Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15

Toekomstige wijziging(en) op 16-05-2025. Zie het overzicht van wijzigingen.
Geraadpleegd op 20-07-2024.
Geldend van 01-07-2024 t/m heden

Wet van 2 december 2015, houdende regels over het tijdelijk heffen van tol voor de gedeeltelijke bekostiging van de verbinding tussen de A15 bij Rozenburg en de A20 tussen Maassluis en Vlaardingen en de verbinding van de A15 tussen knooppunt Valburg en de A12 bij Zevenaar (Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, mede gelet op Richtlijn 1999/62/EG van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PbEG 1999, L 187), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Richtlijn 2013/22/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PbEU 2013, L 158), tol te heffen voor twee projecten met het oog op de bekostiging en financiering daarvan;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. (begripsbepalingen)

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • Blankenburgverbinding: verbinding tussen de A15 bij Rozenburg en de A20 tussen Maassluis en Vlaardingen;

  • boordapparatuur: boordapparatuur als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn;

  • dienstaanbieder: hoofddienstaanbieder, EETS-aanbieder of ETS-aanbieder;

  • dienstverleningsovereenkomst: overeenkomst als bedoeld in artikel 8a;

  • EETS-aanbieder: EETS-aanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn;

  • ETS-aanbieder: een toldienstaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn die zijn diensten beperkt tot de tolgebieden Blankenburgverbinding en ViA15;

  • hoofddienstaanbieder: hoofddienstaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn;

  • houder: houder als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EETS-richtlijn:

    • a. degene op wiens naam een motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister, bedoeld in artikel 42 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b. degene op wiens naam een motorrijtuig is gesteld in een buitenlands register betreffende aldaar geregistreerde motorrijtuigen, de registratie betreffende motorrijtuigen gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten, bijgehouden door Onze Minister van Defensie, alsmede enig andere registratie betreffende motorrijtuigen, waarvan hij gerechtigd is deze in Nederland te voeren;

  • motorrijtuig: motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • persoonsgegeven: persoonsgegeven als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

  • Richtlijn 99/62/EG: Richtlijn 99/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoer- tuigen (PbEG 1999, L 187);

  • toezichthouder: degene die is aangewezen op grond van artikel 15, eerste lid;

  • tolbesluit: besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

  • tolheffing: heffing voor het gebruik van een wegvak met een motorrijtuig;

  • toltarief: hoogte van de tolheffing per passage;

  • tolopgave: het tekort in de bekostiging van de aanleg van de Blankenburgverbinding onderscheidenlijk de ViA15 dat door tolheffing moet worden opgebracht;

  • tolsysteem: geheel van organisatorische maatregelen en voorzieningen die verband houden met de registratie, inning en handhaving en toezicht van tol;

  • tracébesluit: besluit als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet;

  • Uitvoeringsverordening (EU) 2020/204: Uitvoeringsverordening (EU) 2020/204 van de Commissie van 28 november 2019 inzake gedetailleerde verplichtingen van aanbieders van de Europese elektronische tolheffingsdienst, de minimuminhoud van de gebiedsverklaring van de Europese elektronische tolheffingsdienst, elektronische interfaces en eisen voor interoperabiliteitsonderdelen, en tot intrekking van Beschikking 2009/750/EG (PbEU 2020, L 43);

  • Verordening (EU) 2018/858: Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2019 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151);

  • verwerking van persoonsgegevens: verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, onderdelen 1 en 2, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

  • ViA15: verbinding van de A15 tussen knooppunt Valburg en de A12 bij Zevenaar.

Hoofdstuk 2. Tol

§ 2.1. Tolbesluit

Artikel 2. (tolbesluit)

  • 1 Onze Minister is bevoegd een besluit voor het heffen van tol te nemen, te wijzigen of in te trekken voor de gedeeltelijke bekostiging en financiering van de Blankenburgverbinding onderscheidenlijk de ViA15.

  • 2 Het tolbesluit bevat:

    • a. het wegvak waar tol wordt geheven;

    • b. de contante waarde van de tolopgave;

    • c. als het een besluit tot wijzigen of intrekken betreft, een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de negatieve gevolgen van de wijziging of intrekking.

  • 3 Een tolbesluit wordt in ieder geval ingetrokken op het moment dat de netto-opbrengsten, bedoeld in artikel 11, tweede lid, gelijk zijn aan de tolopgave.

Artikel 3. (tracébesluit geldt als tolbesluit)

  • 1 Het tracébesluit voor de Blankenburgverbinding onderscheidenlijk de ViA15 geldt als een tolbesluit. Voor zover het tracébesluit betrekking heeft op tolheffing, wordt dat in het tracébesluit uitdrukkelijk aangegeven. Artikel 2, tweede lid, onder a en b, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Bij de vaststelling van het tracébesluit wordt uitgegaan van gegevens en onderzoeken die gebaseerd zijn op de situatie dat tol wordt geheven.

  • 3 Een onherroepelijk tracébesluit kan voor zover dat betrekking heeft op tolheffing worden gewijzigd of ingetrokken door een tolbesluit.

Artikel 4. (uitvoeringsplan)

  • 1 Onze Minister werkt het tolsysteem uit in een uitvoeringsplan.

  • 2 Het uitvoeringsplan bevat een omschrijving van de kernelementen voor de uitvoering van het tolsysteem waaronder:

    • a. een algemene beschrijving van het tolsysteem;

    • b. de registratiemiddelen;

    • c. de betalingsmogelijkheden;

    • d. de klantenservice.

Artikel 4a. (registratie door middel van technisch hulpmiddel)

  • 1 Onze Minister is bevoegd op of aan het wegvak bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a met behulp van een locatiegebonden technisch hulpmiddel gegevens van een motorrijtuig vast te leggen en te verwerken. De volgende gegevens worden vastgelegd:

    • a. het kenteken,

    • b. de locatie, de datum en het tijdstip van vastlegging,

    • c. de beeldopnames van het motorrijtuig, en

    • d. voor zover van toepassing, de benodigde informatie uit de boordapparatuur.

  • 2 Onze Minister verwerkt de vastgelegde gegevens ten behoeve van de inning van het toltarief, de controle op tijdige betaling daarvan en de handhaving.

  • 4 Verwerking voor het doel, bedoeld in het tweede lid, kan plaatsvinden door de gegevens, bedoeld in het eerste lid, door middel van een technisch systeem geautomatiseerd te vergelijken met andere gegevens die voor dit doel zijn verkregen.

  • 5 De aanwezigheid van een locatiegebonden technisch hulpmiddel wordt ter plaatse op duidelijke wijze kenbaar gemaakt.

  • 6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inzet en het kenbaar maken van het gebruik van een technisch hulpmiddel, het aanwijzen en verwerken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en, voor zover van toepassing, de benodigde informatie uit de boordapparatuur.

Artikel 4b. (tijdelijke testomgeving technisch hulpmiddel)

[Vervalt op 16-05-2025. Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 1 Onze Minister is bevoegd om op een ander wegvak dan bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, voorafgaand aan de tolheffing tijdelijk een testomgeving tot stand te brengen waarin gegevens worden vastgelegd en waarmee getest kan worden of het technisch hulpmiddel bedoeld in artikel 4a, eerste lid, geschikt is voor gebruik op het wegvak bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a.

  • 2 Onze Minister is bevoegd de vastgelegde gegevens, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, te verwerken ten behoeve van het testen van het technisch hulpmiddel.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de inzet en het kenbaar maken van de testomgeving en wordt het wegvak aangewezen waarop wordt getest.

Artikel 5. (toltarief)

  • 1 Het toltarief voor het wegvak waar tol wordt geheven en de datum met ingang waarvan tol wordt geheven worden vastgesteld bij ministeriële regeling.

  • 2 Het toltarief wordt in ieder geval niet eerder geheven dan vier weken nadat het ontwerp van het uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 3 Het toltarief kan worden gedifferentieerd naar:

    • a. toegestane maximum massa van het motorrijtuig;

    • b. wijze waarop de betaling van het toltarief plaatsvindt onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 7 decies, leden 2 en 2bis, van Richtlijn 99/62/EG.

  • 4 Het toltarief en de tolopgave worden jaarlijks van rechtswege geïndexeerd.

  • 5 Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld over de berekening van het toltarief, de differentiatie van het toltarief, de verstrekking van een betalingsbewijs en de indexering van het toltarief en de tolopgave.

Artikel 5a. (tolheffer)

Artikel 6. (vrijstelling en ontheffing tolheffing)

  • 1 Een vrijstelling van artikel 7, eerste lid, geldt voor motorrijtuigen die blijkens:

    • a. een door Onze Minister van Defensie aangehouden registratie worden gebruikt door het Ministerie van Defensie;

    • b. een door Onze Minister van Defensie bekend gestelde registratie worden gebruikt door een bevriende krijgsmacht.

  • 2 Een vrijstelling van artikel 7, eerste lid, geldt voor bij ministeriële regeling aangewezen motorrijtuigen in het geval van bij die regeling omschreven calamiteiten en beheer- en onderhoudswerkzaamheden.

  • 3 Onze Minister kan bij uitzondering een vrijstelling verlenen van artikel 7, eerste lid, als dat wenselijk is in het belang van de verkeersdoorstroming, de openbare orde en veiligheid of in het algemeen belang.

  • 4 De houder kan bij Onze Minister een ontheffing van artikel 7, eerste lid, aanvragen voor motorrijtuigen die:

    • a. zijn ingericht en worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden;

    • b. zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van een stoffelijk overschot; of

    • c. uitsluitend worden gebruikt door politie en brandweer.

  • 5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aan een ontheffing, bedoeld in het vierde lid, voorwaarden en beperkingen worden gesteld.

§ 2.2. Inning toltarief

Artikel 7. (betalen toltarief)

  • 1 De houder is van rechtswege het toltarief, bedoeld in artikel 5, eerste lid, verschuldigd aan Onze Minister wegens het passeren van een wegvak of deel van een wegvak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a.

  • 2 Het toltarief kan rechtstreeks aan Onze Minister worden betaald of aan een dienstaanbieder waarmee een dienstverleningsovereenkomst is gesloten.

  • 3 De Minister maakt bij het heffen van het toltarief geen direct of indirect onderscheid als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van richtlijn 99/62/EG op grond van de nationaliteit van de weggebruiker, de lidstaat of het derde land waar de vervoerder gevestigd is, de lidstaat of het derde land waar het voertuig geregistreerd is, of de herkomst of de bestemming van het vervoer.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop het wegvak waar tol wordt geheven kenbaar wordt gemaakt.

§ 2.2.1. Betaling zonder dienstverleningsovereenkomst

Artikel 7a. (betalen zonder dienstverleningsovereenkomst)

Deze paragraaf is van toepassing als de houder geen dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten met een dienstaanbieder.

Artikel 7b. (betalen toltarief aan Onze Minister)

  • 1 Het verschuldigde toltarief wordt binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn betaald.

Artikel 8. (aanmaning bij verzuim betalen toltarief)

  • 4 Gedurende de termijn van een jaar na de datum, bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt geen vergoeding voor de aanmaning in rekening gebracht.

§ 2.2.2. Betaling met dienstverleningsovereenkomst

Artikel 8a. (dienstverleningsovereenkomst met een dienstaanbieder)

Deze paragraaf is van toepassing als de houder een dienstverleningsovereenkomst met een dienstaanbieder heeft gesloten.

Artikel 8b. (betaling aan een dienstaanbieder)

  • 1 De houder ontvangt een factuur van de dienstaanbieder waar een dienstverleningsovereenkomst mee is gesloten voor het door hem te betalen toltarief en betaalt het bedrag aan de dienstaanbieder.

  • 2 Om de inning van het toltarief te verzekeren, kan de dienstaanbieder in de dienstverleningsovereenkomst de verplichting opnemen tot zekerheidstelling voor de betaling.

  • 3 In de dienstverleningsovereenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:

    • a. het door de dienstaanbieder verzenden van een factuur aan de houder met daarin in ieder geval gespecificeerd het totaalbedrag aan toltarief, het aantal passages en de datum en het tijdstip van die passages;

    • b. het in ieder geval door middel van girale betaling door de houder kunnen betalen van het toltarief aan de dienstaanbieder;

    • c. de betalingstermijn die in de factuur voor de houder wordt opgenomen;

    • d. het beheren door de dienstaanbieder van de klantenrelatie met de houder met inbegrip van een procedure voor klachtenafhandeling;

    • e. het uitvoeren en naleven van het beveiligings- en privacybeleid van de dienstaanbieder;

    • f. het verstrekken van een kwitantie door de dienstaanbieder aan de houder nadat het toltarief door de dienstaanbieder is ontvangen.

  • 4 Artikel 2, zesde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/204 is van overeenkomstige toepassing bij het factureren, bedoeld in het eerste lid, van de houder door de ETS-aanbieder respectievelijk de hoofddienstaanbieder.

Artikel 8d. (verplichtingen van de hoofddienstaanbieder)

  • 1 De hoofddienstaanbieder is verplicht met elke houder die daarom verzoekt, een dienstverleningsovereenkomst te sluiten.

Artikel 8e. (relatie Onze Minister en dienstaanbieder)

  • 1 Als een dienstverleningsovereenkomst is gesloten, beëindigd, opgeschort of de opschorting is beëindigd, geeft de dienstaanbieder dat onmiddellijk door aan Onze Minister. Artikel 2, vierde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/204 is van overeenkomstige toepassing op de gegevensverstrekking door de ETS-aanbieder respectievelijk de hoofddienstaanbieder aan Onze Minister.

  • 2 Onze Minister geeft voor kentekens waarvoor een dienstverleningsovereenkomst is gesloten, dagelijks via elektronische weg aan de dienstaanbieder door hoe vaak een passage over een wegvak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, heeft plaatsgevonden. Als er meerdere dienstverleningsovereenkomsten voor hetzelfde kenteken zijn gesloten, wordt uitgegaan van de laatste in werking getreden overeenkomst.

  • 3 De dienstaanbieder betaalt het door de houder verschuldigde toltarief aan Onze Minister binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn nadat de gegevens, bedoeld in het tweede lid, door Onze Minister zijn doorgegeven aan de dienstaanbieder.

§ 2.2.3. Kwijtschelden toltarief

Artikel 9. (geen toltarief verschuldigd)

  • 2 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is de bestuurder onderscheidenlijk degene aan wie het motorrijtuig werd overgedragen het toltarief verschuldigd. Paragraaf 2.2 en Hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2.3. Bescherming persoonsgegevens

Artikel 10. (verwerking persoonsgegevens door Onze Minister)

[Toekomstige wijziging(en) op 16-05-2025. Zie het overzicht van wijzigingen]

  • 1 Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen persoonsgegevens die gebruikt worden voor de inning van het toltarief, de controle op tijdige betaling daarvan en de handhaving.

  • 2 Onze Minister verwerkt de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, die samenhangen met de motorrijtuigen die over een wegvak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, hebben gereden.

  • 3 Als het toltarief niet of niet geheel binnen de termijn, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, is betaald, is Onze Minister bevoegd de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verder te verwerken door deze te koppelen aan de naam, het adres en de woonplaats van de houder.

  • 4 Onze Minister bewaart de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, en de vastgelegde gegevens, bedoeld in artikel 4a, eerste lid:

    • a. niet langer dan veertien maanden, voor zover uit de vergelijking van de vastgelegde gegevens met de informatie, bedoeld in het zesde lid, blijkt dat sprake is van een geldende dienstverleningsovereenkomst; of

    • b. wanneer geen sprake is van een geldende dienstverleningsovereenkomst;

      • 1°. gedurende een termijn van ten hoogste zeven werkdagen na betaling van het toltarief binnen de termijn bedoeld in artikel 7b, eerste lid;

      • 2°. totdat, voor zover van toepassing, het toltarief na aanmaning, bedoeld in artikel 12, tweede lid, is betaald;

      • 3°. voor zover van toepassing, gedurende de termijn waarbinnen een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, bedoeld in artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht;

      • 4°. gedurende een termijn van vijf jaar, voor zover van toepassing, nadat de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onherroepelijk is en is betaald, of indien de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is vernietigd; of.

      • 5°. totdat, voor zover van toepassing, de termijn, bedoeld in artikel 4:104 van de Algemene wet bestuursrecht, is verstreken.

    • c. wanneer sprake is van verwerking in de testomgeving, bedoeld in artikel 4b, niet langer dan zeven werkdagen na het vastleggen van de gegevens, bedoeld in artikel 4a, eerste lid.

  • 5 Nadat is gebleken dat de houder op grond van artikel 6, eerste, tweede of derde lid, is vrijgesteld van de tolheffing, dat hij een ontheffing van de tolheffing heeft als bedoeld in artikel 6, vierde lid, of dat hij op grond van artikel 9, eerste lid, geen toltarief hoeft te betalen, worden de gegevens, bedoeld in het derde en vierde lid, onmiddellijk verwijderd.

  • 7 Dit artikel laat overige wettelijk voorgeschreven bewaartermijnen onverlet.

  • 8 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 10a. (verwerking persoonsgegevens door de toezichthouder)

  • 1 De toezichthouder is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen persoonsgegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 15, eerste lid.

  • 2 De persoonsgegevens worden bewaard totdat, voor zover van toepassing, een onherroepelijke bestuurlijke boete is betaald.

  • 3 Dit artikel laat overige wettelijk voorgeschreven bewaartermijnen onverlet.

Artikel 10b. (verwerking persoonsgegevens door de dienstaanbieder)

  • 1 Een dienstaanbieder is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens voor:

  • 2 De dienstaanbieder bewaart de persoonsgegevens niet langer dan nodig is voor het verrichten van de diensten, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Dit artikel laat overige wettelijk voorgeschreven bewaartermijnen onverlet.

§ 2.4. Mobiliteitsfonds

Artikel 11. (opbrengsten naar Mobiliteitsfonds)

Hoofdstuk 3. Handhaving

Artikel 12. (bestuurlijke boete bij betaling zonder overeenkomst)

  • 1 Het niet of niet geheel betalen van het toltarief binnen de op grond van artikel 7b, eerste lid, gestelde termijn is een overtreding ter zake waarvan Onze Minister aan de houder, een bestuurlijke boete kan opleggen, die bestaat uit een bedrag van € 35,– vermeerderd met het oorspronkelijke toltarief en, indien paragraaf 2.2.1 van toepassing is, de aanmaningsvergoeding.

  • 2 Als een aanmaning tot betaling van het toltarief is verzonden, wordt de bestuurlijke boete niet opgelegd dan nadat de termijn, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is verstreken.

  • 3 De betaling van de bestuurlijke boete geschiedt binnen twee weken nadat de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden.

  • 4 Als de bestuurlijke boete niet tijdig geheel is betaald, zendt Onze Minister de houder, een eerste aanmaning en wordt de bestuurlijke boete van rechtswege met vijftig procent verhoogd. De betaling geschiedt binnen vier weken na verzending van de eerste aanmaning het verhoogde bedrag te betalen.

  • 5 Als het verhoogde bedrag, bedoeld in het vierde lid, niet binnen de in dat lid gestelde termijn geheel betaald is, zendt Onze Minister de houder, een tweede aanmaning en wordt het verhoogde bedrag van rechtswege verder verhoogd met honderd procent van dat bedrag. De betaling geschiedt binnen vier weken na verzending van de tweede aanmaning het verder verhoogde bedrag te betalen.

  • 6 Als het verder verhoogde bedrag, bedoeld in het vijfde lid, niet binnen de in dat lid gestelde termijn geheel betaald is, is Onze Minister bevoegd tot uitvaardiging van een dwangbevel.

Artikel 13. (verval verplichting betalen toltarief bij bestuurlijke boete)

De verplichting tot betaling van het toltarief en de aanmaningsvergoeding, bedoeld in artikel 4:113, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vervalt als een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 12, eerste lid, is opgelegd.

Artikel 14. (verzuim bestuurlijke boete)

Als de bestuurlijke boete niet binnen de in artikel 12, derde lid, gestelde termijn is voldaan, of niet onmiddellijk is voldaan in een geval als bedoeld in artikel 15, vierde lid, is de houder, in verzuim voor de bestuurlijke boete, inclusief de daarop te vallen verhogingen, bedoeld in artikel 12, vierde en vijfde lid.

Artikel 15. (het toezicht op de naleving)

  • 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • 3 Op de eerste vordering van een aangewezen persoon als bedoeld in het eerste lid is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat te doen stilstaan.

  • 4 Als het motorrijtuig is staande gehouden met toepassing van het derde lid, kan een beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 12, eerste lid, worden bekendgemaakt door uitreiking aan de bestuurder als:

    • a. de betalingstermijn na de aanmaning, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is verstreken; of

    • b. de termijn voor het betalen van het toltarief, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, is verstreken en er voorafgaand aan de staandehouding geen aanmaning aan de houder, kon worden gezonden.

    In afwijking van de termijn, bedoeld in artikel 12, derde lid, moet deze bestuurlijke boete onmiddellijk worden betaald.

  • 5 Indien in afwijking van het vierde lid de bestuurlijke boete niet onmiddellijk is betaald, is enkel na het verstrijken van twee weken nadat de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, artikel 12, vierde tot en met achtste lid, van toepassing.

  • 6 Onze Minister is bevoegd om in het geval, bedoeld in het vierde lid, of in het geval dat de houder geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder opgelegde, onherroepelijke bestuurlijke boete voor een overtreding als bedoeld in artikel 12, eerste lid, bij wijze van voorlopige maatregel het motorrijtuig naar een door Onze Minister aangewezen plaats te doen overbrengen en in bewaring te stellen, dan wel aan het motorrijtuig een mechanisch hulpmiddel te doen aanbrengen, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. Onze Minister kan vorderen dat, voordat het voertuig aan de bestuurder wordt teruggegeven, naast de kosten van overbrenging en bewaring, eveneens het bedrag van de opgelegde bestuurlijke boete inclusief de daarop te vallen verhogingen zal worden voldaan.

  • 7 Bij de beschikking, bedoeld in het vierde lid, wordt gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het zesde en negende lid.

  • 8 Voldoening van het bedrag van de opgelegde bestuurlijke boete laat de mogelijkheid om tegen de opgelegde boete, die is bekendgemaakt overeenkomstig het vierde lid, bezwaar te maken of beroep in te stellen onverlet. Het bezwaar en beroep tegen de bestuurlijke boete richt zich ook tegen de voorlopige maatregel, bedoeld in het zesde lid. Wordt het bezwaar of beroep gegrond verklaard, dan wordt het bedrag van de bestuurlijke boete en, als toepassing is gegeven aan het zesde lid, het motorrijtuig teruggegeven.

  • 9 Als twaalf weken na de aanvang van de voorlopige maatregel, bedoeld in het zesde lid, de rechthebbende zijn motorrijtuig niet heeft afgehaald, wordt hij geacht zijn recht op de zaak te hebben opgegeven en is Onze Minister bevoegd het motorrijtuig om niet aan een derde in eigendom te doen overdragen, te verkopen of te doen vernietigen.

  • 10 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de overbrenging, bewaring, eigendomsoverdracht om niet, verkoop, vernietiging, de berekening van de kosten van overbrenging en bewaring, alsmede over hetgeen verder voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijk is.

Artikel 16. (handhavingsplan)

  • 1 Onze Minister werkt de handhaving voor de tolheffing en het toezicht uit in een handhavingsplan.

  • 2 Het handhavingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop:

    • a. een boete wordt opgelegd;

    • b. de boete wordt geïnd, in het bijzonder in het geval dat er geen gegevens van de houder, bekend zijn, en

    • c. het toezicht op het netwerk georganiseerd is.

Artikel 17. (voorhang handhavingsplan)

Het toltarief, bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt in ieder geval niet eerder geheven dan vier weken nadat het ontwerp van het handhavingsplan, bedoeld in artikel 16, eerste lid, aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 4. Bezwaar en beroep

Artikel 18. (beroepsgronden)

Het bezwaar- of beroepschrift tegen de bestuurlijke boete kan zich ook richten tegen de verplichting tot het betalen van het toltarief, bedoeld in artikel 7, en voor zover van toepassing de aanmaningskosten, bedoeld in artikel 8.

Hoofdstuk 5. Overige en slotbepalingen

Artikel 19. (verslag)

Onze Minister zendt telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid van deze wet in de praktijk.

Artikel 25. (inwerkingtreding)

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 26. (citeertitel)

Deze wet wordt aangehaald als: Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

Wassenaar, 2 december 2015

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de vijftiende december 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Naar boven