Beleidsregel verlagen subsidie POP

Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 19 mei 2016, nr. WJZ/16027022, houdende beleidsregels omtrent het verlagen van subsidie verleend voor plattelandsontwikkeling in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1698/2005 (Beleidsregel verlagen subsidie POP)

De Staatssecretaris van Economische Zaken, handelende na overleg met Gedeputeerde Staten van de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Flevoland, Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-Brabant, Zeeland en Limburg,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. verordening 1698/2005: verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU 2005, L277);

  • b. verordening 1303/2013: Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013, L347);

  • c. verordening 1305/2013: Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L347);

  • d. verordening 1306/2013: Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • e. verordening 1307/2013: Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • f. verordening 640/2014: Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PbEU 2014, L 181);

  • g. uitvoeringsverordening 809/2014: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PbEU 2014, L227);

  • h. richtlijn 2004/18/EG: richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PbEU 2004, L 134);

  • i. POP2: Nederlands plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 als bedoeld in artikel 15 van verordening 1698/2005;

  • j. POP3: Nederlands plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 als bedoeld in artikel 6 van verordening 1305/2013;

  • k. controle: uitoefening door ambtenaren van RVO.nl of NVWA van de bevoegdheid tot toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de van toepassing zijnde wetgeving;

  • l. baselinevoorwaarden: voorwaarden, bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van verordening 1306/2013, de relevante criteria en minimumactiviteiten zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c), ii) en iii), van verordening 1307/2013, en relevante minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere ter zake relevante dwingende voorschriften die bij nationaal recht zijn vastgesteld, zoals opgenomen in bijlage 3 bij onderhavige beleidsregel;

  • m. beheer onder de SVNL: beheer als bedoeld in hoofdstuk 4 en de afdelingen 5.1.2 en 5.1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de onderscheiden provincies;

  • n. beheer onder de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016: beheer door een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond als bedoeld in artikel 3.1 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies;

  • o. beschikte hectareprijs: het gemiddelde bedrag per hectare per jaar voor het realiseren van een leefgebied of onderdeel van een leefgebied, zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening op grond van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies;

  • p. jaarbetaling: jaarlijkse uitbetaling van een gedeelte van het totale bedrag van een verleende oppervlakte gebonden subsidie;

  • q. maximale vergoeding: de maximale vergoeding die betaald mag worden voor het uitvoeren van beheeractiviteiten als bedoeld in paragraaf 2.3 van deze beleidsregel;

  • r. randvoorwaarden: voorschriften, bedoeld in artikel 3.1 en bijlagen 3 en 4 van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB;

  • s. minister: Minister van Economische Zaken;

  • t. verenigingslid: landbouwer of andere grondgebruiker van landbouwgrond die lid is van een vereniging als bedoeld in onderdeel n;

  • u. bedrijfsperceel: oppervlakte die de gebruiker als behorende tot zijn bedrijf heeft geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op de door die Dienst aangegeven wijze.

Artikel 1.2. Toepassingsbereik beleidsregel

  • 2 Deze beleidsregel is van toepassing op subsidies die worden verstrekt ter uitvoering van POP3. Zij is tevens van toepassing op (termijn- of eind-) betalingsaanvragen voor projecten waarvoor onder het POP2 subsidie is verstrekt, die zijn ingediend na 31 december 2014 en die nog niet zijn afgehandeld op het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregel.

Artikel 1.3. POP subsidies volledig bekostigd met nationale middelen

De bepalingen inzake het verlagen van subsidies of van subsidiabele kosten zoals die zijn opgenomen in verordening 1306/2013, verordening 640/2014 en in onderhavige beleidsregel zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies die zijn verstrekt ter uitvoering van het POP2 en POP3 en die volledig worden bekostigd met nationale middelen.

Artikel 1.4. overmacht of uitzonderlijke omstandigheden

  • 1 Verlagingen of intrekkingen als bedoeld in deze beleidsregel worden niet toegepast indien de niet-nalevingen of tekortkomingen het gevolg zijn van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening 1306/2013, mits voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening 640/2014.

  • 2 Artikel 4, eerste lid, van verordening 640/2014 is van overeenkomstige toepassing op de verlaging of intrekking van subsidies als bedoeld in hoofdstuk 4 en de afdelingen 5.1.3 en 5.1.4 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer en hoofdstuk 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies.

Hoofdstuk 2. Voorschriften inzake oppervlakte gebonden subsidies

Paragraaf 2.1. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 2.1. toepassingsbereik

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op subsidies die zijn verstrekt ter uitvoering van het POP2 en POP3, waarbij de hoogte van de subsidie is gebaseerd op de oppervlakte waarop de subsidiabele activiteit dient te worden uitgevoerd.

Artikel 2.2. uniforme buffertolerantie oppervlaktemetingen

De uniforme buffertolerantie, bedoeld in artikel 38, vierde lid, van verordening 809/2014, bedraagt 1 meter.

Artikel 2.2a. maximale verlagingen

De verlagingen die op grond van dit hoofdstuk opgelegd worden, kunnen niet meer dan 100% van de subsidie of de jaarbetaling bedragen.

Paragraaf 2.2. Beheer onder de SVNL

Artikel 2.3. verlaging in verband met beheer

  • 1 Indien een subsidieontvanger voorschriften inzake het beheer niet naleeft of de betrokken landbouwgrond niet voldoet aan de terreinkenmerken die voor de subsidie zijn voorgeschreven, wordt de subsidie verlaagd of ingetrokken overeenkomstig Bijlage 1.

  • 2 Indien een niet-naleving, als bedoeld in het eerste lid, wordt geconstateerd, wordt de subsidie overeenkomstig artikel 36 van verordening 640/2014 geschorst en de subsidieontvanger verzocht de niet-naleving te herstellen binnen een termijn van maximaal 3 maanden, tenzij:

    • a. sprake is van opzettelijke nalatigheid; of

    • b. herstel niet meer mogelijk is.

  • 3 Bij de bepaling van de hersteltermijn, als bedoeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met de fysieke omstandigheden ter plaatse.

  • 4 Indien sprake is van een herhaalde niet-naleving van de voorschriften inzake het beheer als bedoeld in artikel 35, derde lid, vijfde alinea, van verordening 640/2014, wordt het kortingspercentage dat voortvloeit uit het eerste lid verhoogd met:

    • a. 10% bij een eerste herhaling;

    • b. 20% bij een tweede herhaling;

    • c. 30% bij een derde of verdere herhaling.

  • 5 Indien meerdere niet-nalevingen zijn geconstateerd, wordt per geconstateerde niet-naleving een verlaging vastgesteld en worden de verlagingen gecumuleerd.

  • 6 De verlaging, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt berekend als een percentage van de jaarbetaling voor de betreffende beheereenheid.

Artikel 2.4. onderdeclaratie arealen

Indien een subsidieontvanger niet alle in artikel 16 van Verordening 640/2014 bedoelde oppervlakten opgeeft en daarbij het verschil tussen enerzijds de totale in de betalingsaanvraag aangegeven oppervlakte en anderzijds de som van de aangegeven oppervlakte en de totale oppervlakte van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3 procent van de aangegeven oppervlakte, wordt het totale bedrag van de jaarbetalingen die in dat jaar aan die subsidieontvanger moet worden gedaan als volgt verlaagd:

  • a. indien het verschil groter is dan 3 procent en kleiner dan of gelijk aan 10 procent, bedraagt de verlaging 1 procent;

  • b. indien het verschil groter is dan 10 procent en kleiner dan of gelijk aan 20 procent, bedraagt de verlaging 2 procent;

  • c. indien het verschil groter is dan 20 procent, bedraagt de verlaging 3 procent.

Artikel 2.5. baselinevoorwaarden

Indien een subsidieontvanger één of meerdere baselinevoorwaarden niet naleeft, wordt de subsidieverlening geheel ingetrokken.

Artikel 2.6. verlaging in verband met randvoorwaarden

Artikel 2.7. vergroening en verbod op dubbele financiering

  • 1 Indien een subsidieontvanger de oppervlakte waarop hij beheer uitvoert gebruikt om te voldoen aan de verplichting om een ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 2.17 van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB te realiseren, ongeacht of hij daartoe gebruik maakt van een door de minister erkende certificeringsregeling, wordt de jaarbetaling verlaagd.

  • 2 De verlaging, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door de ingezette oppervlakte te vermenigvuldigen met de component inkomstenderving, indien die component deel uitmaakt van het tarief dat geldt voor de betreffende subsidiabele activiteit.

  • 4 De berekeningswijzen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden slechts toegepast voor zover de subsidiabele activiteit gelijk is aan de activiteit die de subsidieontvanger moet verrichten als onderdeel van de verplichting om een ecologisch aandachtsgebied te realiseren.

Artikel 2.7a. verhinderen monitoringswerkzaamheden

De jaarbetaling wordt geweigerd indien de subsidieontvanger verhindert dat door of vanwege Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie monitoringswerkzaamheden inzake het beheer worden uitgevoerd.

Paragraaf 2.3. Beheer onder de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016

Artikel 2.8. herhaalde niet-naleving

  • 2 Indien sprake is van een herhaalde niet-naleving van de in artikel 2.14, eerste of derde lid, bedoelde subsidieverplichtingen, worden de op grond van die leden op te leggen kortingspercentages verhoogd tot:

    • a. 2% bij een eerste herhaling;

    • b. 3% bij een tweede herhaling;

    • c. 5% bij een derde of verdere herhaling.

Artikel 2.9. verlaging in verband met beheer

  • 1 Indien een subsidieontvanger een beheeractiviteit waartoe hij zich heeft verbonden niet of niet juist uitvoert, wordt de subsidie voor die beheeractiviteit verlaagd overeenkomstig het verlagingspercentage in Bijlage 2.

  • 2 Indien een niet-naleving, als bedoeld in het eerste lid, wordt geconstateerd, wordt de subsidie overeenkomstig artikel 36 van verordening 640/2014 geschorst en de subsidieontvanger verzocht de niet-naleving te herstellen binnen een termijn van maximaal 3 maanden, tenzij:

    • a. sprake is van opzettelijke nalatigheid; of

    • b. herstel niet meer mogelijk is.

  • 3 Bij de bepaling van de hersteltermijn, als bedoeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met de fysieke omstandigheden ter plaatse.

  • 4 Indien meerdere niet-nalevingen zijn geconstateerd, wordt per geconstateerde niet-naleving een verlaging vastgesteld en worden de verlagingen gecumuleerd.

  • 5 De verlaging, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast op de jaarbetaling. De verlaging wordt berekend als een percentage van de maximale vergoeding voor de betreffende beheeractiviteit.

Artikel 2.9a. minimum- en maximumpercentages beheeractiviteit

  • 1 Indien in een beheeractiviteit is opgenomen dat die activiteit op een bepaald minimumpercentage van het leefgebied uitgevoerd moet worden en de subsidieontvanger hieraan niet voldoet, dan wordt de subsidiabele omvang van dat leefgebied, voor zover daarop de betreffende activiteit is uitgevoerd, zodanig verlaagd dat de oppervlakte waarop de betreffende beheeractiviteit is uitgevoerd gelijk is aan het vereiste minimumpercentage van het leefgebied.

  • 2 Indien in een beheeractiviteit is opgenomen dat die activiteit op niet meer dan een bepaald maximumpercentage van het leefgebied uitgevoerd mag worden en de subsidieontvanger dit maximumpercentage overschrijdt, dan is de betreffende beheeractiviteit niet subsidiabel voor zover die boven dat maximumpercentage is uitgevoerd.

  • 3 Indien een beheeractiviteit meerdere minimum- of maximumpercentages kent, dan worden voor de toepassing van het eerste en tweede lid slechts die oppervlaktes bij elkaar geteld waarvoor hetzelfde minimum- én maximumpercentage geldt voor de betreffende beheeractiviteit.

Artikel 2.10. verlaging in verband met randvoorwaarden

  • 1 Indien een verenigingslid een of meerdere randvoorwaarden niet naleeft, wordt de jaarbetaling aan de subsidieontvanger verlaagd.

  • 2 De verlaging, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend overeenkomstig artikel 2.6, met dien verstande dat het resulterende verlagingspercentage wordt toegepast op het bedrag dat voortvloeit uit de vermenigvuldiging van de beschikte hectareprijs en het aantal hectares waarmee het betreffende verenigingslid deelneemt aan het beheer.

  • 3 Indien een verenigingslid een of meerdere baselinevoorwaarden niet naleeft, wordt voor de hectares waarmee het verenigingslid in het betreffende jaar deelneemt aan het beheer geen jaarbetaling verstrekt.

Artikel 2.11. verlaging bij onderrealisatie leefgebied

Indien een subsidieontvanger ten aanzien van één of meerdere leefgebieden niet voldoet aan het minimum aantal hectares zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening, dan wordt de jaarbetaling voor het betreffende leefgebied en kalenderjaar:

  • a. verlaagd met het bedrag dat wordt gevormd door het verschil tussen de geconstateerde oppervlakte en het minimum aantal hectares te vermenigvuldigen met de beschikte hectareprijs, wanneer de afwijking kleiner dan of gelijk is aan 3%;

  • b. verlaagd met twee keer het bedrag dat voortvloeit uit onderdeel a, wanneer de afwijking meer dan 3% bedraagt, maar kleiner is dan of gelijk is aan 20%;

  • c. verlaagd met drie keer het bedrag dat voortvloeit uit onderdeel a, wanneer de afwijking meer dan 20% bedraagt, maar kleiner is dan of gelijk is aan 50%;

  • d. niet verstrekt wanneer de afwijking meer dan 50% bedraagt.

Artikel 2.11a. intekenen buiten bedrijfsperceel

Indien de subsidieontvanger in de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel h, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies, oppervlaktes opgeeft die geen bedrijfsperceel zijn, dan wordt de jaarbetaling verlaagd overeenkomstig artikel 2.11.

Artikel 2.11b. verhinderen monitoringswerkzaamheden en audit certificerende instantie

  • 1 De jaarbetaling wordt geweigerd indien de subsidieontvanger verhindert dat:

    • a. door of vanwege Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie monitoringswerkzaamheden inzake het beheer worden uitgevoerd, óf

    • b. een auditor van de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën de gegevensgerichte toetsing als bedoeld in artikel 7, derde lid, van verordening 908/2014 kan uitvoeren.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt, indien een verenigingslid de uitvoering van de monitoringswerkzaamheden of de audit verhindert, geen jaarbetaling verstrekt voor de hectares waarmee dat verenigingslid in het betreffende jaar deelneemt aan het beheer.

Artikel 2.12. vergroening en verbod op dubbele financiering

  • 1 De jaarbetaling wordt verlaagd indien een verenigingslid de oppervlakte waarop hij beheer uitvoert gebruikt om te voldoen aan de verplichting om een ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 2.17 van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB te realiseren, ongeacht of hij daartoe gebruik maakt van een door de minister erkende certificeringsregeling.

Artikel 2.13. geen effectuering verlagingen en uitsluitingen

  • 1 Gedeputeerde Staten berekenen aan de hand van de stukken, bedoeld in artikel 3.11, onderdelen b en h, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies en de uitgevoerde controles de jaarbetaling waarop de vereniging recht zou hebben indien de basis voor die berekening zou worden gevormd door de maximale vergoeding in plaats van de beschikte hectareprijs.

  • 2 Op de aldus berekende jaarbetaling wordt het totaalbedrag van verlagingen en uitsluitingen die op grond van de toepasselijke EU-verordeningen en de onderhavige paragraaf opgelegd zouden moeten worden, in mindering gebracht.

  • 3 Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, na toepassing van de verlagingen, bedoeld in het tweede lid, hoger is dan het bedrag in het betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel g, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies betalen Gedeputeerde Staten uit conform het betaalverzoek.

  • 4 Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, na toepassing van de verlagingen, bedoeld in het tweede lid, lager is dan het bedrag in het betaalverzoek, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel g, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies betalen Gedeputeerde Staten het lagere bedrag uit.

Artikel 2.14. Schending administratieve verplichtingen

  • 1 Indien de subsidieontvanger niet voldoet aan de subsidieverplichtingen, bedoeld in artikel 3.11, onderdelen b en h, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016, wordt de jaarbetaling verlaagd met 1% per werkdag dat niet voldaan wordt aan de betreffende subsidieverplichting.

  • 2 De jaarbetaling wordt niet verstrekt indien de subsidieontvanger de in artikel 3.11, onderdelen b en h, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 genoemde termijnen met meer dan 25 werkdagen overschrijdt.

  • 3 Indien de subsidieontvanger niet voldoet aan de subsidieverplichting, bedoeld in artikel 3.11, onderdelen d of n, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016, wordt de jaarbetaling voor de desbetreffende beheeractiviteit verlaagd met 1% per werkdag dat niet voldaan wordt aan de desbetreffende subsidieverplichting. De basis voor de in de eerste volzin bedoelde verlaging wordt gevormd door de maximale vergoeding.

  • 4 In afwijking van het derde lid bedraagt de jaarbetaling voor de betreffende jaaractiviteit € 0,– indien de subsidieontvanger de, in voorkomend geval gewijzigde, activiteit later meldt dan is aangegeven in bijlage 5, derde kolom van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies.

  • 5 Indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel h, van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016, blijkt dat de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de subsidieverplichting, bedoeld in artikel 3.11, onderdeel p, van die subsidieverordening, wordt geen subsidie verstrekt voor de beheeractiviteit waarvan het leefgebied en de beheerfunctie niet overeenkomt met het leefgebied en de beheerfunctie van de als eerste opgegeven beheeractiviteit.

Hoofdstuk 3. Voorschriften inzake niet-oppervlakte gebonden subsidies

Artikel 3.1. toepassingsbereik

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op subsidies die op grond van de Regeling POP3 subsidies van de onderscheiden provincies worden verleend ter uitvoering van het POP3 en waarbij de hoogte van de subsidie niet is gebaseerd op de oppervlakte van landbouwgrond.

Artikel 3.2. hersteltermijn

  • 2 De subsidie wordt geschorst indien verwacht wordt dat de subsidieontvanger binnen een reële hersteltermijn de niet-naleving kan herstellen.

  • 3 Geen hersteltermijn wordt geboden indien herstel niet mogelijk is omdat de niet-naleving een permanent karakter heeft en niet kan worden hersteld of indien niet alsnog aan de gestelde verplichtingen kan worden voldaan.

  • 4 Een reële hersteltermijn bedraagt ten minste 5 en maximaal 10 werkdagen.

  • 5 Betreft de tekortkoming het niet of niet geheel uitvoeren van één of meerdere activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt en waardoor de doelstelling van het project op de afgesproken einddatum van het project niet is of kan worden bereikt, dan zal de geboden hersteltermijn maximaal 20 werkdagen bedragen.

  • 6 Een hersteltermijn kan, indien de omstandigheden van het geval dat naar het oordeel van Gedeputeerde Staten rechtvaardigen, éénmalig worden verlengd met 5 tot 20 werkdagen.

Artikel 3.3. aanbestedingen

Indien de subsidieontvanger aanbestedingplichtig is op grond van de Aanbestedingswet 2012 en de Aanbestedingswet 2012 niet of niet volledig is nageleefd bij een aanbestedingplichtige activiteit, dan worden de gedeclareerde kosten die betrekking hebben op de desbetreffende opdracht gecorrigeerd overeenkomstig het kortingspercentage in Bijlage 4, deel II.

Artikel 3.4. niet realisatie activiteit

  • 1 Indien een subsidieontvanger de te subsidiëren activiteit gedeeltelijk niet realiseert waardoor de doelstelling van de subsidie als beschreven in de subsidieverleningsbeschikking geheel of gedeeltelijk niet gerealiseerd wordt, wordt de subsidie verlaagd overeenkomstig het kortingspercentage in Bijlage 4, deel I.

  • 2 In geval van een concrete actie die een investering in infrastructuur of een productieve investering omvat, wordt de subsidie verlaagd wanneer binnen vijf jaar na de eindbetaling aan de subsidieontvanger de concrete actie onderworpen is aan een van de gebeurtenissen als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van verordening 1303/2013. De subsidie wordt verlaagd overeenkomstig het kortingspercentage in Bijlage 4, deel I.

  • 3 Inzake een op te leggen verlaging kan advies gevraagd worden aan één of meerdere deskundige(n) of aan een adviescommissie.

Artikel 3.5. communicatieverplichtingen

Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan de voorwaarden inzake communicatie in de Regeling POP3 subsidies van de onderscheiden provincies wordt de subsidietoekenning verlaagd overeenkomstig het kortingspercentage in Bijlage 4, deel I.

Artikel 3.6. overige verplichtingen

Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan andere verplichtingen dan bedoeld in de artikelen 3.3, 3.4 of 3.5, die zijn opgenomen in de Regeling POP3 subsidies van de onderscheiden provincies of in de beschikking tot subsidieverlening, worden correcties of sancties toegepast waarbij voor de kortingspercentages wordt aangesloten bij de kortingspercentages zoals opgenomen in Bijlage 4, deel I.

Artikel 3.7. verslag omtrent de voortgang

Indien een subsidieontvanger een op grond van de Regeling POP3 subsidies van de onderscheiden provincies of de beschikking tot subsidieverlening voorgeschreven verslag omtrent de voortgang niet of niet tijdig aanlevert of het verslag voldoet niet aan de eisen die daaraan worden gesteld, wordt de vast te stellen subsidie verlaagd overeenkomstig het kortingspercentage in Bijlage 4, deel I.

Artikel 3.8. herhaalde niet-naleving

  • 1 Ingeval van herhaalde niet-naleving als bedoeld in artikel 35, derde lid, vijfde alinea, van verordening 640/2014, worden de in onderhavige beleidsregel en in Bijlage 4 opgenomen kortingspercentages als volgt verhoogd:

    • bij een eerste herhaling van dezelfde niet-naleving 0,5 procentpunt;

    • bij een 2e herhaling 1 procentpunt; en

    • bij een derde of frequentere herhaling 2 procentpunt.

  • 2 Indien sprake is van een herhaalde niet-naleving wordt, indien op grond van onderhavige beleidsregel of Bijlage 4 een maximum wordt gesteld aan de op te leggen correctie of sanctie, dit maximum naar rato verhoogd overeenkomstig het eerste lid.

  • 3 Indien bij een eerste niet-naleving geen correctie of sanctie werd opgelegd, wordt bij een herhaling van dezelfde niet-naleving een sanctie opgelegd overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 3.9. cumulatie

  • 1 In geval van cumulatie van op te leggen sancties worden verlagingen toegepast in de volgorde van de hoogte van de op te leggen sancties, van hoog naar laag . Bij de achtereenvolgende verlagingen wordt steeds rekening gehouden met de reeds toegepaste verlaging. Het kortingspercentage bedraagt maximaal 100% van de subsidieverlening.

  • 2 Indien meerdere aanbestedingsfouten in één en dezelfde opdracht worden geconstateerd is slechts de hoogste van de van toepassing zijnde correcties van toepassing.

Hoofdstuk 4. Voorschriften inzake subsidiemodules binnen het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies

Artikel 4.1

Voor subsidies die worden verstrekt op grond van hoofdstuk 4, titel 4.1, van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies geldt dat indien blijkt dat de totale oppervlakte van de te verzekeren percelen zoals aangegeven in de subsidieaanvraag lager is dan de oppervlakte vermeld in de verzekeringspolis, de subsidie evenredig procentueel wordt verlaagd met het vastgestelde verschil.

Artikel 4.2

De bepalingen uit hoofdstuk 3 en bijlage 4 zijn van overeenkomstige toepassing op niet-oppervlakte gebonden subsidies die worden verstrekt op grond van hoofdstuk 4 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies, met uitzondering van titel 4.1 daarvan.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 19 mei 2016

De

Staatssecretaris

van Economische Zaken,

M.H.P. van Dam

Bijlage 1. Verlaging subsidiebedrag beheer onder SVNL of PSAN

De hoogte van de subsidieverlaging wordt vastgesteld volgens de onderstaande tabel:

Omvang, ernst en duur

Effect op 0%–25% van de beheerde oppervlakte

Effect op meer dan 25%-50% van de beheerde oppervlakte

Effect op meer dan 50%–100% van de beheerde oppervlakte

Niet naleving beheervoorschriften

Afwijking heeft weinig effect op het realiseren van de doelstelling van de beheeractiviteit, en is binnen een termijn van maximaal 3 maanden te herstellen, afhankelijk van de betreffende fysieke doelstelling.

Geen verlaging

Geen verlaging

Geen verlaging

Heeft weinig effect op de realisatie doelstelling van de beheeractiviteit.

Verlaging bedraagt 10% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Heeft een aanzienlijk effect op de realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit.

Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

De realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit komt in gevaar.

Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 100% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

De realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit kan in de verdere looptijd van de beschikking niet meer behaald worden.

Verlaging bedraagt 100% van de totale subsidie. De subsidieverlening wordt overeenkomstig artikel 4:48 Awb ingetrokken.

Niet naleving terreinkenmerken

Terreinkenmerken komen niet overeen met de op grond van het beheerpakket of landschapspakket vereiste terreinkenmerken

Verlaging bedraagt 100% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden als de niet-naleving een afwijking betreft van het op grond van het beheerpakket of landschapspakket vereiste percentage aan terreinkenmerken en deze niet-naleving binnen een termijn van maximaal 3 maanden kan worden hersteld, afhankelijk van de betreffende fysieke omstandigheden.

In overige gevallen: Verlaging bedraagt 100% van de totale subsidie. De subsidieverlening wordt overeenkomstig artikel 4:48 Awb ingetrokken.

Bijlage 2. Verlaging subsidiebedrag beheer onder SVNL 2016

De hoogte van de verlaging wordt vastgesteld volgens de onderstaande tabel:

Omvang, ernst en duur

Effect op 0%–25% van de beheerde oppervlakte

Effect op meer dan 25%–50% van de beheerde oppervlakte

Effect op meer dan 50%–100% van de beheerde oppervlakte

Niet naleving voorschriften beheeractiviteit

Afwijking heeft weinig effect op het realiseren van de doelstelling van de beheeractiviteit, en is binnen een termijn van maximaal 3 maanden te herstellen, afhankelijk van de betreffende fysieke doelstelling.

Geen verlaging

Geen verlaging

Geen verlaging

Heeft weinig effect op de realisatie doelstelling van de beheeractiviteit.

Verlaging bedraagt 10% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Heeft een aanzienlijk effect op de realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit.

Verlaging bedraagt 15% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

De realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit komt in gevaar.

Verlaging bedraagt 30% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 60% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

Verlaging bedraagt 100% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

De realisatie van de doelstelling van de beheeractiviteit kan in de verdere looptijd van de beschikking niet meer behaald worden.

Verlaging bedraagt 100% van de betaling in het jaar dat de niet-naleving heeft plaatsgevonden

Bijlage 3. Baselinevoorwaarden zoals die per 1 januari 2020 gelden voor beheer op grond van de SVNL en de SVNL 2016

Nr.

Nederlands wetgevingskader

Artikelen

Onderwerp van controle

Aanvullende opmerking

1

Wet natuurbescherming

Artikel 3.1

Het verbod om bepaalde vogelsoorten te doden of te vangen, alsmede om hun nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen, te beschadigen of weg te nemen

 

2

Besluit gebruik meststoffen

Artikel 4

Het verbod op het gebruik van dierlijke mest in de van de grondsoort afhankelijke periode

 

3

Meststoffenwet in samenhang met de Uitvoeringsregeling meststoffenwet

Artikel 7 in samenhang met de artikelen 8, onderdelen a en b, 9, 10 en 12, eerste tot en met derde lid, van de Meststoffenwet en de artikelen 24 tot en met 29 van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet

Het verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf (dierlijke en/of stikstofhoudende) meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en/of de stikstofgebruiksnormen in acht zijn genomen

 

4

Meststoffenwet in samenhang met de Uitvoeringsregeling meststoffenwet

Artikel 7 in samenhang met de artikelen 8, onderdeel c, 11 en 12, vierde en vijfde lid van de Meststoffenwet en de artikelen 29a tot en met 35 van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet

Het verbod om in enig kalenderjaar op een bedrijf (fosfaathoudende) meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de fosfaatgebruiksnormen in acht zijn genomen

 

5

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 3:78, eerste lid, in samenhang met de artikelen 3:78a tot en met 3:83

De verplichting bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de daarbij behorende voorschriften na te leven

 

6

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 3:78, tweede lid, in samenhang met de artikelen 3:84 en 3:85

De verplichting bij het gebruik van meststoffen de daarbij behorende voorschriften in acht te nemen

 

7

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 2a

De verplichting om voldoende zorg in acht te nemen voor een juiste en veilige opslag van bestrijdingsmiddelen en biociden.

Baselinevoorwaarde geldt alleen voor de SVNL

8

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Artikel 71, eerste lid

Het verbod op het ontvangen, voorhanden hebben of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen of biociden zonder een geldig bewijs van vakbekwaamheid.

Baselinevoorwaarde geldt alleen voor de SVNL

9

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met bijlage 4, paragraaf 4, onderdelen E en F

De verplichting om op land- en tuinbouwgronden met een hellingspercentage van 2% of meer én een hellingslengte van meer dan 50 meter de voorgeschreven handelingen te verrichten om erosie te voorkomen

Baselinevoorwaarde geldt alleen voor zover de grond geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het grondgebied van de provincie Limburg ten zuiden van de doorgaande weg tussen Sittard en Wehr, tot aan de grens tussen Nederland en Duitsland, en van de doorgaande weg tussen Sittard en Urmond tot aan de grens tussen Nederland en België, met uitzondering van het winterbed van de Maas en het inundatiegebied van Geul en Gulp

10

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met bijlage 4, paragraaf 5

Het verbod om gewasresten op bouwland na de oogst te verbranden zonder vergunning van het College van Burgemeester en Wethouders

 

11

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met bijlage 4, paragraaf 6, onderdeel A

Het verbod om een houtopstand (anders dan bij wijze van dunning) zonder voorafgaande tijdige kennisgeving of in strijd met een kapverbod te (doen) vellen, of te (doen) vellen zonder deze te herbeplanten op een bosbouwkundig verantwoorde wijze

 

12

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met bijlage 4, paragraaf 6, onderdeel B

Het verbod om heggen en bomen te snoeien in de periode 15 maart t/m 15 juli

 

13

Provinciale (akker)distelverordening

-

De verplichting haarden van akkerdistel te verwijderen voordat zij tot bloei komen

Baselinevoorwaarde geldt alleen in de provincies Friesland, Utrecht en Zeeland

14

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Artikel 2.2, eerste lid

De verplichting om landbouwgrond in een voor begrazing of teelt geschikte staat te houden

 

Bijlage 4. Tabel correctie en sanctieregels POP niet-oppervlakte gebonden subsidies

Vooraf:

  • 1. Een correctie wil zeggen dat de door de begunstigde verantwoorde kosten verlaagd worden omdat de kosten om welke reden dan ook niet subsidiabel zijn (er zijn niet-subsidiabele kosten opgevoerd of kosten kunnen niet subsidiabel gesteld worden om andere redenen). Een sanctie betekent een verlaging naar aanleiding van een geconstateerde niet naleving van subsidievoorwaarden.

  • 2. Algemeen = 10% kortingsregel: indien bij een betalingsaanvraag, bedoeld in artikel 63 van uitvoeringsverordening 809/2014, het uit te betalen bedrag lager is dan het aangevraagde bedrag en het verschil bedraagt meer dan 10% van het uit te betalen bedrag, vindt een extra korting van de uitbetaling plaats ter hoogte van het verschil, tenzij artikel 1.4 van toepassing is (overmacht of uitzonderlijke omstandigheden / ‘geen schuld’). De extra korting kan ten hoogste leiden tot het tot nul verlagen van het uit te betalen bedrag.

  • 3. Bevindingen kunnen op ieder moment binnen het subsidie-traject gedaan worden. In onderstaande tabel wordt voor de inzichtelijkheid gebruik gemaakt van de onderverdeling in afwijkingen die gevonden zijn bij een betalingsverzoek (BV) een Controle ter Plaatse (CP) of ‘overig’ (O), maar indien tijdens een controle ter plaatse wordt geconstateerd dat er bv. sprake is van projectuitgaven die zijn gedaan buiten de projectperiode (BV1), dan is de bij BV1 genoemde sanctie wél van toepassing.

  • 4. Indien er door een op te leggen correctie en/of sanctie sprake is van een (deels) onverschuldigde betaling, wordt het onverschuldigd betaalde bedrag, verhoogd met wettelijke rente, binnen 18 maanden teruggevorderd, tenzij:

    • a. het van de begunstigde in het kader van een eenmalige betaling voor een steunregeling of steunmaatregels terug te vorderen bedrag, exclusief rente, niet hoger is dan 100 EUR, of

    • b. de terugvordering onmogelijk is als gevolg van erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid.

  • 5. Indien een geconstateerde afwijking een kennelijke fout van de aanvrager betreft, dan zal de fout ambtshalve gecorrigeerd worden en wordt geen sanctie opgelegd.

Onderwerp

Omschrijving afwijking

Correctie (van een betalingsaanvraag)

Sanctie (%, bedrag, anders) boven evt. correctie

Bron (Modelregeling POP3 subsidies (hierna: modelregeling) resp. REES resp. EU-regelgeving)

I. Uitvoering of financiering project (deels) niet conform regels, muv. regels inzake aanbesteding (voor aanbesteding: zie deel II van deze tabel)

(Iha) Vastgesteld bij betalingsverzoek (BV)

 

BV1

Uitgaven zijn buiten projectperiode gemaakt

100% van de kosten die buiten de projectperiode gemaakt zijn

– telt mee voor 10% kortingsregel (zie bij ‘Vooraf’ punt 2)

Artikel 1.12 lid 2 en 3 modelregeling.

Artikelen 2.9 en 2.20 REES.

 

BV2

Gedeclareerde kosten zijn al volledig gedekt vanuit ander fonds of andere subsidie

100% tav. kosten die al gedekt zijn

– telt mee voor 10% kortingsregel

Artikelen 1.8 sub b en 1.13 lid 1 sub b modelregeling.

Artikel 1.2 REES.

EU (voorschriften ten aanzien van cumulatie).

 

BV3

Totaal van subsidiabele kosten is niet goed berekend

Uitbetaling nav juiste berekening (correctie = 100% van verschil)

 

EU (voorschriften inzake goed financieel beheer).

 

BV4

Vervallen

     
 

BV5

Uitgaven zijn niet subsidiabel (zoals bijvoorbeeld declaratie van debetrente, terugvorderbare BTW, niet subsidiabel gestelde kosten, declaratie van kosten die niet tot project behoren)

100% tav kosten die niet subsidiabel zijn

– telt mee voor 10% kortingsregel

Artikelen 1.12, 1.12a en 1.13 modelregeling.

Artikelen 1.3 en 1.5 REES.

 

BV6

Gedeclareerde bedragen komen niet overeen met overgelegde bewijsstukken

100% tav niet afdoende onderbouwde kosten, dat wil zeggen kosten waarvan bewijsstukken ontbreken, onvolledig of niet correct zijn

– telt mee voor 10% kortingsregel

EU (voorschriften ten aanzien van goed financieel beheer).

 

BV7

Ontbreken van onafhankelijke waarde beoordeling van grond

Kosten aankoop grond niet vergoed (100% correctie op die post)

– telt mee voor 10% kortingsregel

Artikel 1.11 lid 3 modelregeling

 

BV8

Vervallen

     
 

BV9

Gedeclareerde kosten zijn naar het oordeel van de subsidieverstrekker en gelet op de omstandigheden van het geval niet redelijk. Dit is onder meer het geval indien gedeclareerde kosten voor aankoop grond hoger zijn dan de marktwaarde, blijkend uit onafhankelijke waarde beoordeling

100% van het verschil tussen gedeclareerde kosten en redelijk geachte kosten

– telt mee voor 10% kortingsregel

Artikel 1.13 lid 1 sub k modelregeling.

EU (voorschriften ten aanzien van goed financieel beheer)

(Iha) Vastgesteld bij controle ter plaatse (CP)

 

CP1

Ontbreken projectadministratie

a. Geheel

b. deels

100% tav de projectkosten waarvan de subsidiabiliteit niet kan worden vastgesteld omdat administratie ontbreekt

Korting van de uiteindelijk vast te stellen subsidie met 5%, met maximum van 1.500 euro. Indien de omstandigheden daar aanleiding toe zijn, kan het sanctie% lager vastgesteld worden

Artikel 1.17 lid 1 sub g modelregeling.

Artikel 2.17 REES

 

CP2

Project is nog niet of later gestart dan vereist, zonder dat aanpassing projectplan is aangevraagd

Korting van de uiteindelijk vast te stellen subsidie met 5%, tenzij 5% gelet op de omstandigheden van het geval niet redelijk is

Artikel 1.17 lid 1 sub e modelregeling.

Artikel 2.16 REES

 

CP3

Doelstelling(en) van het project niet of niet geheel gerealiseerd

 

Subsidie wordt verlaagd tot 0 indien doelstelling(en) van het project in het geheel niet gerealiseerd is/zijn. Indien de doelstelling(en) van het project deels bereikt is/ zijn, wordt de verleende subsidie verlaagd tot het % van inhoudelijke doelbereiking die gerealiseerd is, met daar boven een sanctie van 5% over de verleende subsidie van het deel dat niet gerealiseerd is, tenzij 5% gelet op de omstandigheden van het geval niet redelijk is

Artikel 1.27, lid 5 aanhef en sub a, b en c modelregeling.

Artikelen 2.16 en 2.20 lid 5 REES.

EU.

 

CP4

Investering is – nadat herstelmogelijkheid geboden is – niet gebruiksklaar op moment van indienen eindafrekeningsverzoek.

Subsidie wordt ingetrokken (100% sanctie), tenzij dit gelet op de omstandigheden van het geval niet redelijk is

Artikel 1.17 lid 1 sub c modelregeling EU.

 

CP5

Medewerking met controle wordt geweigerd

De betrokken steun- of betaalaanvraag wordt afgewezen, behalve in gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

 

Artikel 59 lid 7 Vo (EU) 1306/2013 jo. Artikel 1.17 lid 1 sub k modelregeling

 

CP6

Projectresultaat niet gedurende 5 jaar in stand gehouden

 

Naar rato van aantal jaren waarin op grond van de verrichte controle ter plaatse niet wordt voldaan aan de instandhoudingsplicht: 20% (4 jaar wel voldaan)-100% (geen volledig jaar voldaan) terugvordering van de uitbetaalde subsidie, indien niet langer wordt voldaan aan projectdoelstelling; 10-50% indien deels nog wordt voldaan aan project doelstelling

Artikel 1.17 lid 1 sub d modelregeling.

Artikel 2.19 REES

Overig (O)

 

O1

Voortgangsverslag is niet tijdig of niet volledig ingediend

Indien ook na gegeven herstelmogelijkheid het verslag niet of niet volledig ingediend wordt: korting bedraagt 1% van de uiteindelijk vast te stellen subsidie, met max. van 1.500 EUR

Artikel 1.17 lid 1 sub h modelregeling.

Artikel 2.18 REES

 

O2

Milieuvereisten zijn niet nageleefd, waardoor voor het project benodigde vergunning(en) wordt/worden ingetrokken

100% van de subsidie voor het onderdeel waarvoor geen vergunning is verleend

Telt mee voor 10% kortingsregel

 
 

O3

Er is sprake van ongeoorloofde staatssteun

100% van de subsidie voor het onderdeel waarvoor sprake is van ongeoorloofde staatssteun

EU-staatssteun regelgeving

 

O4

Vereisten voor gelijke behandeling zijn niet nageleefd

5% van de uiteindelijk vast te stellen subsidie, tenzij de omstandigheden van het geval aanleiding zijn tot een lagere sanctie

Artikel 7 van verordening 1303/2013/EU.

 

O5

Publicatievereisten zijn niet nageleefd

* tijdens het project

* na afronding van het project

maximaal 5% van de uiteindelijk vast te stellen subsidie, afhankelijk van de ernst van de afwijking van publicatievereisten gedurende de looptijd van het project

Artikel 1.17 lid 1 sub b modelregeling.

EU (verordening 808/2014/EU)

II Aanbestedingsregels niet nageleefd

II.1 Aankondiging van opdracht en bestek

 

A1.1

De opdracht is niet gepubliceerd volgens de juiste procedures.

Dit is ook van toepassing op rechtstreekse toekenningen of onderhandelingsprocedures zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van een opdracht, indien niet is voldaan aan de criteria voor het gebruik ervan.

 

100% van de opdracht

 
 

A1.2

In geval van EU-aanbestedingsplichtige opdracht: De opdracht is niet gepubliceerd volgens de juiste procedures, maar de opdracht is wel op een dusdanige wijze openbaar gemaakt dat gegadigden in andere lidstaten tijdig hebben/hadden kunnen reageren

 

25% van de opdracht

 
 

A2.1

In geval van EU-aanbestedingsplichtige opdrachten: Kunstmatige splitsing van opdracht en daardoor niet gepubliceerd volgens de juiste procedures én ook niet op andere wijze openbaar gemaakt

 

100% van de opdracht

 
 

A2.2

In geval van EU-aanbestedingsplichtige opdrachten: Kunstmatige splitsing van opdracht, maar de opdracht is wel op een dusdanige wijze openbaar gemaakt dat gegadigden in andere lidstaten tijdig hebben/hadden kunnen reageren

 

25% van de opdracht

 
 

A3

De aanbestedende dienst vermeldt niet de belangrijkste redenen voor hun besluit om de opdracht niet in delen op te splitsen.

 

5% van de opdracht

 
 

A4.1

Niet-naleving van de termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen en/of voor ontvangst van verzoeken tot deelname. De geboden termijn was korter dan de minimaal toegestane

 

* 100% van de opdracht indien de geboden tijd 0-15% is van de tijd die beschikbaar gesteld had moeten worden bedraagt of indien de geboden tijd 5 dagen of minder bedraagt,

* 25% indien 16-50% van de tijd geboden wordt;

* 10% indien 51-70% van de tijd geboden wordt;

* 5% indien 71-99% van de tijd geboden wordt

 
 

A4.2

Het niet verlengen van termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen terwijl er significante wijzigingen worden aangebracht in de aanbestedingsdocumenten.

 

10% van de opdracht indien de geboden tijd niet verlengd is bij significante wijzigingen in de aanbestedingsdocumenten

 
 

A5.1

Onvoldoende tijd voor potentiële inschrijvers/gegadigden om aanbestedingsstukken te verkrijgen. De geboden tijd was korter dan de minimaal toegestane

 

* 25% van de opdracht indien de geboden tijd 5 dagen of minder bedraagt,

* 10% van de opdracht indien geboden tijd 0-50% van de tijd die beschikbaar gesteld had moeten worden bedraagt, en

* 5% indien 51-80% van de tijd geboden wordt

 
 

A5.2

Er zijn beperkingen om aanbestedingsdocumenten te verkrijgen.

 

25% van de opdracht indien de contracterende partij geen kosteloze vrije, rechtstreekse en volledige elektronische toegang tot bepaalde aanbestedingsstukken heeft aangeboden

 
 

A6

De verlenging van termijnen voor inschrijving en/of voor ontvangst van verzoeken tot deelname is niet (correct) gepubliceerd.

Hieronder valt ook de situatie dat gevraagde nadere informatie niet (tijdig) aan alle inschrijvers is verstrekt

 

* 10% van de opdracht indien de verlenging van de termijn niet is gepubliceerd volgens de juiste procedures én ook niet op andere wijze openbaar gemaakt, of indien de termijn niet is verlengd terwijl aanvullende informatie niet uiterlijk zes dagen vóór de vastgestelde termijn wordt verstrekt,

* 5% van de opdracht indien de verlenging van de termijn niet is gepubliceerd volgens de juiste procedures, maar de opdracht is wel op een dusdanige wijze openbaar gemaakt dat gegadigden in andere lidstaten tijdig hebben/hadden kunnen reageren

 
 

A7

Gevallen die het gebruik van een mededingingsprocedure met onderhandeling of een concurrentiegerichte dialoog niet rechtvaardigen

 

* 25% van de opdracht indien de aanbestedende dienst een overheidsopdracht gunt door middel van een mededingingsprocedure met onderhandeling of een concurrentiegerichte dialoog in situaties waarin richtlijn 2014/24/EU niet voorziet

* 10% van de opdracht indien in de aanbestedingsdocumenten geen limiet voor het aantal geschikte kandidaten om een initiële inschrijving in te dienen is opgenomen en gelijke behandeling van alle inschrijvers tijdens de aanbestedingsonderhandelingen niet was gewaarborgd.

 
 

A8

Niet-naleving van de vastgestelde procedure voor elektronische en geaggregeerde aanbestedingen

 

* 25% van de opdracht indien de niet-naleving heeft geleid tot de gunning van een opdracht aan een andere partij dan aan de partij aan wie het had moeten worden gegund,

* 10% van de opdracht indien de niet-naleving een afschrikwekkende werking zou kunnen hebben gehad voor potentiële inschrijvers

 
 

A9.1

In de aankondiging stonden niet alle selectiecriteria en/of gunningscriteria (incl. de weging)

 

25% van de opdracht

 
 

A9.2

In de aankondiging stonden niet de voorwaarden waaronder de opdracht wordt uitgevoerd en/of technische specificaties

 

10% van de opdracht

 
 

A9.3

In de aankondiging of het bestek stonden de gunningscriteria en hun weging onvoldoende gedetailleerd gepubliceerd met als gevolg dat de concurrentie onrechtmatig wordt beperkt (het ontbreken van details zou een afschrikkende werking kunnen hebben gehad op potentiële inschrijvers)

 

10% van de opdracht

 
 

A9.4

De aanbestedende dienst heeft verduidelijkingen of aanvullende informatie (met betrekking tot selectie- en gunningcriteria) niet aan alle inschrijvers meegedeeld of gepubliceerd

 

10% van de opdracht

 
 

A10

Gebruik van

– criteria voor uitsluiting, selectie, gunning of

– voorwaarden waaronder de opdracht wordt uitgevoerd of

– technische specificaties

die discriminerend zijn op basis van ongerechtvaardigde nationale, regionale of lokale voorkeuren

 

* 25% van de opdracht indien ondernemers afgeschrikt hadden kunnen worden, en

* 10% van de opdracht indien er nog een minimumniveau van concurrentie was gewaarborgd (er waren inschrijvingen die werden aanvaard en aan de selectiecriteria voldeden)

 
 

A11

Gebruik van

– criteria voor uitsluiting, selectie, gunning of

– voorwaarden waaronder de opdracht wordt uitgevoerd of

– technische specificaties

die niet discriminerend zijn op basis van nationale, regionale of lokale voorkeuren maar de toegang voor marktdeelnemers alsnog beperken

 

* 25% van de opdracht indien minimumeisen inzake bekwaamheid voor een opdracht duidelijk niet relevant zijn voor de opdracht; of indien de uitsluitings-, selectie- en / of gunningscriteria of voorwaarden voor de uitvoering van contracten hebben geleid tot een situatie waarin slechts één marktdeelnemer een offerte kon indienen en dit resultaat niet kan worden gerechtvaardigd door de technische specificiteit van de opdracht,

* 10% van de opdracht indien onder meer minimumeisen inzake bekwaamheid wel relevant zijn maar niet in verhouding staan tot de opdracht; of indien tijdens de beoordeling van kandidaten de selectiecriteria als gunningscriteria werden gebruikt; of indien specifieke handelsmerken, merken of normen vereist zijn, behalve wanneer dergelijke vereisten betrekking hebben op een aanvullend deel van de opdracht en het potentiële effect op de EU-begroting slechts formeel is,

* 5% van de opdracht indien er nog een minimumniveau van concurrentie was gewaarborgd (er waren inschrijvingen die werden aanvaard en aan de selectiecriteria voldeden)

 
 

A12

De omschrijving in de aankondiging en/of het bestek was dermate gebrekkig dat de potentiële inschrijvers het voorwerp van de opdracht niet konden vaststellen wat een afschrikkende werking veroorzaakt waardoor de concurrentie mogelijk wordt beperkt.

 

10% van de opdracht.

 
 

A13

De aanbestedingsdocumentatie legt beperkingen op aan het gebruik van onderaannemers voor een deel van de opdracht dat in abstracte termen als een bepaald percentage van dat contract is vastgesteld, en ongeacht de mogelijkheid om de capaciteiten van potentiële onderaannemers te verifiëren en zonder enige vermelding van het wezenlijke karakter van de taken die het betreft.

 

5% van de opdracht

 

II.2 Selectie van inschrijvers en beoordeling van inschrijvingen

 

A14

Selectiecriteria zijn na de opening c.q. start van de aanbesteding aangepast waardoor ten onterechte inschrijvers zijn geaccepteerd.

De selectiecriteria zijn tijdens de selectieprocedure aangepast waardoor inschrijvers zijn geaccepteerd die niet zouden zijn geaccepteerd als de gepubliceerde selectiecriteria zouden zijn gevolgd (of afwijzing van schrijvers die dan niet zouden zijn afgewezen)

 

25% van de opdracht.

 
 

A15

Bij de beoordeling zijn gunningscriteria gebruikt die verschillen van die vermeld zijn in de aankondiging van de opdracht of het bestek; of aanvullende gunningscriteria zijn gebruikt die niet zijn gepubliceerd

 

* 25% van de opdracht indien dit een discriminerend effect had (op basis van ongerechtvaardigde nationale, regionale of lokale voorkeuren), en

* in andere gevallen 10%

 
 

A16

Er is onvoldoende audit trail voor de gunning van de opdracht

 

* 100% van de opdracht

voor het weigeren van toegang tot de relevante documentatie, en

* 25% van de opdracht indien de relevante documentatie onvoldoende is om de gunning van de opdracht te rechtvaardigen

 
 

A17.1

De aanbestedende dienst heeft tijdens de beoordeling toegestaan dat een inschrijver/ gegadigde zijn offerte mocht aanpassen en de wijziging leidt tot de gunning van de opdracht aan die inschrijver / gegadigde

 

25% van de opdracht

 
 

A17.2

Er vonden tijdens de gunning onderhandelingen met de indiener(s) van een offerte plaats met als gevolg dat de oorspronkelijke voorwaarden zoals vastgelegd in het bestek of de aankondiging substantieel zijn veranderd

 

25% van de opdracht

 
 

A17.3

Bij concessies staat de aanbestedende dienst een inschrijver / gegadigde toe het onderwerp, gunningscriteria en de minimumvereisten tijdens onderhandelingen te wijzigen, wanneer de wijziging leidt tot de gunning van de opdracht aan die inschrijver / gegadigde.

 

25% van de opdracht

 
 

A18

Onrechtmatige voorafgaande betrokkenheid van inschrijvers / gegadigden bij de aanbestedende dienst. Wanneer voorafgaand advies van een inschrijver leidt tot een verstoring van de mededinging of leidt tot een schending van de beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling en transparantie, in de voorwaarden die worden genoemd in de artikelen 40 en 41 van Richtlijn 2014/24/EU.

 

25% van de opdracht

 
 

A19

In het kader van een mededingingsprocedure met onderhandeling zijn de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht substantieel gewijzigd in de aankondiging van de opdracht of het bestek, waardoor een nieuwe opdracht gepubliceerd had moeten worden

 

25% van de opdracht

 
 

A20

Onterechte afwijzing van, gezien de opdracht, abnormaal lage inschrijver(s) zonder dat de aanbestedende dienst schriftelijk om uitleg heeft gevraagd over de door hem noodzakelijk geachte verduidelijkingen over de samenstelling van de desbetreffende offerte(s); of wanneer dergelijke vragen wel zijn gesteld maar de aanbestedende dienst niet kan aantonen dat het de antwoorden van de inschrijvers heeft beoordeeld

 

25% van de opdracht

 
 

A21

Belangenconflict met gevolgen voor de uitkomst van de aanbestedingsprocedure

 

100% van de opdracht indien een belangenconflict wordt vastgesteld dat niet bekendgemaakt is of onvoldoende is verminderd en de opdracht aan de betrokken inschrijver is gegund.

 
 

A22

Bid-rigging (wanneer groepen bedrijven samenspannen om prijzen te verhogen of de kwaliteit van goederen, werken of diensten die in openbare aanbestedingen worden aangeboden te verlagen) vastgesteld door een mededingingsautoriteit, rechtbank of andere bevoegde instantie

 

* 100% van de opdracht indien een persoon het beheers- en controlesysteem of de aanbestedende dienst heeft deelgenomen aan de bid-rigging door de inschrijvers van bid-rigging bij te staan en de opdracht aan een bid-rigging-onderneming is gegund (fraude /belangenconflict),

* 25% van de opdracht indien alleen samenspannende bedrijven aan de aanbestedingsprocedure hebben deelgenomen

* 10% van de opdracht indien de inschrijvers werkten zonder hulp van iemand uit het beheers- en controlesysteem of de aanbestedende dienst en de opdracht aan een van die bedrijven is gegund

 

II.3 Uitvoering van de opdracht

 

A23.1

Wijzigingen van bestanddelen van de opdracht in de aankondiging of het bestek;

elke prijsverhoging van meer dan 50% van de waarde van de oorspronkelijke opdracht

 

25% van de waarde van de opdracht plus de extra 100% van de waarde van de opdracht a.g.v. de wijzigingen

 
 

A23.2

Wijzigingen van bestanddelen van de opdracht in de aankondiging of het bestek;

Indien de wijzigingen niet in overeenstemming zijn met artikel 72, eerste lid, richtlijn 2014/24/EU tenzij aan de voorwaarden uit het tweede lid is voldaan

 

25% van de waarde van de opdracht plus de nieuwe werken / leveringen / diensten (indien aanwezig) als gevolg van de wijzigingen

 
 

A23.3

Wijzigingen van bestanddelen van de opdracht in de aankondiging of het bestek;

Indien er een substantiële wijziging van de bestanddelen van de opdracht (zoals de prijs, aard van de werkzaamheden, de uitvoeringstermijn, de betalingsvoorwaarden en de gebruikte materialen) is die de opdracht wezenlijk anders maakt (in elk geval wanneer aan een of meer voorwaarden van artikel 72, vierde lid, van richtlijn 2014/24/EU is voldaan)

 

25% van de waarde van de opdracht plus de nieuwe werken / leveringen / diensten (indien aanwezig) als gevolg van de wijzigingen

 
Terug naar begin van de pagina