Regeling personeel brandweer BES

Geraadpleegd op 10-12-2022.
Geldend van 01-07-2016 t/m heden

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, van 21 juni 2016, nr. 772234, houdende regels dan wel nadere regels over de functies en de daarbij behorende taken, competenties, competentieniveaus, alsmede het geneeskundig onderzoek, de dienstkleding en de gelijkstelling van diploma’s voor het personeel van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling personeel brandweer BES)

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de artikelen 2, 6, eerste lid, 8 en 13 van het Besluit brandweer BES;

Besluit:

Artikel 1. Functies, taken, competenties en competentieniveau

  • 1 Met betrekking tot de functies genoemd in bijlage 1 bij het Besluit brandweer BES, voor zover daarbij de aanduiding ‘CN’ is vermeld, zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

Artikel 2. Geneeskundig onderzoek

  • 3 Het periodiek geneeskundig onderzoek, bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd van:

    • a. jonger dan veertig jaar een keer in de vier jaar;

    • b. veertig jaar en ouder tot vijftig jaar een keer per twee jaar;

    • c. vijftig jaar en ouder een keer per jaar.

  • 4 De overgang tussen de leeftijdscategorieën, bedoeld in het derde lid, onderdelen b en c, gaat in met ingang van het kalenderjaar waarin de betreffende aanvangsleeftijd wordt bereikt.

  • 5 Als de algemeen commandant daar aanleiding toe ziet, kan in afwijking van de frequentie, bedoeld in het derde lid, een tussentijds geneeskundig onderzoek plaatsvinden.

Artikel 3. Dienstkleding

  • 1 De algemeen commandant bepaalt aan wie de dienstkleding wordt verstrekt en wie wanneer welk tenue draagt.

  • 2 Ten einde de eenheid van tenue te bewaren, stelt de algemeen commandant een draag-voorschrift op. Bij dit draagvoorschrift wordt enkel gebruik gemaakt van de dienstkledingstukken, artikelen, uitmonstering en rangonderscheidingstekens die zijn vastgelegd in de bij deze regeling behorende bijlage IV, dan wel aanvullend door de beheerder van het brandweerkorps zijn aangewezen.

  • 3 De opsomming van de bij het brandweerkorps te gebruiken rangonderscheidingstekens is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage V. Andere rangonderscheidingstekens of functietekens worden niet gebruikt.

  • 4 Een aspirant verkrijgt geen rang totdat het bij de betreffende functie behorende diploma is behaald en hij in de functie is aangesteld. Tot dan wordt dienstkleding met het epaulet met daarop het brandweerlogo gedragen.

  • 5 Met het toezicht op de naleving van het draagvoorschrift zijn alle leidinggevenden binnen het brandweerkorps belast.

  • 6 De algemeen commandant is verantwoordelijk voor het organiseren van de verstrekking, het beheer, het onderhoud, de registratie en de afvoer van de dienstkleding.

  • 7 Het is niet toegestaan de dienstkleding te dragen anders dan in werktijd of tijdens woon-werkverkeer.

  • 8 Het brandweerkorps verstrekt de dienstkleding in bruikleen. De dienstkleding blijft eigendom van de Staat. Beschadigingen die moedwillig of door onzorgvuldigheid zijn ontstaan, zijn voor rekening van de medewerker aan wie de dienstkleding is verstrekt. De medewerker is verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op de nette en schone staat van de dienstkleding en levert deze bij het uit dienst treden in.

Artikel 4. Overgangsbepalingen

  • 1 De medewerker die, op het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, bij het brandweerkorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in een functie is aangesteld waarop volgens deze regeling beroepskwalificaties van toepassing zijn, ontvangt op basis van gelijkstelling of erkenning van eerder verworven competenties het diploma voor het functieniveau waarvan hij aantoonbaar de kennis, ervaring en competenties bezit.

  • 2 De vaststelling van de aantoonbare kennis, ervaring en competenties geschiedt door de korpsbeheerder brandweer, aan de hand van een onder zijn verantwoordelijkheid éénmalig opgestelde, limitatieve opsomming waarin per medewerker de functie, de relevante werkervaring, diploma’s, certificaten en andere kwalificatiestukken staan vermeld. Op basis van deze opsomming stelt het Instituut Fysieke Veiligheid de medewerker in het bezit van het betreffende diploma of de betreffende diploma’s.

  • 3 Ingeval het functieniveau waarop de medewerker is aangesteld hoger is dan aan kennis, ervaring en competenties aantoonbaar kunnen worden gemaakt, krijgt de medewerker vijf jaar de gelegenheid om de voor het functieniveau benodigde diploma’s te verwerven. De periode van vijf jaar gaat in met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling.

  • 4 De medewerker die op grond van de voorgaande leden recht heeft op een diploma op basis van gelijkstelling dan wel erkenning van eerder verworven competenties, ontvangt het betreffende diploma uiterlijk zes maanden na de datum van in werking treden van deze regeling van het Instituut Fysieke Veiligheid.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Bijlage I. behorend bij artikel 1, eerste lid, Regeling personeel brandweer BES

1.1. Functie Bevelvoerder, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES

Deel A

1.1.1. Algemene informatie

Functienaam: Bevelvoerder

Beschrijving van de functie:

De Bevelvoerder heeft de leiding over de bemensing van een tankautospuit en de bemensing van bijzondere voertuigen. Hij heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de operationele leiding en uitvoeringscoördinatie van mensen en middelen vanaf het moment van uitruk tot en met het moment van terugkeer op de kazerne. In geval van opschaling heeft hij de leiding over de (blus)eenheden tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst. Als deze aanwezig is, handelt hij onder verantwoordelijkheid van deze functionaris.

De Bevelvoerder:

  • 1. werkt samen met de leden van een bluseenheid;

  • 2. heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de taakgebieden:

    brandbestrijding;

    technische hulpverlening;

    ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen;

    met specifieke aandacht voor:

    • ondersteuning bij vliegtuigincidenten;

    • ondersteuning bij scheepvaartincidenten;

    • ondersteuning bij industriële incidenten en

    • ondersteuning bij natuurgeweld.

1.1.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen.

Aanstelling in de functie van Bevelvoerder kan geschieden wanneer de opleiding tot Bevelvoerder Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.1.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de uitrukwerkzaamheden

Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden op het gebied van de voorbereiding op de verkenning en inzet.

Kerntaak 2: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de verkenningswerkzaamheden

Verzamelt en analyseert gegevens met betrekking tot het incident en stelt op basis daarvan een (voorlopig) plan en vervolgens een verkenningsplan op. Informeert de ploegen, maakt een taakverdeling en bepaalt de persoonlijke bescherming.

Kerntaak 3: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de inzetwerkzaamheden

Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.

Kerntaak 4: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de nazorgwerkzaamheden

Coördineert de personele en materiële nazorg (inclusief de evaluatie van het proces en het functioneren) en zorgt voor de administratieve afhandeling van het incident.

Taakgebieden:

brandbestrijding;

technische hulpverlening;

ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen;

met specifieke aandacht voor:

  • ondersteuning bij vliegtuigincidenten;

  • ondersteuning bij scheepvaartincidenten;

  • ondersteuning bij industriële incidenten -

  • en ondersteuning bij natuurgeweld.

1.1.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken.

In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie: Bevelvoerder

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Analyseren

Plannen, organiseren en coördineren

Oordelen

Resultaat gericht

Probleem oplossen

Innoveren creativiteit

Leren en reflecteren

Daad kracht

Taakgericht leiderschap

Onafhankelijk

Mondeling communiceren

Inleven

Geeft leiding aan, coördineert en controleert de uitrukwerkzaamheden

1

1

1

1

2

2

 

1

1

 

1

 

2

   

Geeft leiding aan, coördineert en controleert de verkenningswerkzaamheden

1

2

2

1

2

   

1

   

2

 

Geeft leiding aan, coördineert en controleert de inzetwerkzaamheden

 

2

2

1

2

1

 

1

1

2

2

 

Geeft leiding aan, coördineert en controleert de nazorgwerkzaamheden

1

2

       

1

 

1

 

2

1

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis (1)

Overdracht (2)

Expert (3)

Incidentbestrijding

x

   

Risico’s en veiligheid

 

x

 

Deel C

1.1.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

De Bevelvoerder voert met de overige leden van de bemanning taken uit binnen de context van alle taakgebieden.

De Bevelvoerder maakt gebruik van alle mensen en middelen die hem ter beschikking staan.

Kerntaak 1: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de uitrukwerkzaamheden

Werkzaamheden:

Brandbestrijding:

Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.

Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.

Analyseert deze gegevens.

Stelt prioriteiten en maakt een afweging tussen het verwachte resultaat en het daarvoor te nemen risico.

Formuleert een voorlopig plan en een plan +.

Formuleert op basis van het voorlopig plan een verkenningsplan.

Zorgt voor de informatieoverdracht aan de ploegen en maakt een juiste taakverdeling.

Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.

Technische hulpverlening:

Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.

Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.

Analyseert deze gegevens.

Stelt prioriteiten en maakt een afweging tussen het verwachte resultaat en het daarvoor te nemen risico.

Formuleert een voorlopig plan en een plan.

Formuleert op basis van het voorlopig plan een verkenningsplan.

Zorgt voor de informatieoverdracht aan de ploegen en maakt een juiste taakverdeling.

Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.

Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen:

Interpreteert meteo gegevens.

Rijdt bovenwinds aan indien de situatie dit vereist (initieert dit ook voor andere diensten) en geeft dit door aan de alarmcentrale.

Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.

Raadpleegt de beschikbare naslagwerken en vooraf beschreven scenario’s en handelingstaken.

Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.

Analyseert deze gegevens en vertaalt deze naar de omstandigheden.

Formuleert een voorlopig plan en een plan +.

Formuleert op basis van het voorlopig plan een verkenningsplan.

Zorgt voor de informatieoverdracht aan de ploegen.

Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.

Kerntaak 2: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de verkenningswerkzaamheden

Werkzaamheden

Brandbestrijding:

Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.

Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.

Stelt zijn voorlopig plan (al dan niet) bij.

Verdeelt het incident in logische vakken (qua taken maar ook geografisch).

Stelt indien van toepassing zijn plan+ in werking.

Stelt prioriteiten.

Raadpleegt de (Vak)Officier van Dienst.

Ziet toe op een juiste voertuigopstelling ingeval van een vliegtuigincident.

Verkent een vliegtuigincident op de volgende punten: stadium van brand, uitbreidingskansen, mogelijkheden de brand onder controle te krijgen, mogelijkheden een overleefbare situatie te creëren en eventuele slachtoffers te redden.

Interpreteert de aard en het gevolg van eventueel aanwezige gevaarlijke stoffen.

Geeft een situatierapport (sitrap).

Technische hulpverlening:

Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.

Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.

Stelt zijn voorlopig plan (al dan niet) bij.

Verdeelt het incident in logische vakken (qua taken maar ook geografisch).

Stelt indien van toepassing zijn plan+ in werking.

Laat verkennen op stabilisatiemogelijkheden.

Stelt prioriteiten.

Raadpleegt de (Vak)Officier van Dienst.

Geeft een situatierapport (sitrap).

Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen:

Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.

Raadpleegt (indien beschikbaar) een procesdeskundige indien de situatie daarom vraagt.

Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.

Stelt zijn voorlopig plan (al dan niet) bij.

Laat verkennen op stabilisatiemogelijkheden.

Raadpleegt de (Vak)Officier van Dienst.

Interpreteert de aard en het gevolg van eventueel aanwezige gevaarlijke stoffen.

Verdeelt het incident in logische vakken (qua taken maar ook geografisch).

Stelt indien van toepassing zijn plan+ in werking.

Stelt prioriteiten.

Geeft een situatierapport (sitrap).

Kerntaak 3: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de inzetwerkzaamheden

Werkzaamheden

Brandbestrijding:

Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de (Vak)Officier van Dienst.

Zet in op de 1e prioriteit.

Voert het commando over de eigen eenheid.

Stelt, indien nodig, zijn plan + in werking.

Ziet toe op gebruik juiste blusmiddelen en -techniek(en) en tactieken om een overleefbare situatie bij een vliegtuigincident te creëren en te borgen.

Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst van de (Vak)Officier van Dienst.

Initieert, indien de situatie daarom vraagt, het motorkapoverleg.

Verzorgt tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst het motorkapoverleg.

Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.

Geeft de (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.

Ontvangt leiding van de (Vak)Officier van Dienst.

Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale.

Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.

Technische hulpverlening:

Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de (Vak)Officier van Dienst.

Zet in op de 1e prioriteit.

Verschaft zich toegang tot een luchtvaartuig via normale toegangs- wegen en/of openingen (indien noodzakelijk).

Voert het commando over de eigen eenheid.

Bepaalt samen met de geneeskundige hulpverlening de volgorde van bevrijding. Stelt, indien nodig, zijn plan + in werking.

Bepaalt samen met de geneeskundige hulpverlening de volgorde van bevrijding.

Initieert, indien de situatie daarom vraagt, het motorkapoverleg.

Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst (Vak)Officier van Dienst.

Verzorgt tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst het motorkapoverleg.

Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.

Geeft de (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.

Ontvangt leiding van de (Vak)Officier van Dienst.

Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale. Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.

Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen:

Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de (Vak)Officier van Dienst.

Voert het commando over de eigen eenheid.

Stelt, indien nodig, zijn plan + in werking.

Zet in op de 1e prioriteit. Initieert, indien de situatie daarom vraagt, het motorkapoverleg.

Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst (Vak)Officier van Dienst.

Verzorgt tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst het motorkapoverleg.

Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.

Geeft de (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.

Ontvangt leiding van de (Vak)Officier van Dienst.

Vervult zijn rol als Bevelvoerder zoals genoemd in de vastgestelde OGS-procedure en indien nodig andere rollen in deze procedure.

Start een registratie op als onderdeel van de OGS-procedure.

Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale. Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.

Kerntaak 4: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de nazorgwerkzaamheden

Werkzaamheden

Alle taakgebieden:

Coördineert de personele nazorg.

Coördineert de materiële nazorg (inzetgereed maken).

Handelt de administratie rondom het incident af (rapportage en registratie).

Verwerkt de registratie van inzet en ontsmetting in het Personeel Dossier.

Evalueert het proces.

Evalueert het functioneren (intern en extern).

Keuzes en dilemma’s:

Moet inschatten waar het incident voor de brandweer ophoudt.

Moet een vertaalslag maken naar de onderdelen van de veiligheidsketen.

Moet omgaan met de regelgeving van de arbeidsveiligheid.

Moet beslissingen nemen op basis van onvolledige informatie, tegenstrijdige belangen, in een dynamische omgeving.

Moet het beoogde resultaat ten opzichte van de risico’s afwegen.

Moet analyseren in een dynamische omgeving.

Moet vertrouwen en zekerheid uitstralen naar de manschappen, terwijl de Bevelvoerder innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.

Anticipeert mede op het (ongewenst/behulpzaam) gedrag van omstanders.

Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van hemzelf en van zijn manschappen in relatie tot de bij het incident betrokkenen.

Moet een afweging kunnen maken tussen veilig optreden en belangen van slachtoffers, overige hulpverleners en derden.

Moet een afweging maken van het resultaat ten opzichte van de risico’s (personeel / economisch belang).

Moet inventief kunnen omgaan met de middelen.

Moet omgaan met druk vanuit de omgeving.

Houdt rekening met de psychische gesteldheid en belastbaarheid van het personeel. Hij houdt daarbij met name rekening met het mogelijk voorkomen van warmtestuwing bij de manschappen.

Wijkt, indien nodig, af van de standaardprocedure (situationeel handelen).

Moet snel kunnen schakelen tussen scenario’s.

Moet rekening houden met tegengestelde belangen.

Maakt een afweging of de procedure wordt gehandhaafd of dat het incident ‘creatief’ wordt opgelost.

Beoordelingscriteria:

Communicatie:

Kan opdrachten van de (Vak)Officier van Dienst interpreteren en relevante informatie helder aan de (Vak)Officier van Dienst mededelen/terugkoppelen.

Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.

Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.

Gevaar-/risicoherkenning:

Is in staat om de situatie zowel tactisch als technisch te analyseren.

Stelt de juiste prioriteiten.

Is in staat samen met het medisch personeel de medische triage en de technische redtijd op elkaar af te stemmen.

Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:

  • a. voor zichzelf,

  • b. zijn manschappen en andere hulpverleners,

  • c. voor slachtoffers en

  • d. omgeving.

Persoonlijke bescherming(smiddelen):

Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.

Materialen:

Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen.

Veiligheid

Is in staat zodanig in te zetten dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.

Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmte stuwing bij hemzelf en bij zijn manschappen en bewaakt de fysieke en mentale inzetbelasting.

Samenwerking met andere hulpverleners:

Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners/ betrokkenen.

Professionele beroepshouding:

Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

Creativiteit:

Is creatief en oplossingsgericht bezig bij onvoorziene omstandigheden en kan beslissen onder tijdsdruk.

Maakt een juiste taakindeling met het beschikbare personeel.

Milieu:

Past de juiste schade beperkende maatregelen toe.

Heeft aandacht voor milieu en omgeving.

1.1.3.2. Prestatie-indicatoren

De Bevelvoerder beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.1.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een MBO/SBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Onderwijsdeelnemers aan de leergang Bevelvoerder Caribisch Nederland moeten aantoonbaar voldoen aan het MBO-/SBO- werk- en denkniveau en in het bezit zijn van het diploma Manschap A Caribisch Nederland.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Bevelvoerder Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.

  • Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek Competentiegericht oefenen.

1.2. Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.

Deel A

1.2.1. Algemene informatie

Functienaam: Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding.

Beschrijving van de functie:

De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding heeft de leiding over de bemanning van een of meer crash- tenders. Hij heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de operationele leiding en uitvoeringscoördinatie van mensen en middelen vanaf het moment van uitruk tot en met het moment van terugkeer op de kazerne. Hij heeft de leiding over de (blus)eenheden tot de aankomst van de On Scene Commander en/of de (Vak)Officier van Dienst. Als deze aanwezig is, handelt hij onder verantwoordelijkheid van deze functionaris.

De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding:

  • werkt samen met de leden van een bluseenheid bestaande uit een of meer crashtenders en overige blusvoertuigen van het brandweerkorps;

  • kan ter incidentele en tijdelijke vervanging optreden in de rol van On Scene Commander;

  • heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding.

1.2.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding kan geschieden wanneer de opleiding tot Bevelvoerder Caribisch Nederland is afgerond met een diploma en de te relateren specialisatie vliegtuigbrandbestrijding met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.2.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Voert uitrukwerkzaamheden uit

Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de voorbereiding op de verkenning en inzet.

Kerntaak 2: Voert verkenningswerkzaamheden uit

Verzamelt informatie over het incident ten behoeve van de inzet.

Kerntaak 3: Voert inzetwerkzaamheden uit

Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.

Kerntaak 4: Voert nazorgwerkzaamheden uit

Levert een bijdrage aan een juiste afwerking van het incident en neemt deel aan evaluatie- en nazorggesprekken.

De kerntaken worden uitgevoerd binnen het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding.

1.2.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie: Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleem oplossen

Innoveren en creativiteit

Plannen, organiseren en coördineren

Leren en reflecteren

Daadkracht

Mondeling communiceren

Inleven

Flexibel

Voert uitrukwerkzaamheden uit

3

3

3

2

     

2

2

   

Voert verkenningswerkzaamheden uit

2

2

   

2

2

   

Voert inzetwerkzaamheden uit

2

2

2

 

2

   

2

Voert nazorgwerkzaamheden uit

     

2

 

2

2

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

   

*

Operationele voorbereiding

 

*

 

Incidentbestrijding

   

*

Voorbereiding vliegtuigincidenten

 

*

 

Deel C

1.2.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding voert met de overige leden van de bemanning taken uit binnen de context van het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding. De Bevelvoerder vliegtuigbrand-bestrijding maakt gebruik van alle mensen en middelen die hem ter beschikking staan.

Kerntaak 1: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de uitrukwerkzaamheden

Werkzaamheden:

Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident luistert de melding uit (persons on board (POB’s), brand, fuel state, lading zoals gevaarlijke stoffen en bewapening, etc.).

Vormt zich onder tijdsdruk een correct beeld van de situatie.

Vraagt toestemming voor gebruik banenstelsel.

Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.

Analyseert deze gegevens.

Interpreteert meteo gegevens.

Laat de crashkaart van het betreffende vliegtuig raadplegen.

Stelt prioriteiten en maakt een afweging tussen het verwachte resultaat en het daarvoor te nemen risico.

Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.

Kerntaak 2: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de verkenningswerkzaamheden

Werkzaamheden:

Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.

Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.

Ziet toe op een juiste voertuigopstelling.

Verkent een vliegtuigincident op de volgende punten: stadium van brand, uitbreidingskansen, mogelijkheden de brand onder controle te krijgen, mogelijkheden een overleefbare situatie te creëren en eventuele slachtoffers te redden.

Raadpleegt de On Scene Commander.

Neemt besluiten en stelt daarbij vast of de inzet veilig voor alle betrokkenen wordt uitgevoerd en geeft indien daar aanleiding voor is aanwijzingen.

Geeft een situatierapport (sitrap) aan de On Scene Commander en/of de (Vak)Officier van Dienst. Coördineert alle operaties van de hulpverleningseenheden op plaats incident in de rol van On Scene Commander.

Coördineert het communicatieverkeer op de plaats incident.

Maakt gebruik van communicatiemiddelen in de rol van On Scene Commander.

Kerntaak 3: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de inzetwerkzaamheden

Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst.

Voert het commando over de eigen eenheid.

Observeert en analyseert plaats incident en de inzet.

Zet in op de 1e prioriteit.

Ziet toe op gebruik juiste blusmiddelen en -techniek(en) en tactieken om een overleefbare situatie bij een vliegtuigincident te creëren en te borgen.

Verschaft zich toegang tot een luchtvaartuig via normale toegangs- wegen en/of openingen (indien noodzakelijk).

Stelt vast of locatie verzamelplaatsen en/of gewondennesten in eerste instantie correct gekozen zijn.

Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst van de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst.

Geeft de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.

Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.

Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij in de rol van On Scene Commander.

Coördineert het communicatieverkeer in de rol van On Scene Commander.

Doet verslag (Sitrap) van de situatie aan de Luchthavenautoriteit en in het bijzonder aan het beleidsteam in de rol van On Scene Commander.

Coördineert de inzet van overige hulpverleningsdiensten en instanties in de rol van On Scene Commander.

Managet een doelmatige inzet van de overige hulpverlenings- diensten in de rol van On Scene Commander.

Anticipeert op nieuwe ontwikkelingen en eventueel aansluitend te nemen maatregelen in de rol van On Scene Commander.

Kerntaak 4: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de nazorgwerkzaamheden

Coördineert de personele nazorg.

Coördineert de materiële nazorg (inzet gereed maken). Handelt de administratie rondom het incident af (rapportage en registratie).

Verwerkt de registratie van inzet en ontsmetting in het Personeel Dossier.

Evalueert het proces.

Evalueert het functioneren (intern en extern).

Keuzes en dilemma’s:

Moet beslissingen nemen op basis van onvolledige informatie, tegenstrijdige belangen, in een dynamische omgeving.

Moet werken onder een grote tijdsdruk. De factoren tijd en tempo vereisen een groot omschakelingsvermogen, met name bij een niet verwacht vliegtuigongeval. In korte tijd moet hij de totale inzet coördineren.

Is zich bewust dat het moeilijk is om op afstand en op basis van beperkte informatie het incident veilig en adequaat te managen.

Moet het beoogde resultaat ten opzichte van de risico’s afwegen.

Moet analyseren in een dynamische omgeving.

Moet vertrouwen en zekerheid uitstralen naar de manschappen, terwijl de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.

Anticipeert mede op het (ongewenst/behulpzaam) gedrag van omstanders.

Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van hemzelf en van zijn manschappen in relatie tot de bij het incident betrokkenen.

Moet een afweging kunnen maken tussen veilig optreden en belangen van slachtoffers, overige hulpverleners en derden.

Moet een afweging maken van het resultaat ten opzichte van de risico’s (personeel/economisch belang).

Moet inventief kunnen omgaan met de middelen.

Moet omgaan met druk vanuit de omgeving.

Houdt rekening met de psychische gesteldheid en belastbaarheid van het personeel. Hij houdt daarbij met name rekening met het mogelijk voorkomen van warmtestuwing bij de manschappen.

Wijkt, indien nodig, af van de standaardprocedure (situationeel handelen).

Moet snel kunnen schakelen tussen scenario’s.

Maakt een afweging of de procedure wordt gehandhaafd of dat het incident ‘creatief’ wordt opgelost.

Moet in de rol van On Scene Commander de communicatie met meerdere partijen coördineren.

Moet in de rol van On Scene Commander in staat zijn in korte tijd het incident te managen.

Moet in de rol van On Scene Commander tevens in een kort tijdsbestek de coördinatie van de inzet en het communicatieverkeer beheersen.

Moet in de rol van On Scene Commander inschatten waar het incident voor de brandweer ophoudt.

Beoordelingscriteria

Communicatie:

Kan opdrachten van de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst interpreteren en relevante informatie helder aan de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst mededelen/terugkoppelen.

Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.

Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.

Gevaar-/risicoherkenning:

Is in staat om de situatie zowel tactisch als technisch te analyseren. Stelt de juiste prioriteiten. Is in staat samen met het medisch personeel de medische triage en de technische redtijd op elkaar af te stemmen.

Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:

  • zichzelf,

  • zijn manschappen en andere hulpverleners,

  • voor slachtoffers en

  • omgeving.

Vormt zich onder reële tijdsdruk een juist beeld van het incident, schat de gevaren correct in en coördineert alle operaties op plaats incident.

Persoonlijke bescherming(smiddelen):

Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.

Materialen:

Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen.

Veiligheid:

Is in staat zodanig in te zetten dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.

Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij zijn manschappen en bewaakt de fysieke en mentale inzetbelasting.

Samenwerking met andere hulpverleners:

Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners en/of betrokkenen.

Professionele beroepshouding:

Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

Creativiteit:

Is creatief en oplossingsgericht bezig bij onvoorziene omstandigheden en kan beslissen onder tijdsdruk.

Maakt een juiste taakindeling met het beschikbare personeel.

Milieu:

Past de juiste schade beperkende maatregelen toe. Heeft aandacht voor milieu en omgeving.

1.2.3.2. Prestatie-indicatoren

De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.2.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een SBO/MBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Het diploma Manschap Vliegtuigbrandbestrijding.

Diploma /certificeerbare eenheden:

Het diploma Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio voor de vakbekwaamheid registratie.

  • Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek Competentiegericht oefenen.

1.3. Functie Chauffeur/Voertuigbediener, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.

Deel A

1.3.1. Algemene informatie

Functienaam: Chauffeur/Voertuigbediener

Beschrijving van de functie:

De Chauffeur/Voertuigbediener zorgt ervoor dat het brandweervoertuig op de plaats van een incident aankomt. Hij bestuurt het brandweervoertuig op een verantwoorde wijze en maakt gebruik van de ‘Optische en geluidssignalen brandweer’ na toestemming van een leidinggevende.

De Chauffeur/Voertuigbediener:

  • 1. werkt samen met de leden van een voertuigbezetting;

  • 2. heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de kerntaken van de brandweer;

  • 3. voert opdrachten uit van de leidinggevende en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, wordt – onder verantwoordelijkheid van de leidinggevende – op eigen initiatief gehandeld;

  • 4. hanteert de bepakking van de voertuigen waar hij als bediener voor aangewezen is. Onder leidinggevende verstaan we hier een Bevelvoerder, een Manschap B met een leidinggevende taak en een (Vak)Officier van Dienst.

1.3.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Chauffeur/Voertuigbediener kan geschieden wanneer de opleiding tot Chauffeur /Voertuigbediener Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.3.2.1. Kerntaken

Kerntaak 1: Uitruk/verkenning

De Chauffeur/Voertuigbediener rijdt, na controle van het voertuig, veilig, effectief en efficiënt naar het incident. Hij plaatst het voertuig daar op de aangegeven opstelplaats en creëert een veilige situatie rondom het voertuig.

Kerntaak 2: Inzet

De Chauffeur/Voertuigbediener maakt het voertuig inzet gereed en houdt het operationeel.

Kerntaak 3: De Chauffeur/Voertuigbediener maakt het voertuig inzet gereed in samenspraak met de leidinggevende.

Na afloop van de inzet neemt hij met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet en na een traumatische ervaring aan een nazorggesprek.

1.3.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe, versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentie- matrix hebben.

Functie: Chauffeur/Voertuigbediener

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

                     
 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleem oplossen

Leren en reflecteren

Daadkracht

Inleven

Onafhankelijk

Mondeling communiceren

Flexibel

Uitruk/verkenning

1

1

1

           

1

Inzet

1

 

1

 

1

   

Nazorg

 

1

1

1

 

1

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis (1)

Overdracht (2)

Expert (3)

Incidentbestrijding

x

   

Deel C

1.3.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Kerntaak 1: Uitruk/Verkenning

Werkzaamheden algemeen:

Controleert indien mogelijk het voertuig bij aanvang van de dienst op compleetheid en schades.

Rijdt op veilige, effectieve en efficiënte wijze naar de plaats van bestemming.

Beoordeelt de opstelplaats voor het voertuig, indien van toepassing in overleg met de leidinggevende.

Plaatst het voertuig op de aangegeven opstelplaats, indien van toepassing in overleg met de leidinggevende.

Creëert een veilige situatie rondom het voertuig, indien van toepassing samen met de leidinggevende

Kerntaak 2: inzet Werkzaamheden

Als pompbediener:

  • Verzorgt de waterwinning:

  • Zorgt voor de goede werking van de pomp

  • Verhelpt eenvoudige storingen

  • Voorziet in een ongestoorde waterlevering

  • Maakt gebruik van bluswatervoorzieningen

Bedient het voertuig / de apparatuur:

  • Houdt de pomp operationeel

Geeft materiaal en middelen uit en neemt deze in.

Anticipeert op de benodigde materialen en middelen.

Waarschuwt de leidinggevende tijdig bij problemen in de bluswatervoorziening.

Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.

Als bediener van redvoertuigen:

Maakt het voertuig inzetgereed.

Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.

Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende. Verhelpt eenvoudige storingen.

Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.

Als bediener van een hulpverleningsvoertuig:

Maakt het voertuig inzetgereed.

Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.

Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.

Verhelpt eenvoudige storingen.

Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.

Als bediener van een HAB:

Maakt het materiaal inzetgereed. Bedient het materiaal op een veilige en verantwoorde wijze.

Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.

Verhelpt eenvoudige storingen.

Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.

Als bediener van een verbindingscommandowagen:

Maakt het voertuig inzet gereed.

Verhelpt eenvoudige storingen.

Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.

Als bediener van een Crashtender:

Maakt het voertuig inzet gereed.

Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.

Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.

Verhelpt eenvoudige storingen.

Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.

Keuzes en dilemma’s

Uitruk/Verkenning:

Moet rekening houden met en kunnen anticiperen op het verkeersgedrag (o.a. agressie) van andere weggebruikers.

Moet oog hebben voor zijn eigen veiligheid en die van andere weggebruikers.

Moet onder extreme omstandigheden het voertuig onder controle houden.

Moet tijdens het rijden rekening houden met de (on)mogelijk- heden van het voertuig.

Moet rekening houden met de veiligheid van de opstelplaats in (on)gunstige omstandigheden.

Moet een goede inschatting maken van een locatie in ongunstige omstandigheden waaronder terreinomstandigheden.

Moet een keuze voor de werkplek maken aan de hand van de (on)mogelijkheden van het voertuig.

Inzet

Als Pompbediener:

Kan een ongestoorde waterlevering laten plaats vinden.

Kan het voertuig onder alle omstandigheden operationeel houden.

Kan kleine storingen oplossen.

Als bediener redvoertuig:

Kan het voertuig onder alle omstandigheden operationeel te houden.

Kan kleine storingen oplossen.

Kiest de juiste opstelplaats in relatie tot het incident.

Weegt het risico ten opzichte van het verwachte resultaat af.

Als bediener hulpverleningsvoertuig:

Kan het voertuig en de bepakking onder alle omstandigheden operationeel houden.

Kan kleine storingen oplossen.

Moet de juiste opstelplaats in relatie tot het incident bepalen.

Als bediener van een HAB:

Moet beschikbare ruimte inschatten gekoppeld aan de aard van de container en het gebruik daarvan.

Als bediener van de verbindingscommandowagen

Moet de juiste opstelplaats in relatie tot het incident kiezen.

Bepaalt de juiste opstelplaats in overleg met de overige partners.

Als bediener van een Crashtender:

Kan een ongestoorde waterlevering laten plaats vinden.

Kan het voertuig onder alle omstandigheden operationeel houden. Kan kleine storingen oplossen.

Weegt het risico ten opzichte van het verwachte resultaat af.

Nazorg

Omgaan met traumatische omstandigheden

Beoordelingscriteria

Alle taakgebieden:

Is zich onder alle omstandigheden bewust van de effecten die zijn handelen met zich mee brengen

Uitruk/Verkenning:

Heeft kennis van en beheerst het toegewezen materiaal/materieel.

Heeft kennis van het verzorgingsgebied.

Heeft kennis van de verkeersregelgeving.

Kan incidentmanagement toepassen.

Kan aan de hand van hulpmiddelen snel zijn route bepalen.

Is op de hoogte van zijn bevoegdheden bij het rijden.

Heeft een goede voertuigbeheersing.

Kan een inschatting maken van de veiligheid van de opstelplaats.

Kan anticiperen op onverwachte (verkeer)situaties.

Kan de keuze van zijn opstelplaats motiveren

Inzet:

Als pompbediener:

Heeft oog voor de continue waterlevering op basis van de beschikbare (soorten) bluswatervoorzieningen.

Signaleert tijdig storingen aan de apparatuur en kan (kleine) storingen verhelpen.

Bedient op de juiste wijze de diverse typen afsluiters.

Interpreteert de meters en afsluiters en speelt in op veranderingen.

Is zich onder alle omstandigheden bewust van de effecten die zijn handelen met zich mee brengen.

Als bediener redvoertuig:

Weet op een veilige, verantwoorde en kundige wijze af te stempelen.

Moet het voertuig van alle bedienplaatsen kunnen bedienen.

Is in staat de noodbediening te hanteren.

Moet de korfuitrustingen kunnen bedienen.

Moet valbescherming kunnen hanteren.

Interpreteert meetinstrumenten en speelt in op veranderingen.

Kent de inzet(on)mogelijkheden van het voertuig.

Als bediener hulpverleningsvoertuig:

Heeft kennis van het gebruik van de bepakking van het voertuig.

Kan de in- en aangebouwde gereedschappen bedienen (bijvoorbeeld: lier, lichtmast, aggregaat en kraan).

Is op de hoogte van de inhoud en de mogelijkheden van het voertuig.

Als bediener van een HAB:

Heeft kennis van de inhoud en het gebruik van de inventaris uit de haakarmbak.

Kan de in- en aangebouwde gereedschappen bedienen (bijvoorbeeld: kraan, lier).

Kan de specifieke korpsgerichte haakarmbak(ken) bedienen.

Als bediener van de verbindingscommandowagen:

Kan de randapparatuur van het voertuig aansluiten. Kan het voertuig operationeel maken

Als bediener van de Crashtender:

Kan het voertuig operationeel maken.

Heeft oog voor de continue waterlevering.

Bedient op de juiste wijze de voorzieningen van het voertuig.

Nazorg:

Heeft kennis van het toegewezen materiaal/materieel.

Kent de geldende procedure na schade of tekortkomingen en kan deze toepassen.

Neemt constructief deel aan een groepsproces in een nazorgfase (evaluatie- en/of zorggesprek).

1.3.3.2. Prestatie-indicatoren

De Chauffeur/Voertuigbediener beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.3.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nog nader te bepalen

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding Chauffeur/Voertuig- bediener Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken en heeft het diploma Manschap A in verband met zijn repressieve taken.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Chauffeur/Voertuigbediener Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.

  • Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek Competentiegericht oefenen.

1.4. Functie Controleur brandpreventie, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.

Deel A

1.4.1. Algemene informatie

Functienaam: Controleur brandpreventie

Beschrijving van de functie:

De Controleur brandpreventie voert werkzaamheden uit op het gebied van brandpreventie. Hij maakt deel uit van het cluster preventie en werkt onder supervisie van de Specialist brandpreventie en/of de Medewerker brandpreventie.

1.4.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Controleur brandpreventie kan geschieden wanneer de opleiding tot Controleur brandpreventie Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.4.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Controleren.

De Controleur brandpreventie controleert het brandveilig gebruik aan de hand van de geldende gebruiksvoorwaarden en handelt klachten af.

Kerntaak 2: Rapporteren.

De Controleur brandpreventie rapporteert na locatiebezoek aan de leidinggevende en de gebruiker. Hij rapporteert klachten aan de leidinggevende.

Kerntaak 3: Geven van voorlichting.

De Controleur brandpreventie geeft situatie specifieke voorlichting voor verschillende doelgroepen over gebruiksvoorwaarden met betrekking tot de brandveiligheid.

1.4.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie: Controleur brandpreventie

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Oordelen

Analyseren

Mondeling communiceren

Flexibel

Onafhankelijk

Controleren

1

1

   

1

Rapporteren

   

1

 

1

Geven van voorlichting

   

1

1

 

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de controleur brandpreventie vastgesteld

Deel C

1.4.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Kerntaak 1: Controleren

Werkzaamheden:

Controleert het brandveilig gebruik op basis van instructies van bouwwerken, inrichtingen en evenementen.

Handelt meldingen en vragen op het gebied van brandveilig gebruik af.

Voert zo nodig her controles uit.

Keuzes en dilemma’s:

Moet inschatten wat hij zelf nog kan beoordelen en waar hij een ander moet raadplegen.

Kan buiten de gegeven kaders inschatten of er een gevaar en of risico aanwezig is.

Moet zich er van bewust zijn dat zijn kenniscapaciteit beperkt is tot brandveilig gebruik en dat hij niet volledig op de hoogte is van ontwikkelingen op het gebied van brandpreventie, terwijl men vertrouwt op zijn (brede) expertise tijdens de controle.

Moet zich bewust zijn van de impact van zijn controle voor de gebruiker. Uitvoering van maatregelen in het kader van de brandveiligheid kunnen voor de gebruiker geen prioriteit hebben.

Handelt in de geest van de eed/integriteitverklaring in geval van omkoping, intimidatie, agressie of bekendheid met de persoon/de situatie (belangenverstrengeling).

Moet de juiste toon aanslaan ten opzichte van gesprekspartner(s).

Moet een afweging kunnen maken tussen zich kwetsbaar opstellen en eerlijk zijn of verbloemen niet alles te weten (bijvoorbeeld: durft hij een vraag te stellen met het risico dat anderen zijn expertise of de expertise van zijn organisatie in twijfel trekken.

Moet om kunnen gaan met kritiek op het gelopen traject, terwijl hij daar zelf niet direct bij betrokken is geweest.

Moet in samenspraak met zijn leidinggevende een afweging maken tussen geplande controles en controles op afroep.

Beoordelingscriteria:

Heeft kennis van de geldende regelgeving.

Voert de controles uit volgens de van toepassing zijnde procedure.

Is in staat om zijn werkzaamheden efficiënt te plannen, effectief uit te voeren en tijdig capaciteitsproblemen te signaleren.

Gaat respectvol om met gebruikers van het te controleren object. Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.

Kerntaak 2: Rapporteren

Werkzaamheden:

Maakt rapportages naar aanleiding van controles.

Maakt rapportages als reactie op meldingen en vragen.

Keuze en dilemma:

De juiste (schriftelijke) toon aanslaan.

Beoordelingscriteria:

Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed controlerapport op te stellen.

Kan ordelijk, verzorgd en systematisch werken.

Is in staat om efficiënt te plannen en effectief uit te voeren.

Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.

Kerntaak 3: Geven van voorlichting

Werkzaamheden:

Geeft voorlichting en advies aan verschillende doelgroepen op het gebied van brandveiligheid

Keuzes en dilemma’s:

Het kunnen bepalen van de grens tussen voorlichting en advisering.

Durft de geest van de regelgeving toe te lichten.

Moet de grens kennen van wat behoort tot zijn bevoegdheden en de bevoegdheden van de Medewerker of Specialist brandpreventie.

De juiste toon aanslaan ten opzichte van gesprekspartner(s).

Beoordelingscriteria:

Is in staat om een korte mondelinge presentatie te verzorgen.

Is in staat om doel- en doelgroepgerichte informatie te geven.

Is communicatief vaardig.

1.4.3.2. Prestatie-indicatoren

De Controleur brandpreventie beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.4.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding Controleur brandpreventie Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Controleur brandpreventie Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

Gezien de aard van deze functie wordt verwezen naar reguliere mogelijkheden voor blijvende vakbekwaamheid.

1.5. Functie Instructeur A, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.

Deel A

1.5.1. Algemene informatie

Functienaam: Instructeur A

Beschrijving van de functie:

  • 1) De Instructeur A: houdt zich bezig met het vakbekwaam maken en houden van functionarissen t/m vsbo/vmbo niveau.

  • 2) Voert onder verantwoordelijkheid van een docent afgebakende delen van leergangen uit, aansluitend op zijn eigen vakinhoudelijke expertise. Daarnaast assisteert hij binnen de eigen organisatie oefenleiders bij het uitvoeren van oefeningen.

  • 3) Zorgt ervoor dat zijn eigen vakbekwaamheid op niveau is, zowel vakinhoudelijk als didactisch. Hij beschikt over de vakinhoudelijke verdiepende kennis die hem in staat stelt om boven de stof te staan. Dit is een essentieel onderdeel van het kunnen overdragen van de vereiste kennis en vaardigheden.

  • 4) Valt qua functie, binnen de veiligheidsketen (Pro- actie, Preventie, Preparatie, Repressie en Nazorg), onder de schakel preparatie.

  • 5) Werkt in het brandweerkorps.

  • 6) Legt verantwoording af aan de Specialist opleiden en oefenen en/of aan de Medewerker opleiden en oefenen en/of aan de Instructeur B.

  • 7) Moet binnen verschillende culturen/disciplines en op verschillende niveaus kunnen samenwerken.

1.5.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen (OEBO). Aanstelling in de functie van Instructeur A kan geschieden wanneer de opleiding tot Instructeur A Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.5.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Didactisch handelen

De instructeur A verzorgt afgebakende theorie- en praktijkonderdelen van leergangen, conform lesplan, in afstemming met de afdeling opleiden en oefenen.

Kerntaak 2: Begeleiden van deelnemers

De instructeur A levert een bijdrage aan de begeleiding van deelnemers gericht op het leerproces.

Kerntaak 3: Functioneren binnen het brandweerkorps

De instructeur A werkt samen met andere didactisch betrokkenen en communiceert en rapporteert aan de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.

1.5.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de Instructeur A vastgesteld.

Functie Instructeur A

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Resultaat gericht

Plannen en organiseren

Innoveren / creativiteit

Daadkracht

Flexibel

Leren en reflecteren

Mondeling communiceren

Samenwerken

Didactisch Handelen

1

1

 

1

 

1

1

1

Begeleiden van deelnemers

1

1

 

1

 

1

1

1

Functioneren binnen het brandweerkorps

 

1

1

 

2

1

1

1

Deel C

1.5.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Kerntaak 1: Didactisch handelen

Werkzaamheden:

Verzorgen van afgebakende theorie- en praktijkonderdelen van leergangen, conform lesplan, in afstemming met de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.

Instrueren van nieuwe procedures of middelen, waar hij specialist in is.

Verzorgen van afgebakende onderdelen van oefeningen.

Op peil houden van didactische en vakinhoudelijke kennis door bijscholing en intervisie.

Reflecteren op eigen functioneren.

Zorg dragen voor fysiek veilige leeromgeving.

Keuzes en dilemma’s:

Omgaan met (onverwachte) niveauverschillen tussen deelnemers.

Omgaan met weerstand.

Voldoende leereffect realiseren binnen de kaders van persoonlijke veiligheid.

Continu spanningsveld: inspelen op actuele of onverwachte situaties versus realisatie lesprogramma/oefenprogramma.

Omgaan met grenzen aan eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden.

Beoordelingscriteria:

Beschikt over actuele en relevante didactische en vakinhoudelijke kennis en past deze op de juiste wijze toe.

Is bekend met verschillende leerstijlen en houdt hier in zijn lessen rekening mee.

Communiceert helder in relatie tot de doelgroep.

Toont aan vakinhoudelijk en didactisch bij te blijven, hij kent hiervoor de wegen en manieren.

Verricht zijn werkzaamheden binnen de kaders van het geldende veiligheidsprotocol.

Evalueert zichzelf en vormt met behulp van de opgedane ervaringen nieuwe denkbeelden en/of stelt deze bij.

Is bekend met de leven lang leren cyclus.

Is bekend met de relatie tussen het door hem te verzorgen programmaonderdeel en het totaal (leergang, oefenprogramma).

Kerntaak 2: Begeleiden van deelnemers

Werkzaamheden:

Communiceren met deelnemers.

Zorgen voor een goed leer-, en werkklimaat.

Bijdragen aan begeleiding van deelnemers op deelvaardigheden.

Bijdragen aan begeleiding van deelnemers gericht op het leerproces van de deelnemer in afstemming met de Instructeur B en/of de Specialist opleiden en oefenen en/of de Medewerker opleiden en oefenen.

Keuzes en dilemma’s:

Omgaan met:

  • deelnemers met leerproblemen,

  • ongemotiveerde deelnemers,

  • deelnemers die risico’s opzoeken,

  • kritiek van deelnemers en

  • ongekwalificeerde deelnemers in gevaarlijke situaties.

Schakelen tussen:

  • afstand bewaren en betrokkenheid tonen.

Beoordelingscriteria:

Realiseert een veilig leer- en werkklimaat.

Motiveert zijn deelnemers door enthousiasme voor zijn vak te tonen en voor de vorderingen die deelnemers maken.

Is feedbackvaardig.

Herkent risicozoekende houding, leer- en motivatie- problemen en rapporteert hierover aan de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.

Past kennis over groepsdynamische processen toe in de omgang met deelnemers.

Kerntaak 3: Functioneren binnen het brandweerkorps

Werkzaamheden:

Samenwerken met andere didactisch betrokkenen communiceren en rapporteren aan de afdeling opleiden en oefenen, van het brandweerkorps, conform geldende regels en procedures.

Inzetten van de ter beschikking staande media, hulpmiddelen en systemen.

Keuzes en dilemma’s:

Omgaan met kritiek.

Improviseren wanneer de werkelijke les- of oefensituatie afwijkt van de verwachting.

Omgaan met bestaand en nieuw beleid.

Beoordelingscriteria:

Hanteert op een consequente manier de procedures en afspraken van de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.

Staat open voor constructieve feedback op eigen functioneren.

Is aantoonbaar proactief.

Communiceert met de Instructeur B en/of de Specialist opleiden en oefenen over de voortgang van de deelnemer.

Beheerst het gebruik van de beschikbare media, hulpmiddelen en systemen.

1.5.3.2. Prestatie-indicatoren

De Instructeur A beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.5.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding Instructeur A Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Instructeur A Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio (vakbekwaamheidsregistratie).

  • De diagnostische toets blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek competentiegericht oefenen.

1.6. Functie Manschap A, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES

Deel A

1.6.1. Algemene informatie

Functienaam: Manschap A

Beschrijving van de functie:

De Manschap A1

  • 1) Werkt samen met de leden van een bluseenheid

  • 2) Heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de taakgebieden brandbestrijding, technische hulpverlening en ongeval bestrijding gevaarlijke stoffen; waarbij nadrukkelijk aandacht besteed wordt aan:

    • ondersteuning bij vliegtuigincidenten;

    • ondersteuning bij scheepvaartincidenten;

    • ondersteuning bij industriële incidenten en

    • en ondersteuning bij natuurgeweld

  • 3) Voert opdrachten uit van de bevelvoerder en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, wordt – onder verantwoordelijkheid van de bevelvoerder – op eigen initiatief gehandeld;

  • 4) Hanteert de bepakking van de tankautospuit ten behoeve van de taakgebieden eventueel aangevuld met benodigde middelen van andere voertuigen.

1.6.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen (OEBO). Aanstelling in de functie van Manschap A kan geschieden wanneer de opleiding tot Manschap A Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.6.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Voert uitrukwerkzaamheden uit

Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de voorbereiding op de verkenning en inzet.

Kerntaak 2: Voert verkenningswerkzaamheden uit

Verzamelt informatie over het incident ten behoeve van de inzet.

Kerntaak 3: Voert inzetwerkzaamheden uit

Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.

Kerntaak 4: Voert nazorgwerkzaamheden uit

Levert een bijdrage aan een juiste afwerking van het incident en neemt deel aan evaluatie- en nazorggesprekken.

Taakgebieden:

brandbestrijding;

technische hulpverlening,

ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen;

met specifieke aandacht voor:

  • ondersteuning bij vliegtuigincidenten;

  • ondersteuning bij scheepvaartincidenten;

  • ondersteuning bij industriële incidenten en

  • ondersteuning bij natuurgeweld.

1.6.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe, versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie: Manschap A

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleemoplossen

Innoveren en creativiteit

Plannen, organiseren en coördineren

Leren en reflecteren

Daadkracht

Mondeling commuceren

Inleven

Flexibel

Voert uitrukwerkzaamheden uit

1

1

1

1

1

   

1

1

   

Voert verkenningswerkzaamheden uit

1

1

   

1

1

   

Voert inzetwerkzaamheden uit

1

1

1

 

1

   

1

Voert nazorgwerkzaamheden uit

     

1

 

1

1

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis (1)

Overdracht (2)

Expert (3)

Incidentbestrijding

X

   

Deel C

1.6.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

De Manschap A voert met de overige leden van de bemanning onder leiding van de Bevelvoerder taken uit binnen de context van alle taakgebieden. De Manschap A maakt gebruik van de uitrusting die hem ter beschikking staat.

Kerntaak 1: Voert uitrukwerkzaamheden uit

Werkzaamheden algemeen:

Selecteert de persoonlijke beschermingsmiddelen (afhankelijk van de situatie), maakt deze gebruik gereed. En trekt ze aan en controleert deze.

Handelt volgens vaste procedures.

Herkent gevaarsituaties en is in staat adequaat hiernaar t handelen.

Communiceert zijn bevindingen met de Bevelvoerder en de rest van de ploeg.

Kerntaak 2: Voert verkenningswerkzaamheden uit

Werkzaamheden brandbestrijding:

Verkent uitbreidingskansen.

Verkent de brandhaard en/of de aangetroffen situatie.

Herkent het stadium van de brand.

Technische hulpverlening:

Verkent de situatie.

Verkent op eventuele slachtoffers.

Verkent op bedolven slachtoffers.

Verkent uitbreidingskansen.

Verkent op bijzondere gevaren.

Ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen:

Past de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen toe.

Kan omgaan met meetapparatuur.

Verzamelt gegevens om gevaarlijke stoffen te identificeren.

Verkent op eventuele slachtoffers.

Verkent op uitbreidingsmogelijkheden.

Verkent op milieueffecten.

Kerntaak 3: Voert inzetwerkzaamheden uit

Werkzaamheden algemeen:

Redt slachtoffers.

Verricht een grijpredding (zo nodig in chemiepak).

Voert de bevrijding van bedolven slachtoffers uit.

Past levensreddende handelingen toe.

Stelt het slachtoffer(s) veilig en gerust.

Bewaakt de veiligheid van slachtoffers, hulpverleners en omstanders.

Brandbestrijding:

Assisteert de Chauffeur/Pompbediener bij het verzorgen van de waterwinning bij open water/bassin/aanjaagverband, bij brandkranen en bij cisterne/reservoir.

Past een aflegsysteem toe.

Assisteert bij het pendelen ten aanzien van de waterwinning.

Maakt gebruik van hoge/middel/lage druk water, poeder en schuim.

Past verschillende blustechnieken toe.

Past ventilatietechnieken toe.

Maakt gebruik van reeds aanwezige brandblusvoorzieningen.

Technische hulpverlening:

Voert, gelet op de situatie, werkzaamheden uit.

Zorgt dat er veilig gewerkt kan worden.

Maakt het benodigde materiaal voor inzet gereed.

Werkt met persoonlijke beschermingsmiddelen afhankelijk van de situatie.

Zet de incidentlocatie af.

Stelt het object veilig.

Stabiliseert het object/incident.

Zet het hulpverleningsmateriaal in.

Verschaft zich toegang tot een luchtvaartuig via normale toegangswegen en/of openingen (indien noodzakelijk).

Bestrijdt de gevolgen van natuurgeweld.

Werkt op hoogte.

Werkt samen met de overige (hulpverlening)diensten.

Ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen:

Neemt beperkende maatregelen m.b.t. het gevaar/verspreiding van gevaarlijke stoffen.

Voert een ontsmetting uit.

Assisteert bij het ontsmetten: spoelt chemiepakken af, stopt besmette kleding in container of overmaats vat.

Bouwt en ruimt het (nood)ontsmettingsveld op.

Voert metingen uit.

Voert binnen de mogelijkheden opruim en salvage werkzaamheden uit.

Kerntaak 4: Voert nazorgwerkzaamheden uit

Werkzaamheden algemeen:

Maakt, samen met de chauffeur/pompbediener en/of de technische dienst van het brandweerkorps, het ingezette voertuig inzetgereed.

Vervangt en vult de bepakkingmiddelen aan.

Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.

Neemt, na een traumatische ervaring, met de ploegleden deel aan een nazorggesprek.

Keuzes en dilemma’s

Brandbestrijding:

Weegt de veiligheid af ten opzichte van de opdracht van de leidinggevende en maakt zelfstandig een inschatting van de situatie en de gevolgen daarvan voor hemzelf, zijn collega- hulpverleners, het materiaal en de omgeving.

Kiest de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.

Technische hulpverlening:

Weegt de veiligheid af ten opzichte van de opdracht van de leidinggevende en maakt zelfstandig een inschatting van de situatie (daarmee rekening houdend met eventuele veiligheidsvoorzieningen in objecten/voertuigen) en de gevolgen daarvan voor hemzelf, zijn collega-hulpverleners, het materiaal en de omgeving.

Weegt het risico van zijn inzet af ten opzichte van het verwachte resultaat (bijvoorbeeld op het gebied van milieuschade).

Kiest de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.

Maakt een keuze van het gereedschap in relatie tot het verwachte resultaat.

Houdt rekening met de gevolgen van zijn handelen voor bedrijfs- processen.

Ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen:

Communiceert de relevante gegevens op basis van de verkenning en uitgevoerde meting met de Bevelvoerder.

Maakt een duidelijke keuze op het gebied van eigen veiligheid in relatie tot de redding van een slachtoffer.

Weegt het risico van zijn inzet af ten opzichte van het verwachte resultaat.

Selecteert de toepasselijke persoonlijke beschermingsmiddelen.

Beoordelingscriteria alle taakgebieden:

Communicatie:

Kan opdrachten van de Bevelvoerder interpreteren en relevante informatie helder aan de Bevelvoerder/collega’s mededelen/terugkoppelen.

Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.

Gevaar-/risicoherkenning:

Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:

  • a. voor zichzelf,

  • b. collega’s en andere hulpverleners,

  • c. voor slachtoffers en

  • d. omgeving.

Kan zelfstandig de beslissing nemen om een veilige grijp- redding uit te voeren.

Kan een (nood)ontsmettingveld inrichten en opruimen.

Maakt een inschatting van de grootte van de lekkage.

Persoonlijke bescherming(smiddelen):

Kan alle persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.

Materialen:

Kan de voor zijn taak toepasselijke materialen selecteren en toe- passen en weet wat de gevolgen van de werkzaamheden kunnen zijn.

Veiligheid:

Is in staat zodanig op te treden dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.

Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij diens collega.

Samenwerking met andere hulpverleners:

Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners/ betrokkenen.

Is in staat gegeven opdrachten snel en flexibel uit te voeren.

Is in staat samen te werken met zijn ploegmaat en met de overige bij het incident betrokken hulpverleners en omstanders.

Professionele beroepshouding:

Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegen- slag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

Creativiteit:

Is oplossing gericht bezig bij onvoorziene omstandigheden.

1.6.3.2. Prestatie-indicatoren

De Manschap A beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.6.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nog nader te bepalen

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding manschap A Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Manschap A Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.

  • Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek Competentiegericht oefenen.

1.7. Manschap a vliegtuigbrandbestrijding, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.

Deel A

1.7.1. Algemene informatie

Functienaam: Manschap a vliegtuigbrandbestrijding.

Beschrijving van de functie:

De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding:

  • 1) Werkt samen met de leden van een bluseenheid op een vliegveld in het Caribische gebiedsdeel van Nederland;

  • 2) Heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijk- heden met betrekking tot het taakgebied vliegtuig- brandbestrijding, waaronder tevens wordt begrepen de operationele uitvoering en ondersteuning in relatie tot brandbestrijding, hulpverlening en eventueel ongeval bestrijding gevaarlijke stoffen;

  • 3) Voert opdrachten uit van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, wordt – onder verantwoordelijkheid van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding – op eigen initiatief gehandeld;

  • 4) Hanteert de bepakking van de crashtender ten behoeve van het taakgebied eventueel aangevuld met benodigde middelen van andere voertuigen.

1.7.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Manschap vliegtuigbrandbestrijding kan geschieden wanneer de opleiding tot Manschap A Caribisch Nederland is afgerond met een diploma en de te relateren specialisatie vliegtuigbrandbestrijding met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.7.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Voert uitrukwerkzaamheden uit

Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de voorbereiding op de verkenning en inzet.

Kerntaak 2: Voert verkenningswerkzaamheden uit

Verzamelt informatie over het incident ten behoeve van de inzet.

Kerntaak 3: Voert inzetwerkzaamheden uit

Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.

Kerntaak 4: Voert nazorgwerkzaamheden uit

Levert een bijdrage aan een juiste afwerking van het incident en neemt deel aan evaluatie- en nazorggesprekken.

De kerntaken worden uitgevoerd binnen het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding.

1.7.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie: Manschap a vliegtuigbrandbestrijding

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleem oplossen

Innoveren en creativiteit

Plannen, organiseren en coördineren

Leren en reflecteren

Daadkracht

Mondeling communiceren

Inleven

Flexibel

Voert uitrukwerkzaamheden uit

1

1

1

1

1

   

1

1

   

Voert verkenningswerkzaamheden uit

1

1

   

1

1

   

Voert inzetwerkzaamheden uit

1

1

1

 

1

   

1

Voert nazorgwerkzaamheden uit

     

1

 

1

1

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis (1)

Overdracht (2)

Expert (3)

Incidentbestrijding

X

   

Deel C

1.7.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding voert met de overige leden van de bemanning onder leiding van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding taken uit binnen de context van het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding. De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding maakt gebruik van de uitrusting die hem ter beschikking staat.

Kerntaak 1: Voert uitrukwerkzaamheden uit

Werkzaamheden:

Selecteert de persoonlijke beschermingsmiddelen (afhankelijk van de situatie), maakt deze gebruik gereed, trekt ze aan en controleert deze.

Handelt volgens vaste procedures.

Leest (indien beschikbaar) crashkaarten en kan deze interpreteren.

Herkent gevaarsituaties en is in staat adequaat hiernaar te handelen.

Communiceert zijn bevindingen met de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding en de rest van de ploeg.

Kerntaak 2: Voert verkenningswerkzaamheden uit

Werkzaamheden:

Positioneert het voertuig conform procedure.

Voert, volgens vaste procedures en in opdracht van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding een verkenning uit.

Verkent op eventuele slachtoffers.

Herkent het stadium van de brand.

Verkent de uitbreidingskansen van de brand.

Verkent uitbreidingskansen.

Verkent op bijzondere gevaren.

Past de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen toe.

Kerntaak 3: Voert inzetwerkzaamheden uit

Werkzaamheden Brandbestrijding buiten:

Bereikt 90% Knock down binnen 1 minuut na aankomst en houdt deze situatie in stand.

Bedient de monitor.

Onderhoudt de schuimdeken.

Verricht een inzet gericht op het creëren van een overleefbare situatie.

Zet een handline in voor blussing en ondersteuning bij evacuatie en/of redding.

Selecteert de juiste blus stof en hanteert deze en checkt regelmatig het verbruik.

Past verschillende blustechnieken toe.

Brandbestrijding binnen:

Ventilatie en blussing:

  • past ventilatietechnieken toe.

  • zet een handline in voor blussing.

  • past verschillende blustechnieken toe.

Bevrijding slachtoffers:

  • bevrijdt slachtoffers.

  • stelt slachtoffer(s) veilig.

Zorgt dat er veilig gewerkt kan worden:

  • assisteert bij het veilig stellen van het luchtvaartuig.

  • bewaakt continue de veiligheid van slachtoffers en hulpverleners.

Zet het hulpverleningsmateriaal in.

Verschaft zich toegang tot het luchtvaartuig anders dan via de ingebouwde toegangswegen (indien noodzakelijk).

Kerntaak 4: Voert nazorgwerkzaamheden uit

Werkzaamheden:

Maakt, samen met de Chauffeur/Voertuigbediener en/of de technische dienst van brandweerkorps, het ingezette voertuig inzet gereed.

Vervangt en vult de bepakkingmiddelen aan.

Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.

Neemt, na een traumatische ervaring, met de ploegleden deel aan een nazorggesprek.

Keuzes en dilemma’s:

Dient over een groot omschakelingsvermogen te beschikken omdat bij vliegtuigbrandbestrijding wordt gewerkt onder grote tijdsdruk en men binnen enkele minuten inzet gereed moet zijn.

Weegt de veiligheid af ten opzichte van de opdracht van de leidinggevende en maakt zelfstandig een inschatting van de situatie (daarmee rekening houdend met eventuele veiligheidsvoorzieningen van het vliegtuig) en de gevolgen daarvan voor hemzelf, zijn collega- hulpverleners, het materiaal en de omgeving.

Weegt het risico van zijn inzet af ten opzichte van het verwachte resultaat.

Maakt een duidelijke keuze op het gebied van eigen veiligheid in relatie tot de redding van een slachtoffer.

Communiceert de relevante gegevens op basis van de verkenning met de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding.

Kiest de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.

Maakt een keuze van het gereedschap in relatie tot het verwachte resultaat.

Houdt rekening met de gevolgen van zijn handelen voor bedrijfs- processen van het vliegveld.

Beoordelingscriteria:

Communicatie:

Kan opdrachten van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding interpreteren en relevante informatie helder aan de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding/collega’s mededelen/terugkoppelen.

Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.

Gevaar-/risicoherkenning:

Kan de bij het taakgebied behorende toepasselijke gevaren herkennen voor: zichzelf,

collega’s en andere hulpverleners, slachtoffers en omgeving.

Persoonlijke bescherming(smiddelen):

Kan alle persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.

Materialen:

Kan de voor zijn taak toepasselijke materialen selecteren en toepassen

En weet wat de gevolgen van de werkzaamheden kunnen zijn.

Veiligheid:

Is in staat zodanig op te treden dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.

Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij diens collega.

Samenwerking met andere hulpverleners:

Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners en/of betrokkenen.

Is in staat gegeven opdrachten snel en flexibel uit te voeren.

Is in staat samen te werken met zijn ploeg en met de overige bij het incident betrokken hulpverleners en omstanders.

Professionele beroepshouding:

Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

Creativiteit:

Is oplossingsgericht bezig bij onvoorziene omstandigheden.

1.7.3.2. Prestatie-indicatoren

De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren.

Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.7.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Geen

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Manschap a vliegtuigbrandbestrijding wordt ui- gereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedos sier met voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio voor de vakbekwaamheid registratie.

  • Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek Competentiegericht oefenen.

1.8. Functie Manschap B, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.

Deel A

1.8.1. Algemene informatie

Functienaam: Manschap B

Beschrijving van de functie:

De functie van Manschap B brengt verschillende verantwoordelijkheden met zich mee. De Manschap B geeft onder bevel van een Bevelvoerder leiding aan de bemanning (waar hij deel van uitmaakt) van specifieke voertuigen en de Manschap B treedt bij kleinschalige/niet spoedeisende incidenten zelfstandig op als leidinggevende van specifieke voertuigen.

1.8.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Manschap B kan geschieden wanneer de opleiding tot Manschap B Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.8.2.1. Kerntaken

Kerntaak 1: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de uitruk- en verkenningswerkzaamheden

Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden op het gebied van de uitruk en verkenning

Kerntaak 2: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de inzetwerkzaamheden

Geeft onder supervisie van de Bevelvoerder leiding aan de uitvoering van werkzaamheden van specifieke voertuigen en geeft zelfstandig leiding aan de uitvoering van werkzaamheden bij kleinschalige/niet spoedeisende incidenten.

Kerntaak 3: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de nazorgwerkzaamheden

Coördineert de personele en materiële nazorg (inclusief de evaluatie van het proces en het functioneren) en zorgt voor de administratieve afhandeling van het incident.

1.8.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe, versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie: Manschap B

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleem oplossen

Innoveren en creativiteit

Plannen, organiseren en coördineren

Leren en reflecteren

Daadkracht

Mondeling communiceren

Inleven

Flexibel

Geeft leiding aan, coördineert en controleert de uitruk- en verkenningswerkzaamheden

1

1

1

1

1

1

 

1

1

   

Geeft leiding aan, coördineert en controleert de inzetwerkzaamheden

2

2

2

 

1

   

1

Geeft leiding aan, coördineert en controleert de nazorgwerkzaamheden

     

1

 

1

1

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis (1)

Overdracht (2)

Expert (3)

Incidentbestrijding

 

x

 

Deel C

1.8.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Kerntaak 1: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de uitruk- en verkenningswerkzaamheden

Werkzaamheden:

Stuurt onder supervisie van een Bevelvoerder een klein team (waarvan hij zelf deel uitmaakt) aan bij het uitvoeren van specifieke werkzaamheden met een spoedeisend karakter.

Treedt zelfstandig op bij niet spoedeisende incidenten.

Treedt zelfstandig op bij dienstverlening.

Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.

Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van zijn team.

Analyseert deze gegevens.

Rijdt bovenwinds aan indien de situatie dit vereist (initieert dit ook voor andere diensten) en geeft dit door aan de alarmcentrale.

Raadpleegt de beschikbare naslagwerken en vooraf beschreven scenario’s en handelingstaken.

Zorgt voor de informatieoverdracht aan het team en maakt een juiste taakverdeling.

Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming. Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.

Ziet toe op een juiste voertuigopstelling met name bij een vliegtuigincident.

Raadpleegt de Bevelvoerder indien de situatie dit vereist.

Stelt prioriteiten.

Geeft een situatierapport (sitrap) indien daarom verzocht wordt

Kerntaak 2: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de inzetwerkzaamheden

Werkzaamheden:

Geeft leiding aan zijn team.

Ziet toe op gebruik juiste blusmiddelen en -techniek(en) en tactieken.

Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.

Geeft de Bevelvoerder op zijn verzoek een situatierapport.

Ontvangt leiding van de Bevelvoerder.

Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale.

Is verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn team.

Kerntaak 3: Geeft leiding aan, coördineert en controleert de nazorgwerkzaamheden

Coördineert de personele nazorg.

Coördineert de materiële nazorg (inzetgereed maken).

Handelt de administratie rondom het incident af (rapportage en registratie).

Evalueert het proces.

Keuzes en dilemma’s:

Moet het beoogde resultaat ten opzichte van de risico’s afwegen.

Moet de grenzen van zijn kennis en kunde kennen en weten wanneer hij een hoger niveau moet inschakelen.

Onderkent de noodzaak tot opschaling.

Moet vertrouwen en zekerheid uitstralen naar de manschappen, terwijl de Manschap B innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.

Anticipeert mede op het (ongewenst/behulpzaam) gedrag van omstanders.

Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van hemzelf en van zijn team in relatie tot de bij het incident betrokkenen.

Moet een afweging maken van het resultaat ten opzichte van de risico’s (personeel / economisch belang).

Moet inventief kunnen omgaan met de middelen.

Moet omgaan met druk vanuit de omgeving.

Houdt rekening met de psychische gesteldheid en belastbaarheid van het personeel. Hij houdt daarbij met name rekening met het mogelijk voorkomen van warmtestuwing.

Is zich bewust van de grens tussen hulpverlening en dienstverlening.

Beoordelingscriteria

Communicatie:

Kan opdrachten van de Bevelvoerder interpreteren en relevante informatie helder aan de Bevelvoerder mededelen/terugkoppelen.

Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.

Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.

Gevaar-/risicoherkenning:

Stelt de juiste prioriteiten.

Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:

  • a. voor zichzelf,

  • b. zijn manschappen en andere hulpverleners,

  • c. voor slachtoffers en

  • d. omgeving.

Persoonlijke bescherming(smiddelen):

Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.

Materialen:

Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen.

Veiligheid:

Is in staat zodanig in te zetten dat hij door zijn kennis en manier van h handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.

Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij zijn team en bewaakt de fysieke en mentale inzetbelasting.

Samenwerking met andere hulpverleners:

Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners / betrokkenen.

Professionele beroepshouding:

Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

Creativiteit:

Maakt een juiste taakindeling met het beschikbare personeel.

Milieu:

Past de juiste schade beperkende maatregelen toe.

Heeft aandacht voor milieu en omgeving.

1.8.3.2. Prestatie-indicatoren

De Manschap B beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.8.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is ten minste een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast: Nader te bepalen

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding tot Manschap B Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken, alsmede het diploma Manschap A Caribisch Nederland en inhoudelijke deskundigheid in het vakgebied waarin de Manschap B optreedt.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Manschap B Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.

  • Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek Competentiegericht oefenen.

1.9. Functie Medewerker brandpreventie, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.

Deel A

1.9.1. Algemene informatie

Functienaam: Medewerker brandpreventie

Beschrijving van de functie:

De Medewerker brandpreventie:

  • 1) Maakt, samen met de Specialist brandpreventie en de Controleur brandpreventie, onderdeel uit van het cluster brandpreventie. Hierin fungeert de Specialist brandpreventie als klankbord.

  • 2) Beoordeelt en adviseert op het gebied van brand- preventieve voorzieningen.

  • 3) Houdt zich bezig met werkzaamheden op het gebied van toezicht en handhaving.

  • 4) Geeft voorlichting en adviseert op het gebied van brandpreventie.

  • 5) signaleert preparatieve en repressieve aandachtspunten.

1.9.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Medewerker brandpreventie kan geschieden wanneer de opleiding tot Medewerker brandpreventie Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.8.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Adviseren bij standaard en niet complexe plantoetsing

De Medewerker brandpreventie adviseert aan verschillende doelgroepen bij bouwaanvragen, milieuvergunningen en evenementen.

Kerntaak 2: Uitvoeren van inspecties brandpreventie

De Medewerker brandpreventie voert (integrale brandveiligheids-) inspecties uit en rapporteert aan zijn leidinggevende hierover.

Kerntaak 3: Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

De Medewerker brandpreventie onderhoudt contacten met alle partners die van belang zijn voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden.

Kerntaak 4: Geven van voorlichting over brandpreventie

De Medewerker brandpreventie geeft voorlichting over brandveiligheid en brandpreventie aan diverse doelgroepen, zorgt voor informatieoverdracht aan de repressieve dienst en werkt mee aan voorlichtingscampagnes.

1.8.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

  • Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

  • Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

  • Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

  • Accuraat;

  • Stressbestendig;

  • Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie: Medewerker brandpreventie

Kerntaken

 

Organisatie

Omgeving

       

Analyseren

Oordelen

Accuraat

Flexibel

Mondeling communiceren

Onafhankelijk

Samenwerken

Adviseren bij standaard en niet complexe plantoetsing

     

1

1

1

   

1

1

Uitvoeren van inspecties brandpreventie

2

2

1

1

2

1

 

Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

           

2

Geven van voorlichting over brandpreventie

       

2

   

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de Medewerker brandpreventie vastgesteld.

Deel C

1.9.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Kerntaak 1: Adviseren bij standaard en niet-complexe plantoetsing

Werkzaamheden vergunningen met brandweer gerelateerde aspecten

Neemt deel aan vooroverleg met internen (collega’s) en externen.

Toetst het onderdeel brandveiligheid van de aanvraag op volledigheid en juistheid. Toetst standaardvergunningen (waarbij geen gelijkwaardigheid is toegepast) en stelt indien nodig aanvullende eisen en/of voorwaarden op met betrekking tot onder andere:

  • bouwkundige voorzieningen;

  • installatietechnische voorzieningen (goedkeuring PvE e.d. (ook voor bouwplantoetsing)).

Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

Vergunningen op basis van geldende voorwaarden in het kader van het brandveilig gebruik:

Neemt deel aan vooroverleg met internen (collega’s) en externen.

Beoordeelt het onderdeel brandveiligheid van de aanvraag op volledigheid en juistheid.

Beoordeelt de aanvraag inhoudelijk en stelt indien nodig aanvullende eisen en voorwaarden op.

Toetst het object aan de hand van tekeningen, eventueel ter plaatse.

Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

Beoordeelt de organisatorische voorzieningen (bijv. ontruimingsplan).

Keuzes en dilemma’s:

Moet de grenzen van zijn kennis en kunde kennen en weten wanneer hij een hoger niveau moet inschakelen.

Moet zich bewust zijn van de impact van zijn eisen voor de aanvrager.

Moet kunnen inschatten wanneer het (voor)overleg wordt gebruikt om het vergunningsproces goed te laten verlopen en wanneer er oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van zijn expertise.

Handelt in de geest van de eed/integriteitsverklaring in geval van omkoping, intimidatie, agressie of bekendheid met de persoon/de situatie (belangenverstrengeling).

Beoordelingscriteria:

Past de regelgeving correct toe.

Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed schriftelijk advies op te stellen.

Heeft overtuigingskracht d.w.z. dat hij zijn advies krachtig naar voren kan brengen zodat anderen ervoor gewonnen worden.

Weegt de belangen van betrokkenen.

Bereikt de doelen van het (voor)overleg: voor de andere partij is duidelijk wat er van hem verwacht wordt en wat hij terug kan verwachten.

Kan tekeningen lezen.

Heeft basiskennis op het gebied van installatietechniek.

Kerntaak 2: Uitvoeren van inspecties brandpreventie

Werkzaamheden:

Kan het dossier op volledigheid beoordelen.

Voert op locatie een inspectie uit: tijdens de bouw, periodiek tijdens het gebruik en n.a.v. klachten.

Geeft bij een inspectie, in samenwerking met andere inspectie- instellingen, op onderdelen een (schriftelijk) oordeel aan de vergunningverlener.

Neemt passende maatregelen bij direct levensbedreigende situaties.

Stelt inspectie-/controlerapport op voor de eigen organisatie (dossiervorming).

Stelt instructies op voor de controleur brandpreventie en beoordeelt de kwaliteit van de rapportages.

Voert (zo nodig) her-inspectie uit.

Signaleert repressieve aandachtspunten en communiceert deze met de betreffende afdeling van het brandweerkorps.

Keuzes en dilemma’s:

Moet de grenzen van zijn kennis en kunde kennen en weten wanneer hij een hoger niveau moet inschakelen.

Handelt in de geest van de eed/integriteitsverklaring in geval van omkoping, intimidatie, agressie of bekendheid met de persoon/de situatie (belangenverstrengeling).

Moet afwegen waar de ruimte zit tussen de regelgeving en de impact van zijn inspectie voor de gebruiker.

Moet afwegen wanneer sprake is van een direct levensbedreigende situatie en wanneer niet.

Moet een juiste prioritering kunnen aanbrengen in de begeleiding van controles en inspecties.

Beoordelingscriteria:

Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed inspectierapport op te stellen.

Is in staat om te bepalen of repressief (veilig) optreden mogelijk is.

Houdt rekening met het gedrag van constructies en materialen bij brand.

Voert de inspectie correct uit: de inspectielijst is volledig en afgewerkt.

Gaat respectvol om met gebruikers van het te inspecteren object.

Heeft overtuigingskracht in woord en geschrift.

Is communicatief vaardig zowel mondeling als schriftelijk.

Heeft een professionele beroepshouding.

Kerntaak 3: Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten.

Werkzaamheden:

Draagt relevante informatie over binnen het brandweerkorps en overheidsdiensten.

Beoordeelt preventieve informatie op aanvalsplannen en bereikbaarheidskaarten.

Onderhoudt contacten met private relaties en publieke (vergunnings-) partners.

Neemt deel aan overlegvormen binnen de eigen organisatie.

Neemt deel aan project- en werkgroepen.

Keuzes en dilemma’s:

Moet balans vinden tussen zijn rol als vertegenwoordiger van een organisatie en zijn persoonlijke mening over bepaalde zaken (die af kan wijken van wat in de organisatie gangbaar is).

Moet met verschillende doelgroepen kunnen omgaan.

Beoordelingscriteria:

Gebruikt zijn netwerk op het moment dat hij het nodig heeft.

Weet waar en bij wie hij welke kennis kan halen.

Heeft basiskennis van die preparatieve en repressieve activiteiten van de brandweer, die van belang zijn voor zijn vakgebied.

Kerntaak 4: Geven van voorlichting over brandpreventie

Werkzaamheden:

Geeft voorlichting m.b.t. brandveiligheidsaspecten aan:

  • klanten over vergunningen en ontruimingsplannen;

  • betrokkenen na een incident;

  • verschillende doelgroepen;

  • (in)directe collega's binnen het brandweerkorps.

Heeft informatieoverdracht over brandpreventieve zaken t.b.v. de repressieve dienst.

Werkt mee aan voorlichtingscampagnes.

Keuzes en dilemma’s:

Moet af kunnen wegen op welke verzoeken om voorlichting hij wel ingaat en op welke verzoeken niet.

Beoordelingscriteria:

Is in staat informatie te geven die doel- en doelgroepgericht is.

Kan goede presentaties verzorgen afgestemd op de doelgroep.

1.9.3.2. Prestatie-indicatoren

De Medewerker brandpreventie beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.9.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een SBO/MBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding Medewerker brandpreventie Caribisch Nederland dient men minimaal over een SBO/MBO werk- en denkniveau te beschikken.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Medewerker brandpreventie Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

Gezien de aard van deze functie wordt verwezen naar reguliere mogelijkheden voor blijvende vakbekwaamheid.

1.10. Functie (Vak)Officier van Dienst, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES

Deel A

1.10.1. Algemene informatie

Functienaam: (Vak)Officier van Dienst

Beschrijving van de functie:

De (Vak)Officier van Dienst geeft leiding aan meerdere eenheden bij repressief optreden en op beheersmatig niveau geeft hij sturing aan een team van enige medewerkers. De (Vak)Officier van Dienst vervult vier rollen. Deze rollen komen in elke (Vak)Officier van Dienst voor. Elke rol brengt wel verschillende verantwoorde- lijkheden met zich mee en vereist andere competenties.

De vier rollen van de (Vak)Officier van Dienst luiden als volgt:

  • 1) Bij basis monodisciplinair repressief optreden is de (Vak)Officier van Dienst eindverantwoordelijk voor de bestrijding van het incident.

  • 2) Bij basis multidisciplinair repressief optreden coördineert de (Vak)Officier van Dienst het multidisciplinaire overleg in het motorkapoverleg (GRIP 0) indien noodzakelijk start de (Vak)Officier van Dienst het CoPI op en geeft hier leiding aan. Hij heeft de operationele leiding en is als coördinator eindverantwoordelijk voor de multidisciplinaire inzet in de GRIP 0 situatie.

  • 3) Bij grootschalig multidisciplinair repressief op- treden vervult de (Vak)Officier van Dienst de rol van leider CoPI. Hij adviseert, informeert en ondersteunt het hogere echelon.

  • 4) Op beheersmatig niveau stuurt de (Vak)Officier van Dienst een team aan van enige medewerkers. Het accent in die aansturing ligt op de uitvoering van hun werk. Hij is veelal werkzaam als bureauhoofd, team- leider, coördinator. Het overheersende beeld is dat hij zich richt op een enkelvoudig vakgebied. Met inachtneming van de lokale omstandigheden kan de invulling van deze rol per vestiging van het brandweerkorps verschillen. In de kleine vestigingen heeft deze leidinggevende meerdere afdelingen of vakgebieden onder zijn hoede heeft.

1.10.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van (Vak)Officier van Dienst kan geschieden wanneer de opleiding tot VakOfficier van Dienst Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.10.2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1: Leidinggeven aan brandweereenheden bij de bestrijding van het incident.

De (Vak)Officier van Dienst stuurt brandweerprocessen aan bij basis en grootschalig monodisciplinair repressief optreden. Hij is eindverantwoordelijk voor de bestrijding van het incident bij basis monodisciplinair repressief optreden.

Kerntaak 2: Coördineren van multidisciplinaire samenwerking.

De (Vak)Officier van Dienst coördineert de multidisciplinaire samenwerking in het motorkapoverleg en start indien nodig het CoPI op. Hij is verantwoordelijk voor het gecoördineerd optreden van alle disciplines ter plaatse van het incident bij routinematige incidenten, vanaf GRIP 1 neemt de (Vak)Officier van Dienst de leiding van het CoPI op zich.

Kerntaak 3: Informeren, ondersteunen en adviseren als leider CoPI.

De (Vak)Officier van Dienst informeert en adviseert (gevraagd en ongevraagd) het bevoegd gezag, betrokken diensten, pers en publiek over de bestrijding van het incident en als leider CoPI adviseert, informeert en ondersteunt hij het EBT.

Kerntaak 4: Beheersmatig aansturen in de dagsituatie

De (Vak)Officier van Dienst stuurt de werkuitvoering van de medewerkers van zijn afdeling aan.

1.10.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

Accuraat;

Stressbestendig;

Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Functie (Vak)Officier van Dienst

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren en reflecteren

Ondernemen

stressbestendig

Samenwerken

Coachen

Daadkracht

Resultaatgericht

Probleem oplossen

Plannen, organiseren en coördineren

Accuraat

Analyseren

Kostenbewust

Leiderschap

Maatschappelijk georiënteerd

Communiceren

Leidinggeven aan brandweereen-heden bij de bestrijding van het incident

3

3

3

3

 

3

 

2

       

2

   

Coördineren van multidisciplinaire samen-werking

   

2

 

2

2

2

2

   

2

Informeren, ondersteunen en adviseren als leider CoPI

2

2

2

 

2

   

2

     

Beheersmatig aansturen van een team in de dagsituatie

   

2

 

2

2

2

2

   

2

Vakgebieden

Professieniveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

   

*

Incidentbestrijding

   

*

Deel C

1.10.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Kerntaak 1: Leidinggeven aan brandweereenheden bij de bestrijding van het incident

Werkzaamheden:

De (Vak)Officier van Dienst stuurt brandweerprocessen aan bij basis en grootschalig monodisciplinair repressief optreden. Hij is eindverantwoordelijk voor de bestrijding van het incident bij basis monodisciplinair repressief optreden. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.

  • Schaalt indien nodig op, zowel monodisciplinair (incl. specialismen) als multidisciplinair.

  • Neemt de leiding ter plaatse over van Bevelvoerder en is eindverantwoordelijk.

  • Maakt inzetplan, vertaalt dit naar inzetdoelen en/of -vakken van brandweereenheden en voert het bevel.

  • Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig bij.

  • Draagt zorg voor de registratie van belangrijke gegevens (bijv. blootstelling gevaarlijke stoffen).

  • Draagt zorg voor logistiek.

  • Schaalt af.

Keuzes en dilemma’s:

Krijgt te maken met situaties waarin hij moet kiezen tussen de veiligheid van eigen personeel versus het redden van slachtoffers. Hierbij spelen factoren mee als inzetsnelheid en beschermingsniveau tijdens de verkenning, redding of inzet (bijv. inzet chemiepak: dit kost tijd en hoeft niet altijd nodig te zijn).

De afweging tussen veiligheid en economische belangen kan een rol spelen.

Moet in een dynamische omgeving onder hoge tijdsdruk beslissingen nemen met verstrekkende gevolgen, op basis van onvolledige informatie (NB: indien informatie is aangeleverd door anderen moet de (Vak)Officier van Dienst de betrouwbaarheid en volledigheid daarvan goed kunnen inschatten). De (Vak)Officier van Dienst moet het risico van verkeerde keuzes voor zichzelf kunnen accepteren en gemaakte keuzes aan anderen kunnen verantwoorden.

Het is belangrijk dat de (Vak)Officier van Dienst vertrouwen en zekerheid uitstraalt naar Bevelvoerders en manschappen, terwijl hij innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.

Moet de Bevelvoerder in zijn waarde laten tegenover manschappen maar ook durven ingrijpen en hem/haar aanspreken wanneer nodig. Bij het overnemen van het bevel van de Bevelvoerder kan zich de situatie voordoen dat de (Vak)Officier van Dienst het niet eens is met de gekozen aanpak omdat die niet effectief is, of niet veilig. De (Vak)Officier van Dienst moet dan de kracht hebben om in te grijpen richting de Bevelvoerder.

Opschalen of niet? Hierbij gaat het om het maken van de juiste inschatting omtrent de noodzaak van opschalen. Hierbij spelen naast de omvang en (snelheid van) ontwikkeling van het incident ook persoonlijke motieven en emoties een rol (bereidheid om verantwoordelijkheid te delen, vinden dat je zelf het incident moet kunnen bestrijden etc.).

Anticipeert op het ongewenst/behulpzaam gedrag van omstanders.

Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van zijn personeel in relatie tot de bij het incident betrokken personen.

Moet beslissen over wat wel en niet gecommuniceerd wordt, door wie laat je dat doen en hoe houd je er grip op als je zelf niet de boodschapper bent.

Moet kunnen omgaan met de beperkingen van de mogelijkheden die het eiland kan bieden en de beperkingen in bijstand.

Beoordelingscriteria

Communicatie:

Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.

Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.

Gevaar-/risicoherkenning:

Is in staat om de situatie tactisch te analyseren.

an de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:

  • a. voor zichzelf,

  • b. zijn Bevelvoerders en manschappen en andere hulpverleners,

  • c. voor slachtoffers en de omgeving.

Persoonlijke bescherming(smiddelen):

Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.

Middelen:

Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen en mogelijkheden.

Veiligheid:

Is in staat zodanig het incident te managen dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn bevelvoerenden en manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.

Samenwerking met andere hulpverleners:

Kent de taakinhoud van de andere hulpverleners / betrokkenen.

Professionele beroepshouding:

Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

Geeft duidelijke en uitvoerbare bevelen aan Bevelvoerders waarbij hij rust en gezag uitstraalt.

Zorgt voor een adequate beeldvorming en analyse van het geheel:

  • Beschikt over een basisplaatje, incl. oplossingen op basis van de op dat moment bekende informatie.

  • Heeft een correct totaalbeeld van de situatie na toetsende verkenning.

  • Stelt het beeld zo nodig bij waardoor dit altijd actueel is.

Kan tijdig een juist inzetplan overhandigen, maar anticipeert op mogelijke veranderingen middels een plan plus. Handelt situationeel en durft van prioriteit te wisselen; kan deze keuzes goed onderbouwen (adequate oordeels- en besluitvorming).

Creativiteit:

Kan creatief en oplossingsgericht onvoorziene omstandigheden het hoofd bieden en kan beslissen onder tijdsdruk.

Milieu:

Ziet er op toe dat het milieu geen geweld wordt aangedaan.

Kerntaak 2: Coördineren van multidisciplinaire samenwerking

Werkzaamheden:

De (Vak)Officier van Dienst coördineert de multidisciplinaire samenwerking in het motorkapoverleg. Hij is verantwoordelijk voor het gecoördineerd optreden van alle disciplines ter plaatse van het incident in GRIP 0 situatie. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Roept de hoogste leidinggevende ter plaatse van elke discipline bijeen en vormt een motorkapoverleg en maakt verdere afspraken over de communicatie (o.a. verbindingen, vergadertijdstippen).

  • Vormt met de deelnemers aan het motorkapoverleg een gemeen- schappelijk beeld van het incident.

  • Maakt met de deelnemers aan het motorkapoverleg een plan en verdeelt de werkzaamheden op basis van de processen in de rampenbestrijding.

  • Maakt afspraken met andere niet operationele diensten.

  • Stemt af over activiteiten voortkomend uit de processen en bewaakt de voortgang.

  • Anticipeert op de ontwikkeling van het incident en coördineert de opschaling (GRIP) en start het CoPI op en heft het motorkapoverleg op.

Keuzes en dilemma’s:

Moet balanceren tussen taak (bestrijden incident) en relatie met andere diensten: met het oog op de gezamenlijke veiligheid moet de (Vak)Officier van Dienst kunnen vertrouwen op de medewerking van deelnemers aan het motorkapoverleg bij het uitvoeren van maatregelen, terwijl hij geen formele zeggenschap over hen heeft.

Moet rekening houden met de verschillende (soms strijdige) belangen van alle deelnemers aan het motorkapoverleg.

Moet omgaan met schaarste en beperkingen: de (Vak)Officier van Dienst kan behoefte hebben aan een bepaalde vorm van ondersteuning die dat moment niet geboden kan worden.

Heeft vertrouwen op eigen kennis (die soms ontoereikend is) versus vertrouwen op de kennis van deskundigen.

Moet beslissen over wat wel en niet gecommuniceerd wordt, door wie laat je dat doen en hoe houd je er grip op als je zelf niet de boodschapper bent.

Moet omgaan met tijdige beschikbaarheid versus volledigheid van informatie: het gaat hierbij om het dilemma dat je anderen bij voorkeur informeert wanneer de situatie duidelijk en stabiel is, terwijl je toch gedwongen kunt zijn om op basis van onvolledige informatie iets te communiceren (bijvoorbeeld omdat publiek ingelicht moet worden over maatregelen).

Beoordelingscriteria:

De beoordelingscriteria van kerntaak 1 gelden ook bij kerntaak 2 aanvullend zijn:

  • Samenwerking met andere hulpverleners

Zorgt voor een gezamenlijk plan van aanpak waarin ieders deskundigheid en belang is meegenomen op basis van prioriteiten.

Zorgt voor een goed werkend coördinatieoverleg: efficiënt (start en stopt op tijd, iedereen is ter plaatse) en effectief (leidt tot besluiten, prioriteiten, afspraken).

  • Professionele beroepshouding

Zorgt voor het uitvoeren van het genomen besluit conform de afspraak.

Kerntaak 3: Informeren, ondersteunen en adviseren als leider CoPI

Werkzaamheden

De (Vak)Officier van Dienst informeert en adviseert (gevraagd en ongevraagd) het bevoegd gezag, betrokken diensten, pers en publiek over de bestrijding van het incident. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

Informeert en adviseert gevraagd en ongevraagd het bevoegd gezag.

Informeert overige betrokken diensten (milieudienst etc.).

Draagt zorg voor het informeren van pers en publiek.

Levert een sitrap aan alarmcentrale en hogere echelon.

Draagt zorg voor het waarschuwen van de bevolking in de directe nabijheid van het incident.

Maakt als leider deel uit van het CoPI.

Draagt zorg voor de nazorg van personeel en materieel.

Evalueert het optreden en maakt rapport incident op.

Keuzes en dilemma’s:

Moet tijd vrijmaken om informatie te geven, maar daarbij wel de continuïteit waarborgen van zijn rol als (Vak)Officier van Dienst (en daar passende maatregelen voor treffen).

Moet omgaan met tijdige beschikbaarheid versus volledigheid van informatie: het gaat hierbij om het dilemma dat je anderen bij voorkeur informeert wanneer de situatie duidelijk en stabiel is, terwijl je toch gedwongen kunt zijn om op basis van onvolledige informatie iets te communiceren (bijvoorbeeld omdat publiek ingelicht moet worden over maatregelen).

Zal het hogere echelon moeten adviseren over het al dan niet waarschuwen van de bevolking. Een dergelijk alarm heeft een grote impact en consequenties die je nauwelijks kunt overzien. Niet waarschuwen kan daarentegen onnodig gevaar opleveren.

Dient ook achteraf over de juiste informatie ten behoeve van de nazorg, met name ten aanzien van personeel, te beschikken.

Beoordelingscriteria:

Professionele beroepshouding:

  • Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

  • Straalt rust en gezag uit.

  • Zorgt voor de overbrenging van een adequate beeld en analyse van het geheel.

  • Heeft een sitrap beschikbaar (mondeling).

Communicatie:

  • Verstrekt informatie gestructureerd, eenduidig en kernachtig.

Kerntaak 4: Beheersmatig aansturen van een team in de dagsituatie

Werkzaamheden Algemeen

De (Vak)Officier van Dienst stuurt de werkuitvoering van de medewerkers van zijn afdeling aan. Het opstellen en uitvoeren van plannen vormen daarin het centrale sturingsmechanisme voor de bedrijfsvoering.

De (Vak)Officier van Dienst doet gevraagd en ongevraagd voorstellen om de werkuitvoering van de eigen afdeling te verbeteren.

Hij zorgt voor afstemming van werkzaamheden, bijvoorbeeld door het laten voeren van overdrachtsgesprekken, samen opwerken en het organiseren van werkoverleg.

Signaleert en analyseert problemen in de uitvoering en (laat) deze oplossen, waar mogelijk structureel.

Hij is het samenbindende element tussen de individuele medewerkers en vormt de schakel tussen medewerkers en organisatie.

T.a.v. individuele medewerkers:

Vormt continue een actueel beeld van kwaliteiten en leerpunten van nieuwe en zittende medewerkers (bijv. voortgangsgesprekken, informele gesprekken, evaluatie van afgeronde werkzaamheden).

Coacht individuele medewerkers in hun ontwikkeling:

  • Voert gesprekken met medewerkers om regelmatig feedback te geven.

  • Helpt medewerkers bij het zélf oplossen van vraagstukken in het werk.

Stuurt medewerkers direct aan bij het uitvoeren van hun werk.

Verzorgt (vakinhoudelijke) instructie van medewerkers, waar nodig (bijv. nieuwe medewerkers, nieuwe ontwikkeling, niet optimaal functionerende medewerkers).

T.a.v. team/brandweerkorps:

Heeft continue een actueel beeld van het team functioneren (sterke punten, verbeterpunten).

Stelt het functioneren van het team aan de orde, betrekt team- leden bij besluitvorming over benodigde verbetering.

Verzamelt periodiek benodigde data/info over de bedrijfsvoering (kwaliteit, kwantiteit, middelen, financiën, bereikte doelen, etc.).

Is niet alleen leidinggevende; hij is daarnaast ook vakman op zijn kennisgebied. Dat vakmanschap benut hij om, in samenspraak met anderen, bijdragen te leveren aan de verbetering van werkprocessen, diensten en producten van zijn afdeling / team, maar ook daarbuiten.

Stelt periodieke rapportages op over de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelen en benutting van (hulp)bronnen.

Keuzes en dilemma’s:

Professionele beroepshouding

Vast houden aan planning vs. inspelen op ad hoc situaties. Planningen zijn niet altijd eenvoudig uitvoerbaar. Dit geldt binnen de brandweer het sterkst als de manager een gecombineerde functie heeft (beheersmatig én repressief). Dat roept geregeld de vraag op hoe om te gaan met een planning. Soms vraagt de situatie om vast te houden aan de planning. Op andere momenten moet hij beslissen de planning juist losjes te hanteren om inspelen op een acute situatie mogelijk te maken.

Middelen:

Kunnen omgaan met de beperkte middelen.

Beoordelingscriteria:

Planningen zijn SMART geformuleerd (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden).

Planning passen naar het oordeel van de naast hogere leiding-| gevende bij de organisatiedoelen.

De uitvoering verloopt effectief:

  • De in de planningen beschreven doelen worden behaald.

  • Waar dit niet het geval is vindt tijdig overleg en verantwoording plaats met de naast hogere leidinggevende.

De uitvoering verloopt efficiënt; binnen het beschikbare budget.

Medewerkers hebben een duidelijk beeld van de verwachtingen van hun leidinggevende t.a.v. hun functioneren en ontwikkeling. Medewerkers voelen zich individueel uitgedaagd en gesteund in hun eigen ontwikkeling (zowel door de leidinggevende als door collega’s).

Teamleden vervullen zelf een actieve rol in de ontwikkeling van het team functioneren.

Verschillen tussen medewerkers worden benut om de teamontwikkeling te bevorderen.

Er is sprake van aantoonbare ontwikkeling van individuele mede- werkers, passend bij de organisatiedoelen.

Er is sprake van een aantoonbare ontwikkeling van het team.

1.10.3.2. Prestatie-indicatoren

De (Vak)Officier van Dienst beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.10.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een MBO/SBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding VakOfficier van Dienst Caribisch Nederland dient men minimaal over een MBO/SBO werk- en denkniveau te beschikken en aan het kwalificatieprofiel Bevel- voerder Caribisch Nederland te voldoen.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma VakOfficier van Dienst Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

  • De leidraad oefenen.

  • Oefenkaarten.

  • Een portfolio voor de vakbekwaamheidregistratie.

  • Een diagnostische toets voor de blijvende vakbekwaamheid.

  • Het werkboek Competentiegericht oefenen.

Bijlage II. behorend bij artikel 2, eerste lid, Regeling personeel brandweer

Aanstellingskeuring brandweer BES (AK)

Inleiding

In deze bijlage staan de vier maatgevende deeldocumenten die het fundament vormen voor het geneeskundig onderzoek bij aanstelling of bevordering (AK):

In deel I behorende bij dit rapport staat het testprotocol van de AK beschreven.

In deel II behorende bij dit rapport staan de schriftelijke vragen van de AK beschreven.

In deel III behorende bij dit rapport staat de sleutel van de berekening van de vragen en testen beschreven.

In deel IV behorende bij dit rapport staat de uiteindelijke beoordeling van de AK beschreven.

Met name het repressieve deel van het brandweerkorps BES heeft te maken met bijzondere functie-eisen. Op basis van deze bijzondere functie-eisen(zie tabel 1 per functie) staat per functie/subtaak aangegeven op welke belastbaarheid eisen in de AK kan worden getest.

Tabel 1. Samenvatting van de bijzondere functie-eisen in relatie tot de diverse niveaus van functies in de repressieve brandweer BES. (BW=Brandwacht, BB=Brand Bestrijding, OvD=(Vak/Hoofd)Officier van Dienst, THV=Technisch Hulp Verlenen, OGS=Ongevallen Gevaarlijke Stoffen)

Bijzondere functie-eis

BW/BB

Hfd. BW

OvD

THV

OGS

Klauteren en klimmen

X

X

X

X

X

Hurken, knielen en/of kruipen

X

X

 

X

X

Tillen

X

X

 

X

X

Energetische piekbelasting

X

X

 

X

X

Rug: houdingen en krachtleverantie

X

X

 

X

X

Werken met de armen boven schouderhoogte

X

X

 

X

X

Goed gezichtsvermogen

X

X

X

X

X

Goed gehoorvermogen

X

X

X

X

X

Verhoogde waakzaamheid en oordeelsvorming

X

X

X

X

X

Emotionele piekbelasting

X

X

X

X

X

Belastbaarheid huid: risico blootstelling huid aan vaste en vloeibare stoffen

X

X

X

X

X

Belastbaarheid longen: risico blootstelling luchtwegen/longen aan stof, rook, gas of dampen

X

X

X

X

X

Risico voor/door infectieziekte:

• Risico op oplopen van infectieziekten

• Risico op verspreiding van infectieziekten

X

X

X

X

 

X

X

 

In alle documenten behorende bij deze bijlage wordt de volgende lettercodering van vragen en testen gebruikt.

Letter

Gezondheids-/belastbaarheidrisico

A

Algemene gezondheid in relatie tot het werk

B

Bewegingsapparaat (belastbaarheids)risico

D

Dermatologisch (huid) (belastbaarheids)risico

E

Emotionele piekbelasting/belastbaarheid

G

Gehoor (auditief belastbaarheids)risico

H

Hart- en vaat (belastbaarheids)risico

I

Infectieziektenrisicovorming

L

Luchtweg (belastbaarheids)risico

P

Psychisch (belastbaarheids)risico

V

Visueel (belastbaarheids)risico

In tabel 2 staat per bijzondere functie-eis aangegeven welke testen mogen worden ingezet. In het overzicht staat vermeld per bijzondere functie-eis op welke doorgemaakte- en aanwezige ziekten/gezondheidsklachten met mogelijke (tijdelijke) serieuze gevolgen voor de belastbaarheid van de keuring mag worden gevraagd of op worden getest in de AK.

Tabel 2. Overzicht bijzondere functie-eisen en bijhorende (standaard) testen in AK

Bijzondere functie-eis:

Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden in keuring:

1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen

P-testen:

Signaalvragen naar:

– aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,

– ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie, epilepsie

– aanwezigheid van hoogtevrees

– aanwezigheid van claustrofobie

– ooit doorgemaakte warmtestuwing

– gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5 jaar

– huidig medicijngebruik (mee laten nemen)

Inzet gevalideerd instrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van:

– hoge mate van slaperigheid (checklist)

– veel depressieve klachten (checklist)

– veel angstklachten (checklist)

Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie van:

– hoogtevrees (laddertest)

2. Emotionele piekbelasting

E-testen:

Signaalvragen naar:

– recent doorgemaakt trauma

Inzet gevalideerd instrument ter detectie van de huidige aanwezigheid van:

– vermoede posttraumatische stressstoornis

(checklist)

3. Energetische piekbelasting

B- en H-testen:

Signaalvragen naar:

– fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)

– belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige hartziekte; roken)

Inzet gevalideerde instrumenten ter detectie van de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter afkeuring):

– te hoge BMI of buikvet

– hoge bloeddruk

– diabetes mellitus

– afwijkingen12-kanaals rust ECG

Inzet gevalideerde fysieke functionele test die een indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.

(aanstellingsbrandweertraplooptest)

4. Goed gezichtsvermogen

V-testen:

Signaalvraag naar:

– huidige problemen met gezichtsvermogen

Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:

– onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)

– onvoldoende kleurenzicht

– onvoldoende gezichtsveld

5. Goed gehoorvermogen

G-testen:

Signaalvraag naar:

– huidige problemen met gehoorvermogen

Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:

– onvoldoende vermogen om spraak te horen

6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen

D- en L-testen:

Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:

– overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening

– overgevoeligheid longen / huidige klachten luchtweg/longen

Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:

– mogelijke huidaandoening op armen/handen (eczeem/atopie)

– mogelijke longaandoening (astma/atopie)

7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten

H- en I-testen:

Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:

– huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar voor anderen kunnen opleveren

8. Tillen/dragen

B-testen:

Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:

– problemen met tillen

– huidige nek-, rug- en schouderklachten

– problemen met krachtleverantie met geheven armen

Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test

(tijdens aanstellingsbrandbestrijdingstest en aanstellingsbrandweertraplooptest)

9. Knielen/hurken

B-testen:

Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:

– huidige duizeligheidsklachten

Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test

(tijdens aanstellingsbrandbestrijdingstest)

10. Klimmen/klauteren/ traplopen

B-testen:

Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:

– huidige duizeligheidsklachten

Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test

(tijdens aanstellingsbrandbestrijdingstest en aanstellingsbrandweertraplooptest)

11. Houdingen en krachtleverantie met rug

B-testen:

Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:

– huidige rugklachten

Lijst met standaard testbenodigdheden AK Brandweer BES

Bedrijfsarts/doktersassistente

Schriftelijke vragen behorend bij AK

Invulformulieren voor testuitslagen

Pen

Bloeddrukmeter

Landolt kaart 5 m

Groeneveld perspex schouder visusmeter 40 en 60 cm (inclusief kaarten 40 en 60 cm) Voldoende verlichting voor afnemen visustesten

Ishihara kleurenzien-testboek

Middelomtrek centimeter

Lengtemeter (in cm)

Weegschaal (in kg)

Rekenmachine

12-kanaals ECG apparatuur

Stethoscoop

Optioneel maar wel aanwezig:

Toonaudiogram afname apparatuur

Spirometrie apparatuur

Testafnemers functionele testen (sportinstructeur/brandweerinstructeur)

Akkoord start functionele testen na afname PAR-Q vragen

Invulformulieren voor testuitslagen

Pen

Hoogtetest (parkoers op dak):

  • Plat dak met hoogte van minimaal 7 meter en maximaal 10 meter

  • Valbescherming

  • Ademlucht apparatuur

Aanstellingskeuringbrandweerbestrijdingstest:

  • Hartslagopname-apparatuur (beat-to-beat) die direct uitleesbaar is

  • Stopwatch

  • Ademlucht apparatuur

  • Stofmasker

  • Keurling in sportkleding

Aanstellingskeuringbrandweertraplooptest of stairmastertest:

  • Voldoende hoog trappenhuis (20 m stijging -al of niet samengesteld-; ongeveer 105 treden) of stairmaster.

  • Hartslagopname-apparatuur (beat-to-beat) die direct uitleesbaar is

  • Brandweermateriaal (2x 10 kg) om in de hand mee te kunnen dragen

  • Stopwatch

  • AED aanwezig in nabijheid

  • Ademlucht apparatuur

  • Stofmasker

  • Keurling in sportkleding

Deel I. testprotocol

Voor organisator/P&O medewerker, bedrijfsarts en doktersassistente, en testafnemers functionele testen

Inhoud AK protocol

Het uit te voeren testprotocol voor de AK voor personeel van het brandweerkorps BES staat op de volgende bladzijden beschreven. Voorafgaand aan het protocol wordt achtergrondinformatie over de AK en een overzicht van de bijzondere functie-eisen met de bijbehorende testen van de AK weergegeven.

Het testprotocol bestaat uit drie delen:

  • I. Schriftelijke vragen

    Deel I wordt door de P&O functionaris/doktersassistente/organisator afgenomen en deze persoon begeleidt het invullen van de vragenlijst maar heeft geen inzage in de resultaten als het niet de doktersassistente betreft. Middels een vragenlijst worden signaalvragen gesteld die een indicatie van de belastbaarheid en het verwerkingsvermogen aangeven. Hiernaast worden een aantal vragenlijstinstrumenten gebruikt die de mate van diverse relevante gezondheidsklachten in kaart kunnen brengen. Onderdeel H1 van de vragenlijst bestaat uit de PAR-Q vragenlijst: zorg dat de bedrijfsarts de uitkomst op deze schaal altijd checkt voordat de functionele testen plaatsvinden!!

  • II. Biometrische testen

    Deel II is geschreven voor de bedrijfsarts en/of doktersassistente die de biometrische testen afneemt bij de medewerker. De biometrische testen die worden gemeten zijn de bloeddruk, lengte, gewicht, middelomtrek, visus en gehoor.

  • III. Functionele fysieke testen

    Deel III is geschreven voor de testafnemer(s) van de functionele fysieke testen (sport- instructeur en/of brandweerinstructeur). Er worden drie functionele fysieke testen afgenomen die per test worden beschreven, en afgenomen worden nadat de PAR-Q vragenlijst is gecontroleerd door de bedrijfsarts.

    • 1) PAR-Q vragenlijst

    • 2) Hoogtetest

    • 3) Aanstellingskeuringsbrandbestrijdingstest

    • 4) Aanstellingskeuringsbrandweertraplooptest of stairmastertest

Als addenda bij deze bijlage zijn de schriftelijke vragen, het scoreformulier voor de biometrische testen, het scoreformulier voor de functionele testen, de verzamelstaat van uitslagen van de testen en het beoordelingsformulier toegevoegd.

Deel I. testprotocol afname vragenlijst (uitgevoerd door organisator/P&O medewerker of doktersassistente)

I. Ak vragenlijstdeel

De vragenlijst is als addendum aan deze bijlage toegevoegd.

Voor de organisator/P&O medewerker/doktersassistente:

  • Laat de persoon in een rustige ruimte zitten.

  • Check of de naam/code van de keurling is ingevuld op de voorkant van de vragenlijst.

  • Check of de datum is ingevuld op de voorkant van de vragenlijst.

  • Vraag hem/haar de lijst rustig door te nemen, niet te lang na te denken per vraag, en op alle vragen een antwoord te geven.

  • De ingevulde vragenlijst wordt gebruikt om de verzamelstaat van het AK in te vullen.

  • Attendeer de bedrijfsarts op controle van de PAR-Q vragenlijst (vragen H1-1 t/m H1-7), voorafgaand aan de functionele testen!

Deel II. testprotocol biometrische testen (uitgevoerd door bedrijfsarts/doktersassistente)

II. Biometrische testen

Het scoreformulier is als addendum aan deze bijlage toegevoegd.

Voor de bedrijfsarts/ doktersassistente:

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren.

H1. Controleer antwoorden (PAR-Q vragenlijst) H1 vragen

Controleer de antwoorden van de medewerker op de PAR-Q vragenlijst (voor inschatting veiligheid uitvoeren fysieke testen). Indien één of meerdere vragen met ‘ja’ zijn beantwoord: bedrijfsarts dient dan eerst the checken welke antwoorden positief zijn ingevuld en bepaalt of de fysieke testen kunnen worden afgenomen zonder of in zijn/haar aanwezigheid.

H2-1a. Controleer antwoord H2-1 aanwezigheid diabetes

Indien het antwoord op vraag H2-1 is ‘nooit vastgesteld’ verricht dan een test op glucose in bloed via een vingerpriktest en noteer tijdstip, of deelnemer wel/niet nuchter is, en het glucosegehalte in mmol/l.

H3. Bloeddruk

Nadat de proefpersoon enkele minuten rustig heeft gezeten wordt de bloeddruk opgenomen, zowel bij de linkerarm als bij de rechterarm.

Bloeddruk wordt in zit afgenomen met een geijkte manometer, na enkele minuten rust, en de manchet ter hoogte van het sternum. Er wordt aan beide armen gemeten en telkens tweemaal aan dezelfde arm met een tussenpoos van minimaal 15 seconden. De twee metingen van beide armen worden genoteerd. Tijdens de procedure wordt niet gesproken. De bloeddruk wordt met een nauwkeurigheid van 2 mmHg afgelezen. Systole (=bovendruk) op het moment dat de tonen voor het eerst hoorbaar worden, de Diastole (=onderdruk) op het moment dat de tonen geheel verdwijnen (Standaard wordt het gemiddelde van de twee linker waarden gebruikt. Echter, bij een verschil van 10 mmHg of meer tussen de armen wordt genoteerd waar de hoogste waarden zijn gemeten en die armwaarden dienen dan als uitslag)

De uitslag komt op het scoreformulier voor Biometrische testen achter H10.

H4. Lichaamsgewicht

Laat de werknemer, rechtop, zonder schoenen, met alleen ondergoed aan, op de weegschaal gaan staan en lees het gewicht af.

Noteer de uitslag in hele kilogrammen op het scoreformulier.

H5. Lichaamslengte

Laat de werknemer, rechtop, zonder schoenen, met de hakken tegen de muur en voeten plat op de grond, tegen de meetlat opstaan en lees lengte af.

Noteer de uitslag in hele centimeters op het scoreformulier.

H6. Buikomvang

Laat de werknemer rechtop staan en meet met meetlint ter hoogte van de navel, vlak onder de ribbenboog, de buikomvang in hele cm af (direct na een normale uitademing).

Noteer de uitslag in hele centimeters op het scoreformulier.

H7. Body Mass Index (bereken dit uit H11 en H12)

Vermenigvuldig de lengte (in m) eerst met zichzelf (dus lengte x lengte, bv 1.87 x 1.87= 3.50). Vul het gewicht (in kg) op rekenmachine in en deel dit door de met zichzelf vermenigvuldigde lengte (bv 80 kg gewicht betekent (80:3.50)=22.9).

Noteer de uitslag met 1 cijfer achter de komma op het scoreformulier.

H8. Rust ECG (12-kanaals en Lausanne Protocol volgend)

Check vragen H1, H2, P9 en vraag symptomen na van klachten op de borst, hartkloppingen.

Luister naar afwijkende cortonen, hartruis, aritmie, vertraagde of verminderde perifere pulsaties.

Neem een 12-kanaals rust ECG af volgens het heersende protocol (anno 2011:Lausanne protocol):

beoordeel systematisch maar check in ieder geval op onregelmatigheden die zouden kunnen wijzen op hypertrofische cardiomyopathie, aritmogene rechterventrikelcardiomyopathie, dilaterende cardiomyopathie, lang QT-syndroom, kort QT-syndroom, syndroom van Brugada of Ziekte van Lev-Lenegre.

V5. Oogtest: Landolt C-ringen kaart en Groeneveld perspex schouder visusmeter

Leg uit wat er gaat gebeuren.

Voer de test volgens protocol uit op 5 m, 60 cm en 40 cm. Op alle drie afstanden meet men de gezichtsscherpte voor beide ogen apart en samen.

Voor de 5 m afstand wordt aanbevolen plaatselijke verlichting te gebruiken (500 lux). Zorg voor goed contrast (kaart schoonhouden). Houdt de algemene ruimteverlichting aan de lage kant, niet meer dan 200 lux horizontaal op bureauhoogte. Er kan het beste begonnen worden met het slechtste oog (aan betrokkene vragen of uitproberen), daarna het beste oog, tenslotte beide ogen.

Bij eenogig meten dient men de te onderzoeken persoon de handpalm voor het andere oog te laten houden, niet tegen het oog.

Begin elke meting bij een regel die nog gemakkelijk gelezen kan worden, ga door tot een fout gemaakt wordt, noteer de laatste correct benoemde grootte als score. Alleen bij vermoedelijke vergissing of slordigheid 1 herkansing. Weigering (‘dat zie ik niet meer’) niet accepteren (‘gokken hoort erbij, alleen als u fouten maakt weet ik zeker dat u het niet meer ziet’) (NVAB, 2000).

Gebruik deze methode voor 5 m, 60 cm en 40 cm. (60 cm en 40 cm worden zittend afgenomen met Groeneveld perspex schouder visusmeter).

Noteer de uitslag op het scoreformulier bij V5.

V6. Oogtest: Ishihara kleurentest

Voer de test volgens protocol uit.

De test ontdekt afwijkingen in het zien van de kleuren rood (protanopie, protanomalie) en groen (deuteranopie, deuteranomalie). De test kan in de hand worden gehouden of op tafel worden geplaatst op ‘armlengte’, ongeveer 66 cm van het oog. Idealiter wordt de test bij natuurlijk daglicht afgenomen (er mag echter geen direct zonlicht op de test vallen en de hemel moet tenminste redelijk bewolkt zijn) of een passend alternatief moet op 45 graden van het plaat oppervlak worden gebruikt, dat wil zeggen niet direct er boven.

Instrueer de werknemer om de nummers te vertellen die zichtbaar zijn zodra de pagina wordt omgedraaid. Soms is er geen nummer te zien: als de werknemer geen nummer ziet wordt er doorgegaan naar de volgende pagina. De testafnemer draait de bladzijden om en houdt controle over de tijd. Ongeveer vier seconden zijn toegestaan voor iedere bladzijde. Overmatige aarzeling kan een signaal van geringe kleurenblindheid zijn.

Noteer het aantal fout opgenoemde cijfers van het totaal aantal. De uitslag komt op het scoreformulier.

Indien de kleurentest niet voldoende is, test de bedrijfsarts het kleurenzien op een functionele manier, met behulp van veiligheidssymbolen (zie V6a).

V6a. Oogtest: Functionele kleurentest

De bedrijfsarts wijst een symbool aan en de werknemer noemt de juiste kleur. De kleuren groen, rood, oranje, blauw en paars worden kriskras door elkaar aangewezen door de arts en de werknemer wordt gevraagd de kleur te noemen. Indien de bedrijfsarts twijfelt over het eigen vermogen om kleuren te zien, wordt een derde persoon (die zeker weet dat zijn/haar kleurenzien voldoende is) ter controle gevraagd mee te kijken.

Bijlage 257333.png

V7. Gezichtsveldonderzoek

Beschrijving gezichtsveldonderzoek (methode van Donders)

Het is een globale methode, waarbij ervan wordt uitgegaan dat het gezichtsveld van de onderzoeker normaal is. Grove defecten zijn op deze manier aan te tonen.

Bijlage 257334.png

De onderzoeker vergelijkt zijn eigen gezichtsveld met dat van de werknemer. De gezichtsvelden van werknemer en onderzoeker zijn ongeveer congruent in het vlak precies tussen hen in, zodat de onderzoeker in dit vlak het testobject (zijn eigen vingertop, gekleurd voorwerpje) moet bewegen.

De werknemer gaat recht tegenover de testafnemer zitten, ‘knie aan knie’. De onderzoeker gaat na of de werknemer gelijktijdig rechts en links aangeboden vingerbewegingen kan opmerken of systematisch één gezichtsveld verwaarloost (zie bovenste figuur). Vervolgens onderzoekt men het

gezichtsveld van ieder oog apart. Werknemer en onderzoeker kijken elkaar met één oog aan (het recht tegenoverliggende oog). De onderzoeker nadert vanuit de periferie het centrum van het gezichtsveld, bij voorkeur in het midden van één van de kwadranten (zie onderste figuur). De werknemer moet zeggen of hij/zij de vingertop ziet bewegen of niet, zodat men een zekere controle kan uitoefenen op wat de werknemer aangeeft. Zoals op het bovenste plaatje voor het horizontale vlak wordt afgebeeld, wordt vanuit verticale richting de vinger ook naar het centrum gebracht (geen afbeelding).

Noteer of het gezichtsveld:

  • horizontaal in totaal = 160 graden is (waarbij het bereik links en rechts t.o.v. het midden minstens 70 graden dient uit te strekken) (bovenste afbeelding in figuur)

  • binnen een straal van 30 graden vanuit het centrum mogen zich geen gezichts- velddefecten bevinden (onderste afbeelding in figuur)

  • verticaal vanaf de oogas minstens 30 graden zowel naar boven als beneden (geen afbeelding)

De uitslag komt op het scoreformulier achter V7.

G3. Functionele gehoortest: fluisterspraaktest

Beschrijving fluisterspraaktest

De test kan zowel zittend als staand plaatsvinden; voer het onderzoek op gelijke hoogte met de werknemer uit; laat de werknemer zitten of staan en ga recht achter de werknemer zitten (of staan) om liplezen te voorkomen. Instrueer de werknemer de gehoorgang van 1 oor af te sluiten; vraag de werknemer te herhalen wat wordt gehoord.

Fluister na een volledige uitademing; fluister op armlengteafstand van de werknemer zo duidelijk mogelijk en recht naar voren, zonder de stembanden te gebruiken; fluister per oor zes combinaties van drie cijfers en letters (vermijd combinaties met B en D, M en N, H en A)

Voorbeelden van combinaties, zijn:

Oor 1: 3F6, G7L, O7S, 2K4, 8S5, U8X

Oor 2: F5C, Z3L, 6K7, 3S8, 2R9, X4U

Indien de werknemer een combinatie niet goed herhaalt wordt de combinatie niet opnieuw genoemd; noteer op het scoreformulier per oor of combinaties goed of fout worden herhaald.

Indien fluisterspraaktest onvoldoende is kan er voor worden gekozen door de bedrijfsarts om alsnog eerst de nationale gehoortest te laten uitvoeren en eventueel als laatste optie een toonaudiogram.

D2. Indien D1 vraag positief is: lichamelijk onderzoek huid

Doe lichamelijk onderzoek en observeer huid handen, armen en gezicht. Gebruik zo nodig screeningsvragen eczeem/atopie uit NVAB richtlijn of van NCvB website. Noteer uitslagen huidonderzoek in termen van huidbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

L2. Indien L1 vraag positief is: lichamelijk onderzoek longen

Indien L1 positief: doe lichamelijk onderzoek luchtwegen (gebruik richtlijnen of screeningsinstrument uit NVAB richtlijn voor astma/atopie) en verricht zo nodig spirometrisch onderzoek. Noteer uitslagen longonderzoek in termen van longbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

Deel III. Deel testprotocol functionele testen (uitgevoerd door afnemer functionele testen)

Er worden twee functionele testen uitgevoerd in vaste volgorde: eerst de brandbestrijdingstest en binnen een kwartier tot maximaal een uur na afloop van de brandbestrijdingstest wordt de brandweertraplooptest of stairmastertest uitgevoerd.

De scoreformulieren van de functionele testen zijn als addenda aan deze bijlage toegevoegd.

De eerder ingevulde PAR-Q vragenlijst (zie hieronder) is akkoord bevonden voorafgaand aan de functionele testen van iedere werknemer. Indien u niet zeker bent van dit akkoord, vraag de bedrijfsarts dan naar de uitslag.

H1) Lichamelijke inspanningsmogelijkheden (PAR-Q)

Onderstaande vragen behoren tot de PAR-Q en geven een indicatie over de veiligheid waarmee bij iemand energetisch belastende testen uitgevoerd kunnen worden (omcirkel de juiste antwoorden)

1.

Heeft een arts ooit gezegd dat u een hartprobleem heeft en dat u alleen fysieke inspanning op advies van een arts zou mogen uitvoeren?

Nee

Ja

2.

Heeft u pijn op de borst bij fysieke inspanning?

Nee

Ja

3.

Heeft u in de afgelopen maand pijn op de borst gehad terwijl u geen fysieke inspanning uitvoerde?

Nee

Ja

4.

Verliest u wel eens uw evenwicht als gevolg van duizeligheid of verliest u wel eens het bewustzijn?

Nee

Ja

5.

Heeft u een skelet- of gewrichtsprobleem (bijvoorbeeld aan rug, knie of heup) dat kan verergeren door een verandering in uw fysieke activiteitenpatroon?

Nee

Ja

6.

Schrijft uw arts u op dit moment medicijnen voor (bijvoorbeeld plaspillen) in verband met bloeddruk of hartprobleem?

Nee

Ja

7.

Bent u op de hoogte van andere redenen waarom u geen fysieke inspanning zou mogen uitvoeren?

Nee

Ja

B7/B16. Hoogtetest (parkoers op dak)

Een plat dak van minimaal 7 meter en maximaal 10 meter is voor deze test nodig. De keurling loopt met valbeveiliging en ademlucht apparatuur een vooraf uitgezet parkoers op het dak. Hierbij moet een aantal voorwerpen worden opgepakt en verplaatst. Het parkoers op het dak wordt in afstemming met de bedrijfsarts opgesteld.

B8. Functionele fysieke test: aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest

Benodigdheden aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest

  • brandbestrijdingstest parcours

  • Test protocol

  • Hartslagmeter

  • Sportkleding met goede sportschoenen

  • Ademluchttoestel zonder aansluiting, stofmasker, werkhandschoenen

  • Stopwatch

  • Beoordelingsformulier

Beschrijving aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest (er wordt gebruik gemaakt van het parcours voor de brandbestrijdingstest die bij de PPMO wordt gebruikt alleen worden niet alle onderdelen uitgevoerd).

Onderdeel 1. Startpunt van het parcours: Inzet gereed maken

De keurling staat in sporttenue en wacht op het startsein. Dan hangt hij/ zij een ademtoestel op (ademlucht wordt niet aangesloten!) de rug, doet het stofmasker voor neus en mond, doet werkhandschoenen aan en gaat naar onderdeel 2.

Onderdeel 2. Slang strekken in rokerige ruimte

Een halfgevulde 75mm slang (zonder druk) met een straalpijp, gekoppeld aan de pomp, ligt zigzag gevouwen bij de TS. De slang wordt over de schouder gelegd en voorwaarts over een lengte van 15 m gestrekt naar het aangegeven punt. Hierna 20 m lopen naar onderdeel 3.

Onderdeel 3. Redden van persoon in rokerige ruimte

Een pop van 80 kg wordt over 2 x 7,5 m (in totaal 15 m) heen en weer versleept waarbij in het midden van het traject een drempel (ter hoogte van een gevulde 52 mm slang) in het parcours is ingebouwd. De pop kan worden vastgepakt waar men wil (voorkeur is vast te pakken schouderbanden bij pop beschikbaar) naar het aangegeven punt worden gesleept en terug. Het starten van het slepen vindt idealiter plaats vanuit de benen en zo mogelijk met rechte rug. De kandidaat heeft het traject afgelegd als de beide voeten een aangegeven lijn zijn gepasseerd. Ga naar onderdeel 4.

Onderdeel 4. Lopen over smalle richel

Vier balken liggen in een zigzag opgesteld. De bedoeling is dat de deelnemer over de balken loopt als zijnde een evenwichtsbalk. Afstappen onderweg is opnieuw beginnen. Loop naar onderdeel 5.

Onderdeel 5. Slang doorvoeren in rokerige ruimte

Trekken van last (max 15 kg over 2 x 15 m). Na eerste 15 meter lopen naar pion (punt 9a) en terug en tweede keer 15 meter trekken. Loop naar onderdeel 6.

Onderdeel 6. Over obstakel klimmen

Over het hek stappen (dus niet springen) 7,5 m naar aangegeven punt lopen, omdraaien en nogmaals over het hek stappen en teruglopen naar beginpunt onderdeel 6. Hierna lopen naar onderdeel 7.

Onderdeel 7. Aanvalsweg met HD-slang in rokerige ruimte

Een HD-slang over een afstand van 15 meter meevoeren en weer mee terug nemen. De eerste 3 meter normaal lopen, dan 3 meter onder tunnel door en gehurkt lopen (laag blijven). De volgende 3 meter rechtop lopend. De volgende 3 meter weer gehurkt en nogmaals 3 meter rechtop lopend naar aangegeven punt. Dan achterwaarts terug lopen. Eerst rechtop lopend, dan weer gehurkt, rechtop lopend, dan weer gehurkt en tenslotte rechtop lopen tot beginpunt van dit onderdeel. Dit traject moet op de hurken en niet op de knieën worden afgelegd met het pistol met twee handen vast. Ga naar onderdeel 8.

Onderdeel 8. Sloopwerkzaamheden met sloophaak in rokerige ruimte

Met behulp van een massieve staaf een bal omhoog stoten, die uit het plafond hangt op 2.50 meter hoogte en de bal tien keer tegen de bovenkant van de korf stoten. Men geeft 10 juiste stoten. De instructeur telt hardop mee.

Einde test. De tijdwaarneming wordt gestopt, de eindhartfrequentie opgenomen. Herstel door in wandeltempo 3 minuten rustig heen en weer te lopen.

Instructies aan de keurling

De keurling is voor de test al uitgelegd wat er achtereen van hem/haar wordt verwacht; er wordt juist voor testafname nogmaals gecheckt of de onderdelen goed begrepen zijn.

Benadrukt wordt, dat:

  • het de bedoeling is dat het parcours zo snel als mogelijk (maar binnen de eigen mogelijkheden) dient te worden afgelegd,

  • dat alle onderdelen op zo veilig mogelijke wijze gehaald moeten worden.

    • de hartfrequentiemeter wordt omgedaan en de persoon wordt naar het beginpunt toegebracht

    • de testafnemer geeft aan wanneer er gestart mag worden ‘Ik tel zo af, 3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u dan beginnen’.

    • de testafnemer start gelijker tijd de hartfrequentiemeting en de tijdopname bij ‘start’

    • Het criterium voor de aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest is:

      • 1) de test is zonder onderbreking uitgevoerd en binnen 20 minuten afgerond, en

      • 2) Alle onderdelen zijn gehaald en op een veilige wijze uitgevoerd

Bijlage 257335.png
Schema opbouw brandbestrijdingstest zoals gebruikt bij het PPMO waarin nummers testen voor aanstellingskeuringsbrandbestrijdingstest in staan.

B9a. Functionele fysieke test: aanstellingskeuring brandweertraplooptest

Beschrijving brandweertraplooptest

De brandweertraplooptest is een piek-anaerobe test die kan checken of een brandweermedewerker met bepakking plus een met aan de functie gerelateerde tilbelasting een voldoende belastbaar hartlongsysteem heeft.

De keurling loopt, na een warming up indien nodig, zo snel mogelijk (maar zonder te rennen) en zonder steun van handen de verdiepingen naar boven. De hartfrequentie wordt opgenomen om de eindhartfrequentie te kunnen bepalen bij aankomst boven. Tevens wordt de tijd opgenomen en wordt de verbruikte ademlucht gemeten. Vóórdat de trap weer wordt afgedaald koppelt de werknemer de ademlucht zelf los en doet het masker af. De werknemer neemt het brandweermateriaal niet mee terug. Direct daarna dalen de werknemer en de instructeur de trap af. De instructeur loopt vóór de werknemer de trap af ter beveiliging.

De traplooptest wordt uitgevoerd over een afstand waarbij 20 meter wordt gestegen, het aantal treden is hierbij afhankelijk van de treehoogtes.

  • De werknemer moet zo snel mogelijk boven komen, met ongeveer 20 kg aan brandweer- gerelateerde materialen in de handen, zonder te stoppen en zonder steun te zoeken aan de leuningen.

  • Het materiaal dat over beide handen verdeeld mee naar boven genomen moet worden kunnen bv 52mm slangen zijn: iedereen zou ze goed moeten kunnen vastpakken. Het is niet de bedoeling dat de lasten de werknemer hindert om boven te komen.

Benodigdheden brandweertraplooptest

  • Trap met voldoende trapdelen voor 20 meter stijging

  • Hartslagmeter

  • Sportkleding en stofmasker

  • Stopwatch

  • 2x brandweermateriaal van 10 kg dat makkelijk in de handen genomen kan worden

  • Beoordelingsformulier (noteer de tijd in seconden en de eindhartfrequentie)

Instructie aan de werknemer

Loop zo meteen zo snel mogelijk naar boven met ademlucht aan

  • Zonder te rennen (dus zonder zweefmoment)

  • Met constant loopritme, zonder onderweg te stoppen

  • Loop trede voor trede omhoog, waarbij iedere trede wordt aangeraakt

  • Geen steun bij de leuning zoeken

  • Met deze brandweerhulpmiddelen verdeeld over beide handen (wijs aan)

U neemt deze extra brandweerhulpmiddelen mee tijdens het beklimmen van de trap. U wordt gevolgd door een instructeur. Boven wordt bij aankomst zo snel mogelijk uw hartfrequentie afgelezen. U doet uw masker af. U laat de brandweerhulpmiddelen boven liggen. Hierna loopt u direct de trap weer rustig af, in een gelijkmatig tempo.

Vooraf kunt u een warming-up houden waarbij u drie trapdelen oefent om uw stapritme te bepalen. Tevens kunt u, indien u dat wenst, wat stretchoefeningen van spieren in kuit en bovenbeen uitvoeren voordat u start. Heeft u vragen?

Ik tel zo meteen af met: ‘3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u beginnen.

Het criterium voor de brandweertraplooptest is:

  • 1) De traplooptest moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd, zonder dat er onveilige situaties ontstaan, en

  • 2) De kandidaat moet boven komen, met ongeveer 20 kg aan brandweer gerelateerde materialen in de handen, zonder te stoppen en zonder steun te zoeken aan de leuningen, en

  • 3) Een piekbelasting moet bereikt worden door >85% van het theoretisch maximum van de hartfrequentie te behalen en de test correct binnen 2 minuten uit te voeren OF indien iemand de test correct binnen 60 seconden uitvoert zonder het >85% van het theoretisch maximum van de hartfrequentie te behalen.

De uitslagen tijd in seconden, eindhartfrequentie en of de uitvoering correct is uitgevoerd worden op het scoreformulier genoteerd.

Met behulp van de eindhartfrequentie wordt het % van theoretisch maximum van de hartfrequentie berekend:

% van theoretisch maximum van de hartfrequentie. = eindhartfrequentie:(220-leeftijd) = ..........

B9b. Functionele fysieke test: brandweerstairmastertest

Beschrijving brandweerstairmastertest

De Stairmaster is onderdeel van de AK en heeft tot primair doel piekbelasting bij inspanning te meten. Er wordt hierbij gekeken naar coördinatie en balans. De Stairmaster is geïntroduceerd als alternatief voor de gewone traplooptest.

De brandweertrapstairmastertest is een piek-anaerobe test die kan checken of een brandweermedewerker met volledige bepakking plus een met aan de functie gerelateerde tilbelasting een voldoende belastbaar hartlongsysteem heeft.

De werknemer loopt, na een warming up indien nodig, zo snel mogelijk en zonder steun van handen op de Stairmaster. De hartfrequentie wordt opgenomen om de eindhartfrequentie te kunnen bepalen bij aankomst boven. Tevens wordt de tijd opgenomen en wordt de verbruikte ademlucht gemeten.

Benodigdheden brandweerstairmastertest

  • Stairmaster Gauntlet

  • Hartslagmeter

  • Volledige kledinguitrusting uitruk met ademtoestel + zuurstof

  • Loodharnas van 20 kg

  • Beoordelingsformulier (noteer de tijd in seconden en de eindhartfrequentie)

Instructie aan de werknemer

  • Loop zo meteen zo snel mogelijk met ademlucht aan

  • Zonder te rennen (dus zonder zweefmoment)

  • Met constant loopritme, zonder onderweg te stoppen

  • Loop trede voor trede, waarbij iedere trede wordt aangeraakt

  • Geen steun bij de leuning zoeken

U neemt een loodharnas mee tijdens het beklimmen van de trap. Na het beklimmen van 100 treden of anders afloop van de twee minuten wordt zo snel mogelijk uw hartfrequentie afgelezen. U koppelt boven zelf uw ademlucht af en doet uw masker af.

Vooraf kunt u een warming-up houden waarbij u een aantal treden oefent om uw stapritme te bepalen. Hierbij kunt u zelf uw staptempo bepalen Tevens kunt u, indien u dat wenst, wat stretchoefeningen van spieren in kuit en bovenbeen uitvoeren voordat u start. Heeft u vragen?

Ik tel zo meteen af met: ‘3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u beginnen.

Het criterium voor de brandweerstairmastertest is:

  • 1) De traplooptest moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd, zonder dat er onveilige situaties ontstaan, en

  • 2) De kandidaat moet de test afleggen, met 20 kg. extra gewicht, zonder te stoppen en zonder steun te zoeken aan de leuningen, en

  • 3) Een piekbelasting moet bereikt worden door >85% van het theoretisch maximum van de hartfrequentie te behalen en de test correct binnen 2 minuten uit te voeren

De uitslagen tijd in seconden, eindhartfrequentie en of de uitvoering correct is uitgevoerd worden op het scoreformulier genoteerd.

Met behulp van de eindhartfrequentie wordt het % van theoretisch maximum van de hartfrequentie berekend:

% van theoretisch maximum v.d hartfrequentie = eindhartfrequentie: (220-leeftijd) = .........

Addenda, behorende bij bijlage II verband houdende met artikel 3, eerste lid, van de Regeling personeel brandweer BES

  • 1) vragenlijst aanstellingskeuring

  • 2) scoreformulier biometrische testen

  • 3) scoreformulieren functionele testen

  • 4) verzamelstaat uitslagen AK

  • 5) beoordelingsformulier AK

1). Vragenlijst aanstellingskeuring

Er worden u eerst schriftelijke vragen gesteld die met uw gezondheid te maken hebben voordat enkele lichamelijke testen worden afgenomen. Vul alle vragen eerlijk in. Er volgen vragen gerelateerd aan de bijzondere functie-eisen in de functie waarvoor u wordt gekeurd. De vragen zijn gerelateerd aan het (belastbaarheids)risico van:

  • het bewegingsapparaat (klauteren en klimmen, hurken, knielen en/of kruipen, tillen, energetische piekbelasting, houdingen en krachtleverantie rug, werken met armen boven schouderhoogte),

  • gezicht- en gehoorvermogen,

  • huid en luchtwegen/longen,

  • infectieziekten en

  • mentale en emotionele belastbaarheid.

Persoonsinformatie en relevante medische geschiedenis:

Geboortedatum... (vul in: dag | maand | jaar)

     

Functie waarvoor aanstellingskeuring plaatsvindt is..

vul functie in:

 

Keuring voor beroepsbrandweer of vrijwillige brandweer?

Beroeps

Vrijwilliger

P1. Bent u ooit onder behandeling geweest vanwege....

–1... schizofrenie?

Nee

Ja

–2... psychose?

Nee

Ja

–3... epilepsie?

Nee

Ja

–4... een doorgemaakte warmtestuwing (zonnesteek)?

Nee

Ja

–5 heeft u de afgelopen 5 jaar medicijnen geslikt tegen epilepsie?

Nee

Ja

I1. Kunt u bewijzen van geldige inentingen laten zien tegen....

–1... hepatitis

Nee

Ja

–2... difterie

Nee

Ja

–3... tetanus

Nee

Ja

–4... tuberculose

Nee

Ja

–5... polio

Nee

Ja

–6....influenza

Nee

Ja

Vragen over uw lichamelijke belastbaarheid:

Heeft u in de afgelopen weken regelmatig klachten aan gewrichten, pezen of spieren gehad in...

B1... 1 of in beide benen?

Nee

Ja

B2... 1 of in beide schouders/armen?

Nee

Ja

B3... uw rug of nek?

Nee

Ja

Heeft u momenteel problemen/moeite met...

 

B4... uw lichamelijke conditie?

Nee

Ja

B5... tillen van zwaardere (>10 kg) objecten?

Nee

Ja

B6...het leveren van kracht met de handen boven schouderhoogte?

Nee

Ja

Lichamelijke inspanningsmogelijkheden (PAR-Q)

H1-. Omcirkel hieronder per vraag het antwoord dat voor u geldt:

–1. Heeft een arts ooit gezegd dat u een hartprobleem heeft en dat u alleen fysieke inspanning op advies van een arts zou mogen uitvoeren?

Nee

Ja

–2. Heeft u pijn op de borst bij fysieke inspanning?

Nee

Ja

–3. Heeft u in de afgelopen maand pijn op de borst gehad terwijl u geen fysieke inspanning uitvoerde?

Nee

Ja

–4. Verliest u wel eens uw evenwicht als gevolg van duizeligheid of verliest u wel eens het bewustzijn?

Nee

Ja

–5. Heeft u een skelet- of gewrichtsprobleem (bijvoorbeeld aan rug, knie of heup) dat kan verergeren door een verandering in uw fysieke activiteitenpatroon?

Nee

Ja

–6. Schrijft uw arts u op dit moment medicijnen voor (bijvoorbeeld plaspillen) in verband met bloeddruk of hartprobleem?

Nee

Ja

–7. Bent u op de hoogte van andere redenen waarom u geen fysieke inspanning zou mogen uitvoeren?

Nee

Ja

H2-. Gezien uw toekomstige werk zou uw toekomstig risico op hart- en/of vaatziekten-risico zo laag mogelijk gehouden moeten worden. Om hierover de juiste adviezen te kunnen geven worden de volgende 7 vragen gesteld.

Omcirkel hieronder per vraag uw antwoord:

–1. Heeft u diabetes mellitus (suikerziekte)?

Nee / nooit vastgesteld

Ja

–2. Rookt u?

Nee

Ja

–3. Heeft u zelf een hart- en/of vaatziekte meegemaakt?

Nee

Ja

–4.Heeft een mannelijk familielid vóór het 50e jaar en/of vrouwelijk familielid vóór het 60e jaar hart- en vaatziekten meegemaakt?

Nee

Ja

–5. Heeft u last van kortademigheid?

Nee

Ja

–6. Heeft u nogal eens pijn of een beklemd gevoel op de borst of in de hartstreek?

Nee

Ja

–7. Is het cholesterolgehalte in uw bloed goed?

Nee /Niet bekend

Ja

Heeft u moeite met ...

V1. ... scherp zien in de verte tijdens daglicht?

Nee

Ja

V2. ... scherp zien in de verte tijdens nachtlicht?

Nee

Ja

V3. ... scherp zien tijdens lezen?

Nee

Ja

V4. ... het zien van sommige kleuren?

Nee

Ja

G1. ... uw gehoor?

Nee

Ja

G2. Heeft u last van geluiden (piepen, ruisen, suizen) die anderen niet kunnen horen?

Nee

Ja

Heeft u momenteel...

D1. ... problemen aan de huid in uw gezicht, handen of armen?

Nee

Ja

L1. ... problemen aan uw luchtwegen/longen?

Nee

Ja

I 2. ... een infectieziekte?

Nee

Ja

Vragen over uw mentale belastbaarheid:

Heeft u in de afgelopen tijd....

E1. ...zwaar traumatische ervaringen doorgemaakt?

Nee

Ja

Heeft u last van....

   

P2. ... hoogtevrees?

Nee

Ja

P3. ... angst in besloten ruimten?

Nee

Ja

Bent u de laatste weken...

   

P4. ... erg vermoeid?

Nee

Ja

P5. ... vaak neerslachtig en/of depressief?

Nee

Ja

Heeft u...

   

P6. ... problemen met in slaap komen of doorslapen?

Nee

Ja

P7. ... tijdens avond- en nachtwerkuren moeite om waakzaam te blijven?

Nee/ weet niet

Ja

P8. ... wel eens aanpassingsproblemen vanwege het werken van onregelmatige diensten ervaren?

Nee/ n.v.t.

Ja

P9. ... duizeligheidklachten?

Nee

Ja

P10. Slikt u momenteel medicijnen?

Zo ja, welke?

Nee

Ja

     
     
     
     

Hieronder staan situaties waarbij mensen kunnen wegdoezelen of in slaap vallen door vermoeidheid of een gevoel van slaperigheid.

Kruis per onderstaande situatie 1 antwoord aan waarmee u de kans inschat dat u in die situatie zou wegdoezelen of in slaap zou vallen. Indien u niet recentelijk één van de onderstaande situaties hebt meegemaakt, probeert u zich dan in te denken hoe u zich zou voelen.

P11-. Situatie:

Geen kans

Kleine kans

Aardige kans

Grote kans

–1. Tijdens een gesprek met iemand anders

–2. Tijdens een bezoek aan familie of vrienden

–3. Tijdens een passieve ontspanning (lezen, tv kijken)

–4. Tijdens een actieve ontspanning (klusjes, handarbeid)

–5. Als medereiziger tijdens een auto- of treinrit van 1 uur

–6. In de auto wanneer u 5 minuten moet wachten (stoplicht, file)

–7. 's Middags of 's avonds na het eten

–8. Tijdens werktijd

Hieronder staan twee lijsten met problemen die mensen kunnen ervaren.

Lees ieder probleem zorgvuldig door en vink/kruis het vakje aan bij de omschrijving die het beste weergeeft in hoeverre u last had van dat probleem gedurende de afgelopen week, inclusief vandaag.

P12-. Hoeveel last had u in de afgelopen week inclusief vandaag van...

Helemaal geen

Een beetje

Nogal

Tamelijk veel

Heel veel

–1. ... gedachten aan zelfmoord

–2. ... je eenzaam voelen

–3. ... je somber voelen

–4. ... geen interesse kunnen opbrengen voor dingen

–5. ... je hopeloos voelen over de toekomst

–6. ... het gevoel dat je niets waard bent

P13-.

Hoeveel last had u in de afgelopen week inclusief vandaag van...

Helemaal geen

Een beetje

Nogal

Tamelijk veel

Heel veel

–1. ... zenuwachtigheid of beverigheid

–2. ... zomaar plotseling bang worden

–3. ... bang zijn

–4. ... je gespannen en opgefokt voelen

–5. ... aanvallen van angst of paniek

–6. ... je zo rusteloos voelen dat je niet stil kan blijven zitten

Hieronder staan 15 uitspraken die mensen doen na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis.

Neem de door u zelf meegemaakte ingrijpende gebeurtenis(sen) in gedachten, bekijk elke uitspraak en kruis aan hoe vaak de uitspraken op u zelf van toepassing was tijdens de afgelopen ZEVEN DAGEN.

E2-.

Helemaal niet

Zelden

Soms

Vaak

–1.Ik dacht eraan zonder dat ik dat wilde

–2. Ik zorgde ervoor niet van streek te raken als ik eraan dacht of eraan herinnerd werd

–3. Ik probeerde de gebeurtenis uit mijn geheugen te bannen

–4. Ik kon moeilijk in slaap vallen of in slaap blijven omdat

beelden en gedachten erover door mijn hoofd gingen

–5. Bij vlagen had ik er sterke gevoelens over

–6. Ik droomde erover

–7. Ik bleef dingen die mij eraan herinneren uit de weg gaan

–8. Ik had het gevoel alsof het niet echt gebeurd was, alsof het niet echt was

–9. Ik heb geprobeerd er niet over te praten

–10. Beelden ervan schoten me in gedachten

–11. Andere dingen deden mij er steeds weer aan denken

–12. Ik wist dat ik er nog heel wat gevoelens over had, maar hield er geen rekening mee

–13. Ik heb geprobeerd er niet aan te denken

–14. Iedere herinnering bracht de gevoelens weer terug

–15. Mijn gevoel erover was als het ware verdoofd

Vragen over uw algemene gezondheidstoestand in relatie tot uw toekomstige werk.

Chronische ziekten kunnen een verminderde belastbaarheid voor bepaalde taken laten ontstaan. Antwoorden op onderstaande vragen kunnen door de arts worden gebruikt om meer informatie op te vragen en/of u adviezen te geven.

A1-. Heeft u zelf een de volgende aandoeningen? Omcirkel hieronder per vraag uw antwoord:

–1. Aandoeningen aan de stofwisseling, bijv. diabetes mellitus, schildklier

Nee / niet bekend

Ja

–2. Psychische aandoeningen, zoals bijv. depressie of angststoornis

Nee / niet bekend

Ja

–3. Chronische aandoeningen aan het bewegingsapparaat, bijv. aan spieren of gewrichten

Nee / niet bekend

Ja

–4. Hart- en vaataandoening(en), zoals bijv. hoge bloeddruk, eerder hartinfarct gehad

Nee / niet bekend

Ja

–5. Aandoeningen van de urinewegen of geslachtsorganen, bijv. blaas, nier, prostaat, geslachtsziekte

Nee / niet bekend

Ja

–6. Aandoeningen van spijsverteringsorganen, bijv. gal, lever, maag, darmen

Nee / niet bekend

Ja

–7. Chronische aandoening(en) van de luchtwegen, bijv. COPD, astma

Nee / niet bekend

Ja

–8. Tumoren, goed- of kwaadaardig

Nee / niet bekend

Ja

–9. Huidaandoening(en), bijv. allergische huiduitslag, eczeem, psoriasis

Nee / niet bekend

Ja

Dit is het einde van de vragenlijst.

Lever de lijst nu in of geef aan dat u klaar bent.

2). Instructie- en scoreformulier biometrische testen en lichamelijk onderzoek (onderdeel AK)

Keurling nr.: ___________Datum afname: _________Tijdstip afname: ______

______ = uitslag hier invullen

H3. Bloeddrukmeting

Laat de keurling enkele minuten rustig zitten, daarna wordt de bloeddruk opgenomen. Twee keer bij de linkerarm en twee keer bij de rechterarm.

Bloeddruk links: 1)_mmHg 2)_mmHg

Bloeddruk rechts: 1)_mmHg 2)_mmHg

H4. Lichaamsgewicht

Laat de keurling, rechtop, zonder schoenen, met alleen ondergoed aan, op de weegschaal gaan staan en lees het gewicht af in hele kilogrammen.

Lichaamsgewicht: __kg

H5. Lichaamslengte

Laat de keurling, rechtop, zonder schoenen, met de hakken tegen de muur en voeten plat op de grond, tegen de meetlat opstaan en lees de lengte af in hele centimeters.

Lichaamslengte: __cm

H6. Buikomvang

Laat de keurling rechtop staan, en meet met meetlint ter hoogte van de navel, vlak onder de ribbenboog, de buikomvang in hele centimeters (tijdens normale uitademing).

Buikomvang: __cm

H7. Body Mass Index: bereken dit uit de gegevens over gewicht en lengte:

  • gebruik rekenmachine

  • 1. vermenigvuldig de lengte (in meters, bv 1.78 m) met de lengte (bv 1.78 x 1.78=3.17)

  • 2. Neem het aantal kg van het lichaamsgewicht (bv 80 kg) en deel dit door het getal dat net is berekend (bv 80: 3.17=25.2) en noteer dat getal

Body Mass index: : = .

H8. 12-kanaals rust ECG

Doe lichamelijk onderzoek, volg Lausanne protocol en noteer afwijkingen.

Vermoede afwijking: nee / ja*

*= omcirkel hieronder waarvoor aanwijzingen zijn gevonden in lichamelijk onderzoek en/of ECG:

  • Hypertrofische cardiomyopathie

  • Aritmogene RV cardiomyopathie

  • dilaterende cardiomyopathie

  • lang QT syndroom

  • kort QT syndroom

  • syndroom van Brugada

  • ziekte van Lev-Lenegre

  • iets anders, nl.............................................................................................

V5. Visus

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren. Voer de test volgens protocol uit op 5 m, 60 cm en 40 cm. Op alle drie afstanden meet men de gezichtsscherpte voor beide ogen apart en samen.

Begin elke meting bij een regel die nog gemakkelijk gelezen kan worden, ga door tot een fout gemaakt wordt, noteer de laatste correct benoemde grootte als score. Alleen bij vermoedelijke vergissing of slordigheid 1 herkansing. Weigering (‘dat zie ik niet meer’) niet accepteren (‘gokken hoort erbij, alleen als u fouten maakt weet ik zeker dat u het niet meer ziet’). Gebruik deze methode voor 5 m, 60 cm en 40 cm. (60 cm en 40 cm worden zittend afgenomen met Groeneveld perspex schouder visusmeter).

Landolt C-ringentest
 

L

R

Gezamenlijk

5 m

     

60 cm

     

40 cm

     
       

V6. Ishihara kleurentest

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren.

  • Voer de test volgens protocol uit:

    Instrueer de werknemer om de nummers te vertellen die zichtbaar zijn zodra de pagina wordt omgedraaid. Soms is er geen nummer te zien: als de werknemer geen nummer ziet wordt er doorgegaan naar de volgende pagina. De testafnemer draait de bladzijden om en houdt controle over de tijd. Ongeveer vier seconden zijn toegestaan voor iedere bladzijde. Overmatige aarzeling kan een signaal van geringe kleurenblindheid zijn.

  • Noteer het aantal fout opgenoemde cijfers van het totaal aantal

Uitslag: _____ van de _____ fout

V6a. Oogtest: Functionele kleurentest

De bedrijfsarts wijst een symbool aan en de werknemer noemt de juiste kleur. De kleuren groen, rood, oranje, blauw en paars worden kriskras door elkaar aangewezen door de arts en de werknemer wordt gevraagd de kleur te noemen. Indien de bedrijfsarts twijfelt over het eigen vermogen om kleuren te zien, wordt een derde persoon (die zeker weet dat zijn/haar kleurenzien voldoende is) ter controle gevraagd mee te kijken.

  • Herhaald verkeerde kleuren opnoemen wordt geïnterpreteerd als een probleem met kleurenzien.

  • Uitslag: _____ van de _____ fout

Bijlage 257336.png

V7. Gezichtsveldtest

Beschrijving gezichtsveldonderzoek (methode van Donders)

De onderzoeker vergelijkt zijn eigen gezichtsveld met dat van de chauffeur. De gezichtsvelden van chauffeur en onderzoeker zijn ongeveer congruent in het vlak precies tussen hen in, zodat de onderzoeker in dit vlak het testobject (zijn eigen vingertop, gekleurd voorwerpje) moet bewegen. De chauffeur gaat recht tegenover de testafnemer zitten, ‘knie aan knie’. De onderzoeker gaat na of de chauffeur gelijktijdig rechts en links aangeboden vingerbewegingen kan opmerken of systematisch één gezichtsveld verwaarloost (zie bovenste figuur). Vervolgens onderzoekt men het gezichtsveld van ieder oog apart. Chauffeur en onderzoeker kijken elkaar met één oog aan (het recht tegenoverliggende oog). De onderzoeker nadert vanuit de periferie het centrum van het gezichtsveld, bij voorkeur in het midden van één van de kwadranten (zie onderste figuur). De chauffeur moet zeggen of hij/zij de vingertop ziet bewegen of niet, zodat men een zekere controle kan uitoefenen op wat de chauffeur aangeeft. Zoals op het bovenste plaatje voor het horizontale vlak wordt afgebeeld, wordt vanuit verticale richting de vinger ook naar het centrum gebracht (geen afbeelding).

Het is een globale methode, waarbij ervan wordt uitgegaan dat het gezichtsveld van de onderzoeker normaal is. Grove defecten zijn op deze manier aan te tonen.

Bijlage 257337.png

Noteer of het gezichtsveld:

  • Horizontaal in totaal ≥ 160°;

    het bereik dient links en rechts t.o.v. het midden tenminste ≥70° uit te strekken (zie bovenste afbeelding) *Voldoende / Onvoldoende

  • Vanuit het centrum binnen een straal van 30° (getest vanaf diagonaal) geen gezichtsvelddefecten (onderste afbeelding) *Voldoende / Onvoldoende

  • Verticaal ≥30° vanaf de oogas zowel naar boven als naar beneden (geen afbeelding) *Voldoende / Onvoldoende

G3. Fluisterspraaktest

De test kan zowel zittend als staand plaatsvinden; voer het onderzoek op gelijke hoogte met de werknemer uit; laat de werknemer zitten of staan en ga recht achter de werknemer zitten (of staan) om liplezen te voorkomen. Instrueer de werknemer de gehoorgang van 1 oor af te sluiten; vraag de werknemer te herhalen wat wordt gehoord.

Fluister na een volledige uitademing; fluister op armlengteafstand van de werknemer zo duidelijk mogelijk en recht naar voren, zonder de stembanden te gebruiken; fluister per oor zes combinaties van drie cijfers en letters (vermijd combinaties met B en D, M en N, H en A)

Voorbeelden van combinaties, zijn:

Oor 1: 3F6, G7L, O7S, 2K4, 8S5, U8X

Oor 2: F5C, Z3L, 6K7, 3S8, 2R9, X4U

Indien de werknemer een combinatie niet goed herhaalt wordt de combinatie niet opnieuw genoemd; noteer per oor of combinaties goed of fout worden herhaald.

(√ = ok; X = niet ok) L R

3F6 _______ F5C ________

G7L _______ Z3L ________

O7S _______ 6K7 ________

2K4 _______ 3S8 ________

8S5 _______ 2R9 ________

U8X _______ X4U ________

Indien meer dan 4 combinaties niet juist worden gehoord wordt de Nationale hoortest ( www.hoortest.nl ) uitgevoerd.

D2. Indien D1 positief is: lichamelijk onderzoek huid

Doe lichamelijk onderzoek en observeer huid handen, armen en gezicht. Gebruik zo nodig screeningsvragen eczeem/atopie uit NVAB richtlijn. Noteer uitslagen huidonderzoek in termen van huidbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

L2. Indien L1 positief is: lichamelijk onderzoek longen

Indien L1 positief: doe lichamelijk onderzoek luchtwegen (gebruik richtlijnen of screeningsinstrument uit NVAB richtlijn voor astma/atopie) en verricht zo nodig spirometrisch onderzoek.

Noteer uitslagen longonderzoek in termen van longbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

3). B7/P14. Instructie- en scoreformulier brandweerautoladdertest of stairmastertest

Keurling nr.: ___________Datum afname: _________Tijdstip afname: ______

De test wordt uitgevoerd in sportuitrusting met valbeveiliging en een niet aangesloten ademluchttoestel op de rug. De stairmaster is een alternatief in het geval geen trappenhuis met voldoende lengte aanwezig is. De wijze van uitvoering en de beoordeling voor beide testen zijn identiek.

Instructies aan de keurling

De keurling is uitgelegd wat er van hem/haar wordt verwacht; er wordt vlak voor de testafname nogmaals gecheckt of de onderdelen goed begrepen zijn.

Benadrukt wordt, dat:

  • de keurling rustig naar boven moet lopen totdat de instructeur een signaal geeft

  • te luisteren naar de instructies en antwoord te geven op eventuele vragen

De testafnemer geeft aan wanneer er gestart mag worden.

Parameters die worden opgenomen:

1) Of keurling ladder op- en afklimt in regelmatig tempo

2) of keurling in staat is om verbale en non-verbale instructies op te volgen

Uitvoering

  • geef keurling, na valbeveiliging gecheckt te hebben, de opdracht te starten en naar boven te klimmen

  • geef halverwege de ladder een stop-instructie en vraag enkele treden naar beneden te klimmen, weer te stoppen en daarna door te klimmen naar boven

  • vraag (bijna) boven te stoppen, iets in de ruimte aan te wijzen, naar beneden te kijken en na oogcontact aan te geven hoeveel vingers instructeur opsteekt

  • vraag keurling hierna in rustig tempo weer naar beneden te klimmen

Wanneer is test goed volbracht?

  • 1) keurling klimt in regelmatig tempo de autoladder op en af

  • 2) verbale én non-verbale instructies en opdrachten worden door keurling opgevolgd

Resultaten

 

Alle onderdelen gehaald: ja/nee

 

Indien nee, welke onderdelen niet

 
 
 

B8. Instructie- en scoreformulier aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest

Keurling nr.: ___________Datum afname: _________Tijdstip afname: ______

De test wordt uitgevoerd in sporttenue, met stofmasker op en een niet-aangesloten ademluchttoestel op de rug.

Instructies aan de keurling

De keurling is voor de test al uitgelegd wat er achtereen van hem/haar wordt verwacht; er wordt vlak voor de testafname nogmaals gecheckt of de onderdelen goed begrepen zijn.

Benadrukt wordt, dat:

  • het de bedoeling is dat het parcours zo snel als mogelijk (maar binnen de eigen mogelijkheden) dient te worden afgelegd,

  • dat alle onderdelen worden gehaald en op veilig en technisch correcte wijze worden uitgevoerd