Bijlage 1.1. behorende bij artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld in overeenstemming met de Nederlandse
Standaard 4400N ‘Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden’.
In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder
genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.
|
1. Beschrijving integrale kostensystematiek
|
|
Opzet systematiek
|
|
1.1
|
Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek?
|
|
1.2
|
Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers?
|
|
1.3
|
Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch
vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin
van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd
bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger
niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten.
|
|
1.4
|
Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven
gebruikt worden?
|
|
1.5
|
Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast?
|
|
1.6
|
Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer?
|
|
Over personeelskosten
|
|
1.7
|
Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke?
|
|
1.8
|
Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend en wat
is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk
voor alle personen? Zo nee, licht toe.
|
|
Over machines en apparatuur
|
|
1.9
|
Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek?
Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten
die in projecten als aparte post worden begroot?
|
|
2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek
|
|
2.1
|
De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte
kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig
toegepast.
|
|
2.2
|
Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers
toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar.
|
|
2.3
|
Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan
andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend
aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling
worden niet toegerekend aan R&D activiteiten.
|
|
2.4
|
Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten.
|
|
2.5
|
Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten.
|
|
2.6
|
In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen1
|
|
2.7
|
In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen.
|
1Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar
alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties
buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit nationale EZ subsidies).
|
3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten
|
|
3.1
|
Kosten van algemene research.1
|
|
3.2
|
Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en
apparatuur.
|
|
3.3
|
Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven.2
|
|
3.4
|
Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen.
|
|
3.5
|
Kosten van incourante voorraden.
|
|
3.6
|
Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand buiten de normale bezetting.
|
|
3.7
|
Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij
de aanvraag van individuele projecten.
|
|
3.8
|
Voorzieningen en reserveringen voor verliezen en schulden3.
|
|
3.9
|
Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd
of verrekend.
|
|
3.10
|
Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen.
|
|
3.11
|
Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld.
|
|
3.12
|
Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties,
mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten.
|
|
3.13
|
Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4
|
|
3.14
|
Wisselkoersverliezen.
|
1Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek
van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer
deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene
research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten
evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.
2Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten
of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies
wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel
waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs
wordt betaald.
3Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan
kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva
zijn dus niet uitgesloten.
4Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten
beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de
subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse
Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.
Bijlage 2.2.1. behorende bij artikel 2.2.2
Hoofdthema’s onderzoek Kas als Energiebron:
-
1. Energiebesparing en efficiënt gebruik van energie, onder andere:
-
• duurzame kas- en teeltconcepten;
-
• schermen en kasdekmaterialen;
-
• ontvochtiging en terugwinning latente warmte;
-
• warmteopslag;
-
• verdamping en vochtbeheersing, of
-
• belichting.
-
2. Duurzame opwek en energiebronnen, onder andere:
-
• duurzame energiebronnen, zoals geothermie, acquathermie, zonne-energie, waterstof;
-
• gebruik restwarmte, of
-
• warmtepompen.
-
3. Besparing CO2-verbruik en nieuwe bronnen, onder andere:
-
4. Digitalisering, smart grid en lokale energie- en CO2-systemen.
Toelichting op hoofdthema’s en subthema’s
De hoofdthema’s worden hieronder nader toegelicht aan de hand van een aantal voorbeeld
subthema’s. Dit is geen limitatieve lijst van subthema’s. Onderzoeksvoorstellen kunnen
breder zijn dan deze subthema’s, of zelfs betrekking hebben op een geheel nieuw subthema,
zo lang zij binnen de hoofdthema’s blijven.
Bij alle (sub)thema’s is het van belang om rekening te houden met de praktijk en de
toepasing van Het Nieuwe Telen en de samenhang en het integrale karakter van de verschillende
teeltfactoren in praktijkonderzoek en onderzoek in proefkassen. Het Nieuwe Telen combineert
energiezuinig telen met het behalen van een optimale productie. Hierbij staat de plant
centraal waardoor een gezond en weerbaar gewas met hoge opbrengst en kwaliteit samen
kan gaan met een laag energiegebruik. Bij onderzoek naar energiebesparing en energie-efficientie
is ook aandacht nodig voor de plantgezondheid, weerbaar telen, de rol van mineralen,
water en het wortelmilieu.1
Duurzame kas- en teeltconcepten
Dit subthema richt zich op het bepalen van het optimale kasconcepten of teeltconcepten
voor verschillende gewasgroepen. Het doel is energiebesparing en zo efficient mogelijk
gebruik van energie of zelfs klimaatneutraliteit, met behoud van kwaliteit en kwantiteit
van de gewasproductie.
Binnen een kas- of teeltconcept zijn de volgende aspecten van belang voor het energiegebruik
en de gewasgroei: temperatuur (verwarming/koeling), luchtvochtigheid, licht, ventilatie
en CO2 niveau. Aan al deze aspecten kan gesleuteld worden om het energiegebruik en de CO2 uitstoot omlaag te brengen.
Daarbij zijn onder andere de volgende vragen van belang:
Welke kas- en teeltconcepten dragen bij aan een zo energiezuinig mogelijke teelt per
gewasgroep? Welke aspecten zijn daarbij van belang en hoe kunnen die geadresseerd
worden? Welke restvraag aan energie blijft er nog over voor de verschillende gewasgroepen
en hoe kan die klimaatneutraal worden ingevuld? Welke stappen kunnen bestaande kassen
maken inclusief economische haalbaarheid nu en in de toekomst? Welke stappen en opties
zijn er voor nieuwe kassen? Wat zijn no-regret maatregelen, wat zijn mogelijke vervolgstappen
en met welke aspecten moet rekening worden gehouden bij (ver)nieuwbouw? Welke knelpunten
zijn er nog bij de ontwikkeling van techniek, kennis en configuratie?
Ook onderzoeksvoorstellen gericht op het ontwikkelen en demonstreren van nieuwe kas-
en teeltconcepten gericht op energiebesparing en efficient gebruik van energie passen
binnen dit subthema. Daarnaast is onderzoek naar compleet nieuwe teeltsystemen gericht
op energiebesparing mogelijk.
Schermen en kasdekmaterialen
Schermen en kasdekmaterialen kunnen in belangrijke mate bijdragen aan energiebesparing,
maar brengen ook uitdagingen met zich mee op het gebied van lichtdoorlatendheid en
ontvochtiging. Onderzoek dat zich bezig houdt met het ontwikkelen of testen van nieuwe
kasdekken, schermen of materialen passen binnen dit subthema. Te denken valt aan hoog
isolerende schermen met goede lichtdoorlating, andere vormen van flexibele isolatie,
de combinatie van schermen met ontvochtigingsinstallaties en belichting, terugwinning
van latente warmte en dergelijke. Het effect op zowel energie als op gewas(productie)
is daarbij van belang.
Ontvochtiging en terugwinning latente warmte
Met name voor belichte- en koelere teelten is ontvochtiging en de (terug)winning van
latente warmte interessant. De inpassing qua klimaat en economische aspecten (dimensionering
bijvoorbeeld) is nog een uitdaging, met name de samenhang tussen de water- en voedingshuishouding
van het gewas en de gebruikte schermen. Belangrijke aspecten daarbij zijn een constant
klimaat in samenhang met de luchtbeweging en de invloed daarvan op de verdamping van
het gewas. Onderzoeken naar nieuwe ontwikkelingen rondom de verschillende ontvochtigingsystemen
en doorbraken die deze toepassing (sneller) mogelijk maken voor de glastuinbouw in
de nabije toekomst passen ook binnen dit subthema. Ook de toepassing van technieken
die zich in kleiner proefkassen bewezen hebben op grotere schaal is van belang. Er
is daarom behoefte aan meer demonstratieprojecten in de praktijk inclusief monitoring.
Warmteopslag
De seizoensopslag van warmte om warmte vanuit de zomer op te kunnen slaan voor gebruik
in winter kan een belangrijke mogelijkheid zijn om bij te dragen aan de energiebalans.
Hiervoor zijn al diverse opties onderzocht, waaronder warmte koude opslag in acquifers.
Onderzoeken naar het toepassen van middelhogetemperatuuropslag (MTO) en hogetemperatuuropslag
(HTO) vallen ook binnen dit thema, inclusief het ontwikkelen van beheerstrategieen
per type teelt en het optimaliseren van de warmteopslag en restwarmte. Ideeën over
vervolgonderzoek of nieuwe mogelijkheden zijn welkom.
Verdamping en vochtbeheersing
Als een kas heel goed geïsoleerd is, is de verdamping of vochtbeheersing de grootste
warmtevrager. Het is daarom van belang om deze verdamping te beperken en/of goed te
beheersen en zo mogelijk de latente warmte terug te winnen. Daarnaast heeft het overschakelen
op LED-belichting ook gevolgen voor de verdamping en de warmtevraag. Hoe kan dat in
de praktijk goed gemeten worden, wat zijn de grenzen van verdamping van het gewas
en wat zijn de effecten van verschillende klimaatbeheersingssystemen op de verdamping?
Hoe kan de teler datagedreven beslissingen nemen over de benodigde verdamping?
Belichting
Belichting is na warmte de belangrijkste energievrager in de glastuinbouw, hoewel
dit sterk verschilt per teelt. Het is van belang om zoveel mogelijk te besparen op
belichting en de resterende energievraag zo efficient en duurzaam mogelijk in te vullen.
Door over te schakelen van SON-T op LED wordt een belangrijke besparing bereikt. Uit
de praktijk blijkt dat de inzet van LED echter allerlei vraagstukken met zich mee
brengt. Van belang hierbij is onder andere de samenhang van lichtintensiteit, spectrum,
daglengte, warmte en vocht. Voorbeelden zijn wat het gemis aan warmtestraling betekent
voor de energie, vocht- en assimilatenbalans van het gewas, maar ook voor de balansen
van de kas en de (verticale) temperatuurverdeling. Bij LED moet ook nagedacht worden
over wat dat betekent voor de voedings- en wateropname van het gewas en de gevolgen
voor de gift. Ook kan LED spectrale effecten hebben op bijvoorbeeld de plantweerbaarheid
en biologische bestrijders en zijn er vragen rondom de lichtbenuttingsefficientie.
Onderzoek naar oorzaken en mogelijke oplossingen van deze vraagstukken zijn nodig.
Onderzoek in proefkassen en/of monitoring in de praktijk kan daarbij ondersteunend
zijn.
Duurzame opwek en energiebronnen
In de glastuinbouw wordt al gewerkt met diverse duurzame energiebronnen waaronder
geothermie, acquathermie, gebruik van restwarmte, zonnepanelen, gebruik van eigen
reststromen voor opwek van energie. Welke gevolgen heeft de inzet van deze bronnen
voor energiegebruik en gewasproductie? Hoe kunnen deze bronnen door zoveel mogelijk
tuinders gebruikt worden? Welke nieuwe mogelijkheden zijn er nog meer voor tuinders
om zelf te voorzien in behoefte aan duurzame energie? Hoe passen duurzame energiebronnen
in de kas en teeltsystemen? Welke mogelijkheden zijn er om de kas te elektrificeren
per type bedrijf met of zonder collectieve warmte? Welke rol kunnen warmtepompen met
en zonder WKO daarbij spelen?
Besparen CO2-verbruik en nieuwe bronnen van CO2
Onderzoek naar efficiënt doseren, het tijdelijk bufferen van CO2 en alternatieve CO2-bronnen vallen onder dit subthema. CO2 is van groot belang voor de gewasproductie. De hoeveelheid doseerbare CO2 uit aardgas neemt af door minder en efficienter gebruik van de WKK. Het aanbod van
(groene) CO2 uit de industrie neemt eveneens af doordat opslag van CO2 voor de industrie gunstiger wordt dan hergebruik. Een optimale dosering en een optimalere
benutting door het gewas en minimalisatie van het verlies van CO2 is daarom van groot belang. Daarvoor zijn nieuwe ideeën nodig en aandacht voor bewustwording/kennisoverdracht
rond efficiënt CO2 doseren. Daarnaast is er onderzoek nodig naar de mogelijkheden voor en het gebruik
van nieuwe externe CO2 bronnen, zoals direct air capture en het tijdelijk bufferen van CO2. Dit laatste is met name van belang bij het overbruggen van perioden waar geen vraag
is vanuit het gewas (bijvoorbeeld ’s nachts) en er wel productie is van CO2. Een belangrijke voorwaarde bij gebruik van CO2 uit nieuwe bronnen is dat de kwaliteit van de CO2 voldoende is en veilig is voor plant en mens.
Digitalisering
Een goed energiemanagementsysteem is van groot belang voor efficient energiegebruik.
Meten is weten. Data spelen daarin een belangrijke rol. De ontwikkeling van sensoren,
energiesystemen, data-analyse, gebruik van artificial intelligence en monitoring is
daarbij van belang. Door realtime monitoring van energiegebruik en gewasgroei kan
energie zo efficient mogelijk ingezet worden en kan de teler datagedreven teeltbeslissingen
nemen.
Smart grid en lokale energie- en CO2-systemen
Een smart grid is een intelligent elektriciteitsnetwerk dat energieaanbod en -vraag
slim op elkaar afstemt. Dat kan binnen het bedrijf, maar hier wordt dit gedefinieerd
als een slim systeem waarmee tuinders bedrijfsoverstijgend energie kunnen uitwisselen
en daarmee efficiënter met energie kunnen omgaan en kosten kunnen besparen. Welke
mogelijkheden en uitdagingen zijn er voor bedrijven om met anderen energie uit te
wisselen, gezamenlijk duurzame energie op te wekken of op te slaan (batterij, WKO),
restenergie in te kopen (warmte van industrie, biomassa), overtollige energie te verhandelen,
energie efficiënter te gebruiken of in te spelen op fluctuaties in het energiesysteem?
Het ontwikkelen van algemene kennis voor de aanpak van een lokaal energiesysteem kan
het onderwerp van een onderzoek zijn. Het ontwikkelen van een concrete lokale gebiedsaanpak
valt echter niet binnen dit subthema.
Berekening indicatie gewenste omvang eigen bijdrage vanuit de sector
|
Onderdeel
|
Hoeveelheid punten
|
|
Verwachte bijdrage aan CO2-reductie, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1
|
1 punt
(beperkt)
|
2 punten
(gemiddeld)
|
3 punten
(groot/essentieel)
|
|
Aandeel niet-energie gerelateerde aspecten in project, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1
|
1 punt
(veel)
|
2 punten
(beperkt)
|
3 punten
(geen)
|
|
Voorbeeldwerking/ gewas-overstijgendheid, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1
|
1 punt
(klein)
|
2 punten
(redelijk)
|
3 punten
(groot/breed)
|
|
Praktijkrijpheid na onderzoek/project, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, ten tweede
|
1 punt
(groot)
|
2
(beperkt)
|
3 punten
(klein)
|
Deze tabel wordt gebruikt bij de berekening van de gewenste omvang van de eigen bijdrage
van de sector. Dit is een onderdeel van het rangschikkingscriterium in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c.
Op elk van de vier onderdelen wordt een score toegekend. Er kunnen minimaal 4 en maximaal
12 punten behaald worden.
Score ≥10: geen eigen bijdrage noodzakelijk en 100% subsidie
score 8–9: 10% eigen bijdrage en 90% subsidie
score 6–7: 50% eigen bijdrage en 50% subsidie
score 0≤5: meer dan 50% eigen bijdrage en minder dan 50% subsidie
Hoe meer het onderzoek bijdraagt aan de specifieke doelen van Kas als Energiebron
en daarmee aan het maatschappelijk doel van CO2-reductie, hoe groter de bijdrage vanuit de overheid gerechtvaardigd is. Voor onderzoek
dat weliswaar bijdraagt aan CO2-reductie, maar dat daarnaast ook diverse andere doelen dient die niet direct gerelateerd
zijn aan energie, zoals bijvoorbeeld circulariteit, beperking gewasbescherming, zuivering
afvalwater of hergebruik reststromen, ligt een grote bijdrage vanuit deze subsidieregeling
minder voor de hand. Er wordt dan een eigen bijdrage van andere partijen verwacht.
Dat kunnen tuinders of leveranciers zijn, maar ook bijvoorbeeld producentenorganisaties.
Een grotere eigen bijdrage van bijvoorbeeld een gewascoöperatie wordt verwacht als
het onderzoek weinig gewasoverstijgend is of een beperkte voorbeeldwerking heeft voor
andere gewassen. De resultaten komen dan ten goede aan een beperkt deel van de totale
glastuinbouwsector waardoor een grotere eigen bijdrage van dat deel van de sector
gerechtvaardigd is. Dat geldt ook voor een onderzoek dat dichter tegen de markt aan
zit en waarvan de resultaten redelijk praktijkrijp zijn en snel door tuinders toegepast
kunnen worden. Tuinders profiteren dan sneller van het onderzoek.