Wet windenergie op zee

Geldend van 11-11-2021 t/m heden

Wet van 24 juni 2015, houdende regels omtrent windenergie op zee (Wet windenergie op zee)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het realiseren van meer windenergie op zee bijdraagt aan het verwezenlijken van de hernieuwbare energiedoelstellingen, dat op zee meerdere activiteiten plaatsvinden waar windparken op zee ingepast moeten worden, dat het aansluiten van windparken op het elektriciteitsnet tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten moet plaatsvinden waardoor het wenselijk is om coördinatie van de ruimtelijke inpassing van windenergie op zee te versterken;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en werkingssfeer

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • aansluitpunt: punt waarop een aansluitverbinding wordt aangesloten op een net of op een installatie;

  • kavel: locatie voor een windpark;

  • kavelbesluit: besluit waarin een kavel en een tracé voor een aansluitverbinding zijn aangewezen;

  • net: een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998;

  • Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  • vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 12;

  • windenergie: energiedrager die ontstaat na omzetting van wind;

  • windpark: een samenstel van voorzieningen waarmee windenergie wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van windenergie.

Hoofdstuk 2. Kavelbesluit

Artikel 3

  • 1 Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, een kavelbesluit nemen.

  • 3 Onze Minister betrekt bij de afweging tot het nemen van een kavelbesluit:

    • a. de vervulling van maatschappelijke functies van de zee, waaronder het belang van een doelmatig ruimtegebruik van de zee;

    • b. de gevolgen van een aanwijzing voor derden;

    • c. het milieu belang, waaronder het ecologisch belang met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5 en 7;

    • d. de kosten om een windpark in het gebied te realiseren;

    • e. het belang van een doelmatige aansluiting van een windpark op een aansluitpunt.

Artikel 4

  • 1 Onze Minister verbindt aan een kavelbesluit regels en voorschriften die in ieder geval betrekking hebben op:

    • a. de rechten en andere belangen van derden met betrekking tot de kavel;

    • b. de voorwaarden waaronder het milieu wordt beschermd;

    • c. de voorwaarden en beperkingen waaronder is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast en, in voorkomend geval, het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 2.8, zevende lid, van de Wet natuurbescherming;

    • d. de voorwaarden en beperkingen waaronder Onze Minister een vrijstelling als bedoeld in artikel 7 verleent;

    • e. het belang van een doelmatig ruimtegebruik van een windpark;

    • f. de termijn waarvoor de vergunning wordt verleend;

    • g. financiële voorwaarden als bedoeld in artikel 28.

  • 2 Onze Minister neemt in een kavelbesluit de volgende onderdelen op:

    • a. een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken, beperken of compenseren van de gevolgen van de bouw en exploitatie van een windpark;

    • b. een beschrijving van de tijdelijke maatregelen en de tijdelijk te treffen voorzieningen die nodig zijn voor de verwezenlijking van het windpark;

    • c. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van de geografische omvang van het kavel en de ligging van het tracé van de aansluitverbinding;

    • d. de uitkomsten van het onderzoek naar meteorologische omstandigheden, bodemgesteldheid, stromingen en golfhoogtes, milieukundig bodemonderzoek, archeologisch onderzoek en overig milieukundig onderzoek;

    • e. de termijn waarbinnen Onze Minister de gevolgen van de ingebruikneming van een kavel onderzoekt en een opgave van de daarbij te onderzoeken milieuaspecten.

  • 3 Bij kavelbesluit kan worden afgeweken van de op grond van artikel 6.6 van de Waterwet gestelde regels met betrekking tot het gebruik van het waterstaatswerk Noordzee door het plaatsen van installaties of kabels.

  • 4 Het is verboden te handelen in strijd met het kavelbesluit en de daaraan verbonden regels en voorschriften.

Artikel 5

Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing op projecten waarop het kavelbesluit betrekking heeft. Indien die projecten de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in die wet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, is artikel 2.8 van die wet en het krachtens artikel 2.9, vierde lid, van die wet bepaalde, van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van een kavelbesluit.

Artikel 7

  • 5 Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kunnen in het kavelbesluit voorschriften worden verbonden, onverminderd het tweede lid. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 9

  • 1 Om te voorkomen dat een locatie, waarvoor een kavelbesluit wordt voorbereid, minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van windparken kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor die locatie een voorbereidingsbesluit nemen.

  • 2 Bij het voorbereidingsbesluit kan worden bepaald dat het in daarbij aangewezen gevallen verboden is:

    • a. werken of werkzaamheden uit te voeren of

    • b. het gebruik van werken te wijzigen.

  • 3 Het voorbereidingsbesluit vervalt indien niet binnen een jaar na de inwerkingtreding daarvan een ontwerp voor een kavelbesluit ter inzage is gelegd.

  • 4 Het is verboden te handelen in strijd met een voorbereidingsbesluit.

Artikel 10

  • 1 Kosten die samenhangen met het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 3, 4, 5, en 7 kunnen ten laste komen van degene aan wie de vergunning wordt verleend.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de verhaalbare kostensoorten.

  • 3 De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij ministeriële regeling.

Artikel 11

  • 1 Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, kan een kavelbesluit wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

    • a. gedurende drie achtereenvolgende jaren na het onherroepelijk worden van een kavelbesluit geen vergunning voor de kavel wordt verleend;

    • b. zich omstandigheden of feiten voordoen waardoor de handeling of handelingen waarvoor het kavelbesluit is genomen niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op de in artikel 3 bedoelde doelstellingen en belangen;

    • c. een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan daartoe verplicht;

    • d. nog geen vergunning voor de kavel is aangevraagd en de wijziging van ondergeschikte aard is;

    • e. het tijdvak, bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt verlengd.

  • 3 Tot intrekking van een kavelbesluit wordt niet overgegaan voor zover kan worden volstaan met wijziging of aanvulling van de aan het kavelbesluit verbonden regels en voorschriften.

Hoofdstuk 3. Vergunning

§ 3.1. Algemene bepalingen

Artikel 12

Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister een windpark te bouwen of te exploiteren in de Nederlandse territoriale zee of de Nederlandse exclusieve economische zone.

Artikel 12a

  • 1 Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend met gebruikmaking van een middel, dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 2 Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend binnen de bij ministeriële regeling vastgestelde aanvraagperiode.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen twee of meer kavels worden aangewezen waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend.

  • 4 Een aanvraag bevat in ieder geval:

    • a. een ontwerp voor het windpark;

    • b. een tijdschema voor de bouw en exploitatie van het windpark;

    • c. een raming van de kosten en opbrengsten;

    • d. een lijst met de bij de bouw en exploitatie van het windpark betrokken partijen;

    • e. een beschrijving van de kennis en ervaring van de betrokken partijen.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop een aanvraag wordt ingediend en over de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag worden overgelegd.

  • 6 Voor de behandeling van aanvragen om een vergunning worden kosten in rekening gebracht bij de aanvrager. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de hoogte van de kosten vast.

Artikel 13

Onze Minister verleent geen vergunning voor:

  • a. een gebied dat is gelegen buiten een kavel en het tracé voor de aansluitverbinding dat is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid, of

  • b. een kavel waarvoor reeds een vergunning is verleend.

Artikel 14

  • 1 Een vergunning kan slechts worden verleend indien op grond van de aanvraag voldoende aannemelijk is dat de bouw en exploitatie van het windpark:

    • a. uitvoerbaar is;

    • b. technisch haalbaar is;

    • c. financieel haalbaar is;

    • d. gestart kan worden binnen een bij ministeriële regeling te bepalen periode;

    • e. economisch haalbaar is binnen het in de vergunning bepaalde tijdvak;

    • f. voldoet aan het kavelbesluit.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de beoordelingscriteria, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 14a

  • 1 De verlening van een vergunning geschiedt met de toepassing van de:

    • a. procedure met subsidieverlening,

    • b. procedure van een vergelijkende toets,

    • c. procedure van een vergelijkende toets met financieel bod, of

    • d. procedure van een veiling.

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van Financiën, bepaald welke procedure of procedures worden toegepast. Voorafgaand aan de keuze welke procedure of procedures worden toegepast, onderzoekt Onze Minister de marktcondities.

  • 3 Indien aanvragen voor een vergunning voor meerdere procedures kunnen worden ingediend, wordt bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister van Financiën, bepaald in welke volgorde de behandeling van de aanvragen plaatsvindt. Bij ministeriële regeling kan, na overleg met Onze Minister van Financiën, worden bepaald dat een aanvrager uitsluitend voor één procedure een aanvraag kan indienen.

  • 4 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald wanneer sprake is van één aanvraag.

Artikel 15

  • 1 In een vergunning wordt bepaald:

    • a. voor welk tijdvak de vergunning geldt;

    • b. voor welk kavel de vergunning geldt;

    • c. binnen welke tijdvakken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, de in de vergunning aangegeven activiteiten dienen te worden verricht.

  • 2 Het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is passend bij de te verwachten levensduur van een windpark en het specifieke gebied waarop de vergunning betrekking heeft, maar ten hoogste 40 jaar.

  • 3 Onze Minister kan aan een vergunning voorwaarden en voorschriften verbinden.

  • 4 Onze Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel c. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en de ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

  • 5 Het is verboden te handelen in strijd met de vergunning, de daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften, alsmede de ontheffing, bedoeld in het vierde lid, en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen.

Artikel 15a

  • 1 De vergunning wordt onder de opschortende voorwaarde verleend dat de houder van een vergunning als zekerheid voor de bouw van een windpark op zee een waarborgsom of een bankgarantie heeft verstrekt.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

    • a. de hoogte van de waarborgsom of de bankgarantie;

    • b. de termijn waarbinnen de waarborgsom of de bankgarantie moet zijn verstrekt;

    • c. de periode waarvoor de waarborgsom of de bankgarantie moet worden verstrekt.

  • 3 Indien niet tijdig aan de krachtens het tweede lid gestelde voorwaarden is voldaan, wordt de vergunning voor de desbetreffende kavel verleend aan de aanvrager die als eerstvolgende voor verlening van de vergunning in aanmerking komt.

  • 4 De waarborgsom of de bankgarantie wordt tot een bij ministeriële regeling te bepalen hoogte verbeurd indien een houder van een vergunning de in de vergunning aangegeven activiteiten niet binnen de desbetreffende tijdvakken heeft verricht.

Artikel 16

  • 1 De houder van een vergunning kan de vergunning met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan.

  • 2 Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden en een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.

  • 4 Indien de termijn voor het stellen van een zekerheid als bedoeld in artikel 15a nog niet is verstreken, verleent Onze Minister geen toestemming indien de beoogde vergunninghouder geen zekerheid heeft gesteld die voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 15a.

Artikel 17

  • 1 Onze Minister kan een vergunning wijzigen of intrekken, indien:

    • a. de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest,

    • b. de activiteiten waarvoor de vergunning geldt niet langer worden uitgevoerd,

    • c. de subsidie die op grond van artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies is verleend, is ingetrokken of

    • d. dit wordt gerechtvaardigd door een wijziging in de technische of financiële mogelijkheden van de houder.

  • 2 Onze Minister kan een vergunning intrekken, indien

    • a. niet overeenkomstig het kavelbesluit is of wordt gehandeld,

    • b. niet overeenkomstig de vergunning is of wordt gehandeld of

    • c. de regels op grond van deze wet of de Waterwet voor de activiteiten waarvoor de vergunning geldt niet worden nageleefd.

  • 3 Onze Minister gaat niet over tot intrekking op grond van het tweede lid, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de situatie die aanleiding geeft tot intrekking zich blijft voordoen of opnieuw voordoet.

  • 4 Onze Minister kan een vergunning op aanvraag van de houder wijzigen of intrekken.

  • 5 De vergunning vervalt van rechtswege:

    • a. als de houder een natuurlijke persoon is, met ingang van de dag na die waarop die persoon is overleden;

    • b. als de houder een rechtspersoon is, met ingang van de dag na die waarop de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan.

Artikel 18

  • 1 Dit artikel is van toepassing op het houden van een vergunning door meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon.

  • 2 Bij de aanvraag om een vergunning worden de personen gezamenlijk als aanvrager van de vergunning beschouwd. Na verlening worden zij gezamenlijk als houder van de vergunning beschouwd.

  • 3 Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing als een van de personen zijn aandeel in de vergunning op een ander wil doen overgaan.

  • 4 In afwijking van artikel 17, vijfde lid, vervalt de vergunning niet als één van de houders die een natuurlijke persoon is, overlijdt dan wel één van de houders die een rechtspersoon is, ophoudt te bestaan, maar wordt de vergunning gehouden door de overblijvende medehouders.

§ 3.3. Procedure van een vergelijkende toets

Artikel 24

  • 1 Onze Minister verleent de vergunning aan de aanvrager van wie de aanvraag het hoogst is gerangschikt.

  • 2 Onze Minister betrekt bij de rangschikking in ieder geval:

    • a. de zekerheid van realisatie van het windpark;

    • b. de bijdrage van het windpark aan de energievoorziening.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de criteria, bedoeld in het tweede lid, en kunnen aanvullende criteria worden vastgesteld die bij de rangschikking worden betrokken.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria.

Artikel 25

Onze Minister beslist op de aanvragen binnen 13 weken na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, en kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 13 weken verlengen.

§ 3.4. Procedure van een vergelijkende toets met financieel bod

Artikel 25b

  • 1 Onze Minister verleent de vergunning aan de aanvrager van wie de aanvraag het hoogst is gerangschikt.

  • 2 Onze Minister betrekt bij de rangschikking in ieder geval:

    • a. de hoogte van het financiële bod;

    • b. de zekerheid van realisatie van het windpark;

    • c. de bijdrage van het windpark aan de energievoorziening.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de criteria, bedoeld in het tweede lid, en kunnen aanvullende criteria worden vastgesteld die bij de rangschikking worden betrokken.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de onderlinge weging van de rangschikkingscriteria.

Artikel 25c

Onze Minister beslist op de aanvragen binnen 13 weken na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, en kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 13 weken verlengen.

§ 3.5. Procedure van een veiling

Artikel 25e

  • 1 Bij ministeriële regeling worden, na overleg met Onze Minister van Financiën, regels gesteld over de toepassing en uitvoering van de procedure van veiling.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde regels hebben in elk geval betrekking op:

    • a. de wijze waarop een bod wordt uitgebracht;

    • b. de eisen die aan een geldig bod worden gesteld;

    • c. de gevallen waarin biedingen ongeldig kunnen worden verklaard;

    • d. maatregelen ten behoeve van een ongestoord en eerlijk verloop van de veiling;

    • e. de zekerheidstelling dat een bod gestand wordt gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;

    • f. de bij veiling toe te passen methode ter vaststelling van het bod waarvan de uitbrenger in aanmerking komt voor verlening van de vergunning;

    • g. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van betaling en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben verricht.

  • 3 Een aanvrager verstrekt als zekerheid voor de betaling van het bod een waarborgsom of een bankgarantie ter grootte van een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

  • 4 De zekerheid wordt verstrekt voor de periode tot:

    • a. in geval van afwijzing van de aanvraag, het tijdstip van de afwijzing;

    • b. in geval van niet in behandeling nemen van de aanvraag, het tijdstip van het besluit om de aanvraag niet te behandelen;

    • c. in geval van toewijzing van de aanvraag, het tijdstip waarop het bod volledig is betaald.

Artikel 25f

  • 1 Onze Minister verleent de vergunning aan de aanvrager met het hoogste bod.

  • 2 Onze Minister beslist op de aanvragen binnen 13 weken na afloop van de procedure van veiling, bedoeld in artikel 25e, en kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 13 weken verlengen.

Hoofdstuk 4. Toezicht en handhaving

Artikel 26

  • 1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren. Indien de aanwijzing ambtenaren betreft, ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze Minister, wordt het desbetreffende besluit genomen in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat.

  • 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 27

Onze Minister kan ingeval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet de overtreder een last onder bestuursdwang opleggen.

Artikel 28

  • 1 Onze Minister kan bepalen dat zekerheid gesteld wordt voor de nakoming van hetgeen verschuldigd zal worden, ingeval hij een last onder bestuursdwang oplegt ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

  • 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, rust op de houder van de vergunning, dan wel, indien de vergunning haar geldigheid heeft verloren, op de laatste houder van de vergunning.

  • 3 Het bedrag en de termijnen waarvoor en de tijdstippen en de wijze waarop de zekerheid wordt gesteld ten aanzien van het verwijderen, dan wel het na verwijdering slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde windparken, worden vastgesteld in het kavelbesluit en dienen in de overige gevallen ten genoegen van Onze Minister te zijn.

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 34

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

Wassenaar, 24 juni 2015

Willem-Alexander

De Minister van Economische Zaken,

H.G.J. Kamp

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de dertigste juni 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie,

G.A. van der Steur

Terug naar begin van de pagina