Besluit houders van dieren

Geldend van 01-11-2021 t/m heden

Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 19 oktober 2012, nr. 291872, Directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303), verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 47), richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 10); richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182), richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311), richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203), richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PbEG 1999, L 94), richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PbEG 1998, L 221), richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG 1996, L 125), richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan en tot intrekking van de richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de beschikkingen 89/187/EEG en 91/664//EE (PbEG 1996, L 12523), richtlijn 90/167/EEG van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG 1990, L 092), de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren (Trb. 1988, 1) en de artikelen 2.1, derde en vijfde lid, 2.2, tweede, derde, zevende, negende en tiende lid, 2.3, tweede en vierde lid, onderdeel a, 2.8, tweede en vierde lid, 2.9, derde lid, 2.10, eerste tot en met vierde lid, 2.16, eerste lid, 7.1, 7.2, eerste lid, 7.3, vijfde lid, 7.5, vierde lid, 7.8, eerste lid, en 10.4, eerste lid, van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 januari 2013, no. W15.12.0441/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken 4 juni 2014, nr. WJZ / 14038273;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • bedrijfsbehandelplan: een overzicht dat specifiek is voor een bedrijf, waarin aandoeningen en ziektes zijn opgenomen die voorkomen of waarvan het aannemelijk is dat deze voor kunnen komen bij door een houder gehouden dieren en waarbij is weergegeven op welke wijze de aandoeningen en ziektes worden behandeld;

  • bedrijfsgezondheidsplan: een plan dat specifiek is voor een bedrijf, bestaande uit:

    • 1°. een analyse van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren en van de toepassing van diergeneesmiddelen bij door een houder gehouden dieren;

    • 2°. een overzicht van te treffen maatregelen ter verbetering van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren;

  • big: varken vanaf de geboorte tot aan het spenen;

  • daarmee verband houdende activiteiten: datgene dat daaronder wordt verstaan in artikel 2, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009;

  • derde land: land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  • evenhoevigen: runderen, varkens, schapen, geiten of hertachtigen;

  • gezelschapsdier: zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap, met uitzondering van een dier dat behoort tot een in bijlage II bij dit besluit opgenomen diersoort of diercategorie, niet zijnde konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil;

  • pluimvee: hoenderachtigen, eenden of ganzen;

  • richtlijn nr. 2003/99/EG: richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 325);

  • spermawininrichting: inrichting voor levende producten waar sperma wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen;

  • varken: varken dat kennelijk wordt gehouden voor de fokkerij of voor de mesterij;

  • verordening (EG) nr. 178/2002: verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEU 2002, L 31);

  • verordening (EG) nr. 1099/2009: verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303);

  • verordening (EU) nr. 576/2013: verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PbEU 2012, L 178);

  • verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L84);

  • verzamelcentrum: inrichting voor het verzamelen van hoefdieren of pluimvee van waaruit dieren worden verplaatst of die dieren ontvangt;

  • wet: Wet dieren;

  • zeug: varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen, kennelijk bestemd voor de fokkerij.

Artikel 1.3. Verboden gedragingen ten aanzien van dieren

Als gedragingen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de wet worden aangewezen:

  • a. het zich ontdoen van een dier;

  • b. het schoppen van een dier;

  • c. het zodanig slaan van een dier dat dit letsel ten gevolge heeft;

  • d. het onderwerpen van een dier aan een explosieve, bijtende of brandende stof;

  • e. het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land;

  • f. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is;

  • g. het gebruik van of het vastbinden of aanlijnen van een dier met een voorwerp waarmee het dier door middel van scherpe uitsteeksels pijn kan worden toegebracht.

Artikel 1.4. Criteria voor aanwijzing diersoorten of diercategorieën op positieflijst

  • 1 De criteria, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de wet, zijn:

    • a. dieren:

      • van de desbetreffende diersoort of diercategorie kunnen zonder specialistische kennis en vaardigheden worden gehouden, gelet op:

        • i de mate waarin het dier behoefte heeft aan bewegen en een specifieke leefomgeving;

        • ii de gemiddelde grootte van het dier op volwassen leeftijd;

        • iii de behoefte van het dier aan periodes van activiteit of inactiviteit gedurende een dag of een seizoen;

        • iv de behoeften van het dier met betrekking tot foerageren en eten, waaronder de rantsoensamenstelling;

        • v de mate waarin het dier behoefte heeft aan veiligheid en schuilgelegenheid;

        • vi de behoeften van het dier met betrekking tot voortplanting en grootbrengen van jongen;

        • vii de behoefte van het dier met betrekking tot schoonmaakgedrag;

        • viii de sociale of biosociale behoeften van het dier;

        • ix de mate waarin het dier behoefte heeft aan prikkels en afleiding, of

      • behoren tot een diersoort of diercategorie die bij artikel 2.1 zijn aangewezen, of

    • b. het houden van dieren van de desbetreffende diersoort of diercategorie:

§ 2. Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen

Artikel 1.5. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen.

Artikel 1.6. Houden van dieren

  • 1 De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.

  • 2 Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.

  • 3 Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.

  • 4 De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zorg voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen.

Artikel 1.7. Verzorgen van dieren

Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:

  • a. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden;

  • b. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is;

  • c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;

  • d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;

  • e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;

  • f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;

  • g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.

Artikel 1.8. Behuizing

  • 1 Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.

  • 2 Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.

  • 3 In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier.

  • 4 De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet.

§ 3. Doden van dieren

Artikel 1.10. Gevallen waarin dieren mogen worden gedood

Als gevallen als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet worden aangewezen gevallen waarin:

  • a. een dier wordt gedood ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier;

  • b. een dierenarts heeft vastgesteld dat doden in het belang van het dier is;

  • c. dat doden bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of ingevolge een EU-verordening is voorgeschreven;

  • d. een dier wordt gedood ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier;

  • e. een dier wordt gedood vanwege niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken.

Artikel 1.12. Besparen vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden

Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bespaard.

Artikel 1.13. Methoden

  • 1 Een dier wordt gedood door middel van een methode die waarborgt dat de dood onmiddellijk of na bedwelming, maar vóórdat de bewusteloosheid is geweken, intreedt.

  • 2 In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien een dier moet worden gedood:

    • a. ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of

    • b. ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de methode, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1.14. Kennis

  • 1 Het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kennis en vaardigheden.

§ 4. Voortplantingstechnieken

Artikel 1.15. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • voortplantingstechniek: handeling of direct met elkaar samenhangende handelingen, bestemd om geslachtsproducten te winnen, bevruchting tot stand te brengen met behulp van gewonnen geslachtsproducten, of dracht tot stand te brengen op andere dan natuurlijke wijze, alsmede handelingen die bijdragen aan het tot stand brengen van dracht;

  • geslachtsproducten: sperma, eicellen en embryo's alsmede delen daarvan.

Artikel 1.16. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën en vogels.

Artikel 1.17. Voortplantingstechnieken

  • 1 Voortplantingstechnieken worden toegepast op zodanige wijze dat bij het dier niet onnodig pijn, letsel, stress of ander ongerief wordt veroorzaakt.

  • 2 Het is verboden sperma te winnen door middel van elektrische prikkeling.

  • 3 Het tweede lid geldt niet voor spermawinning ten behoeve van een door de European Association of Zoos and Aquaria gecoördineerd Europees fokprogramma, mits het dier onder algehele narcose is gebracht en de elektrische prikkeling geschiedt door of onder toezicht van een dierenarts.

§ 5. Overige bepalingen

Artikel 1.18. Verbod gebruik van levend aas

Het is verboden bij het vissen in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdelen c en d, van de Visserijwet 1963, levende vissen, amfibieën, reptielen, vogels of zoogdieren als aas te gebruiken.

Artikel 1.19. Reikwijdte scheiden dieren van ouderdier

Als diercategorieën als bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet worden aangewezen honden, katten, konijnen, papegaaiachtigen, apen behorende tot de soort van de Chimpansee, de Rhesus-aap, de Beermakaak, de Java-aap, de Marmoset, de Doeroecoeli of de Doodshoofdaap, varkens en nertsen.

Artikel 1.20. Leeftijd scheiden van dieren

  • 1 De leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, is voor:

    • a. honden: 7 weken;

    • b. katten: 7 weken;

    • c. konijnen: 6 weken;

    • d. papegaaiachtigen: de voor de desbetreffende soort papegaaiachtigen in bijlage I bij dit besluit vermelde leeftijd;

    • e. Chimpansees: 4,5 jaar;

    • f. Rhesus-apen: 1 jaar;

    • g. Beermakaken: 1 jaar;

    • h. Java-apen: 1 jaar;

    • i. Marmosets: 1 jaar;

    • j. Doeroecoeli’s: 1,5 jaar;

    • k. Doodshoofdapen: 9 maanden;

    • l. varkens: 28 dagen;

    • m. nertsen: 8 weken.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet voor konijnen:

    • a. 4 weken, indien de konijnen op het geboortebedrijf verblijven totdat zij ten minste de leeftijd, bedoeld in het eerste lid, hebben bereikt;

    • b. 5 weken, indien de konijnen na hun geboorte worden vervoerd vanaf het geboortebedrijf naar een ander bedrijf waar zij worden gehouden tot aan het moment waarop zij worden gedood met het oog op de productie van dierlijke producten.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, voor varkens 21 dagen, indien de biggen naar gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht die:

    • a. volledig worden leeggemaakt en grondig zijn gereinigd en ontsmet voordat een nieuwe groep biggen is binnengebracht, en

    • b. gescheiden zijn van de voorzieningen waar zeugen zijn gehouden om het overdragen van ziekten op de biggen zo veel mogelijk te beperken.

  • 5 Indien de apen, bedoeld in het vierde lid, onmiddellijk na het scheiden worden ondergebracht in groepen met soortgenoten, is, in afwijking van het vierde lid, de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, voor:

    • a. Chimpansees: 3 jaar;

    • b. Rhesus-apen: 1 jaar;

    • c. Beermakaken: 1 jaar;

    • d. Java-apen: 1 jaar;

    • e. Marmosets: 6 maanden;

    • f. Doeroecoeli’s: 1 jaar;

    • g. Doodshoofdapen: 7 maanden.

  • 6 Artikel 2.2, zevende lid, van de wet, is niet van toepassing indien de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier.

§ 6. Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen

Artikel 1.21. Verrichten van ingrepen door de houder

Als diergeneeskundige handeling als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet wordt aangewezen het door de houder van een dier bij dat dier toepassen van een diergeneesmiddel waarvan toepassing krachtens artikel 2.19, derde lid, van de wet aan die houder is toegestaan, waaronder begrepen het verrichten van een lichamelijke ingreep, indien die ingreep onderdeel uitmaakt van de voor dat diergeneesmiddel voorgeschreven toedieningswijze, voor zover de toediening subcutaan of intramusculair plaatsvindt en de handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.

Artikel 1.22. Voorhanden of in voorraad hebben van diergeneesmiddelen

  • 1 Het is een houder van een dier verboden om een diergeneesmiddel of een diervoeder met medicinale werking op of in de nabijheid van de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden danwel zijn bedrijf aanwezig te doen zijn, indien toepassing van dit diergeneesmiddel bij de aanwezige dieren of het voederen van het diervoeder met medicinale werking aan deze dieren niet is toegestaan volgens de informatie die krachtens wettelijk voorschrift of verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PbEU 2004, L 136), is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking of bij deze verpakking is gevoegd.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld:

    • a. voor de uitvoering van een EU-rechtshandeling inzake het gebruik van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking met bijzondere eigenschappen en

    • b. over het bewaren en de te bewaren hoeveelheid van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking om te waarborgen dat de te bewaren hoeveelheid beperkt blijft tot toepassing bij de dieren waarvoor deze hoeveelheid is voorgeschreven en afgeleverd.

Artikel 1.23. Bevoegdheid houders van dieren

  • 1 Een houder van een dier past geen diergeneesmiddelen of diervoeders met medicinale werking toe, indien volgens de informatie die krachtens wettelijk voorschrift of verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PbEU 2004, L 136), is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of het diervoeder met medicinale werking danwel bij deze verpakking is gevoegd, die toepassing aan een dierenarts of aan een andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste en vijfde lid, van de wet is voorbehouden.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan een dierenarts een diergeneesmiddel als bedoeld in de artikelen 5.1, eerste lid, of 5.2, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen dat aan een dierenarts of een arts is voorbehouden, met toepassing van de artikelen 5.1, derde lid, of 5.2, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen door de houder van het dier laten toepassen, met uitzondering van diergeneesmiddelen die substanties met hormonale werking, thyreostatische werking of ß-agonisten bevatten als bedoeld in bijlagen II en III bij richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij daarin bij die richtlijn is voorzien.

Artikel 1.24. Nadere aanwijzingen door de dierenarts

  • 1 Een houder van een dier volgt bij de uitvoering van voorschriften in een bijsluiter of op het etiket van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking de nadere aanwijzingen op die een dierenarts in het recept voor dat diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking heeft gegeven.

  • 2 Wanneer de nadere aanwijzingen in een recept betrekking hebben op een diergeneesmiddel dat met toepassing van de artikelen 5.1 of 5.2 van het Besluit diergeneeskundigen is voorgeschreven, volgt de houder van dieren de nadere aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, op ook als deze afwijken van de bijsluiter of het etiket bij het diergeneesmiddel.

Artikel 1.25. Administratie diergeneesmiddelen door houders van dieren

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de administratie van de ontvangst en toepassing van diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking door de houder van een dier en over het administreren van gegevens inzake het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking.

Artikel 1.26. Gevoeligheidsbepaling bij toepassing aangewezen diergeneesmiddelen

Het is degen die een dier houdt verboden de diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 5.7, het eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen toe te passen, indien uit de in dat lid bedoelde gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere diergeneesmiddelen toepasbaar zijn.

Artikel 1.27. Melding aangewezen diergeneesmiddelen in register

  • 1 Een houder van dieren die bij ministeriële regeling aan te wijzen diergeneesmiddelen ontvangt, doet in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen melding in een register dat daartoe door Onze Minister is aangewezen.

  • 2 De beheerder van een register verstrekt aan de houder van dieren, op basis van de melding, informatie over het gebruik van de betreffende diergeneesmiddelen.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    • a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt;

    • b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;

    • c. de aard van de informatie die wordt verstrekt.

  • 4 Tarieven voor een vergoeding die de beheerder van een register in rekening brengt voor het verwerken van een melding als bedoeld in het eerste lid, en het verstrekken van informatie als bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    • a. de voorwaarden voor aanwijzing van registers en de gevallen waarin een aanwijzing kan worden ingetrokken, dan wel geschorst;

    • b. goedkeuring van tarieven en de gevallen waarin een besluit tot goedkeuring kan worden ingetrokken, dan wel geschorst.

Artikel 1.28. Bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan

  • 2 Een houder van dieren handelt overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken.

§ 7. Melding en bewaking dierziekten en zoönosen

Artikel 1.29. Melding ziekten verordening (EU) nr. 2016/429

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 1.30. Melding artikel 5.3-ziekten of andere ziekten

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 1.31. Melding ziekteverschijnselen

[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het overzicht van wijzigingen

Artikel 1.32. Implementatie richtlijn 2003/99/EG

  • 1 Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 2003/99/EG.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de implementatie van richtlijn 2003/99/EG over de aanwezigheid van zoönosen en zoönoseverwekkers en antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en andere verwekkers die een gevaar opleveren voor de volksgezondheid, met betrekking tot:

    • a. het doen van onderzoek;

    • b. het bewaren van gegevens, en

    • c. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten.

  • 3 De regels, bedoeld in het tweede lid, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 1.33. Onderzoek zoönosen levensmiddelenbedrijf

Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002, die onderzoek doet naar de aanwezigheid van zoönosen of zoönoseverwekkers die overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van richtlijn 2003/99/EG worden bewaakt:

  • a. houdt de resultaten van dat onderzoek bij:

  • b. bewaart de onderzoeksgegevens en de relevante isolaten gedurende twee jaar, en

  • c. stelt de onderzoeksresultaten of relevante isolaten op verzoek ter beschikking aan Onze Minister.

§ 8. Bijeenbrengen van dieren

§ 8.1. Algemeen

Artikel 1.34. Verzamelen op vervoermiddel

  • 1 Het is toegestaan om hoefdieren te verzamelen op een vervoermiddel als bedoeld in artikel 133, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in dat lid.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op varkens, met uitzondering van varkens die kennelijk bestemd zijn voor de slacht.

Artikel 1.35. Overladen bij verzamelen op vervoermiddel

  • 1 Bij het verzamelen, bedoeld in artikel 1.34, is het toegestaan evenhoevigen ten hoogste een keer over te laden van een vervoermiddel op een bij dat vervoermiddel behorende achterwagen, indien:

    • a. bij het overladen alle aanwezige dieren worden verplaatst naar de achterwagen;

    • b. het overladen van dieren plaatsvindt op een inrichting als bedoeld in artikel 2.10a of 2.10c of een andere inrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.10a gestelde regels; en

    • c. het lege vervoermiddel na het overladen wordt gereinigd en ontsmet.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef is het overladen voor runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht ten hoogste twee keer toegestaan en is het hierbij, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, toegestaan mannelijke runderen die kennelijk bestemd zijn voor de slacht en die ouder zijn dan 12 maanden niet te verplaatsen van de voorwagen naar de achterwagen en enkel de kritische delen van het vervoermiddel te reinigen en ontsmetten.

Artikel 1.36. Melden aanvang verzamelen

De exploitant van een verzamelcentrum meldt de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden uiterlijk om 8:00 uur op de werkdag voor aanvang van die periode bij Onze Minister.

Artikel 1.37. Laden en lossen op verschillende adressen

  • 1 Indien een vervoermiddel waarmee evenhoevigen worden vervoerd op verschillende adressen wordt geladen, onderscheidenlijk gelost, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. het laden, onderscheidenlijk lossen van het vervoermiddel vindt telkens buiten de stal plaats; en

    • b. na het laden, onderscheidenlijk lossen worden telkens de kritische delen van het vervoermiddel gereinigd en ontsmet.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen per diercategorie regels worden gesteld over:

    • a. het aantal adressen waarop ten hoogste wordt geladen en gelost;

    • b. de inrichting waar wordt geladen en gelost;

    • c. de aard van het vervoermiddel.

Artikel 1.38. Bewaartermijn gegevens vervoer

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een vervoeder bijhoudt, bedoeld in artikel 104 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening, met betrekking tot:

  • a. de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bijhoudt;

  • b. de termijn waarbinnen de vervoerder de gegevens bewaart;

  • c. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden.

Artikel 1.39. Grondslag regels over het verblijf van dieren na het bijeenbrengen

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verblijf van evenhoevigen op een inrichting nadat die dieren of andere dieren op die inrichting zijn aangevoerd.

  • 2 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

    • a. de aard en indeling van deinrichting;

    • b. de minimale verblijfsduur op een inrichting;

    • c. de soorten of categorieën dieren.

§ 8.2. Bijeenbrengen voor vervoer binnen Nederland

Artikel 1.40. Erkenning verzamelcentra voor Nederlandse markt

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepasselijkheid van artikel 97, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens het tweede lid, onderdelen a, c, d en e, van dat artikel vastgestelde gedelegeerde verordening op inrichtingen voor de verzameling van hoefdieren van waaruit slechts dieren worden verplaatst naar een inrichting in Nederland en die slechts dieren ontvangen van een inrichting in Nederland.

Artikel 1.41. Grondslag regels voor verzamelen voor Nederlandse markt

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepasselijkheid van de krachtens artikel 135 van verordening (EU) nr. 2016/429 vastgestelde gedelegeerde verordening op het verzamelen van uit Nederland afkomstige dieren die worden vervoerd naar een inrichting in Nederland.

  • 2 In aanvulling op de regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. het verzamelen van bepaalde diersoorten of diercategorieën;

    • b. het aantal toegestane verzamelingen;

    • c. de herkomst, bestemming of eindbestemming van de dieren;

    • d. het melden van bepaalde houderijen bij Onze Minister;

    • e. de registratie van verplaatsing van dieren;

    • f. de aanvang en het einde van de periode waarin dieren op een verzamelcentrum worden gehouden;

    • g. de reiniging en ontsmetting na een verzamelperiode.

Artikel 1.42. Lossen evenhoevigen en pluimvee op plaats van bestemming

Artikel 126, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op het verplaatsen van evenhoevigen en pluimvee van een inrichting in Nederland naar een andere inrichting in Nederland.

Artikel 1.43. Gegevens vervoer binnen Nederland

  • 1 In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 104 van verordening (EU) nr. 2016/429, houdt een vervoerder die hoefdieren of pluimvee telkens uitsluitend binnen Nederland vervoert, over elk vervoermiddel de volgende gegevens bij:

    • a. het kenteken- of registratienummer;

    • b. de data en de tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van oorsprong worden ingeladen;

    • c. de naam, het adres en het unieke registratie- of erkenningsnummer van elke bezochte inrichting;

    • d. de data en tijdstippen waarop de dieren bij de inrichting van bestemming worden uitgeladen;

    • e. de data en plaatsen van de reiniging, ontsmetting en desinfestatie van vervoermiddelen;

    • f. de referentienummers van de documenten die de dieren vergezellen.

  • 2 Een vervoerder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, drie jaar.

§ 9. Houden van schapen of geiten

Artikel 1.44. Levenslang fokverbod

  • 1 Het is verboden schapen of geiten te insemineren of zo te houden dat bevruchting kan plaatsvinden van schapen of geiten die op een inrichting waar een besmetting met Q-koorts is vastgesteld aanwezig zijn geweest tussen het tijdstip waarop die besmetting is vastgesteld en 1 juni 2010.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing vrouwelijke dieren, geboren op of na 1 juli 2009.

Artikel 1.45. Geboorte lammeren

  • 1 Een houder van schapen of geiten zorgt ervoor dat bezoekers niet met die dieren in contact kunnen komen ten tijde van de geboorte van hun lammeren.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde zorgplicht houdt in ieder geval in dat de houder zorgt dat bezoekers een stal waar lammeren worden geboren niet kunnen betreden.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien het bezoek noodzakelijk is in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf.

Artikel 1.46. Vaccinatie Q-koorts

  • 1 Een houder van schapen of geiten laat de dieren tegen Q-koorts vaccineren in de volgende gevallen:

    • a. de houder houdt meer dan 50 schapen of geiten op een inrichting ten behoeve van de bedrijfsmatige productie van melk of voor de opfok ten behoeve van die productie;

    • b. de houder houdt schapen of geiten op een inrichting die is opengesteld voor het publiek met het oogmerk om direct contact tussen bezoekers en dieren te faciliteren;

    • c. de dieren worden vervoerd naar een inrichting als bedoeld in onderdeel a of b;

    • d. de dieren worden vervoerd naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.

  • 2 De houder, bedoeld in het eerste lid, laat de dieren vaccineren ten minste drie weken en ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan:

    • a. de openstelling voor het publiek van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;

    • b. het dekken door, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden van de dieren, indien de dieren worden gehouden op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b;

    • c. het vervoer van de dieren naar een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b; of

    • d. het vervoer van de dieren naar een tentoonstelling, keuring of ander evenement.

  • 3 De houder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, laat de dieren opnieuw vaccineren binnen twaalf maanden na de vaccinatie, bedoeld in het tweede lid, en vervolgens elke twaalf maanden.

  • 4 Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op schapen of geiten die:

    • a. in hun eerste levensjaar worden geslacht en die geen dieren dekken, onderscheidenlijk gedekt of geïnsemineerd worden; of

    • b. jonger zijn dan drie maanden.

Artikel 1.47. Administratie Q-koortsvaccinatie

  • 1 Een houder meldt Onze Minister binnen een week na elke vaccinatie tegen Q-koorts op welke datum een schaap of geit is gevaccineerd.

  • 2 De houder administreert:

    • a. de hoeveelheid gebruikt vaccin;

    • b. het aantal gevaccineerde dieren;

    • c. de vaccinatiedatum;

  • 3 De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden voorzien van een handtekening van de houder en de dierenarts die de vaccinatie heeft uitgevoerd.

  • 4 De houder doet de melding, bedoeld in het eerste lid, via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

  • 5 De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, twee jaar.

§ 10. Registratie en erkenning van inrichtingen

Artikel 1.48. Termijn wijziging gegevens

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen de gegevens, bedoeld in de artikelen 84, tweede lid, 87, tweede lid, 90, tweede lid, 96, tweede lid, 172, tweede lid, of 180, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429, worden verstrekt.

§ 11. Identificatie en registratie van dieren

§ 11.1. Algemeen

Artikel 1.50. Identificatie- en registratiesysteem

De verantwoordelijkheid voor het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, berust bij Onze Minister.

Artikel 1.51. Aanvullende gegevens identificatie- en registratiesysteem

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gegevens die een exploitant ten behoeve van het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108 verordening (EU) nr. 2016/429, aan Onze Minister verstrekt, in aanvulling op de artikelen 112 tot en met 115 van verordening (EU) nr. 2016/429, met betrekking tot:

  • a. de door hem gehouden dieren;

  • b. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt;

  • c. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt.

Artikel 1.52. Gegevens identificatie- en registratiesysteem pluimvee

  • 1 Het identificatie- en registratiesysteem, bedoeld in artikel 108, verordening (EU) nr. 2016/429, bevat gegevens in verband met gehouden kippen, kalkoenen, parelhoenders en eenden.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gegevens die een exploitant die verantwoordelijk is voor de in het eerste lid bedoelde dieren aan Onze Minister verstrekt met betrekking tot:

    • a. de verplaatsing van door hem gehouden dieren als bedoeld in het eerste lid;

    • b. de inrichting waarin de dieren, bedoeld in het eerste lid, worden gehouden;

    • c. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder de gegevens aan Onze Minister worden verstrekt;

    • d. het middel waarmee de gegevens worden verstrekt.

Artikel 1.53. Herstel en intrekking melding

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het herstel of de intrekking van een kennisgeving, bedoeld in de artikelen 1.51 en 1.52, en de voorwaarden waaronder een kennisgeving kan worden hersteld, ingetrokken of alsnog kan worden gedaan.

Artikel 1.54. Bedrijfsadministratie

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over gegevens die een exploitant bijhoudt, in aanvulling op artikel 102 en de op artikel 106 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde gedelegeerde verordening met betrekking tot:

  • a. de door hem gehouden dieren;

  • b. de op de inrichting aanwezige identificatiemiddelen;

  • c. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bijhoudt;

  • d. de termijn waarbinnen de exploitant de gegevens bewaart;

  • e. de wijze waarop de gegevens worden bijgehouden.

Artikel 1.55. Identificatie- en verplaatsingsdocument

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de identificatiedocumenten, verplaatsingsdocumenten en andere documenten, bedoeld in artikel 110, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, en de op de artikelen 118, eerste lid, onder b, onder ii, tweede lid, onder b, c en d, en 119 van verordening (EU) nr. 2016/429 gebaseerde uitvoerings- of gedelegeerde verordening met betrekking tot:

  • a. de aanvraag en afgifte van een identificatiedocument, een duplicaat of een vervangend identificatiedocument;

  • b. de instantie die identificatiedocumenten voor paardachtigen uitgeeft;

  • c. de termijn waarbinnen aanvraag van een identificatiedocument wordt ingediend;

  • d. de geldigheid van een identificatie- of verplaatsingsdocument.

§ 11.2. Identificatiemiddelen

Artikel 1.56. Goedkeuring identificatiemiddel

  • 1 Een aanvraag voor een goedkeuring van een identificatiemiddel voor runderen, schapen, geiten, varkens, paardachtigen, kameelachtigen of hertachtigen wordt gedaan met een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2 Het model van het identificatiemiddel waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, vergezelt de aanvraag.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of diercategorieën regels worden gesteld over de gegevens die bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gevallen waarin een aanvraag als bedoeld in het eerste lid door Onze Minister wordt goedgekeurd of waarin een goedkeuring wordt ingetrokken.

Artikel 1.57. Verstrekking identificatiemiddel

  • 1 Onze Minister of de leverancier van een goedgekeurd identificatiemiddel verstrekt een identificatiemiddel uitsluitend aan een exploitant die daartoe een bestelling heeft gedaan.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

    • a. het middel waarmee een bestelling kan worden geplaatst bij Onze Minister;

    • b. de door de leverancier bij te houden administratie over bestelde en geleverde identificatiemiddelen;

    • c. de door de leverancier aan te leveren informatie aan Onze Minister;

    • d. degene aan wie een leverancier identificatiemiddelen verstrekt;

    • e. de identificatiemiddelen die de leverancier verstrekt.

Artikel 1.58. Gebruik identificatiemiddel

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

  • a. het aanbrengen en het gebruik van een identificatiemiddel;

  • b. de verwijdering, wijziging of vervanging van een identificatiemiddel;

  • c. de vernietiging van een elektronisch identificatiemiddel;

  • d. de termijn waarbinnen en de voorwaarden waaronder een identificatiemiddel wordt aangebracht.

§ 11.3. Injecteerbare transponders

Artikel 1.58a. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • verordening (EU) nr. 2019/2035: verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PbEU 2019, L 314).

  • identificatiecode: code als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van verordening (EU) nr. 2019/2035;

  • injecteerbare transponder: injecteerbare transponder als bedoeld in bijlage III, onderdeel e, van verordening (EU) nr. 2019/2035 die is voorzien van een identificatiecode die begint met de Nederlandse landcode.

Artikel 1.58b. De injecteerbare transponder

  • 1 Onze Minister verstrekt de identificatiecode die op een injecteerbare transponder wordt aangebracht aan een leverancier.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    • a. de technische specificaties van injecteerbare transponders;

    • b. de gegevens die in of op een injecteerbare transponder worden vermeld of vastgelegd;

    • c. de handel in injecteerbare transponders.

Artikel 1.58c. Leveren van een injecteerbare transponder

  • 1 De leverancier van een injecteerbare transponder beschikt over een erkenning van Onze Minister.

  • 2 Onze Minister erkent een leverancier indien:

    • a. de leverancier een onderneming heeft als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 of een rechtspersoon is in de zin van artikel 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte is gevestigd;

    • b. de leverancier aantoont dat hij gegevens elektronisch en tijdig kan uitwisselen met Onze Minister; en

    • c. de leverancier aantoont te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de wetgeving over de verwerking van persoonsgegevens.

  • 3 Onze Minister kan de erkenning schorsen dan wel intrekken indien de leverancier niet voldoet aan één of meer voorschriften als bedoeld in het tweede lid of een ander voorschrift dat betrekking heeft op de technische specificaties van injecteerbare transponders of de handel in injecteerbare transponders.

  • 5 Bij de overdracht van een injecteerbare transponder registreert de persoon die de injecteerbare transponder overdraagt de leverdatum, de identificatiecode en de naam van de exploitant die de bestelling heeft gedaan bij Onze Minister.

§ 12. Handel

Artikel 1.59. Buiten Nederland brengen van dieren

  • 1 Ingeval artikel 243, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is en de regelgeving of de bevoegde autoriteit van het derde land waarvoor dieren zijn bestemd, vereist dat de dieren voldoen aan door het derde land gestelde vereisten, wordt een officieel certificaat afgegeven door Onze Minister, waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.

  • 2 Ingeval de regelgeving of de bevoegde autoriteit van een derde land, bedoeld in het eerste lid, een bepaalde gezondheidsstatus vereist van dieren, maar geen eisen stelt aan de laboratoria waarin en de wijze waarop laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses worden uitgevoerd, vinden deze plaats in een daartoe door Onze Minister erkend laboratorium.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid ingeval er voor het onderzoek met betrekking tot een bepaalde gezondheidsstatus geen laboratorium is erkend.

Artikel 1.60. Binnen Nederland brengen van dieren

Ingeval artikel 234, derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het binnen Nederland brengen van dieren met betrekking tot:

  • a. de gezondheidsstatus van dieren;

  • b. de begeleidende documenten die dieren vergezellen.

§ 13. Sera en entstoffen

Artikel 1.61. Toepassen sera en entstoffen

  • 1 Het is verboden om een levende entstof toe te passen bij dieren tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten.

  • 2 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van een bij ministeriële regeling aangewezen levende entstof tegen een in die regeling aangewezen dierziekte.

  • 3 Het is verboden om een niet-levende entstof of serum tegen bij ministeriële regeling aangewezen ziekten toe te passen bij dieren.

  • 4 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen het verbod, bedoeld in het derde lid, niet van toepassing is.

Hoofdstuk 2. Houden van dieren voor landbouwdoeleinden

§ 1. Algemeen

Artikel 2.1. Aanwijzing productiedieren

Als diersoorten of diercategorieën als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën die worden genoemd in bijlage II bij dit besluit, met dien verstande dat pluimvee waarbij een lichamelijke ingreep is verricht die krachtens de wet niet is toegestaan, niet is aangewezen.

§ 2. Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen

Artikel 2.2. Reikwijdte

Deze paragraaf en de artikelen 2.9 en 2.10 zijn van toepassing op dieren die met het oog op de productie van producten, afkomstig van die dieren of voor andere landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden, met uitzondering van vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren.

Artikel 2.3. Houden van productiedieren

Wanneer een dier permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of geïmmobiliseerd, wordt het voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.

Artikel 2.4. Verzorging van productiedieren

  • 1 Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen.

  • 2 Een dier dat wordt gehouden in een veehouderijsysteem waar zijn welzijn afhangt van frequente verzorging door de mens, wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd.

  • 3 Een dier dat in een ander systeem wordt gehouden dan het systeem, bedoeld in het tweede lid, wordt zo vaak gecontroleerd dat lijden wordt voorkomen.

  • 4 Een ziek of gewond dier wordt zo nodig afgezonderd in een passend onderkomen dat zo nodig is voorzien van droog strooisel.

  • 6 Een dier krijgt voedsel met ten minste de tussenpozen die bij zijn fysiologische behoeften passen.

  • 7 Het toegediende voer en drinken alsmede de wijze van toediening brengen het dier geen onnodig lijden of letsel toe.

Artikel 2.5. Verlichting en ventilatie

  • 1 Onverminderd artikel 1.8, eerste lid, wordt een dier niet permanent in het duister of in kunstlicht gehouden zonder dat dit voor een passende periode wordt uitgeschakeld en is, indien het beschikbare natuurlijke licht niet voldoende is voor de ethologische en fysiologische behoeften van het dier, in de ruimte waarin het dier wordt gehouden geschikt kunstlicht aanwezig.

  • 2 In een ruimte waarin dieren worden gehouden is voldoende verlichting aanwezig voor een grondige controle van die dieren op elk willekeurig tijdstip.

  • 3 Het materiaal dat wordt gebruikt voor de behuizing waarin een dier wordt gehouden is niet schadelijk voor het dier en kan grondig gereinigd en ontsmet worden.

  • 4 De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier.

  • 5 Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passend noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt.

  • 6 Indien het ventilatiesysteem, bedoeld in het vijfde lid, uitvalt, treedt een alarmsysteem in werking, dat regelmatig wordt getest.

  • 7 Voeder- of drinkinstallaties zijn zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voer en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen dieren tot een minimum worden beperkt.

  • 8 De in dit artikel bedoelde apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van een dier wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd.

  • 9 Indien bij de controle, bedoeld in het achtste lid, defecten worden geconstateerd, worden deze onmiddellijk hersteld of, indien herstel niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de gezondheid en het welzijn van het dier veilig te stellen.

§ 3. Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen

Artikel 2.6. Verrichten van ingrepen door de houder

Als handeling als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet wordt aangewezen het door de houder van het dier verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.5, onderdeel d, van het Besluit diergeneeskundigen.

Artikel 2.7. Te verstrekken inlichtingen

De houder van een dier dat voor de productie van levensmiddelen bestemd is, verstrekt, onverminderd artikel 8.4, tweede lid, van de wet, aan de door Onze Minister krachtens de artikelen 8.1, eerste lid, en 8.14, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren en de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit desgevraagd alle inlichtingen over het voorschrijven van diergeneesmiddelen en het uitvoeren van behandelingen met diergeneesmiddelen bij dieren die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd.

Artikel 2.8. Verbod afleveren met diergeneesmiddelen behandelde dieren

  • 1 Het is verboden een dier te verkopen, voor de verkoop aan te bieden, in de handel te brengen of af te leveren voor de slacht als voedselproducerend dier als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), indien het vlees van het dier een farmacologisch actieve werkzame stof bevat:

    • a. die een maximum residulimiet overschrijdt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van deze verordening of

    • b. waarvoor een actiedrempel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening is vastgesteld.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na de behandeling van een dier met een diervoerder met medicinale werking.

Artikel 2.9. Toediening stoffen

Onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 2.19, derde lid, van de wet, worden geen stoffen aan een dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier.

Artikel 2.10. Bijhouden van gegevens

  • 1 Onverminderd artikel 1.25 en het overigens krachtens de artikelen 2.2, negende of tiende lid, en 2.19 van de wet bepaalde wordt door de houder van een dier een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste drie jaar door de houder bewaard.

§ 3a. Reinigen en ontsmetten

Artikel 2.10a. Reinigings- en ontsmettingsplaats houder evenhoevigen

  • 1 Een houder van tien of meer evenhoevigen beschikt over een reinigings- en ontsmettingsplaats op de inrichting waar die evenhoevigen worden gehouden.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. op die inrichting geen evenhoevigen worden aangevoerd; of

    • b. de inrichting is een weide, perceel of een andere plaats zonder opstal, waar geen voorzieningen aanwezig zijn of redelijkerwijs kunnen worden aangelegd.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de aanwezige voorzieningen op een reinigings- en ontsmettingsplaats.

Artikel 2.10b. Medewerking houder bij reiniging en ontsmetting

Een houder als bedoeld in artikel 2.10a verleent na aanvoer van evenhoevigen medewerking aan de reiniging en ontsmetting van het vervoermiddel waarmee die dieren zijn vervoerd.

Artikel 2.10c. Erkenning reinigings- en ontsmettingsplaats

  • 1 Onze Minister erkent een reinigings- en ontsmettingsplaats, indien:

    • a. die plaats zodanig is ingericht dat deze geschikt is om vervoermiddelen voor evenhoevigen, pluimvee, broedeieren of laadkisten voor deze dieren of broedeieren deugdelijk en efficiënt te reinigen en ontsmetten, ongeacht het type vervoermiddel en onder alle klimatologische omstandigheden;

    • b. de exploitant de wijze van exploitatie en van reiniging en ontsmetting heeft vastgelegd in een protocol, waarin is vermeld of de plaats geschikt is voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel a en waarin wordt gewaarborgd dat elk van die vervoermiddelen deugdelijk en efficiënt gereinigd en ontsmet wordt en op zodanige wijze dat de bioveiligheid niet in gevaar komt.

  • 2 Onze Minister houdt een register bij van erkende reinigings- en ontsmettingsplaatsen.

Artikel 2.10d. Reiniging en ontsmetting op erkende plaats

  • 1 Een exploitant van een op grond van artikel 2.10c erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, een slachthuis of een verzamelcentrum zorgt ervoor dat:

    • a. reiniging- en ontsmetting gebeurt volgens een daartoe opgesteld protocol als bedoeld in artikel 2.10c, eerste lid, onderdeel b;

    • b. de exploitant of een vertegenwoordiger van die exploitant aanwezig is bij elke reiniging- en ontsmetting.

  • 2 De exploitant, bedoeld in het eerste lid, registreert per vervoermiddel onmiddellijk:

    • a. datum en tijdstip waarop reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden;

    • b. het kenteken van het vervoermiddel, of, indien een kenteken ontbreekt, naam, adres en woonplaats van de vervoerder.

  • 3 De exploitant, bedoeld in het eerste lid, geeft desgevraagd een bewijs van reiniging en ontsmetting af dat is voorzien van de gegevens van:

    • a. respectievelijk de reinigings- en ontsmettingsplaats, het slachthuis of het verzamelcentrum;

    • b. de datum van reiniging en ontsmetting; en

    • c. zijn handtekening.

  • 4 De exploitant, bedoeld in het eerste lid, bewaart de gegevens, bedoeld in het tweede lid, drie jaar.

Artikel 2.10e. Schorsen en intrekken erkenning

  • 1 Indien een reinigings- en ontsmettingsplaats niet langer voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikel 2.10c of 2.10d, kan Onze Minister de erkenning schorsen of intrekken.

  • 2 Onze Minister kan een schorsing beëindigen, als de exploitant heeft aangetoond aan de in het eerste lid bedoelde eisen te voldoen.

Artikel 2.10f. Vervoermiddelen afkomstig uit het buitenland

  • 1 Een vervoermiddel waarmee een of meer evenhoevigen, pluimvee of broedeieren in Nederland worden gebracht, afkomstig uit een derde land of uit een door Onze Minister aangewezen lidstaat, dat wordt gelost op een inrichting die niet beschikt over een ingevolge artikel 2.10c erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, wordt in voorkomend geval na reiniging en ontsmetting als bedoeld in artikel 2.10b onmiddellijk vervoerd naar een ingevolge artikel 2.10c erkende reinigings- en ontsmettingsplaats, een slachthuis of een verzamelcentrum, om aldaar te worden gereinigd en ontsmet.

  • 2 Een vervoermiddel dat kennelijk is gebruikt voor het vervoeren van evenhoevigen, pluimvee of broedeieren in derde landen, of in door Onze Minister aangewezen lidstaten, en dat vanuit deze derde landen of lidstaten, anders dan in doorvoer leeg in Nederland wordt gebracht, wordt onmiddellijk gereinigd en ontsmet op een ingevolge artikel 2.10c erkende reiniging- en ontsmettingsplaats, een slachthuis of een verzamelcentrum.

  • 3 De exploitant van het vervoermiddel, bedoeld in het eerste of tweede lid, overlegt binnen 24 uur na binnenkomst in Nederland aan Onze Minister een bewijs van de reiniging en ontsmetting als bedoeld in artikel 2.10d, derde lid.

  • 4 Wanneer het vervoermiddel, bedoeld in het eerste of tweede lid, afkomstig is uit een lidstaat, meldt de exploitant aan Onze Minister in aanvulling op het derde lid binnen 24 uur na binnenkomst in Nederland het nummer van het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 143, van verordening (EU) nr. 2016/429, dat het meest recentelijk is afgegeven.

  • 5 Een lidstaat als bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden aangewezen indien er op het grondgebied van die lidstaat een uitbraak van een bij ministeriële regeling aangewezen besmettelijke dierziekte is bevestigd.

  • 6 Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervoermiddel dat afkomstig is uit een door Onze Minister aangewezen geografisch afgebakend gebied van een lidstaat waar een besmettelijke dierziekte als bedoeld in het vijfde lid bij een in het wild levend dier is bevestigd.

§ 4. Houden van varkens voor productie

§ 4.1. Begripsbepalingen

Artikel 2.11. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht dat kennelijk bestemd is voor de fokkerij;

  • gebruiksvarken: varken met een leeftijd van ten minste tien weken tot aan het moment waarop het wordt geslacht dan wel een beer of gelt is geworden;

  • gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, kennelijk bestemd voor de fokkerij;

  • gespeend varken: gespeend varken met een leeftijd tot 10 weken;

  • spenen: blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug;

  • stal: ruimte bestemd voor het houden van één of meer varkens;

  • volwassen beer: beer van 18 maanden of ouder;

  • zogende zeug: zeug tot aan het spenen van de biggen.

§ 4.2. Welzijnsvoorschriften

Artikel 2.12. Verrichten van ingrepen door de houder

Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van het varken:

Artikel 2.13. Houden in groepen

  • 1 Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden in afzonderlijke groepen gehouden.

  • 2 Een groep gespeende varkens wordt uiterlijk één week na het spenen gevormd.

  • 3 Een groep gebruiksvarkens wordt gevormd uit varkens afkomstig uit één groep gespeende varkens.

  • 4 Aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens worden geen varkens toegevoegd.

Artikel 2.14. Agressie

  • 1 Er worden maatregelen getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, waaronder in ieder geval het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens.

  • 2 Bij tekenen van ernstige gevechten tussen varkens vindt onmiddellijk onderzoek plaats naar de oorzaken daarvan.

Artikel 2.15. Tijdelijke afzondering

  • 1 In afwijking van artikel 2.13, eerste lid, is het toegestaan:

    • a. een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden;

    • b. een gelt of zeug individueel te houden:

      • vanaf één week voor het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen;

      • vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie;

    • c. gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de periode die nodig is:

      • voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken;

      • voor het drachtigheidsonderzoek of het winnen van sperma;

      • voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken;

      • voor voeropname;

      • om de stal te reinigen;

    • d. varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen.

  • 2 Bij een tijdelijke afzondering van de groep als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikken de varkens over voldoende ruimte om zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet anders luidt.

Artikel 2.16. Algemene eisen stalinrichting

Stallen waarin varkens worden gehouden zijn op zodanige wijze ingericht dat de varkens:

  • a. toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen;

  • b. kunnen rusten en ongehinderd kunnen opstaan;

  • c. andere varkens kunnen zien.

Artikel 2.17. Beschikbaar oppervlak

  • 1 De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, bedraagt per gelt of zeug ten minste 2,25 m2.

  • 2 De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht ten minste:

    • a. tot 15 kg: 0,20 m2;

    • b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m2;

    • c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m2;

    • d. van 50 tot 85 kg: 0,65 m2;

    • e. van 85 tot 110 kg: 0,80 m2;

    • f. van meer dan 110 kg: 1,0 m2.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte

    • a. wordt per gelt of zeug met 10% vergroot indien deze dieren in groepen van minder dan zes varkens worden gehouden, of

    • b. kan per gelt of zeug met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.

  • 4 De in het tweede lid bedoelde beschikbare oppervlakte kan per gespeend varken of gebruiksvarken met een gemiddeld gewicht van meer dan 15 kg, met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.

Artikel 2.18. Vloeren

  • 1 De voor de varkens beschikbare vloer van een stal bestaat niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer is bestemd voor gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd van beton.

  • 2 Indien de vloer van de in artikel 2.17, eerste lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer per gelt of zeug ten minste 1,3 m2.

  • 3 Indien de vloer van de in artikel 2.17, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer per varken ten minste 40% van de ingevolge artikel 2.17 voorgeschreven beschikbare oppervlakte per varken.

  • 4 Indien de vloer van de in artikel 2.17, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt, in afwijking van het derde lid, vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer per varken met een gemiddeld gewicht ten minste:

    • a. tot 30 kg: 0,24 m2;

    • b. van 30 tot 50 kg: 0,35 m2;

    • c. van 50 tot 85 kg: 0,45 m2;

    • d. van 85 tot en met 110 kg: 0,60 m2;

    • e. van meer dan 110 kg: 0,75 m2.

  • 5 Indien de vloer van de in artikel 2.20 bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer ten minste twee derden van de totale vloeroppervlakte.

  • 6 Een vloer of een gedeelte daarvan, die is voorzien van gierdoorlatende openingen, wordt als dicht beschouwd indien:

    • a. het totaal aan gierdoorlatende openingen niet meer bedraagt dan 5% van de totale oppervlakte van het dichte deel van de vloer, en

    • b. de breedte van gierdoorlatende spleten ten hoogste 10 mm en de doorsnede van ronde gierdoorlatende openingen ten hoogste 20 mm bedraagt.

Artikel 2.19. Gelten en zeugen

  • 1 Gelten en zeugen worden niet aangebonden gehouden.

  • 2 De zijden van de stal waarin een groep gelten en zeugen wordt gehouden, zijn langer dan 2,8 meter. Indien minder dan zes gelten of zeugen in een groep worden gehouden, zijn de zijden van de stal waarin deze groep wordt gehouden langer dan 2,4 meter.

  • 3 In een stal waarin gelten of zeugen zonder biggen in voerligboxen worden gehouden, heeft elk varken de beschikking over een vrije ruimte met een lengte van ten minste 2 meter.

  • 4 Een stal bestemd voor een gelt of een zeug is zodanig ingericht dat achter de gelt of de zeug voldoende vrije ruimte beschikbaar is voor het natuurlijke of het begeleide werpen.

  • 5 Een stal bestemd voor een zogende zeug met biggen, waarin de zeug zich vrij kan bewegen en kan omdraaien, is voorzien van een bescherming voor de biggen.

  • 6 In een stal waarin een zogende zeug met biggen zich niet vrij kan bewegen of omdraaien, beschikken de biggen over voldoende ruimte om ongehinderd te kunnen worden gezoogd.

Artikel 2.20. Beren

  • 1 Een beer wordt op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en andere varkens kan horen, ruiken en zien.

  • 2 De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste:

    • a. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m2;

    • b. voor een beer van 12 maanden tot 18 maanden: 5 m2;

    • c. voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m2;

    • d. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m2.

  • 3 De beschikbare oppervlakte in een stal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, is voor een beer vrij beschikbaar.

Artikel 2.21. Roostervloeren

  • 1 De spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer is over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt bij stallen bestemd voor:

    • a. zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm;

    • b. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren;

    • c. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en 15 mm bij andere roostervloeren;

    • d. gebruiksvarkens: ten hoogste 18 mm bij betonroostervloeren en 20 mm bij andere roostervloeren.

  • 2 De balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer bedraagt bij een stal bestemd voor:

    • a. biggen en gespeende varkens: ten minste 50 mm;

    • b. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm.

Artikel 2.22. Verrijking en vloerbedekking

  • 1 Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.

  • 2 Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.

  • 3 Het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een beer of een zogende zeug met biggen is voorzien van strooisel als bedoeld in het eerste lid dan wel, voor wat betreft een zogende zeug met biggen, bedekt met een rubber mat.

  • 4 Biggen beschikken over een dichte vloer of een vloer bedekt met een rubber mat waarvan de oppervlakte ten minste 0,6 m2 per toom biggen bedraagt.

Artikel 2.23. Lichtintensiteit en geluidsniveau

  • 1 De lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens bedraagt verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag.

  • 2 In een stal bestemd voor varkens wordt een continue geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai vermeden.

Artikel 2.24. Parasietbehandeling en schoonmaak

Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig schoongemaakt.

Artikel 2.25. Voedersysteem

Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.

Artikel 2.26. Voederen

  • 1 Varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd.

  • 2 Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water.

  • 3 Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien.

Artikel 2.27. Invoer vanuit derde land

De invoer van varkens die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de varkens vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEG 2009, L 47).

§ 4.3. Gezondheidsvoorschriften

§ 4.3.1. Vervoer van en naar inrichtingen met varkens

Artikel 2.27a. Begripsbepalingen

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2.27b. Registratie inrichtingen met varkens

  • 1 Onze Minister registreert op aanvraag een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als:

    • a. A-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;

    • b. B-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen;

    • c. C-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens of gebruiksvarkens worden opgefokt tot beer of gelt en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;

    • d. E-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens, slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde A-bedrijf en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;

    • e. F-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens en slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde B-bedrijf;

    • f. RE-bedrijf, indien op de inrichting op elk moment ten hoogste vier of minder varkens en hun eventuele biggen worden gehouden.

  • 2 Onze Minister registreert een inrichting waar varkens worden gehouden als D-bedrijf, indien ten aanzien van die inrichting niet is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d, kunnen betrekking hebben op:

    • a. de ruimte en het terrein waar dieren worden gehouden;

    • b. de aanwezige voorzieningen;

    • c. de te verrichten onderzoeken bij dieren naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten of zoönosen en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid te voegen informatie.

Artikel 2.27c. Uitzonderingen registratieplicht

Artikel 2.27b is niet van toepassing op:

  • a. een onderzoeksinstituut;

  • b. een slachthuis;

  • c. een spermawininrichting;

  • d. een verzamelcentrum in Nederland.

Artikel 2.27d. Cluster C-bedrijven

  • 1 Ten hoogste drie houders van varkens die zijn geregistreerd als C-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster:

    • a. varkens afneemt van telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf, en

    • b. varkens afvoert naar ten hoogste 30 B-bedrijven of D-bedrijven per twaalf maanden.

  • 2 Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel:

    • a. naam en adresgegevens van de betreffende houders;

    • b. de verdeling van het aantal afleveradressen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 3 De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afleveradressen kunnen éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 2.27e. Cluster F-bedrijven

  • 1 Twee houders van varkens die zijn geregistreerd als F-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster:

    • a. varkens afneemt van uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf, en

    • b. varkens afvoert naar uitsluitend het B-bedrijf, bedoeld in onderdeel a, of naar ten hoogste:

      • 1°. zes D-bedrijven per periode van zes weken, en

      • 2°. twaalf D-bedrijven per periode van zestien weken.

  • 2 Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel de naam en adresgegevens van de betreffende houders.

  • 3 De samenstelling van een cluster kan éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 2.27f. Schorsen of intrekken registratie

Onze Minister kan een registratie als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, schorsen of intrekken, indien de houder:

Artikel 2.27g. Vervoer van en naar geregistreerde inrichtingen

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien een houder varkens:

    • a. afvoert naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum;

    • b. afvoert naar een spermawininrichting;

    • c. afvoert naar een onderzoeksinstituut;

    • d. afvoert naar een RE-bedrijf;

    • e. aanvoert van of afvoert naar een inrichting in het buitenland, al dan niet via een verzamelcentrum.

Artikel 2.27h. Vervoer A-bedrijven

  • 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een A-bedrijf, indien:

    • a. het aanvoer betreft van:

      • 1°. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting; of

      • 2°. gespeende varkens vanaf een E-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat A-bedrijf afkomstig waren;

    • b. die varkens na aanvoer worden gehouden in een stal, afgescheiden van de overige stallen, totdat onderzoek van bloedmonsters is uitgevoerd waaruit blijkt dat in die monsters geen antilichamen zijn aangetroffen tegen klassieke varkenspest en geen gB-antilichamen tegen de ziekte van Aujeszky; of

    • c. vanaf dat bedrijf in de zes weken na de dag waarop die varkens zijn aangevoerd slechts varkens worden afgevoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de stal waarin varkens worden gehouden en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 3 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een A-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:

    • a. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf;

    • b. telkens hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d; of

    • c. telkens hetzelfde E-bedrijf.

Artikel 2.27i. Vervoer B-bedrijven

  • 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een B-bedrijf, indien het aanvoer betreft van:

    • a. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting, of

    • b. gespeende varkens of gelten vanaf een F-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat B-bedrijf afkomstig waren.

  • 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een B-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:

    • a. een D-bedrijf al dan niet via hetzelfde F-bedrijf, waarbij per periode van:

      • 1°. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en

      • 2°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven;

    • b. uitsluitend hetzelfde cluster van F-bedrijven.

Artikel 2.27j. Vervoer C-bedrijven

  • 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een C-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf.

  • 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een C-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:

    • a. een A-bedrijf;

    • b. een B-bedrijf of D-bedrijf, waarbij:

      • 1°. per twaalf maanden naar ten hoogste 40 bedrijven wordt afgevoerd; of

      • 2°. voor zover het C-bedrijf onderdeel is van een cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d, per twaalf maanden door de bedrijven in dat cluster gezamenlijk naar ten hoogste 30 bedrijven wordt afgevoerd.

Artikel 2.27k. Vervoer D-bedrijven

Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een D-bedrijf, indien die dieren afkomstig zijn van een A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf, waarbij per periode van zestien weken aanvoer plaatsvindt van ten hoogste zes bedrijven.

Artikel 2.27l. Vervoer E-bedrijven

  • 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een E-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde A-bedrijf.

  • 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een E-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:

    • a. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf; of

    • b. uitsluitend hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d.

Artikel 2.27m. Vervoer F-bedrijven

  • 1 Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een F-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf.

  • 2 Het is toegestaan om varkens af te voeren van een F-bedrijf naar:

    • a. het B-bedrijf waarvan die dieren oorspronkelijk afkomstig waren; of

    • b. een D-bedrijf, waarbij voor zover het F-bedrijf onderdeel is van een cluster van F-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27e, per periode van:

      • 1°. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en

      • 2°. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven.

Artikel 2.27n. Vervoer RE-bedrijven

Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een RE-bedrijf, indien daarmee op het bedrijf niet meer dan vier varkens en hun eventuele biggen worden gehouden.

Artikel 2.27o. Wissel vaste afnemer of leverancier

  • 2 Een houder als bedoeld in het eerste lid kan éénmaal per twaalf maanden wisselen van leverancier of afnemer van varkens, nadat de houder daarvan melding heeft gedaan bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

  • 3 De wisseling, bedoeld in het tweede lid, kan voor een A-bedrijf of B-bedrijf zowel voor gelten en zeugen plaatsvinden als voor beren.

Artikel 2.27p. Toestemming voor vervoer

  • 1 Een houder van varkens voert geen varkens van zijn bedrijf af onderscheidenlijk op zijn bedrijf aan zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister.

  • 2 Het vervoer, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zeven dagen nadat toestemming is verkregen.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag en de documentatie van de toestemming, bedoeld in het eerste lid.

§ 4.3.2. Monitoringsvoorschriften

Artikel 2.27q. Monitoring varkens

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    • a. de aard en de frequentie van het onderzoek;

    • b. het aanleveren en bewaren van gegevens;

    • c. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten;

    • d. de gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.

§ 5. Houden van runderen voor productie

§ 5.1. Begripsbepalingen

Artikel 2.28. Verrichten van ingrepen door de houder

Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door houder van het rund:

Artikel 2.29. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • eenlingbox: ruimte met ten minste drie wanden bestemd voor het huisvesten van één kalf;

  • kalf: rund behorend tot de soort Bos primigenius taurus, van ten hoogste zes maanden;

  • stal: ruimte bestemd voor het, al dan niet in eenlingboxen, houden van één of meer kalveren;

  • vleeskalf: kalf dat kennelijk wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten hoogste acht maanden;

  • vleesstierkalf: kalf van het mannelijk geslacht dat wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten minste acht maanden.

§ 5.2. Welzijnsvoorschriften voor productie gehouden kalveren

Artikel 2.31. Aanbinden en muilkorven

  • 1 Een kalf wordt niet aangebonden gehouden.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om kalveren in groepshokken aan te binden tijdens het voederen van melk of een melkvervangend preparaat voor ten hoogste één uur.

  • 3 Het aanbinden, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats met een verbindingsmiddel dat zodanig is ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij het kalf optreedt en het kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken.

  • 4 Een verbindingsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt regelmatig geïnspecteerd en eventueel bijgesteld om te zorgen dat het gemakkelijk zit.

  • 5 Een kalf wordt niet gemuilkorfd.

Artikel 2.32. Huisvesting

  • 1 Een kalf ouder dan 8 weken wordt niet in een eenlingbox gehuisvest.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien een dierenarts heeft bepaald dat een kalf in verband met zijn gezondheid of gedrag moet worden geïsoleerd om te worden behandeld.

  • 3 Indien een kalf anders dan in eenlingboxen wordt gehouden, heeft een kalf met een levend gewicht van:

    • a. minder dan 150 kg, de beschikking over ten minste 1,5 m2 vloeroppervlakte;

    • b. 150 kg tot 220 kg, de beschikking over ten minste 1,7 m2 vloeroppervlakte;

    • c. 220 kg of meer, de beschikking over ten minste 1,8 m2 vloeroppervlakte.

Artikel 2.33. Eenlingboxen

  • 1 Indien een kalf in een eenlingbox wordt gehouden, heeft die eenlingbox een breedte van ten minste de schofthoogte van het kalf, gemeten terwijl het kalf rechtop staat, en een lengte van ten minste 1,1 maal de lichaamslengte van het kalf, gemeten van de neuspunt tot aan de achterkant van de zitbeenknobbel (tuber ischii).

  • 2 Met uitzondering van een eenlingbox die voor het isoleren van zieke dieren wordt gebruikt, zijn de wanden van een eenlingbox zodanig uitgevoerd dat naast elkaar gehouden kalveren elkaar kunnen zien en aanraken.

Artikel 2.34. Inrichting stal

  • 1 De stal is zodanig ingericht dat een kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken.

  • 2 Indien kalveren in een stal met ligboxen worden gehouden, is het aantal ligboxen ten minste gelijk aan het aantal kalveren.

Artikel 2.35. Vloer

  • 1 De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de eigenschappen van de vloer.

Artikel 2.36. Ligruimte

  • 1 De ligruimte van een stal is comfortabel en zindelijk, beschikt over een behoorlijke afvoer en is niet schadelijk voor de kalveren.

  • 2 De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel.

  • 3 Kalveren met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden beschikken over ligruimte die is ingestrooid of is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag.

  • 4 De oppervlakte van de ligruimte bedraagt in stallen waarin de kalveren niet zijn aangebonden of niet in eenlingboxen zijn gehuisvest, voor kalveren tot een leeftijd van drie maanden ten minste 0,50 m2 beschikbare ruimte per kalf en voor kalveren ouder dan drie maanden ten minste 0,70 m2 beschikbare ruimte per kalf.

Artikel 2.37. Verlichting

  • 1 Kalveren beschikken over passend dag- of kunstlicht.

  • 2 Van passend dag- of kunstlicht is in ieder geval sprake indien de oppervlakte van lichtdoorlatend materiaal in wand of dak van een stal bestemd voor vleeskalveren ten minste 2% van de vloeroppervlakte van de stal bedraagt en van een stal bestemd voor andere kalveren dan vleeskalveren ten minste 5% bedraagt van die oppervlakte, waarbij het materiaal zodanig is aangebracht dat het licht in de stal gelijkmatig is gespreid.

Artikel 2.38. Voedersysteem

  • 1 Indien kalveren in groepshokken worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch voedersysteem worden gevoederd, is de breedte van het voerhek zodanig dat alle kalveren tegelijk kunnen eten.

  • 2 De breedte van het voerhek bedraagt ten minste 0,40 m per kalf.

  • 3 In stallen voorzien van een systeem van voorraadvoedering beschikken kalveren over ten minste één eetplaats per drie kalveren.

Artikel 2.39. Voeder- en drinkinstallaties

De installaties die voor het voederen en drenken worden gebruikt, zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en geplaatst en worden op zodanige wijze onderhouden, dat gevaar voor verontreiniging van het voor de kalveren bestemde voer en water wordt beperkt.

Artikel 2.40. Apparatuur

Maatregelen als bedoeld in artikel 2.5, negende lid, bestaan in ieder geval uit het toepassen van andere voedermethoden en het handhaven van een acceptabel leefklimaat.

Artikel 2.41. Voederen

  • 1 Kalveren worden ten minste tweemaal per dag gevoederd.

  • 3 De voeding bevat voldoende ijzer om een gemiddeld hemoglobinegehalte van ten minste 4.5 mmol/l te bereiken.

  • 4 Aan kalveren ouder dan twee weken wordt dagelijks een hoeveelheid vezelhoudend voer verstrekt, welke hoeveelheid voor kalveren van 8 tot 20 weken oud wordt verhoogd van 50 gram tot 250 gram per dag.

Artikel 2.42. Drenken

  • 1 In afwijking van artikel 1.7, onderdeel f, kunnen aan een kalf ouder dan twee weken ook andere vloeistoffen dan water worden verstrekt om in zijn behoefte aan drinken te voorzien.

  • 2 Bij warm weer en voor zieke kalveren is permanent vers drinkwater beschikbaar.

  • 3 Kalveren krijgen zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen zes uur na hun geboorte, koebiest te drinken.

Artikel 2.43. Inspectie

In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden op stal gehouden kalveren ten minste tweemaal per dag en in de open lucht gehouden kalveren ten minste eenmaal per dag geïnspecteerd.

Artikel 2.44. Reiniging en ontsmetting

  • 1 De stal, eenlingboxen, uitrusting en gereedschap voor kalveren worden op passende wijze gereinigd en ontsmet teneinde kruiscontaminatie en ziekteverwekkers te voorkomen.

  • 2 Uitwerpselen, urine en niet opgegeten of gemorst voer worden zo vaak mogelijk verwijderd, zodat de reuk zoveel mogelijk wordt beperkt en geen vliegen en knaagdieren worden aangetrokken.

Artikel 2.45. Zieke en gewonde dieren

Het afzonderen, bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, vindt plaats in een adequate ruimte die is voorzien van droog en comfortabel strooisel en die plaats biedt aan ten minste 1% van het aantal gehouden kalveren en indien dit minder is dan één, aan ten minste één kalf.

Artikel 2.46. Invoer vanuit derde land

De invoer van kalveren die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de kalveren vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2008, L 10).

§ 5.3. Gezondheidsvoorschriften

Artikel 2.46a. Monitoring brucellose

  • 1 Een houder van een rund, dat na een dracht van meer dan 100 dagen een of meer vruchten ter wereld heeft gebracht, laat bij dat dier binnen een week nadat die vrucht of vruchten ter wereld zijn gebracht een bloedmonster nemen en laat die monsters onderzoeken op de aanwezigheid van antilichamen tegen brucellose, indien die vrucht of vruchten spontaan meer dan 21 dagen eerder dan de gemiddelde draagtijd van het desbetreffende runderras ter wereld zijn gebracht.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

    • a. de monstername en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid; en

    • b. administratie van de bemonstering.

§ 6. Houden van pluimvee voor productie

§ 6.1. Welzijnsvoorschriften

§ 6.1.1. Algemeen

Artikel 2.47. Verrichten van ingrepen door de houder

Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van het pluimvee:

§ 6.1.2. Houden van vleeskuikens voor productie

Artikel 2.48. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • bezettingsdichtheid: totale levende gewicht van vleeskuikens die tegelijkertijd in de stal per vierkante meter bruikbare oppervlakte aanwezig zijn;

  • bruikbare oppervlakte: van strooisel voorziene oppervlakte die te allen tijde voor vleeskuikens toegankelijk is;

  • dagelijkse mortaliteit: aantal vleeskuikens dat op dezelfde dag in een stal gestorven is, met inbegrip van de vleeskuikens die zijn gedood als bedoeld in hoofdstuk 5, gedeeld door het aantal vleeskuikens dat op die dag in de stal aanwezig was, vermenigvuldigd met 100;

  • gecumuleerde dagelijkse mortaliteit: som van de dagelijkse mortaliteitscijfers;

  • koppel: groep vleeskuikens die in een stal zijn ondergebracht en gelijktijdig in die stal aanwezig zijn;

  • pluimveebedrijf: productieplaats waar vleeskuikens worden gehouden;

  • richtlijn 2007/43/EG: richtlijn 2007/43//EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182);

  • stal: gebouw op een pluimveebedrijf waar een koppel vleeskuikens wordt gehouden;

  • vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees.

Artikel 2.49. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op:

  • a. pluimveebedrijven met minder dan 500 vleeskuikens;

  • b. pluimveebedrijven met alleen vermeerderingsdieren;

  • c. broederijen;

  • d. vleeskuikens in extensieve scharrel- en vrije-uitloophouderijen als bedoeld in bijlage V onder b, c, d en e, bij verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEU 2007, L 157);

  • e. vleeskuikens gehouden overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 11, derde lid, van de verordening, genoemd in onderdeel d;

  • f. vleeskuikens gehouden overeenkomstig verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 1991, L 198).

Artikel 2.50. Toepasselijkheid voorschriften

  • 1 Het is verboden vleeskuikens te houden.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien:

  • 3 In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m2, indien:

  • 4 In afwijking van het eerste lid, het tweede lid, onderdeel a en het derde lid, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 39 kg/m2, indien:

Artikel 2.51. Houden, huisvesten en verzorgen

Vleeskuikens worden gehouden, gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de punten 1 tot en met 10 van bijlage I van richtlijn 2007/43/EG.

Artikel 2.52. Registratie

  • 1 De houder registreert voor elke stal de volgende gegevens:

    • a. het aantal binnengebrachte vleeskuikens;

    • b. de bruikbare oppervlakte;

    • c. de kruising of het ras van de vleeskuikens, indien bekend;

    • d. ten aanzien van iedere controle, het aantal dood aangetroffen vleeskuikens met een indicatie van de oorzaken, indien bekend, alsmede het aantal gedode vleeskuikens, met de reden, en

    • e. het resterende aantal vleeskuikens in het koppel nadat er vleeskuikens uit zijn verwijderd voor verkoop of slacht.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaren bewaard en worden bij een inspectie of op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzamelen en verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de bezettingsdichtheid.

Artikel 2.53. Treffen welzijnsmaatregelen

  • 1 Wanneer een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, aan de houder en een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet, gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de dagelijkse mortaliteit, de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit of de resultaten van de post mortem keuring die wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden, neemt de desbetreffende houder passende maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn.

  • 2 Onze Minister treft, ingeval een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, informatie heeft verstrekt als bedoeld in het eerste lid, maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn, die onder meer kunnen inhouden:

    • a. een verplichting voor de houder tot het opstellen van een plan van aanpak;

    • b. een verbod voor de houder op het houden van vleeskuikens, tenzij de bezettingsdichtheid niet hoger is dan een bij die maatregel vast te stellen gewicht per vierkante meter, gedurende een bij die maatregel bepaalde periode.

  • 3 Het plan van aanpak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 2.54. Opleiding

  • 1 De houder van vleeskuikens, voor zover deze een natuurlijke persoon is, is in het bezit van een door Onze Minister erkend certificaat waaruit blijkt dat hij passende cursussen heeft voltooid of gelijkwaardige ervaring heeft opgedaan.

  • 2 Van gelijkwaardige ervaring als bedoeld in het eerste lid is in elk geval sprake wanneer de ervaring is opgedaan voor 1 februari 2011.

  • 3 De cursussen, bedoeld in het eerste lid, zijn toegespitst op welzijnsaspecten en hebben in ieder geval betrekking op:

    • a. de voorschriften van bijlage I van richtlijn 2007/43/EG en de artikelen 2.56 en 2.57;

    • b. de fysiologie, met name de drink- en voederbehoeften, het diergedrag en het begrip stress;

    • c. de praktische aspecten van de zorgzame omgang met vleeskuikens en van het vangen, laden en transporteren van vleeskuikens;

    • d. eerste hulp voor vleeskuikens, het noodslachten en het doden van vleeskuikens;

    • e. preventieve maatregelen op het gebied van bioveiligheid.

  • 4 De houder verstrekt instructies en advies over de relevante voorschriften inzake dierenwelzijn, inclusief die met betrekking tot de dodingsmethoden die op de pluimveebedrijven worden toegepast, aan de personen die hij in dienst heeft of die voor hem diensten verrichten en die voor vleeskuikens zorgen of vleeskuikens vangen en laden.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid.

Artikel 2.55. Hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m2

  • 1 De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 33 kg/m2, stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn.

  • 2 Indien Onze Minister daarom verzoekt, stuurt de houder een samenvatting van de informatie, bedoeld in artikel 2.56, tweede lid, toe.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.

Artikel 2.56. Bijhouden gegevens productiesystemen

  • 1 De houder legt per stal een verzameling van documenten aan waarin de productiesystemen in detail zijn beschreven.

  • 2 De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval informatie over technische details van de stal en de uitrusting van de stal, waaronder:

    • a. een plattegrond van de stal met inbegrip van de afmetingen van de door de vleeskuikens ingenomen oppervlakten;

    • b. het ventilatiesysteem en het koel- of verwarmingssysteem en de locatie van deze systemen;

    • c. het ventilatieschema met de beoogde parameters over luchtkwaliteit, zoals luchtstroming, luchtsnelheid en temperatuur;

    • d. de voeder- en watervoorziening en de locatie ervan;

    • e. de alarm- en reservesystemen die in werking treden in geval van een storing van de automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren;

    • f. het vloertype, en

    • g. het normaliter gebruikte strooisel.

  • 3 De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld.

  • 4 Indien de documenten op grond van het derde lid aan Onze Minister ter beschikking zijn gesteld, brengt de houder Onze Minister onverwijld op de hoogte van eventuele wijzigingen in de beschreven stal, uitrusting of procedures die van invloed kunnen zijn op het welzijn van de dieren.

Artikel 2.57. Ventilatie en koelverwarmingssystemen

De houder rust elke stal van zijn pluimveebedrijf uit met een ventilatiesysteem en met koel- of verwarmingssystemen, die zo zijn ontworpen en gebouwd en die zo functioneren dat:

  • a. de concentratie van ammoniak niet hoger is dan 20 ppm en de concentratie van kooldioxide niet hoger is dan 3.000 ppm, gemeten ter hoogte van de kop van de vleeskuikens;

  • b. de binnentemperatuur de buitentemperatuur met niet meer dan 3°C overschrijdt wanneer het buiten in de schaduw warmer is dan 30°C, en

  • c. de gemiddelde relatieve vochtigheidsgraad in de stal over een periode van 48 uur niet hoger is dan 70% bij een buitentemperatuur van minder dan 10°C.

Artikel 2.58. Documentatie

  • 1 De houder draagt er zorg voor dat de documentatie bij een koppel vleeskuikens dat ter slachting wordt aangeboden, gegevens bevat over:

    • a. de door de houder berekende dagelijkse mortaliteit en gecumuleerde dagelijkse mortaliteit en

    • b. de kruising of het ras van de vleeskuikens.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt, worden onder toezicht van de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, door de exploitant van het slachthuis geregistreerd met vermelding van het pluimveebedrijf van herkomst en de stal van het desbetreffende pluimveebedrijf. De aannemelijkheid van de juistheid van de gegevens wordt door de exploitant van het slachthuis geverifieerd, rekening houdend met het aantal geslachte vleeskuikens en met het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt.

Artikel 2.59. Hogere bezettingsgraad dan 39 kg/m2

  • 1 De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 39 kg/m2, stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn.

Artikel 2.60. Geen tekortkomingen

  • 2 Ingeval er op het pluimveebedrijf in de twee jaren, bedoeld in het eerste lid, geen toezicht op de naleving van deze paragraaf heeft plaatsgevonden, geldt in afwijking van het eerste lid, dat er alsnog toezicht plaatsvindt, en hierbij geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf worden waargenomen.

Artikel 2.61. Gidsen voor goede praktijken

De houder maakt bij de bedrijfsvoering gebruik van gidsen voor goede praktijken, die aanbevelingen bevatten voor de naleving van deze paragraaf.

Artikel 2.62. Gecumuleerde dagelijkse mortaliteit

  • 1 De gecumuleerde dagelijkse mortaliteit van ten minste zeven opeenvolgende gecontroleerde koppels van een stal bedraagt voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, minder dan de som van:

    • a. 1% en

    • b. 0,06%, vermenigvuldigd met de slachtleeftijd van de dieren, uitgedrukt in dagen.

  • 2 Ingeval de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit meer bedraagt dan de som, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister besluiten het eerste lid buiten toepassing te laten, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de hogere gecumuleerde dagelijkse mortaliteit heeft verstrekt en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht.

Artikel 2.63. Nadere regels ter voorkoming van aandoeningen

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voorkomen van de aandoening voetzoollaesies bij vleeskuikens.

  • 2 De houder voldoet aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften.

  • 3 Indien de houder niet kan voldoen aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften, kan Onze Minister ontheffing verlenen van het tweede lid, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de overschrijding van de norm, heeft verstrekt, en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht.

Artikel 2.64. Nieuw pluimveebedrijf

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een nieuw pluimveebedrijf: een pluimveebedrijf waar vleeskuikens worden gehouden en dat van start gaat na de inwerkingtreding van deze paragraaf.

  • 2 De artikelen 2.60 tot en met 2.62 zijn niet van toepassing op een pluimveebedrijf waar voorafgaand aan 1 februari 2011 vleeskuikens worden gehouden tot het tijdstip waarop door een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de wet toezicht is uitgeoefend op de naleving van deze paragraaf.

  • 3 De houder van een pluimveebedrijf als bedoeld in het tweede lid stelt Onze Minister binnen 15 dagen na inwerkingtreding van deze paragraaf in kennis van zijn voornemen om een zodanig aantal vleeskuikens te houden dat de bezettingsdichtheid na de inwerkingtreding van deze paragraaf hoger zal zijn dan 39 kg/m2.

  • 4 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op:

    • a. een nieuw pluimveebedrijf;

    • b. een pluimveebedrijf waar voorheen vleeskuikens werden gehouden op een wijze als bedoeld in artikel 2.49, eerste lid, en dat overstapt op het houden van vleeskuikens op een wijze waarop deze paragraaf van toepassing is.

Artikel 2.65. Lagere bezettingsgraad dan 33 of 39 kg/m2

  • 1 De houder die voornemens is wijziging aan te brengen in het door hem te houden aantal vleeskuikens, waardoor de bezettingsdichtheid lager wordt dan 33 of 39 kg/m2, stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.64, derde lid, en in het eerste lid, plaatsvindt.

§ 6.1.2a. Houden van ouderdieren van vleeskuikens voor productie

Artikel 2.65a. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • koppel: een groep ouderdieren die in een stal is ondergebracht, waarbij het leeftijdsverschil tussen de oudste hen en de jongste hen ten hoogste zeven dagen is;

  • legnest: afgescheiden ruimte voor een individueel ouderdier of een groep ouderdieren die geschikt is voor het leggen van eieren;

  • ouderdier: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;

  • plateau: horizontaal aangebrachte verhoging van hout of kunststof waardoor geen mest kan vallen;

  • strooisel: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand, zaagsel of ander materiaal met een losse structuur dat de dieren in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen;

  • vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees;

  • zitstok: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout of kunststof waar het dier op kan zitten of rusten.

Artikel 2.65b. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden ouderdieren van vleeskuikens en dieren van tien weken of ouder die worden opgefokt tot ouderdier van vleeskuikens.

Artikel 2.65c. Registratie

  • 1 De houder van ouderdieren registreert dagelijks, voor zover van toepassing, voor elke stal de volgende gegevens:

    • a. het aantal binnengebrachte ouderdieren, onderscheiden naar geslacht;

    • b. het aantal ouderdieren dat niet-levend wordt afgevoerd;

    • c. het resterend aantal ouderdieren in het koppel dat levend wordt afgevoerd, onderscheiden naar geslacht.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.

Artikel 2.65d. Huisvesting en voeding ouderdieren

  • 1 Een ouderdier beschikt ten minste over:

    • a. 1.300 cm2 vloeroppervlakte per ouderdier, waaronder het legnest, waarbij de oppervlakte van in de stal aangebrachte plateaus die zich ten minste 35 cm boven de vloeroppervlakte bevinden mogen worden meegerekend en waarvan ten minste 300 cm2 per ouderdier is bedekt met strooisel;

    • b. een hoogte van 70 cm boven de vloeroppervlakte;

    • c. een zitstok met een lengte van ten minste 7 cm per ouderdier, met een vrije ruimte van ten minste 10 cm onder de zitstok en ten minste 35 cm daarboven;

    • d. een voerbak waarvan de lengte van de voor ouderdieren toegankelijke kant per ouderdier ten minste 12,5 cm bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, een per ouderdier toegankelijke plek van ten minste 5 cm.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, onderdeel a, beschikken ouderdieren die in een kooi worden gehouden over een totale vloeroppervlakte van ten minste 2.850 cm2.

  • 3 De oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, is horizontaal en is dicht of bestaat uit roosters van hout of kunststof, niet zijnde draadroosters.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, beschikt een ouderdier van een koppel waarvan de hennen een eindgewicht van ten hoogste 2,4 kg bereiken over ten minste 1.200 cm2 bruikbare oppervlakte per ouderdier.

Artikel 2.65e. Huisvesting ouderdieren tijdens opfok

Een dier dat wordt opgefokt om te worden gehouden als ouderdier beschikt over een vloeroppervlakte van ten minste 666 cm2 per dier.

Artikel 2.65f. Controles

  • 2 In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.

  • 3 De houder van ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel.

§ 6.1.3. Houden van legkippen voor productie

Artikel 2.66. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • legkip: legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren;

  • huisvestingssysteem: voorziening waarin legkippen op dezelfde wijze worden gehouden;

  • kooi: afgesloten ruimte bestemd voor het houden van één of meer legkippen waarin de legkippen zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen;

  • bruikbare oppervlakte: een ten minste 30 cm breed oppervlak met een helling van ten hoogste 8 graden met boven het gehele oppervlak een vrije ruimte van ten minste 45 cm hoogte. De oppervlakte van het nest wordt niet tot de bruikbare oppervlakte gerekend;

  • nest: afgescheiden ruimte voor een individuele legkip of een groep legkippen die geschikt is voor het leggen van eieren en waarin een legkip niet in contact kan komen met bodembestanddelen die bestaan uit draadgaas;

  • strooisel: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand of ander materiaal met een losse structuur dat legkippen in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen;

  • zitstok: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout, metaal of kunststof zonder scherpe randen waar de legkip op kan zitten of rusten, in ieder geval niet bestaande uit draadgaas.

Artikel 2.67. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op houders van legkippen die minder dan 350 legkippen houden.

Artikel 2.68. Toepasselijkheid voorschriften

  • 2 In afwijking van het eerste lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 2.71 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.71 en 2.73 tot en met 2.76.

Artikel 2.69. Registratie houders

  • 1 Onze Minister registreert houders van legkippen overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203) of overeenkomstig de op grond van dat artikel vastgestelde uitvoeringsbepalingen. Hij verstrekt daartoe aan houders van legkippen een nummer dat geschikt is om de voor de menselijke consumptie in de handel gebrachte eieren te kunnen traceren.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.

  • 3 Het is verboden legkippen te houden zonder te beschikken over een nummer als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.70. Houden en huisvesten in alternatieve huisvestingssystemen

  • 1 Legkippen beschikken ten minste over:

    • a. 1.111 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip;

    • b. één nest per 7 legkippen dan wel een gemeenschappelijk nest van 1 m2 per 120 legkippen;

    • c. een met strooisel bedekte oppervlakte van 250 cm2 per legkip waarbij in ieder geval een derde deel van het grondoppervlak met strooisel is bedekt;

    • d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip die niet is aangebracht boven het strooisel. De horizontale afstand tussen de zitstokken bedraagt ten minste 30 cm en tussen de zitstokken en de wand ten minste 20 cm;

    • e. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat;

    • f. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, ten minste 4 cm per legkip, en

    • g. een bereikbare watervoorziening bestaande uit:

      • een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 2,5 cm per legkip bedraagt;

      • een ronde drinkbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 1 cm per legkip bedraagt, of

      • één drinknippel of één waterbakje per 10 legkippen. Bij watervoorziening via nippels of drinkwaterbakjes zijn per legkip ten minste twee nippels of drinkwaterbakjes bereikbaar.

  • 2 In een huisvestingssysteem waarin de legkippen zich vrij op en tussen de verschillende niveaus kunnen verplaatsen:

    • a. is het aantal niveaus op enig punt boven de vloer beperkt tot vier;

    • b. bedraagt de vrije hoogte tussen de niveaus ten minste 45 cm;

    • c. zijn de voeder- en watervoorzieningen zo over de ruimte verdeeld dat alle legkippen er gelijke toegang toe hebben, en

    • d. komen de uitwerpselen van de legkippen die zich op de hogere niveaus bevinden niet op de voor de legkippen toegankelijke lagere niveaus terecht.

  • 3 In een huisvestingssysteem waarin de legkippen toegang hebben tot een ruimte buiten:

    • a. geven over de hele lengte van het gebouw verdeelde uitgangen rechtstreeks toegang tot de ruimte buiten;

    • b. zijn de uitgangen ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed;

    • c. hebben de beschikbare uitgangen een gezamenlijke breedte van ten minste 2 m per 1.000 legkippen;

    • d. heeft de ruimte buiten om verontreiniging te voorkomen een grondoppervlakte die is afgestemd op de bezettingsgraad en het bodemtype, en

    • e. is de ruimte buiten voorzien van beschutting tegen slecht weer en roofdieren, en indien nodig van passende drinkvoorzieningen.

  • 4 Een overdekte ruimte mag tot de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde oppervlakte worden gerekend indien de ruimte in ieder geval vanaf 6 uur na het begin van de lichtperiode in de stal onbeperkt toegankelijk is voor de legkippen, gedurende ten minste 10 uren, en de toegangen tot de ruimte ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed zijn en een gezamenlijke breedte hebben van ten minste 2 m per 1.000 legkippen.

  • 5 De oppervlakken die tot de bruikbare oppervlakte wordt gerekend bieden steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.

Artikel 2.71. Houden en huisvesten in aangepaste kooien: koloniehuisvesting

  • 1 Een kooi als bedoeld in artikel 2.68, tweede lid, heeft:

    • a. een hoogte van ten minste 60 cm aan de zijde van de kooi waar de voerbak zich bevindt;

    • b. een hoogte van ten minste 50 cm boven de bruikbare oppervlakte;

    • c. een oppervlakte van ten minste 25.000 cm2, en

    • d. ten minste twee zitstokken.

  • 2 Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2.68, tweede lid, hebben ten minste de beschikking over:

    • a. 800 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en 900 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram;

    • b. een nest;

    • c. een met strooisel bedekte ruimte waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;

    • d. een zitstok met een lengte van ten minste 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van ten minste 20 cm;

    • e. een voerbak met een lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant van ten minste 12 cm per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en van ten minste 14,5 cm per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram;

    • f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en

    • g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.

  • 3 De zitstokken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden op verschillende hoogtes in de kooi geplaatst.

  • 4 Het nest, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is minder verlicht dan andere gedeelten van de kooi en heeft een oppervlak van ten minste:

    • a. 2.700 cm2, wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of

    • b. 90 cm2 per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.

  • 5 De met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, heeft een oppervlak van ten minste:

    • a. 2.700 cm2, wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of

    • b. 90 cm2 per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.

  • 6 Indien een kooi als bedoeld in artikel 2.68, tweede lid, wordt gebruikt voor het houden en huisvesten van ten minste vijf en ten hoogste acht legkippen voor het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij zijn tot 1 januari 2035 niet van toepassing:

    • a. het eerste lid, onderdelen a en b, met dien verstande dat de hoogte van de kooi aan de zijde waar de voerbak zich bevindt en boven de bruikbare oppervlakte ten minste 45 cm bedraagt;

    • b. het eerste lid, onderdeel c;

    • c. het vereiste inzake de oppervlakte van het nest, bedoeld in het vierde lid, met dien verstande dat het nest een oppervlakte heeft van ten minste 90 cm2 per legkip; en

    • d. het vijfde lid, met dien verstande dat de met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, een oppervlakte heeft van ten minste 90 cm2 per legkip.

  • 7 Er is sprake van het testen van legkippen ten behoeve van de fokkerij, bedoeld in het zesde lid, indien:

    • a. de legkippen nakomelingen zijn uit kruisingen van raszuivere dieren;

    • b. het testen ten minste inhoudt dat frequent metingen en waarnemingen worden verricht ten aanzien van het aantal gelegde eieren, de sterfte en het gedrag, en

    • c. de bij het testen verkregen gegevens ter beschikking zijn van het fokbedrijf.

Artikel 2.72. Houden en huisvesten in aangepaste kooien: verrijkte kooien

  • 1 Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2.68, derde lid hebben ten minste de beschikking over:

    • a. 750 cm2 oppervlakte waarvan 600 cm2 bruikbare oppervlakte per legkip, met dien verstande dat de kooi boven andere plaatsen dan de bruikbare oppervlakte op elk punt ten minste 20 cm hoog moet zijn en dat de totale oppervlakte van een kooi niet kleiner mag zijn dan 2.000 cm2;

    • b. een nest;

    • c. een met strooisel bedekte ruimte die ten minste 20 cm hoog is, waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;

    • d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van 20 cm;

    • e. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 12 cm per legkip bedraagt;

    • f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en

    • g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.

  • 2 De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.

Artikel 2.73. Algemene eisen huisvesting

  • 1 Het geluidsniveau wordt zo laag mogelijk gehouden. Aanhoudend of plotseling lawaai wordt vermeden. Constructie, opstelling, onderhoud en werking van ventilatietoestellen, voedermachines of andere apparaten veroorzaken zo weinig mogelijk lawaai.

  • 2 Het huisvestingssysteem is zodanig opgezet dat een legkip niet kan ontsnappen.

Artikel 2.74. Algemene eisen verzorging

  • 1 De legkippen worden ten minste eenmaal per dag door de houder geïnspecteerd.

  • 2 De inrichting van het huisvestingssysteem is zodanig dat alle lagen en kooien rechtstreeks en moeiteloos kunnen worden geïnspecteerd en de legkippen gemakkelijk kunnen worden verwijderd.

  • 3 Rijen kooien zijn van elkaar gescheiden door gangen van ten minste 90 cm breed.

  • 4 De bodem van de onderste kooi is ten minste 35 cm boven de vloer van het gebouw geplaatst.

  • 5 De vorm en de grootte van de kooiopening zijn zodanig dat een volwassen legkip uit de kooi kan worden gehaald zonder dat dit lijden of verwondingen veroorzaakt.

Artikel 2.75. Verlichting

  • 1 Er is voldoende goed werkende verlichtingsapparatuur aanwezig voor een grondige inspectie van iedere legkip op elk willekeurig tijdstip.

  • 2 Een stal waarin legkippen zijn ondergebracht is gedurende de lichtperiode zodanig verlicht dat de legkippen elkaar duidelijk kunnen zien, dat zij hun omgeving visueel kunnen verkennen en dat zij hun gebruikelijke activiteiten kunnen ontplooien. In geval van verlichting met daglicht zijn de lichtopeningen zodanig gepositioneerd dat het licht gelijkmatig over de stal en de kooien wordt verdeeld.

  • 3 Per 24 uur is er een ononderbroken duisternisperiode van 8 uur waarin de legkippen kunnen rusten. Bij de vermindering van kunstlicht wordt een periode van halfduister in acht genomen om de legkippen de gelegenheid te geven zonder verwondingen op stok te gaan.

Artikel 2.76. Reiniging

  • 1 De uitwerpselen van legkippen worden regelmatig verwijderd. Dode legkippen worden dagelijks verwijderd.

  • 2 Lokalen, uitrusting en gereedschappen waarmee de legkippen in aanraking komen, worden regelmatig grondig gereinigd en ontsmet, in elk geval telkens wanneer de kooien om sanitaire redenen worden leeggemaakt, en ook voordat een nieuwe partij legkippen wordt binnengebracht. Zolang de stal of de kooien bezet zijn, worden alle oppervlakken en alle installaties goed schoon gehouden.

§ 6.1.4. Houden van vleeskalkoenen voor productie

Artikel 2.76a. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • bezettingsdichtheid: totale levend gewicht van de dieren die tegelijkertijd in de stal aanwezig zijn per vierkante meter oppervlakte die voor hen beschikbaar is;

  • koppel: een groep vleeskalkoenen van hetzelfde geslacht, waarbij het leeftijdsverschil tussen het oudste dier en het jongste dier ten hoogste zeven dagen is;

  • ouderdier: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;

  • uitvalpercentage: het aantal dieren van een koppel dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven, gedeeld door het totaal aantal dieren waaruit het koppel aan het begin van het productieproces bestond, vermenigvuldigd met 100;

  • verordening (EG) nr. 1/2005: verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3);

  • vleeskalkoen: dier van de soort Meleagris gallopavo dat wordt gehouden voor de productie van vlees.

Artikel 2.76b. Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen.

Artikel 2.76c. Registratie

  • 1 De houder van vleeskalkoenen of ouderdieren registreert per koppel de volgende gegevens:

    • a. het aantal binnengebrachte vleeskalkoenen of ouderdieren;

    • b. het aantal vleeskalkoenen of ouderdieren dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven of is gedood, per dag;

    • c. het totale levend gewicht van de vleeskalkoenen of ouderdieren bij aflevering aan het slachthuis, binnen twee weken na die aflevering.

  • 2 De houder van vleeskalkoenen registreert ten hoogste een maand na aflevering van een koppel het uitvalpercentage van mannelijke en van vrouwelijke vleeskalkoenen en de oorzaak van de sterfte, indien dat percentage hoger is dan:

    • a. 5% bij een koppel vrouwelijke dieren;

    • b. 9% bij een koppel mannelijke dieren.

  • 3 De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden drie jaar bewaard.

Artikel 2.76d. Bezettingsdichtheid

  • 1 Vleeskalkoenen worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:

    • a. 58 kg/m2 voor mannelijke dieren;

    • b. 48 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

  • 2 Dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:

    • a. 56 kg/m2 voor mannelijke dieren;

    • b. 49 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

  • 3 Ouderdieren worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:

    • a. 46 kg/m2 voor mannelijke dieren;

    • b. 29 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

  • 4 Indien in een stal verrijkingselementen zijn aangebracht die door de vleeskalkoenen kunnen worden aangeraakt en die geschikt zijn om ten minste 10% van die dieren in de stal tegelijkertijd afleiding te bieden, bedraagt de bezettingsdichtheid voor vleeskalkoenen, in afwijking van het eerste lid:

    • a. 59 kg/m2 voor mannelijke dieren;

    • b. 49 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

Artikel 2.76e. Strooisel