Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014

Geraadpleegd op 01-03-2024.
Geldend van 23-12-2023 t/m heden

Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 maart 2014, nr. MinBuZa.2014.119597, houdende beperkende maatregelen in verband met acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014)

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Handelende in overeenstemming met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën;

Gelet op Verordening 269/2014 van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Pb 2014, L78);

Gelet op Besluit 2014/145/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Pb 2014, L78);

Gelet op artikel 2, tweede lid, en artikel 3 van de Sanctiewet 1977;

Besluit:

Artikel 1

  • 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, artikel 8, eerste lid, lid 1 bis, lid 1 ter, derde volzin, lid 1 quater, en artikel 9 van Verordening 269/2014 van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (Pb 2014, L78).

  • 2 Het verbod te handelen in strijd met artikel 2 van Verordening 269/2014, geldt niet in gevallen waarin artikel 2 bis, eerste of tweede lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 5 bis, eerste lid, artikel 5 ter, eerste lid, artikel 6, eerste lid, artikel 6 bis, eerste lid, artikel 6 ter, eerste lid, tweede lid, lid 2 bis, lid 2 ter, lid 2 quater, lid 2 quinquies, derde lid, vierde lid, vijfde lid, lid 5 bis, lid 5 bis bis, lid 5 ter, lid 5 quater, lid 5 quinquies, lid 5 sexies, lid 5 septies of lid 5 octies, artikel 6 quater, artikel 6 quinquies, eerste lid, artikel 6 sexies, eerste lid of lid 1 bis, artikel 6 septies of artikel 7 van Verordening 269/2014 van toepassing is.

Artikel 1a

  • 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, lid 1 bis en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, lid 1 bis en tweede lid, artikel 2 bis bis, artikel 2 sexies, eerste en derde lid, artikel 2 septies, artikel 3, eerste en tweede lid, artikel 3 bis, eerste en tweede lid, artikel 3 ter, eerste en tweede lid, artikel 3 quater, eerste tot en met vierde lid, artikel 3 quinquies, eerste en vijfde lid, artikel 3 sexies bis, eerste lid, lid 1 bis en tweede lid, artikel 3 sexies ter, eerste lid, artikel 3 sexies quater, eerste lid, artikel 3 septies, eerste en tweede lid, artikel 3 octies, eerste lid, artikel 3 nonies, eerste lid, tweede lid en lid 2 bis, artikel 3 decies, eerste en tweede lid, artikel 3 duodecies, eerste lid, lid 1 bis, tweede en zesde lid, artikel 3 terdecies, eerste lid en lid 1 bis, artikel 3 quaterdecies, eerste, tweede, zevende, achtste en elfde lid, artikel 3 quindecies, eerste lid, vierde lid, vijfde lid, lid 6 bis, zevende en twaalfde lid, artikel 3 sexdecies, eerste tot en met vierde lid, artikel 3 septdecies, eerste tot en met vijfde lid, achtste en tiende lid, artikel 3 octodecies, eerste, vierde en vijfde lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste tot en met vijfde lid, en zesde lid, eerste volzin, artikel 5 bis, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, vierde lid, lid 4 bis, lid 4 ter en lid 4 quater, artikel 5 bis bis, eerste lid, lid 1 bis en lid 1 ter, artikel 5 ter, eerste lid, tweede lid en lid 2 bis, artikel 5 sexies, eerste lid, artikel 5 septies, eerste lid, artikel 5 octies, artikel 5 nonies, artikel 5 decies, eerste lid, artikel 5 undecies, eerste en tweede lid, artikel 5 duodecies, eerste lid, artikel 5 terdecies, eerste lid, artikel 5 quaterdecies, eerste en tweede lid, artikel 5 quindecies, eerste lid, tweede lid, lid 2 bis, lid 2 ter en lid 3 bis, artikel 5 sexdecies, eerste lid, artikel 5 septdecies, eerste lid, artikel 5 novodecies, eerste en tweede lid, artikel 6 ter, eerste lid, artikel 11, eerste lid, artikel 12, artikel 12 septies, eerste en tweede lid, en artikel 12 octies, eerste, derde en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van de Europese Unie van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PbEU, L 229).

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in de gevallen waarin artikel 2, derde lid, lid 3 bis, vierde lid, lid 4 bis of vijfde lid, artikel 2 bis, derde tot en met vijfde lid, artikel 2 ter, eerste lid, artikel 2 sexies, tweede of vierde lid, artikel 3, derde, vierde, vijfde of zesde lid, artikel 3 bis, derde lid, lid 3 bis of vijfde lid, artikel 3 ter, derde of vierde lid, artikel 3 quater, zesde lid, lid 6 bis, lid 6 ter, lid 6 quater, lid 6 quinquies, lid 6 sexies of negende lid, artikel 3 quinquies, tweede of derde lid, artikel 3 sexies bis, vierde of vijfde lid, lid 5 bis of lid 5 ter, artikel 3 sexies ter, derde of vierde lid, artikel 3 sexies quater, tweede of derde lid, artikel 3 septies, derde of vierde lid, artikel 3 octies, vierde lid, vijfde lid, lid 5 bis of zevende lid, artikel 3 nonies, lid 2 bis, derde lid, lid 3 bis, vierde lid of lid 4 bis, artikel 3 decies, lid 3 bis, lid 3 bis bis, lid 3 bis ter, lid 3 bis quater, lid 3 bis quinquies, lid 3 quater, lid 3 quater bis, lid 3 quater ter, lid 3 quater quater, lid 3 quater quinquies, lid 3 quinquies bis, lid 3 sexies of vierde lid, artikel 3 duodecies, lid 3 bis bis, lid 3 bis ter, vierde of vijfde lid, lid 5 bis, lid 5 ter, of lid 5 quater, artikel 3 terdecies, tweede lid of vierde lid, artikel 3 quaterdecies, derde, vierde, zesde of negende lid, artikel 3 quindecies, tweede, derde, vijfde, zesde of negende lid, artikel 3 sexdecies, vijfde, zesde of zevende lid, artikel 3 septdecies, zesde of zevende lid, artikel 3 octodecies, tweede lid, artikel 4, tweede lid, leden 2bis, 2 bis bis, 2 ter of vierde lid, artikel 5, zesde lid, tweede volzin, of zevende lid, artikel 5 bis, tweede lid, tweede volzin, derde of vijfde lid, artikel 5 bis bis, lid 1 quater, lid 1 quinquies, lid 1 sexies, lid 2 bis, lid 2 quater, lid 2 sexies, derde lid of lid 3 bis, artikel 5 ter, derde lid, artikel 5 quater, eerste lid, artikel 5 quinquies, eerste lid, artikel 5 sexies, tweede lid, artikel 5 septies, tweede lid, artikel 5 decies, tweede lid, artikel 5 undecies, derde lid, artikel 5 duodecies, tweede of vierde lid, artikel 5 terdecies, tweede lid, artikel 5 quaterdecies, derde, vierde, vijfde of zesde lid, artikel 5 quindecies, lid 4 ter, vijfde, zesde, zevende, achtste lid, lid 9 bis, lid 9 ter of tiende lid, artikel 5 sexdecies, tweede lid, artikel 5 septdecies, derde lid, artikel 5 octodecies, eerste of tweede lid, artikel 12 ter, eerste lid, lid 1 bis, tweede lid, lid 2 bis of lid 2 ter, artikel 12 quinquies, artikel 12 sexies, eerste of vijfde lid, artikel 12 septies, vierde of vijfde lid, of artikel 12 octies, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014 van toepassing is.

Artikel 1b

  • 1 Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, aangewezen in de Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012, dan wel onderdelen daarvan, direct of indirect te verkopen, te leveren, over te dragen, over te brengen dan wel door of uit te voeren naar Rusland, ongeacht of de goederen afkomstig zijn uit de lidstaten van de Europese Unie.

  • 2 Het is verboden om militaire goederen, alsmede militaire technologie, aangewezen in de Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012, dan wel onderdelen daarvan, direct of indirect in te voeren, te kopen, te vervoeren, over te dragen of geleverd te krijgen van natuurlijke personen of rechtspersonen uit de Rusland.

  • 3 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, laat de levering van reserveonderdelen en de verstrekking van diensten voor de instandhouding en veiligheid van binnen de Unie bestaande capaciteiten, onverlet. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, laat de uitvoering van vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, alsmede de levering van reserveonderdelen en de verstrekking van diensten voor de instandhouding en veiligheid van binnen de Unie bestaande capaciteiten, onverlet.

  • 4 Het verbod, bedoeld in het eerste of tweede lid, geldt niet in geval van:

    • a) verkoop, levering, overdracht, uitvoer, invoer, aanschaf of vervoer van hydrazine (CAS 302-01-2) in concentraties van 70 procent of meer,

    • b) invoer, aanschaf of vervoer van asymmetrisch dimethylhydrazine (CAS 57-14-7),

    • c) verkoop, levering, overdracht, uitvoer, invoer, aanschaf of vervoer van monomethylhydrazine (CAS 60-34-4), bestemd voor gebruik in draagraketten die door Europese lanceerdienstverleners worden bediend, voor lanceringen van Europese ruimteprogramma's of voor het van brandstof voorzien van satellieten door Europese satellietbouwers. De hoeveelheid uitgevoerde hydrazine wordt berekend overeenkomstig de lanceringen of de satellieten waarvoor die uitvoer plaatsvindt en bedraagt niet meer dan een totale hoeveelheid van 800 kg voor iedere individuele lancering of satelliet. De hoeveelheid uitgevoerde monomethylhydrazine wordt berekend overeenkomstig de lancering of lanceringen of de satellieten waarvoor die uitvoer plaatsvindt. Voorafgaand aan de transactie geldt een vergunningsplicht.

Artikel 1c

Het verbod tot overtreding van artikel 4, eerste lid, onder a en b, tweede lid en de leden 2bis, 2bisbis en 2ter, van Verordening (EU) nr. 833/2014, op grond van artikel 1a strekt zich tevens uit tot het verlenen van tussenhandeldiensten met betrekking tot goederen en technologie vermeld in de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen.

Artikel 2

  • 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2 bis, tweede en derde lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 5 bis, eerste lid, artikel 5 ter, eerste lid, artikel 6, eerste lid, artikel 6 bis, eerste lid, artikel 6 ter, artikel 6 sexies, eerste lid en lid 1 bis, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 269/2014 is de Minister van Financiën voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële aard, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j, l en m, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 269/2014 verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d en k, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 269/2014 verstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 8 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken.

  • 2 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2 bis, tweede en derde lid, artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 5 bis, eerste lid, artikel 5 ter, eerste lid, artikel 6, eerste lid, artikel 6 ter, artikel 6 quinquies, eerste lid, artikel 6 sexies, eerste lid, en lid 1 bis, en artikel 8, van Verordening (EU) nr. 269/2014, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor zover het betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie anders dan van financiële aard en elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 2a De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 269/2014, is de Minister van Financiën voor zover het betreft tegoeden, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor zover het betreft vastgoed, inclusief bedrijfspanden, de Minister van Economische Zaken en Klimaat voor zover het betreft niet-beursgenoteerde ondernemingen, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft kunst- en cultuurobjecten en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor zover het betreft vaar- en vliegtuigen.

  • 3 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, derde tot en met achtste lid, artikel 2 bis, derde tot en met achtste lid, artikel 2 ter, artikel 2 quinquies, eerste lid, artikel 3, vijfde en zesde lid, artikel 3 ter, vierde lid, artikel 3 septies, vierde lid, artikel 3 nonies, lid 4 bis, artikel 3 decies, lid 3 bis bis, lid 3 bis ter, lid 3 sexies, artikel 3 duodecies, vijfde lid, lid 5 bis, lid 5 ter, lid 5 quater en zesde lid, artikel 3 octodecies, tweede tot en met vijfde lid, artikel 4, lid 2 ter en derde lid, en artikel 12 octies, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft een goederentransactie, een transactie met betrekking tot technische bijstand of tussenhandeldiensten, informatie of kennisgevingen over deze onderwerpen.

  • 4 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, derde tot en met achtste lid, artikel 2 bis, derde lid, vierde lid en vijfde tot en met achtste lid, artikel 2 ter, artikel 2 quinquies, eerste lid, artikel 2 sexies, vierde lid, artikel 3, vijfde en zesde lid, artikel 3 ter, vierde lid, artikel 3 septies, vierde lid, artikel 3 nonies, lid 4 bis, artikel 3 decies, lid 3 sexies, artikel 3 duodecies, vijfde lid, lid 5 bis, lid 5 ter en zesde lid, artikel 4, lid 2 ter en derde lid, artikel 4, vierde lid juncto artikel 3, artikel 5, zesde en zevende lid, artikel 5 bis, tweede en derde lid, artikel 5 quater, eerste lid, en artikel 5 quinquies, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Financiën voor zover het betreft financieringen, financiële bijstand, financiële diensten of transacties en informatie of kennisgevingen over deze onderwerpen. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 bis, lid 4 bis tot en met lid 4 quinquies, en vijfde lid, en artikel 5 octies van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Financiën, met dien verstande dat de kredietinstellingen de informatie, bedoeld in artikel 5 bis, lid 4 bis tot en met lid 4 quinquies, en artikel 5 octies, onder a, a bis en b, van Verordening (EU) nr. 833/2014, verstrekken aan De Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank is ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 5 bis en artikel 5 octies bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken.

  • 5 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, zevende lid, van Besluit nr. 2014/512/GBVB is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  • 6 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater, zesde lid, lid 6 bis, lid 6 ter, lid 6 quinquies en lid 6 sexies, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Financiën, of de Minister van Economische Zaken en Klimaat, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater, lid 6 quater, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de Minister van Financiën, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quinquies, derde en vijfde lid, artikel 3 sexies bis, vijfde lid, lid 5 bis en lid 5 ter, artikel 3 sexies ter, eerste en tweede lid, en vierde tot en met zesde lid, artikel 3 sexies quater, eerste lid en derde tot en met vijfde lid, en artikel 3 terdecies, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

  • 7 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 bis, derde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Klimaat en Energie of de Minister van Financiën, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 bis, lid 3 bis, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Klimaat en Energie. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 octies, zevende lid, en in artikel 3 decies, lid 3 quater, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Klimaat en Energie, de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quaterdecies, elfde lid, en in artikel 3 quindecies, lid 6 bis, en twaalfde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Klimaat en Energie. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quindecies, negende lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 bis bis, lid 1 quater, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Economische Zaken en Klimaat. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 bis bis, lid 3 bis, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 bis bis, lid 1 quinquies en lid 1 sexies, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Klimaat en Energie of de Minister van Economische Zaken en Klimaat, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 septdecies, derde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Klimaat en Energie.

  • 8 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 nonies, vierde lid, artikel 3 sexdecies, zevende lid, en artikel 3 septdecies, zevende lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • 9 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 duodecies, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister voor Klimaat en Energie, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 10 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 quaterdecies, vijfde en zesde lid, en artikel 5 quindecies, lid 9 ter en tiende lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Financiën, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister voor Klimaat en Energie of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 quindecies, lid 9 bis, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de Minister van Economische Zaken en Klimaat, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5 octodecies, eerste, tweede en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 11 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12 ter, eerste lid, lid 1 bis en tweede lid, artikel 12 quater, eerste lid, en artikel 12 septies, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12 ter, lid 2 bis, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12 ter, lid 2 ter, van Verordening (EU) nr. 833/2014, is de Minister van Economische Zaken en Klimaat of de Minister van Financiën, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

Artikel 2a

  • 1 De bewaarder van het Kadaster en de openbare registers is bevoegd om in de basisregistratie kadaster, de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen een aantekening te stellen als het een registergoed betreft dat bevroren dient te worden op grond van artikel 2, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 269/2014.

Artikel 2b

  • 1 De Minister die het aangaat is, of zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 1 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn, onverminderd de bepalingen terzake in bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties, in afwijking van artikel 10g van de Sanctiewet 1977 bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem bij of krachtens enig wettelijk voorschrift opgedragen taken, te verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de verdragen, besluiten, aanbevelingen en afspraken, bedoeld in artikel 2 van de Sanctiewet 1977, tenzij:

    • a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

    • b. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

    • c. de vertrouwelijkheid van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

    • d. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die de Sanctiewet 1977 beoogt te beschermen; of

    • e. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

Artikel 2c

  • 1 De Minister van Economische Zaken en Klimaat en de partijen, bedoeld in het derde tot en met zesde lid, verwerken slechts persoonsgegevens voor zover dit noodzakelijk is voor het overeenkomstig de Sanctiewet 1977 uitvoeren en toezien op de naleving van sancties, bedoeld in artikel 2 van de Sanctiewet 1977.

  • 2 De verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, is toegestaan voor zover dit noodzakelijk is voor het:

    • a. verlenen van een ontheffing of ander besluit bij of krachtens de Sanctiewet 1977 of ingevolge verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties;

    • b. toezicht op de naleving van voorschriften opgelegd bij of krachtens de Sanctiewet 1977 of ingevolge verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties;

    • c. toepassen van in de Sanctiewet 1977, verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties vastgelegde informatieverplichtingen;

  • 3 De Minister van Economische Zaken en Klimaat maakt voor de uitvoering bij of krachtens de Sanctiewet 1977, naast gegevens die door de personen, entiteiten en lichamen bij of krachtens de Sanctiewet 1977, of ingevolge verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties worden aangeleverd of waarnaar wordt verwezen, gebruik van gegevens die afkomstig zijn uit:

  • 4 De volgende bestuursorganen, diensten, toezichthouders of andere personen, verstrekken desgevraagd alle informatie aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat die noodzakelijk is voor de uitvoering van die wet:

    • a. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, voor zover het gegevens betreft die verwerkt worden in het kader van de Wet strategische diensten en het Besluit strategische goederen;

    • b. De Minister van Financiën, voor zover het gegevens betreft die verwerkt worden door de Belastingdienst;

    • c. de Autoriteit Consument en Markt, voor zover het gegevens betreft die worden verwerkt in het kader van hoofdstuk 5 van de Mededingingswet;

    • d. de veiligheidscommissie of beveiligingsfunctionaris, ingesteld door de onderneming, voor zover het gegevens betreft inzake inbreuken of dreigende inbreuken op beperkingen of verboden ten aanzien van toegang tot gevoelige informatie of bedrijfsprocessen;

    • e. De Nederlandsche Bank N.V. voor zover het betreft informatie ingevolge haar taken bij of krachtens de Sanctiewet 1977;

    • f. de Stichting Autoriteit Financiële Markten voor zover het betreft informatie ingevolge haar taken bij of krachtens de Sanctiewet 1977;

  • 6 [Red: Vervallen.]

  • 7 Voor zover de gegevens die de personen, entiteiten en lichamen hebben aangeleverd en de verzameling of verstrekking, bedoeld in het derde tot en met vijfde lid, niet de benodigde gegevens heeft opgeleverd, verstrekken de personen, entiteiten en lichamen desgevraagd alle informatie aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat die noodzakelijk is voor de uitvoering van de Sanctiewet 1977, verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

  • 8 [Red: Vervallen.]

  • 9 De gegevensverstrekking ingevolge het derde lid, onder c, en het vierde tot en met achtste lid, geschiedt kosteloos.

  • 11 De Minister van Economische Zaken en Klimaat is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel.

Artikel 2d

  • 1 De Kamer van Koophandel is bevoegd om bij in het handelsregister ingeschreven onderneming of rechtspersoon een aantekening op te nemen van een relatie die bestaat tussen:

  • 2 Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval in het handelsregister opgenomen, indien de Kamer van Koophandel informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de verdragen, besluiten, aanbevelingen en afspraken, bedoeld in artikel 2 van de Sanctiewet 1977, die de relatie legt of bevestigt als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De Kamer van Koophandel verwijdert op grond van informatie die hij ontvangt van een instantie als bedoeld in het tweede lid, een aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie als bedoeld in het eerste lid, zich niet langer voordoet.

Artikel 2e

  • 1 Het Octrooicentrum Nederland is bevoegd een aantekening op te nemen bij octrooien, aanvullende beschermingscertificaten en topografieën van halfgeleiderproducten onderscheidenlijk daartoe strekkende aanvragen, geregistreerd in het register als bedoeld in artikel 19 van de Rijksoctrooiwet 1995 of het register als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten, indien er sprake is van een relatie tussen dat geregistreerd recht onderscheidenlijk die geregistreerde aanvraag en:

    • a. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 269/2014, of

    • b. rechtspersonen, entiteiten of lichamen, bedoeld in artikel 5 bis bis van Verordening (EU) nr. 833/2014.

  • 2 Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register opgenomen indien het Octrooicentrum Nederland op eigen gezag deze relatie constateert of informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de verdragen, besluiten, aanbevelingen en afspraken, bedoeld in artikel 2 van de Sanctiewet 1977, die de relatie legt of bevestigt als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Het Octrooicentrum Nederland verwijdert een aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie als bedoeld in het eerste lid, zich niet langer voordoet.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014.

Artikel 4

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Buitenlandse Zaken,

F.C.G.M. Timmermans.

Naar boven