Bijlage 1.1. behorende bij artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-subsidies
Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften
controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport
van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten
en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.
|
1. Beschrijving integrale kostensystematiek
|
|
Opzet systematiek
|
|
1.1
|
Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek?
|
|
1.2
|
Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers?
|
|
1.3
|
Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch
vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin
van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd
bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger
niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten.
|
|
1.4
|
Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven
gebruikt worden?
|
|
1.5
|
Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast?
|
|
1.6
|
Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer?
|
|
Over personeelskosten
|
|
1.7
|
Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke?
|
|
1.8
|
Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend en wat
is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk
voor alle personen? Zo nee, licht toe.
|
|
Over machines en apparatuur
|
|
1.9
|
Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek?
Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten
die in projecten als aparte post worden begroot?
|
|
2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek
|
|
2.1
|
De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte
kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig
toegepast.
|
|
2.2
|
Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers
toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar.
|
|
2.3
|
Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan
andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend
aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling
worden niet toegerekend aan R&D activiteiten.
|
|
2.4
|
Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten.
|
|
2.5
|
Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten.
|
|
2.6
|
In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen1
|
|
2.7
|
In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen.
|
1Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar
alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties
buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit nationale EZ subsidies).
|
3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten
|
|
3.1
|
Kosten van algemene research.1
|
|
3.2
|
Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en
apparatuur.
|
|
3.3
|
Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven.2
|
|
3.4
|
Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen.
|
|
3.5
|
Kosten van incourante voorraden.
|
|
3.6
|
Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand buiten de normale bezetting.
|
|
3.7
|
Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij
de aanvraag van individuele projecten.
|
|
3.8
|
Voorzieningen en reserveringen voor verliezen en schulden3.
|
|
3.9
|
Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd
of verrekend.
|
|
3.10
|
Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen.
|
|
3.11
|
Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld.
|
|
3.12
|
Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties,
mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten.
|
|
3.13
|
Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4
|
|
3.14
|
Wisselkoersverliezen.
|
1Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek
van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer
deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene
research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten
evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.
2Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten
of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies
wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel
waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs
wordt betaald.
3Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan
kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva
zijn dus niet uitgesloten.
4Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten
beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de
subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse
Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.
Bijlage 4.2.1. , behorende bij artikel 4.2.8 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Programmalijnen BBEG Innovatieprojecten)
Doel van deze tender is de ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten
gericht op conversie van biomassa naar vermarktbare eindproducten via chemisch katalytische-
en biotechnologische conversieroutes, en/of de conversie van biomassa en organische
grondstoffen bevattende reststoffen naar groen gas via vergisting of vergassing. De
kern van de tender is dat onderzoek gestimuleerd wordt dat leidt tot een zo hoogwaardig
mogelijk gebruik van biomassa en organische reststoffen waarbij de energiecomponent
als ‘driver’ de verdere ontwikkeling kan bevorderen. Binnen projecten moet de nadruk
liggen op validatie van nieuwe technologie. Daarom wordt een substantiële financiële
en inhoudelijke bijdrage van bedrijven verwacht.
Voor projecten die zich (deels) richten op de productie van transportbrandstoffen,
elektriciteit en/of warmte uit biomassa en andere organische grondstoffen bevattende
reststoffen geldt dat aannemelijk moet worden gemaakt dat deze op termijn leiden tot
een kostprijsreductie ten opzichte van de gangbare routes vanuit biomassa. Voor transportbrandstoffen
geldt dat innovatie gestimuleerd wordt, maar dat demonstratieprojecten binnen het
Topsector Energie-instrumentarium niet gesubsidieerd kunnen worden. Deze toepassingen
worden onder andere gestimuleerd via de jaarverplichting die volgt uit de Wet Milieubeheer en het Besluit en de Regeling hernieuwbare energie vervoer.
Projecten moeten passen binnen een van de volgende programmalijnen:
1. Chemisch katalytische en biotechnologische conversietechnologie
Bij chemisch katalytische en biotechnologische conversietechnologie moet sprake zijn
van cascaderend, dan wel hoogwaardiger, gebruik van biomassa en een significante bijdrage
aan de doelstellingen van de Topsector energie (verduurzaming van de energiehuishouding
tegen de laagst mogelijke kosten, CO2-reductie, benutten van het potentieel aan energiebesparing en versterking van de
economie).
Bij cascadering wordt biomassa omgezet in een spectrum van vermarktbare producten
en energie ter vervanging van fossiele grondstoffen. Hierbij wordt gestreefd naar een zo efficiënt mogelijk gebruik van de biomassa:
alle componenten worden optimaal gebruikt en het ontstaan van reststromen wordt geminimaliseerd.
Bij hoogwaardiger gebruik moeten we denken aan het opwaarderen van de grondstoffen
door middel van nieuw te ontwikkelen technologieën, dan wel door het optimaliseren
van bestaande technologieën. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:
-
• voorbehandelingstechnologieën op basis van enzymen of verhoogde temperatuur en druk;
-
• het gebruik van laagwaardige alternatieve grondstoffen/materialen, die of een voorbehandeling
of een reiniging, dan wel een extra (nieuwe) verwerkingstechniek nodig hebben.
Projecten komen in aanmerking voor subsidie indien:
-
• De conversie van biomassa leidt tot eindproducten waarvan een aanzienlijk deel een
energietoepassing heeft, of
-
• De conversie van biomassa leidt tot een aanzienlijke energiebesparing ten opzichte
van de huidige, gangbare, fossiele routes.
In beide gevallen geldt dat een aanzienlijke CO2-reductie moet worden bereikt ten opzichte van de huidige fossiele routes.
‘Chemisch katalytische conversietechnologie’ betreft de ontwikkeling van nieuwe geavanceerde technologieën voor de omzetting van
-al dan niet voorbewerkte- biomassa naar groene materialen, chemicaliën en energiedragers
via chemokatalytische routes. Conversieprocessen worden bij voorkeur vooraf gegaan
door bioraffinage. Bij bioraffinage worden plantaardige en dierlijke grondstoffen
op efficiënte, ecologisch verantwoorde en economische wijze ontrafeld, zodat de volledige
potentie van haar inhoudsstoffen benut kan worden. Het streven is daarbij om bestaande
functionaliteiten en koolstofskeletstructuren in de moleculen zo veel mogelijk te
behouden. Conversieprocessen worden waar nodig gevolgd door energie-efficiënte scheidingstechnieken.
‘Biotechnologische conversietechnologie’ betreft ontwikkeling van nieuwe geavanceerde technologieën voor de omzetting van
-al dan niet voorbewerkte- biomassa naar groene materialen, chemicaliën en energiedragers
via biotechnologische routes (met aandacht voor biotechnologie/genomics). Conversieprocessen
worden bij voorkeur vooraf gegaan door bioraffinage. Bij bioraffinage worden plantaardige
en dierlijke grondstoffen op efficiënte, ecologisch verantwoorde en economische wijze
ontrafeld, zodat de volledige potentie van haar inhoudsstoffen benut kan worden. Het
streven is daarbij om bestaande functionaliteiten en koolstofskeletstructuren in de
moleculen zo veel mogelijk te behouden. Conversieprocessen worden waar nodig gevolgd
door energie-efficiënte scheidingstechnieken.
Projecten waarin biotechnologische, biokatalytische en, of chemokatalytische routes
gecombineerd worden komen eveneens in aanmerking voor subsidie. Ook de conversie van
energiedragers geproduceerd uit biomassa naar vermarktbare producten komt in aanmerking
voor subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de productie van biobrandstoffen
uit pyrolyse-olie of uit synthesegas afkomstig van biomassavergassing. Projecten die
primair zijn gericht op de productie van groen gas en omzetting daarvan in warmte
en/of elektriciteit vallen onder Groen Gas programmalijnen 3 en 4.
2. Groen Gas Vergisting en Groen Gas Vergassing
Het doel van de programmalijnen ‘Groen Gas Vergisting’ en ‘Groen Gas Vergassing’ is
om via innovatie de kostprijs van groen gas op middellange termijn, na 2023, te verlagen.
Groen gas omvat biogas, tot aardgaskwaliteit opgewerkt biogas (groen gas ofwel biomethaan)
en op basis van biomassa geproduceerd synthesegas. De beoogde kostprijsreductie wordt,
naar verwachting in belangrijke mate gerealiseerd doordat de biomassa en organische
grondstoffen bevattende reststoffen omgezet worden in energie en grondstoffen. Uiteraard
kunnen een meer fundamentele aanpassing van processen ook een forse kostprijs voor
de Groen Gas-productie opleveren.
De programmalijn ‘Groen Gas Vergisting’ richt zich op onderzoek naar kostprijsverlaging of het verbeteren van de performance
in de meest brede zin. Hierbij kan gedacht worden aan verbreding van het biomassa-aanbod,
efficiencyverbetering van (delen van) het productieproces, ontsluiting van lignocellulose,
toeslagstoffen zoals enzymen, benutting van bijproducten zoals mineralen en CO2.
Vergisting wordt in deze programmalijn breed opgevat: boerderijvergisters, industriële
vergisters, vergisters bij RWZI’s en innovatieve vergisters zoals hogedrukvergisting.
Tot de programmalijn behoren tevens gecombineerde mestverwerking en vergisting en
het ‘repoweren’ van zogenaamde ‘MEP’-vergisters. In het laatste geval worden alleen
installaties rond de vergister zelf, zoals efficiënte opwerkingsinstallaties, gestimuleerd.
Het betreft initiatieven waarbij lokaal (mogelijk zelfs op locatie) energie (waaronder
warmte) en grondstoffen benut worden voor de productie van producten die lokaal afgezet
kunnen worden.
De programma lijn ‘Groen Gas Vergisting’ richt zich ook op alle projectelementen die
zich bevinden tussen productie en de afnemer van Groen Gas of biogas. Denk hierbij
aan; biogashubs, buffers, meetapparatuur, kwaliteitsbewaking (b.v. poortwachter),
logistieke optimalisatie. Ook kan gedacht worden aan het (lokaal) invoeden van verschillende
soorten gas (flexigas).
De programmalijn ‘Groen Gas Vergassing’ richt zich op onderzoek naar kostprijsverlaging of het verbeteren van de performance
van synthesegas in brede zin. Hierbij kan gedacht worden aan onderzoek naar toepassing
van goedkopere biomassa of mengstromen, verbeteren van de efficiency, verhogen van
de operationele prestaties, zoals de beschikbaarheid, en verbeteringen bij de reiniging/opwerking
van het (synthese)gas. Een mogelijkheid om kostprijsverlaging van synthesegas te realiseren
is de gecombineerde verwaarding van de biomassa, waarbij naast de energiecomponent
ook andere waarden die in de biomassa besloten is, benut wordt. Onderzoek naar en
de ontwikkeling van deze gecombineerde verwaarding past binnen deze programmalijn.
Onder vergassing wordt thermische vergassing van droge biomassa/mengstromen (temperatuur
boven 800 graden Celsius) of superkritische vergassing van natte stromen verstaan.
De programma lijn ‘Groen Gas Vergassing’ richt zich ook op alle projectelementen die
zich bevinden tussen productie en de afnemer van Groen Gas, biogas of synthesegas.
Denk hierbij aan biogashubs, buffers, meetapparatuur, kwaliteitsbewaking (b.v. poortwachter),
logistieke optimalisatie. Ook kan gedacht worden aan het (lokaal) invoeden van verschillende
soorten gas (flexigas).
Algemeen
Voor alle BBEG-projecten geldt dat omvangrijke projecten beter scoren hoger op het
aspect ‘aanpak en methodiek’ van het rangschikkingscriterium ‘kwaliteit van het project’
indien er al op labschaal succesvol vooronderzoek gedaan is dat de technische haalbaarheid
aantoont. Indien dat niet het geval is, scoren projecten hoger op dit criterium indien
de omvang van het project beperkt wordt tot het vooronderzoek op labschaal.
Projecten in de zin van de regeling zijn niet:
-
– projecten gericht op de teelt van biomassa
-
– projecten gericht op de raffinage van aquatische biomassa
-
– projecten die primair zijn gericht op de productie van groen gas en omzetting daarvan
in warmte en/of elektriciteit, waarbij daadwerkelijke toepassing door eindgebruikers
voor 2023 verwacht wordt, aangezien deze projecten in aanmerking voor subsidie kunnen
komen onder paragraaf 4.2.3 Hernieuwbare energie.