld voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

Tijdens de beoordeling zullen beheerders ervaring opdoen met bovenstaande criteria. Daarom worden gedurende de beoordelingsperiode praktijkvoorbeelden en de daarbij gekozen vervolgstappen toegevoegd aan het voorbeeldenboek, zodat deze door alle beheerders te raadplegen zijn en in gelijke gevallen gelijke keuzes worden gemaakt.

3.2.6. Gedetailleerde toets per traject

In de gedetailleerde toets per traject wordt een probabilistische benadering op het traject toegepast waarin het vaste lengte-effect en de vaste faalkansruimteverdeling tussen toetssporen worden losgelaten. De gedetailleerde toets per traject in het WBI 2017 heeft betrekking op een beperkt aantal toetssporen. In Bijlage III Sterkte en veiligheid, staat voor welke toetssporen deze toets kan worden uitgevoerd.

Bij de gedetailleerde toets per traject kan gebruik worden gemaakt van dezelfde fysische en statistische modellen als bij de gedetailleerde toets per vak. In dit geval kan in beide toetsen dezelfde schematisering worden gebruikt en er zijn geen andere invoergegevens nodig. De resultaten van de gedetailleerde toets per traject geven inzicht in welke onderdelen en eigenschappen van de kering de grootste invloed hebben op de overstromingskans van een traject. In sommige gevallen kan deze informatie inzichtelijk maken waar meer of nauwkeurigere gegevens kunnen leiden tot een scherper toetsoordeel. Dit kan aanleiding zijn om de berekeningen te maken met aangescherpte invoergegevens.

Het resultaat van de gedetailleerde toets per traject is een oordeel over het gehele traject voor de toetssporen die probabilistisch kunnen worden benaderd.

3.2.7. De toets op maat

De beoordelingen uit de gedetailleerde toetsen gaan uit van generieke voorschriften die worden beschreven in Bijlage III Sterkte en veiligheid. De toets op maat maakt het mogelijk om nadere analyses uit te voeren:

  • locatiespecifieke analyses,

  • geavanceerde analyses, of

  • een oordeel te geven dat gebaseerd is op de kennis en ervaring van de beheerder.

Nadere analyses in de toets op maat, die beter aansluiten bij de lokale situatie of waarnemingen van de beheerder, kunnen variëren van eenvoudig tot geavanceerd en van deterministisch tot probabilistisch per vak of per traject. Een nadere analyse is ook de aanscherping van de hydraulische belasting.

Voor de toets op maat staan geen voorschriften in Bijlage III Sterkte en veiligheid. Handvatten voor het uitvoeren van toetsen op maat worden opgenomen in technische rapporten. Relevante voorbeelden kunnen worden openomen in het voorbeeldenboek.

De beheerder is zelf verantwoordelijk voor het onderbouwen van de resultaten en moet zelf de kwaliteitsborging organiseren (zie hoofdstuk 5).

De onderbouwing van de toets op maat moet worden gerapporteerd, zoals beschreven in hoofdstuk 4.

3.2.8. Toetsoordeel per traject

De toetsoordelen per traject na het uitvoeren van de gedetailleerde toets per traject en/of de toets op maat worden uitgedrukt in categorieën. Deze categorieën zijn gerelateerd aan de afstand tot de signaleringswaarde van het traject. De indeling in categorieën van het toetsoordeel per traject en de manier om deze te bepalen staat beschreven in Bijlage III Sterkte en veiligheid (hoofdstuk 2).

3.3. Veiligheidsoordeel

Na het doorlopen van de toetsprocedure stelt de beheerder het veiligheidsoordeel op. Het veiligheidsoordeel is het oordeel over het traject, rekening houdend met alle toetssporen.

Het veiligheidsoordeel wordt bepaald door de ongelijksoortige toetsoordelen per vak en per toetsspoor en per traject te combineren. Dit proces wordt assembleren genoemd en staat beschreven in Bijlage III Sterkte en veiligheid (hoofdstuk 28).

Door het assembleren wordt het mogelijk om globaal de afstand tot de signaleringswaarde en ondergrens voor het dijktraject te bepalen. Daarvoor wordt het veiligheidsoordeel in onderstaande categorieën ingedeeld.

Tabel 3-1 Categorieën voor het veiligheidsoordeel.

Cat.

Aanduiding categorie veiligheidsoordeel

A+

Overstromingskans van het dijktraject is veel kleiner dan de signaleringswaarde.

 

Dijktraject voldoet ruim aan de signaleringswaarde

A

Overstromingskans van het dijktraject is kleiner dan de signaleringswaarde.

 

Dijktraject voldoet aan de signaleringswaarde.

B

Overstromingskans van het dijktraject is groter dan de signaleringswaarde, maar kleiner dan ondergrens.

 

Dijktraject voldoet aan de ondergrens, maar niet aan de signaleringswaarde.

C

Overstromingskans van het dijktraject is groter dan de signaleringswaarde en de ondergrens.

 

Dijktraject voldoet niet aan de signaleringswaarde en ook niet aan de ondergrens

D

Overstromingskans het dijktraject is veel groter dan de signaleringswaarde en de ondergrens.

 

Dijktraject voldoet ruim niet aan de signaleringswaarde en aan de ondergrens.

Het maken van het onderscheid tussen categorie A en A+ in het bepalen van het veiligheidsoordeel is niet voorgeschreven.

Het assembleren van de toetsoordelen tot een veiligheidsoordeel volgt na de beslissing van de beheerder om de toetsprocedure te beëindigen. Dit kan als wordt voldaan aan de criteria in paragraaf 3.2.5. Het (tussentijds) assembleren van de toetsoordelen kan de beheerder echter ondersteunen bij de keuze om de toetsprocedure te beëindigen of voort te zetten.

In figuur 3-4 worden alle stappen in de uitvoering weergegeven.

Bijlage 258047.png
Figuur 3-4 Schematische weergave van de uitvoering.

4. Rapportage

4.1. Inleiding

Per dijktraject wordt een rapportage opgesteld en aangeboden aan de minister.

In de praktijk wordt deze aan de ILT gestuurd. De afspraken over het aanbieden van de rapportage worden vastgelegd in het draaiboek Eerste beoordeling primaire keringen (hierna: Draaiboek). De rapportage wordt via het waterveiligheidsportaal ter beschikking gesteld aan de minister. Het waterveiligheidsportaal is een gemeenschappelijke informatievoorziening die het uitwisselen van relevante informatie tussen de verschillende partijen die zijn betrokken bij het beheer van waterkeringen, ondersteunt. De informatie die wordt uitgewisseld via het waterveiligheidsportaal en de informatie in de rapportage moet consistent zijn en mag geen tegenstrijdigheden bevatten.

Dit hoofdstuk beschrijft de onderdelen die moeten worden opgenomen in de rapportage. De eisen die worden gesteld aan de overige informatie die moet worden aangeleverd aan de ILT vanwege de herleidbaarheid van de resultaten, worden vastgelegd in het Draaiboek.

4.2. Rapportageverplichtingen

De rapportage bevat ten minste de volgende informatie:

  • Het veiligheidsoordeel.

  • Een duiding van dit veiligheidsoordeel.

  • Een overzicht van de te treffen voorzieningen.

  • Aanvullende informatie:

    • Veiligheidsoordeel ten opzichte van aanvullende eisen aan de waterkeringen

4.2.1. Veiligheidsoordeel

Het veiligheidsoordeel wordt uitgedrukt in een van de volgende categorieën.

Tabel 4-1 Overzicht van categorieën waarin het veiligheidsoordeel wordt uitgedrukt.

Cat.

Aanduiding categorie veiligheidsoordeel

A+

Overstromingskans van het dijktraject is veel kleiner dan de signaleringswaarde.

 

Dijktraject voldoet ruim aan de signaleringswaarde

A

Overstromingskans van het dijktraject is kleiner dan de signaleringswaarde.

 

Dijktraject voldoet aan de signaleringswaarde.

B

Overstromingskans van het dijktraject is groter dan de signaleringswaarde, maar kleiner dan ondergrens.

 

Dijktraject voldoet aan de ondergrens, maar niet aan de signaleringswaarde.

C

Overstromingskans van het dijktraject is groter dan de signaleringswaarde en de ondergrens.

 

Dijktraject voldoet niet aan de signaleringswaarde en ook niet aan de ondergrens

D

Overstromingskans het dijktraject is veel groter dan de signaleringswaarde en de ondergrens.

 

Dijktraject voldoet ruim niet aan de signaleringswaarde en aan de ondergrens.

Het maken van het onderscheid tussen categorie A en A+ in het bepalen van het veiligheidsoordeel is niet voorgeschreven.

4.2.2. Duiding van het veiligheidsoordeel

In dit onderdeel geeft de beheerder een nadere duiding van het veiligheidsoordeel.

Daarvoor wordt het veiligheidsoordeel in meer detail uitgewerkt en toegelicht.

In de duiding van het veiligheidsoordeel moeten ten minste de volgende punten worden behandeld:

  • De toetssporen en/of dijkvakken die de grootste bijdrage leveren aan het veiligheidsoordeel: wordt het oordeel bepaald door één specifiek dijkvak op basis van één toetsspoor, of zijn er vele dijkvakken of faalmechanismen die gezamenlijk het oordeel bepalen.

  • Invloed van de onderhoudstoestand van de kering op het veiligheidsoordeel.

  • Hebben de bijzondere beoordelingen, zoals van voorliggende keringen, ’Niet-waterkerende objecten (NWO’s) en/of voorlanden, een relevante bijdrage aan het veiligheidsoordeel en zo ja, hoe werken deze door voor het dijktraject.

  • De vakken die niet zijn meegenomen in het veiligheidsoordeel, omdat voor deze vakken een verkenning of planstudie is gestart voor verbetermaatregelen of deze worden gerealiseerd.

4.2.3. Een overzicht van de te treffen voorzieningen

De wet schrijft voor dat als de beoordeling van de veiligheid daartoe aanleiding geeft, de rapportage een omschrijving bevat van de voorzieningen die op een daarbij aan te duiden termijn nodig worden geacht (artikel 2.12, zesde lid, van de Waterwet).

Dit voorschrift brengt met zich mee dat moet worden beschreven op welke manier het veiligheidsoordeel doorwerkt in alle facetten van het waterkeringbeheer. Dit geldt niet alleen voor trajecten die niet aan de norm voldoen. Ook voor een traject waarbij het oordeel is dat het ruim aan de norm voldoet, kan er aanleiding zijn om het waterkeringbeheer aan te passen.

Gedacht kan worden aan de gevolgen van het veiligheidsoordeel voor het beheer op de volgende onderdelen:

  • Beheer en onderhoud

  • Monitoring en inspectie

  • Concrete verbetermaatregelen, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen versterkingsprojecten die bij het HWBP worden aangemeld en overige verbeterprojecten buiten het HWBP

  • Calamiteitenorganisatie en dijkbewaking

  • Aanpassen van keur en legger

  • Aanpassen van de beleids- en vergunningsregels als juridische instrumenten ten behoeve van de vergunningverlening en handhaving.

Deze opsomming is niet limitatief en illustreert slechts de mogelijke aanpassingen van het waterkeringbeheer.

4.2.4. Aanvullende informatie

In de gevallen waarin aan een traject naast een overstromingskans of faalkans per jaar aanvullende eisen worden gesteld, zoals bij stormvloedkeringen en de keringen langs het Volkerak-Zoommeer, moet in de rapportage ook worden aangegeven of aan deze aanvullende eisen wordt voldaan.

5. Kwaliteitsborging en herleidbaarheid

5.1. Inleiding

De resultaten van de beoordeling moeten betrouwbaar en herleidbaar zijn. Het is de verantwoordelijkheid van de beheerder de kwaliteit van de resultaten te waarborgen en vast te leggen hoe de resultaten tot stand zijn gekomen.

Tijdens de beoordeling maakt de beheerder voortdurend keuzes. De relevante keuzes die worden gemaakt tijdens de uitvoering van de toetsing en de motivering daarvan worden vastgelegd in een logboek.

Bij het maken en onderbouwen van de keuzes tijdens de uitvoering van de beoordeling kan specialistische kennis of kennis van probabilistische rekentechnieken nodig zijn. De beheerder kan de Helpdesk Water raadplegen voor advies hierover. De Helpdesk kan ook worden geraadpleegd om advies te vragen over de kwaliteit van de uitgevoerde analyses.

In dit hoofdstuk wordt per toets beschreven op welke manier inzichtelijk moet worden gemaakt hoe de resultaten tot stand zijn gekomen.

5.2. Schematisering

De toelichting bij de schematisering moet ten minste de volgende onderdelen bevatten:

  • Beschrijving van de uitgangspunten bij het schematiseren van de werkelijke situatie (zie referentie bij schematisering, paragraaf 3.2.1).

  • Als is afgeweken van de werkwijze die is beschreven in de schematiseringshandleidingen, moet dit worden gemotiveerd en wordt de gehanteerde werkwijze vastgelegd.

  • Motivering van de gemaakte keuzes bij het schematiseren van de sterkte van en de belasting op de kering.

5.3. Beoordeling volgens het algemene filter

Bij het toepassen van het algemeen filter op trajectniveau moet de beheerder aantonen dat aan de criteria van het filter wordt voldaan (zie paragraaf 3.1.2).

Bij het toepassen van het algemeen filter op vakniveau moet de beheerder motiveren dat wordt voldaan aan de criteria van het filter en wordt het oordeel door middel van een toets op maat onderbouwd. (zie paragraaf 3.1.3).

5.4. Beoordeling volgens de eenvoudige toets en gedetailleerde toets per vak per toetsspoor

De beheerder toont aan dat het instrumentarium op de juiste wijze wordt toegepast door de keuzes te motiveren en vast te leggen. De beheerder legt ten minste vast welke uitgangspunten zijn gehanteerd voor het bepalen van de sterkte van de kering en de hydraulische belastingen. In het geval de gedetailleerde toets per traject wordt uitgevoerd, worden ook de uitgangspunten voor de probabilistische analyse in deze toets vastgelegd.

5.5. Beoordeling volgens toets op maat

De toets op maat maakt het mogelijk om locatiespecifieke analyses of geavanceerde analyses uit te voeren die beter aansluiten bij de lokale situatie of waarnemingen van de beheerder. Gecontroleerd kan worden of met andere rekenmodellen of het aanscherpen van de definitie van falen (die dus dichter bij daadwerkelijk falen ligt, bijvoorbeeld door het meenemen van reststerkte, of aangepaste hydraulische belastingen) een scherper beeld kan worden verkregen over in hoeverre de waterkering al dan niet voldoet aan de norm. Als het toetsoordeel niet in overeenstemming is met de kennis en ervaring van de beheerder, kan de toets op maat bestaan uit een onderbouwd oordeel van de beheerder.

Afhankelijk van het type analyse dat wordt uitgevoerd, moet de volgende informatie worden vastgelegd:

  • Bij een locatiespecifieke analyse: de uitgevoerde analyse, de daarbij gehanteerde uitgangspunten en de onderbouwing in het logboek.

  • Bij het uitvoeren van een geavanceerde analyse die wordt beschreven in een technische leidraad of achtergrondrapport bij het WBI 2017: de uitgevoerde analyse, de daarbij gehanteerde uitgangspunten en de onderbouwing van de beoordeling in het logboek. Als onderdeel van de onderbouwing kan worden verwezen naar bestaande technische leidraden en achtergrondrapporten als de uitgevoerde analyse. Hierin zijn handvatten voor het toepassen van geavanceerde analyses of modellen opgenomen. In dit geval is het niet nodig de kwaliteit van de analyse aan te tonen, alleen de kwaliteit van de uitvoering.

  • Als de beheerder op basis van zijn kennis en ervaring het resultaat uit de eenvoudige toets of gedetailleerde toets per vak per toetsspoor niet overneemt, moet het oordeel worden onderbouwd met waarnemingen en/of historische gegevens of door een analyse waarvan de kwaliteit is aangetoond.

  • Bij het toepassen van fundamenteel nieuwe kennis die nog niet opgenomen is in technische leidraden: de beheerder moet aantonen dat de nieuwe kennis gevalideerd is en toepasbaar voor de betreffende kering. Hiervoor moet de beheerder ENW om advies vragen. Vervolgens moet de beheerder aantonen dat de nieuwe kennis op de juiste manier is toegepast.

5.6. Logboek en overige informatie

In het logboek legt de beheerder de voor de beoordeling relevante keuzes vast en de in de procedure gevraagde onderbouwingen. Het logboek maakt geen deel uit van de rapportage, maar kan wel worden opgevraagd en ingezien door de toezichthouder, de ILT.

Ook de volgende informatie hoeft niet in de rapportage te worden opgenomen, maar moet wel worden vastgelegd en toegankelijk zijn, onder andere voor de ILT:

  • Brongegevens als grondboringen en peilen (de keringbeheerder dient deze herleidbaar op te slaan)

  • De ligging van de kering.

In het Draaiboek leggen de beheerders en de ILT de afspraken vast die zij maken over de invulling van dit logboek.

6. Bijzondere beoordelingen

6.1. Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe in de beoordeling moet worden omgegaan met een aantal bijzondere elementen in waterkeringen die van belang zijn voor het bepalen van het veiligheidsbeeld:

  • Voorliggende keringen

  • Compartimenterende keringen

  • Keringen langs het Volkerak-Zoommeer

  • Niet-waterkerende objecten (NWO’s)

  • Voorlanden

  • Vakken op het HWBP

  • Recente opgeleverde projecten

  • Innovatie

6.2. Voorliggende keringen

6.2.1. Inleiding

Per 1-1-2017 zijn ook voor voormalige ‘b-keringen‘ normen vastgelegd in de Waterwet. Een deel betreft keringen die direct beschermen tegen overstromingen, een ander deel betreft zogenoemde voorliggende keringen. Voorliggende keringen zijn keringen die een rivier- of zeearm geheel of onder speciale omstandigheden afsluiten en daarmee de kansen op extreme belastingen op achterliggende keringen reduceren, waaronder de Afsluitdijk, de Oosterscheldekering en de Maeslantkering die de stormvloeden vanuit zee buiten houden.

Verlies van waterkerend vermogen leidt bij voorliggende keringen niet altijd tot een overstroming van het achterland, maar zorgt dat de hydraulische belasting op achterliggende primaire waterkeringen substantieel wordt verhoogd. Als dit het geval is, zijn voor de desbetreffende kering in de wet faalkansen vastgelegd in plaats van overstromingskansen als het gaat over de betrouwbaarheid.

De voorschriften om voorliggende keringen te beoordelen zijn opgenomen in Bijlage III Sterkte en veiligheid.

6.2.2. Stormvloedkeringen

Het betreft de Maeslantkering, de Hartelkering, de stormvloedkering in de Hollandsche IJssel en de Ramspolkering, die alle worden beheerd door Rijkswaterstaat. Deze keringen bevatten beweegbare onderdelen. De keringen worden alleen in extreme omstandigheden gesloten; onder normale omstandigheden zijn zij open. Het niet-sluiten van de kering, op een moment dat de kering gesloten moet worden, heeft waterstandsverhoging in het achterliggende gebied tot gevolg. Naast een faalkans is daarom voor deze keringen in de Waterwet een aparte eis voor betrouwbaarheid van de sluiting vastgelegd. Deze eis heeft als eenheid ‘kans per sluitvraag‘ en dus niet kans per jaar. Met deze kans wordt rekening gehouden bij het vaststellen van de hydraulische belasting op achterliggende dijktrajecten.

De voorschriften om de kans op niet sluiten te beoordelen zijn opgenomen in Bijlage III Sterkte en veiligheid.

6.2.3. Oosterscheldekering

De Oosterscheldekering is een bijzondere kering. Voor deze kering is het niet mogelijk om de kans op niet sluiten uit te drukken in een enkel getal, omdat het keringen met meerdere schuiven betreft. Zo heeft de Oosterscheldekering 62 schuiven. Het is onmogelijk om dit te herleiden tot één getal voor de sluitvraag. De gevolgen van het falen worden niet alleen bepaald door de hoeveelheid schuiven die niet sluiten, maar tevens door de positie van deze schuiven ten opzichte van elkaar en de positie van deze schuiven binnen de kering. Het betreft een technisch zeer complex vraagstuk. Daarom wordt voor deze kering de kans op niet sluiten meegenomen in de hydraulische belasting (HB) die op grond van artikel 2.3 van de Waterwet voor de achterliggende primaire keringen wordt bepaald.

De beoordeling van de Oosterscheldekering bestaat uit twee onderdelen:

  • Is de faalkans in gesloten toestand kleiner dan de norm in de Waterwet, en

  • Wordt voldaan aan de afspraken die zijn gemaakt over de prestatiepeilen in het achterland, die zijn gehanteerd bij het afleiden van de hydraulische belasting?

Voor het tweede deel van de beoordeling van de Oosterscheldekering zijn geen generieke voorschriften beschikbaar. Daarom moet een toets op maat worden uitgevoerd.

6.2.4. Te beoordelen zijde van voorliggende keringen

Voorliggende keringen worden aan twee kanten belast. Voor de beoordeling moet de zijde met de grootste bedreiging worden beoordeeld. In het Bijlage II Hydraulische belastingen, staat voor elke voorliggende kering aangegeven welke zijde dit is. Er is ook een aantal keringen waarvan geen dominante belastingzijde is aan te wijzen. In die gevallen moeten beide zijden worden beoordeeld. Ook dit staat aangegeven in het deel Hydraulische belastingen.

6.3. Compartimenterende keringen

In de Waterwet is voor één compartimenterende kering een overstromingskans opgenomen, namelijk de Diefdijk. Compartimenterende keringen zijn keringen die onder normale omstandigheden geen water keren. Deze keringen ondervinden alleen hydraulische belasting door het overstromen van het door een voorliggend dijktraject beschermd gebied. Bij overstroming uit de Betuwe beschermt de Diefdijk de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden en andersom (dubbelkerende functie).

Voor de Diefdijk is geen overstromingskans per jaar vastgesteld, maar een overstromingskans per keer dat deze belast wordt door overstroming van het gebied achter een voorliggend dijktraject.

Het afleiden van de hydraulische belastingen voor de Diefdijk betreft maatwerk en valt daarmee onder toets op maat.

Een methode hiervoor kan gevonden worden op de Helpdesk Water in ‘Hydraulische randvoorwaarden voor categorie c-keringen. Achtergrondrapport Diefdijklinie (dijkring 16). PR1322. November 2008‘.

6.4. Keringen langs het Volkerak-Zoommeer

Aan de keringen langs het Volkerak-Zoommeer worden extra eisen gesteld. De reguliere eis is niet toegesneden op de extra hoeveelheid water die moet worden gekeerd in die gevallen dat het Volkerak-Zoommeer wordt ingezet als waterberging.

De aanvullende eis is geformuleerd als een voorwaardelijke overstromingskans. Dat wil zeggen dat het dijktraject berekend moet zijn op extra hydraulische belasting bij inzet van de maatregel.

Deze extra hydraulische belasting kan worden bepaald met de WBI 2017-software.

6.5. Niet-waterkerende objecten (NWO’s)

Niet-waterkerende objecten zijn objecten in of op de kering die geen waterkerende functie hebben. Een niet-waterkerend object draagt daarom in principe niet bij aan de veiligheid van de kering. NWO’s kunnen wel de sterkte van de waterkering reduceren. De eerste vraag bij de beoordeling van NWO’s is dan ook of het object bijdraagt aan de overstromingskans of dat deze bijdrage verwaarloosbaar is.

De beoordeling begint met het identificeren van de mogelijk risicovolle NWO’s. Daarvoor is een beoordelingsmethode opgenomen in Bijlage III Sterkte en veiligheid.

De beheerder kan kiezen om de beoordeling van de NWO’s uit te stellen tot de volgende beoordelingsperiode, als deze keuze voldoet aan de voorwaarden om de beoordeling te beëindigen (zie paragraaf 3.2.5).

De beoordelingsmethode voor NWO’s in Bijlage III Sterkte en veiligheid bevat drie stappen:

  • 1: Eenvoudige toets: Bij voldoen aan de eenvoudige toets is de bijdrage van de NWO aan de overstromingskans verwaarloosbaar klein.

  • 2: Gedetailleerde toets: op basis van modellen wordt bepaald of de bijdrage van de potentieel risicovolle NWO’s aan de overstromingskans klein is ten opzichte van de overige faalmechanismen van de waterkering.

  • 3: Toets op maat: op basis van scenario’s wordt de bijdrage in rekening gebracht van het NWO aan de overstromingskans.

6.6. Voorlanden

De periodieke beoordeling van de waterkeringen gaat uit van het werkelijke profiel van de kering en toestand op de peildatum. Dit betekent dat ook het voorland moet worden meegenomen in de schematisering en de beoordeling als dit aanwezig is – ook als het voorland niet opgenomen is in de legger. Hoe de voorlanden moeten worden geschematiseerd, wordt beschreven in de schematiseringshandleidingen. In Bijlage III Sterkte en veiligheid is de methode opgenomen waarmee de standzekerheid van het voorland kan worden beoordeeld.

Als het voorland is opgenomen in de legger, beschikt de beheerder over instrumenten via vergunningverlening en handhaving om te bewaken dat er geen activiteiten plaatsvinden in het voorland die een negatief effect hebben op de veiligheid. Maar ook als het voorland niet is opgenomen in de legger, kan de beheerder maatregelen treffen om te voorkomen dat er ongemerkt activiteiten in het voorland plaatsvinden die de veiligheid negatief beïnvloeden.

Het Beslisschema voorlanden [2015] kan de beheerder ondersteunen bij het treffen van beheersmaatregelen of het maken van afspraken met derden over het gebruik van het voorland.

6.7. Projecten opgenomen in het programma van het HWBP

Projecten die in het HWBP 2017-2022 zijn opgenomen en tevens onderdeel uitmaken van een traject waarop het algemeen filter op trajectniveau wordt toegepast, kunnen bij toepassing van het algemeen filter in 2017 als ‘nog niet gerealiseerd’ worden beschouwd.

Voor projecten die in het HWBP 2022–2027 in de jaren 2022 en 2023 zijn geprogrammeerd (verkenning/planstudie of realisatie) geldt dat deze in de beoordelingsronde die start in 2017–2023 niet hoeven te worden beoordeeld.

In de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel wijziging Waterwet staat dat ‘Als een versterkingsmaatregel in het jaar voorafgaand aan de landelijke rapportage in een van de daaropvolgende twee jaren is geprogrammeerd, is het niet opportuun te beoordelen. De versterking zal immers snel volgen; de actuele situatie is daarom minder relevant.‘ Daarom kan de beheerder aannemen dat de bijdrage van dit vak aan de overstromingskans van het traject verwaarloosbaar is.

Het algemeen filter op trajectniveau is gebaseerd op een integrale beschouwing van het traject.

6.8. Recent opgeleverde projecten

Bij de beoordeling van projecten die zijn recent gerealiseerd in het kader van Ruimte voor de Rivier, Tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma of HWBP kan de beheerder het algemene filter op vakniveau benutten om de bijdrage aan de overstromingskans van het traject weer te geven.

6.9. Keringen in het buitenland

Er zijn enkele keringen in België en Duitsland die de veiligheid tegen overstromingen in Nederland moeten garanderen. Deze keringen vallen buiten het areaal dat beoordeeld wordt met het WBI 2017. Deze keringen worden door het ministerie van I en M en de Belgische en Duitse overheid gezamenlijk beoordeeld. Dit past in de filosofie van de richtlijn overstromingsrisico’s waar wordt gestreefd naar gezamenlijke waterbeheerplannen.

6.10. Innovatie

Als er in een kering een innovatieve techniek is toegepast, zijn de voorschriften zoals geïmplementeerd in Bijlage III Sterkte en veiligheid vaak niet toepasbaar of beschikbaar. Innovaties zijn nieuwe of varianten van bestaande maatregelen. Deze maatregelen zijn uniek, en/of maken gebruik van nieuwe technieken, waardoor er nog geen generieke toetsschema’s en rekenmodellen opgenomen zijn in het WBI 2017.

Voor de beoordeling van innovaties is in het WBI 2017 het toetsspoor Technische Innovatie (INN) opgenomen in Bijlage III Sterkte en veiligheid.

Appendix A. Overzicht documenten en software

Onderstaande documenten zijn beschikbaar via de Helpdesk Water.

Schematiseringshandleidingen

  • Afschuiving voorland

  • Asfalt

  • Betrouwbaarheid sluiten kunstwerken

  • Duinen

  • Golfafslag voorland

  • Gras

  • Handleiding datamanagement

  • Hoogte

  • Hoogte kunstwerken

  • Hydraulische condities dijkteen

  • Macrostabiliteit

  • Microstabiliteit

  • Piping

  • Piping kunstwerken

  • Steen

  • Sterkte en stabiliteit kunstwerken

  • Zettingsvloeiing voorland

Voorgeschreven software applicaties

  • Asfalt

  • Assemblage

  • D-Flow Slide voorlanden

  • D-Soil

  • Gras

  • Hydra-NL

  • Macro

  • Morphan – Duinen

  • Steen

  • Waterstandsverlopen

  • WBI 2017-software

Appendix B. Begrippenlijst

Begrip

Omschrijving

Aanleghoogte

Kruinhoogte van de waterkering onmiddellijk na het gereedkomen ervan.

Aansluitingsconstructie

Aansluiting van twee typen waterkeringen, bijvoorbeeld een dijk, een duin, hybride kering, kunstwerken en hoge gronden.

Aanverwant bekledingstype

Niet-standaardsteenzetting of bekledingstype dat verwant is aan steenzettingen.

Achterland

Gebied aansluitend aan de landzijde van de waterkering.

Achterloopsheid (duinen)

Proces waarbij water zijdelings achter een waterkering langs stroomt.

Achterloopsheid (kunstwerken)

Ontstaan van holle ruimten aan de zijkant van een kunstwerk als gevolg van een geconcentreerde kwelstroom waarbij gronddeeltjes worden meegevoerd. Hierbij loopt de kwelstroom langs het kunstwerk op het grensvlak van een cohesieve laag en zand.

   

Actuele sterkte

Huidige werkelijke sterkte.

Afdeklaag

Ondoorlatende of slecht doorlatende laag op het zandpakket aan de binnendijkse zijde, bestaande uit klei of veen.

Afschuiving

Verplaatsen van een deel van een grondlichaam of bekleding door overschrijding van het evenwichtsdraagvermogen.

Afslag

Erosie van het duinprofiel tijdens storm.

Afslaglijn

Lijn in lengterichting van de kust die de afslagpunten verbindt.

Afslagprofiel

Profiel van duin of dijk met voorland waarbij tijdens storm afslag is opgetreden

Afslagpunt

Snijpunt van het afgeslagen duinfront met het Rekenpeil, waarbij het kritieke afslagpunt die mate van duinafslag aangeeft waarbij nog juist geen doorbreken optreedt.

Afslagzone

Deel van een duingebied waar tijdens storm afslag optreedt.

Afsluitmiddel

Beweegbaar onderdeel van een waterkerend kunstwerk waarmee de doorgang in de waterkering ten behoeve van goederen, voertuigen en/of personen waterkerend kan worden afgesloten.

Afstandhouder

Kunststof of metalen element dat tussen toplaagelementen wordt aangebracht om het open-ruimtepercentage te vergroten.

Afvoer

Afvoer is het volume water dat per seconde door een dwarsdoorsnede van bijvoorbeeld een rivier stroomt.

Afvoerdebiet

Rivierafvoer.

Afvoergolf

Zie hoogwatergolf.

Afvoerpiek

Grootste debiet in een gemodelleerde afvoergolf.

Afvoerstochast

Afvoer in het rivierengebied is een basisstochast omdat de afvoer in grote mate bijdraagt aan de natuurlijke variabiliteit van de hydraulische belasting in dat gebied.

Afvoerverloop

Verloop in de tijd van de rivierafvoer op een bepaalde locatie.

Afzinktunnel

Tunnel bestaande uit geprefabriceerde elementen, die in drijvende toestand worden verplaatst en in een vooraf gebaggerde sleuf worden afgezonken.

Aggregaten

Natuurlijk gevormde brokken grond met afmetingen van millimeters tot decimeters.

Aquaduct

Kunstwerk waarmee een waterloop in een open constructie over een weg of andere waterloop wordt gevoerd.

Aquifer

Grondlagen waarbinnen de relatief (ten opzichte van de omgeving) hoge doorlatendheid aanzienlijk transport van grondwater mogelijk maakt.

Aquitard

Grondlagen met een in vergelijking tot een aquifer lage doorlatendheid (bijvoorbeeld een kleipakket). De horizontale stroming in een aquitard is zeer gering, terwijl wel aanzienlijke verticale stroming mogelijk is.

AQUO

Aquo-standaard – de uniforme taal voor de uitwisseling van gegevens binnen de watersector.

Artesisch water

(Grond)water met een wateroverspanning ten opzichte van een hydrostatische waterspanningsverdeling waarbij de wateroverspanning het gevolg is van de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket.

Artesisch watervoerend pakket

Afgesloten watervoerend pakket waarin de stijghoogte van het grondwater boven het maaiveld uitkomt.

Asfalt

Natuurlijk of kunstmatig mengsel van bitumen en minerale stoffen.

Asfaltkleefmiddel

Dun vloeibaar mengsel van bitumen en een vluchtig oplosmiddel.

Asfaltmastiek

Warm bereid asfalt met een continu gegradeerd mengsel van zand en vulstof en een overmaat aan bitumen dat nagenoeg geen holle ruimte heeft.

Asfaltmortel

Mengsel van bitumen met zand en vulstof als component van een asfaltmengsel.

Astronomisch getij

Getijbeweging als gevolg van de veranderlijke resultante van de aantrekkingskracht van de maan en de zon op de watermassa’s op aarde, niet gestoord door weerkundige omstandigheden.

Autocorrelatiefunctie

Functie die de mate van samenhang aangeeft tussen de waarde van een variabele op locatie x en de waarde van diezelfde variabele op naburige locaties.

Balgstuw

Type stuw, dat ook kan worden ingezet als keersluis. Bij dit type stuw wordt een rubber doek bevestigd aan constructies op de bodem van de watergang en de oevers. Als men wil dat de stuw het water tegenhoudt, pompt men de balg vol met water en lucht, waardoor de stuw omhoog komt. Afhankelijk van het gewenste waterpeil kan men in de stuw meer of minder water/lucht laten stromen.

Bandijk

Dijk die het winterbed omsluit.

Basalton

Type betonzuil.

Basaltzuil

Zuilvormig toplaagelement van basalt.

Basisinstrumentarium

Beoordelingsschema’s, rekentechnieken en modellen, aangevuld met handleidingen en achtergronddocumenten.

Basiskustlijn

De kustlijn die in het kader van het kusthandhavingsbeleid als referentie dient. In het algemeen de positie van de ‘gemiddelde’ kustlijn op 1 januari 1990.

Basismateriaal

Bovenste laag van het grondlichaam onder de bekledingsconstructie.

Basisstochasten

Stochasten die de belangrijkste bedreigingen in het belastingmodel beschrijven: rivierafvoer, wind, zeewaterstand, meerpeil en golven op zee.

   

Basispeil

Extreme hoogwaterstand met (per definitie) een overschrijdingsfrequentie van 1/10.000 per jaar.

Basisveiligheid

Minimale veiligheid tegen overstromingen voor iedereen achter de dijk.

Beddingsconstante

Coëfficiënt die de verhouding aangeeft tussen de door de grond geleverde tegendruk en de zakking van de grond ten gevolge van een bovenbelasting (een parameter die de stijfheid van de ondergrond uitdrukt).

Beheer

Geheel van activiteiten dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de functies van de waterkering blijven voldoen aan de daarvoor vastgestelde eisen en normen.

Beheerder

Zie waterkeringbeheerder.

Beheerdersoordeel

Beoordeling van de veiligheid op basis van een onderbouwde inschatting van de beheerder.

Beheergebied

In de legger gespecificeerd areaal, dat als waterkering wordt aangemerkt en door de waterkeringbeheerder wordt beheerd.

Beheerplan

Document waarin het geplande beheer van een kering is vastgelegd.

Beheerregister

Ook wel Technisch beheerregister. Document met de beschrijving van de voor het behoud van het waterkerend vermogen kenmerkende gegevens van de constructie en de feitelijke toestand van de waterkering.

Bekkenpassage

Vispassage bestaande uit een cascade van kleine bakken met stromend water, waarbij de vis steeds naar een hoger niveau moet zwemmen of springen om een waterbouwkundig kunstwerk te passeren.

Bekleding

Afdekking van de kern van een dijk ter bescherming tegen golfaanvallen, langsstromend water, golfoverslag en overloop.

Bekledingsconstructie

Geheel van lagen die tot doel hebben de dijkkern te beschermen tegen erosie door de waterbeweging, bestaande uit een toplaag met daaronder (eventueel) uitvul-, filter- en kleilagen.

Belasting

Op een constructie (een waterkering) uitgeoefende in- en uitwendige krachten, ofwel de mate waarin een constructie door in- en uitwendige krachten wordt aangesproken, uitgedrukt in een fysische grootheid.

Beleid

Het geheel van gemaakte bestuurlijke keuzen.

Beleidsanalyse

Methodiek waarmee systematisch alternatieve oplossingen worden ontwikkeld en afgewogen.

Benedenbeloop

Deel van het talud tussen teen en buitenberm.

Benedenrivierengebied

Deel van de benedenstroomse takken van de Rijn en de Maas verstaan waarvoor, tijdens grote afvoergolven, de waterstanden een significante invloed ondervinden van de waterstanden op de Noordzee.

Benedenstrooms

Stroomafwaarts.

Benedenstroomse

 

richting

Voor het mechanisme piping: de richting waarheen het kwelwater stroomt.

Beoordelen

 
 

Het uitvoeren van een veiligheidsbeoordeling conform het WBI 2017.

Beoordelings-instrumentarium

De door de minister gestelde nadere regels over de beoordeling van de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkeringen.

Beoordelingsprofiel

Denkbeeldig minimum profiel van gedefinieerde afmetingen waarbinnen zich geen objecten bevinden, dat binnen het werkelijk aanwezige profiel moet passen en dat de garantie moet bieden dat de waterkering voldoende sterk is.

Berm

Extra verbreding aan de binnendijkse of buitendijkse zijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden, zandmeevoerende wellen te voorkomen en de golfslag en /of golfoverslag te reduceren.

Bermfactor

Factor bepaald door golfhoogte en waterdiepte boven de berm, benodigd voor ontwerp en toetsing op toplaaginstabiliteit van steenzettingen op een buitenberm.

Beschermingsniveau

Zie veiligheidsnorm.

Beschermingszone

In de keur beschreven zone ter weerszijden aan het waterstaatswerk waarbinnen een beperkt gebodsregime geldt met als doel aantasting van de waterkering door bijzondere belastingen (delfstofwinning, seismisch onderzoek, explosies van leidingen) te voorkomen.

Beslisregel

Regel aan de hand waarvan een beslissing moet worden genomen.

Betonblok

Blokvormig toplaagelement van beton.

Betonpuin

Restproduct dat wordt gebruikt als granulair materiaal.

Betonzuil

Zuilvormig toplaagelement van beton.

Betrouwbaarheid sluiting van kunstwerk

Betrouwbaarheid van de sluitingsoperatie van de hoogwaterkerende keermiddelen van een waterkerend kunstwerk.

Betrouwbaarheidseis

Eis die gesteld wordt aan de betrouwbaarheid (faalkans) van een constructie. De wettelijke norm is een voorbeeld van een betrouwbaarheidseis aan de waterkeringen.

Betrouwbaarheidseis op doorsnedeniveau

Eis die wordt gesteld aan de kans van falen van een dijkdoorsnede (faalkanseis).

Betrouwbaarheidsindex

Waarde die de mate van 'betrouwbaarheid' van een waterkering weergeeft. Een hoge betrouwbaarheid correspondeert met een kleine faalkans.

Bezwijken

Het optreden van verlies van inwendig evenwicht (bijvoorbeeld afschuiven) en/of het optreden van verlies van samenhang in materiaal (bijvoorbeeld het verweken) en/of het optreden van ontoelaatbaar grote vervormingen van de waterkering.

Bezwijkmechanisme

Wijze waarop een constructie bezwijkt.

Bijzonder waterkerend object

Kering geplaatst en ontworpen ter bescherming van waterstaatswerken in oorlogstijd.

Bijzondere waterkerende constructie

Constructie om, in combinatie met een grondlichaam (dijk) of in plaats van een grondlichaam, water te keren, zoals muralt- of dijkmuren, damwanden, kistdammen, keermuren en kwelschermen.

Binnenberm

Extra verbreding aan de landzijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden en/of om zandmeevoerende wellen te voorkomen.

Binnendijks

Aan de kant van het land of het binnenwater.

Binnendijks duingebied

Duingebied waarvoor de primaire veiligheid volgens de Waterwet wordt geborgd.

Binnenduin

Duin dat niet direct aan het strand grenst.

Binnenduinrand

Overgang tussen een duingebied en het laaggelegen achterland.

Binnenkruinlijn

Lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het binnentalud.

Binnentalud

Hellend vlak van het dijklichaam aan de binnendijkse zijde van de dijk.

Binnenteen

De onderrand van het dijklichaam aan de landzijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld).

Bitumen

Een zeer viskeuze vloeistof of vaste stof, in hoofdzaak bestaande uit koolwaterstoffen of hun derivaten, die vrijwel geheel oplosbaar is in zwavelkoolstof.

Bitumenemulsie

Een homogeen mengsel van bitumen en water waarbij bitumen in de vorm van zeer kleine bolletjes is gedispergeerd in water.

Blok

De rechthoekige vorm waarmee een tijdafhankelijk proces als bijvoorbeeld afvoer wordt geschematiseerd.

Blokduur

De representatieve duur van het tijdafhankelijke proces dat met een blok wordt geschematiseerd.

Blokken

Toplaagelementen die nauw op elkaar aansluiten en waarbij de spleetbreedte rondom elk element min of meer constant en meestal klein is.

Blokkenmat

Geprefabriceerde toplaagelementen die onderling door kabels of een geokunststof zijn verbonden tot een mat.

Bochtwerking

Waterstandsverhoging ter plaatse van de waterkering als gevolg van scheefstand van het wateroppervlak in een bocht van een rivier.

Bodemligging

Positie van de bodem ten opzichte van een referentievlak, dikwijls NAP.

Boortunnel

Ondergrondse tunnel die wordt samengesteld achter de boorinstallatie waarmee de grond aan de kop van deze installatie wordt verwijderd.

Bovenbeloop

Deel van het talud tussen buitenberm en kruin.

Bovenrivierengebied

Deel van de Maas, de Rijn en haar takken, waarbij de waterstanden tijdens hoge afvoergolven niet meer beïnvloed worden door de waterstand op de Noordzee en het IJsselmeer.

Bovenstrooms

Stroomopwaarts.

Bovenstroomse richting

Hier gebruikt in de zin van de stroming van het kwelwater onder de dijk door, vanuit de in-/toestromende zijde van de dijk.

Boventafel

Bovenste gedeelte van de taludbekleding (boven Gemiddeld Hoogwater of boven een overgangsconstructie).

Brekerparameter

Verhouding tussen de taludhelling en de (wortel uit) de golfsteilheid, die een indicatie is voor de wijze waarop golven op het talud breken.

Bres

Een gat in de waterkering.

Bresvloeiing

Bezwijken van een onderwatertalud door het gestaag wegstromen van zandlagen, gevoed door een steil taludopwaarts bewegende verstoring.

Breuksteenoverlaging

Constructie waarbij op een bestaande, te lichte steenzetting ter versterking een pakket breuksteen is aangebracht.

Bui-oscillaties

Onregelmatige schommelingen van het wateroppervlak met een wisselende periode die vooral bij zware storm optreden.

Buistoot

Afzonderlijk optredende vrij kort durende waterspiegelverheffing als gevolg van een zware bui.

Buitenberm

Extra verbreding aan de buitendijkse zijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden, om zandmeevoerende wellen te voorkomen en/of om de golfoploop te reduceren.

Buitendijks

Aan de kant van het te keren (buiten)water.

Buitenknik

Knik tussen de berm en het benedenbeloop.

Buitenkruinlijn

Lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het buitentalud.

Buitentalud

Hellend vlak van het dijklichaam aan de kerende zijde.

Buitenteen

Onderrand van het dijklichaam aan de buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld en/of voorland).

Buitenwater

Water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondervindt van hoge stormvloed, bij hoog opperwater van een van de grote rivieren, bij hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, dan wel bij een combinatie daarvan, alsmede het Volkerak-Zoommeer, Grevelingenmeer, getijdedeel van de Hollandse IJssel en de Veluwerandmeren.

Caisson

Een betonnen rechthoekige bak die in de waterbouw over het algemeen dienst doet als golfbreker of als hulpconstructie bij de sluiting van dijken en/of dammen.

Calamiteitenplan

Een draaiboek waarin verschillende acties om de dijk te bewaken (in geval van calamiteit) staan vermeld. Volgens de Waterwet zijn waterbeheerders verplicht dit op te stellen.

Cascade-effect

Het trapsgewijze verloop van water van hoog naar laag, vertraagd door obstakels in het landschap (zie ook systeemwerking).

Cellenwand

Gewichtsconstructie opgebouwd uit damwanden, die tot cirkelvormige of deels cirkelvormige cellen worden geconstrueerd en met grond of een ander materiaal worden gevuld om voldoende massa te krijgen. Door de cellen onderling te verbinden ontstaat een cellenwand.

Cohesieve laag

Zie afdeklaag.

Combiwand

Een constructie opgebouwd uit een combinatie van open buispaal-elementen (of H-profielen) die een hoge sterkte en stijfheid bezitten en damwandelementen.

Compartimentering

Het verkleinen van een overstroombaar gebied in (een aantal) kleinere compartimenten om de gevolgen van een overstroming te beperken.

Consolidatie tijd

Tijdsduur die nodig is om vanaf het aanbrengen van een belasting, de wateroverspanning in de grond te laten afnemen tot deze (vrijwel) geheel is verdwenen.

Constructieve functie (kunstwerken)

Het bijdragen aan het in stand houden van de waterkering, door het afdragen naar de ondergrond van belastingen die niet direct gerelateerd zijn aan de waterkerende functie.

Contractant gedrag

Volumevermindering ten gevolge van een opgelegde schuifvervorming van grond.

Correlatie in de tijd

Mate van samenhang tussen de waarde van een variabele op tijdstip t en de waarde van diezelfde variabele op een ander tijdstip.

Correlatiefuncties

Statistische functies die de mate van samenhang tussen twee stochasten kwantificeren.

Correlatielengte

Lengtemaat die bepalend is voor de mate van ruimtelijke (auto)correlatie van een parameter.

Coupure

Onderbreking in de waterkering voor de doorvoer van een (water)weg of spoorweg die bij hoge buitenwaterstanden afsluitbaar is.

Cumulatieve kansverdeling

Functie die de kans van onderschrijden beschrijft van alle (relevante) mogelijke uitkomsten van een stochastische variabele.

Dam

Waterbouwkundige constructie met aan twee zijden water. Kan zijn aangelegd om de golfhoogte er achter te reduceren, als havendam, of als (voorliggende) primaire waterkering.

Damwand

Een damwand is een verticale grond- en/of waterkerende constructie, die bestaat uit een rij losse de grond in gedreven wandelementen (planken of panelen) die door middel van een gronddichte en in sommige gevallen ook waterdichte messing-en-groefverbinding (genoemd 'slot' bij stalen damwanden) met elkaar zijn verbonden.

Debiet

Het vloeistofvolume dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt.

Decimeringshoogte

Absoluut verschil in hoogte tussen het een waterstand met een bepaalde overschrijdingsfrequentie en een waterstand met een overschrijdingsfrequentie, die een factor 10 hoger of lager is.

Deelfaalmechanisme

Zie deelmechanisme.

Deelmechanisme

Deel van het faalproces dat voortkomt uit het falen van onderdelen van het systeem, maar waarbij nog geen sprake hoeft te zijn van volledig functieverlies.

Deining

Windgeïnduceerde watergolven, die niet meer onder invloed zijn van het windveld dat deze golven opwekte.

Dekzand

Door de wind afgezet zand, dat als een dek op oudere zanden of afzettingen ligt in een laag, variërend van enkele decimeters tot meerdere meters dikte.

Delta

Uitmonding van een rivier als een stelsel van aftakkingen.

Demontabele kering

Mobiele kering waarvan een deel van de constructie alleen bij dreigend hoogwater wordt opgebouwd en waarvan onder normale omstandigheden slechts een beperkt deel van de constructie (zoals funderingsbalken, kwelschermen, of aansluitingen op bestaande constructies) achterblijft op het waterkeringtracé.

Depositie

Aanzanding van het afgeslagen duinzand.

Deterministisch

Hiermee wordt bedoeld dat tijdens een berekening een parameter niet als stochast wordt gemodelleerd. De waarde van deze parameter wordt als "bekend" verondersteld.

Deterministisch model

Een model dat de invoer volgens een vaststaande wetmatigheid omzet in uitvoer, zonder rekening te houden met onzekerheden.

Dicht steenasfalt

Een licht overvuld mengsel met een gap-graded aggregaat, waardoor verdichting door eigen gewicht optreedt.

Dichtheid

Verhouding tussen massa en volume van het materiaal (volumieke massa, soortelijke massa).

Dichtingslaag

Een laag bindmiddel aangebracht op een oppervlak van waterbouwasfaltbeton.

Diepwand

Doorgaande (meestal onverankerde) wandconstructie, die is opgebouwd uit (trillingsvrij) in de grond vervaardigde betonnen panelen voorzien van wapening.

Diffractie

Buiging van golffront/golfstraal in het schaduwgebied van een obstakel.

Dijk

Waterkerend grondlichaam.

Dijkbasis

De zich binnen de invloedssfeer van de dijk bevindende ondergrond.

Dijkdeuvels

Versterking van de dijk waarbij worden stalen buizen tot onder de teen van de dijk in de diepere zandlaag ingebracht. Om deze buizen zijn kousen van geotextiel aangebracht, die na installatie met cement-bentoniet worden volgepompt. Daardoor zet de kous uit als een langwerpige ballon, waarmee potentiele afschuifvlakken van de dijk worden gestabiliseerd.

Dijk-in-duin

Hybride kering waarbij een dijk wordt beschermd door een voorliggend volume zand.

Dijkkern

Grondlichaam van zand en/of klei in een dijk dat moet worden beschermd tegen de inwerking van de waterbeweging.

Dijkmuur

Constructie op een dijk aangebracht om golfoverslag over de dijk te beperken.

Dijkringlijn

Lijn die de ligging van de primaire waterkering aangeeft.

Dijktraject

Gedeelte van een primaire waterkering dat afzonderlijk genormeerd is.

Dijkvak

Een deel van een waterkering met uniforme eigenschappen en belasting. Zie ook vak.

Dijkvernageling

Techniek om een dijk te versterken. Hierbij worden nagels met een kern van staal of kunststof in de dijk geplaatst. De kern is omhuld met een schil van grout (cement en water) die zorgt voor een goede hechting tussen de nagels en de grond in de dijk. Hiermee worden potentiele afschuifvlakken van de dijk gestabiliseerd.

Dilatant gedrag

Volumetoename ten gevolge van een opgelegde schuifvervorming van grond.

Doorgaand kanaal

Kanaal van de benedenstroomse naar de bovenstroomse zijde.

Doorgroeisteen

Platte betontegel of betonblok met gaten er in die begroeiing mogelijk maken (grasbetonstenen).

Doorlatendheid

Het vermogen van de grond om vloeistof door te laten. Verhouding tussen specifiek debiet en verhang. Darcy doorlatendheid, afhankelijk van de viscositeit van het water.

Doornikse steen

Blokvormig toplaagelement van natuursteen uit de groeven van Doornik, België.

Drukstaafmethode

Methode om de stabiliteit van de dijk te benaderen onder inachtneming van de vervorming van het slappe grondpakket achter de dijk, dat hiertoe als een door druk belaste staaf wordt opgevat (opdrijven).

Dubbele duinen

Meerdere duinregels die samen een duinwaterkering vormen.

   

Duin

Min of meer aansluitende zandheuvels langs de kust, al dan niet door de natuur gevormd, die het waterkerend vermogen ontlenen aan de geometrie en de hoeveelheid zand binnen het dwarsprofiel.

Duinafslag

Faalmechanisme voor duinen dat betrekking heeft op de erosie van een duin onder stormcondities.

Duinfront

Zeezijde van het duinprofiel.

Duinregel

Gesloten duinenrij.

Duinvak

Zie dijkvak.

Duinvoet

Overgang van strand naar duin. De positie van de duinvoet in een dwarsprofiel wordt door veel beheerders gedefinieerd met behulp van een in de tijd constante hoogtelijn (bijvoorbeeld NAP +3 m).

Duinvoetverdediging

Harde waterkeringsconstructie die het achterliggend duin beschermt tegen duinafslag, gezamenlijk vormt dit een hybride kering.

Duinwaterkering

Deel van een duingebied dat aangemerkt is als primaire waterkering.

Economische schade

De schade die opgelopen is door ontwrichting van economische processen.

Ecotop

Ruw laagje op de bovenkant van toplaagelementen ter bevordering van flora en fauna.

Eenheid/Eenheden (van WBI-SOS)

WBI-SOS verdeelt de ondergrond in eenheden, in totaal 43 (Bijlage B). Een WBI-SOS eenheid bestaat uit een grondlaag of grondlagen die relatief homogeen verdeelde eigenschappen hebben. De lithologie kan homogeen zijn, maar het is ook mogelijk dat de eenheid een homogene afwisseling bevat van verschillende lithologieën, bijvoorbeeld zand/klei afwisselingen. De eenheden zijn zo opgezet en beschreven dat ze herkend kunnen worden in boringen en sonderingen en dat ze relatief eenvoudig zijn te koppelen aan proevenverzamelingen.

Eenvoudige toets

Onderdeel van de toetsprocedure. In de eenvoudige toets wordt per vak en per toetsspoor met eenvoudige beslisregels gecontroleerd of het toetsspoor relevant is. De beslisregels zijn gebaseerd op veilige afmetingen van (onderdelen van) de kering, algemene eigenschappen van de kering waardoor een faalmechanisme niet kan optreden of eenvoudige rekenregels.

Emulgator

Een stof die een emulsie stabiel houdt (er voor zorgt dat de geëmulgeerde stof niet samenklontert).

Erosie

Het proces waarbij grond, gesteente en dergelijke verplaatst worden door c.q. wegspoelen onder invloed van wind, stromend water of bewegende ijsmassa’s.

Erosie van de onderlagen

Faalmechanisme van bekledingen dat zich voordoet als de beschermende werking van de toplaag weggevallen is.

Erosiescherm

Een in het buitentalud aanwezige wandconstructie, die bij een geërodeerd buitentalud samen met het resterende deel van de dijk de waterkerende functie overneemt.

Estuarium

Wijde trechtervormige riviermond, waarin het getij zich sterk doet gevoelen.

Evenstandslijn

Lijn die weergeeft hoe plaatselijk een bepaalde waterstand kan ontstaan onder invloed van combinaties van de rivierafvoer en de hoogwaterstand te Hoek van Holland.

Faaldefinitie

(Praktische en juridisch relevante) afspraak over wat in het WBI 2017 als falen wordt beschouwd. De faaldefinitie beschrijft de situatie die in de gedetailleerde toets voor falen van de waterkering wordt aangehouden.

Faalkans

Kans op overschrijden van de uiterste grenstoestand van een waterkering of een onderdeel daarvan. De uiterste grenstoestand wordt vastgelegd door een faaldefinitie.

Faalkansbegroting

Verdeling van de toegestane faalkans over de faalmechanismen. Wordt toegepast in de gedetailleerde toets per vak, waarbij een faalkansbegroting wordt voorgeschreven. In de gedetailleerde toets per traject wordt de faalkansbegroting vrijgelaten.

Faalkans(en)budget

Zie faalkansbegroting.

Faalkans per vak, doorsnede of kunstwerk

Faalkans voor een vak voor een toetsspoor als resultaat van de analyse in de gedetailleerde toets per vak. Een vak heeft betrekking op een dijkdoorsnede, duinenraai of kunstwerk.

Faalkans per traject

Faalkans voor een dijktraject voor een toetsspoor of combinatie van toetssporen als resultaat van de analyse in de gedetailleerde toets per traject of in de toets op maat.

Faalkanseis per traject

Toelaatbare faalkans voor een dijktraject voor een toetsspoor of combinatie van toetssporen voor een faalkansbegroting afgeleid uit de norm.

Faalkanseis per vak, doorsnede of kunstwerk

Toelaatbare faalkans voor een vak voor een toetsspoor voor een faalkansbegroting en lengte-effect afgeleid uit de norm. Een vak is een dijkdoorsnede, duinenraai of kunstwerk.

Faalmechanisme

De opeenvolging van gebeurtenissen die leidt tot falen.

Faaltraject

Geheel van (deel)processen en stadia die worden doorlopen alvorens daadwerkelijk falen optreedt.

Falen

Falen van een technisch systeem of onderdeel ervan houdt in dat het zich bevindt in een toestand waarbij een of meer functies daadwerkelijk niet meer (kunnen) worden vervuld. In de beoordeling van de veiligheid van de primaire waterkeringen is dat de waterkerende functie.

Fauna-uitstapplaats

Een voorziening langs een steile oever van een waterweg, waar (te water geraakte) dieren aan land kunnen komen.

Fictieve taludhelling

Gewogen gemiddelde van de taludhelling onder en boven de buitenberm, benodigd voor ontwerp en toetsing op toplaaginstabiliteit van steenzettingen op de berm.

Filter

Tussenlaag in de taludbekleding die uitspoeling van fijnkorrelig materiaal uit de ondergrond door de bovenliggende laag van de bekleding voorkomt.

Flexibiliteit

Buigzaamheid, het vermogen om vervormingen te kunnen ondergaan waarbij het materiaal intact blijft.

Fluctuatieschaal

Lengtemaat die bepalend is voor de mate van ruimtelijke variabiliteit van een parameter.

Fluïdisatie

Proces waarbij fijne vaste deeltjes door een stromend gas of vloeistof in beweging worden gebracht.

Foutenboom

Schematische weergave van combinaties van oorzaken die tot een bepaalde ongewenste gebeurtenissen, topgebeurtenissen genoemd, aanleiding kunnen geven.

Fractie

Verzameling korrels die de grootste van twee nader aangeduide zeven (nominale fractiegrenzen) passeert en blijft liggen op de kleinste. De ondergrens kan daarbij ook nul zijn.

Freatisch vlak

Vlak in de grond waar de druk in het poriën water gelijk is aan nul.

Freatische lijn

Niveau van de grondwaterspiegel in een dijklichaam.

Frequentielijn

Het gemiddeld aantal keren per periode (jaar/seizoen) dat een betreffende stochastwaarde wordt overschreden.

Functiescheidend scherm

In de waterkering aanwezige wandconstructie om te voorkomen dat de onderdelen die gezamenlijk de waterkerende functie vervullen (i.e. grondlichaam, constructieve elementen) onder normale omstandigheden de aangrenzende niet-waterkerende functies (bv wonen, werken, recreatie) negatief beïnvloeden als gevolg van grondbelastingen en -vervormingen.

Fysisch model

Een natuurkundige beschrijving van een grenstoestandfunctie (zie aldaar).

Gap-graded

Type korrelverdeling waarbij alleen grove en fijne korrels voorkomen, de tussenliggende maat ontbreek (vrijwel) geheel.

Gedetailleerde toets

Toets in de toetsprocedure die uitgaat van een voorgeschreven faaldefinitie en bijbehorend generiek rekenmodel.

Gedetailleerde toets per vak

Toets gebaseerd op modelmatige analyses en generieke rekenregels met vaste faalkansverdeling op per vak.

Gedetailleerde toets per traject

Toets gebaseerd op modelmatige analyses en generieke rekenregels voor het gehele traject. In deze toets wordt de vaste faalkansverdeling losgelaten.

Gedragsmodel

Zie fysisch model.

Gegradeerde korrelverdeling

Een monster korrels met een gelijk matig verdeelde diameter.

Gelaagdheid

Hiermee wordt aangegeven dat de oorspronkelijk gelaagde structuur t.g.v. de afzetting van de lagen nog aanwezig is.

Geldigheidsgebied

Het geheel van voorwaarden waaronder een model mag worden toegepast.

Gemaal

Kunstwerk om water van een laag peil naar een hoog peil te brengen, waarvan de noodzaak kan liggen in wateroverschot aan de lage kant (afvoer) of in waterbehoefte in het gebied aan de hoge kant (aanvoer). Een gemaal is een samenstel van verschillende onderdelen:

• één of meerdere doorvoerleidingen of -kokers

• één of meerdere afsluitmiddelen

• een gebouw met installaties.

Gemiddeld hoog water

De gemiddelde hoogte van hoogwater op een locatie over een periode van 19 jaar (in een getijdegebied).

Geokunststof

Kunststof doek dat bijvoorbeeld op zand of klei wordt toegepast om uitspoeling ervan te voorkomen.

Geometrisch dicht

Criterium voor gronddichtheid van een filter, waarbij materiaaltransport fysiek onmogelijk is doordat de openingen in het filter kleiner zijn dan de korrelafmetingen van het basismateriaal.

Geotechnisch profiel

De verticale opbouw in grondmechanische zin van een waterkering.

Gepenetreerde steenzetting

Steenzetting waarbij tussen de toplaagelementen beton of asfalt is aangebracht om de sterkte te vergroten.

Geschakelde steenzetting

Blokkenmat of interlock-elementen.

Geschiktheidsonderzoek

Onderzoek waarbij een proefproductie (veelal een dagproductie, volgens de RAW-standaard: 40 ton van waterbouwasfaltbeton of 16 ton in geval van open steenasfalt) bereid en verwerkt wordt op de door de aannemer voorgestelde werkwijze, met als doel aan te tonen dat de beoogde werkwijze tot de vereiste kwaliteit leidt.

Getijhoogwaterstijging

De relatieve stijging van de gemiddelde hoogwaterstand (inclusief NAP-daling).

Getijkans

De kans dat gedurende een getijperiode een bepaalde windsnelheid een keer wordt overschreden.

Getijperiode

Tijdsduur van (ongeveer) 1 getij.

Gewapende grond

Bij kerende constructies met een steile of verticale begrenzing in gewapende grond wordt de inwendige stabiliteit verzekerd door meerdere lagen van wapening (strippen, roosters of grids) die, door interactie (wrijving) tussen grond en wapening trekkracht kunnen overdragen.

Gewichtsmuur

Op staal gefundeerde grondkerende constructie die zijn algehele stabiliteit ontleent aan zijn eigen gewicht (inclusief eventueel door de muur ondersteunde volumes aanvulling).

Gietasfalt

Warm bereid asfalt met een mengsel van gegradeerd grind (of steenslag) en een overmaat aan asfaltmastiek, dat nagenoeg geen holle ruimte heeft.

Glijvlak

Het vlak waarlangs een afschuivende grondmoot afschuift over het stabiele deel van een grondlichaam en waarlangs door de grond schuifsterkte wordt gemobiliseerd.

Glijvlak model

Rekenmodel waarmee de weerstand van een grondmoot tegen afschuiven langs een schuifvlak wordt berekend.

Golfbelastingen

Golfcondities die worden gebruikt voor het toetsen en ontwerpen van de diverse faalmechanismen.

Golfcondities

Weergave van de toestand van een golfveld op een bepaald moment, veelal in termen van significante golfhoogte, (gemiddelde of piek)periode en gemiddelde golfrichting.

Golfhoogte

De verticale afstand tussen dal en top van een golf.

Golfhoogte duinafslag

Rekenwaarde voor de golfhoogte waarmee in de gedetailleerde toets voor het toetsspoor duinafslag dient te worden gerekend.

Golfklap

Korte drukstoot op het talud die ontstaat doordat de watermassa van een brekende golf het talud met grote snelheid treft.

Golfklapzone

Deel van het talud dat door golfklappen wordt belast.

Golfoploop

Het tegen het talud oplopen van golven.

Golfoploophoogte

Hoogste niveau ten opzichte van de stilwaterlijn tot waar een golf het talud nat maakt.

Golfoploopzone

Deel van het talud dat niet door golfklappen maar door golfoploop wordt belast, gelegen boven de stil waterstand.

Golfoverslag

Situatie waarbij de waterstand lager is dan de hoogte van de waterkering en waarbij golven over de waterkering heen slaan.

Golfoverslagdebiet

De hoeveelheid water die door golven per strekkende meter gemiddeld per tijdseenheid over de waterkering slaat.

Golfoverslaghoogte

De hoogte ten opzichte van de waterstand, waarbij een bepaald opgegeven debiet optreedt. Iets preciezer gezegd is de golfoverslaghoogte het verschil tussen het niveau van de buitenkruinlijn en de lokale waterstand in de situatie dat de buitenkruinlijn zó hoog ligt dat de overslag daarover precies gelijk is aan het opgegeven debiet.

Golfperiode

Tijdsduur tussen twee opeenvolgende neergaande passages van de middenstand van een golf.

Golfspectrum

Verdeling van de golfenergiedichtheid als functie van de periode (bij een breed spectrum zijn de golfperioden van de windgolven onderling sterk verschillend).

Golfsteilheid

Verhouding tussen de hoogte en de lengte van een golf.

Gradiënt

Verloop van een grootheid per eenheid van lengte. Zie: verhang.

Granietblok

Blokvormig toplaagelement van graniet.

Granulaire laag

Laag van korrelig materiaal van beperkte dikte die onder de toplaag kan liggen, fungerend als filterlaag en/of uitvullaag.

   

Gras

Individuele plantensoort (enkelvoud) of begroeiing met een grasachtig uiterlijk (meervoud; dan ook ‘grasland’, ‘grasvegetatie’). Echte grassen (Poaceae) of verwante eenzaadlobbige soorten zijn dominant of beeldbepalend. In de meeste dijkgraslanden komen echter ook kruiden voor.

Graszode

Het intensief doorwortelde bovenste deel van de toplaag, bestaande uit substraat plus wortels In de zode zijn de wortels van individuele spruiten meestal sterk vervlochten. De zode is gewoonlijk 5 tot 10 cm dik.

Grenslaag

Onderste deel van het afdekkende pakket. Bij hoogwater wordt de waterspanning in de grenslaag beïnvloed door de stijghoogte in de onderliggende aquifer.

Grenspotentiaal

Stijghoogte in de aquifer die in evenwicht is met het gewicht van het afdekkende pakket.

Grensprofiel

Deel van de duinwaterkering landwaarts van de afslagzone dat bedoeld is om golfoverslag te voorkomen.

Grensstijghoogte

Zie Grenspotentiaal.

Grenstoestand

Toestand waarin de sterkte van een constructie of een onderdeel daarvan nog juist evenwicht maakt met de daarop werkende belastingen.

Grenstoestandfunctie

Wiskundige functie die voor alle mogelijke uitkomsten van de combinaties van betrokken stochastische variabelen beschrijft of de waterkering wel/niet faalt.

Grindasfaltbeton

Warm bereid asfalt met een continu gegradeerd mengsel van grind, zand en vulstof, dat een laag percentage holle ruimte heeft.

Grof zand

Aanduiding voor zanden met een gemiddelde korrelgrootte van de zandfractie tussen 210 en 2000 µm.

Grondbreuk

Zie hydraulische grondbreuk.

Grondwaterstand

Hoogteligging van het freatisch vlak.

Haringmanblok

Type betonblokken met inkeping ter beperking van golfoploop.

Havendam

Dam gelegen voor de primaire waterkering die zich uitstrekt vanaf de kust of oever het open water in, om de stroming en golven te beïnvloeden of om te voorkomen dat de toegang tot een haven of een rivier dichtslibt.

Havenslingering

Zie seiche.

Heave

Situatie waarbij verticale korrelspanningen in een zandlaag wegvallen onder invloed van een verticale grondwaterstroming; ook fluïdisatie of de vorming van drijfzand genoemd.

Heterogeen

Van punt tot punt belangrijke verschillen in eigenschappen bezittend.

Hevel(pers)leiding

Kokervormige constructie met een verhoogd middengedeelte, in de regel over waterkering of (stroom)scheiding heen, dat twee wederzijds gelegen wateren met elkaar verbindt. Het overbrengen van water via de hevel vindt plaats op basis van de principes van communicerende vaten en wordt in gang gebracht door het aanbrengen van een vacuüm in de leiding.

Hoge drempel

Een element in een niet hoogwaterkerend gesloten kunstwerk, dat zorgt voor een drempel waar het water via golfoverslag en/of overloop overheen moet stromen zonder dat het invloed van eventueel aanwezig binnenwater ondervindt.

Hoge gronden

De natuurlijke hoge delen van Nederland.

Hogedrukleiding (vloeistof, gas)

Leiding deel uitmakend van een systeem waarin een bedrijfsdruk groter dan of gelijk aan 1 MPa (10 bar) wordt aangehouden.

Hoogwatergolf

Tijdelijk verhoogde waterstanden in een rivier (met een golfvorm) door een vergrote rivierafvoer. De hoogwatergolf kan enkele uren tot enkele dagen aanblijven.

Hybride kering

Primaire kering, bestaande uit een combinatie van een zandlichaam (duin) en een harde waterkeringsconstructie.

Hydraulisch

 

belastingniveau

De kruinhoogte waarbij de kans op het overschrijden van een kritiek golfoverslagdebiet met een kans van voorkomen die getalsmatig gelijk is aan de norm van het dijktraject waar de waterkering onderdeel van uitmaakt.

Hydraulisch dicht

Criterium voor gronddichtheid van een filter, waarbij materiaaltransport onmogelijk is doordat de weerstand tegen uitspoeling voldoende groot is bij de maatgevende belasting.

Hydraulisch materiaal

Granulair materiaal dat kan samenkitten.

Hydraulische belasting

Belasting op de waterkering als gevolg van de lokale waterstand en bijbehorende golven.

Hydraulische condities

De condities die bepalend zijn voor de hydraulische belasting. Het betreft onder meer waterstanden, stroming, golfhoogten en golflengten.

Hydraulische grondbreuk

Verlies van korrelcontact in de grond als gevolg van te hoge wateroverspanningen; in geval van een cohesieve afdekkende grondlaag leidt dit tot opdrijven en opbarsten, in geval van een niet cohesieve grondlaag tot heave.

Hydraulische waterspanning

(Grond)waterspanning in een punt in de (onder)grond die overeenkomt met de waterspanning als gevolg van een kolom water vanaf dat punt tot aan de vrije grondwaterspiegel.

Hydraulische weerstand

Karakterisering van de doorlatendheid van grondlagen. Weerstand die een bepaalde laag biedt tegen (meestal verticale) grondwaterstroming. Bij een homogene laag is deze grootheid gelijk te stellen aan het quotiënt van laagdikte D en (verticale) doorlaatcoëfficiënt k.

Hydrodynamisch model

Model waarmee de stroming in open en gesloten waterlopen berekend kan worden.

Hydrodynamische periode

Zie Consolidatie tijd

Hydrostatische waterspanning

(Grond-)waterspanning in een punt in de (onder-)grond die overeenkomt met de waterspanning als gevolg van een kolom water vanaf dat punt tot aan de vrije grondwaterspiegel.

In de grond ingebedde grondkering

Relatief dunne wanden van staal, gewapend beton of hout, ondersteund door ankers, stempels en/of passieve gronddruk. De buigweerstand van dergelijke wanden speelt een significante rol in de ondersteuning van het materiaal, terwijl het gewicht van de ingebedde wand zelf onbelangrijk is.

Indirect faalmechanisme

Mechanisme dat niet direct tot falen van het systeem leidt maar de kans op falen door een vervolgmechanisme vergroot.

Indringingslengte

Verticale afstand aan de onderzijde van de slecht doorlatende deklaag waarover de waterspanning in de deklaag verandert bij waterspanningsvariaties in de watervoerende zandlaag.

Infiltratie

Indringen van water in de dijk of ondergrond.

Infiltratiecapaciteit

Het vermogen van de grond om water te laten indringen (m3/s/m2).

Infrastructurele functie

Het indirect mogelijk maken van (spoor)wegverkeer, scheepvaart en nutsvoorzieningen.

Ingegoten steenzetting

Steenzetting waarbij tussen de toplaagelementen van boven af tot meer dan de helft van de toplaagdikte beton of asfalt is aangebracht (‘vol en zat‘ gepenetreerde steenzettingen).

Inlaatduiker

Kokervormige constructie door een grondconstructie, eventueel voorzien van keermiddelen, met als doel om onder vrij verval (via een vrij wateroppervlak) buitenwater in te laten.

Inscharingslengte

De lengte gerekend vanaf de geulrand waarover het voorland landinwaarts wordt aangetast.

Instandhouden

Het behouden van de veiligheidstoestand conform de vigerende eisen van de waterkering.

Interne instabiliteit

Migratie van de fijne fractie van een filter door de poriën van het filter.

Intreepunt

(Theoretisch) punt waar het buitenwater tot de aquifer toetreedt, als gevolg van het verval over de waterkering.

Intreeweerstand

Weerstand veroorzaakt door een slecht-doorlatend sliblaagje ter plaatse van het intreepunt.

Invloedscoëfficiënt

Indicator voor het relatieve belang van een stochastische variabele in de faalkansberekening, d.w.z. in vergelijking met de andere stochastische variabelen.

Invloedsgebied

Gebied waarbinnen het bezwijken of falen van een waterkerend kunstwerk, bijzondere constructie of niet-waterkerend object merkbaar is. Denk hierbij aan de ontgrondingskuil rond een bezweken leiding of een ontwortelde boom.

Invloedslijn

Uiterste lijn op het maaiveld waarvoor geldt dat als aan de dijkzijde van die lijn het maaiveld wordt verstoord de veiligheid van de waterkering zakt onder de (volgens de toetsing) vereiste veiligheid, gelet op alle directe faalmechanismen.

Invloedsstrook

Strook, direct landwaarts van de reservestrook, waar aan gebruiksfuncties beperkingen worden gesteld teneinde de waterkering in stand te houden.

Invloedszone

De zone waarbinnen de invloed van een bepaald faalmechanisme aanwezig is.

Inwas materiaal

Granulair materiaal dat in de spleten tussen de stenen wordt aangebracht om de interactiekrachten tussen de blokken te vergroten.

Inwateringssluis

Waterstaatkundige constructie die in de waterkering is gelegen en bedoeld is om (vers) water in de polder te laten.

Inwendige stabiliteit

mate van weerstand van een asfaltmengsel tegen blijvende en ongewenste vervormingen ten gevolge van het eigen gewicht of externe belastingen (bijvoorbeeld walsen).

Inzanding

De ophoping van zand in de toplaag en de granulaire laag, afkomstig van bijvoorbeeld het voorland (zie ook inslibbing).

JARKUS

Landelijk databestand van jaarlijks diepte- en hoogtemetingen van de zandige kust (JAaRlijkse KUStmetingen).

Kade

Kleine dijk.

Kademuur

Grondkerende constructie om schepen aan af te meren, opdat overslag van goederen mogelijk kan worden gemaakt.

Kadewand

In de grond ingebedde wandconstructie langs een oeverstrook waarlangs de schepen kunnen aanleggen, die de overslag en tijdelijke opslag van (bulk)goederen mogelijk maakt.

Kalibratiecriterium

Criterium op basis waarvan veiligheidsfactoren worden vastgesteld. Het criterium heeft in de regel de vorm van een faalkanseis voor een doorsnede van een waterkering.

Kansdichtheidfunctie

Functie die aangeeft welke mogelijke uitkomsten van een variabele de grootste kans van optreden heeft (formeel: de grootste kansdichtheid).

Karakteristieke lijnen

Lijn die de karakteristieke punten met elkaar verbindt.

Karakteristieke punten

Kenmerkende punten in het dwarsprofiel voor de schematisering van de waterkering voor de analyse van een faalmechanisme.

Karakteristieke waarde

Waarde met een voorgeschreven onder- of overschrijdingskans, bepaald op grond van een statistische analyse van beschikbare gegevens.

Keermuur (of keerwand)

Muur die door vorm, gewicht en fundering zonder verankering de grond keert.

Keersluis

Een sluis die als voornaamste doel het keren van hoogwater heeft.

Kerende hoogte

Laagste punt van de bovenrand van de waterkering, het niveau waarbij overloop optreedt als de buitenwaterstand dit niveau overschrijdt.

Kernzone

Zie waterstaatswerk.

Keur

Verordening met strafbepaling van een waterschap.

Keurgebied

Gebied waarop de keur van toepassing is.

Keurzone

Zie keurgebied.

Kistdam

Set damwandschermen verbonden door één of meerdere ankers waarbij de ruimte tussen de schermen gevuld is met grond.

Kleibekleding

Laag klei, inclusief een eventueel aanwezig laagje teelaarde, die dient ter bescherming van het onderliggende kernmateriaal van een dijk of dam.

Klemming

Bijdrage aan de weerstand tegen toplaaginstabiliteit doordat naast elkaar liggende toplaagelementen onderlinge beweging onmogelijk maken.

Klink

Dikteafname van een grondconstructie of -laag ten gevolge van autonome verdichting van het materiaal.

Klinker

Toplaagtype.

Kolk

Ontgrondingskuil direct achter of voor een dijk die is ontstaan bij een oude dijkdoorbraak waar nu vaak de dijk in een kronkel omheen ligt. Het is dan een klein meertje geworden.

Kombergend vermogen

Het vermogen van het achterliggende watersysteem van een waterkerend kunstwerk om een bepaalde hoeveelheid instromend water te bergen, zonder dat dit in het achterland tot sterkte reducerende schade aan kades dan wel een substantiële hoeveelheid water op straat in bebouwd gebied leidt.

Koperslakblok

Blokvormig toplaagelement, gemaakt van het restmateriaal koperslakken.

Kopsloot

(Polder)sloot die dwars op de dijk of kade is gesitueerd.

Korrelgroep

Verzameling korrels die met uitzondering van geringe percentages boven- en ondermaat blijft liggen tussen twee nader aangeduide zeven.

Korrelverdeling

Verdeling van de korrels naar afmeting in de diverse fracties binnen een korrelgroep.

Kosten-batenanalyse

Een analyse waarbij men de voor- en nadelen van een project of maatregelen vergelijkt, uitgedrukt in geld. Als de baten groter zijn dan de kosten, is het project economisch rendabel.

Kreukelberm

Zie ‘teenbestorting’.

Kritiek grensprofiel

Meest landwaarts gelegen grensprofiel.

Kritiek verval

Waarde van het verval, of de lengte van de maatgevende kwelweg, waarbij juist geen piping of heave optreedt.

Kritieke kwelweglengte

De lengte van de maatgevende kwelweg waarbij wel zandtransport, maar juist geen piping of heave optreedt.

Kruiden

Tweezaadlobbige plantensoorten, vaak gekenmerkt door een weinig ‘grasachtig’ uiterlijk en – in vergelijking met grassen – veel opvallender bloemen. In natuurlijke graslanden en ook op de meeste dijkgraslanden komen naast grasachtigen ook kruiden voor.

Kruin

Strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn; 2. Hoogste punt in het dwarsprofiel van het dijklichaam; 3. Buitenkruinlijn.

Kruinhoogte

Hoogte van de waterkering.

Kruip

In de tijd doorgaande vervorming van een materiaal ten gevolge van een belasting.

Kunstwerk (Waterkerend)

Constructie die onderdeel uitmaakt van een waterkering en over een beperkte lengte de waterkerende functie van het grondlichaam geheel of gedeeltelijk overneemt, maar is aangelegd ten behoeve van een andere (utilitaire) functie die de waterkering kruist (zoals schutten en spuien). In verband met deze utilitaire functie zijn deze waterbouwkundige constructies meestal voorzien van één of meer beweegbare afsluitmiddelen.

Kustlijn

Gemiddelde laagwaterlijn. Deze is aangegeven op de door de Minister van Verkeer en Waterstaat of haar opvolger vastgestelde peilkaart.

Kwantiel

Waarde die hoort bij een bepaalde kans. Bijvoorbeeld er is een kans van 10% dat een 'willekeurige' korreldiameter kleiner is dan het 10%-kwantiel.

Kwel

Het uittreden van grondwater (water dat door of onderdoor een waterkering stroomt) als gevolg van het te keren verval over de waterkering (waterstandsverschil). Doorsijpeling van water onder de dijk door. In het algemeen: het diffuus uittreden van grondwater. In het bijzonder: het uittreden van grondwater onder invloed van grotere stijghoogten elders in het hydrologische systeem.

Kweldergebied

Een begroeide buitendijkse landaanwas die alleen bij extreem hoge waterstanden blank komt te staan en bij een gemiddeld hoogwater niet meer onderloopt.

Kwelkade

In het direct aan de dijk grenzende achterland aangebrachte kade om afstromen van kwelwater te verminderen waarmee wordt getracht het optreden van pipingverschijnselen te voorkomen alsmede wateroverlast binnendijks tijdens hoge rivierafvoeren te beperken.

Kwelscherm

Een ondoorlatende, in de regel verticale, constructie voor verlenging van de kwelweg.

Kwelsloot

Sloot aan de binnenzijde van de dijk die tot doel heeft kwelwater op te vangen en af te voeren.

Kwelweg

Mogelijk pad in de grond dat het kwelwater aflegt, van het intreepunt naar het uittreepunt.

Kwelweglengte

Lengte van de kwelweg, dit is de afstand die het kwelwater ondergronds aflegt voordat het weer aan de oppervlakte komt.

Laag duin

Duin waarbij er sprake is van golfoverslag.

Lage drempel

Een element in een niet hoogwaterkerend gesloten kunstwerk, dat zorgt voor een drempel waarbij er na overstromen direct contact ontstaat tussen buiten- en binnenwater, zodat het debiet aan instromend water door de binnenwaterstand wordt beïnvloed.

Lagedrukleiding (vloeistof, gas)

Leiding deel uitmakend van een systeem waarin een bedrijfsdruk kleiner dan 1 MPa (10 bar) wordt aangehouden.

Landwaartse grens waterstaatswerk

Overgang tussen een duinwaterkering en het binnendijks duingebied.

Langsconstructie

Type kunstwerk in een waterkering waarvoor geldt dat de onzekerheden gerelateerd aan de (relatief) grote lengte in de richting van de as van de waterkering (ten opzichte van de lengte loodrecht op de as van de waterkering) in de beoordeling moeten worden meegenomen zoals kademuren en stabiliteitschermen.

Langsstroming

Stroming van water over het talud evenwijdig aan de as van de dijk.

Langsvoeg

Spleet tussen blokvormige toplaagelementen aan de lange zijde van de blokken.

Leendertse blokken

Type interlockelementen.

Legger

Kaart met juridische status die waterkeringbeheerders op grond van artikel 5.1 van de Waterwet moeten opstellen. Hierop staat de exacte ligging van de waterkering en de daarin te onderscheiden zones (waterstaatswerk, beschermingszone en buitenbeschermingszone).

Leklengte

Lengte waarover een stijghoogteverschil binnen een watervoerende laag halveert als gevolg van stroming naar een relatief slecht doorlatende deklaag (piping en stabiliteit toplaag steenzettingen).

Lekfactor

Zie Leklengte.

Lengte-effect

Invloed van variaties van dijk- en ondergrondeigenschappen binnen een dijktraject op de faalkans van (een faalspoor binnen) dat dijktraject, wiskundig gezien gelijk is aan de verhouding tussen de faalkans van een "uniform" dijksegment en de faalkans van een dwarsdoornede uit datzelfde segment.

Lessinese steen

Blokvormig toplaagelement van natuursteen uit de groeven van Lessine, België.

Levensduurfactor

Factor om de invloed van het gecorreleerd zijn van faalkansen in afzonderlijke jaren binnen de levensduur op de faalkans voor de gehele levensduur in rekening te brengen.

Life cycle analysis

Beschouwing over één of meer aspecten van een product, proces, et cetera, waarbij de gehele levenscyclus van het onderzochte in de beschouwing voorkomt.

Liquefactie

Zie verweking.

LNC- waarden

Landschaps-, Natuur- en Cultuurhistorische waarden.

Lokale opstuwing

lokale waterstandsverhoging ter plaatse van de waterkering als gevolg van obstakels in het rivierbed.

Lokale opwaaiing

Opwaaiing tussen de locatie waarvoor de hydraulische randvoorwaarde wordt gegeven en de waterkering.

Lokale schematisatie

Detaillering van de WBI-SOS scenario’s voor een faalmechanisme die in de WBI 2017-software (Ringtoets) wordt gebruik om de faalkans van een dijkstrekking te bepalen.

L-wand

Al dan niet verankerde grondkerende constructie in de vorm van een L, waarvan de verticale wand primair is om de grond te keren en het horizontale deel om de stabiliteit van de constructie te waarborgen.

Maatgevend afslagpunt

Afslagpunt in een dwarsraai berekend tijdens de toetsing van een duinwaterkering.

Maatgevende afslagzone

Afslagzone berekend tijdens de toetsing van een duinwaterkering.

Maatgevende afvoer

De afvoer die bepalend is gesteld voor het ontwerp of een deel ervan.

Maatgevende Hoogwaterstand

De waterstand met een kans van voorkomen gelijk aan de normfrequentie van het dijktraject waar de waterkering onderdeel van uitmaakt.

Maatgevende waterstand

Waterstandsniveau waarbij de bekleding volgens de berekening zal bezwijken.

Macro-instabiliteit

Het afschuiven van grote delen van het grondlichaam van een dijk langs rechte of gebogen glijvlakken, dan wel het evenwichtsverlies ten gevolge van het ontstaan van grote plastische zones.

Macrostabiliteit

Weerstand tegen het optreden van een glijvlak in het talud en de ondergrond.

Marginale statistiek

De kans- of frequentieverdeling van één afzonderlijke stochastische variabele, zonder rekening te houden met de invloed van eventuele andere stochastische variabelen die daarmee al dan niet gecorreleerd zijn.

Mastiek

Warm bereid asfalt met een continu gegradeerd mengsel van zand en vulstof en een overmaat aan bitumen, dat nagenoeg geen holle ruimte heeft (asfaltmastiek).

Materiaalfactor

Partiële factor, die op de karakteristieke materiaalparameter wordt toegepast om onzekerheden in de grondeigenschappen te verdisconteren.

Materiaaltransport

Faalmechanisme waarbij uitspoeling vanuit onderlagen leidt tot ondermijning van de toplaag.

Meerdijk

Primaire waterkering, gelegen langs in het algemeen grote wateren, anders dan rivieren, zonder getijdenwerking.

Meerpeil

De waterstand op een bepaald moment, gemiddeld over het beschouwde meer.

Microstabiliteit

Weerstand tegen erosie van het talud als gevolg van uittredend water.

Middenkruinlijn

Midden van buiten-en binnenkruinlijn.

Mijnsteen

Restproduct van mijnbouw bestaand uit breed gegradeerd granulair materiaal.

Mineraal aggregaat

Mengselcomponent in asfalt, bestaande uit grind of steenslag, zand en vulstof of een combinatie hiervan.

Mobiele kering

Demontabele of tijdelijk keermiddel dat niet permanent aanwezig is en apart moet worden opgebouwd bij een (dreigend) hoogwater.

Modelfactor

Partiële factor waarin onzekerheden in de berekeningsmethodes zijn verdisconteerd.

Modelonzekerheidsfactor

Stochast die de modelonzekerheid beschrijft.

Morfologie

Leer en beschrijving van de bodemligging van zee, zeearmen, meren en rivieren.

NAP-daling

Daling van het NAP-vlak als gevolg van onderlinge bewegingen in de aardkorst. Wegens het ontbreken van een meetbaar referentiepunt kan deze daling niet zelfstandig, maar alleen in combinatie met de getijhoogwaterstijging worden gekwantificeerd.

Nat kunstwerk

Civiel-bouwkundige constructie die onderdeel is van een vaarweg of waterweg met als doel regulering van de waterstanden, passage van schepen, hoogwaterbescherming, kruising van waterwegen of afvoer van water.

Naviduct

Combinatie van sluis en aquaduct die als constructie één geheel vormen.

Niet waterkerend object

Objecten op of in de dijk die geen waterkerende functie hebben, zoals leidingen, woningen en andere opstallen, gemalen en bomen.

Nominale waarde

Gemiddelde waarde of mediane waarde.

Noorse steen

Verzamelnaam voor stenen die in de ijstijd door ijsmassa's zijn meegenomen en die in de 19e en begin 20e eeuw in Midden- en Noord-Nederland als bekleding op de dijk zijn aangebracht (Noordse steen, Drentse steen, Poolse steen, flinten).

Norm

Toelaatbare overstromingskans van een dijktraject. De norm wordt uitgedrukt in de ondergrens of signaleringswaarde.

Normaal Amsterdams Peil

Hoogte ten opzichte van het `Amsterdams Peil', de gemiddelde zomervloedstand van het lJ voor Amsterdam toen dit nog in vrije verbinding stond met de Zuiderzee.

Normfalen

Normfalen van een technisch systeem houdt in dat het systeem rekenkundig voor een of meer functies niet aan de wettelijke of juridische kansnorm wordt voldaan.

Normfrequentie

Nog net toelaatbare overstromingskans van een dijktraject.

Normtraject

Waterkeringtraject of (in juridische termen) dijktraject waarvoor in de Waterwet een faalkanseis is gegeven (ook traject).

Nulfractie

Fractie van granulair materiaal met kleine diameter, globaal kleiner dan 10 mm (nulfractie).

Numeriek model

Model dat door middel van discretisatie de differentiaalvergelijkingen oplost, die de fysische processen beschrijven.

Object

Een in of op de waterkering aanwezige constructie of aanwezig element (bv begroeiing, bebouwing, pijpleidingen of weg en dijkmeubilair) met of zonder waterkerende functie.

Ondergrens

Overstromingskans van het dijktraject die hoort bij het minimale beschermingsniveau dat de kering moet bieden.

Ondergrond

Zand of klei onder de filterlaag.

Ondergrondmodel

Een ondergrondmodel geeft de ruimtelijke verdeling van geologische, geotechnische of hydrologische eenheden in de ondergrond, vaak in 3D.

Ondergrondprofiel

2D dwars- of langsprofiel waarin de opbouw van de ondergrond wordt weergegeven. Meestal grotendeels gebaseerd op een extrapolatie van informatie uit ondergrondgegevens.

Ondergrondscenario

De stapelingen van WBI-SOS eenheden die binnen segmenten kunnen voorkomen worden scenario’s of WBI-SOS scenario’s genoemd. Vanwege de onzekerheid over de werkelijke grondopbouw op elke locatie langs de dijk worden er meestal meerdere scenario’s vastgesteld en wordt voor elk van die scenario’s de kans van aantreffen gegeven. De WBI-SOS scenario's worden tijdens het beoordelen lokaal verfijnd tot lokale scenario's.

Ondergrondschematisatie

Een schematische weergave van (een deel) van de ondergrond voor een bepaald gebied.

Onderlagen

Alle lagen tussen de dijkkern en de toplaag.

Onderloopsheid

Lekstroom onder een constructie door.

Onderloopsheid (faalmechanisme)

Het ontstaan van holle ruimten onder een kunstwerk als gevolg van een geconcentreerde kwelstroom waarbij gronddeeltjes worden meegevoerd. Hierbij loopt de kwelstroom onder het kunstwerk door op het grensvlak van constructie en zand.

Ondertafel

Onderste gedeelte van de taludbekleding (onder Gemiddeld Hoogwater of onder een overgangsconstructie).

Onderwateroever

Zie vooroever.

Ongesorteerd

Aanduiding van granulair materiaal waaruit de nulfractie niet is uitgesorteerd.

Ontgronding

Erosie van de waterbodem of vooroever als gevolg van stroming en golfbeweging.

Onvolkomen stroming

De situatie waarin het benedenwater achter een (lange) overlaat wordt gestuwd door het water dat over de overlaat stroomt, waarbij zich benedenstrooms een bodemneer vormt.

Opbarsten

Scheuren (bezwijken) van de binnendijks gelegen afdekkende laag die is opgedreven als gevolg van een te grote wateroverspanning in de daaronder gelegen watervoerende laag. Algemeen: Bezwijken van de grond door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken.

opdrijfveiligheid

Verhouding tussen het gewicht van het afdekkend pakket slecht doorlatende lagen (klei/veen) en de opwaartse waterdruk direct er onder, uitgedrukt in de parameter 'n'.

Opdrijfzone

Zone achter de dijk waar de grenspotentiaal wordt bereikt.

Opdrijven (asfalt, bekledingen)

Onder extreme omstandigheden optredende neiging tot oplichten van een bekleding langs het talud door een wateroverdruk onder de bekleding die groter is dan de component van het eigen gewicht loodrecht op het talud.

Opdrijven (piping, macrostabiliteit)

Vorm van hydraulische grondbreuk waarbij een cohesieve afdekkende laag wordt opgelicht ten gevolge van wateroverspanning in de onderliggende watervoerende laag. Opdrukken van het afdekkende pakket door het bereiken van de grenspotentiaal.

Open keerhoogte

De kerende hoogte van een waterkering met beweegbare afsluitmiddelen bij open afsluitmiddel; 2. De kerende hoogte van de kaden langs het achterliggende (binnen)watersysteem wanneer dit bij open afsluitmiddel in directe verbinding staat met het buitenwater.

Open keerpeil

Buitenwaterstand welke bij open afsluitmiddel nog juist niet tot een ontoelaatbaar instromend volume buitenwater leidt.

Open ruimte

Het deel van het oppervlak dat niet door de toplaagelementen wordt bedekt.

Open steenasfalt

warm bereid asfalt met een mengsel van grof en uniform gegradeerd steenslag en een ondermaat aan asfaltmastiek, dat een hoog percentage holle ruimte heeft.

Open tunnelbak

Weg in een constructie welke onder (grond)waterniveau ligt.

Oppervlakbehandeling

Een dichtingslaag en/of een slijtlaag op een bekleding van asfaltbeton.

Oprollen

Combineren van faalkansen van faalmechanismen en dijkvakken.

Oscillatie

Het rond een vast punt heen en weer gaan van massa of energie.

Overgang

Een ruimtelijke verandering (dus geen veranderingen in de tijd) in de bekleding of constructie in het vlak van de buitencontour van een primaire waterkering.

Overgangsconstructie

Aansluiting tussen twee wezenlijk verschillende type constructies. Het kan gaan om de aansluiting tussen een duin, dijk en/of kunstwerk, maar ook om een overgang tussen twee verschillende typen bekledingen.

Overgoten steenzettingen

Steenzettingen waarbij tussen de toplaagelementen van boven af tot minder dan de helft van de toplaagdikte beton of asfalt is aangebracht (oppervlakkig gepenetreerde steenzettingen).

Overlaat

Drempel waarover water van de ene naar de andere zijde stroomt.

Overloop

Het verschijnsel waarbij water over de (kruin van de) waterkering het achterland in loopt, omdat de waterstand in het buitenwater (rivier, zee, meer) hoger is dan de waterkering.

Overloopdebiet

De hoeveelheid water die door overloop per strekkende meter gemiddeld per tijdseenheid over de waterkering loopt.

Overloopscherm

Ondoorlatende wandconstructie ter vergroting van de kerende hoogte van een waterkering, die daarmee binnen de waterkerende functie een bijdrage levert aan de weerstand tegen overloop en golfoverslag.

Overlopen

Het over de waterkering heen stromen van water, als de waterstand hoger is dan de waterkering.

Overschrijdings-frequentie

Gemiddeld aantal keren dat in een bepaalde tijd een verschijnsel een zekere waarde bereikt of overschrijdt.

Overslagdebiet

Volume water dat per strekkende meter per seconde door de golfbeweging over de buitenkruinlijn slaat.

Overstroming

De situatie dat er dusdanig veel water in het gebied achter de (primaire) kering komt te staan dat dodelijke slachtoffers vallen of substantiële economische schade ontstaat.

Overstromingskans

Kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject waardoor het door het dijktraject beschermde gebied zodanig overstroomt dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade.

Overstromingskansbenadering

Veiligheidsbeoordeling op basis van overstromingskansen, die tot uitdrukking worden gebracht in de kans dat de belasting van een dijktraject groter is dan de sterkte.

Overstromingskansnorm

De normspecificatie geldend voor een dijktraject.

Pakking of pakkingsdichtheid

Mate waarin korrels in een zandpakket dicht opeen gepakt zitten.

Palenwand

Een palenwand is opgebouwd uit een rij in de grond gevormde, overlappende palen van beton of cementgrout, eventueel gewapend om buigende momenten te kunnen opnemen.

Partiële (veiligheids)factor

Vermenigvuldigingsfactor die (mits >1 en voor een parameter die bijdraagt aan de sterkte) resulteert in een strengere betrouwbaarheidseis.

Partiële factor

Factor waarmee een representatieve waarde vermenigvuldigd (of gedeeld) wordt ter verkrijging van de rekenwaarde. De partiële factoren dienen om onzekerheden in belastingen, materiaaleigenschappen, rekenmethodes, gevolgen van falen en de overschrijdingskans van grenstoestanden in rekening te brengen.

Patroonpenetratie

Penetratie met asfalt of beton van een breuksteenbekleding over een deel van het oppervlak.

Peil

De hoogte van de waterstand.

Peilbuis

Algemene term voor een in de grond geplaatste buis of soortgelijke constructie met een kleine diameter voorzien van een filter, waarin de grondwaterstand c.q. stijghoogte kan worden gemeten.

Peildatum

Datum, vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Milieu, waarop het veiligheidsoordeel over de primaire waterkering betrekking heeft.

Persleiding

Leidingsysteem waar onder druk een vloeistof of een gas doorheen wordt gepompt.

Piping

Het verschijnsel dat onder een waterkering (dijk of kunstwerk) holle pijpvormige ruimte ontstaan, ten gevolge van een geconcentreerde kwelstroom waarbij gronddeeltjes worden meegevoerd; dit verschijnsel wordt ook onderloopsheid genoemd. In de feitelijke definitie is sprake van piping indien zich een doorgaand open kanaal heeft gevormd van intreepunt tot uittreepunt doordat het erosieproces van een zandmeevoerende wel niet stopt.

Plaatbekleding

Monoliete en waterdichte bekleding.

Plasberm

Zie teenbestorting.

Plus/min-afweging

Afweging waarbij de volgorde van geschiktheid van varianten wordt bepaald.

Polder

Op de boezem uitslaand of lozend gebied met geregelde waterstand.

Polderpeil

Peil van het oppervlaktewater binnen een beheersgebied.

Porositeit

Verhouding tussen de open ruimte tussen de korrels en het totale volume (open ruimte + korrels) van het granulaire materiaal.

Potentiaal

Stijghoogte ten opzichte van een referentievlak.

Primaire waterkering

Waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijktraject waarvoor een norm is opgenomen in de Waterwet.

Probabilistische analyse/faalkansberekening

Analyse waarin de faalkans van een waterkering wordt bepaald, rekening houdend met alle relevante onzekerheden (natuurlijke variabiliteit en kennisonzekerheden).

Probabilistische beoordeling

Beoordeling of een waterkering voldoet, op basis van een probabilistische analyse.

Probabilistische rekenhart

Verzameling rekenmodules van de software waarmee probabilistische berekeningen uitgevoerd worden.

Probabilistische rekentechniek

Rekenmethode om faalkansen te bepalen. Er zijn meerdere rekentechnieken beschikbaar in de software.

Probabilistische toets

Toets op basis van probabilistische analyses.

Proctordichtheid, maximum

Hoogste dichtheid van grond die in een gestandaardiseerde proefprocedure wordt bereikt als het watergehalte wordt gevarieerd.

Proevenverzameling

Verzameling/steekproef van in het terrein gemeten of in het laboratorium bepaalde waarden van grondeigenschappen, ingedeeld naar geologische/geotechnische formatie.

Puntconstructie

Type kunstwerk in een waterkering waarvoor geldt dat de onzekerheden gerelateerd aan de lengte in de richting van de as van de waterkering (relatief beperkt ten opzichte van de lengte loodrecht op de as van de waterkering) over het algemeen een ondergeschikte rol speelt, zoals sluizen en coupures.

Randvoorwaardelocatie

Locatie waarvoor de hydraulische randvoorwaarden worden gegeven.

Randvoorwaarden

Beschrijving van de wijze waarop uitwisseling (massa, energie) van het gemodelleerde systeem met de omgeving plaatsvindt.

Refractie

Zwenking van golfkammen onder invloed van veranderende bodemdiepte of van stroomgradiënten.

Regionale (water)kering

Niet-primaire waterkering.

Rekenwaarde

Volgens de definitie in [CUR162 1992], de parameterwaarde die wordt berekend door de karakteristieke waarde te delen door of, in het geval dat dit ongunstiger is, te vermenigvuldigen met een partiële veiligheidsfactor.

Relatieve dichtheid

Relatief gewicht van materie onder water, gedefinieerd als het soortelijk gewicht van de materie minus het soortelijk gewicht van het water, gedeeld door het soortelijk gewicht van het water.

Representatieve waarde

De basiswaarde die de werkelijke waarde van een parameter met voldoende zekerheid representeert. De representatieve waarde is gelijk aan de karakteristieke waarde of een nominale waarde. Hieruit wordt met behulp van de partiële factor de rekenwaarde bepaald.

Reserveringsstrook

Strook (duin), direct landwaarts van het grensprofiel, deel uitmakend van de primaire waterkering, onder meer ten behoeve van de opvang van de effecten van de verwachte getijhoogwaterstijging over een periode van 200 jaar.

Reservestrook

Zie ‘Reserveringsstrook’.

Restcorrelatie (rho_x)

Ondergrens voor de mate van ruimtelijke (auto-)correlatie van een stochastische variabele.

Restproduct

Bijproduct van productieprocessen dat als constructiemateriaal wordt gebruikt.

Ronaton

Type betonzuil.

Reststerkte

Sterkte die kan worden ontleend aan het deel van het faaltraject dat na de toestand beschreven door de faaldefinitie moet worden doorlopen alvorens de waterkering daadwerkelijk faalt.

Retentiegebied

In dit gebied bergt men tijdelijk, bij hevige regenval, water. Dit opdat stroomafwaarts gelegen gebieden niet overstromen.

Rijksstrandpalenlijn

Langs de gehele kust gelegen referentielijn voor meetraaien (hoofdraai).

Rijkszeeweringenreglement

Verordening met verbods- en gebodsbepalingen van het Rijk als beheerder van een zeewering. Vergelijkbaar met de Keur.

Risicoanalyse

Het nagaan van de kans op een ongewenste gebeurtenis en de gevolgen daarvan.

Rivierdijk

Dijk langs een rivier.

Rolweerstandshoek

Hoek in het krachtenevenwicht die aangeeft hoeveel de korrels bieden tegen rollen.

RSP-lijn

Rijksstrandpalenlijn; de langs de gehele zandige kust gelegen referentielijn voor meetraaien (hoofdraai).

Ruigte

Begroeiing met doorgaans vrij forse en hoog opgaande plantensoorten. Dit kunnen forse grassen zijn, zoals Kropaar (Dactylis glomerata) of Kweek (Elytrigia repens). Echter, vaak domineren kruiden zoals Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium), Grote brandnetel (Urtica dioica) of Japanse duizendknoop (Fallopia japonica). Kenmerkend voor veel ruigtevegetaties is de relatief lage soortenrijkdom en de matig tot zeer slechte bedekkings- en doorwortelingsgraad.

Ruimen

Proces in het faaltraject Piping, dat volgt op terugschrijdende erosie, waarbij het kanaal van de bovenstroomse zijde naar de benedenstroomse zijde schoongedrukt (schoongespoeld en verbreed) wordt.

Ruimtelijke (uit)middeling

gemiddelde waarde van een stochastische variabele over een bepaalde ruimtelijke grootheid.

Ruimtelijke correlatie

Mate van samenhang tussen de waarde van een variabele op locatie x en de waarde van diezelfde variabele op naburige locaties.

Ruimtelijke variabiliteit

Variatie van een stochastische variabele over een waterkering, in dwarsrichting en/of lengterichting.

Ruwheidselement

Uitsteeksel op toplaagelementen met als functie het beperken van de golfoploop.

Scenario

Een beschrijving van een keten van gebeurtenissen die leidt tot de ongewenste gebeurtenis (falen van de waterkeringen in een dijktraject. In de beoordeling kunnen alle onzekerheden die niet als nette/continue kansverdeling zijn weer te geven, kunnen in de beoordeling als scenario’s worden weergegeven, daabij kan gedacht worden aan onzekerheden in ondergrond en dijkopbouw, de al dan niet daaraan gerelateerde waterspanningen of situaties met falen van NWO’s en/of al dan niet aangetaste voorlanden en havendammen.

Schaardijk

Dijk die onmiddellijk aan de rivier ligt en niet door uiterwaarden daarvan gescheiden is.

Schadefactor

Partiële veiligheidsfactor die verband houdt met schade, die in rekening brengt in welke mate de vereiste betrouwbaarheid afwijkt van het basisbetrouwbaarheidsniveau.

Schadegetal

Dimensieloze parameter die de schade aan een breuksteenverdediging beschrijft.

Schematisch ondergrondmodel

De stratigrafie (gelaagdheid) waarop het (ondergrond)model is gebaseerd.

Schematisering

Vereenvoudigde voorstelling van de ruimtelijke en temporele verdeling van systeemvariabelen en parameters.

Schematiseringshandleiding

Handleiding waarin voor één of meer toetssporen staat hoe de relevante aspecten van een kering geschematiseerd moeten worden om deze te kunnen beoordelen.

Scheve windopzet

Het verschil tussen een maximale hoogwaterstand en astronomisch hoogwater, waarbij een eventueel tijdsverschil tussen beide wordt genegeerd.

Schrale klei

Weinig erosiebestendige klei.

Schroefstraal

Beweging in het water achter de draaiende schroef van het schip.

Schuifsterkte

De sterkte die de grond kan mobiliseren langs het (potentiële) schuifvlak.

Schutsluis

Een kunstwerk waarmee het mogelijk is om schepen van het ene naar het andere waterpeil te brengen en die, indien gelegen in de primaire waterkering, tegelijkertijd buitenwater keert.

Sedimentatie/resedimentatie

(Opnieuw) bezinken van zandkorrels en/of slib in een stroming.

Segment

Bij het opstellen van WBI-SOS (zie WBI-SOS) zijn de dijken opgedeeld in segmenten. Aan elk segment zijn scenario’s van mogelijke grondopbouwen toegekend.

Seiche

Resonantieverschijnsel in bekkens (onder andere havens) als gevolg van laagfrequente variaties van de buitenwaterstand of de wind.

Semi-probabilistische analyse

Analyse of de kering voldoet aan een gestelde betrouwbaarheidseis op basis van karakteristieke waarden en veiligheidsfactoren.

Semi-probabilistische beoordeling

Beoordeling op basis van een semi-probabilistische analyse.

Sifon

Een duikervormige constructie waarmee, bij een kruising van twee waterlopen, water van de ene waterloop onder een ander waterloop wordt geleid.

Signaleringswaarde

Overstromingskans van het dijktraject waarvan overschrijding gemeld moet worden aan de Minister van I en M.

Significante golfhoogte

De gemiddelde golfhoogte van het hoogste één derde deel van de golven (op diep water is dat de golfhoogte die door ongeveer 33% van de golven wordt overschreden) gedurende een bepaalde periode, bijvoorbeeld een half uur.

Sijpeloppervlak

Deel van het dijktalud waar grondwater uittreedt.

Sijpelpunt

Hoogste punt op het dijktalud waar grondwater uittreedt.

Silex

Restproduct van de cementindustrie, bruikbaar als granulair materiaal.

Slakken

Restproduct, in bepaalde gevallen bruikbaar als granulair materiaal.

Slijterosie

In de loop der jaren geleidelijk dunner worden van de dijkbekleding door afslijten als gevolg van de waterbeweging op het talud of door vorstschade.

Sluis

Kunstmatige, beweegbare waterkering die de verbinding tussen twee wateren (met eventueel een verschillende waterpeil) kan afsluiten of openstellen (voor scheepvaart) en daartoe van deuren of schuiven is voorzien.

Sluitproces

De gehele procedure die nodig is om een kunstwerk hoogwaterkerend te sluiten dat bestaat uit de deelprocessen alarmering, mobilisatie, bediening en bedrijfszekerheid keermiddel(len) en eventueel het herstel van een falend sluitproces.

Sluitpeil

Waterstand waarbij de kering wordt gesloten.

Spectrum

Zie golfspectrum.

Spindelschuif

Een door middel van spindels verticaal beweegbare waterkerende schuif (afsluitmiddel) in een watervoerend element, waarmee dit element kan worden afgesloten.

Spreidingslengte

Zie Leklengte

Squeezing

Plotseling optredende grote horizontale, van de as van de grondconstructie af gerichte verplaatsingen in de ondergrond onder de grondconstructie.

Stabiliteitsfactor

De verhouding tussen sterkte en belasting (veelal in een stabiliteitsberekening van een waterkering).

Stabiliteitsnorm

De minimale waarde van de stabiliteitsfactor, waaraan een waterkering moet voldoen.

Stabiliteitsscherm

In de waterkering aanwezige al dan niet verankerde verticale wandconstructie die, in combinatie met het grondlichaam, de macrostabiliteit van de waterkering verhoogt en daarmee binnen de waterkerende functie mede de verantwoordelijkheid draagt voor de stabiliteit van de waterkering.

Stabiliteitszone

De terreinstrook naast het waterstaatswerk die wordt bepaald door het faalmechanisme macro-instabiliteit van het waterstaatswerk.

Standaarddeviatie/standaardafwijking

Maat voor de variatie van de waarde van een stochastische variabele.

Standaardelement

Toplaagelement van een standaardtype: niet onderling verbonden, zonder gaten, zonder grote uitsteeksels.

Standaardsortering

Sortering van granulair materiaal volgens erkende normen.

Standaardsteen-zetting

Steenzetting met een toplaag van standaardelementen.

   

Standtijd

Tijdsduur van begin van belasten tot aan bezwijken van het betreffende onderdeel van de waterkering.

State parameter

Maat voor verwekingsgevoeligheid: verschil tussen poriëngetal van het zand en poriëngetal in critical state bij dezelfde spanning.

Steenslag

Procesmatig gebroken gesteente, waarbij onder gesteente wordt verstaan gesteente van natuurlijke oorsprong en kunstmatig gevormde gesteente zoals slakken, granulaten, gecalcineerd bauxiet, gecalcineerde vuursteen e.d.

Steentoets

Excel-programma voor de beoordeling van de stabiliteit van steenzettingen.

Steenzetting

Bekleding waarvan de toplaag bestaat uit in verband geplaatste elementen.

Stevige klei

Klei die voldoet aan de voorwaarden van erosiebestendige klei.

Stijghoogte

Niveau tot waar het water zou stijgen in een peilbuis met filter ter plaatse van het punt; wordt uitgedrukt in meters waterkolom ten opzichte van een referentievlak.

Slijtlaag

Dunne laag vloeibitumen of bitumenemulsie die wordt aangebracht op een asfaltbetonbekleding om de bekleding te conserveren, afgestrooid met steenslag of grind om het aanzicht te verbeteren.

Stochast/stochastische variabele

Variabele die een onzeker proces beschrijft.

Stochastische ondergrond (schematisatie)

Met stochastisch wordt bedoeld dat een bepaald aspect, bij WBI-SOS de opbouw van de ondergrond, variabel is. Deze variabiliteit wordt bij WBI-SOS gevat in verschillende scenario’s met kansen van aantreffen.

Stoorlaag

Dunne klei-, leem-, of veenlaag in een overigens dik zand- of grindpakket.

Stootvoeg

Spleet tussen blokvormige toplaagelementen aan de korte zijde van de blokken.

Stopwerk

Voegvulling in de vorm van brokken en scherven van toplaagelementen die in de spleten zijn vastgezet.

Stormduur

Duur van de storm (niet alleen de stormtop, maar tenzij anders vermeld de gehele storm). Voor kunstwerken: de duur van de tot hoogwaterblok gemodelleerde piek van de storm waarmee het instromende volume van buitenwater kan worden bepaald.

Stormopzet

Zie windopzet.

Stormseizoen

Periode waarin geen werkzaamheden aan waterkeringen mogen worden uitgevoerd, meestal 15 oktober-15 april (gesloten seizoen).

Stormvloed

Hoogwaterperiode waarbij te Hoek van Holland het grenspeil (met een gemiddelde overschrijdingsfrequentie van 0,5 per jaar) wordt bereikt of overschreden (voor het grenspeil: zie getijtafels op www.getij.nl).

Strandmuur

Verticale muur die het achterliggend duin beschermt tegen duinafslag, gezamenlijk vormt dit een hybride kering.

Strijklengte

Lengte waarover de wind over het wateroppervlak strijkt.

Stripping

Degradatieproces van asfaltmengsels onder invloed van water waarbij in de loop van de tijd de hechting tussen het bitumen en de korrels wordt verbroken.

Strook

Een gedeelte van de bekleding tussen twee horizontale begrenzingen.

Stuw

Vaste of beweegbare keerconstructie voor het bovenstrooms van de constructie beheersen van het waterpeil, ten behoeve van scheepvaart, waterkwantiteit en/of waterkwaliteit.

Superstorm

Storm die de maatgevende omstandigheden langs de kust tot gevolg heeft.

Suspensiestroming

Stroming van een vloeistof met turbulent gesuspendeerd materiaal, bijvoorbeeld zand.

Talud

De schuin aflopende zijden aan de binnen- en buitenkant van een dijk of andere aardenbaan.

Taludbekleding

Afdekking van de kern van een dijk ter bescherming tegen golfaanvallen en langsstromend water. De taludbekleding bestaat uit een erosiebestendige toplaag, inclusief de onderliggende vlijlaag, filterlaag, kleilaag en/of geotextiel.

Te toetsen kustlijn

Gemiddelde ligging van de kustlijn in een willekeurig jaar na 1990. Het verschil in de posities van de TKL en de BKL is maatgevend in het beleid om de ligging van de kustlijn te handhaven.

Technisch rapport

Publicatie van het Expertise Netwerk Waterveiligheid (ENW) waarin een afzonderlijk deelaspect van waterkeringen wordt behandeld.

Technische toepasbaarheid

Mate waarin een bekleding sterk genoeg is om te worden toegepast in het projectgebied.

Teenbescherming

Constructie die het talud beschermt door ontgronding en/of afslag van de voorliggende oever te voorkomen.

Teenbestorting

Horizontaal gedeelte van een dijk, aan de buitenzijde gelegen, als overgang tussen de harde bekleding en de rest van het talud of de vooroever. Ook wel ‘kreukelberm’ (Zeeland) of ‘plasberm’ genoemd.

Teenconstructie

Constructie aan de onderzijde van het talud als overgang naar het voorland of de teenbestorting.

Teer

Een viskeuze zwarte vloeistof met hechtvermogen, verkregen door destructieve destillatie van steenkool, hout, leisteen e.d. Wanneer de oorsprong niet wordt vermeld, houdt dit in dat de teer is verkregen uit steenkool (steenkoolteer).

Terp

Kunstmatige heuvels die met name in Noord-Nederland werden opgeworpen om bij hoogwater een droge plek te hebben.

Terugslagklep

Een onder invloed van zwaartekracht (en waterdruk) sluitende waterkerende klep, waarmee een watervoerend element kan worden afgesloten (wat terugstromen van water voorkomt).

Theoretische potentiaal

Potentiaal in de aquifer indien deze niet wordt begrensd door bijvoorbeeld het gewicht van het afdekkende pakket.

Tijdelijke kering

Een mobiele waterkering waarvoor geen permanent op locatie achterblijvende voorzieningen zoals fundatiebalk, sponningen et cetera benodigd zijn. In de meeste gevallen wordt een tijdelijke kering vooral toegepast om golfoverslag te voorkomen. De kerende hoogte van de tijdelijke kering is dan ook beperkt.

Toeslagvolume duinafslag

Extra hoeveelheid duinafslag boven de waterstand waarmee de gedetailleerde toets per vak voor het toetsspoor duinafslag is gekalibreerd.

Toets

Onderdeel van de toetsprocedure waarmee bepaald wordt of een vak of een traject voldoet aan de eisen.

Toets op maat

Toets op basis van analyses die in specifieke situatie beter aansluiten bij de lokale situatie of waarnemingen van de beheerder en waarvan geen voorschriften in het WBI 2017 zijn opgenomen.

Toetsoordeel

Resultaat van een eenvoudige toets, gedetailleerde toets of toets op maat.

Toetsoordeel per traject

Resultaat van een toetsspoor of een combinatie van toetssporen voor een dijktraject.

Toetsoordeel per vak of per vak per toetsspoor

Resultaat van een toetsspoor voor een vak.

Toetsprocedure

Het uitvoeren van de toetsprocedure is onderdeel van een veiligheidsbeoordeling conform het beoordelingsinstrumentarium WBI 2017. De toetsprocedure bestaat uit verschillende toetsen die moeten worden uitgevoerd om te komen tot een veiligheidsoordeel over het traject.

Toetsspoor

De wijze waarop een mechanisme of een onderdeel van de waterkering wordt beoordeeld.

Toetsvlak

Een deel van de bekleding waarvoor geldt dat de randvoorwaarden en kenmerken bij benadering constant zijn.

Toetsvoorschrift

De receptuur voor het bepalen van een toetsoordeel. De voorschriften betreffen de beoordeling per toetsspoor.

Tonrondte

De ronding in het oppervlak van de toplaag (in de verticale dwarsdoorsnede).

Toplaag

Buitenste verdedigingslaag van een taludbekleding.

Toplaagdikte

Het gemiddelde van de elementhoogte over het elementoppervlak (toplaagelementhoogte).

Toplaaginstabiliteit

Faalmechanisme waarbij één of meer toplaagelementen uit de zetting worden gedrukt door waterdruk onder de toplaag.

Topvervlakking

Het verschijnsel dat een hoogwatergolf benedenwaarts gaande afvlakt.

Transmissiviteit

Het gemak waarmee water door een granulaire laag kan stromen, gelijk aan het product van de waterdoorlatendheid en de laagdikte.

Tunnel

Ondergrondse of onder water gelegen civiel-bouwkundige constructie, die onderdeel is van een (auto-, spoor- of water)weg bij kruising met een andere weg of een terreinverdieping waarbij aan beide zijden grond en/of (grond)water moet worden gekeerd en/of een overdekt gedeelde van meer dan 80 m ontstaat voor de onderdoorgaande weg.

Tussenlaag

Constructielaag tussen toplaag en basismateriaal.

Tussenraai

Een extra raai tussen twee JARKUS-raaien waarvoor tijdens de toetsing een maatgevend afslagpunt wordt berekend.

Uiterwaard

Zie ‘winterbed’.

Uitlogen

Het proces waarbij water in een materiaal dringt en bepaalde stoffen oplost waardoor deze in de omgeving terechtkomen.

Uitspoeling

Transport van materiaal vanuit tussenlaag of ondergrond door de toplaag naar buiten.

Uittreepunt

Locatie aan de landzijde waar kwelwater het eerst aan het oppervlak treedt.

Uittreeverhang

Verhang in het grondwater ter plaatse van het uittreepunt.

Uittreeweerstand

Weerstand veroorzaakt door een slecht-doorlatend laagje ter plaatse van het uittre(d)epunt.

Uitvoerlocatie

Locatie waarvoor de hydraulische belastingen worden gegeven.

Uitvullaag