Regeling natuurbescherming

Geraadpleegd op 26-09-2022.
Geldend van 01-10-2018 t/m 24-04-2019

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming)

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Handelende mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu en na overleg met de Minister van Defensie en gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.6 en 2.7, handelende mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu en in overeenstemming met de Minister van Defensie en gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van artikel 2.5, handelende na overleg met gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van artikel 3.5 en handelende in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies ten aanzien van artikel 3.28, eerste en tweede lid;

Gelet op verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61) en verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);

Gelet op verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU 2009, L 286);

Gelet op verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG L 308);

Gelet op richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91);

Gelet op verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU 2014, L 317);

Gelet op verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347);

Gelet op verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295);

Gelet op de artikelen 2.9, zevende en achtste lid, 3.3, tweede lid in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, en derde lid, 3.8, tweede lid in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, en derde lid, 3.10, tweede lid in samenhang met artikel 3.8, 3.15, tweede lid, 3.22, tweede lid, 3.25, tweede lid, 3.28, tweede lid, onderdeel a, en zevende lid, 3.30, derde, vierde en negende lid, 3.34, derde lid in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, en vijfde lid, 3.37, eerste en tweede lid, 3.40, 4.8, eerste en tweede lid, 6.2, eerste, tweede en derde lid, en 7.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming;

Gelet op de artikelen 2.7, derde lid, 2.8, eerste lid, 2.9, zesde lid, 3.2, eerste lid, onderdeel c, 3.18, tweede lid, 3.19, tweede lid, 3.21, vierde lid, 3.22, tweede lid, 3.26, derde lid, artikel 3.27, tweede lid, 3.28, vierde en vijfde lid, en 3.29 van het Besluit natuurbescherming;

Gelet op de artikelen 2.2, eerste lid, en 10.1, eerste lid, van de Wet dieren, artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, en zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 95 van de Wet inrichting landelijk gebied, artikel 32 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 13, eerste lid, onderdeel b, 15 en 19, eerste lid, onderdeel a, van de Landbouwwet, artikel 17, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de Wet op de economische delicten, de artikelen 8, achtste lid, 9, vijfde lid, 14, vierde lid, 22, tweede lid en 28a, tweede lid, van de Wet wapens en munitie, artikel 9, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, de artikelen 3 en 4 van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 en artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • AERIUS Calculator: rekeninstrument als bedoeld in artikel 2.1, bestaande uit een softwareprogramma, beschikbaar op www.aerius.nl, versie 2016L, en een handboek, beschikbaar op www.aerius.nl, versie 2016L;

  • AERIUS Register: registratie-instrument als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, beschikbaar op www.aerius.nl, versie 2016L;

  • CITES-basisverordening: verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61);

  • CITES-uitvoeringsverordening: verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166);

  • depositieruimte: ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die in het kader van het programma beschikbaar is voor stikstofdepositie op een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied die het gevolg is van wijziging of uitbreiding van bestaande activiteiten of het gevolg is van de realisatie van nieuwe projecten of verrichting van nieuwe andere handelingen;

  • gesloten pootring: individueel gemerkte, ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt;

  • minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • ontwikkelingsruimte: deel van de depositieruimte dat, met inachtneming van artikel 2.3, beschikbaar is voor toedeling in of reservering voor besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;

  • programma: programma aanpak stikstof als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;

  • toestemmingsbesluit: besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;

  • Verordening invasieve uitheemse soorten: verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317);

  • voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied: voor stikstof gevoelige leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen en waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt;

  • wet: Wet natuurbescherming.

Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden

Titel 2.1. Programmatische aanpak stikstof

§ 2.1.1. Bepaling stikstofdepositie

Artikel 2.1

  • 1 Voor de vaststelling of een project of een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of een plan als bedoeld in artikel 5.6 van de wet, door het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, wordt de stikstofdepositie berekend met gebruikmaking van AERIUS Calculator.

  • 2 In zoverre in afwijking van het eerste lid in samenhang met de begripsomschrijving van ‘AERIUS Calculator’ in artikel 1.1, wordt voor de toepassing van artikel 2.12 of 2.13 van het Besluit natuurbescherming en voor de toepassing van artikel 2.7 gebruik gemaakt van de versie van AERIUS Calculator die was voorgeschreven op het moment van het doen van de in het laatstgenoemde artikel bedoelde melding, dan wel, als geen melding is voorgeschreven, op het moment dat de realisatie van het project aanving, onderscheidenlijk op het moment dat de andere handeling voor het eerst werd verricht.

  • 3 AERIUS Calculator wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.

Artikel 2.2

De berekening van de stikstofdepositie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, ten behoeve van een project dat betrekking heeft op de aanleg of wijziging van een hoofdweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, dan wel een andere handeling met betrekking tot een hoofdweg, wordt beperkt tot de Natura 2000-gebieden die zijn gelegen in de nabijheid van het gebied dat zich uitstrekt van de voorafgaande tot en met de eerstvolgende aansluiting op het wegvak waar het project of de andere handeling betrekking op heeft, aangevuld met de Natura 2000-gebieden in de nabijheid van de wegvakken waar de toename van de weekdaggemiddelde verkeersintensiteit als gevolg van het project of de andere handeling ten minste 1.000 motorvoertuigen per rijrichting bedraagt. Daarbij wordt uitgegaan van het jaar waarin de toename van de depositie als gevolg van het project of de andere handeling het hoogst is.

§ 2.1.2. Ontwikkelingsruimte

Artikel 2.3

  • 1 De omvang van de ontwikkelingsruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied op enig moment is de ontwikkelingsruimte die op 1 september 2017 in AERIUS Register was opgenomen, verminderd met de ontwikkelingsruimte die sindsdien overeenkomstig artikel 2.9, eerste en tweede lid, van het Besluit natuurbescherming voor die hectare is afgeschreven en vermeerderd met de ontwikkelingsruimte die sindsdien overeenkomstig artikel 2.9, derde lid, van dat besluit voor die hectare is bijgeschreven.

Artikel 2.4

  • 1 Het bevoegd gezag stelt de omvang van de in een toestemmingsbesluit toe te delen ontwikkelingsruimte vast met gebruikmaking van AERIUS Calculator.

  • 2 De ontwikkelingsruimte die het bevoegd gezag toedeelt in een toestemmingsbesluit is gelijk aan de toename van de stikstofdepositie op een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied die een project of andere handeling per kalenderjaar kan veroorzaken, uitgaande van het jaar waarin de depositie als gevolg van dat project of die andere handeling het hoogst is.

  • 3 In een toestemmingsbesluit dat geldig is voor onbepaalde tijd kent het bevoegd gezag ontwikkelingsruimte eenmalig toe voor onbepaalde tijd.

  • 4 Ingeval sprake is van een project of een andere handeling waarvoor toestemming wordt verleend voor een duur van ten hoogste vijf jaar is, in afwijking van het tweede lid, de ontwikkelingsruimte die het bevoegd gezag in het toestemmingsbesluit voor dat project of die handeling toedeelt gelijk aan de som van de stikstofdeposities die het project of de andere handeling in de onderscheiden jaren op de desbetreffende hectare kan veroorzaken, gedeeld door zes.

  • 5 Ingeval een voorgenomen project of een andere handeling bestaat uit de wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit, wordt de in het tweede lid bedoelde toename bepaald ten opzichte van:

    • a. het project dat, of de andere handeling die is toegestaan op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 van de wet of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht, indien voor dat project of die handeling reeds toestemming is verleend door middel van een zodanig besluit, onderscheidenlijk het project of de andere handeling waarvoor een melding als bedoeld in artikel 2.7 is gedaan, of,

    • b. bij gebreke van een eerder besluit als bedoeld in onderdeel a, de bestaande activiteit en de daarbij behorende stikstofdepositie die ten hoogste feitelijk door die bestaande activiteit werd veroorzaakt vóór 1 januari 2015, of

    • c. de feitelijk veroorzaakte stikstofdepositie, bedoeld in onderdeel b, ingeval die hoger is dan de stikstofdepositie die is toegestaan op grond van een eerder besluit als bedoeld in onderdeel a, voor zover dat besluit vóór 1 juli 2015 is genomen.

  • 6 Ingeval na een besluit als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, of na een melding als bedoeld in artikel 2.7 een of meer meldingen zijn gedaan die betrekking hebben op wijzigingen van het project of de andere handeling waarop dat toestemmingsbesluit of de eerstgenoemde melding betrekking had, wordt de in het tweede lid bedoelde toename bepaald ten opzichte van het project of de andere handeling zoals dat, onderscheidenlijk die is gewijzigd overeenkomstig de laatste melding.

  • 7 De stikstofdepositie, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen b en c, betreft de hoogste stikstofdepositie die in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 als gevolg van de daadwerkelijk in de betrokken inrichting verrichte activiteiten plaatsvond, voor zover die stikstofdepositie niet meer bedroeg dan de stikstofdepositie die mogelijk was overeenkomstig:

  • 8 In gevallen als bedoeld in het vijfde lid, onderdelen b en c, waarin een voorgenomen project of andere handeling betrekking heeft op een wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit in opdracht van de Minister van Defensie, wordt de toename, bedoeld in het tweede lid, bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie van het volledig operationeel gebruik:

  • 9 In afwijking van het vijfde lid wordt, ingeval een voorgenomen project of andere handeling betrekking heeft op de wijziging of uitbreiding van een weg, vaarweg of spoorweg, de toename, bedoeld in het tweede lid, bepaald ten opzichte van de stikstofdepositie als gevolg van het verkeer op het wegennet, het vaarwegennet onderscheidenlijk het spoorwegennet, uitgaande van de autonome ontwikkeling van dat verkeer.

  • 10 Toedeling van ontwikkelingsruimte in een toestemmingsbesluit kan er niet toe leiden dat de resterende ontwikkelingsruimte voor een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied minder bedraagt dan nul.

Artikel 2.5

Als projecten of andere handelingen dan wel als categorieën van projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming zijn aangewezen de in bijlage 1 bij deze regeling genoemde of beschreven projecten of andere handelingen.

Artikel 2.6

  • 1 Er is een registratie-instrument waarin gegevens worden opgenomen die betrekking hebben op de afschrijving, bijschrijving en reservering van ontwikkelingsruimte en op meldingen als bedoeld in artikel 2.7.

  • 2 Bij aanvang van het programma en na wijziging van het programma draagt de minister er zorg voor dat de beschikbare ontwikkelingsruimte in AERIUS Register wordt opgenomen.

  • 3 De registraties, bedoeld in artikel 2.9, eerste tot en met vijfde lid, van het Besluit natuurbescherming, geschieden in AERIUS Register, terstond nadat een toestemmingsbesluit is genomen, gewijzigd of ingetrokken, of terstond nadat ontwikkelingsruimte in deze regeling is gereserveerd of een reservering van ontwikkelingsruimte in deze regeling is gewijzigd of vervallen.

  • 4 In zoverre in afwijking van het derde lid, geschiedt de registratie door het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de in artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming bedoelde verklaring terstond na ontvangst van het afschrift van de omgevingsvergunning waarin de ontwikkelingsruimte is toegedeeld.

  • 5 AERIUS Register wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van de minister.

Titel 2.2. Meldingsplicht in verband met vrijstelling vergunningplicht grenswaarde 1 mol

Artikel 2.7

  • 1 Degene die voornemens is een project te realiseren of een andere handeling te verrichten waarop artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van het Besluit natuurbescherming van toepassing is, doet ten minste vier weken maar ten hoogste twee jaar voor de aanvang daarvan een melding, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a.

      • 1°. het project of de andere handeling heeft betrekking op de oprichting, verandering of uitbreiding van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bestemd voor landbouw, industrie of het gebruik van gemotoriseerde voertuigen voor wedstrijden, of

      • 2°. de andere handeling heeft betrekking op het plaatsen van extra landbouwhuisdieren in een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bestemd voor landbouw, of

      • 3°. het project heeft betrekking op de aanleg of wijziging van infrastructuur die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor gemotoriseerd weg-, spoorweg-, vaarweg- of luchtvaartverkeer, en

    • b. het project of de andere handeling veroorzaakt stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied die hoger is dan 0,05 mol per hectare per jaar.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef, doet degene die een andere handeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, realiseert ten minste vier weken maar ten hoogste drie maanden daaraan voorafgaand een melding.

  • 3 De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan bij gedeputeerde staten van de provincie waarin het project of de andere handeling in hoofdzaak wordt gerealiseerd, of, indien het een project of andere handeling of een gebied als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a of b, van de wet betreft, bij de minister.

  • 4 De melding, bedoeld in het eerste lid, kan worden gedaan met gebruikmaking van AERIUS Calculator.

  • 5 Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a. de naam en het adres van de persoon of de rechtspersoon die de melding doet, alsmede het elektronisch adres van die persoon of rechtspersoon, indien de melding met behulp van AERIUS Calculator wordt gedaan;

    • b. indien de melding wordt gedaan door een gemachtigde: zijn naam en adres, de machtiging, alsmede het elektronisch adres van die persoon of rechtspersoon, indien de melding met behulp van AERIUS Calculator wordt gedaan;

    • c. indien het project of de andere handeling wordt gerealiseerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam en adres;

    • d. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project of de andere handeling;

    • e. een omschrijving van de aard en de omvang van het project of de andere handeling;

    • f. de omvang van de stikstofdepositie die het project of de andere handeling per hectare per kalenderjaar veroorzaakt op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied en de berekening waaruit die omvang blijkt, en, ingeval toepassing is gegeven aan artikel 2.4, vijfde lid, de gegevens ter onderbouwing van de stikstofdepositie, veroorzaakt door de bestaande activiteit;

    • g. het tijdstip waarop het project of de andere handeling naar verwachting wordt aangevangen.

Artikel 2.8

Als internetadres als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, Besluit natuurbescherming wordt aangewezen: http://pas.bij12.nl/content/mededeling-over-de-ruimte-voor-meldingen.

Hoofdstuk 3. Soorten

Titel 3.1. Vrijstelling bestrijding soorten die in het gehele land schade veroorzaken

Artikel 3.1

  • 1 Van de verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van Canadese ganzen, houtduiven, kauwen en zwarte kraaien.

  • 5 De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 gestelde voorschriften en beperkingen.

Artikel 3.2

De handelingen waarvoor vrijstelling wordt verleend, vinden plaats overeenkomstig het faunabeheerplan, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste, derde tot en met zesde lid, van de wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de wet.

Artikel 3.3

  • 2 Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, worden aangewezen:

    • a. het vangen of doden met gebruikmaking van niet-levende lokvogels;

    • b. het vangen of doden met gebruikmaking van een akoestisch middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en

    • c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer, dat niet vergiftigd of verdovend is.

  • 3 Als middelen als bedoeld in artikel 3.25, tweede lid, van de wet, die mogen worden gebruikt ter uitvoering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, worden aangewezen:

    • a. geweren;

    • b. honden, niet zijnde lange honden;

    • c. haviken, slechtvalken en woestijnbuizerds;

    • d. fretten;

    • e. kastvallen;

    • f. vangkooien, en

    • g. buidels.

Artikel 3.4

  • 1 Ter uitvoering van de vrijstellingen, bedoeld in artikel 3.1, eerste en tweede lid, worden:

    • a. geen andere vangmiddelen of dodingsmiddelen gebruikt dan de in artikel 3.3, eerste, onderscheidenlijk derde lid, genoemde middelen;

    • b. aardhonden niet gebruikt voor het vangen of doden van vossen in holen in de periode van 1 maart tot en met 31 augustus;

    • c. de in artikel 3.3, eerste en derde lid, aangewezen middelen, met uitzondering van fretten, kastvallen, vangkooien en buidels, niet gebruikt op zondagen, de nieuwjaarsdag, de tweede paasdag, de tweede pinksterdag, de eerste en tweede kerstdag, en de hemelvaartsdag.

Titel 3.2. Jacht

§ 3.2.1. Regels over de uitoefening van de jacht

Artikel 3.5

De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is geopend gedurende de daarbij vermelde tijdvakken:

  • a. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari;

  • b. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december;

  • c. haas: van 15 oktober tot en met 31 december;

  • d. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari;

  • e. konijn: van 15 augustus tot en met 31 januari;

  • f. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari.

Titel 3.3. Middelen

§ 3.3.1. Erkenning examens

Artikel 3.7

Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, en 3.30, derde lid, van de wet worden erkend het jachtexamen, het examen voor het gebruik van jachtvogels en het examen voor het gebruik van eendenkooien die worden afgenomen door de Stichting Jachtexamens.

Artikel 3.8

Als gelijkwaardig aan erkende examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, tweede zinsdeel, en 3.30, derde lid, van de wet worden aangemerkt:

  • a. met betrekking tot het theoretische gedeelte: het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen, het Belgisch ministerieel besluit van 2 maart 1977 tot inrichting van het jachtexamen en het Besluit van de Vlaamse Executieve van 29 mei 1991 tot inrichting van het jachtexamen;

  • b. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Vlaamse regering van 18 januari 1995 betreffende de organisatie van het jachtexamen;

  • c. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 tot organisatie van het jachtexamen in het Waalse Gewest;

  • d. met betrekking tot het theoretische gedeelte, het theoretische gedeelte A en B van het jachtexamen, afgelegd vanaf 1 april 1984 op grond van het bepaalde bij of krachtens het Belgisch Koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 21 januari 1991 tot organisatie van het jachtexamen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;

  • e. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het gewijzigde Règlement grand-ducal van 16 april 1991 betreffende de voorwaarden en modaliteiten met betrekking tot de bekwaamheidsproef voor het verlenen van een eerste jachtvergunning;

  • f. het jachtexamen, afgelegd op grond van het bepaalde bij of krachtens het Bundesjagdgesetz.

§ 3.3.2. Inhoud examens

Artikel 3.9

  • 1 De kennis, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:

    • a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:

      • 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° en 4°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5° en 6°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 3°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 4°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 9° en 10°, van het Besluit natuurbescherming, en

      • 5°. vijf vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;

    • b. ten minste vijfentwintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

      • 1°. vijftien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en

      • 2°. tien vragen over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

  • 2 De schietvaardigheid en vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, worden getoetst door middel van:

    • a. het schieten op ten minste vijfentwintig kleiduiven met hagel;

    • b. het doen van ten minste vier schoten in twee series van twee schoten met groot-kaliber kogelgeweer op een doel gelegen op een afstand van ten minste vijftig meter, en

    • c. het tonen van weidelijk gedrag en bekwaamheid in het veilig omgaan met een geweer in ten minste tien gesimuleerde situaties.

  • 3 Een jachtexamen is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd, indien degene die het examen aflegt:

    • a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;

    • b. bij het schieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, ten minste achttien van de vijfentwintig kleiduiven heeft geraakt;

    • c. bij het doen van schoten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ten minste drie treffers heeft die zijn gelegen binnen een cirkel van vijftien centimeter, en

    • d. weidelijk gedrag en bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt, heeft getoond.

Artikel 3.10

  • 1 De kennis, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:

    • a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan:

      • 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 3°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 4°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en

      • 5°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;

    • b. ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

      • 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en

      • 2°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

  • 2 De bekwaamheid, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.7 genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven ten aanzien van de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.

  • 3 Een examen voor het gebruik van jachtvogels is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt:

    • a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;

    • b. voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt.

Artikel 3.11

  • 1 De kennis, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:

    • a. ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan:

      • 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;

      • 3°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en

      • 4°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;

    • b. ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan:

      • 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en

      • 2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.

  • 2 Een examen voor het gebruik van eendenkooien is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.

§ 3.3.3. Wijze van aanvragen en model jachtakte en valkeniersakte

Artikel 3.12

  • 1 Een jachtakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de korpschef verkrijgbaar is.

  • 2 Een valkeniersakte wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verkrijgbaar is.

  • 3 Een jachtakte of valkeniersakte kan in het geval, bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van de wet namens de persoon voor wie de akte bestemd is, worden aangevraagd door een jachthouder die hem voor de jacht heeft uitgenodigd.

  • 4 Een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid gaat vergezeld van twee goed gelijkende pasfoto's van degene voor wie de akte bestemd is.

Artikel 3.13

  • 1 Het model van de jachtakte, bedoeld in artikel 3.28, zevende lid, van de wet, wordt gevormd door een modelformulier, dat door de korpschef wordt gewaarmerkt door middel van een stempelafdruk en een handtekening voor de periode waarvoor de jachtakte wordt verleend.

  • 2 Als modelformulier als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld het modelformulier, opgenomen in bijlage 3.

  • 3 De jachtakte wordt voorzien van de pasfoto van degene voor wie de akte is bestemd. Deze foto wordt door de korpschef door middel van een stempelafdruk gewaarmerkt.

Titel 3.4. Onder zich hebben of verhandelen van dieren of planten

§ 3.4.1. Uitvoering EU-verordeningen en EU-richtlijnen

Artikel 3.14

Als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

  • a. de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening;

  • b. artikel 3, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU 2009, L 286), en

  • c. artikel 3, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308).

Artikel 3.15

  • 1 Het is verboden in strijd te handelen met de voorwaarden en vereisten, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening.

  • 2 Ten aanzien van een plant van een in bijlage 5 genoemde soort kan degene die de plant uitvoert een fytosanitair certificaat aanvragen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het fytosanitaire certificaat voldoet aan artikel 17, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening.

  • 3 In plaats van een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de CITES-basisverordening wordt aanvaard een fytosanitair certificaat dat is verleend overeenkomstig het tweede lid of dat is afgegeven door een bevoegde administratieve instantie van een andere lidstaat van de Europese Unie.

  • 4 De etiketten, bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, worden aangevraagd bij de minister. Een aanvraag wordt gedaan voor een minimum van 100 etiketten. De aanvrager zendt ongebruikte etiketten onverwijld terug naar de minister.

  • 5 Het is verboden de producten, genoemd in de bijlage bij richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91), voor handelsdoeleinden binnen Nederland te brengen.

  • 6 Het verbod, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet voor producten die afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Eskimobevolking.

§ 3.4.2. Vrijstellingen soorten Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn

Artikel 3.16

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.6, eerste lid, van de wet, voor het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van een dode vogel of een ander dood dier, of producten daarvan.

Artikel 3.17

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.2, zesde lid, 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde vogel of een ziek of gewond ander dier, met het oog op het vervoeren van de vogel of het dier met een dierenambulance.

  • 2 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn, met het oog op het vervoeren van het dier, anders dan met een dierenambulance.

  • 3 De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging.

Artikel 3.18

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben en vervoeren van een dode vogel met het oog op preparatie daarvan.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:

    • a. de vogel kennelijk is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich de vogel heeft toegeëigend, en

    • b. degene die de vogel onder zich heeft:

  • 5 Onverminderd het tweede en vierde lid, gelden de vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, uitsluitend indien de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

Artikel 3.18a

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste en zesde lid, van de wet, voor het verkopen, vervoeren, onder zich hebben of ten verkoop aanbieden van een dode vogel die vanuit een ander land Nederland is binnen gebracht.

  • 2 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.6, eerste en tweede lid, van de wet, voor het onder zich hebben, vervoeren, verhandelen, ruilen of te koop of te ruil aanbieden van een dood dier of een dode plant die vanuit een ander land Nederland is binnen gebracht.

  • 3 De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien:

    • a. de vogel, het dier of de plant aantoonbaar is verkregen buiten Nederland overeenkomstig de aldaar geldende regelgeving, en

    • b. ingeval de vogel, het dier of de plant behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D van de CITES-basisverordening, de vogel, het dier of de plant aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

§ 3.4.3. Vrijstellingen gefokte vogels en soorten op bijlagen CITES

Artikel 3.19

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.24, eerste, tweede en derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor onderscheidenlijk:

    • a. het onder zich hebben of verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, die niet is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan;

    • b. het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de CITES-basisverordening, en

    • c. het verhandelen van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.

  • 2 Ingeval de vogel behoort of mede behoort tot een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend, indien:

    • a. de vogel is voorzien van:

      • 1°. een gesloten pootring, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.28 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.25;

      • 2°. een gesloten pootring die, of een ander merkteken dat aantoonbaar rechtmatig is afgegeven door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland, of een door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, in overeenstemming met de wettelijke eisen van de betreffende staat, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is, of

      • 3°. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, tweede lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht;

    • b. ingeval het een levende vogel betreft die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24, en

    • c. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D van de CITES-basisverordening, de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

  • 3 Ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D, bij de CITES-basisverordening, niet zijnde een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

    • a. ingeval het een levende gefokte vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening:

      • 1°. ten aanzien van de vogel is voldaan aan het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, onderscheidenlijk indien het product of ei van een dergelijke vogel afkomstig is;

      • 2°. is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24, en

      • 3°. de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen;

    • b. ingeval het een dode vogel, een product of een ei van een vogel betreft, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of

    • c. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D, bij de CITES-basisverordening:

      • 1°. de vogel aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, en

      • 2°. ingeval de vogel behoort tot een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24.

  • 4 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben in het veld van een levende vogel van een in artikel 1 van de Vogelrichtlijn bedoelde soort:

    • a. van het geslacht Cygnus, of

    • b. van de orde roofvogels of uilen, tenzij degene die de vogel onder zich heeft, overeenkomstig artikel 3.30, eerste lid, van de wet gerechtigd is de vogel te gebruiken als jachtvogel.

  • 5 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het onder zich hebben van een levende havik. Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, eerste of tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, op het onder zich hebben, onderscheidenlijk verhandelen van een gefokte havik, wordt slechts verleend indien de aanvrager door het overleggen van DNA-fingerprints van zowel de oudervogels als de jonge vogel het bewijs levert dat de havik in gevangenschap is gefokt.

Artikel 3.20

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het onder zich hebben van:

    • a. een dood gewerveld dier, een ongewerveld dier of een plant, behorende tot een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan;

    • b. een levend, aantoonbaar gefokt gewerveld dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a of b, van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan, of

    • c. een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:

    • a. het dier of de plant:

      • 1°. aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen, of

      • 2°. als het een ongewerveld dier of een plant betreft, aantoonbaar in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt, of, als het een levend, gefokt gewerveld dier van een soort, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, betreft, is voorzien van een microchiptransponder overeenkomstig artikel 66, derde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening, tenzij de minister een verklaring heeft afgegeven dat een microchiptransponder wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken dieren aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, en

    • b. is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.27 van het Besluit natuurbescherming en het bepaalde in artikel 3.24;

    • c. als het een levend uit het wild afkomstig dier betreft van een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-verordening, ten aanzien van het dier een administratie wordt bijgehouden. Artikel 3.27, derde lid, van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.24 zijn van toepassing op de administratie, bedoeld in de vorige volzin.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea).

  • 4 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing ten aanzien van dieren van soorten behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae).

  • 5 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing ten aanzien van levende dieren van de soorten:

    • a. Bengaalse kat (Prionailurus bengalensis);

    • b. Canadese lynx (Lynx canadensis);

    • c. caracal (Caracal caracal);

    • d. poema (Puma concolor);

    • e. roestkat (Prionailurus rubiginosus);

    • f. rode lynx (Lynx rufus);

    • g. jagoearoendi of otterkat (Herpailurus yaguarondi);

    • h. leeuw (Panthera leo);

    • i. fretkat (Cryptoprocta ferox), en

    • j. behorende tot de orde van de primaten (Primates).

  • 6 Onverminderd het tweede lid, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, ten aanzien van de aal (Anguilla anguilla) uitsluitend indien aantoonbaar is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde.

Artikel 3.21

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het Besluit natuurbescherming, voor het verhandelen van een dier, niet zijnde een vogel als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of een plant van een soort, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, of producten of eieren daarvan.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien het dier of de plant aantoonbaar:

    • a. in Nederland is gebracht of verkregen met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening, of

    • b. in Nederland is gefokt, onderscheidenlijk gekweekt.

§ 3.4.4. Vrijstelling soorten genoemd in de bijlage bij de wet

Artikel 3.22

Artikel 3.22a

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet voor het opzettelijk vangen van een ziek of gewond dier, met uitzondering van de gewone zeehond of grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van het dier met een dierenambulance.

  • 2 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet voor het opzettelijk vangen van een zieke of gewonde gewone zeehond of grijze zeehond, met het oog op het vervoeren van het dier, met een dierenambulance of anders dan met een dierenambulance.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:

    • a. het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de wet en de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben en te verzorgen, en

    • b. indien het een zieke of gewonde ree, edelhert, damhert of wild zwijn betreft, vóór het vervoer melding is gemaakt bij de meldkamer van de politie van het aantal, de vindplaats en de soort zieke of gewonde dieren en het vervoer geschiedt door een door de politie aangewezen vervoerder.

  • 4 De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, geldt uitsluitend, indien het dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan één van de volgende organisaties, indien zij krachtens de Wet dieren gerechtigd zijn uit het wild afkomstige gewone zeehonden of grijze zeehonden onder zich te hebben en te verzorgen:

    • a. Stichting A Seal Centrum voor Zeezoogdierenzorg te Stellendam;

    • b. Stichting Texels Museum (Ecomare) op Texel;

    • c. Stichting Zeehondencentrum Pieterburen te Pieterburen;

    • d. Stichting Zeehondenopvang Eemsdelta te Uithuizen;

    • e. Stichting Zeehondenopvang Terschelling op West-Terschelling.

§ 3.4.5. Administratie en merktekens

Artikel 3.23

  • 1 De gegevens, bedoeld in artikel 3.26, derde lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, zijn:

    • a. de soort waartoe de ter preparatie aangeboden vogel behoort;

    • b. het aantal ter preparatie aangeboden vogels;

    • c. de datum van ontvangst en aflevering van de ter preparatie aangeboden vogel;

    • d. de kennelijke doodsoorzaak van de ter preparatie aangeboden vogel;

    • e. de naam en het adres van degenen van wie de ter preparatie aangeboden vogel is ontvangen;

    • f. de naam en het adres van degenen aan wie de ter preparatie aangeboden vogel is afgeleverd, en

    • g. het nummer van het op de ter preparatie aangeboden vogel overeenkomstig artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, aangebrachte merkteken.

  • 2 Degene die de vogel prepareert, verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aan de minister door middel van een elektronische melding in een door de minister aangeboden systeem.

  • 3 Degene die de vogel prepareert geeft een wijziging in gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, door aan de minister. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het doorgeven van een wijziging.

  • 5 Een merkteken als bedoeld in het vierde lid wordt aangevraagd door middel van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, dat kosteloos bij de minister verkrijgbaar is.

Artikel 3.24

  • 1 De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, bevat de volgende gegevens over de aldaar bedoelde dieren en planten:

    • a. de wetenschappelijke soortnaam van het dier of de plant en het aantal dieren of planten van die soort;

    • b. de datum en de plaats van verkrijging van het dier of de plant;

    • c. de naam, het adres en het land van de leverancier van wie het dier of de plant is verkregen;

    • d. het land van herkomst van het dier of de plant, indien dit afwijkt van onderdeel c;

    • e. het nummer van het bij de verkrijging van het dier of de plant behorende CITES-document;

    • f. de datum en de plaats van vervreemding van het dier of de plant;

    • g. de naam, het adres en het land van de afnemer van het dier of de plant;

    • h. het nummer van het bij de vervreemding van het dier of de plant behorende CITES-document;

    • i. de datum van de geboorte en het aantal nakomelingen van een dier;

    • j. gegevens over de soort en de code van de merktekens;

    • k. de datum van de aanbrenging van merktekens aan het dier of de plant;

    • l. de datum en de plaats van sterfte van het dier of de plant.

  • 2 De administratie, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming:

    • a. is op naam gesteld, volledig en voorzien van een logische indeling en opeenvolgende nummering;

    • b. wordt gevoerd op een wijze dat controle daarvan direct mogelijk is en de gegevens, bedoeld in het eerste lid, daaruit duidelijk blijken, en

    • c. wordt bewaard met alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben en verhandelen van dieren op planten als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de documenten, bedoeld in het tweede lid, worden bewaard gedurende ten minste drie jaren na de datum van de laatste in de administratie aangebrachte wijziging of aanvulling.

Artikel 3.25

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de pootring een diameter hebben die groter is dan de in de bijlage 6 vastgestelde maximale diameter, als de aanvrager aannemelijk kan maken dat een grotere diameter in verband met de dikte van de poot bij de aanvraag noodzakelijk is.

  • 3 Een pootring als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de volgende eisen:

    • a. ringen met een diameter van 2,5 tot en met 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, en zijn op zodanige wijze voorzien van een breukzone, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt;

    • b. ringen met een diameter kleiner dan 2,5 mm en groter dan 2,9 mm, gemeten aan de binnenkant van een ring, zijn vervaardigd van metaal, waarop een geanodiseerde kleurlaag is aangebracht, of zijn vervaardigd van gekleurde kunststof, en zijn van zodanige kwaliteit, dat de ring knapt, indien de ring wordt opgerekt.

  • 4 In afwijking van het derde lid kunnen ringen voor papegaaiachtigen en roofvogels vervaardigd zijn van roestvrij staal.

  • 5 Een pootring als bedoeld in het eerste lid is voorzien van een kleurlaag, die voor elk jaar waarin de ring mag worden aangebracht, verschillend is.

  • 6 De aanvrager brengt een pootring als bedoeld in het eerste lid uitsluitend aan op in Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels van de soort waarvoor hij de ring heeft aangevraagd.

  • 7 Een aanvrager is niet gerechtigd een pootring als bedoeld in het eerste lid aan derden te verschaffen.

Artikel 3.26

  • 2 De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verstrekken uitsluitend gesloten pootringen:

    • a. waarvoor door de leverancier een schriftelijke garantie is afgegeven dat de ringen voldoen aan de specificaties, bedoeld in artikel 3.25, en

    • b. die ten minste zijn voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de ring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer bestaande uit de bondscode, een kweeknummer en een volgnummer.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, onderdeel b, zijn de gesloten pootringen, afgegeven door Kleindier Liefhebbers Nederland, voorzien van een uniek nummer bestaande uit de bondscode en een volgnummer.

  • 4 Gesloten pootringen worden aangevraagd met gebruikmaking van een door één van de organisaties, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking gesteld aanvraagformulier dat volledig ingevuld en ondertekend wordt teruggestuurd.

  • 5 De organisaties, bedoeld in het eerste lid, geven geen pootring uit, indien:

    • a. niet aannemelijk is dat de aanvrager vogels, waarvoor hij een pootring aanvraagt, fokt, of

    • b. het redelijke vermoeden bestaat dat de aanvrager handelt of zal handelen in strijd met artikel 3.25, zesde of zevende lid.

  • 6 De aanvrager vermeldt in zijn aanvraag per soort hoeveel ringen hij aanvraagt. De hoeveelheid ringen staat in verhouding tot de te verwachten nakweek.

  • 7 De organisaties, bedoeld in het eerste lid, houden een administratie bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld automatiseringssysteem. In de administratie worden de volgende gegevens opgenomen:

    • a. de soorten vogels waarvoor gesloten pootringen zijn aangevraagd;

    • b. bij gefokte vogels behorende tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij de CITES-basisverordening, het aantal verstrekte gesloten pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers als bedoeld in artikel 4 per soort en het aantal ouderparen;

    • c. bij gefokte vogels behorende tot andere soorten dan bedoeld in onderdeel b, het aantal verstrekte pootringen, de ringmaat en de bijbehorende unieke nummers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en derde lid;

    • d. de datum van toekenning van de gesloten pootringen, en

    • e. de noodzakelijke gegevens ter identificatie van de personen aan wie de gesloten pootringen zijn verstrekt.

  • 8 De administratie, bedoeld in het zesde lid, wordt bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaren.

  • 9 De organisaties, bedoeld in het eerste lid, verschaffen de minister desgevraagd, op een door de minister te bepalen wijze, alle informatie met betrekking tot de afgifte van gesloten pootringen.

§ 3.4.6. Aanwijzing douanekantoren

Artikel 3.27

  • 1 Als douanekantoren als bedoeld in artikel 3.29 van het Besluit natuurbescherming worden aangewezen:

    • a. voor levende dieren:

      • 1°. Schiphol Cargo, Evert van de Beekstraat 384, 1118 CZ Schiphol;

      • 2°. Schiphol Passagiers, vertrekpassage 1 -260, 1118 AP, Luchthaven Schiphol;

      • 3°. Maastricht Aachen Airport, Vliegveldweg 2, 6199 AD, Maastricht;

      • 4°. Rotterdam Haven, Bosporusstraat 5, 3199 LJ, Rotterdam (Maasvlakte);

      • 5°. Rotterdam Haven, Reeweg 16, 3088 KA, Rotterdam, en

    • b. voor dode dieren, dode of levende planten en producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten: alle douanekantoren.

  • 2 Indien voor dieren dan wel producten, nesten of eieren van dieren, behorende tot soorten als bedoeld in het eerste lid, veterinaire voorschriften gelden, worden deze dieren of producten, nesten of eieren daarvan binnengebracht op plaatsen die voor de betrokken dieren of producten, nesten of eieren daarvan als inspectiepost aan de grens zijn erkend ingevolge richtlijn 91/496/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PbEG L 268) of richtlijn 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG 1998, L 24).

Titel 3.5. Overig

Artikel 3.28

  • 1 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 8 aangewezen diersoorten voor de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden.

  • 2 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, voor het uitzetten van dieren van de in bijlage 9 aangewezen diersoorten tezamen met de in het eerste lid bedoelde dieren, als prooidieren voor die dieren.

  • 3 Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Wet dieren, voor het gebruiken van dieren van de in bijlage 9 aangewezen diersoorten, met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.

Artikel 3.30

  • 1 Van het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet in samenhang met artikel 3.29 van deze regeling, wordt, voor zover het betreft de handelingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen b, d, e en f, van de Verordening uitheemse invasieve soorten, vrijstelling verleend als beheersmaatregel als bedoeld in artikel 19 van de Verordening uitheemse invasieve soorten voor handelingen met dieren van de volgende soorten:

    • a. de Chinese wolhandkrab (Eriocheir sinensis);

    • b. de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Orconectus Limosus);

    • c. de Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Orconectes virilis);

    • d. de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus);

    • e. de Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus Clarkia), en

    • f. de Marmerkreeft (Procambarus fallax forma virginalis).

  • 2 De vrijstelling wordt slechts verleend voor:

    • a. bevissing van de dieren in Nederlandse binnenwateren en kustwateren, de opslag, de handel, het transport, het houden, het gebruik of de vernietiging van de opgeviste dieren, en alle onmiddellijk daarmee samenhangende handelingen, en

    • b. handelingen als bedoeld in onderdeel a ten aanzien van dieren die als beheersmaatregel zijn opgevist en in de handel zijn gebracht in andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig de in die lidstaten geldende wetgeving.

  • 3 Aan de vrijstelling zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

    • a. degene die de in het tweede lid, onder a, bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat:

      • 1°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de bevissing, de opslag, de handel, het transport, het houden en het gebruik van de betrokken dieren om te voorkomen dat zij zich kunnen voortplanten, kunnen ontsnappen en zich kunnen verspreiden;

      • 2°. alle passende maatregelen worden getroffen bij de opslag, het transport en het houden van de dieren om te voorkomen dat de betrokken dieren door onbevoegden kunnen worden verwijderd uit de omgeving waarin zij worden opgeslagen of getransporteerd;

      • 3°. het schoonmaken, het beheren van afval en het onderhoud van vistuigen, transport- en opslagmaterialen bij bevissing, de opslag, de handel, het transport en het houden van de dieren op zodanige wijze plaatsvindt dat exemplaren van de soorten zich niet kunnen verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd;

      • 4°. voorkomen wordt dat dieren van de soorten op het grondgebied van andere lidstaten worden gebracht, tenzij die lidstaten dat toestaan in het kader van door hen getroffen beheersmaatregelen, en

    • b. degene die de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde handelingen verricht maakt te allen tijde aannemelijk dat hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorschriften.

  • 4 Als passende maatregel als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onderdelen 1° en 2°, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de dieren en hun natuurlijke leefomgeving, waarbij de dieren die overleven zich vervolgens niet kunnen voortplanten en zich niet kunnen verspreiden.

Artikel 3.30a

  • 3 Deze rapportage bevat informatie voor het gehele provinciale grondgebied over:

    • a. de aard en de doeltreffendheid van de op grond van artikel 3.32, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming genomen maatregelen, alsmede de gevolgen van deze maatregelen voor niet-doelsoorten;

    • b. de maatregelen die zijn genomen om het publiek te informeren over de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten en over andere acties die burgers verzocht worden te ondernemen, en

    • c. indien beschikbaar, de kostprijs van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen die zijn genomen om aan de Verordening invasieve uitheemse soorten te voldoen.

Artikel 3.31

Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, ten aanzien dieren en planten van de in bijlage 11 aangewezen soorten, indien het betreft handelingen in het kader van:

  • a. bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

  • b. bestendig beheer of onderhoud in de landbouw en de bosbouw;

  • c. bestendig gebruik, of

  • d. de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, voor zover de in de onderdelen a tot en met d genoemde handelingen onderdeel zijn van een in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorie van handelingen.

Artikel 3.32

  • 1 De faunabeheereenheid met het werkgebied bestaande uit de gebieden, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, heeft de rechtsvorm van een stichting. De leden van het bestuur van de stichting worden benoemd en ontslagen door de gerechtigde, bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming.

  • 2 De faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, stelt voor de in dat lid bedoelde gebieden een faunabeheerplan op, dat ten minste de volgende gegevens bevat:

    • a. de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

    • b. een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

    • c. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer of bestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

    • d. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in onderdeel c bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan;

    • e. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen zijn geschaad in de vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip van de aanvraag om goedkeuring van het faunabeheerplan;

    • f. de gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;

    • g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken;

    • h. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voorzover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

    • i. voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

    • j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

    • k. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

    • l. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

  • 3 Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren.

Hoofdstuk 4. Houtopstanden, hout en houtproducten

Artikel 4.1

  • 1 Als voorschriften als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

    • a. artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347);

    • b. de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningen-systeem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (PbEU 2005, L 347), wordt de aldaar bedoelde vergunning ingediend ten minste één werkdag voorafgaand aan het moment dat de aangifte voor het in het vrije verkeer brengen bij de douane wordt ingediend.

Artikel 4.2

  • 2 Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gezonden ten minste één maand doch niet langer dan één jaar voor het moment van de voorgenomen velling van de houtopstand.

  • 3 Indien een houtopstand wordt geveld in het kader van een handeling of project als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, kan de minister een ontheffing als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet verlenen indien:

    • a. de grond die de eigenaar wil beplanten gelegen is in hetzelfde gebied als dat waar zich de gevelde houtopstand bevond;

    • b. de grond die de eigenaar wil beplanten niet van mindere kwaliteit is dan die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;

    • c. de grond die de eigenaar wil beplanten ten minste een gelijke oppervlakte heeft als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;

    • d. de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een boskern;

    • e. de belangen in verband met de bodemproductie niet worden geschaad.

  • 4 De gebieden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn:

    • a. gebied 1: de provincies Groningen, Friesland en Drenthe;

    • b. gebied 2: de provincie Overijssel met uitzondering van de Noordoostpolder en de provincies Gelderland en Utrecht;

    • c. gebied 3: de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland en de IJsselmeerpolders;

    • d. gebied 4: de provincies Noord-Brabant en Limburg.

Artikel 4.3

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend indien:

    • a. de houtopstand niet ter voldoening aan artikel 4.3, eerste lid, van de wet is aangelegd;

    • b. voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, het tijdstip en de plaats van aanleg middels een formulier zijn gemeld bij de minister en de minister de ontvangst van de melding heeft bevestigd;

    • c. het bos binnen een periode van 40 jaar na het op het formulier vermelde tijdstip van aanleg in zijn geheel wordt geveld.

  • 3 De minister stelt het modelformulier voor de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vast. Het modelformulier voorziet onder meer in een kadastrale omschrijving van de percelen waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan.

Hoofdstuk 5. Retributies

Artikel 5.1

  • 1 Voor de behandeling van een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:

    • a. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 800,–;

    • b. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.900,–;

    • c. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.500,–.

  • 2 Voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, van de wet worden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:

    • a. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 600,–;

    • b. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600,–;

    • c. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000,–.

  • 3 Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, derde lid, en 3.8, derde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 80,–.

  • 4 Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.34, vijfde lid, van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:

    • a. voor de herintroductie van een soort: € 1.600,–;

    • b. voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800,–.

  • 5 Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 100,–.

  • 7 In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, ingeval een aanvraag wordt afgewezen omdat voor het uitvoeren van de betreffende handeling geen vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is vereist, aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 800,–, onderscheidenlijk € 600,–.

  • 8 In afwijking van het eerste en tweede lid, worden voor de behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld in het eerste lid of van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:

    • a. indien de wijziging geen nieuwe ecologische beoordeling vergt: geen;

    • b. indien de wijziging een nieuwe ecologische beoordeling vergt: 25 procent van de vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c, en het tweede lid, onderdelen a, b of c, voor zover het een aldaar bedoeld vergunning of ontheffing betreft.

Artikel 5.2

  • 1 De vergoeding die de minister in rekening brengt aan de aanvrager voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een valkeniersakte, bedraagt voor:

    • a. de uitgifte van een akte: € 65,–;

    • b. een duplicaat van een akte: € 30,–.

  • 2 De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte valkeniersakten, worden niet gerestitueerd.

  • 3 Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van de hierna genoemde documenten worden door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:

    • a. een invoervergunning als bedoeld in artikel 4 van de CITES-basisverordening: € 60,–;

    • b. een uitvoervergunning als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,–;

    • c. een wederuitvoercertificaat als bedoeld in artikel 5 van de CITES-basisverordening: € 60,–;

    • d. een bijlage bij een document als bedoeld in onderdeel a, b of c waarop maximaal 3 soorten worden vermeld: € 60,–;

    • e. een inschrijving als wetenschappelijke instelling als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de CITES-basisverordening: € 40,–;

    • f. een certificaat als bedoeld in de artikelen 8, derde lid, en 9, tweede lid, onderdeel b, van de CITES-basisverordening: € 15,–;

    • g. een certificaat van monsterverzameling als bedoeld in artikel 44 bis van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,–;

    • h. een muziekinstrumentencertificaat als bedoeld in artikel 44 decies, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,–;

    • i. een certificaat voor reizende tentoonstellingen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 45,–;

    • j. een etiket als bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 0,25;

    • k. een vergunning als bedoeld in artikel 66, zevende lid, van de CITES-uitvoeringsverordening: € 60,–.

  • 4 Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van merktekens als bedoeld in artikel 3.23, vierde lid, wordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 1,– per merkteken.

  • 5 Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in de artikelen 8, zesde lid, en 9, zesde lid, van de Verordening invasieve uitheemse soorten wordt door de Minister, indien de aanvraag niet gelijktijdig geschiedt met de aanvraag tot afgifte van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wet, de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,–.

Artikel 5.3

  • 1 De aan erkende organisaties door de leverancier in rekening gebrachte kostprijs voor de vervaardiging van gesloten pootringen wordt aan de aanvrager doorberekend.

  • 2 De erkende organisaties kunnen de in het eerste lid bedoelde kostprijs verhogen met een bedrag ter dekking van de kosten voor de uitreiking van ringen ter hoogte van maximaal € 1,– per ring.

  • 3 Gesloten pootringen worden niet uitgereikt dan na voldoening van de som van in het eerste en tweede lid bepaalde bedragen.

Artikel 5.4

  • 1 De vergoeding van kosten voor het verstrekken van een jachtakte bedraagt voor:

    • a. de uitgifte van een jachtakte: € 65,–;

    • b. de uitgifte van een jachtakte voor de periode aansluitend op de periode waarvoor een jachtakte was uitgegeven: € 30,–;

    • c. het wijzigen van een jachtakte: € 15,–;

    • d. het vervangen als gevolg van verlies van een jachtakte: € 15,–;

    • e. een duplicaat van een jachtakte: € 15,–.

  • 2 De gelden die voldaan zijn ter zake van uitgereikte akten, worden niet gerestitueerd.

  • 3 De vergoeding van kosten voor een combinatie van de in het eerste lid genoemde handelingen bedraagt niet meer dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn voor dat deel van de combinatie waarvoor de hoogste vergoeding geldt.

Artikel 5.5

  • 1 Een ontheffing, vergunning, akte, document of merkteken als bedoeld in de artikelen 5.1 of 5.2 wordt niet afgegeven dan na voldoening van de in bedoelde artikelonderdelen genoemde vergoedingen van kosten of nadat zekerheid tot betaling is gesteld.

  • 2 Indien ter uitvoering van een door de minister op grond van artikel 7.4 van de wet genomen besluit een ontheffing of document benodigd is, kan de minister in afwijking van de artikelen 5.1 en 5.2 van deze regeling bepalen dat geen vergoeding van kosten in rekening wordt gebracht.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Titel 7.1. Wijziging andere regelingen

Titel 7.2. Overgangsrecht

Artikel 7.13

Artikel 2.1 is niet van toepassing op:

  • a. een besluit op een aanvraag als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming;

  • b. projecten, plannen en andere handelingen als bedoeld in 5.13, tweede lid, van het Besluit natuurbescherming.

Artikel 7.14

Artikel 7.15

Het verbod, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet geldt niet ten aanzien van het voorschrift, bedoeld in artikel 3.29 van deze regeling, voor de houder van dieren van de soorten Amerikaanse voseekhoorn (Sciurus niger), grijze eekhoorn (Sciurus carolinensis) en Pallas’ eekhoorn (Callosciurus erythraeus), indien de houder op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aantoonbaar voldeed aan het bepaalde in artikel 8a, tweede en derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Artikel 7.16

Een ring die of een ander merkteken dat rechtmatig is aangebracht vóór de inwerkingtreding van deze regeling en, voorzover van toepassing, in overeenstemming is met de basisverordening en de uitvoeringsverordening wordt beschouwd als een ring of merkteken als bedoeld in deze regeling.

Artikel 7.17

Archiefbescheiden van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende een bevoegdheid tot het nemen van een besluit met betrekking tot projecten of handelingen die op grond van de wet wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, worden overgedragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project of de handeling in hoofdzaak wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht, voor zover de archiefbescheiden niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 oktober 2016

De

Staatssecretaris

van Economische Zaken,

M.H.P. van Dam

Bijlage 1. behorende bij artikel 2.5 van de Regeling natuurbescherming

Projecten en andere handelingen of categorieën van projecten of andere handelingen waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd.1

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat – Projecten hoofdwegennet

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

A7 Zuidelijke Ringweg Groningen fase 2

Uitbreiding van de capaciteit van de Zuidelijke Ringweg Groningen, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A7 Zuidelijke Ringweg Groningen

N35 Nijverdal – Wierden

Aanpassing van de N35, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

N35 ter hoogte van Nijverdal – Wierden

A12/A15 Ressen – Oudbroeken (ViA15)

Doortrekking van de A15, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A12/A15 ter hoogte van Ressen – Oudbroeken (ViA15)

A1 Apeldoorn – Azelo

Uitbreiding van de capaciteit van de A1, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A1 ter hoogte van Apeldoorn – Azelo

Verkenning Haaglanden (A4 Passage en Poorten & Inprikkers)

Pakket aan maatregelen op de A4 passage, de aansluitingen en de toeleidende wegen, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Regio Haaglanden

A28/A1 knooppunt Hoevelaken

Aanpassing van de A28/A1 Knooppunt Hoevelaken, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A28/A1 ter hoogte van knooppunt Hoevelaken

A24 Blankenburgverbinding (NWO)

Realiseren van een nieuwe verbinding, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A24 ter hoogte van de A15 – A20

A27 Houten – Hooipolder

Uitbreiding van de capaciteit van de A27, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A27 ter hoogte van Houten – Hooipolder

A1/A6/A9 Schiphol – Amsterdam – Almere

Uitbreiding van de capaciteit van de A1/A6/A9, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A1/A6/A9 ter hoogte van Schiphol, Amsterdam – Almere

A27/A12 Ring Utrecht

Uitbreiding van de capaciteit van de A27/A12 Ring Utrecht, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A27/A12 Ring Utrecht

A13/A16 Rotterdam

Nieuwe verbinding tussen de A13 en A16, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A13/A16 ter hoogte van Rotterdam

Amsterdam Zuidas

Aanpassingen rond de Zuidas, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Ter hoogte van de Zuidas

A10 Knooppunten De Nieuwe Meer en Amstel

Aanpassing van de knooppunten, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A10 ter hoogte van knooppunten De Nieuwe Meer en Amstel

A2 ’t Vonderen -Kerensheide

Uitbreiding van de capaciteit van de A2, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A2 ter hoogte van 't Vonderen – Kerensheide

A58 Eindhoven – Tilburg

Uitbreiding van de capaciteit van de A58, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A58 ter hoogte van Eindhoven – Tilburg

A58 Sint Annabosch – Galder

Uitbreiding van de capaciteit van de A58, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

A58 ter hoogte van Sint Annabosch – Galder

Aansluiting A15/N3

Aanpassen van de aansluiting A15 met de N3, onderdeel van het in het Programma Aansluitingen

Aansluiting A15/N3

Aansluiting A16/N3

Aanpassen van de aansluiting A16 met de N3, onderdeel van het in het Programma Aansluitingen

Aansluiting A16/N3

A13 Zestienhoven – Delft Zuid

Verruiming van de openingstijden van de spitsstroken

A13 ter hoogte van Zestienhoven – Delft Zuid

A20 Terbregseplein

Verruiming van de openingstijden van de spitsstroken

A20 ter hoogte van het Terbregseplein

A15 Papendrecht – Sliedrecht

Uitbreiding capaciteit A15 met een weefvak op de noordbaan tussen Sliedrecht-West en Papendrecht en op de zuidbaan tussen Sliedrecht-West en Sliedrecht-Oost met een spitsstrook

A15 tussen Papendrecht en Sliedrecht

N33 Zuidbroek – Appingedam

Uitbreiding capaciteit N33 tussen Zuidbroek en Appingedam

A15 tussen Zuidbroek en Appingedam

N35 Wijthmen – Nijverdal

Uitbreiding capaciteit N35 tussen Wijthmen en Nijverdal

N35 tussen Wijthmen en Nijverdal

Omlegging A9 bij Badhoevedorp

Omlegging van A9 ten zuiden van Badhoevedorp inclusief uitbreiding capaciteit, reconstructie van knooppunt Badhoevedorp, realiseren van een nieuwe aansluiting Badhoevedorp en aanleg van weefstroken van knooppunt Raasdorp tot nieuwe aansluiting Badhoevedorp

A9 tussen de knooppunten Raasdorp en Badhoevedorp

N65 Vught – Haaren

Aanpassingen aan de N65 Vught – Haaren

N65 ter hoogte van Vught – Haaren

Project Zaarderheiken

Vergroten capaciteit op de oostelijke parallelbaan van de A73 richting knooppunt Zaarderheiken

oostelijke parallelbaan van de A73 richting knooppunt Zaarderheiken

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat – Projecten Hoofdvaarwegennet

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Lichteren buitenhaven IJmuiden

Verplaatsing capaciteit lichtervoorziening, inclusief de aanleg en het gebruik van 50 parkeerplaatsen, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

IJmuiden

Capaciteitsuitbreiding Sluis Eefde

Uitbreiding sluiscomplex met tweede sluis, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Sluiscomplex Eefde

Verruiming Twentekanalen Tweede fase

Verruiming vaarweg, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Twentekanaal

Capaciteitsuitbreiding ligplaatsen IJssel

Capaciteitsuitbreiding ligplaatsen, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

IJssel

Capaciteitsuitbreiding overnachtingsplaatsen Merwedes

Capaciteitsuitbreiding overnachtingsplaatsen, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Merwedes

Toekomstvisie Waal: Overnachtingshaven Lobith

Capaciteitsuitbreiding ligplaatsen, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Lobith

Onderhoudsbaggerwerken geulen en havens Waddenzee

Periodieke onderhoudsbagger- en verspreidingswerkzaamheden in de geulen van de Nederlandse Waddenzee en aangrenzende havens om de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en de toegankelijkheid van de veerhavens en aanlegplaatsen te kunnen borgen

De Nederlandse Waddenzee inclusief aangrenzende havens

Onderhoudsbaggerwerken Buitenhaven IJmuiden

Periodieke onderhoudsbaggerwerkzaamheden in de Buitenhaven IJmuiden

De buitenhaven IJmuiden gelegen tussen de zeesluis IJmuiden en de Noordzee

Onderhoudsbaggerwerken IJgeul IJmuiden

Periodieke onderhoudsbaggerwerkzaamheden in de eerste 5 km van de IJgeul om de Noordzeekanaal en aangrenzende havens bereikbaar te houden

De IJgeul ligt zeewaarts van de buitenhaven IJmuiden

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat – Projecten Hoofdwatersysteem

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Versterking Afsluitdijk

Versterking Afsluitdijk, zoals aangegeven op bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Dijk ter afsluiting van het IJsselmeer van de Waddenzee

Legger Vlieland en Terschelling

Legger Vlieland en Terschelling, zoals aangegeven op bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Vlieland en Terschelling

Zandhonger Oosterschelde

Zandhonger Oosterschelde, zoals aangegeven op bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Meerdere locaties in de Oosterschelde

Houtribdijk

Houtribdijk, zoals aangegeven onder projectnummer R2-006 in de Basisrapportage HWBP 2 van 26 september 2011, Kamerstukken II 2011/12 27 625, nr. 237

Dijk tussen Lelystad en Enkhuizen

Herstel en compensatie steenbekleding Oosterschelde en Westerschelde

Herstel en compensatie Steenbekleding Oosterschelde en Westerschelde, zoals aangegeven op bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017. Het project bestaat uit meerdere deelprojecten (VOV2.2 Ooster- en Westerschelde, VOV3.0 Ooster- en Westerschelde)

Diverse steenbekledingen langs de Oosterschelde en Westerschelde

Bloemendaal en Zandvoort strandsuppletie

Suppletie Bloemendaal en Zandvoort, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Bloemendaal en Zandvoort, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Cadzand-Kievitte strandsuppletie

Suppletie Cadzand – Kievitte west, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Cadzand – Kievitte west, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Herdijkte Zwarte Polder – Cadzand Bad strandsuppletie

Suppletie Herdijkte Zwarte Polder – Cadzand Bad, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Herdijkte Zwarte Polder – Cadzand Bad ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Kop van Goeree strandsuppletie

Suppletie Kop van Goeree, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kop van Goeree, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Nieuwvliet-Groede strandsuppletie

Suppletie Nieuwvliet – Groede, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Nieuwvliet – Groede, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Renesse strandsuppletie

Suppletie Renesse, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Renesse, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Vlissingen en Dishoek strandsuppletie

Suppletie Vlissingen en Dishoek, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Vlissingen en Dishoek, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Westkapelle en Zoutelande strandsuppletie

Suppletie Westkapelle en Zoutelande, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Westkapelle en Zoutelande, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Ameland Midden vooroeversuppletie

Suppletie Ameland midden, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Ameland midden vooroever, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Ameland west strandsuppletie

Suppletie Ameland west, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Ameland west, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Bergen – Egmond vooroeversuppletie

Suppletie Bergen – Egmond, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Bergen – Egmond, strand, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Julianadorp vooroeversuppletie

Suppletie Julianadorp, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Julianadorp, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Heemskerk strandsuppletie

Suppletie Heemskerk, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Heemskerk, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Katwijk strandsuppletie

Suppletie Katwijk, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Katwijk, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Schouwen westkop noord strandsuppletie

Suppletie Schouwen westkop noord, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Schouwen westkop noord, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Schouwen westkop zuid strandsuppletie

Suppletie Schouwen westkop zuid, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Schouwen westkop zuid, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Texel midden strandsuppletie

Suppletie Texel midden, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Texel midden, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Texel zuidwest strandsuppletie

Suppletie Texel zuidwest, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Texel zuidwest, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Vlieland havenstrand strandsuppletie

Suppletie Vlieland havenstrand, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Vlieland havenstrand, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Domburg strandsuppletie

Suppletie Domburg, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016-2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Domburg, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Walcheren westkapelse Zeedijk strandsuppletie

Suppletie Walcheren westkapelse Zeedijk, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Walcheren westkapelse Zeedijk, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Vlieland oost strandsuppletie

Suppletie Vlieland oost, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Vlieland oost, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Ameland zuidwest geulwandsuppletie

Suppletie Ameland zuidwest, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Ameland zuidwest, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Den Helder geulwandsuppletie

Suppletie Den Helder, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Den Helder, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Goeree strandsuppletie

Suppletie Goeree, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Goeree, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Noord-Beveland strandsuppletie

Suppletie Noord Beveland, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Noord-Beveland, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Schoorl strandsuppletie

Suppletie Schoorl, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Schoorl, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Walcheren Oostkapelle vooroeversuppletie

Suppletie Oostkapelle, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Oostkapelle, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Zeeuws-Vlaanderen Nieuwesluis geulwandsuppletie

Suppletie Nieuwesluis, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2016 – 2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Nieuwesluis, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Walcheren Domburg vooroeversuppletie

Suppletie Domburg, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Domburg, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Walcheren westkapelse Zeedijk geulwandsuppletie

Suppletie westkapelse Zeedijk, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Westkapelse Zeedijk, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Callantsoog

Strand- en vooroeversuppletie Callantsoog, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014 en 2016–2019, juli 2016, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Callantsoog, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Vlieland oost geulwandsuppletie

Suppletie Vlieland Oost, zoals aangegeven in het Programma kustlijnzorg 2012 – 2015, juli 2014, Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Vlieland oost, ter hoogte van strandpalen, zoals beschreven in projectomschrijving

Pilotsuppletie Buitendelta Amelander Zeegat

Pilotsuppletie Buitendelta Amelander Zeegat, zoals aangegeven in het Programma Kustlijnzorg 2016–2019 (actualisatie 2017), Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Buitendelta Amelander

Gorichem – Waardenburg

Dijkversterking Gorinchem-Waardenburg, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De noordelijke Waaldijk ter hoogte van Neerijen, Gorinchem en Lingewaal, dijkring 43

Tiel – Waardenburg

Dijkversterking Tiel – Waardenburg, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De noordelijke Waaldijk bij gemeenten Neerijnen en Tiel, dijkring 43

Vecht Noord

Dijkversterking Vecht Noord, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De Stenendijk en Noordelijke Vechtdijk tussen Hasselt en Ommen, dijkring 53

Mastenbroek IJssel

Dijkversterking Mastenbroek IJssel, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De oostelijke IJsseldijk tussen IJsselmuiden en ’s-Heerenbroek, dijkring 10

Wolferen – Sprok

Dijkversterking Wolferen – Sprok, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De noordelijke Waaldijk tussen Wolferen en restaurant Sprok, dijkring 43

Zwolle

Dijkversterking Zwolle, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De kering aan de oostelijke oever van het Zwolle/IJsselkanaal, dijkring 53

Mastenbroek Zwarte Water

Dijkversterking Mastenbroek Zwarte Water, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De keringen aan de westzijde van het Zwarte Water van Stadshagen in Zwolle tot Gerne-Overwaters, dijkring 10

Krachtige IJsseldijken Krimpenerwaard

Dijkversterking Gouderak, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken langs de Hollandse IJssel tussen Krimpen aan den IJssel en Gouderak, dijkring 15

Vierburen – Oostpolderdijk

Dijkversterking Vierburen – Oostpolderdijk, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2015

Ter hoogte van Vierburen en de Oostpolderdijk

Neder Betuwe

Dijkversterking Neder Betuwe, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De noordelijke Waaldijken ten westen van Wolferen tot het Amsterdam-Rijnkanaal bij Tiel, dijkring 43

Rondom Kampen

Dijkversterking Rondom Kampen, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De IJsseldijk bij Kampen, dijkring 11

Lingewaard

Dijkversterking Lingewaard, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De keringen langs de Waal en het Pannerdens Kanaal bij Lingewaard, dijkring 43

Werkendam – Giessen

Dijkversterking Werkendam – Giessen, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De keringen langs de Afgedamde Maas en Bovenmerwede tussen Werkendam en Giessen, dijkring 24

Mastenbroek Zwarte Meer

Dijkversterking Mastenbroek Zwarte Meer, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De keringen langs de zuidzijde van het Zwarte Meer tussen IJsselmuiden en Genemuiden, dijkring 10

Zwolle – Olst

Dijkversterking Zwolle – Olst, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De oostelijke IJsseldijk tussen Olst en Zwolle, dijkring 53

Culemborg

Dijkversterking Culemborg, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Projectenboek 2015, oktober 2015

De zuidelijke Lekdijk tussen Werk aan het Spoel en Culemborg, dijkring 43

Genemuiden – Hasselt

Dijkversterking Genemuiden – Hasselt, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken langs het Zwarte Water bij Genemuiden, dijkring 10

IJsseldijk Gouda (fase 2)

Dijkversterking IJsseldijk Gouda (fase 2), zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken van de Hollandsche IJssel in de gemeente Gouda tussen de Julianasluis en de Waaiersluis, dijkring 14

Peerenboom – Genderen

Dijkversterking Peerenboom – Genderen, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken langs de Bergsche Maas tussen Peerenboom en Genderen, dijkring 24

West Holwerderpolder – Lauwersmeer

Dijkversterking West Holwerderpolder – Lauwersmeer, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De Waddenzeedijken tussen Holwerd en Lauwersmeer, dijkring 6

Stad Tiel

Dijkversterking Tiel, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De noordelijke Waaldijk tussen Tiel en Passewaaij, dijkring 43

Pannerden / Loo

Dijkversterking Pannerden / Loo, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken langs het Pannerdens Kanaal tussen Pannerden en Loo, dijkring 48

Leeuwen – Oude Maasdijk

Dijkversterking Leeuwen – Oude Maasdijk, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De zuidelijke Waaldijk tussen Sint Andries en Beneden Leeuwen, dijkring 41

Winssen – Drutensche Waarden

Dijkversterking Winssen – Drutensche Waarden, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De zuidelijke Waalkeringen tussen Beneden Leeuwen en de A50 bij Eeuwijk, dijkring 41

Landelijke verkenning zettingsvloeiing

Dijkversterking Zettingsvloeiing Verlengde Derde Toetsing, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De keringen aan de Oude Maas, Haringvliet, Spui en Grevelingen, dijkring 17, 20 en 25

Gameren

Dijkversterking Gameren, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De zuidelijke Waaldijk bij Gameren, dijkring 38

Verbetering IJsseldijk Gouda fase 1

Dijkversterking IJsseldijk Gouda (urgent deel), zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken van de Hollandsche IJssel in de gemeente Gouda, dijkring 14

Lauwersmeer / Vierhuizergat

Dijkversterking Lauwersmeer / Vierhuizergat, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken aan de oostkant van het Lauwersmeer tussen Lauwersoog en Marnerwaard, dijkring 6

Capelle / Zuidplas

Dijkversterking Capelle / Zuidplas, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

Vier dijkvakken langs de Hollandsche IJssel bij Capelle aan de IJssel en Nieuwerkerk aan de IJssel, dijkring 14

Burghsluis – Schelphoek

Dijkversterking Burghsluis – Schelphoek, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2016

De dijken langs de Oosterschelde tussen Burghsluis en Serooskerke, dijkring 26

Flaauwershaven / Borrendamme

Dijkversterking Flaauwershaven / Borrendamme, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2016

De dijken langs de noordkant van de Oosterschelde tussen Zierikzee en Serooskerke, dijkring 26

Ooij en Millingen

Dijkversterking Ooij en Millingen, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De Ooijse dijk tussen Nijmegen en Millingen aan de Rijn aan de zuidkant van de Waal, dijkring 42

Loswal Hattem & Apeldoorns kanaal

Dijkversterking Loswal Hattem & Apeldoorns kanaal, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken langs de IJssel bij het Apeldoorns kanaal bij Hattem, dijkring 11 en 52

Zuid-Beveland West, Westerschelde

Dijkversterking Zuid-Beveland West, Westerschelde, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken langs de noordkant van de Westerschelde ter hoogte van Kapelle, dijkring 30

Kunstwerken Markermeer

Dijkversterking Kunstwerken Markermeer, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

Keringen nabij Enkhuizen, Broekerhaven en Hoorn, dijkring 13

Koehool – West Holwerderpolder

Dijkversterking Koehool–West Holwerderpolder, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken aan de Waddenzee tussen Koehool en Holwerd, dijkring 6

Emanuelpolder

Dijkversterking Emanuelpolder, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De dijken aan de noordkant van de Westerschelde tussen Waarde en Rilland, dijkring 31

Inlaag Zuidhoek/Bruinisse

Dijkversterking Inlaag Zuidhoek/Bruinisse, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2016

De dijken aan de noordkant van de Oosterschelde bij Zierikzee en Bruinisse, dijkring 26

Eemdijk – Spakenburg

Dijkversterking Spakenburg, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Projectenboek 2017

De keringen langs het Eemmeer bij Spakenburg, dijkring 46

Zuid-Beveland Oost, Westerschelde

Dijkversterking Zuid-Beveland Oost, Westerschelde, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

De noordzijde van de Westerschelde ter hoogte van Kruiningen en Waarde, dijkring 31

Alexanderhaven

Dijkversterking Alexanderhaven, zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

Deel van de dijk in Roermond Alexanderhaven, dijkring 76

Pilot Brede Groene Dijk

Onderdeel van de POV Waddenzeedijken zoals aangegeven in het Hoogwaterbeschermingsprogramma, MIRT overzicht 2017

Deel van de Waddenzeedijk langs de Dollard, dijkring 6

Rivier in de stad Zutphen

Dijkversterking in Zutphen

Deel van de dijk vanaf de Bult van Ketjen tot aan de Noorderhaven en de Vispoorthaven langs de IJsselkade in Zutphen, dijkring 50

Prins Hendrikdijk Texel

Prins Hendrikdijk Texel, zoals aangegeven onder projectnummer W2-036 in de Basisrapportage HWBP 2 van 26 september 2011, Kamerstukken II 2011/12, 27 625, nr. 237

Aan de zuidoostzijde van Texel, dijkring 5

Markermeerdijk Hoorn – Edam – Amsterdam (planstudie)

Dijkversterking Markermeerdijk Marken, zoals aangegeven onder projectnummer R2-061 in de Basisrapportage HWBP 2 van 26 september 2011, Kamerstukken II 2011/12, 27 625, nr. 237

Tussen Hoorn, Edam en Amsterdam

Beperkte Hoogwatergeul Kampen

Hoogwatergeul bij Kampen, zoals aangegeven in wijziging PKB Ruimte voor de Rivier ten behoeve van Hoogwatergeul Kampen en Zomerbedverlaging Beneden-IJssel, Rijkswaterstaat, bij Besluit van 24 mei 2013, gepubliceerd in de Staatscourant van 29 mei 2013, Nr. 14312, inclusief inlaatsysteem IJsseldijk en aanleg en gebruik Reevesluiscomplex

Ter hoogte van Kampen

Kadeverlaging Scherpenkamp

Kadeverlaging Scherpenkamp, als onderdeel van de Uiterwaardenvergraving, zoals aangegeven in PKB Ruimte voor de rivier, zoals goedgekeurd op 7 juli 2006

Ter hoogte van Huissen

Loenensche Buitenpolder

KRW project Loenensche Buitenpolder

Loenensche Buitenpolder

Elster Buitenwaarden

KRW project Elster Buitenwaarden, omvattende een kwelgeul/strang, uiterwaardverlaging en natuurvriendelijke oever

Elster Buitenwaarden

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat – Spoorwegprojecten

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

PHS Meteren – Boxtel

Onderdeel Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

Meteren – Boxtel

PHS Eindhoven – Breda

Onderdeel Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

Eindhoven – Breda

PHS Amsterdam – Eindhoven

Onderdeel Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

Amsterdam – Eindhoven

PHS Alkmaar – Amsterdam

Onderdeel Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

Alkmaar – Amsterdam

PHS Schiphol – Utrecht – Nijmegen

Onderdeel Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

Schiphol – Nijmegen

PHS viersporigheid Rijswijk-Delft Zuid

Onderdeel Programma Hoogfrequent Spoorvervoer

Rijswijk – Delft Zuid

OV Schiphol – Amsterdam – Almere – Lelystad

Uitbreiden capaciteit corridor, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017, inclusief Opstelterrein Zwolle en tweede spoortoegang tot het opstelterrein Zwolle (RGS-terrein)

Schiphol – Amsterdam – Almere – Lelystad

Zwolle – Herfte

Uitbreiden capaciteit corridor, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017, inclusief Opstelterrein Zwolle en tweede spoortoegang tot het opstelterrein Zwolle (RGS-terrein)

Zwolle – Herfte

Goederenverbinding Antwerpen – Roergebied (IJzeren Rijn)

Weer in gebruik nemen van het tracé, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Antwerpen – Roergebied

Zevenaar – Didam

Aanpakken van de capaciteitsproblemen op het baanvak Arnhem-Zevenaar door het realiseren van een spoorverdubbeling tussen Zevenaar en Didam

Zevenaar – Didam

Zevenaar – Didam

Doorvoeren van een snelheidsverhoging tussen Zevenaar en Wehl

Zevenaar – Didam

Spooromgeving Geldermalsen

Project bestaat uit twee delen, Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS Amsterdam – Eindhoven) en Tweede fase herstelplan Spoor (Vrijleggen MerwedeLingelijn), zie bijbehorende projectbladen MIRT overzicht 2017

Geldermalsen – Tricht

HOV Utrecht – Leiden

Snelheids- en capaciteitsvergroting op het traject door het uitvoeren van diverse maatregelen

Utrecht – Leiden

Railterminal Trade Port Noord Venlo

Enkele aankomst- en vertreksporen ten noordwesten van Venlo parallel aan de spoorlijn Venlo – Eindhoven ten behoeve van de toekomstige aansluiting aan op de nog te ontwikkelen railterminal op het bedrijventerrein Trade Port Noord (TPN) in Venlo

Venlo

Calandbrug (Theemswegtracé)

Omlegging van het huidige spoortracé, zie bijbehorend projectblad MIRT overzicht 2017

Havenspoorlijn, tussen Europoort en Botlek

Extra Sneltrein Groningen Leeuwarden (ESGL)

Spoorverdubbeling spoorlijn Groningen – Leeuwarden tussen Hoogkerk en Zuidhorn en overige maatregelen ten behoeve van de vergroting van de capaciteit

Groningen – Leeuwarden

Spoorzone Ede

Stationsproject waarbij het huidige station Ede-Wageningen wordt vervangen door een nieuw station met P+R voorziening

Ede

Mistral Naarden – Bussum

Realisatie snelheidsverhoging bij Naarden – Bussum

Naarden – Bussum

MJPO/Natuurbrug Asselsche Heide

Natuurbrug over het spoor

Hoog Soeren

Project Groningen Spoorzone

Een samenhang van maatregelen voor het vergroten van de spoorcapaciteit rond station Groningen en Groningen Europapark en verplaatsing van het opstelterrein. Dit project is onderdeel van sporendriehoek Noord-Nederland.

Groningen

Boog bij Hoogeveen

Aanpassing van de boog bij Hoogeveen ten behoeve van een snelheidsverhoging. Dit project is onderdeel van de sporendriehoek Noord-Nederland.

Hoogeveen

Project Groningen–Nieuweschans

In het kader van het Programma Noord Nederland worden maatregelen voorgesteld die tot doel hebben het toekomstige intensievere treinverkeer in noord Nederland te faciliteren. Dit programma voorziet in kleine en grotere programmatische aanpassingen aan de rail- en overige rail ondersteunende infrastructuur. In de dienstregeling van 2020 zal een extra sneltrein gaan rijden op het traject Groningen Nieuweschans en zal het spoor robuuster gemaakt moeten worden om kortere rijtijden mogelijk te maken

Groningen – Nieuwe Schans

Emplacementen

Wijziging van spoorweginfrastructuur van emplacementen

Langs het hoofdspoorwegennet

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat – Luchthavens

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Luchthaven Schiphol

Groei Schiphol tot 500.000 vliegtuigbewegingen per jaar (waarbij in de reservering rekening is gehouden met een onzekerheidsmarge)

Luchthaven Schiphol

Luchthavenbesluit Groningen Airport Eelde

Ontwikkeling luchthaven Groningen Airport Eelde tot maximaal 93.000 vliegbewegingen

Luchthaven Groningen Airport Eelde

Luchthavenbesluit Luchthaven Maastricht Aachen Airport

Ontwikkeling luchthaven Maastricht Aachen Airport tot maximaal 52.000 vliegbewegingen

Luchthaven Maastricht Aachen Airport

Luchthavenbesluit Rotterdam The Hague Airport

Ontwikkeling luchthaven Rotterdam The Hague Airport tot maximaal 89.000 vliegtuigbewegingen (waarvan 43.000 groot verkeer, 6.000 helikopterverkeer en 40.000 klein verkeer)

Luchthaven Rotterdam The Hague Airport

Ministerie van Defensie

Ministerie van Defensie

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Herbelegging Nieuwe haven

Inpassing Joost Dourlein kazerne in Nieuwe Haven

Nieuwe Haven, Den Helder

Herbelegging Legerplaats Ermelo

Ontwikkeling kazerne

Leuvenumseweg, Ermelo

Herbelegging Luitenant generaal Bestkazerne

Ontwikkeling kazerne

Ripseweg, Vredepeel

Herbelegging Luitenant Kolonel Tonnetkazerne

Ontwikkeling kazerne

Eperweg, 't Harde

Herbelegging Legerplaats bij Olderboek

Ontwikkeling kazerne

Eperweg, 't Harde

Ontwikkeling Vliegbasis Woensdrecht

Ontwikkeling Vliegbasis Woensdrecht

Kooijweg, Hoogerheide

Michiel Adriaanszoon de Ruyterkazerne

Nieuwbouw Michiel Adriaanszoon de Ruyterkazerne en oefengebieden Zeeland

Vlissingen, diverse gebieden provincie Zeeland

Herbelegging Johannes Postkazerne

Inbreiding kazerne

Johannes Postweg, Darp

Ontwikkeling Vliegbasis de Kooy

Ontwikkeling Vliegbasis de Kooy

Rijksweg 20, Den Helder

Ontwikkeling Vliegbasis Gilzen-Rijen

Ontwikkeling Vliegbasis Gilzen-Rijen, toename helicoptervluchten

Rijksweg 121, Rijen

Ontwikkeling USAG

Ontwikkeling van USAG

Kranenpool 3, Brunssum

Herinrichting Petten KM

Herinrichting van de locatie

Westerduinweg 3, Petten

Ontwikkeling OT Oirschotse Heide

Herinrichting oefenterrein

Eindhovensedijk 40, Oirschot

Ontwikkeling Fredrikskazerne

Ontwikkeling kazerne

Van Alkemadelaan, Den Haag

Herinrichting ISK

Ontwikkeling ISK

Harskamp

Provincies

Provincie Drenthe

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Kloosterveen II + III (woningbouw)

Uitbreiding bestaande woonwijk met ca. 150 ha

Gemeente Assen

Toeristisch Recreatieve Zone (recreatie)

Realisatie toeristisch/recreatieve zone rondom en nabij TT-circuit

Gemeente Assen

Transferium De Punt (infrastructuur)

Realisering Transferium

Gemeente Tynaarlo

Bedrijfsverplaatsing (natuur)

Verplaatsing agrarisch bedrijf i.v.m. realisering Natuurnetwerk Nederland

Gemeente Midden-Drenthe

Bedrijfsverplaatsing (natuur)

Verplaatsing agrarisch bedrijf tbv realisering bufferzone zuid

Gemeente Emmen

Bedrijfsverplaatsing (natuur)

Verplaatsing agrarisch bedrijf tbv realisering bufferzone zuid

Gemeente Emmen

Provincie Flevoland

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Floriade 2022: Growing Green Cities

Ontwikkeling Floriade in Almere: Wereldtuinbouwtentoonstelling en doorontwikkeling tot woon-/werklocatie in Almere

Gemeente Almere

Woningbouw Almere Hout

Woningbouw Almere Hout

Gemeente Almere

Woningbouw Almere Poort

Woningbouw Almere Poort

Gemeente Almere

Industrieterrein Flevokust

Te realiseren industrieterrein bij de multimodale overslaghaven

Gemeente Lelystad

Landbouw in Flevoland zone 0-5 km

Autonome ontwikkeling van de veehouderijen in Flevoland

Provincie Flevoland

Landbouw in Flevoland zone 5-10 km

Autonome ontwikkeling van de veehouderijen in Flevoland

Provincie Flevoland

Landbouw in Flevoland zone 10-99 km

Autonome ontwikkeling van de veehouderijen in Flevoland

Provincie Flevoland

Provincie Gelderland

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Industrieterrein Kleefse Waard

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Arnhem

Industrieterrein De Aam

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Elst

Industrieterrein InnoFase

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Duiven

Industrieterrein de Mars en Fort de Pol

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Zutphen

Industrieterrein Ecofactory

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Apeldoorn

Industrieterrein Medel

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Tiel

Industrieterrein Lorentz III

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Harderwijk

Bedrijventerrein de Klomp

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Ede

Zuilichem

Glastuinbouw

Zuilichem

Kernhem

Aanleg woonwijk

Ede

Veluwse Poort

Aanleg woonwijk

Ede

Parklaan

Aanleg ontsluiting Veluwse Poort

Ede

Bedrijvenpark H2O

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Oldebroek/Hattem, kruising A28/A50

Rijnhaven en Costerweg

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Wageningen

Bedrijventerrein Broeklanden

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Elburg

Bedrijventerrein Eerbeek

Inrichting logistiek centrum

Eerbeek

Bedrijventerrein A12

Uitbreiding/vestiging bedrijven

Ede

Paleis Het Loo

Recreatie

Apeldoorn

Rijnwaardense Uiterwaarden (deelprojecten Lobberdense Waard en Bijlandse Waard)

Rivierverruiming & natuurontwikkeling & delfstoffenwinning

Rijnwaarden

Boezem van Hackfort

Bedrijfsverplaatsing & natuurontwikkeling

Bronckhorst

Doesburgsedijk

Infraproject

Rheden

Provincie Groningen

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Suikerfabriek

Uitbreiding capaciteit tot 25.000 ton/d (150 d/j en 24 u/d)

Gemeente Groningen

Biomassacentrale 1

Nieuwe centrale 49.9 Mw (E) en 147 Mw (W)

Gemeente Delfzijl, Oosterhorn

Biomassacentrale 2

Nieuwe centrale 24 Mw (E) en 128,7 (W)

Gemeente Delfzijl, Oosterhorn

Bio-ethanolfabriek

Realisatie bio-ethanolfabriek

Gemeente Delfzijl, Oosterhorn

Bestemmingsplan Delfzijl

Aanpassing bedrijfsvoering/uitbreiding bestaand industrieel complex

Gemeente Delfzijl

Bestemmingsplan Eemshaven

Aanpassing bedrijfsvoering/uitbreiding bestaand industrieel complex

Gemeente Eemsmond

Provincie Limburg

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Landbouwontwikkelingsgebied

Uitbreidingslocatie Landbouw

Gemeente Horst aan de Maas

Kassenontwikkeling

Uitbreidingslocatie kassen

Gemeente Leudal

Chemische industrie

Diverse nieuwe ontwikkelingen

Gemeente Sittard-Geleen en

gemeente Stein

Bedrijventerrein, kassen

Vestiging bedrijven

Gemeente Venlo

Gebiedsontwikkeling, wegen, bedrijven, haven

Diverse integrale ontwikkelingen

Gemeente Venray

Plan van Transformatie ENCI

Industrie en Leasure

Gemeente Maastricht

Transformatie Sibelco

Ontgronding

Gemeente Heerlen

Mitigatie BPL

Verplaatsing van stikstofemitterende activiteit in het kader van de aanleg van de Buitenring Parkstad Limburg

Gemeente Landgraaf

Provincie Noord-Brabant

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Woensdrecht rest- en zoekruimte aviolanda

Nieuwe bedrijfsvestiging

Gemeente Woensdrecht

Industrieterrein Moerdijk

Nieuwe bedrijfsvestiging

Gemeente Moerdijk

Cranendonck duurzaam industriepark

Nieuwe bedrijfsvestiging

Gemeente Cranendonck

Verplaatsing V

Verplaatsing ondernemer

Gemeente Vught

Cranendonck vergroten haven

Vergroten haven

Gemeente Cranendonck

Gebiedsversterking Oostelijke Langstraat (GOL) (NSL)

Drunen-Waalwijk

N279 Zuid(NSL)

Veghel-Asten

N69 Grenscorridor (NSL)

Valkenswaard-Waalre

Komproblematiek Haps (NSL)

Cuijk

Logistiek Park Moerdijk (NSL)

Logistiek Park

Moerdijk

N324 (NSL)

Vervanging en ombouw kruis-punten, verlegging aansluiting

Grave – Zevenbergen

BIC fase 1 cluster 2

Nieuwe bedrijfsvestiging

Eindhoven

Containerterminal Theodorushaven Bergen op Zoom

Nieuwe terminal

Bergen op Zoom

Refresco Maarheeze Living Lab

Pilot living lab

Maarheeze

Maatregelenpakket PHS Boxtel

aanleg nieuwe weg

Boxtel

N285 Omlegging Zevenbergen

aanleg nieuwe rondweg

Zevenbergen

Regionaal bedrijventerrein Laarakker

Nieuwe bedrijfsvestiging

Cuijk

Bedrijventerrein Heesch-West

Nieuwe bedrijfsvestiging

Heesch

Bedrijventerrein Wijckevoort-Tilburg

Nieuwe bedrijfsvestiging

Tilburg

Bedrijventerrein Foodpark Veghel

Nieuwe bedrijfsvestiging

Veghel

OOC Terminals Oss

Nieuwe bedrijfsvestiging

Oss

Provincie Noord-Holland

Projectnaam

Projectomschrijving

Locatie

Bedrijventerreinen Boekelermeer Alkmaar en Heiloo

Uitbreiding bestaande bedrijventerreinen

Gemeente Heiloo en Alkmaar

Regionaal Havengebonden Bedrijventerrein Hollands Kroon

Nieuw bedrijventerrein

Gemeente Hollands Kroon

Bedrijventerrein Grote Hout

Uitbreiding bestaand bedrijventerrein

Gemeente Velsen

Bedrijventerrein IJmond |Haven

Uitbreiding bestaand bedrijventerrein

Gemeente Velsen

Bedrijventerrein Hoogtij

Uitbreiding bestaand bedrijventerrein

Gemeente Zaanstad

Bedrijventerrein Westpoort

Uitbreiding bestaand bedrijventerrein

Gemeente Amsterdam

Verbinding A8-A9

Verbeterde oost- west verbinding tussen bestaande A8 en A9

Gemeente Zaanstad – IJmond

Duinpolderweg

Provinciale wegverbinding tussen de N206 (nabij de Zilk) en de A4 (Hoofddorp Zuid)

Gemeenten Noordwijkerhout, Hillegom, De Zilk, Lisse, Bloemendaal, Haarlemmermeer

Pallas onderzoeksreactor

Nieuwbouw van een onderzoeksreactor