Regeling uitvoering GMO groenten en fruit

[Regeling vervallen per 15-07-2017.]
Geraadpleegd op 28-05-2024.
Geldend van 12-07-2016 t/m 23-09-2016

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 2 december 2013, nr. WJZ/13150516, houdende regels ten aanzien van de uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening groenten en fruit (Regeling uitvoering GMO groenten en fruit)

De Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op artikelen 1 tot en met 3, 103 ter tot en met 103 octies, 122 tot en met 124, 125 bis, 125 ter, 125 quinquies en 193 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PBEU L 299);

Gelet op artikelen 19 tot en met 35, 50 tot en met 90, 96 tot en met 110, 113 tot en met 115, 117 tot en met 127 en 143 tot en met 148 Verordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PBEU L 157);

Gelet op artikelen 13, eerste lid, onderdeel b, 15 en 19, eerste lid, onderdeel a, van de Landbouwwet;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 1

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister: Minister van Economische Zaken;

  • b. verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PBEU 2013, L 347);

  • c. verordening 543/2011: Verordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PBEU 2011, L 157);

  • d. verordening 2100/94: Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PBEU 1994, L 227);

  • e. verordening 874/2009: Verordening (EG) nr. 874/2009 van de Commissie van 17 september 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad wat betreft de procedures voor het Communautair Bureau voor plantenrassen (PBEU 2009, L 251);

  • f. verordening 834/2007: Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PBEU 2007, L 189);

  • g. verordening 889/2008: Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PBEU 2008, L 250);

  • h. verordening 1857/2006: Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 (PBEU 2006, L 358);

  • i. richtlijn 2000/29: Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PBEU 2000, L 169);

  • j. richtlijn 2002/63: Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie van 11 juli 2002 houdende vaststelling van communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Richtlijn 79/700/EEG (PBEU 2002, L 187);

  • k. operationeel programma: het programma, bedoeld in artikel 33 van verordening 1308/2013;

  • l. uitvoeringsjaar: een jaar van uitvoering van een operationeel programma;

  • m. tussentijdse wijziging: een wijziging van het operationeel programma in de loop van het jaar als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van verordening 543/2011;

  • n. waarde afgezette productie: de waarde van de afgezette productie van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 1308/2013;

  • o. erkenningsaanvraag: een verzoek als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

  • p. erkenningsbesluit: een besluit van de minister op een verzoek als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

  • q. actiefonds: actiefonds als bedoeld in artikel 32 van verordening 1308/2013;

  • r. producentenorganisatie: door de minister erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 152 van verordening 1308/2013;

  • s. unie van erkende producentenorganisaties: unie van erkende producentenorganisaties als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013;

  • t. subsidie: financiële steun van de Unie als bedoeld in artikel 34 van verordening 1308/2013;

  • u. steunaanvraag: een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van verordening 543/2011;

  • v. gedeeltelijke betaling: gedeeltelijke betaling als bedoeld in artikel 72 van verordening 543/2011;

  • w. voorschotaanvraag: aanvraag als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van verordening 543/2011;

  • x. nationale strategie: nationale strategie als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van verordening 1308/2013;

  • y. nationaal kader: nationaal kader als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van verordening 1308/2013;

  • z. lid: een aangesloten producent als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder b) van Verordening (EG) nr. 543/2011;

  • aa. niet-producerend lid: een lid van een producentenorganisatie dat meer dan één teeltseizoen geen producten teelt waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • bb. verkoper: natuurlijke of rechtspersoon die door een producentenorganisatie is belast met de verkoop van producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • cc. areaalenquête: inventarisatie van een door een lid van de producentenorganisatie beteeld areaal en de door dit lid geteelde producten;

  • dd. aanvoerprognose: opgave door een lid van een producentenorganisatie van de hoeveelheid en aard van de producten die het lid in een door de producentenorganisatie te bepalen tijdvak bij de producentenorganisatie verwacht aan te voeren;

  • ee. actie: een actie ter uitvoering van een maatregel als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel g, van verordening 543/2011 of een doelstelling als bedoeld in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013;

  • ff. activiteit: een activiteit ter uitvoering van een maatregel als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel g, van verordening 543/2011 of een doelstelling als bedoeld in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013;

  • gg. subactiviteit: een subactiviteit ter uitvoering van een actie of activiteit ter uitvoering van een maatregel als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel g, van verordening 543/2011 of een doelstelling als bedoeld in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013;

  • hh. goederenlogistiek: het verzamelen, ophalen, sorteren, opslaan, verpakken, transporteren en distribueren van het product;

  • ii. forfaitair standaardtarief: een vast of maximaal bedrag per eenheid dat wordt gebruikt om de te declareren bedragen vast te stellen;

  • jj. accountant: een accountant die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het Accountantsberoep;

  • kk. stadium af producentenorganisatie: het moment waarop er een verkooptransactie plaatsvindt door of namens de producentenorganisatie met een derde partij of een minder dan 90 procent dochteronderneming;

  • ll. denatureren: het ongeschikt maken voor menselijke consumptie.

Artikel 2

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De minister wordt aangewezen als bevoegde nationale autoriteit als bedoeld in artikel 38, onder b, van verordening 1308/2013.

  • 2 De minister wordt aangewezen als bevoegde autoriteit als bedoeld in de artikelen 51, vierde lid, 63, eerste lid, 64, 65, derde lid, 66, tweede tot en met vierde lid, 69, eerste en vierde lid, 78, eerste lid, 85, tweede lid, 96, eerste lid, 98, eerste en derde lid, 104, tweede lid, 108, tweede en derde lid, 109, zesde lid, 143, onderdeel b, 146, eerste lid, 147, 148 en bijlage IX, onderdeel 1, vijfde gedachtestreepje, van verordening 543/2011.

  • 3 De minister wordt aangewezen als lidstaat als bedoeld in de artikelen 32, tweede lid, 33, 34, vierde lid, 36, eerste en tweede lid, artikel 152, eerste en derde lid, artikel 154, eerste, tweede en derde lid van verordening 1308/2013 en de artikelen 20, 21, 22, eerste lid, 23, 28, tweede lid, 29, tweede lid, 30, 31, 33, eerste lid, 34, 35, tweede lid, 50, vierde lid, 51, tweede en zesde lid, 52, 54, eerste lid, 55, vierde lid, 56, eerste lid, 57, 60, tweede en zesde lid, 62, eerste en derde lid, 63, eerste lid, 65, eerste lid, 66, eerste en vierde lid, 68 eerste en tweede lid, 70, 71, eerste tot en met derde en zesde lid, 72, 73, 78, tweede en derde lid, 80, 83, eerste lid, 85, eerste en vierde lid, 86, eerste lid, 87, 89, eerste en tweede lid, 90, eerste en vierde lid, 96, vijfde lid, 97, 98, tweede lid, 99, 100, 101, 104, eerste lid, 105, eerste en derde lid, 106, eerste, derde en vierde lid, 107, eerste, tot en met derde lid, 108, eerste en derde lid, 109, eerste lid, 110 tot en met 115, 117, tweede lid, 125, derde lid,127, tweede lid, 132, tweede lid, 143, 144, 146, tweede, vierde en vijfde lid en bijlage IX, onderdelen 1 en 2, van verordening 543/2011.

Hoofdstuk 2. Erkenningen

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Titel 1. Erkenning van producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Afdeling 1. Erkenningsvereisten

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Paragraaf 1. Rechtspersoonlijkheid

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 3

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De rechtspersoonlijkheid van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 blijkt uit:

  • a. een in het handelsregister neergelegd authentiek afschrift van de oprichtingsakte van de producentenorganisatie, of

  • b. een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel neergelegd authentiek afschrift van de statuten van de producentenorganisatie, en

  • c. een inschrijving bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Paragraaf 2. Lidmaatschap

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 4

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Van een producentenorganisatie kunnen lid zijn:

  • a. een natuurlijk persoon;

  • b. een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:3 Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon naar buitenlands recht, of

  • c. een in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.

Artikel 5

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Het minimumaantal leden en de minimale waarde afgezette productie, bedoeld in artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 bedraagt:

    • a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 100.000;

    • b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afgezette productie van € 25.000.000.

  • 2 Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag gezamenlijk door de minister aangemerkt als één lid.

  • 3 Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij volgens een door de minister vastgesteld model, dat verkrijgbaar is bij de minister.

Artikel 6

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Het lidmaatschap van een producentenorganisatie duurt minimaal één jaar en treedt in werking op een door het bestuur van de producentenorganisatie te bepalen tijdstip.

  • 2 Aspirant leden verzoeken de producentenorganisatie schriftelijk om lidmaatschap en verklaren in dit verzoek:

    • a. de statuten van de producentenorganisatie na te leven;

    • b. niet bij een andere erkende producentenorganisatie te zijn aangesloten voor het product waarvoor de producentenorganisatie is erkend, en

    • c. geen product waarvoor de producentenorganisatie is erkend buiten de producentenorganisatie om te zullen afzetten.

  • 3 Een producentenorganisatie bepaalt in haar statuten dat het lidmaatschap kan worden opgezegd per 1 juli of 1 oktober in enig jaar, en dat deze opzegging in werking treedt op 1 januari volgend op het jaar waarin is opgezegd.

  • 4 De bevestiging van lidmaatschap en opzegging van lidmaatschap, alsmede de datum waarop het lidmaatschap en de opzegging in werking treedt, wordt door de producentenorganisatie schriftelijk aan het lid meegedeeld.

  • 5 Bepalingen omtrent de minimumduur, opzeggingsdata en inwerkingtreding van opzegging van het lidmaatschap zijn niet van toepassing in geval van:

    • a. overlijden van het lid;

    • b. faillissement van het lid;

    • c. toepassing van het sanctiereglement van de producentenorganisatie inzake royement, en

    • d. indien dit redelijkerwijs niet van het lid of coöperatie gevergd kan worden.

Artikel 7

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Een producentenorganisatie kan niet-producerende leden hebben, indien in de statuten van de producentenorganisatie wordt bepaald dat deze leden:

  • a. reeds aangesloten waren bij de producentenorganisatie vóór zij gedurende meer dan één productieseizoen geen producten meer teelden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • b. opgenomen worden in een afzonderlijke ledenadministratie, en

  • c. niet mogen deelnemen aan de stemming van de algemene vergadering over besluiten inzake het actiefonds van de producentenorganisatie.

Paragraaf 3. Verplichtingen voor producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 8

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties tonen aan dat zij voldoen aan artikel 152, onderdeel b, van verordening 1308/2013 aan de hand van:

    • a. de oprichtingsakte van de producentenorganisatie, en

    • b. de notulen van de eerste vergadering of oprichtingsvergadering van de producentenorganisatie.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008.

  • 3 De producentenorganisaties, bedoeld in het tweede lid, worden geacht te voldoen aan het vereiste van artikel 152, onderdeel b, van verordening 1308/2013.

Artikel 9

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Een afnemer van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend is ingevolge artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 geen lid van het bestuur of de Raad van Commissarissen van de producentenorganisatie.

Artikel 10

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Producentenorganisaties verbieden hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om activiteiten te ontplooien die het vermoeden doen ontstaan dat de verkoop van het product waarvoor zij bij de producentenorganisatie zijn aangesloten niet uitsluitend via de producentenorganisatie verloopt.

Artikel 11

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 op welke moment leden hun product aan de producentenorganisatie ter verkoop aanbieden.

Artikel 12

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties verplichten hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om aan de producentenorganisatie:

    • a. melding te doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die door het lid geproduceerde producten verkopen, indien het lid voor deze producten is aangesloten bij de producentenorganisatie, en

    • b. aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat binnen de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is verzekerd dat het lid:

      • geen invloed kan uitoefenen op het vaststellen van de verkoopvoorwaarden door de ondernemingen van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten, en

      • geen invloed kan uitoefenen op besluiten aangaande commerciële relaties en het prijsbeleid van de ondernemingen.

  • 2 Producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2014 nemen de in het eerste lid genoemde verplichting uiterlijk op 1 januari 2015 op in hun statuten.

  • 3 Producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2014 nemen de in het eerste lid genoemde verplichting op in hun statuten.

Artikel 13

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties stellen voorschriften vast voor de controle op de naleving van hun statuten door hun leden.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten ten aanzien van de controle op de naleving door hun leden van artikel 160 van verordening 1308/2013 voor de door de producentenorganisatie gedurende het jaar uit te voeren controles tenminste:

    • a. een systematische vergelijking per producent van areaalenquêtes en aanvoerprognoses met de daadwerkelijk aan de producentenorganisatie geleverde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar;

    • b. een verificatie van de door de leden verstrekte areaalenquêtes en aanvoerprognoses door middel van bezoek door de producentenorganisatie aan de leden gedurende het jaar;

    • c. een periodieke vergelijking van de aanvoerprognoses en de daadwerkelijke aanvoer met een door de producentenorganisatie, op basis van statistische normen of ervaringscijfers, vast te stellen normstelling per areaal;

    • d. een registratie van de op basis van de onderdelen a tot en met c aangetroffen verschillen en de daarvoor door het lid gegeven verklaring, en

    • e. een registratie van de door de producentenorganisatie getroffen acties naar aanleiding van op grond van onderdeel d onverklaarde verschillen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten voor de door de producentenorganisatie na afloop van het kalenderjaar uit te voeren controles minimaal:

    • a. een verplichting voor ieder lid om uiterlijk voor 1 juni na afloop van het kalenderjaar schriftelijk aan de producentenorganisatie te verklaren:

      • hoeveel product hij dat jaar geproduceerd heeft;

      • hoeveel product hij bij derden heeft ingekocht;

      • hoeveel product hij via de producentenorganisatie verkocht heeft;

      • hoeveel product hij op grond van artikel 26 bis van verordening 543/2011 buiten de producentenorganisatie om verkocht heeft;

      • dat hij, uitgezonderd de verkoop op grond van artikel 26 bis van verordening 543/2011, geen door hem geteelde producten waarvoor hij bij de producentenorganisatie is aangesloten buiten de producentenorganisatie verkocht heeft, en

      • dat hij bij verkoop op grond van artikel 26 bis van verordening 543/2011 de daaraan door de producentenorganisatie gestelde voorwaarden heeft nageleefd;

    • b. een vergelijking van informatie uit de in onderdeel a bedoelde verklaringen met de omzetgegevens van het lid;

    • c. een onderzoek door de producentenorganisatie naar de, op basis van de op grond van onderdeel b uitvoerde vergelijking, geconstateerde verschillen tussen de eigen verklaringen en de omzetgegevens van het lid;

    • d. een verplichting tot het instellen van een accountantsonderzoek naar op grond van onderdeel c onvoldoende verklaarde verschillen;

    • e. een registratie van de uitkomsten van het in onderdeel d bedoelde accountantsonderzoek, en

    • f. een registratie van de opvolging van de uitkomsten van het in onderdeel e bedoelde accountantsonderzoek door de producentenorganisatie, waaronder sanctionering van de betreffende leden.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om de juistheid van in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te laten onderzoeken door een accountant door middel van een COS 4400 onderzoek.

  • 5 Het in het vierde lid bedoelde onderzoek betreft:

    • a. de leden die verzuimd hebben voor 1 juni na afloop van het kalenderjaar de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eigen verklaring te verstrekken;

    • b. de leden waarbij door de producentenorganisatie of door controle-instanties in het jaar voorafgaand aan het controlejaar is vastgesteld dat zij artikel 160 van verordening 1308/2013 niet hebben nageleefd;

    • c. de leden waarbij door de producentenorganisatie in het voorafgaande kalenderjaar is vastgesteld dat verschillen tussen areaalgegevens en omzetgegevens onvoldoende konden worden verklaard, en

    • d. minimaal 2 procent van de leden van de producentenorganisatie, met een minimum van één lid, die niet reeds op grond van onderdelen a tot en met c deel uit maken van het onderzoek.

  • 6 Indien de accountant bij meerdere leden in deze deelwaarneming afwijkende bevindingen constateert treft de producentenorganisatie afhankelijk van de aard van de afwijkingen passende maatregelen.

  • 7 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om jaarlijks de betrouwbaarheid van het door haar opgezette systeem van controle op de naleving door hun leden van het vereiste van artikel 160 van verordening 1308/2013 te evalueren aan de hand van de uitkomsten van het in het vierde lid bedoelde onderzoek.

  • 8 Producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2014 nemen de in het eerste lid genoemde verplichting uiterlijk op 1 januari 2015 op in hun statuten.

  • 9 Producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2014 nemen de in het eerste lid genoemde verplichting op in hun statuten.

Artikel 14

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie stelt voorschriften vast voor sanctionering van niet naleving van hun statuten door hun leden die, behoudens gevallen van overmacht, tenminste bepalen dat:

    • a. bij een eerste overtreding van de statutaire verplichtingen het lid minimaal een schriftelijke waarschuwing krijgt;

    • b. bij een tweede overtreding minimaal een boete aan het lid wordt opgelegd en deze boete daadwerkelijk wordt geïncasseerd, en

    • c. leden bij alle vervolgovertredingen worden geroyeerd.

  • 2 Producentenorganisaties administreren alle geconstateerde overtredingen van hun statutaire verplichtingen en aan hun leden opgelegde sancties.

  • 3 Producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2014 nemen de in het eerste lid genoemde verplichting uiterlijk op 1 januari 2015 op in hun statuten.

  • 4 Producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2014 nemen de in het eerste lid genoemde verplichting op in hun statuten.

Artikel 15

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 23, onderdeel a, van verordening 543/2011 tenminste over een deugdelijk en accuraat systeem van areaalenquêtes en aanvoerprognoses.

Artikel 16

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 tenminste over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van:

  • a. de verkoop en prijsbepaling;

  • b. de goederenlogistiek;

  • c. de financiële administratie;

  • d. de beoordeling van investeringen en uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • e. het aannemen van nieuwe leden en het beëindigen van het lidmaatschap;

  • f. het vergaren van informatie van de leden en de verwerking van mutaties daarin, waaronder de controle op de juistheid van de ledenlijst;

  • g. de beoordeling van areaalenquêtes en aanvoerprognoses, waaronder de vergelijking met realisaties;

  • h. de controle op naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door de leden waaronder het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011;

  • i. het opleggen van sancties, en

  • j. het uitbesteden van activiteiten als bedoeld in artikel 155 van verordening 1308/2013.

Artikel 17

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie beschikt op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 over een redelijk niveau van vermogen en liquiditeit.

  • 2 Een negatief vermogen wordt door de producentenorganisatie, op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 binnen één kalenderjaar aangevuld.

Artikel 18

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie beschikt ten behoeve van het commercieel en budgettair beheer van hun activiteiten, bedoeld in artikel 153, tweede lid, onderdeel f, van verordening 1308/2013, met ingang van 1 januari 2013 op grond van artikel 23 van verordening 543/2011 over een eigen, als zodanig kenbare, kantoorruimte die beschikt over een eigen opgang, welke niet door ruimtes van een afnemer of een lid van de producentenorganisatie leidt.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde kantoorruimte is eigendom van de producentenorganisatie of wordt door de producentenorganisatie gehuurd.

Artikel 19

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties maken voor hun financieel administratieve werkzaamheden, waaronder het factureren naar afnemers en leden en het opstellen van budgetten, gebruik van eigen personeel.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor het opstellen van jaarrekeningen en fiscale zaken.

Artikel 20

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties tonen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij de verkoopvoorwaarden, en meer in het bijzonder de verkoopprijzen, voor de producten van haar leden waarvoor zij is erkend daadwerkelijk kan bepalen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijsstukken tonen aan:

    • a. welke verkoper er binnen of door de producentenorganisatie belast is met de verkoop van de producten van de leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • b. wat de taak of opdracht van de in onderdeel a bedoelde verkoper is;

    • c. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper door de producentenorganisatie wordt aangestuurd;

    • d. welke aanwijzingen de in onderdeel a bedoelde verkoper van de producentenorganisatie gekregen heeft voor het voeren van onderhandelingen over de verkoopvoorwaarden;

    • e. op welke wijze de in onderdeel a bedoelde verkoper achteraf verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie over de gerealiseerde verkoopvoorwaarden, en

    • f. dat de in onderdeel e bedoelde verantwoording daadwerkelijk wordt afgelegd.

  • 3 De producentenorganisatie legt haar afzetbeleid vast in een besluit van het bestuur dat door de algemene vergadering wordt goedgekeurd.

  • 4 De producentenorganisatie bepaalt op welke locatie of welke locaties het aanbod van de producten van haar leden fysiek geconcentreerd wordt.

  • 5 Het afzetbeleid van de producentenorganisatie wordt jaarlijks door haar bestuur geëvalueerd en deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering van de producentenorganisatie besproken en geaccordeerd.

Artikel 21

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Artikel 155 van verordening 1308/2013 is van toepassing op de activiteiten van de producentenorganisatie die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de producentenorganisatie, bedoeld in de artikelen 152 en 154 van verordening 1308/2013.

  • 2 Wanneer een producentenorganisatie de in het eerste lid bedoelde activiteiten heeft uitbesteed toont de producentenorganisatie op grond van artikel 155 van verordening 1308/2013 door middel van door het bestuur en de algemene vergadering geaccordeerde schriftelijke bewijsstukken aan:

    • a. welke activiteiten worden uitbesteed;

    • b. waarom deze activiteiten niet door de producentenorganisatie zelf worden uitgevoerd;

    • c. aan wie deze activiteiten worden uitbesteed;

    • d. waarom tot de keuze voor uitbesteding aan de in onderdeel c bedoelde entiteit is gekomen, en

    • e. welke afspraken er met de in onderdeel c bedoelde entiteit zijn gemaakt.

  • 3 De producentenorganisatie toont op grond van artikel 27, tweede lid, van verordening 543/2007 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan op welke wijze de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit:

    • a. door de producentenorganisatie wordt aangestuurd bij de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten, en

    • b. verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie over de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten.

  • 4 Wanneer een producentenorganisatie verkoopactiviteiten uitbesteedt, toont zij aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij minimaal één maal per week met de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit overlegt over de te hanteren verkoopvoorwaarden, waaronder de verkoopprijs.

  • 5 De keuze voor uitbesteding wordt jaarlijks per geval door het bestuur van de producentenorganisatie geëvalueerd en deze evaluatie wordt jaarlijks door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd.

  • 6 Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed aan haar leden zijn:

    • a. verkoop van de producten van haar leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • b. controle op de naleving van de leveringsplicht;

    • c. commercieel en budgettair beheer;

    • d. boekhouding en facturering, en

    • e. kennis van productie van de leden.

  • 7 Activiteiten van de producentenorganisatie die alleen kunnen worden uitbesteed aan dochterondernemingen die voor meer dan 90 procent eigendom zijn van de producentenorganisatie zijn:

    • a. controle op de naleving van de leveringsplicht;

    • b. boekhouding en facturering, en

    • c. kennis van productie van de leden.

Paragraaf 4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 22

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Producentenorganisaties nemen in hun statuten op dat zij alle in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i, ii en iii, van verordening 1308/2013 genoemde doelstellingen nastreven en tonen aan dat zij uitvoering geven aan deze doelstellingen.

Artikel 23

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De statuten van producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 153, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 dat:

    • a. bij een producentenorganisatie met meer dan 10 leden een lid niet meer dan 10 procent van de stemmen van de algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft, en

    • b. bij een producentenorganisatie met minder dan 10 leden een lid maximaal 20 procent van de stemmen van de algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft.

  • 2 De percentages genoemd in het eerste lid omvatten tevens volmachten.

  • 3 Indien een natuurlijk persoon, afgezien van volmachten, bevoegd is om te stemmen voor meerdere leden, geldt het in het eerste lid genoemde maximum percentage van de stemmen voor deze rechtspersonen gezamenlijk.

Artikel 24

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Een producentenorganisatie kan haar leden slechts toestemming als bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011 verlenen indien deze mogelijkheid in haar statuten is opgenomen.

  • 2 Indien een producentenorganisatie haar leden toestaat gebruik te maken van de uitzondering, bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011, stelt de producentenorganisatie voorschriften vast inzake:

    • a. de procedure voor verlening van de toestemming;

    • b. de algemene voorwaarden voor verlening van de toestemming, bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011, en

    • c. de rapportageverplichtingen bij het gebruik van de toestemming.

  • 3 Een producentenorganisatie verleent toestemming als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en per individueel geval voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011.

  • 4 Indien een producentenorganisatie aan een toestemming als bedoeld in het eerste lid specifieke voorwaarden verbindt, worden deze voorwaarden in de toestemming vermeld.

  • 5 Het percentage, bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011 wordt vastgesteld op maximaal 25 procent.

  • 6 Een marginaal deel van het volume van de verhandelbare productie, bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011, bedraagt:

    • a. maximaal 5 procent van het volume van de verhandelbare productie van de producentenorganisatie, en

    • b. maximaal 25 procent van het volume van de verhandelbare productie van het lid waar de toestemming aan wordt verleend.

  • 7 Producten die normaliter niet onder de handelsactiviteiten van de producentenorganisatie vallen, bedoeld in artikel 26 bis van verordening 543/2011, zijn:

    • a. producten die niet onder het gebruikelijke productassortiment van de producentenorganisatie vallen, terwijl deze producten wel onderwerp zijn van de erkenning, of

    • b. producten welke gewoonlijk wel door de producentenorganisatie worden verkocht, maar door teeltmethode of variëteit afwijken van het gangbare productenpakket.

  • 8 Toestemming als bedoeld in artikel 26 bis, onderdelen 2 en 3, van verordening 543/2011 die wordt verleend na 19 november 2012 kan telkens voor twee jaar worden verlengd.

Afdeling 2. Aanvraag en verlening erkenning

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 25

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Een erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 wordt verleend indien de aanvrager kan aantonen dat hij voldoet aan de op grond van de artikelen 152, 153, 154 en 155 van verordening 1308/2013 en afdeling 1 van deze paragraaf gestelde eisen.

Artikel 26

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Een verzoek om erkenning omvat ter uitvoering van artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 de volgende stukken:

    • a. de oprichtingsakte en statuten;

    • b. het huishoudelijk reglement;

    • c. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • d. notulen van de oprichtingsvergadering;

    • e. het meerjarenplan;

    • f. de bestuursnotitie omtrent de afzet en aanbodbundeling;

    • g. de bestuursnotitie omtrent de uitbesteding van activiteiten;

    • h. de ledenlijst;

    • i. indien aanwezig de jaarrekeningen van de producentenorganisatie over de afgelopen drie boekjaren;

    • j. de beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing, bedoeld in artikel 16;

    • k. de beschrijving van de samenstelling van het bestuur;

    • l. de procuratieregeling;

    • m. het autorisatieschema;

    • n. een organogram;

    • o. de bevoegdhedenmatrix en parafenlijst;

    • p. een beschrijving van de ondernemingsstructuur en dochterondernemingen, en

    • q. een beschrijving van de goederenlogistiek.

  • 2 Indien dit nodig is voor de beoordeling van het verzoek om erkenning, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 kan de minister de producentenorganisatie verzoeken om aanvullende schriftelijke bewijsstukken.

Artikel 27

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Indien de minister op grond van artikel 26, tweede lid, aanvullende bewijsstukken opvraagt wordt de in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 bedoelde termijn opgeschort tot de op grond van artikel 26, tweede lid, verzochte aanvullende bewijsstukken door de producentenorganisatie aan de minister zijn overlegd.

Afdeling 3. Informatie -en rapportageverplichtingen

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 28

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De producentenorganisatie informeert de minister onverwijld over:

  • a. wijzigingen in hun statuten;

  • b. wijzigingen in hun organisatiestructuur, en

  • c. voornemens tot fusie of samenwerking.

Artikel 29

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks voor 1 maart de volgende stukken aan de minister:

    • a. de statuten;

    • b. het huishoudelijk reglement;

    • c. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • d. de verslagen van de in het afgelopen boekjaar gehouden algemene vergaderingen;

    • e. een beschrijving van het afzetbeleid en de evaluatie, bedoeld artikel 20, vijfde lid;

    • f. de evaluatie, bedoeld in artikel 13, zevende lid;

    • g. de evaluatie, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, en

    • h. de jaarrekening over het afgelopen boekjaar.

  • 2 De producentenorganisatie rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 juli van het eerste jaar na het jaar waarop de controles, bedoeld in artikel 13, derde lid, betrekking hebben, aan de minister:

    • a. de namen van bij de producentenorganisatie aangesloten leden die weigeren om de in artikel 13, derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te overleggen;

    • b. de namen van bij de producentenorganisatie uitgetreden leden die weigeren om de verklaring, bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel a, te overleggen;

    • c. de voorlopige bevindingen van de producentenorganisatie over de naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door haar leden, en

    • d. de door de producentenorganisatie opgelegde sancties wegens niet naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door haar leden.

  • 3 De producentenorganisatie rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 mei van het tweede jaar na het jaar waarop het in artikel 13, vierde lid, bedoelde onderzoek betrekking heeft aan de minister:

    • a. de aantallen producenten per productgroep die aan een onderzoek door een accountant als bedoeld in artikel 13, vierde lid, zijn onderworpen, alsmede hun afzonderlijke omzetcijfers;

    • b. de door de accountant op grond van het in artikel 13, vierde lid, bedoelde onderzoek gerapporteerde afwijkende bevindingen, en

    • c. de door de producentenorganisatie naar aanleiding van de in onderdeel b bedoelde afwijkende bevindingen getroffen of te treffen corrigerende maatregelen.

Titel 2. Erkenning van unies van producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 30

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Alleen een erkende producentenorganisatie kan lid zijn van een unie van producentenorganisatie.

  • 2 Een unie van producentenorganisatie bestrijkt de totale groep van producten waarvoor zij is erkend.

  • 3 De minister kan ontheffing verlenen voor de in het tweede lid gestelde voorwaarde.

  • 4 Een unie van producentenorganisaties is verplicht een operationeel programma of een operationeel deelprogramma in te dienen en ten uitvoer te leggen.

Artikel 31

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De artikelen 6, 16, 17 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op unies van producentenorganisaties.

Artikel 32

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Een erkenning als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013 wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de op grond van artikel 156 van verordening 1308/2013, titel III, sectie 3, van verordening 543/2011 en de in artikelen 30 en 31 gestelde eisen.

Hoofdstuk 3. Actiefonds

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Titel 1. Vaststellen van de waarde afgezette productie

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 33

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van verordening 543/2011, is het kalenderjaar twee jaar vóór het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld.

Artikel 34

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Bij het bepalen van de waarde van de afgezette productie mogen de producten worden meegenomen, voor zover het producten betreft waarvoor de producentenorganisatie is erkend, die in de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, op het grondgebied van de Europese Unie zijn geproduceerd door:

    • a. de producentenorganisatie, of

    • b. leden die op 1 januari van het jaar van uitvoering van het operationeel programma bij de producentenorganisatie zijn aangesloten.

  • 2 Producten zijn geproduceerd door de producentenorganisatie of een lid van de producentenorganisatie als bedoeld in het eerste lid, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de producentenorganisatie of haar lid heeft plaatsgevonden.

  • 3 Ter uitvoering van artikel 50, zevende lid, van verordening 543/2011:

    • a. worden de kosten voor collectietransport en interlocatietransport buiten een zone van 50 kilometer vanaf de Nederlandse grens niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie, en

    • b. geeft de producentenorganisatie bij de indiening van het operationeel programma bij de minister aan op welke wijze zij transportkosten in mindering brengt op de waarde van de afgezette productie.

  • 4 In de waarde van de afgezette productie worden geen kosten voor transport naar de afnemer opgenomen, ongeacht of deze op de verkoopfactuur zijn vermeld.

  • 5 De producentenorganisatie controleert de naleving van het tweede lid en evalueert jaarlijks haar controlebeleid.

Artikel 35

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De waarde van de afgezette productie van leden die zijn toegetreden tot de producentenorganisatie gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, wordt in aanmerking genomen voor de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie vanaf de datum die door het bestuur van de producentenorganisatie in haar schriftelijke bevestiging als bedoeld in artikel 6, vierde lid, is aangewezen als de datum waarop het lidmaatschap in werking treedt.

Artikel 36

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie kan bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie de waarde van de afgezette productie van leden in aanmerking nemen die:

    • a. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend waren aangesloten bij een andere in Nederland erkende producentenorganisatie, en

    • b. na de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend tot de producentenorganisatie zijn toegetreden.

  • 2 De waarde van de afgezette productie van de leden, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts door de nieuwe producentenorganisatie in aanmerking genomen indien de producentenorganisaties waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, de nieuwe producentenorganisatie uiterlijk op 15 november van het jaar waarvoor de waarde van de afgezette productie bepaald wordt:

    • a. een overzicht verstrekt van de waarde van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, en

    • b. een rapportage verstrekt van een extern accountant waarin de juistheid van het in onderdeel a bedoelde overzicht wordt bevestigd.

Artikel 37

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie in aanmerking nemen de waarde van de afgezette productie van leden die:

    • a. na de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, en

    • b. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 33,

      • niet waren aangesloten bij een erkende producentenorganisatie, of

      • waren aangesloten bij een producentenorganisatie waarvan de erkenning nadien is ingetrokken.

  • 2 De waarde afgezette productie van de leden, bedoeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen bij de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien het lid de producentenorganisatie:

    • a. een overzicht verstrekt van de waarde van de afgezette productie van de producten waarvoor de producent bij de producentenorganisatie is aangesloten, en

    • b. een controleverklaring of rapportage naar aanleiding van een COS 4400 onderzoek van een extern accountant overlegd waarin wordt bevestigd dat de waarde die is opgegeven in het overzicht, bedoeld in onderdeel a:

      • juist is;

      • gerealiseerd is door de verkoop van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

      • dat de betreffende producten voor eigen rekening en risico door de betreffende producent binnen het grondgebied van de Europese Unie zijn geproduceerd, en

      • geen BTW en transportkosten bevat.

Artikel 38

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie in aanmerking nemen de waarde afgezette productie van leden die:

    • a. gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, waren aangesloten bij een in een andere lidstaat erkende producentenorganisatie, en

    • b. na de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, tot de producentenorganisatie zijn toegetreden.

  • 2 De waarde afgezette productie van de in het eerste lid bedoelde leden wordt in aanmerking genomen bij het bepalen van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 33, de nieuwe producentenorganisatie:

    • a. een schriftelijke verklaring verstrekt over de waarde van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten, of

    • b. een overzicht en controleverklaring of rapportage als bedoeld in artikel 37, tweede lid, onderdeel b, verstrekt.

Artikel 39

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De waarde van de afgezette productie die is gerealiseerd door verkoop van producten van leden die op 1 januari van het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde van de afgezette productie wordt berekend en niet meer bij de producentenorganisatie zijn aangesloten, wordt aantoonbaar uit de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie verwijderd voor het betreffende jaar.

Artikel 40

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties laten een extern accountant een controle uitvoeren en een controleverklaring afleggen, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, over de juistheid van de opgave van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie.

  • 2 Producentenorganisaties overleggen jaarlijks uiterlijk op 2 december aan de minister:

    • a. de definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, en

    • b. de in het eerste lid bedoelde controleverklaring.

Titel 2. Beheer van het actiefonds

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 41

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De financiële bijdragen van de leden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013, kunnen worden onderscheiden in:

    • a. bijdragen naar rato van waarde of hoeveelheid van de door het lid binnen het grondgebied van de Europese Unie geproduceerde en via de producentenorganisatie afgezette producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend, en

    • b. absolute bijdragen per lid.

  • 2 De producentenorganisatie stelt ter uitvoering van artikel 69, tweede lid, onderdeel c, van verordening 543/2011, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, een overzicht op van de financiële bijdrage aan het actiefonds van de leden en de producentenorganisatie zelf.

Artikel 42

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 52 van verordening 543/2011 wordt door de producentenorganisatie voor het actiefonds:

    • a. een bankrekening geopend;

    • b. een grootboekrekening gereserveerd, of

    • c. een aparte kostenplaats aangemaakt.

  • 2 De afsluiting van het kwartaal of het jaar in de administratie van de grootboekrekening of bankrekening van het actiefonds van de producentenorganisatie sluit direct aan op kwartaalrapportage of de jaarrapportage.

  • 3 Het saldo van de eigen bijdrage van leden aan het actiefonds van de producentenorganisatie is op 14 februari van enig jaar groter dan of gelijk aan nul.

  • 4 De producentenorganisatie laat een extern accountant een controle uitvoeren en, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, een controleverklaring afleggen over:

    • a. de juistheid van de in het tweede lid bedoelde afsluiting, en

    • b. de naleving van de voorschriften inzake het beheer van het actiefonds, bedoeld in artikel 52 van verordening 543/2011.

Hoofdstuk 4. Operationele programma’s

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Titel 1. Eisen aan operationale programma’s

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 43

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties nemen minimaal in hun operationeel programma op:

    • a. twee van de doelstellingen genoemd in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013;

    • b. één van de doelen genoemd in artikel 33, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, van verordening 1308/2013, en

    • c. het doel genoemd in artikel 33, eerste lid, onderdeel e, van verordening 1308/2013.

  • 2 Ter realisatie van de in het eerste lid bedoelde doelstellingen en doelen kunnen producentenorganisaties gebruik maken van alle maatregelen genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel g, van verordening 543/2011.

  • 3 Ter realisatie van de doelstelling bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel f van verordening 1308/2013 kunnen producentenorganisaties de acties genoemd in artikel 33, derde lid, onderdelen b tot en met d en h, van verordening 1308/2013 opnemen in hun operationeel programma.

  • 4 De minister kan besluiten dat producentenorganisaties de acties genoemd in artikel 33, derde lid, onderdelen f en g, van verordening 1308/2013 tijdelijk in hun operationeel programma op kunnen nemen.

Artikel 43a

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Een operationeel programma dat wordt ingediend in 2015 heeft, in afwijking van artikel 33, eerste lid, van verordening 1308/2013, een maximale looptijd van 3 jaar.

Artikel 44

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 55, vijfde lid, van verordening 543/2011 betreffen de uitgaven van de uitvoering van het operationeel programma voor de maatregelen genoemd in:

    • a. artikel 19, eerste lid, onderdeel g, onder i tot en met v en viii, van verordening 543/2011 maximaal 50 procent van het totale operationele programma, en

    • b. artikel 19, eerste lid, onderdeel g, onder vi, van verordening 543/2011 maximaal één derde van het totale operationele programma.

  • 2 Ter uitvoering van artikel 33, vijfde lid, van verordening 1308/2013 en artikel 55, vijfde lid, van verordening 543/2011:

    • a. omvatten operationele programma’s van producentenorganisaties minimaal twee acties ter realisatie van de doelstelling genoemd in artikel 33, eerste lid, onderdeel e, van verordening 1308/2013, of

    • b. betreft minimaal 10 procent van de uitgaven voor de uitvoering van het operationeel programma van de producentenorganisatie acties ter realisatie van de doelstelling genoemd in artikel 33, eerste lid, onderdeel e, van verordening 1308/2013.

Artikel 45

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter realisatie van artikel 33, eerste lid, onderdeel d, van verordening 1308/2013 streven producentenorganisaties er naar tenminste 10 procent van de totale uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd te besteden aan activiteiten ten behoeve van afzetbevordering.

  • 2 Producentenorganisaties stellen jaarlijks een jaarplan afzetbevordering vast waarin per organisatieonderdeel de activiteiten gericht op afzetbevordering worden beschreven en de kosten voor deze activiteiten worden begroot.

Titel 2. Algemene voorschriften voor subsidiabele uitgaven

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Afdeling 1. Algemeen

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 46

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De uitgaven, bedoeld in deze titel, zijn subsidiabel indien zij op grond van titel 3 van dit hoofdstuk subsidiabel worden gesteld.

  • 2 De uitgaven, bedoeld in bijlage I, zijn niet subsidiabel.

Artikel 46a

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven als bedoeld in deze titel worden opgenomen in de steunaanvraag voor het uitvoeringsjaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd en de uitgaven worden betaald, tenzij in titel 2 of 3 van dit hoofdstuk anders wordt bepaald.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kunnen uitgaven als bedoeld in deze titel worden opgenomen in de steunaanvraag voor het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de uitgaven betaald worden indien:

    • a. de activiteit is uitgevoerd in het jaar waarvoor de steunaanvraag wordt ingediend, en

    • b. de uitgaven betaald zijn in de periode van 1 januari tot en met 14 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarop de steunaanvraag betrekking heeft.

Afdeling 2. Personeelskosten

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 47

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Onder personeelskosten als bedoeld in punt twee van bijlage IX van verordening 543/2011 wordt verstaan:

  • a. kosten voor personeel in dienst van:

    • de producentenorganisatie;

    • een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie;

    • een kleindochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie, en

  • b. kosten voor gedetacheerd personeel en uitzendkrachten ingehuurd door de in onderdeel a genoemde ondernemingen,

  • c. kosten van een lid, natuurlijk persoon, of eigenaar of directeur van een lid, rechtspersoon.

Artikel 48

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Personeelskosten zijn subsidiabel voor maximaal:

    • a. 90% van de contractueel of bij collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen uren, of

    • b. 80% van de contractueel of bij collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen uren in geval van managers en leidinggevenden.

  • 2 Uren worden alleen aan een activiteit of subactiviteit toegerekend wanneer de producentenorganisatie aannemelijk maakt dat:

    • a. de uren aan de betreffende activiteiten of subactiviteit zijn besteed, en

    • b. de verhouding tussen de bestede uren en de omvang van de betreffende activiteit of subactiviteit redelijk is.

  • 3 Personeelskosten voor managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten zijn niet subsidiabel.

  • 4 Activiteiten van leden van de directie of het bestuur van een producentenorganisatie zijn niet subsidiabel.

  • 5 De minister kan, op verzoek van een producentenorganisatie, in afwijking van het vierde lid, besluiten dat personeelskosten voor een lid van de directie of het bestuur subsidiabel zijn, indien het kosten betreft voor concrete en aantoonbare activiteiten ter uitvoering van een activiteit of subactiviteit.

  • 6 De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, moet jaarlijks opnieuw worden aangevraagd.

Artikel 49

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • a. Voor de kosten als bedoeld in artikel 47, onderdeel c geldt een forfaitair uurtarief van € 40.

  • b. Wanneer een producentenorganisatie meerdere eigenaren of directeuren heeft geeft de producentenorganisatie bij de indiening van het operationeel programma aan welke eigenaar of directeur de activiteiten zal uitvoeren en zijn de personeelskosten voorzover die door de betreffende directeur of eigenaar worden veroorzaakt subsidiabel.

Artikel 50

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Onder vakbekwaam personeel als bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage IX van verordening 543/2011, wordt verstaan personeel met een werk- en denkniveau met minimaal het opleidingsniveau van het middelbaar beroepsonderwijs, dat is verkregen door:

    • a. een afgeronde opleiding, of

    • b. ervaring en specifieke vakkennis.

  • 2 De eisen omtrent vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, worden door de producentenorganisatie opgenomen in door de directie of het bestuur geaccordeerde functieprofielen, welke worden opgenomen in de administratieve organisatie van de producentenorganisatie.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma aan de minister, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid van het personeel, bedoeld in het eerste lid:

    • a. de door de directie of het bestuur van de producentenorganisatie geaccordeerde functieprofielen, en

    • b. een volledige taakomschrijving per subsidiabele activiteit van het voor die activiteit ingezette personeel.

  • 4 De verplichting opgenomen in het derde lid is slechts van toepassing op een verzoek tot wijziging van een operationeel programma voor zover hiermee functies worden opgevoerd die niet eerder in het operationeel programma waren opgenomen.

  • 5 De minister kan, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijke bewijsstukken opvragen.

Artikel 51

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie houdt ter onderbouwing van de gewerkte uren, bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage IX van verordening 543/2011, een volledige urenadministratie bij die minimaal één keer per maand geparafeerd en gedateerd wordt door:

    • a. de betreffende medewerker, en

    • b. de projectleider of leidinggevende.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie de urenadministratie bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De medewerker, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, mag niet dezelfde persoon zijn als de projectleider of leidinggevende, bedoeld in het eerste lid onderdeel b.

  • 4 De urenadministratie, bedoeld in het eerste lid:

    • a. wordt bijgehouden gedurende het hele kalenderjaar of voor de duur van de arbeidsovereenkomst van de medewerker wiens inzet wordt toegerekend aan een subsidiabele activiteit;

    • b. omvat alle uren waarvoor de betreffende medewerker een arbeidscontract heeft, waaronder de uren die niet worden toegerekend aan subsidiabele activiteiten;

    • c. bevat een korte en duidelijke omschrijving van ter uitvoering van de subsidiabele activiteit verrichte werkzaamheden, en

    • d. geeft duidelijk weer voor hoeveel uren de betreffende medewerker wordt ingezet:

      • per actie, en daarbinnen per subactiviteit, en

      • voor niet-subsidiabele activiteiten.

  • 5 De minister kan, in afwijking van het derde lid, onderdeel d, op verzoek van een producentenorganisatie schriftelijk toestemming verlenen om de splitsing, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, te maken aan de hand van een andere deugdelijke onderbouwing.

  • 6 Indien managers of

    leidinggevenden uren maken ter uitvoering van een activiteit blijkt uit de urenadministratie, bedoeld in het eerste lid, dat managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten niet zijn toegerekend aan subsidiabele activiteiten.

  • 7 Het aantal uren waarvoor in de steunaanvraag per subactiviteit subsidie wordt aangevraagd overschrijdt niet het aantal uren dat ingevolge de goedkeuring van het operationeel programma of het verzoek tot wijziging daarvan voor deze subactiviteit is goedgekeurd.

Artikel 52

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie onderbouwt de personeelskosten als bedoeld in artikel 47, onderdeel a, van de subsidiabele acties aan de hand van uurtarieven op basis van het jaarsalaris van de betreffende medewerkers.

  • 2 In het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, kan worden opgenomen:

    • a. het contractueel of bij CAO overeengekomen brutoloon;

    • b. een bij contract of CAO overeengekomen niet winstafhankelijke dertiende maand;

    • c. een onregelmatigheidstoeslag;

    • d. een ploegentoeslag;

    • e. het werkgeversdeel sociale verzekeringswetten;

    • f. de voor rekening van de werkgever komende kosten voor de ziektekostenverzekering;

    • g. het werkgeversdeel pensioen en vervroegde uittreding, en

    • h. dotaties aan pensioenvoorzieningen voor zover onderbouwd kan worden dat hier rechtens afdwingbare verplichtingen tegenover staan.

  • 3 Ten behoeve van de berekening van het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, wordt het jaarsalaris gedeeld door het contractueel of bij CAO overeengekomen aantal uren.

  • 4 Overwerktoeslagen worden niet het in het eerste lid bedoelde uurtarief opgenomen.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van operationeel programma van één personeelslid een voorbeeld van de berekening aan de minister.

Artikel 53

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Personeelskosten voor ICT projecten voor eigen medewerkers zijn subsidiabel indien zij betrekking hebben op:

    • a. de nieuwbouw of uitbreiding van ICT applicaties die ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten, of

    • b. de maatregelen genoemd in artikel 19, eerste lid, onderdeel g, onder ii, iii en vii, van verordening 543/2011.

  • 2 De minister kan besluiten voor personeelskosten als bedoeld in het eerste lid een maximaal percentage vast te stellen.

Artikel 54

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Personeelskosten voor uren besteed aan deelname aan cursussen, symposia, seminars, studiereizen en excursies zijn niet subsidiabel, tenzij het een opleidingsmaatregel als bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 betreft.

Afdeling 3. Duurzame productiemiddelen

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Paragraaf 1. Algemeen

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 55

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie neemt duurzame productiemiddelen binnen twaalf maanden na aankoop in gebruik.

  • 2 De producentenorganisatie toont de aanschaf van duurzame productiemiddelen aan de hand van facturen of afleverbonnen aan en verstrekt deze onverwijld aan de minister, indien de minister daar om verzoekt.

Artikel 56

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Indien een duurzaam productiemiddel slechts gedeeltelijk wordt gebruikt voor de uitvoering van het operationeel programma van de producentenorganisatie, zijn slechts de uitgaven die betrekking hebben op het operationeel programma subsidiabel.

Artikel 57

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie behoudt gedurende vijf jaar na ingebruikname het eigendom en de volledige zeggenschap over duurzame roerende productiemiddelen die zijn gefinancierd met behulp van het actiefonds.

  • 2 De producentenorganisatie behoudt gedurende tien jaar na ingebruikname het eigendom en de volledige zeggenschap over duurzame onroerende productiemiddelen die zijn gefinancierd met behulp van het actiefonds.

  • 3 In afwijking van het tweede lid blijft een duurzaam onroerende productiemiddel dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds gedurende tenminste vijf jaar eigendom van de producentenorganisatie, indien de producentenorganisatie aantoont dat de investering geen economische restwaarde meer heeft voor de producentenorganisatie.

  • 4 De termijn, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, vangt aan op het moment van ingebruikname van de investering.

Artikel 58

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Duurzame productiemiddelen die zijn gefinancierd met behulp van subsidie uit het actiefonds zijn toegankelijk voor alle leden.

Artikel 59

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 60, vijfde lid, van verordening 543/2011 zijn duurzame productiemiddelen geplaatst op het bedrijf van een lid van een producentenorganisatie subsidiabel indien de producentenorganisatie:

    • a. haar belang bij plaatsing van het productiemiddel op het bedrijf van het lid aantoont;

    • b. de relatie met de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationeel programma aantoont, en

    • c. schriftelijk met het lid overeenkomt dat het productiemiddel toegankelijk is voor al haar leden.

  • 2 Investeringen in de pre-oogstfase geplaatst op het bedrijf van een lid van een producentenorganisatie zijn niet subsidiabel, tenzij er sprake is van:

    • a. een vernieuwend experiment, of

    • b. een duidelijke relatie met milieu, kwaliteit of afzet in het directe belang van de producentenorganisatie of de sector.

  • 3 Investeringen in elementaire voorzieningen als afwateringssystemen, riolering, aansluiting op waterleiding en aansluiting op systemen voor datacommunicatie, die worden gezien als onmisbare elementen, op het bedrijf van een lid zijn:

    • a. 100% subsidiabel indien zij zich bevinden op het erf en tot een afstand van vijfhonderd meter van de erfgrens, en

    • b. 50% subsidiabel indien zij zich bevinden op een afstand van meer dan vijfhonderd meter van de erfgrens.

Artikel 60

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Indien een producentenorganisatie het eigendom van een duurzaam productiemiddel, dat is gefinancierd of mede is gefinancierd door middel van het actiefonds, gedurende de periode, bedoeld in artikel 57, eerste tot en met derde lid, verliest, wordt de gesubsidieerde restwaarde van de investering gerecupereerd.

  • 2 De restwaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt forfaitair bepaald door een afschrijving van:

    • a. 20% per jaar voor duurzame roerende productiemiddelen, en

    • b. 10% per jaar voor duurzame onroerende productiemiddelen.

    Voor het begrip onroerend wordt verwezen naar artikel 3, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3 De forfaitaire percentages, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato van het aantal maanden dat een investering daadwerkelijk eigendom is geweest van de producentenorganisatie toegepast.

  • 4 In afwijking van het tweede lid wordt de restwaarde, indien een producentenorganisatie minder subsidie heeft aangevraagd dan er op grond van de berekening op basis van het tweede lid moet worden terugbetaald, vastgesteld op het bedrag waarvoor subsidie is aangevraagd.

  • 5 In afwijking van het tweede lid wordt de restwaarde, indien het eigendom van een investering tenietgaat als gevolg van een oorzaak waarvoor de producentenorganisatie een uitkering van een verzekeraar ontvangt, vastgesteld op het bedrag aan ontvangen verzekeringspenningen, voor zover de verzekeringspenningen de ontvangen subsidie niet te boven gaan.

Artikel 61

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 60, zesde lid van verordening 543/2011, wordt een duurzaam productiemiddel dat is geplaatst op het terrein van een aangesloten producent, herplaatst op een locatie van:

    • a. de producentenorganisatie, of

    • b. een aangesloten lid,

    wanneer de betreffende producent de producentenorganisatie verlaat.

  • 2 Indien herplaatsing als bedoeld in het eerste lid niet mogelijk is, is artikel 60 van toepassing.

Artikel 62

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 60, derde lid, van verordening 543/2011 zijn duurzame productiemiddelen subsidiabel indien het productiemiddel gedurende een piekperiode voor meer dan 50% wordt gebruikt voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend.

  • 2 Als piekperiode bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor:

    • a. glasgroenten en asperges: mei tot en met augustus;

    • b. zachtfruit: juni tot en met september;

    • c. kersen: half mei tot en met half juli;

    • d. vollegrondsteelten en jaarrondteelten: augustus tot en met november;

    • e. hardfruit: oktober tot en met januari.

  • 3 De minister kan op eigen initiatief en op verzoek van een producentenorganisatie besluiten om voor bepaalde producten of duurzame productiemiddelen, in afwijking van het tweede lid, een andere piekperiode vast te stellen.

Artikel 63

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Investeringen die voor 1 januari 2008 reeds in een operationeel programma waren opgenomen en ook na 1 januari 2008 nog in een operationeel programma zijn opgenomen, zijn voor het deel dat betrekking heeft op de periode voor 1 januari 2008 subsidiabel naar rato van het aandeel van de investering dat wordt gebruikt voor producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend.

Artikel 64

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisatie tonen het gebruik van het duurzame productiemiddel tijdens de piekperiode, bedoeld in artikel 62, eerste lid, aan met behulp van:

    • a. gebruiksadministraties per duurzaam productiemiddel voor productiemiddelen geplaatst op centrale locaties van de producentenorganisatie, of

    • b. verklaringen van de aangesloten producenten omtrent het gebruik van het duurzaam productiemiddel voor productiemiddelen geplaatst op locaties van aangesloten producenten.

  • 2 De producentenorganisatie geeft bij de indiening van het operationeel programma aan op welke wijze de gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gevoerd gaat worden.

  • 3 De gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt bijgehouden gedurende de gehele periode, bedoeld in artikel 57, eerste tot en met derde lid, en registreert per dag minimaal de volgende elementen:

    • a. het jaar;

    • b. het project;

    • c. de locatie;

    • d. het soort productiemiddel;

    • e. de aanschafdatum;

    • f. de leverancier, het merk, het type, het serienummer of registratienummer;

    • g. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • h. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend, en

    • i. de totale hoeveelheid bewerkt of voorbereid product.

  • 4 De hoeveelheid bewerkt of voorbereid product, bedoeld in het derde lid, onderdelen g tot en met i, worden geregistreerd op:

    • a. productstromen op locatieniveau in geval van distributiecentra en gebouwen;

    • b. palletregistraties in geval van koelcellen, of

    • c. stuks, collie, kilogramregistraties, in geval van sorteerlijnen en verpakkingsmachines.

  • 5 De gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt bij de indiening van de steunaanvraag, geaggregeerd op maand, aan de minister overlegd.

  • 6 De minister kan, op eigen initiatief of op verzoek van een producentenorganisatie besluiten, in afwijking van het tweede, derde en vierde lid, andere voorschriften te stellen aan de gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 7 Indien een duurzaam productiemiddel wordt aangeschaft na de piekperiode, bedoeld in artikel 62, eerste lid, dan begint de gebruiksadministratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in het daaropvolgende jaar.

Artikel 65

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen en de bijkomende kosten van installatie en montage, waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd, zijn als onderdeel van het duurzame productiemiddel subsidiabel.

  • 2 In afwijking van het eerste lid zijn uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen niet subsidiabel voor zover het gaat om uitgaven voor:

    • a. service en onderhoud van duurzame productiemiddelen:

    • b. construction all risk verzekeringen, of

    • c. wettelijke verplichtingen.

  • 3 Uitgaven voor het demonteren van duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel wanneer dit tot doel heeft het productiemiddel te verhuizen, reviseren, transporteren en opnieuw monteren.

Artikel 66

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma aan de minister een financiële onderbouwing van begrote investeringen voor duurzame productiemiddelen.

Artikel 67

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie neemt in de steunaanvraag alleen uitgaven op voor:

    • a. nieuwbouw of verbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie;

    • b. het gedeelte van deze gebouwen dat wordt gebruikt voor producten waarvoor de producentenorganisaties is erkend;

    • c. ruimtes die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage II, en

    • d. elementen die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage III.

  • 3 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van het operationeel programma de subsidiabele uitgaven, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen, waarin wordt aangegeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreft;

    • b. offertes van de aanneem- of bouwsom, en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een model vastgesteld door de minister, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakten en elementen en bijbehorende uitgaven.

  • 4 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de steunaanvraag de subsidiabele uitgaven, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreft;

    • b. facturen op naam van de producentenorganisatie de aanneem- of bouwsom, en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een model vastgesteld door de minister, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakte en elementen en bijbehorende uitgaven.

Artikel 68

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De aankoop van onbebouwde grond, bedoeld in punt 6 van bijlage IX van verordening 543/2011, is subsidiabel indien deze grond daadwerkelijk wordt aangewend voor de realisatie van in het operationeel programma opgenomen investeringen.

  • 2 De aankoop van grond die wordt gebruikt voor onderdelen van investeringen die op grond van deel 2 van bijlage II en kolom 2 van bijlage III niet subsidiabel zijn, is niet subsidiabel.

  • 3 De producentenorganisatie toont bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van bouwtekeningen of plattegronden aan welke delen van de grond, bedoeld in het eerste lid, worden aangewend voor in het operationeel programma opgenomen subsidiabele investeringen.

  • 4 Een producentenorganisatie die de aankoop van onbebouwde grond als bedoeld in het eerste lid opneemt in haar operationeel programma onderbouwt de noodzaak van deze investering voor het operationeel programma bij de indiening van het operationeel programma.

  • 5 De producentenorganisatie gebruikt de grond, bedoeld in het eerste lid, binnen de looptijd van het operationeel programma voor realisatie van de investering waarvoor de grond is aangekocht.

Artikel 69

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Kosten voor het recht van opstal zijn niet subsidiabel.

Artikel 70

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Duurzame productiemiddelen die zijn gefinancierd of mede zijn gefinancierd door middel van het actiefonds zijn eigendom van de producentenorganisatie of van een dochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie.

  • 2 Duurzame productiemiddelen, bedoeld in het eerste lid,

    • a. die mede zijn gefinancierd door rechtspersonen waarin bij de producentenorganisatie aangesloten producenten een belang hebben van meer dan 10% zijn niet subsidiabel;

    • b. die mede worden gefinancierd door rechtspersonen die een dochteronderneming zijn van meerdere erkende producentenorganisaties zijn subsidiabel naar rato van de aandelenverhoudingen tussen de betreffende producentenorganisaties;

    • c. worden geplaatst op een locatie die eigendom is van de producentenorganisatie of haar leden of die door de producentenorganisatie of haar leden wordt gehuurd of geleased en waar zij bijdragen aan de toegevoegde waarde en de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie.

Artikel 71

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Bij vervanging van duurzame productiemiddelen als bedoeld in artikel 60, vijfde lid, van verordening 543/2011 wordt de restwaarde van duurzame productiemiddelen die vervangen worden in mindering gebracht op de vervangingskosten.

  • 3 De vervanging van onderdelen van duurzame productiemiddelen is niet subsidiabel.

Artikel 72

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Een producentenorganisatie meldt de eerste keer dat een duurzaam productiemiddel in een steunaanvraag wordt opgenomen aan de minister of zij het duurzaam productiemiddel:

    • a. in één keer in een steunaanvraag opneemt, of

    • b. gedurende meerdere jaren in de steunaanvraag opneemt.

  • 2 Indien een producentenorganisatie een duurzaam productiemiddel gedurende meerdere jaren in de steunaanvraag opneemt:

    • a. meldt de producentenorganisatie bij ontvangst van de laatste factuur over hoeveel termijnen het duurzaam productiemiddel ten laste van het actiefonds wordt gebracht;

    • b. wordt het duurzaam productiemiddel niet eerder in een steunaanvraag opgenomen dan op het moment van ingebruikname van het duurzaam productiemiddel, en

    • c. wordt het bedrag dat per kwartaal in de steunaanvraag wordt opgenomen lineair bepaald.

  • 3 Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt vastgesteld op het moment van oplevering van het duurzaam productiemiddel.

Artikel 73

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor duurzame productiemiddelen, inclusief duurzame productiemiddelen die worden verworven door middel van langlopende leasecontracten, kunnen over meerdere operationele programma’s worden gespreid, indien de producentenorganisatie daarvoor gegronde economische redenen aanvoert.

  • 2 Indien de duurzame productiemiddelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit roerende zaken kunnen deze in maximaal 5 jaar ten laste van het actiefonds worden gebracht.

  • 3 Indien de duurzame productiemiddelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit onroerende zaken kunnen deze in maximaal 10 jaar ten laste van het actiefonds worden gebracht.

Artikel 74

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Tweedehands duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel indien:

    • a. het aanschafbedrag hoger is dan € 10.000, en

    • b. de producentenorganisatie bij indiening van de steunaanvraag aan de minister een verklaring van de verkopende partij overlegt dat voor de aankoop van het productiemiddel in de voorafgaande zeven jaren geen uniale of nationale subsidie is ontvangen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bedraagt de termijn waarbinnen geen uniale of nationale subsidie mag zijn ontvangen voor onroerende zaken tien jaar.

  • 3 Tweedehands duurzame productiemiddelen die bij een aangesloten producent zijn aangeschaft zijn niet subsidiabel indien deze productiemiddelen vervolgens bij deze of een andere aangesloten producent worden geplaatst.

  • 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op investeringen die worden gehuurd of geleased.

Artikel 75

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Duurzame productiemiddelen op het terrein van ICT zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. hardware die:

      • een integraal onderdeel uitmaakt van subsidiabele installaties, of

      • ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten;

    • b. software applicaties die:

      • nieuw zijn of een uitbreiding met een nieuwe module betreffen;

      • binnen de producentenorganisatie een andere manier van werken tot gevolg hebben;

      • ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten die bijdragen aan handhaving van kwaliteit, milieubescherming of verbetering van de afzet en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten, en

      • eigendom worden van de producentenorganisatie.

  • 2 De producentenorganisatie overlegt aan de minister bij indiening van het operationeel programma een onderbouwing van de subsidiabele kosten voor duurzame productiemiddelen op het terrein van ICT aan de hand van offertes.

  • 3 De minister kan, in afwijking van het eerste lid, besluiten op grond van de voorgelegde offerte een nader te bepalen percentage subsidiabel te stellen.

  • 4 Uitgaven voor servers zijn subsidiabel voor het deel van het geheugen dat daadwerkelijk wordt gebruikt voor subsidiabele applicaties.

  • 5 De producentenorganisatie toont bij de indiening van de steunaanvraag aan:

    • a. welke applicaties via de server gebruikt worden, en

    • b. wat het capaciteitsbeslag en het gebruik van de subsidiabele applicaties is.

Artikel 75a

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal van rassen van meerjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van meerjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen, of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoeld in richtlijn 2000/29.

Artikel 76

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Producentenorganisaties houden voor alle duurzame productiemiddelen die zijn opgenomen in een lopend operationeel programma, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, een actueel register bij.

Paragraaf 2. Duurzame productiemiddelen voor maatregelen op het gebied van energiebesparing, verbetering van de waterkwaliteit, waterbesparing en mineralenbesparing

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 77

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties die uitgaven voor investeringen in installaties voor energiebesparende maatregelen willen opnemen in hun operationeel programma dienen hiertoe, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld formulier, een verzoek in bij de minister.

  • 2 De producentenorganisatie onderbouwt het in het eerste lid bedoelde verzoek met:

    • a. de offertes behorend bij de aanvraag;

    • b. een projectplan voorzien van een projectbegroting, en

    • c. een energiebalans, waarin wordt vermeld wat de beginsituatie en de verwachte situatie is, op basis van een door een deskundige:

      • opgestelde technische specificatie, en

      • gemaakte berekeningen van de verwachte energiestromen en de verwachte energiebesparing.

Artikel 78

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De minister beoordeelt bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van het projectplan en de energiebalans, bedoeld in artikel 77, tweede lid, onderdelen b en c, de realiteit van de energiebesparing of reductie van het energiegebruik uit fossiele brandstoffen per energiesysteem.

Artikel 79

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Ter verantwoording van de gerealiseerde energiebesparing overlegt de producentenorganisatie bij de steunaanvraag die wordt ingediend nadat de installaties, bedoeld in artikel 77, één jaar in bedrijf zijn gesteld, het volgende:

  • a. het declaratieformulier energiebesparende investeringen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model;

  • b. een overzicht van de bereikte energiebesparing volgens de geactualiseerde energiebalans, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model;

  • c. de jaaropgave van het energieverbruik in het kader van de uniforme milieuregistratie die is overlegd aan de Uitvoeringsorganisatie Glastuinbouw en Milieu en het voor deze registratie bijgehouden logboek of de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier.

Artikel 80

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De minister kan uitgaven voor investeringen in energiebesparingen niet subsidiabel oordelen indien de afwijking van de verwachte energiebesparing niet voldoende wordt gemotiveerd.

Artikel 81

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in een energiebesparende installatie worden vanaf het moment van investeren lineair over een periode van vijf jaar ten laste van het actiefonds gebracht.

  • 2 De opbrengst van het leveren aan derden van energie die wordt opgewekt met de in het eerste lid bedoelde installatie wordt lineair over een periode van vijf jaar in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde uitgaven.

  • 3 Wanneer de energie die wordt opgewekt met de in het eerste lid bedoelde installatie uitsluitend op het teeltbedrijf zelf gebruikt wordt, overlegt de producentenorganisatie aan de minister jaarlijks bij het indienen van de steunaanvraag, vanaf het jaar waarin de installatie een jaar in gebruik is, de energiebalans waaruit blijkt dat er geen warmte of elektriciteit is geleverd aan derden.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan om de uitgaven voor investeringen in een energiebesparende installatie, waarmee geen energie wordt opgewekt, in één keer ten laste van het actiefonds te brengen, indien de producentenorganisatie aan de minister aantoont dat de investering niet leidt tot het leveren van energie aan derden.

  • 5 Dit artikel is van toepassing op investeringen gedaan op of na 10 september 2011.

Artikel 82

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in een energiebesparende installatie uitgevoerd door middel van een participatie in een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven met energieclustering zijn, in afwijking van artikel 34, eerste lid van Verordening 1308/2013, subsidiabel voor 50%.

  • 2 Een agrarisch samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid omvat ook een leveringsovereenkomst tussen agrarische bedrijven.

  • 3 In geval van participatie in een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven wordt de waarde van de investering in de participatie lineair over een periode van 5 jaar in de steunaanvraag opgenomen, onder aftrek van de genoten opbrengsten.

  • 4 In afwijking van het derde lid, is het toegestaan om de uitgaven, bedoeld in het eerste lid voor investeringen in energiebesparende installaties, waarmee geen energie wordt opgewekt, in één keer ten laste van het actiefonds te brengen, indien de producentenorganisatie aan de minister aantoont dat de investering niet leidt tot het leveren van energie aan derden.

Artikel 83

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties die uitgaven voor investeringen in installaties voor verbeterde waterkwaliteit, waterbesparing of besparing op het mineralenverbruik willen opnemen in hun operationeel programma dienen hiertoe, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld formulier, een verzoek tot het opnemen van deze uitgaven in hun operationeel programma in bij de minister.

  • 2 De producentenorganisatie onderbouwt het in het eerste lid bedoelde verzoek met:

    • a. de offertes behorende bij de aanvraag;

    • b. een projectplan voorzien van een projectbegroting, en

    • c. een prognose van de verwachte verbetering of besparing per installatie, aan de hand van een technische specificatie van de leverancier of deskundige.

Artikel 84

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De minister beoordeelt bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van een technische specificatie van de leverancier of deskundige per installatie de realiteit van de verwachte verbetering van de waterkwaliteit of de waterzuivering, of de verwachte waterbesparing of mineralenbesparing.

Artikel 85

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter verantwoording van de gerealiseerde verbetering van de waterkwaliteit of de waterzuivering, of de gerealiseerde besparing op het waterverbruik of het mineralenverbruik overlegt de producentenorganisatie bij de steunaanvraag die wordt ingediend nadat de installaties, bedoeld in artikel 83, eerste lid, één jaar in gebruik zijn genomen, het volgende:

    • a. het declaratieformulier installaties waterkwaliteit, waterbesparing, waterzuivering en fertigatie in de fruitteelt, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model;

    • b. een overzicht van de bereikte verbetering of besparing per installatie, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, aan de hand van een vergelijking van:

      • een meting van de situatie voor de ingebruikname van de installatie, en

      • een meting van de gerealiseerde situatie na de ingebruikname van de installatie.

  • 2 In geval van leidingwater wordt de bereikte waterbesparing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onderbouwd aan de hand van de jaarafrekening van het waterleidingbedrijf.

Artikel 86

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Indien uitgaven voor investeringen in duurzame productiemiddelen op grond van titel 3 van dit hoofdstuk subsidiabel zijn wanneer een waterbesparing of energiebesparing van 25% wordt gerealiseerd, wordt de besparing berekend in het kader van en op het niveau van de actie.

Artikel 87

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Indien uitgaven voor investeringen in duurzame productiemiddelen op grond titel 3 van dit hoofdstuk subsidiabel zijn, worden deze systemen uitgevoerd in:

    • a. totaal nieuw ingerichte productiegebieden ter vervanging van oude, opgeheven productiegebieden, of

    • b. reeds bestaande productiegebieden bedoeld om bestaande energie- of watersystemen te moderniseren of vervangen.

  • 2 Uitgaven voor investeringen als bedoeld in het eerste lid zijn niet subsidiabel indien het gaat om:

    • a. nieuwe irrigatie installaties bedoeld om het irrigeerbare areaal te vergroten, of

    • b. energiesystemen, die niet bijdragen aan een energiebesparing.

Afdeling 4. Overige kosten

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 88

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor overige kosten worden bij indiening van het operationeel programma financieel onderbouwd door middel van een:

    • a. offerte;

    • b. recente factuur voor een soortgelijke uitgave, of

    • c. andere vorm van onderbouwing.

  • 2 Facturen voor overige kosten:

    • a. zijn op naam gesteld van de producentenorganisatie of een dochteronderneming of kleindochteronderneming die voor minimaal 90% eigendom is van de producentenorganisatie;

    • b. worden geaccordeerd door de projectleider die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit waarvoor de kosten zijn gemaakt, en

    • c. bevatten een omschrijving waaruit blijkt:

      • welke werkzaamheden zijn uitgevoerd of diensten zijn aangekocht, en

      • waar en wanneer deze werkzaamheden of diensten zijn uitgevoerd of aangekocht.

Artikel 89

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor de inhuur van externen zijn subsidiabel, indien de voor uitvoering van een activiteit benodigde kennis of capaciteit bij een producentenorganisatie niet voldoende aanwezig is.

  • 2 Externen als bedoeld in het eerste lid beschikken minimaal over het opleidingsniveau, bedoeld in artikel 50, eerste lid.

  • 3 Producentenorganisaties geven in het operationeel programma aan welke specifieke taken aan externe diensten worden uitbesteed.

  • 4 De minister kan een producentenorganisatie, ten behoeve van de beoordeling van de subsidiabiliteit van uitgaven voor de inhuur van externen, verzoeken om aanvullende informatie en bewijsstukken te overleggen.

Artikel 90

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor kilometers gereden met de eigen auto door aangesloten leden en medewerkers van de producentenorganisatie zijn subsidiabel indien:

    • a. deze leden en medewerkers in het operationeel programma zijn opgenomen;

    • b. de kilometers zijn gemaakt in het kader van een in het operationeel programma opgenomen activiteit;

    • c. de vergoedingen daadwerkelijk aan de medewerker of het lid zijn uitbetaald;

    • d. de vergoeding maximaal € 0,37 per kilometer bedraagt, en

    • e. er een deugdelijke kilometeradministratie is bijgehouden die is geaccordeerd door de projectleider of leidinggevende die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit.

  • 2 Kosten voor auto’s van de zaak of bedrijfsauto’s zijn niet subsidiabel.

  • 3 De reiskostencomponent van het uurloon van medewerkers in dienst van de producentenorganisatie, dochterondernemingen of kleindochterondernemingen die voor meer dan 90% eigendom zijn van de producentenorganisatie is niet subsidiabel.

  • 4 Kosten voor uitgaven van plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer en vliegtickets zijn subsidiabel.

Artikel 91

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Producentenorganisaties kunnen voor uitgaven voor reiskosten en verblijfkosten voor dienstreizen en excursies in binnenland en EU-lidstaten door medewerkers en aangesloten leden forfaitaire vergoedingen verstrekken binnen de maxima van de Reisregeling Binnenland.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde uitgaven worden, met uitzondering van de vergoeding toegekend voor dagkosten, bij indiening van de steunaanvraag onderbouwd aan de hand van:

    • a. facturen;

    • b. vervoersbewijzen, en

    • c. een deugdelijke kilometeradministratie.

Artikel 92

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor overige kosten op het gebied van ICT zijn subsidiabel voor zover deze ICT voorzieningen ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten.

  • 2 De producentenorganisatie overlegt aan de minister bij indiening van het operationeel programma een onderbouwing van de subsidiabele kosten voor overige kosten op het terrein van ICT aan de hand van offertes.

  • 3 De minister kan, in afwijking van het eerste lid, besluiten op grond van de voorgelegde offerte een nader te bepalen percentage subsidiabel te stellen.

  • 4 Jaarlijkse licentiekosten en abonnementen voor software als bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel b, zijn voor maximaal 50% subsidiabel indien het uitgaven voor subsidiabele applicaties en modules betreft.

  • 5 Onderhoudsabonnementen zijn niet subsidiabel.

Artikel 92a

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal voor rassen van eenjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van eenjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen, of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoelt in richtlijn 2000/29.

Titel 3. Subsidiabele maatregelen

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Afdeling 1. Acties die gericht zijn op de productieplanning

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 93

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten en subactiviteiten ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel g, onder i, van verordening 543/2011, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan:

Paragraaf 1. Uitgaven ten behoeve van aankoop van vaste activa en andere vormen van verwerving van vaste activa

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 94

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor koeling van producten zijn subsidiabel, indien het gaat om investeringen in:

    • a. koeling voor lange bewaring en diepvriezen, waaronder meet- en regelapparatuur voor celsturing indien het de eerste aanschaf betreft;

    • b. energiebesparende apparatuur ten behoeve van koeling;

    • c. koelcellen voor koeling van witlofpennen bij de witloftrekker of op de centrale locatie van de producentenorganisatie, indien het geen uitgaven voor investeringen bij de producenten van witlofpennen betreft, of

    • d. koeling van frigoplanten op het bedrijf van het lid van de producentenorganisatie of centrale locatie van de producentenorganisatie, indien het geen uitgaven voor investeringen bij de producenten van witlofpennen betreft.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde uitgaven zijn slechts subsidiabel voor zover het uitgaven voor volledige investeringen betreft.

  • 3 Onder een volledige investering als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een investering in een complete koelinstallatie met toebehoren.

  • 4 In geval van koelhuizen en koelcellen wordt worden de ruimte en de bijbehorende koelinstallatie met toebehoren als twee afzonderlijke investeringen beschouwd.

Artikel 95

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor de aankoop van bomen en meerjarige planten zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

    • a. de aanschaf van bomen en meerjarige planten, of

    • b. de aanschaf van kruisbestuivers die nodig zijn voor de aanplant van nieuw in het operationeel programma op te nemen bomen en meerjarige planten.

  • 2 In afwijking van artikel 57, eerste lid, verzekert de producentenorganisatie dat de opbrengst van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde plant door de producent aan de producentenorganisatie geleverd wordt gedurende:

    • a. minimaal vijf jaar, wanneer de plant vijf jaar of meer vruchten levert, of

    • b. de termijn waarin deze plant vruchten levert, wanneer de plant minder dan vijf jaar vruchten levert.

  • 3 Uitgaven voor de aankoop van meerjarige planten, bedoeld in het eerste lid, zijn evenwel slechts subsidiabel indien:

    • a. gedurende meerdere jaren van deze planten geoogst wordt, en

    • b. het gaat om de uitgaven voor de initiële aanplant.

Artikel 96

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De uitgaven, bedoeld in artikel 95, eerste lid, zijn slechts subsidiabel indien zij niet omvatten:

  • a. koelkosten, en

  • b. kosten van het chemisch ontsmetten.

Artikel 97

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

De producentenorganisatie geeft uiterlijk bij de indiening van de steunaanvraag, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld model, per producent voor het plantgoed, bedoeld in artikel 95, eerste lid, aan:

  • a. wat de gewassen en rassen van het aangeschafte plantgoed zijn;

  • b. op welke locatie(s) het plantgoed is aangeplant, gemarkeerd op een bedrijfskaart;

  • c. hoeveel areaal er is aangeplant, en

  • d. hoeveel planten er per ras zijn aangeplant.

Artikel 98

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor de aankoop van belichtingsinstallaties ten behoeve van het jaarrond produceren van glasgroenten zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om eerste investeringen of volledige vervanging in verband met het bereiken van het einde van de technische of economische levensduur van:

      • een complete installatie;

      • alle lampen en armaturen, of

      • alle lampen;

    • b. de activiteit jaarrond produceren is opgenomen in het jaarplan afzetbevordering van de producentenorganisatie, en

    • c. de producentenorganisatie bij de indiening van de steunaanvraag kan aantonen dat door de investeringen verkoop van het product plaatsvindt in de maanden december, januari en februari.

  • 2 Indien als gevolg van teeltwisseling niet aan het in het eerste lid, onderdeel c, gestelde vereiste kan worden voldaan toont de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van de steunaanvraag aan dat door de investeringen gedurende minimaal twee maanden in de maanden december, januari en februari verkoop van het product plaatsvindt.

  • 3 Uitgaven voor verwijderingsbijdragen zijn niet subsidiabel.

Artikel 99

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de bevordering van concentratie van het aanbod van de producten van de leden van de producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien het gaat om investering in:

  • a. sorteer- en verpakcentra;

  • b. distributiecentra;

  • c. fustopslag, of

  • d. dockboards.

Artikel 100

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor koeling van producten zijn subsidiabel, indien het gaat om uitgaven voor het huren van koelcellen.

  • 2 De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, omvatten geen algemene productiekosten zoals in- en uitslagkosten of energiekosten.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde uitgaven zijn subsidiabel in het jaar waarin zij aan de producentenorganisatie gefactureerd zijn.

  • 4 Ter uitvoering van artikel 60, eerste lid, van verordening 543/2011 overlegt de producentenorganisatie jaarlijks bij het indienen van de steunaanvraag aan de minister een bewijs van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, bestaande uit:

    • a. een huurcontract; en

    • b. een registratie van de in- en uitslag.

Artikel 101

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor belichtingsinstallaties ten behoeve van het jaarrond produceren van glasgroenten zijn subsidiabel, indien het gaat om:

    • a. de aansluiting van een extern trafostation van het energiebedrijf, of

    • b. de verzwaring van de netkoppeling op de warmte-krachtkoppelingsinstallatie.

Artikel 101a

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Investeringen van de producentenorganisatie voor het ontwikkelen en verbeteren van systemen voor aanvoerprognoses en areaalenquêtes zijn subsidiabel.

Paragraaf 2. Uitgaven ten behoeve van andere acties

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 102

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor het ontwikkelen en verbeteren van systemen voor aanvoerprognose en areaalenquêtes zijn subsidiabel.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor jaarlijkse licenties voor aanvoermodules zijn, in afwijking van artikel 34, derde lid, van verordening 1308/2013 voor maximaal 50% subsidiabel.

Artikel 103

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen welke bij aanvang van het project nog niet op een bepaalde markt geïntroduceerd zijn, zijn subsidiabel voor een periode van maximaal twee operationele programma’s, indien de producentenorganisatie aan de minister:

    • a. door middel van contracten of andere schriftelijke bescheiden aantoont dat gedurende de looptijd van het project het betreffende ras slechts op een vooraf vastgestelde hoeveelheid areaal wordt geproduceerd;

    • b. aantoont dat het een marketing plan heeft ontwikkeld waarmee de producentenorganisatie zich in de markt met het betreffende ras voornemens is te onderscheiden;

    • c. inzage geeft in de daadwerkelijke betaalde prijzen voor het zaad of plantgoed, en

    • d. licentiecontract(en) en het marketingplan vooraf ter goedkeuring voorlegt.

  • 2 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister ten aanzien van de planten welke met behulp van de zaden en plantgoed, bedoeld in het eerste lid, zijn geteeld een overzicht, met gebruikmaking van een model vastgesteld door de minister, van:

    • het gewas en de geteelde rassen;

    • de locatie(s) waarop de planten geteeld zijn gemarkeerd op een bedrijfskaart;

    • het geteelde areaal, en

    • het aantal planten per ras.

  • 3 Uitgaven van de producentenorganisatie voor een volledige overname van een licentie zijn niet subsidiabel.

Artikel 104

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Uitgaven van de producentenorganisatie voor koeling ten behoeve van lange bewaring zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

  • a. personeel ten behoeve van koeling;

  • b. personeel en externe diensten ten behoeve van de uitbreiding en verbetering van koelfaciliteiten die subsidiabel zijn op grond van artikel 94, eerste lid, en titel 3 van dit hoofdstuk, of

  • c. personeel en externe diensten voor ICT werkzaamheden ten behoeve van koelfaciliteiten die subsidiabel zijn op grond van artikel 94, eerste lid, en titel 3 van dit hoofdstuk.

Artikel 105

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeel en externe diensten ten behoeve van verbeteren van het jaarrond afzetten van productie of langlopende afzetgaranties zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. activiteiten bij of met leden om het aanbod op het marketingplan van de producentenorganisatie af te stemmen, of

    • b. relatiebeheer in het kader van het onderhouden van klantcontacten.

  • 2 De producentenorganisatie toont aan de minister bij de indiening van de jaarlijkse steunaanvraag op basis van administratieve stukken aan dat de activiteiten in het kader van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgevoerd.

Artikel 106

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor personeel en externe diensten voor nieuwbouw en verbouw van sorteercentra en verpakcentra, distributiecentra, en koelhuizen ten behoeve van verbeteren van concentratie van het aanbod zijn subsidiabel indien het gaat om de kosten van:

    • a. bouwkundig advies;

    • b. bouwbegeleiding;

    • c. projectmanagement, of

    • d. onafhankelijk toezicht op uitvoering van een project.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd in het investeringsbedrag zijn niet subsidiabel.

Afdeling 2. Acties die gericht zijn op verbetering of behoud van de productkwaliteit

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 107

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten en subactiviteiten ter uitvoering van de maatregel, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel g, onder ii, van verordening 543/2011, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan:

Paragraaf 1. Uitgaven ten behoeve van aankoop van vaste activa en andere vormen van verwerving van vaste activa

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Artikel 108

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor kwaliteitsbehoud en optimalisering van producten zijn slechts subsidiabel indien het gaat om investeringen in:

    • a. overkappingen van aardbeien, frambozen, bramen, bessen of kersen;

    • b. hagelnetten, of

    • c. hagelkanonnen, indien hiervoor de benodigde vergunningen zijn verleend.

  • 2 De overkappingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn regenkappen zonder zijflap met semipermanente beugels, steunmateriaal en plastic van eenvoudige constructie.

  • 3 De overkappingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn per investering subsidiabel tot een maximum van € 7,50 per m2 van de teeltoppervlakte.

  • 4 In afwijking van het derde lid kan door de minister in geval van investeringen in overkappingen van kersen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, een hoger subsidiabel bedrag worden vastgesteld tot een maximum van € 40 per m2, indien door de producentenorganisatie voldoende onderbouwd is dat sprake is van een zwaardere constructie ten opzichte van de eenvoudige constructie.

Artikel 109

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie in investeringen ten behoeve van optimalisatie van de productkwaliteit zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om één volledige investering in fertigatie in het kader van precisiebemestingtechnieken die bestemd is voor besparing en het gereguleerd doseren van water en meststoffen aan gewassen in vollegrondsfruitteelt;

    • b. de besparing op het meststoffenverbruik door de producentenorganisatie is aangetoond, en

    • c. de investering niet leidt tot een hoger watergebruik.

  • 2 Onder investeringen in fertigatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a. een waterafgiftesysteem op het perceel, waaronder de waterpomp, verdeelleidingen en druppelleidingen die niet uitsluitend worden gebruikt voor het geven van water;

    • b. een regeleenheid;

    • c. vochtmeetapparatuur;

    • d. apparatuur voor het bepalen van het mineralengehalte en pH, of

    • e. voorzieningen voor dosering en menging van meststoffen.

  • 3 Druppelleidingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn uitsluitend subsidiabel bij initiële investeringen.

  • 4 Investeringen in een waterafgiftesysteem als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zijn niet subsidiabel indien het investeringen betreft in:

    • a. fertigatie in teeltsystemen los van de grond;

    • b. aanleg van een waterbron, of

    • c. afvoerleidingen naar het te fertigeren perceel.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma aan de minister, met gebruik van een door de minister vastgesteld formulier, per lid een projectplan met projectbegroting, voorzien van bijbehorende offertes.

Artikel 110

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de steunaanvraag aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld formulier, voor de investering, bedoeld in artikel 109, een opgave van de gerealiseerde besparing op het meststoffenverbruik en waterverbruik.

  • 2 De berekening van de gerealiseerde besparing op het meststoffenverbruik, gemeten in kg, als gevolg van de investering als bedoeld in artikel 109, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het mineralenverbruik, volgens de mineralenregistratie, van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het mineralenverbruik, volgens de mineralenregistratie, gedurende het jaar:

      • i. van ingebruikname van de investering, of

      • ii. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

  • 3 Het vaststellen van veranderingen in het waterverbruik en meststoffenverbruik, gemeten in m3, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 109, eerste lid, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik en meststoffenverbruik van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik en meststoffenverbruik gedurende het jaar:

      • i. ingebruikname van de investering, of

      • ii. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Artikel 111

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie in de kwaliteit van water om de substraatteelt bij de bron te verbeteren en de emissie van vervuild recirculatiewater te voorkomen zijn subsidiabel indien:

    • a. de verbetering van de waterkwaliteit door de producentenorganisatie is aangetoond, en

    • b. de investeringen niet leiden tot een hoger waterverbruik.

  • 2 De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, zijn in elk geval investeringen in:

    • a. omgekeerde osmose voor ontzouting van water bij de bron ten behoeve van recirculatie in de substraatteelt;

    • b. actief beluchten van water door middel van een beluchtings- en ontgassingstoren ter voorkoming van zuurstofloos water en ontstaan van slijmvormende biomassa, of

    • c. afdekzeilen van bassins en silo’s voor wateropslag ter voorkoming van algengroei.

Artikel 112

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie overlegt aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld formulier, voor de investeringen, bedoeld in artikel 111, uiterlijk bij de indiening van het operationeel programma per lid een projectplan met projectbegroting voorzien van bijbehorende offertes.

  • 2 Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, bevat:

    • a. een omschrijving van de verwachte verbetering van de waterkwaliteit per systeem, en

    • b. een technische specificatie van de leverancier van het systeem of een erkende deskundige ten behoeve van de beoordeling van de te bereiken waterbesparing.

Artikel 113

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 De producentenorganisatie overlegt aan de minister, met gebruikmaking van een door de minister vastgesteld formulier, voor de investeringen, bedoeld in artikel 111, uiterlijk bij de indiening van de steunaanvraag per investering een opgave van:

    • a. de verbetering van de waterkwaliteit, en

    • b. de gerealiseerde waterbesparing.

  • 2 De opgave, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats aan de hand van berekeningen en metingen op basis van een vergelijking tussen het moment voor de ingebruikname van de investering en het moment één jaar na ingebruikname van de investering.

  • 3 In geval van omgekeerde osmose als bedoeld in artikel 111, tweede lid, onderdeel a, overlegt de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van de steunaanvraag een opgave van de reductie van natrium en chloor in mmol/l of mg/l, op basis van een vergelijking tussen metingen uitgevoerd voor ingebruikname van de investering en één jaar na ingebruikname van de investering.

  • 4 In geval van afdekzeilen als bedoeld in artikel 111, tweede lid, onderdeel c, overlegt de producentenorganisatie aan de minister bij de indiening van de steunaanvraag een opgave van de reductie van algengroei op basis van een vergelijking tussen metingen uitgevoerd voor ingebruikname van de investering en direct na inbedrijfstelling van de investering.

  • 5 De vergelijking, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats op basis van metingen van O2 verzadiging, welke minimaal 80% is, en de troebelheid, welke lager of gelijk is aan 1 Nephelometric Turbidity Unit, genomen in de periode van juni tot en met september bij een watertemperatuur van tenminste 15 °C.

  • 6 Het vaststellen van veranderingen in het waterverbruik, gemeten in m³, als gevolg van een investering als bedoeld in artikel 111, eerste lid, vindt plaats op basis van een vergelijking tussen:

    • a. het waterverbruik van het jaar voorafgaand aan het jaar van inbedrijfstelling van de investering, en

    • b. het waterverbruik gedurende het jaar:

      • i. ingebruikname van de investering, of

      • ii. volgend op het jaar van ingebruikname, in geval van inbedrijfstelling tijdens het teeltseizoen.

Artikel 114

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen ten behoeve van het behoud of de verbetering van productkwaliteit zijn subsidiabel indien het gaat om investeringen in:

  • a. sorteercentra,

  • b. verpakcentra,

  • c. distributiecentra,

  • d. verwerkingscentra, of

  • e. dockboards.

Artikel 115

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van investeringen gericht op verbetering of behoud van de productkwaliteit zijn subsidiabel indien het gaat om koeling en conditionering van producten voor korte bewaring.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde uitgaven zijn slechts subsidiabel voor zover het uitgaven voor volledige investeringen betreft.

  • 3 Onder uitgaven als bedoeld in het eerste lid, vallen onder meer de investeringen in:

    • a. koelcellen en koelhuizen;

    • b. koelinstallaties;

    • c. klimatisering of conditionering van sorteer- en expeditieruimten bestemd voor koude keten met inbegrip van conditioneringswanden en luchtgordijnen;

    • d. highspeed koeling;

    • e. ijskoeling;

    • f. hydrokoeling;

    • g. vacuümkoeling;

    • h. evacueerinstallaties ten behoeve van champignons;

    • i. energiebesparende installaties ten behoeve van koeling van producten, of

    • j. droogcellen.

  • 4 De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, omvatten mede investeringen in de eerste aanschaf van meet- en regelapparatuur voor sturing.

  • 5 Onder een volledige investering als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een investering in een complete installatie gericht op verbetering of behoud van de productkwaliteit als bedoeld in het eerste lid.

  • 6 In geval van koelhuizen en koelcellen worden een cel en koelinstallatie met toebehoren als twee afzonderlijke investeringen beschouwd.

  • 7 Energiebesparende installaties ten behoeve van koeling wordt als een afzonderlijke investering beschouwd.

Artikel 116

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

Uitgaven van de producentenorganisatie in droogsystemen voor aanzuiging van buitenlucht op basis van een zuigwand met centrifugaalventilator ten behoeve van het drogen van knoflook zijn subsidiabel.

Artikel 117

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Ter uitvoering van punt 11, onder b, van bijlage IX van verordening 543/2011 zijn subsidiabel:

    • a. koelinstallaties;

    • b. koelvoorzieningen voor laadruimte of container, of

    • c. meet- en regelapparatuur voor sturing, monitoring en bewaking.

  • 2 Ter uitvoering van punt 11, onder a, van bijlage IX van verordening 543/2011 wordt onder intern vervoer verstaan: collectietransport of interlocatietransport binnen Nederland en binnen een zone van 50 km vanaf de Nederlandse grens.

  • 3 Bij de indiening van de steunaanvraag vermeldt de producentenorganisatie in de detailstaat betalingen en afschrijvingen het kentekennummer van de vrachtauto, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Indien vrachtauto’s worden gehuurd, omvat de huur geen algemene productiekosten.

Artikel 118

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor investeringen in sorteer- en verpakkingslijnen in het kader van behoud en optimalisering van producten zijn subsidiabel indien het onder meer gaat om investeringen in:

    • a. sorteer- en verpakkingsapparatuur;

    • b. weegunits of weegbruggen bestemd voor in- en uitgaand product;

    • c. ontstapelaars;

    • d. opvoerbanden;

    • e. ontnesters;

    • f. ombindmachines;

    • g. snij- en wasapparatuur met uitzondering van oogstmachines voor champignons;

    • h. sorteerdermachines van witlofpennen met uitzondering van vulstations;

    • i. verenkelingsrekken bestemd voor witlof;

    • j. kantelsystemen, of

    • k. waterdumpers.

  • 2 Uitgaven als bedoeld in het eerste lid voor vervanging van onderdelen zijn niet subsidiabel.

Artikel 119

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien het gaat om het huren van:

    • a. koelcellen bestemd voor korte bewaring;

    • b. droogcellen, of

    • c. machines als bedoeld in artikel 118.

  • 2 De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, omvatten niet algemene productiekosten.

  • 3 Algemene productiekosten, bedoeld in het tweede lid, zijn in elk geval:

    • a. in- en uitslagkosten, of

    • b. energiekosten.

  • 4 In het geval de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op twee uitvoeringsjaren van het operationeel programma, zijn deze uitgaven, in afwijking van artikel 46a, eerste lid, subsidiabel in het jaar waarin zij aan de producentenorganisatie zijn gefactureerd.

  • 5 Ter uitvoering van artikel 60, eerste lid, van verordening 543/2011 overlegt de producentenorganisatie aan de minister jaarlijks bij de indiening van de steunaanvraag voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid:

    • a. een huurcontract, en

    • b. een registratie van de in- en uitslagkosten, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, voor de in het eerste lid, aanhef en onderdeel a en b genoemde uitgaven.

Artikel 120

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie in vollegrondsteelt zijn subsidiabel indien:

    • a. het gaat om investeringen in gecombineerde oogst- sorteer- en verpakkingssystemen, waaronder apparatuur bestemd voor het reinigen, sorteren, wegen of verpakken van de in de grond geteelde gewassen, en

    • b. de investeringen gebruikt worden in het veld direct na de oogstfase.

  • 2 In geval van een geïntegreerd systeem met een oogstmachine zijn de meerkosten van de toegevoegde functies ten opzichte van een vergelijkbare oogstmachine zonder extra functies als uitgaven, bedoeld in het eerste lid, subsidiabel.

  • 3 Indien de in het eerste lid bedoelde uitgaven een mobiel pakstation betreffen, zijn maximaal twee in het pakstation geïntegreerde wagens subsidiabel.

  • 4 Investeringen in aparte oogstsystemen en tractoren zijn niet subsidiabel.

Artikel 121

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor de champignonteelt zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. hydraulische plukliften, indien mede sorteer- of verpakkingsactiviteiten in de eindverpakking plaatsvinden;

    • b. pluklorries en plukkarren:

      • indien mede sorteer- of verpakkingsactiviteiten in de eindverpakking plaatsvinden;

      • in combinatie met een geïntegreerde weegunit, en

      • indien de combinatie gelijktijdig is aangeschaft.

  • 2 Uitgaven voor het vervangen van onderdelen van hydraulische plukliften als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en pluklorries als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zijn niet subsidiabel.

Artikel 123

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor aanvoersystemen die met de sorteerinstallaties of verpakkingsinstallatie zijn geïntegreerd zijn subsidiabel indien het gaat om onder meer:

    • a. kettingbaansystemen;

    • b. inductiedraad met elektrokarren of zelfrijdende wagens, waaronder oplaadpunten en batterijen;

    • c. beweegbare bodems ter beperking van de valhoogte in paprikacontainers, of

    • d. oogsttransportwagens.

  • 2 De aanvoersystemen, bedoeld in het eerste lid, zijn geïntegreerd indien de containers, bakken, dozen of kisten met te sorteren of te verpakken producten worden opgenomen van de wagens in de sorteer- of verpakkingsinstallatie via een kantel, afschuif- of hefsysteem en een aaneengesloten keten vormen.

  • 3 Buisrailwagens die uitsluitend gebruikt worden om te oogsten zijn niet subsidiabel.

  • 4 Boordcomputers als onderdeel van de oogsttransportwagens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn, in afwijking van artikel 34, derde lid, van verordening 1308/2013, voor maximaal 50% subsidiabel.

  • 5 Hydraulische scharen als onderdeel van de oogsttransportwagens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn niet subsidiabel.

Artikel 124

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor de fruitteelt zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. pluk-o-trak of vergelijkbare systemen, of

    • b. oogstkarren met een geïntegreerde weegunit bestemd voor het sorteren en afwegen in de eindverpakking voor zover de combinatie gelijktijdig is aangeschaft.

  • 2 Uitgaven voor oogstkarren met een geïntegreerde weegunit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestemd voor champignons en glasgroenten zijn eveneens subsidiabel.

Artikel 125

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie in voorzieningen voor vogel- en wildafweer in vollegrondsteelt, waaronder een wildnet, zijn uitsluitend subsidiabel voor zover de wilddruk door de producentenorganisatie aannemelijk is gemaakt.

  • 2 Onder de in het eerste lid bedoelde uitgaven zijn geweven kunststof doeken, in afwijking van artikel 34, eerste lid, van verordening 1308/2013, voor 50% van de investering subsidiabel.

  • 3 Een vliesdoek voor wildbescherming is niet subsidiabel.

Artikel 126

[Regeling vervallen per 15-07-2017]

  • 1 Uitgaven van de producentenorganisatie voor gebouwen en aanpassingen van gebouwen in het kader van voedselveiligheid zijn subsidiabel, indien het de eerste aanschaf betreft.

  • 2 Onder uitgaven als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan investeringen in:

    • a. bouwkundige voorzieningen in geval van sorteer- en pakstations;