Verordening op de advocatuur

Geraadpleegd op 23-05-2022.
Geldend van 01-01-2021 t/m 31-12-2021

Besluit van het college van afgevaardigden van 4 december 2014 tot vaststelling van de verordening op de advocatuur (Verordening op de advocatuur)

Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten,

Overwegende dat het uit een oogpunt van kenbaarheid en vermindering van regels wenselijk is de bestaande verordeningen te harmoniseren, te vereenvoudigen en in een verordening te integreren;

Gezien het voorstel van de algemene raad;

Gelet op de artikelen 4, vijfde lid, 9b, zesde lid, 9c, tweede lid, 9j, derde en vierde lid, 28, eerste en tweede lid, 32a, vijfde lid, 36a, vijfde lid, van de Advocatenwet;

Stelt de volgende verordening vast:

Hoofdstuk 1. Definities

Afdeling 1.1. Definities

Artikel 1.1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat;

  • advocaat bij de Hoge Raad: de advocaat, bedoeld in artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet;

  • advocatenpas: het door de Nederlandse orde van advocaten verstrekte middel dat dient ter identificatie van de advocaat als zodanig;

  • authenticatiemiddel: een elektronisch middel dat een set van eigenschappen bevat waarmee de identiteit van een natuurlijk persoon kan worden vastgesteld;

  • basistest: de test, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a;

  • beoefenaar van een toegelaten vrij beroep: een beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen b en c;

  • beroepsopleiding advocaten: de opleiding, bedoeld in artikel 9c, van de Advocatenwet;

  • buitenstagiaire: de stagiaire aan wie op grond van artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet vrijstelling is verleend van de verplichting bij een patroon kantoor te houden;

  • CCBE: Council of Bars and Law Societies of Europe;

  • certificaat beroepsopleiding: het bewijs, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Advocatenwet, dat met gunstig gevolg het in artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd;

  • deken: de deken van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Advocatenwet;

  • derdengelden: gelden die een relatie hebben met de dienst die door de advocaat wordt verleend en die niet zijn bestemd voor de advocaat in het kader van zijn optreden in die hoedanigheid, maar voor de cliënt of een derde, uitgezonderd verschotten en griffierechten;

  • financiële resultaat: het totaal van de ontvangen hoofdsom, rente, kostenvergoedingen, inclusief vergoeding op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek en (proces)kostenveroordelingen;

  • geaccrediteerde opleidingsinstelling: een opleidingsinstelling die de in artikel 3.25 bedoelde accreditatie heeft verkregen;

  • geheimhouder: een advocaat of een persoon met een van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht en afgeleid verschoningsrecht;

  • geheimhoudernummer: een telefoon- of faxnummer dat doorgaans gebruikt wordt door geheimhouders voor vertrouwelijke communicatie;

  • gestructureerd intercollegiaal overleg: een gestructureerd overleg over vraagstukken met betrekking tot de dagelijkse praktijkvoering van advocaten;

  • houdster-rechtspersoon: een rechtspersoon die als feitelijke en statutaire activiteit heeft direct of indirect aandelen te houden in een praktijkrechtspersoon, lid te zijn van een coöperatie of op daarmee vergelijkbare wijze deel te nemen in een praktijkrechtspersoon;

  • intervisie: een gestructureerde en periodieke bespreking in een kleine groep hiërarchische gelijkwaardige professionals waarin dilemma’s en vragen over het eigen functioneren, de praktijkvoering en praktijkuitoefening centraal staan;

  • klacht: iedere schriftelijke uiting van ongenoegen van of namens de cliënt jegens de advocaat of de onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie, niet zijnde een klacht als bedoeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet;

  • onderwijsaanbieders: de aanbieder, bedoeld in artikel 3.24, de uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten en een geaccrediteerde opleidingsinstelling;

  • patroon: de advocaat onder wiens begeleiding de stagiaire de praktijk uitoefent;

  • peer review: een gestructureerde inhoudelijke beoordeling van bij een advocaat in behandeling zijnde of behandelde dossiers door een reviewer, gevolgd door een gesprek tussen de advocaat en de reviewer;

  • praktijk uitoefenen in dienst: een advocaat die op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling een werkgever heeft;

  • praktijkrechtspersoon: iedere op de uitoefening van de rechtspraktijk gerichte rechtspersoon die voldoet aan de in artikel 5.7 gestelde eisen, niet zijnde een houdster-rechtspersoon;

  • raad van de orde: de raad van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet;

  • samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3;

  • specifieke kosten: kosten verbonden aan de behandeling van een zaak, waaronder in ieder geval

    • a. kosten gemaakt in opdracht van de advocaat voor medische adviezen en medische informatieverstrekking, toedrachtsonderzoeken of inschakeling van rekenbureaus, arbeidsdeskundigen en schade-experts; en

    • b. reiskosten van de advocaat, kosten van getuigen en tolken, deurwaarderskosten, kosten van gerechtelijk of buitengerechtelijk tussen partijen benoemde deskundigen, griffierecht, alsmede het bedrag van de eventuele kostenveroordeling van de rechtzoekende;

  • stage: de uitoefening van de praktijk door een advocaat onder begeleiding van een patroon;

  • stagiaire: een advocaat die verplicht is zijn praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon;

  • stagiaire-ondernemer: de stagiaire die de praktijk voor eigen risico en rekening uitoefent;

  • stichting derdengelden: een stichting die ten doel heeft de derdengelden te beheren;

  • uitvoeringsorganisatie: de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3.23.

Hoofdstuk 2. Organisatie van de Nederlandse orde van advocaten

Afdeling 2.1. Raden en commissies

Paragraaf 2.1.1. Raad van advies

Artikel 2.1. Leden raad van advies

  • 1 De leden van de raad van advies hebben daarin zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie zonder last of ruggespraak uit.

  • 2 Benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid en ervaring die nodig is voor een goede vervulling van de taak van de raad van advies.

Artikel 2.2. Taakomschrijving raad van advies

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 32a, tweede lid, van de Advocatenwet heeft de raad van advies tot taak de algemene raad te adviseren over de maatschappelijke positionering van de Nederlandse orde van advocaten en over hoofdpunten van beleid die de algemene raad daartoe aan de raad van advies voorlegt.

Paragraaf 2.1.2. Dekenberaad

Artikel 2.5. Leden dekenberaad

  • 1 Er is een dekenberaad dat uit de dekens van de orden in de arrondissementen bestaat.

  • 2 De deken en secretaris van de algemene raad nemen deel aan het overleg van het dekenberaad, tenzij het dekenberaad anders beslist.

Artikel 2.6. Werkzaamheden dekenberaad

De werkzaamheden van het dekenberaad zijn:

  • a. het uitwisselen van informatie en kennis met betrekking tot toezicht en klachtbehandeling;

  • b. het signaleren en bespreken van ontwikkelingen op het gebied van toezicht en klachtbehandeling;

  • c. het verzamelen van informatie met betrekking tot toezicht en klachtbehandeling ten behoeve van de verslaglegging, bedoeld in artikel 2.24; en

  • d. het uitwisselen van informatie en kennis ter bevordering van een uniforme uitvoering van bij of krachtens de Advocatenwet aan de dekens en de raden van de orde opgedragen taken.

Paragraaf 2.1.3. Commissie cassatie

Artikel 2.8. Leden van de commissie cassatie

  • 1 Er is een commissie cassatie die bestaat uit ten minste vijf leden die deskundig zijn op het terrein van cassatie in burgerlijke zaken.

  • 2 Een lid van de commissie cassatie is geen lid van of niet werkzaam bij:

    • a. de Hoge Raad;

    • b. het parket bij de Hoge Raad;

    • c. een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten;

    • d. een orgaan van de orde van advocaten in een arrondissement, uitgezonderd de jaarlijkse vergadering van de orde, bedoeld in artikel 17a, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet;

    • e. de raden van discipline; of

    • f. het hof van discipline.

Artikel 2.9. Taakomschrijving commissie cassatie

Een door de algemene raad te bepalen aantal leden van de commissie cassatie heeft tot taak namens de algemene raad het mondeling examen, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel b, af te nemen van advocaten die de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wensen te verkrijgen en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, af te nemen van advocaten bij de Hoge Raad.

Paragraaf 2.1.4. Nederlandse delegatie, commissies en werkgroepen CCBE

Artikel 2.12. Leden delegatie, commissies en werkgroepen CCBE

  • 1 Er is een Nederlandse delegatie bij de CCBE die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder de algemeen secretaris, een medewerker van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten die als information officer optreedt en een lid van de algemene raad.

  • 3 De algemene raad wijst het hoofd van de delegatie aan.

  • 4 De algemene raad kan één of meer vertegenwoordigers namens de Nederlandse orde van advocaten laten deelnemen in door de CCBE ingestelde commissies of werkgroepen.

Artikel 2.13. Taakomschrijving delegatie, commissies en werkgroepen CCBE

  • 1 De delegatie bij de CCBE heeft tot taak het vertegenwoordigen van de Nederlandse orde van advocaten bij de standing committee en de plenaire vergadering van de CCBE.

  • 2 De Nederlandse vertegenwoordiging in commissies en werkgroepen van de CCBE heeft tot taak, na afstemming met de algemene raad:

    • a. het vertegenwoordigen van de Nederlandse orde van advocaten;

    • b. het geven van advies aan de algemene raad over Europese wet- en regelgeving en beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen.

Artikel 2.14. Benoeming delegatie, commissieleden en werkgroepleden CCBE

  • 1 De algemene raad benoemt de leden van de delegatie voor een periode van ten hoogste vier jaar.

  • 2 De algemene raad benoemt, op verzoek van de CCBE, de Nederlandse vertegenwoordigers in commissies en werkgroepen van de CCBE voor een periode van ten hoogste vier jaar.

  • 3 Een lid van de delegatie, commissie of werkgroep kan eenmaal worden herbenoemd.

  • 4 Het lidmaatschap van de delegatie, een commissie of werkgroep eindigt van rechtswege bij beëindiging van het lidmaatschap van de algemene raad.

  • 5 Het lidmaatschap van een commissie of werkgroep eindigt van rechtswege bij opheffing van de commissie of werkgroep.

Paragraaf 2.1.5. Adviescommissie regelgeving

Artikel 2.16. Leden adviescommissie regelgeving

  • 1 Er is een adviescommissie regelgeving die uit vier tot acht leden bestaat, waarvan de meerderheid, waaronder de voorzitter, advocaat is.

  • 2 Een lid van de adviescommissie regelgeving is geen lid van of werkzaam bij:

    • a. het college van afgevaardigden,

    • b. de algemene raad,

    • c. een raad van de orde in een arrondissement,

    • d. een raad van discipline, of

    • e. het hof van discipline.

Artikel 2.17. Taakomschrijving adviescommissie regelgeving

  • 1 De adviescommissie regelgeving heeft tot taak de algemene raad gevraagd te adviseren over voorstellen van regelgeving van de Nederlandse orde van advocaten ten aanzien van de juridische en wetgevingskwaliteit van voorgenomen regelgeving van de Nederlandse orde van advocaten.

  • 2 De algemene raad bericht de adviescommissie tot welk gevolg het advies heeft geleid en zendt het advies mee met conceptregelgeving aan het college van afgevaardigden.

  • 3 Een lid van de algemene raad kan de vergaderingen van de commissie bijwonen.

Paragraaf 2.1.5a. Adviescommissie beroepsopleiding advocaten

Artikel 2.19c. Benoeming leden adviescommissie beroepsopleiding advocaten

  • 1 De algemene raad benoemt de leden van de adviescommissie beroepsopleiding advocaten voor een periode van ten hoogste vier jaar.

  • 2 Bij de benoeming draagt de algemene raad er zorg voor dat in ieder geval:

    • a. ten minste drie leden advocaat zijn;

    • b. ten minste drie leden afkomstig zijn uit het wetenschappelijk onderwijs;

    • c. één lid afkomstig is per organisatie, bedoeld in de artikelen 3.24 en 3.25;

    • d. ten minste twee leden uit de rechterlijke macht.

  • 3 Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.

Paragraaf 2.1.6. Overige adviescommissies

Paragraaf 2.1.6a. Commissie disciplinaire rechtspraak

Artikel 2.23a. Leden commissie disciplinaire rechtspraak

  • 1 Er is een commissie disciplinaire rechtspraak die uit drie tot zes personen bestaat, waarvan de meerderheid advocaat is.

  • 2 Een lid van de commissie disciplinaire rechtspraak is geen lid of niet werkzaam bij:

    • a. de algemene raad,

    • b. een raad van de orde in een arrondissement,

    • c. een raad van discipline, of

    • d. het hof van discipline.

Paragraaf 2.1.7. Verslag en ondersteuning

Artikel 2.24. Verslag van werkzaamheden

  • 1 De raad van advies brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan de algemene raad, die dit ter kennis brengt van het college van afgevaardigden.

  • 2 Het dekenberaad brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan het college van afgevaardigden en het college van toezicht.

  • 3 De verslagen zijn openbaar en de algemene raad publiceert deze elektronisch.

Artikel 2.25. Secretariaat commissies

  • 1 De algemene raad voorziet in het secretariaat van:

    • a. het dekenberaad;

    • b. de commissie cassatie;

    • c. de adviescommissie regelgeving;

    • d. de adviescommissie beroepsopleiding advocaten.

  • 2 De algemene raad kan voorzien in het secretariaat van de raad van advies en de overige adviescommissies, bedoeld in artikel 2.20.

Afdeling 2.2. Inkomsten en uitgaven

Paragraaf 2.2.1. Bijdragen aan de Nederlandse orde van advocaten

Artikel 2.26. Verschuldigdheid financiële bijdrage

  • 1 De advocaat die op 1 januari van enig jaar op het tableau staat ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.

  • 2 De advocaat die in het eerste kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.

  • 3 De advocaat die in het tweede kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 75% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.

  • 4 De advocaat die in het derde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 50% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.

  • 5 De advocaat die in het vierde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 25% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.

  • 6 Aan de advocaat wordt in een kalenderjaar in totaal niet meer dan de eerst verschuldigde financiële bijdrage van het betreffende kalenderjaar in rekening gebracht.

Artikel 2.27. Voorstel hoogte financiële bijdrage

  • 1 De algemene raad doet het college van afgevaardigden jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de financiële bijdrage, die kan verschillen naar gelang van:

    • a. de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid van de advocaat in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage verschuldigd is;

    • b. de duur of voorwaardelijkheid van de inschrijving van de advocaat op 1 januari van dat jaar.

  • 2 De algemene raad kan regels stellen over:

    • a. de wijze van berekening van en de bewijsmiddelen voor het bruto-inkomen uit arbeid;

    • b. de indeling in categorieën, afhankelijk van de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid, de duur of de voorwaardelijkheid van de inschrijving.

Paragraaf 2.2.2. Opleidings- en examengelden

Artikel 2.28. Opleidings- en examengeld beroepsopleiding advocaten

  • 1 De uitvoeringsorganisatie brengt aan de stagiaire die deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, respectievelijk het in artikel 3.19, eerste lid, genoemde examen, opleidings- en examengeld in rekening voor het voorportaal, met uitzondering van de basistest, en de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b. De aanbieder, bedoeld in artikel 3.23, brengt aan de stagiaire, bedoeld in de eerste volzin, het verschuldigde bedrag voor de basistest in rekening. De factuur kan op naam worden gesteld van het kantoor van de stagiaire.

  • 2 De hoogte van het opleidings- en examengeld onderscheidenlijk het verschuldigde bedrag voor de basistest wordt vastgesteld door de algemene raad.

Paragraaf 2.2.3. Vacatiegelden en kostenvergoedingen

Artikel 2.31. Rechthebbenden vacatiegeld en reiskostenvergoeding

  • 1 De algemene raad kent vacatiegeld en een reiskostenvergoeding toe aan:

    • a. de leden van een raad van discipline en het hof van discipline die tevens advocaat zijn;

    • b. de leden en plaatsvervangende leden van het college van afgevaardigden en de leden van het college van afgevaardigden die zijn benoemd in de financiële commissie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Advocatenwet;

    • c. de leden van de raad van advies en de commissie cassatie;

    • d. de leden van de redactie van het Advocatenblad die tevens advocaat zijn.

  • 2 Onder plaatsvervangende leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: als zodanig gekozen leden.

Artikel 2.32. Rechthebbenden reiskostenvergoeding

De algemene raad vergoedt de reiskosten van:

  • a. de deken en de overige leden van de algemene raad;

  • b. de door de algemene raad benoemde leden van adviescommissies;

  • c. de leden van de adviescommissie regelgeving;

  • d. degene die op verzoek van de algemeen deken, de algemene raad of het college van afgevaardigden een bijeenkomst bijwoont en de Nederlandse orde van advocaten officieel vertegenwoordigt;

  • e. de leden van een door het college van afgevaardigden ingestelde voorbereidingscommissie.

Paragraaf 2.2.4. Subsidie ondersteuning tuchtcolleges

Artikel 2.36a. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op het verlenen van subsidie voor activiteiten die door de stichting ondersteuning tuchtcolleges advocatuur worden uitgevoerd en welke passen binnen de statutaire doelstellingen van de stichting.

Artikel 2.36c. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1 De algemene raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van een subsidieplafond.

  • 2 De algemene raad wijst bij de bekendmaking van een subsidieplafond op de mogelijkheid dat dit subsidieplafond kan worden verlaagd en betrekt daarbij de gevolgen voor de reeds ingediende aanvragen.

  • 3 Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld.

Artikel 2.36d. Subsidieaanvraag

  • 1 De aanvraag tot subsidieverlening wordt schriftelijk ingediend bij de algemene raad.

  • 2 Een aanvraag wordt ingediend uiterlijk 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

Artikel 2.36f. Subsidieverlening

  • 1 De algemene raad kan besluiten tot het verstrekken van subsidie met inachtneming van de in de begroting van de Nederlandse orde van advocaten opgenomen financiële middelen en het subsidieplafond.

  • 2 De algemene raad besluit op een volledige aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk vóór 31 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 3 De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de subsidieverlening.

  • 4 De algemene raad geeft in het besluit tot subsidieverlening aan op welke wijze de verantwoording van de subsidie door de verkrijger plaatsvindt.

  • 5 Indien een subsidie wordt verstrekt vindt eenmalige betaling plaats door overmaking van de gehele subsidie.

Artikel 2.36g. Verplichtingen en toestemming

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid kan de algemene raad verplichtingen opleggen met betrekking tot:

    • a. het aangaan van verplichtingen met een looptijd langer dan één jaar;

    • b. het verhogen van de personeelsformatie van de subsidieontvanger;

    • c. het uitputten en onderling aanvullen van begrotingsposten;

    • d. de maximale grootte en jaarlijkse toename van de egalisatiereserve;

    • e. de berekening van uurtarieven, de gebruikmaking van kostenbegrippen en productienormen;

    • f. de aan de subsidie gekoppelde productie gedurende een kalenderjaar;

    • g. de wijze waarop het betalingsverkeer en de autorisatie van een betaling plaatsvindt;

Artikel 2.36h. Verantwoording en subsidievaststelling

  • 1 De aanvraag tot subsidievaststelling wordt schriftelijk ingediend bij de algemene raad uiterlijk dertien weken na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2 De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van:

    • a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht;

    • b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten in een financieel verslag of jaarrekening; en

    • c. een balans op het einde van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

  • 3 De algemene raad kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid of andere gegevens opvragen die voor de subsidievaststelling van belang zijn.

  • 4 De algemene raad besluit op een aanvraag tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

Hoofdstuk 3. Stage

Afdeling 3.1. Stage

Paragraaf 3.1.1. Algemeen

Artikel 3.2. Voltooide stage

De stagiaire krijgt de verklaring, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet, op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:

Artikel 3.3. Deeltijd

  • 1 De stagiaire die in deeltijd werkzaam is, oefent de praktijk uit voor ten minste 24 uur per week.

  • 2 In afwijking van het eerste lid oefent de stagiaire-ondernemer die in deeltijd werkzaam is, de praktijk uit voor ten minste 32 uur per week.

  • 3 De stagiaire die in deeltijd wenst te werken, informeert de raad van de orde over het voorgenomen aantal uren dat per week gewerkt zal worden, voorafgaand aan de uitoefening van de praktijk en voorafgaand aan iedere wijziging in het aantal uren dat per week gewerkt zal worden.

Artikel 3.4. Stage geëindigd of opgeschort

  • 1 De stage eindigt zonder stageverklaring:

    • a. met wederzijds goedvinden van patroon en stagiaire;

    • b. door opzegging door de stagiaire;

    • c. door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring van de raad van de orde;

    • d. door een ambtshalve beslissing van de raad van de orde.

  • 2 De stage is van rechtswege opgeschort:

    • a. indien de stagiaire de praktijk meer dan drie maanden niet uitoefent, tenzij dit het gevolg is van wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof;

    • b. indien de stagiaire geen patroon heeft of de praktijk niet onder zijn begeleiding uitoefent;

    • c. indien de patroon is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden;

    • d. zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.

  • 4 De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.

  • 5 De patroon brengt het einde van de stage of de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, en tweede lid, onverwijld schriftelijk ter kennis van de raad van de orde.

Paragraaf 3.1.2. Goedkeuring stage en patroon

Artikel 3.5. Goedkeuring stage en patroon

  • 1 De raad van de orde is belast met de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon.

  • 2 De stagiaire dient het verzoek om goedkeuring van de stage en de beoogd patroon in, door middel van een door de algemene raad vastgesteld formulier. Het formulier wordt medeondertekend door de beoogd patroon. De algemene raad stelt nadere regels met betrekking tot de bij het verzoek te verstrekken gegevens.

  • 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek van de stagiaire om wijziging van de patroon.

Artikel 3.5a. Cursus voor patroons

  • 1 Een beoogd patroon heeft in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek om goedkeuring, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, een cursus voor patroons gevolgd.

  • 2 Een cursus als bedoeld in het eerste lid is gevolgd, indien de beoogd patroon ten minste zes uur onderwijs heeft gevolgd dat het patroonschap voor een stagiaire ten goede komt en:

    • a. dat onderwijs is gegeven door een of meerdere deskundige docenten; en

    • b. de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemers zijn vastgesteld.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, aanhef, geldt voor de duur van een cursus ten minste drie uur onderwijs, indien de beoogd patroon in de drie jaar voorafgaand aan de cursus reeds een in het tweede lid bedoelde cursus heeft gevolgd.

  • 4 De algemene raad kan nadere regels stellen over de inhoud van de cursus, bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 3.6. Beoordeling aanvraag goedkeuring

  • 1 De raad van de orde kan de goedkeuring, bedoeld in artikel 3.5, onthouden indien:

    • a. aan de beoogd patroon of zijn kantoor tuchtrechtelijke of strafrechtelijke sancties zijn opgelegd;

    • b. over de beoogd patroon tuchtrechtelijke klachten zijn ontvangen of met betrekking tot hem of zijn kantoor onregelmatigheden of gegronde bedenkingen zijn gebleken;

    • c. de beoogd patroon korter dan een periode van zeven jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest;

    • d. de beoogd patroon reeds patroon is hetzij van een buitenstagiaire, hetzij van een stagiaire-ondernemer;

    • e. de beoogd patroon reeds patroon is van twee of meer stagiaires en de duur van de stage van een van die stagiaires korter is dan een jaar;

    • f. de beoogd patroon niet geschikt wordt geacht als patroon;

    • g. op andere gronden te verwachten valt dat er onvoldoende begeleiding zal zijn in de uitoefening van de praktijk.

  • 2 Indien de advocaat is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet bedraagt de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vier jaar.

  • 3 De raad van de orde onthoudt de goedkeuring in ieder geval:

    • a. indien de beoogd patroon geen cursus als bedoeld in artikel 3.5a, eerste lid, heeft gevolgd;

    • b. indien de beoogd patroon korter dan een aaneengesloten periode van vijf jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest;

    • c. in geval van een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer, indien de beoogd patroon korter dan een periode van zeven jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest.

  • 4 Indien de advocaat is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet bedraagt de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, twee jaar en de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, vier jaar.

Paragraaf 3.1.3. Verplichtingen stagiaire

Artikel 3.8. Verplichtingen stagiaire

  • 1 De stagiaire verschaft de patroon de informatie die deze nodig heeft om te voldoen aan de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13.

  • 3 De stagiaire verricht de hem door de patroon of werkgever opgedragen werkzaamheden, met dien verstande dat de nakoming van de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13, tweede lid, voorrang heeft. Hij verleent zijn medewerking aan de naleving van artikel 3.13, negende lid, door zijn patroon.

Artikel 3.9. Praktijkervaring stagiaire

De stagiaire is aan het eind van de stage in staat zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen en heeft gedurende de stage ten minste de volgende praktijkervaring opgedaan:

  • a. hij is vijf keer in rechte opgetreden in procedures op tegenspraak en de patroon heeft ten minste één mondelinge behandeling bijgewoond;

  • b. hij heeft tien stukken, waaronder ten minste zeven processtukken, vervaardigd;

  • c. hij heeft op twee van de drie rechtsgebieden burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, bestuursrecht en bestuursprocesrecht of strafrecht en strafprocesrecht ervaring opgedaan of, indien dat niet mogelijk is, op meerdere sub-rechtsgebieden binnen een van deze rechtsgebieden.

Artikel 3.10. Activiteiten in arrondissement

  • 1 Aan het eind van de stage heeft de stagiaire tien opleidingspunten behaald voor activiteiten die de raad van de orde voor stagiaires aanbiedt of laat aanbieden en een voldoende behaald voor de pleitoefening.

  • 2 De raad van de orde draagt er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde activiteiten en de pleitoefening bijdragen aan de professionele vorming en de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiaire.

  • 3 De raad van de orde kent een punt per uur toe aan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet zijnde de pleitoefening.

  • 4 Bij de overgang naar een ander arrondissement worden de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, en de voldoende voor de pleitoefening meegenomen.

Artikel 3.11. Buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer

Een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer:

  • a. richt de organisatie van zijn kantoor, inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie, de boekhouding daaronder begrepen, adequaat in; en

  • b. neemt alleen zaken aan die hij gelet op zijn kantoororganisatie adequaat kan behandelen.

Artikel 3.12. Liquiditeit en boekhouding stagiaire-ondernemer

  • 1 De stagiaire-ondernemer beschikt steeds over een passende kredietfaciliteit of over voldoende vermogen ter dekking van de kosten van het bruto minimumloon voor een jaar en de overige kosten van de praktijkvoering.

  • 2 De stagiaire-ondernemer zendt aan de raad van de orde ten minste tweemaal per jaar de balans en de winst- en verliesrekening die door de patroon voor gezien ondertekend zijn. De stagiaire-ondernemer verstrekt de raad van de orde desgevraagd een toelichting of nadere inlichtingen.

Paragraaf 3.1.4. Verplichtingen patroon

Artikel 3.13. Verplichtingen patroon

  • 1 De patroon geeft de stagiaire leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de praktijkuitoefening in de ruimste zin van het woord. Hij schenkt daarbij bijzondere aandacht aan de introductie van de stagiaire bij en diens optreden jegens de rechterlijke macht, beroepsgenoten en cliënten. Hij bewaakt de ontwikkeling van de stagiaire op een systematische en structurele wijze.

  • 3 De werkgever stelt de stagiaire die bij hem de praktijk in dienst uitoefent en bij hem kantoor houdt, met behoud van diens salaris, in de gelegenheid gedurende kantooruren de in het tweede lid genoemde verplichtingen na te komen en de daarvoor noodzakelijke voorbereidingen te treffen.

  • 4 De patroon van de stagiaire die bij hem kantoor houdt, verschaft de stagiaire passende arbeid, met inachtneming van het tweede lid.

  • 5 De patroon schenkt bij de begeleiding van een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer bijzondere aandacht aan de inrichting van diens kantoor inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie, de boekhouding daaronder begrepen.

  • 6 De patroon informeert de raad van de orde indien de stagiaire de praktijk enige tijd niet uitoefent.

  • 7 De patroon van de stagiaire die:

    • a. geen stagiaire-ondernemer is en bij hem kantoor houdt, brengt ten minste eenmaal per jaar schriftelijk verslag uit aan de raad van de orde omtrent het verloop van de stage, of zoveel vaker als de raad van de orde noodzakelijk acht;

    • b. stagiaire-ondernemer of buitenstagiaire is, brengt ten minste eenmaal per zes maanden verslag uit aan de raad van de orde omtrent het verloop van de stage, of zoveel vaker als de raad van de orde noodzakelijk acht.

  • 8 De patroon werkt mee aan de opleiding van een stagiaire en verleent zijn medewerking tevens aan de opleidingsmaatregelen op grond van artikel 3.14, eerste lid.

  • 9 De patroon draagt er zorg voor dat de stagiaire ten minste drie keer een optreden in rechte van een advocaat in een procedure op tegenspraak bijwoont. De advocaat, bedoeld in de eerste volzin, is ten minste een aaneengesloten periode van vijf jaar in Nederland als advocaat ingeschreven of ingeschreven geweest. Indien de advocaat, bedoeld in de eerste volzin, is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet, bedraagt de periode, bedoeld in de tweede volzin, twee jaar.

Afdeling 3.2. Beroepsopleiding advocaten

Artikel 3.14. Indeling beroepsopleiding advocaten

  • 1 De beroepsopleiding advocaten omvat:

    • a. een voorportaal, bestaande uit een basistest en eventueel studiebegeleiding;

    • b. onderwijsonderdelen, bestaande uit:

      • 1°. ethiek;

      • 2°. algemene vaardigheden;

      • 3°. kantoorspecifieke vaardigheden;

      • 4°. juridisch-inhoudelijke kennis; en

      • 5°. voorbereiding integratieve dagen.

  • 2 Een negatieve uitkomst van de basistest in het voorportaal vormt geen belemmering voor het volgen van de onderwijsonderdelen van de beroepsopleiding advocaten.

  • 3 De beroepsopleiding advocaten vangt tweemaal per jaar aan.

Artikel 3.15. Curriculum en opleidingsreglement

  • 1 De algemene raad stelt het curriculum vast. Het curriculum bevat:

    • a. de inhoud van de onderdelen van de beroepsopleiding advocaten, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b;

    • b. nadere regels over de onderwijsonderdelen en de omvang ervan;

    • c. de eindtermen;

    • d. nadere invulling van de onderdelen van het examen.

  • 2 De algemene raad stelt een opleidingsreglement vast met de procedures en rechten en plichten met betrekking tot de beroepsopleiding advocaten.

  • 3 In het opleidingsreglement kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden betreffende het onderwijs worden toegekend aan onderwijsaanbieders.

Artikel 3.15a. Examenreglement

  • 1 De algemene raad stelt een examenreglement vast over:

    • a. de inrichting en de organisatie van de basistest en het examen, bedoeld in artikel 3.19;

    • b. de wijze waarop daaraan kan worden deelgenomen;

    • c. de wijze waarop de basistest en het examen wordt afgenomen;

    • d. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de uitslag bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken;

    • e. de wijze waarop en de termijn gedurende welke de stagiaire die de basistest of een onderdeel van het examen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk;

    • f. de mogelijkheid van een herbeoordeling van het examen;

    • g. de geldigheidsduur van de studieresultaten;

    • h. de instelling, de samenstelling en de taken van de examencommissie.

  • 2 De examencommissie heeft in ieder geval tot taak op objectieve en deskundige wijze vast te stellen of een stagiaire voldoet aan de eindtermen en de uit het opleidingsreglement voortvloeiende opleidingsverplichtingen die nodig zijn voor het verkrijgen van het certificaat, bedoeld in artikel 3.21, eerste lid.

  • 3 De algemene raad kan in het examenreglement bevoegdheden betreffende het examen delegeren of toekennen aan de examencommissie.

Artikel 3.16. Toelating tot beroepsopleiding advocaten

  • 1 Een stagiaire schrijft zich voor of bij aanvang van de stage bij de uitvoeringsorganisatie in voor de beroepsopleiding advocaten via de Nederlandse orde van advocaten. Indien een stagiaire voorafgaand aan de aanvang van de beroepsopleiding de basistest heeft afgelegd, legt hij bij de inschrijving, doch uiterlijk voor aanvang van de beroepsopleiding hiervan een bewijsstuk over. Het bewijsstuk dient bij aanvang van de beroepsopleiding advocaten niet ouder te zijn dan één jaar.

  • 2 Een stagiaire is toegelaten tot de beroepsopleiding advocaten en wordt in staat gesteld het onderwijs te volgen indien en voor zo lang:

    • a. hij is ingeschreven op het tableau;

    • b. de stage voortduurt;

    • c. het cursus- en examengeld binnen de betalingstermijn is voldaan; en

    • d. de algemene raad de deelname aan de beroepsopleiding advocaten niet heeft beëindigd wegens fraude.

  • 3 Een stagiaire die niet meer is toegelaten tot de beroepsopleiding advocaten behoudt zijn toetskansen.

  • 4 De algemene raad stelt nadere regels vast omtrent het bewijsstuk, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin.

  • 5 De algemene raad kan van het tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, afwijken in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.17. Deelname onderwijs

  • 3 De stagiaire neemt deel aan de eerste cyclus van de beroepsopleiding advocaten die na aanvang van de stage wordt aangeboden.

  • 4 De stagiaire die niet direct na aanvang van de stage deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, wordt geacht de aangeboden toetsen niet te hebben behaald.

  • 5 De algemene raad kan van het derde en vierde lid afwijken indien toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.19. Examinering

  • 1 Aan de beroepsopleiding advocaten is een examen verbonden dat bestaat uit een aantal toetsen ten aanzien van de onderwijsonderdelen. De basistest is geen toets als bedoeld in de eerste volzin.

  • 2 De stagiaire neemt deel aan de eerste toetsgelegenheid van het onderwijsonderdeel.

  • 3 Indien de toets, bedoeld in het tweede lid, niet is behaald, neemt de stagiaire deel aan de eerstvolgende gelegenheid die wordt geboden.

  • 4 De stagiaire kan per onderdeel ten hoogste driemaal een toets afleggen.

  • 5 Indien de stagiaire geen gebruik maakt van de voor hem geldende gelegenheid, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de toets als niet behaald beschouwd.

  • 6 De algemene raad kan afwijken van het vierde en vijfde lid in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 3.21. Certificaat

  • 1 De algemene raad verstrekt aan de stagiaire het certificaat beroepsopleiding advocaten.

  • 2 De algemene raad geeft geen certificaat af dan nadat:

    • a. de algemene raad heeft vastgesteld dat de stagiaire heeft deelgenomen aan de basistest, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a; en

    • b. de examencommissie heeft geoordeeld dat de stagiaire alle toetsen als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, met goed gevolg heeft afgelegd; en

    • c. de onderwijsaanbieder of onderwijsaanbieders hebben verklaard dat de stagiaire aan alle opleidingsverplichtingen heeft voldaan.

Artikel 3.22. Terme de grâce

  • 2 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts ingewilligd indien:

    • a. het onderwijs in het onderdeel van de beroepsopleiding advocaten waarop het verzoek ziet, is gevolgd dan wel indien daarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, is verleend, en

    • b. de afwijzing naar het oordeel van de algemene raad zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Afdeling 3.3. Organisatie beroepsopleiding advocaten

Afdeling 3.4. Accreditatie beroepsopleiding advocaten

Artikel 3.25. Accreditatie beroepsopleiding advocaten

  • 2 De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van een beschrijving van de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.22a.

  • 4 Accreditatie wordt voor ten hoogste zes jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste zes jaar worden verlengd.

  • 5 De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de accreditatie.

  • 6 De algemene raad kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure omtrent het verlenen en verlengen van de accreditatie.

  • 7 De algemene raad kan de accreditatie intrekken indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan de bij of krachtens het derde en vijfde lid gestelde regels, dan wel de opleidingsinstelling of de inhoud van de opleiding anderszins niet voldoen.

Hoofdstuk 4. Vakbekwaamheid van de advocaat

Afdeling 4.1. Vakbekwaamheid

Paragraaf 4.1.2. Professionele kennis en kunde

Artikel 4.2. Reikwijdte

  • 1 Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven. In afwijking van de eerste volzin is artikel 4.3a, eerste lid en artikel 4.4, tweede lid, van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

Artikel 4.3a. Kwaliteitstoetsen

  • 1 Een advocaat is verplicht ieder kalenderjaar, en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau, deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door:

    • a. intervisie onder begeleiding van een gespreksleider die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag; of

    • b. peer review door een reviewer die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste vier uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.

  • 2 De algemene raad stelt nadere regels over:

    • a. de vereisten aan intervisie en peer review; en

    • b. de vereisten aan de aanwijzing, de intrekking van de aanwijzing en de registratie van gespreksleiders en reviewers.

Artikel 4.3b. Gestructureerd intercollegiaal overleg

  • 1 In plaats van de in artikel 4.3a, eerste lid, bedoelde verplichting kan een advocaat deelnemen aan gestructureerd intercollegiaal overleg onder begeleiding van een begeleider, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.

  • 2 De algemene raad stelt nadere regels over:

    • a. de vereisten aan gestructureerd intercollegiaal overleg; en

    • b. de vereisten aan begeleiders.

Artikel 4.4. Opleidingspunten

  • 1 Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.

  • 3 Indien deze paragraaf in een kalenderjaar korter dan elf maanden van toepassing is op een advocaat, wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid naar rato verminderd.

  • 4 Een advocaat die ten minste tien opleidingspunten heeft behaald die betrekking hebben op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied kan een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een maximum van tien punten compenseren met een overschot aan punten dat hij in het voorafgaande kalenderjaar heeft behaald. Een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het tweede lid kan uitsluitend worden gecompenseerd met opleidingspunten op hetzelfde rechtsgebied.

  • 5 Een advocaat behaalt één opleidingspunt door:

    • a. ieder heel uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gevolgd dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, indien:

      • het onderwijs gegeven is door deskundige docenten;

      • de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemende advocaat zijn vastgesteld;

      • het onderwijs niet de beroepsopleiding advocaten betreft; en

      • indien het onderwijs uitsluitend op afstand is gevolgd, het onderwijs is afgesloten met een toets, waarvoor een voldoende is behaald en de gemiddelde tijdsbesteding vooraf is aangegeven;

    • b. ieder half uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gegeven dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt;

    • c. iedere 500 woorden van een juridisch artikel dat hij heeft geschreven en dat is gepubliceerd in de rechtsliteratuur;

    • d. ieder heel uur dat hij heeft deelgenomen aan kwaliteitstoetsen in de vorm van:

      • i. intervisie met ten hoogste vier punten per jaar;

      • ii. peer review met ten hoogste vier punten per jaar;

    • e. andere activiteiten, waarvoor de algemene raad nadere regels kan stellen betreffende het aantal opleidingspunten dat behaald kan worden.

  • 6 De algemene raad stelt regels:

    • a. die een niet-limitatieve lijst van activiteiten betreffen waarvoor geen opleidingspunten behaald kunnen worden;

    • b. over erkenning van opleidingsinstellingen waardoor deze op voorhand kunnen aangeven hoeveel opleidingspunten toegekend worden aan een opleiding.

  • 7 Een advocaat toont aan dat de opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken met vermelding daarbij, voor zover van toepassing, van de geregistreerde rechtsgebieden als bedoeld in artikel 6.32 waarop de opleidingspunten betrekking hebben.

Artikel 4.5. Inhaalverplichting

  • 1 Indien een advocaat niet voldoet aan artikel 4.4, eerste, derde en vierde lid, haalt hij uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het tekort aan opleidingspunten in.

  • 2 De op grond van het eerste lid ingehaalde opleidingspunten gelden niet als opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of als overschot als bedoeld in het artikel 4.4, vierde lid.

Artikel 4.6. Herintredersregeling

  • 1 Een advocaat die meer dan een jaar niet ingeschreven heeft gestaan, behaalt in de twaalf maanden na zijn beëdiging twintig opleidingspunten met juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4, eerste, tweede en derde lid.

  • 2 Een advocaat kan bij de raad van de orde binnen vier weken na beëdiging gehele of gedeeltelijke vrijstelling verzoeken van het eerste lid, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.

  • 3 De raad van de orde kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.7. Langdurige ziekte

  • 1 Indien een advocaat de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend in verband met ziekte kan hij een beroep doen op toepassing van het tweede tot en met vierde lid.

  • 2 Artikel 4.4, eerste en tweede lid, is niet van toepassing zo lang de advocaat de praktijk niet uitoefent. Artikel 4.5 is niet van toepassing op een tekort aan opleidingspunten ontstaan voordat het onderhavige derde en vijfde lid van toepassing werden.

  • 3 Op het moment dat de advocaat de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat:

    • a. wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, dat hij dient te behalen in het kalenderjaar dat hij de praktijkuitoefening hervat, naar rato verminderd overeenkomstig artikel 4.4, derde lid; en

    • b. behaalt de advocaat binnen twaalf maanden op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied;

      • vijf opleidingspunten indien de advocaat minder dan twaalf maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

      • tien opleidingspunten indien de advocaat twaalf maanden of meer maar minder dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;

      • twintig opleidingspunten indien de advocaat meer dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend.

  • 4 Indien een advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, is artikel 4.4, tweede lid, niet van toepassing in dat kalenderjaar.

  • 5 Een advocaat kan binnen vier weken nadat hij de praktijk geheel of gedeeltelijk heeft hervat de raad van de orde verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het derde lid, onderdeel b, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden. De raad van de orde kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.

Afdeling 4.2. Vakbekwaamheidseisen cassatie

Paragraaf 4.2.1. Verkrijgen hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

Artikel 4.8. Aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

  • 1 De aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken is onvoorwaardelijk.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken voorwaardelijk, indien aantekening op het tableau heeft plaatsgevonden na toepassing van artikel 4.9, achtste lid, en een advocaat niet in het bezit is van het bewijsstuk, bedoeld in artikel 4.11, achtste lid, eerste volzin, dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd.

  • 3 Met de in artikel 4.11, achtste lid, tweede volzin, bedoelde kennisgeving van het bewijsstuk aan de secretaris van de algemene raad wordt van rechtswege het voorwaardelijke karakter aan de aantekening ontnomen.

Artikel 4.9. Verklaring ten behoeve van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

  • 1 De algemene raad geeft op verzoek van een onvoorwaardelijk ingeschreven advocaat de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, af, indien hij:

    • a. in de twaalf maanden voorafgaand aan het verzoek ten minste tien opleidingspunten heeft behaald op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek; en

    • b. met goed gevolg een mondeling examen heeft afgelegd, waardoor blijkt dat hij voldoende kennis heeft van de beginselen, uitgangspunten en regels van het burgerlijk procesrecht, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht, alsmede van onderdelen van het privaatrecht op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied.

  • 2 De algemene raad kan vrijstelling verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, indien een advocaat voorafgaand aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, niet ingeschreven was als advocaat en aantoont bekwaamheid te hebben verworven die actueel is en evident gelijkwaardig is aan de in het eerste lid, onderdeel a, gestelde eisen.

  • 4 Het examen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt afgenomen nadat een advocaat heeft aangetoond te voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, voor zover hij daarvoor geen vrijstelling heeft gekregen, en de voor het examen verschuldigde vergoeding heeft voldaan.

  • 5 Indien het examen niet met goed gevolg is afgelegd, heeft een advocaat het recht op één herkansing.

  • 6 De algemene raad stelt nadere regels over de inhoud en de stof van het examen en de wijze waarop het examen en de herkansing wordt aangevraagd en afgenomen.

  • 7 De algemene raad beslist binnen dertien weken op het verzoek, bedoeld in het eerste lid. Deze termijn kan met ten hoogste vijf weken worden verlengd, indien een advocaat gebruik wil maken van een herkansing.

  • 8 De algemene raad geeft van de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, kennis aan de secretaris van de algemene raad en de raad van de orde. Met de kennisgeving aan de secretaris van de algemene raad wordt de advocaat geacht een verzoek aan de secretaris van de algemene raad te hebben gedaan ter verkrijging van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Artikel 4.10. Weigering nieuw verzoek tot afgifte van een verklaring ten behoeve van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

De algemene raad kan een verzoek als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, afwijzen, indien het verzoek wordt ingediend binnen drie jaar:

  • a. nadat de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, al dan niet na herkansing, niet met goed gevolg is afgelegd; of

  • b. na het doorhalen van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Artikel 4.11. Bewijsstuk ten behoeve van de onvoorwaardelijke aantekening

  • 1 Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken legt binnen drie jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening met goed gevolg een proeve van bekwaamheid af.

  • 2 De algemene raad kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste twaalf maanden verlengen indien hij van oordeel is dat de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldoen aan artikel 4.14, eerste lid. Indien de algemene raad de termijn verlengt, wordt het in artikel 4.14, eerste lid, bedoelde tijdvak verlengd met de in die beslissing opgenomen termijn. De algemene raad geeft van de beslissing tot verlenging kennis aan de raad van de orde.

  • 3 De proeve van bekwaamheid omvat de bespreking van twee door de advocaat overgelegde cassatiedossiers en wordt afgenomen door de algemene raad.

  • 4 De proeve van bekwaamheid wordt in ieder geval geacht niet met goed gevolg te zijn afgelegd, indien de advocaat:

    • a. niet de voor de proeve van bekwaamheid verschuldigde vergoeding heeft voldaan;

    • b. niet aantoont te voldoen aan de artikelen 4.13, eerste lid, en 4.14, eerste of tweede lid;

    • c. niet tijdig de ter bespreking vereiste cassatiedossiers heeft overgelegd of de voor hem vastgestelde gelegenheid voor het afleggen van de proeve van bekwaamheid niet heeft gebruikt.

  • 5 Indien de proeve van bekwaamheid niet met goed gevolg is afgelegd, heeft de advocaat recht op één herkansing.

  • 6 De algemene raad stelt nadere regels over de inhoud van de proeve van bekwaamheid, de wijze waarop de proeve van bekwaamheid en de herkansing wordt afgenomen en de over te leggen cassatiedossiers.

  • 7 De algemene raad beslist binnen dertien weken op een verzoek van een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken om de proeve van bekwaamheid af te leggen. Deze termijn kan met ten hoogste vijf weken worden verlengd, indien een advocaat gebruik wil maken van een herkansing.

  • 8 Ten bewijze dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd, verstrekt de algemene raad een daarop betrekking hebbend bewijsstuk aan de advocaat. De algemene raad geeft van de afgifte van het bewijsstuk kennis aan de secretaris van de algemene raad.

  • 9 De algemene raad maakt het resultaat van de proeve van bekwaamheid bekend aan de raad van de orde.

Paragraaf 4.2.2. Behouden hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

Artikel 4.12. Bekwaamheid cassatie

Een advocaat met de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken beschikt over de kennis en bekwaamheid om zelfstandig en naar behoren cassatieadviezen, cassatiemiddelen en cassatieverweren op te stellen.

Artikel 4.13. Opleidingseisen

  • 1 Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken behaalt elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek.

  • 3 De algemene raad kan nadere regels stellen over de terreinen waarop de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden behaald.

Artikel 4.14. Praktijkeisen

  • 1 Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken behandelt iedere drie jaar na het verkrijgen van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken ten minste twaalf cassatiezaken waarvan er ten minste zes hebben geleid tot een beoordeling door de Hoge Raad. Hierbij worden niet meegerekend zaken waarin het cassatieberoep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk is verklaard.

  • 2 De algemene raad kan aan een advocaat met de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, in geval van bijzondere omstandigheden. De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk acht weken vóór het verstrijken van de periode van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, aangevraagd en geldt uitsluitend voor de periode waarin de vrijstelling is aangevraagd. De algemene raad geeft van het verlenen van vrijstelling kennis aan de raad van de orde.

  • 4 De algemene raad kan nadere regels stellen over de mate van toerekening van een zaak aan een advocaat bij meer dan één behandelend advocaat.

Paragraaf 4.2.3. Verliezen hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

Artikel 4.15. Doorhaling voorwaardelijke aantekening

  • 1 De secretaris van de algemene raad haalt de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken door, indien een advocaat gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar met een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op het tableau ingeschreven heeft gestaan zonder dat het bewijsstuk kan worden overgelegd dat de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, met goed gevolg is afgelegd.

  • 2 Indien de algemene raad toepassing geeft aan artikel 4.11, tweede lid, eerste volzin, wordt de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengd met de in de beslissing, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, eerste volzin, opgenomen termijn.

  • 3 De doorhaling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door middel van een beschikking van de algemene raad met ingang van een tijdstip dat, gelet op het belang van de rechtzoekende, ten minste één maand en ten hoogste drie maanden na de datum van de beschikking gelegen is. De algemene raad geeft van de beschikking kennis aan de raad van de orde.

Hoofdstuk 5. Praktijkstructuren

Afdeling 5.1. Algemeen

Artikel 5.1. In gevaar brengen vrijheid en onafhankelijkheid

  • 1 Het is de advocaat niet toegestaan rechtsverhoudingen aan te gaan of te laten voortbestaan waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kunnen worden gebracht.

  • 2 Het is de advocaat niet toegestaan de praktijk uit te oefenen, al dan niet in dienst, in een vorm waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kunnen worden gebracht.

Artikel 5.2. Wijzen van uitoefening van de praktijk

De advocaat oefent de praktijk uit op een of meer van de volgende wijzen:

  • a. zelfstandig, in een eenmanszaak of in de vorm van een praktijkrechtspersoon, waarover hij zeggenschap uitoefent;

  • b. in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3, waarbij de advocaat niet in dienst is van dat samenwerkingsverband;

  • c. in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9.

Afdeling 5.2. Samenwerking

Artikel 5.3. Samenwerkingsverband

Van een samenwerkingsverband is uitsluitend sprake indien een advocaat met een andere natuurlijk persoon, een samenwerkingsverband of een rechtspersoon:

  • a. voor gezamenlijke rekening en risico de praktijk uitoefent; of

  • b. de zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening deelt.

Artikel 5.4. Toegestane samenwerkingsverbanden

  • 1 Een advocaat kan uitsluitend een samenwerkingsverband aangaan met:

    • a. andere advocaten, praktijkrechtspersonen en samenwerkingsverbanden;

    • b. niet in Nederland ingeschreven advocaten die lid zijn van een door de algemene raad erkende beroepsorganisatie van advocaten in het buitenland;

    • c. leden van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, de Orde van Octrooigemachtigden en universitair geschoolde leden van het Register Belastingadviseurs.

  • 2 De algemene raad kan beroepsorganisaties in het buitenland als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, erkennen indien de buitenlandse beroepsbeoefenaren in vrijheid en onafhankelijkheid hun beroep uitoefenen en onderworpen zijn aan tuchtrecht vergelijkbaar met het Nederlandse tuchtrecht. De algemene raad weegt bij zijn besluit mee of advocaten die op het Nederlandse tableau ingeschreven staan, naar het recht van het andere land een samenwerkingsverband kunnen aangaan met de leden van die beroepsorganisaties.

Afdeling 5.3. Bestuurders

Artikel 5.6. Bestuurders van samenwerkingsverbanden en rechtspersonen

  • 1 Indien het samenwerkingsverband of de praktijkrechtspersoon een bestuur heeft is de meerderheid van het bestuur en de voorzitter ervan advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep.

  • 2 Een bestuurder, die niet een advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep is:

    • a. verkeert niet of heeft niet verkeerd in staat van faillissement of surseance van betaling en op hem is of was de schuldsanering natuurlijke personen niet van toepassing;

    • b. is niet tuchtrechtelijk veroordeeld, waarbij:

      • voor voormalig advocaten: schorsing of schrapping van het tableau is uitgesproken of een schorsing of maatregel op grond van artikel 60b van de Advocatenwet is opgelegd;

      • voor voormalig notarissen: schorsing of ontzetting uit het ambt is uitgesproken;

      • voor voormalig belastingadviseurs: schorsing of royement van het lidmaatschap van het Register Belastingadviseurs is opgelegd of een schorsing van of ontzetting uit het lidmaatschap van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs is uitgesproken;

      • voor voormalig octrooigemachtigden: schorsing van of ontzetting uit het recht om als octrooigemachtigde op te treden is uitgesproken; en

    • c. kan een verklaring omtrent het gedrag overleggen als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 3 Een bestuurder meldt een voorgenomen benoeming tot bestuurder van een niet-advocaat of iemand die geen beoefenaar is van een toegelaten vrij beroep aan de raad van de orde, waarbij wordt meegezonden een door de beoogde bestuurder ondertekende verklaring dat voldaan is aan de vereisten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, en de verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

Afdeling 5.4. Rechtspersonen

Artikel 5.7. Oprichten van praktijkrechtspersoon

  • 1 De statuten van een praktijkrechtspersoon voldoen aan de volgende eisen:

    • a. het doel van de rechtspersoon is beperkt tot het uitoefenen van de rechtspraktijk, het deelnemen in en het voeren van het beheer over een praktijkrechtspersoon, het beleggen van haar vermogen en het vermogen van in de groep verbonden praktijkrechtspersonen, en het verrichten van handelingen die met het vorenstaande verband houden;

    • b. de doelomschrijving behelst dat de uitoefening van de rechtspraktijk geschiedt met inachtneming van alle op het beroep toepasselijke regelgeving;

    • c. de statuten bepalen dat de meerderheid van de bestuurders, de voorzitter en, voor zover van toepassing, alle directe of indirecte aandeelhouders advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn die de praktijk binnen de praktijkrechtspersoon uitoefenen, of houdster-rechtspersoon zijn die voldoet aan het tweede lid;

    • d. De statuten van een praktijkrechtspersoon kunnen voorzien in de mogelijkheid, bedoeld in artikel 5.8, derde lid.

  • 2 De statuten van een houdster-rechtspersoon voldoen aan de volgende eisen:

    • a. het doel van de rechtspersoon is beperkt tot het deelnemen in en voeren van het beheer over een praktijkrechtspersoon, het beleggen van haar vermogen en het vermogen van in de groep verbonden praktijkrechtspersonen, en het verrichten van handelingen die met het vorenstaande verband houden;

    • b. de statuten bepalen dat alle bestuurders en voor zover van toepassing alle directe of indirecte aandeelhouders advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn die de praktijk binnen een praktijkrechtspersoon uitoefenen waarvan de houdster-rechtspersoon direct of indirect aandelen houdt of een houdster-rechtspersoon zijn die al dan niet aandelen houdt waarvoor certificaten zonder vergaderrechten zijn uitgegeven.

  • 3 Indien de praktijkrechtspersoon een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze vennootschap is, geldt dat de statuten en de ter zake geldende regelingen tevens bepalen dat er uitsluitend aandelen en certificaten op naam worden uitgegeven.

  • 4 Indien de praktijkrechtspersoon uit leden bestaat en geen aandeelhouders heeft, geldt dat waar in het eerste en tweede lid over aandeelhouders wordt gesproken, gelezen moet worden: de leden.

  • 5 Indien de rechtspersoon geen statuten heeft, is het eerste lid, respectievelijk tweede lid van toepassing op de overeenkomst die het doel en de wijze van samenwerking bepaalt.

Artikel 5.8. Aandeelhouderschap en stemrecht

  • 1 Alle aandelen van een praktijkrechtspersoon en een houdster-rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal en de daarmee verbonden stemrechten of certificaten ervan zijn in handen van:

    • a. advocaten of beoefenaren van een toegelaten vrij beroep die de praktijk binnen die praktijkrechtspersoon uitoefenen ofwel binnen een praktijkrechtspersoon waarvan de aandelen indirect door hen worden gehouden; of

    • b. houdster-rechtspersonen, waarvan het bestuur uitsluitend bestaat uit advocaten of beoefenaren van een toegelaten vrij beroep.

  • 2 Tot zes maanden na het defungeren of overlijden van een aandeelhouder is het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot die aandelen.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, kunnen personen die werkzaam zijn in een praktijkrechtspersoon, maar geen advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn, gezamenlijk tot ten hoogste tien procent van de winst van de praktijkrechtspersoon economische gerechtigdheid verkrijgen in die praktijkrechtspersoon.

Afdeling 5.5. Praktijkuitoefening in dienst

Paragraaf 5.5.1. Bescherming kernwaarden bij dienstverbanden

Artikel 5.9. Toegestane dienstverbanden

Een advocaat kan uitsluitend de praktijk uitoefenen in dienst van:

  • a. een advocaat;

  • b. een beoefenaar van een toegelaten vrij beroep;

  • c. een samenwerkingsverband, zo lang is voldaan aan artikel 5.4 en artikel 5.6;

  • d. een praktijkrechtspersoon;

  • e. een verzekeraar die uitsluitend de branche rechtsbijstandsverzekering uitoefent en als zodanig voldoet aan de in de Wet op het financieel toezicht gestelde voorwaarden of een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor als bedoeld in artikel 4:65, eerste lid, onderdeel b, van die wet, is of een daarmee vergelijkbare instelling, zo lang is voldaan aan artikel 5.11 tot en met artikel 5.13, of paragraaf 5.5.2;

  • f. een organisatie met een ideële doelstelling, zolang deze voldoet aan artikel 5.10; of

  • g. een andere werkgever, zolang de advocaat binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk.

Artikel 5.10. Toegestane organisaties met ideële doelstelling

  • 1 Een organisatie met een ideële doelstelling als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel f:

    • a. beperkt haar activiteiten feitelijk en statutair tot het zonder winstoogmerk nastreven van een ideëel doel dat maatschappelijk van wezenlijke betekenis is en dat naar zijn aard parallel loopt met het gezamenlijke belang van haar leden of op vergelijkbare wijze bij de organisatie aangeslotenen;

    • b. heeft de verlening van de rechtsbijstand ondergebracht in een organisatorische eenheid die voldoende onafhankelijk functioneert van de overige onderdelen van de organisatie;

    • c. heeft een zodanige financieel-economische stabiliteit dat een behoorlijke praktijkuitoefening door de advocaat in dienst bij die organisatie is gewaarborgd.

  • 2 De uitoefening van de praktijk in dienst van een organisatie met een ideële doelstelling als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel f, is bovendien slechts toegestaan wanneer zij geschiedt ten behoeve van die werkgever of diens leden als zodanig, in het laatste geval echter uitsluitend zolang de door de advocaat verleende rechtsbijstand zich beperkt tot:

    • a. de behartiging van de belangen van de leden welke kunnen worden geacht te vallen binnen het kader van die ideële doelstelling zonder dat zij strijdig kunnen zijn met de belangen van andere leden; en

    • b. de behandeling van zaken waarvan naar hun aard aannemelijk is dat de wederpartij zich niet voor rechtsbijstand tot die werkgever kan wenden.

Artikel 5.11. Verzekerde rechtsbijstand

  • 1 De advocaat in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel e, kan uitsluitend optreden in die hoedanigheid ten behoeve van de werkgever of bij die werkgever verzekerden.

  • 2 Indien de advocaat, bedoeld in het eerste lid, wordt verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen biedt hij de verzekerde de keuze de behartiging van zijn belangen toe te vertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.

Artikel 5.12. Professioneel statuut

  • 1 Een advocaat kan de praktijk uitsluitend in dienst uitoefenen van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdelen e, f en g, indien hij een door hem en zijn werkgever ondertekend professioneel statuut heeft, gelijk aan het model, bedoeld in het derde lid.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een advocaat in dienst bij een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdelen c en d, in geval de zeggenschap over de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband in meerderheid bij niet-advocaten is belegd.

  • 3 De algemene raad stelt een model van het professioneel statuut vast en kan bij wijzigingen in dat model bepalen wanneer een bestaand professioneel statuut moet worden aangepast.

Artikel 5.13. Voorkomen tegenstrijdige belangen

  • 1 Het is de advocaat die de praktijk in dienst uitoefent niet toegestaan in enige zaak voor een of meer cliënten op te treden, wanneer hij daarbij uit hoofde van het dienstverband belangen in acht zou moeten nemen die strijden met het belang van die cliënt of cliënten of wanneer een daarop uitlopende ontwikkeling aannemelijk is.

  • 2 De praktijkuitoefening van een advocaat in dienst van een werkgever is te verenigen met een door hem buiten dat dienstverband uitgeoefende rechtspraktijk, mits de advocaat in afdoende mate ervoor zorgdraagt dat geen belangenverstrengeling kan ontstaan, dat verwarring omtrent de hoedanigheid waarin hij optreedt is uitgesloten en hij van deze rechtspraktijk bij de deken melding maakt.

Artikel 5.15. Informeren deken bij praktijkuitoefening in dienst

  • 1 De advocaat, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, verstrekt de deken een kopie van het door hem en zijn werkgever ondertekende professioneel statuut voorafgaand aan zijn praktijkuitoefening in dienst.

  • 2 De advocaat, bedoeld in artikel 5.12, tweede lid, verstrekt de deken een kopie van het door hem en zijn werkgever ondertekende professioneel statuut binnen een week nadat de in dat lid bedoelde situatie zich voordoet.

Paragraaf 5.5.2. Experiment rechtsbijstandsverzekeraars

Artikel 5.16. Experiment en voorwaarden deelname

  • 1 In afwijking van artikel 5.11, eerste lid, kan de advocaat in dienst van een werkgever als bedoeld in art. 5.9, aanhef en onderdeel e, in die hoedanigheid ook optreden voor niet bij die werkgever verzekerden, indien:

    • a. het gezag over die advocaat wordt uitgeoefend door een werkgever, waarvan de meerderheid van de leden van het bestuur en de voorzitter daarvan, advocaat is;

    • b. in voorkomend geval een meerderheid van de aandelen van de werkgever worden gehouden door een andere rechtspersoon, de meerderheid van de leden van het bestuur en de voorzitter daarvan, advocaat is; en

    • c. diens werkgever zich voorafgaand als deelnemer aan het experiment bij de algemene raad heeft gemeld en daarbij alle noodzakelijke gegevens over de nakoming van de voorwaarden overlegt.

  • 2 Als lid van het bestuur heeft tevens te gelden een rechtspersoon waarvan de meerderheid van de leden en de voorzitter daarvan, advocaat is.

Artikel 5.17. Informeren ten behoeve van de evaluatie

De advocaat in dienst van een aan het experiment deelnemende werkgever verstrekt ten behoeve van de evaluatie jaarlijks aan de algemene raad geaggregeerde en geanonimiseerde gegevens over:

  • a. het door de advocaat behandelde aantal zaken in een kalenderjaar met een uitsplitsing tussen verzekerden en niet-verzekerde cliënten;

  • b. de wijze waarop de kernwaarden van de advocaten in dienst zijn gewaarborgd; en

  • c. eventuele tussentijdse wijzigingen in de nakoming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 5.16.

Hoofdstuk 6. Kantoororganisatie

Afdeling 6.1. Interne organisatie en beschrijving werkwijze

Artikel 6.4. Beschrijving werkwijze

  • 1 De advocaat beschrijft de wijze waarop hij voldoet aan de voor hem geldende regels betreffende:

  • 2 De algemene raad kan nadere regels stellen betreffende de beschrijving, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 6.2. Administratie

Artikel 6.5. Administratieplicht

  • 1 Voor zover niet reeds bepaald in de artikelen 2:10 respectievelijk 3:15i van het Burgerlijk Wetboek:

    • a. voert een advocaat de administratie van zijn praktijk en bewaart hij de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen kunnen worden gekend;

    • b. stelt een advocaat de balans en de staat van baten en lasten op schrift binnen zes maanden na afloop van het boekjaar.

Afdeling 6.3. Geheimhoudernummers