Circulaire Bekwaamheid Buitengewoon Opsporingsambtenaar

[Regeling vervallen per 01-07-2015.]
Geraadpleegd op 25-07-2024.
Geldend van 01-01-2014 t/m 30-06-2015

Circulaire Bekwaamheid Buitengewoon Opsporingsambtenaar

1. Inleiding

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

In de strafrechtelijke handhaving van de lokale veiligheid, leefbaarheid en de naleving van (specialistische) regels is in toenemende mate een belangrijke rol weggelegd voor boa’s. Het doel van het boa-beleid is dan ook om de kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa’s te verbeteren zodat boa’s deze belangrijke rol ook op een kwalitatief goede wijze invulling kunnen geven. Een belangrijk instrument om de kwaliteit te verbeteren is het stellen van (aanvullende) bekwaamheidseisen. De opleiding en examinering dient daarop te worden afgestemd. Het besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar art. 16 geeft daarvoor de handvatten.

Met ingang van 1 oktober 2012 zijn aanvullende eisen gesteld aan de basisbekwaamheid van boa’s en is een systeem van permanente her- en bijscholing voor boa’s in domein I ingevoerd. Tevens is per genoemde datum de regie op de uitvoering van de examinering op basisniveau en van de permanente her- en bijscholing in domein I neergelegd bij de Stichting Exameninstelling Toezicht en Handhaving. In verband met deze wijzigingen was het beleid op dit terrein zoals verwoord in de hoofdstukken 2 en 4 en bijlage B uit de circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar (kenmerk 5679441/10 d.d. 10 januari 2011) per 1 oktober 2012 niet meer actueel. Dit beleid is per genoemde datum ingetrokken. Ook de circulaire Eindtermen (kenmerk 5673432/10 d.d. 1 november 2010) is komen te vervallen. De eindtermen maken sinds 1 oktober 2012 onderdeel uit van deze circulaire bekwaamheid. In navolging van de bovengenoemde wijzigingen, zullen er per 1 januari 2013 ook aanvullende bekwaamheidseisen met een systeem van permanente her- en bijscholing gaan gelden voor het domein Onderwijs. De aanvullende bekwaamheidseisen voor domein III zijn eerder dan verwacht gereed voor publicatie. Derhalve wordt de circulaire bekwaamheid Buitengewoon Opsporingsambtenaren van oktober 2012 (kenmerk 306822, d.d. 1 oktober 2012) ingetrokken. Onderhavige circulaire geeft het beleid weer met betrekking tot de bekwaamheidseisen die per 1 oktober 2012 zijn ingevoerd en de wijzigingen in de bekwaamheidseisen voor het domein Onderwijs zoals dat per 1 januari 2013 geldt. Ten opzichte van de circulaire van oktober 2012 wordt de systematiek van de permanente her- en bijscholing voor het domein Onderwijs verder uitgewerkt in paragraaf 3.3 en zijn de eindtermen en gedragscomponenten toegevoegd aan deze circulaire als Bijlage B-IV. De eerdere bijlagen B-IV, B-V en B-VI zijn doorgenummerd.

De circulaire is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt de eis van bekwaamheid voor de boa nader uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een toelichting op de wijze waarop het kwaliteitsstreven binnen de verschillende domeinen wordt opgepakt.

2. De bekwaamheid van de Buitengewoon Opsporingsambtenaar

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

Artikel 2 van het BBO geeft aan dat een boa slechts bevoegd kan zijn als hij bekwaam is. Artikel 16, eerste lid, van het BBO stelt dat iemand beschikt over bekwaamheid als hij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. Het tweede lid stelt dat ten aanzien van categorieën boa’s aanvullende bekwaamheidseisen kunnen worden gesteld in de vorm van een verzwaard examen of een opleidingsprogramma.

Basisbekwaamheid

Het is noodzakelijk dat de boa beschikt over algemene kennis van het recht en in het bijzonder van het formele en materiële strafrecht. Daarnaast moet ook de vaardigheid met gespreks- en benaderingstechnieken, het opmaken van een proces-verbaal en een aantal basis-competenties niet ontbreken. Hierom blijft de basisbekwaamheidseis gehandhaafd en wordt deze vanaf 1 oktober 2012 aangevuld met gespreks- en benaderingstechnieken. Deze worden praktijkgericht geëxamineerd. Het digitale proces-verbaal als verplicht examenonderdeel komt te vervallen. Dit alles met een overgangstermijn van 6 maanden na 1 oktober 2012. De examinering van het basisexamen vindt onder auspiciën van de Stichting Exameninstelling Toezicht en Handhaving (ExTH) plaats.

Indien men slaagt voor het algemene basisexamen buitengewoon opsporingsambtenaar ontvangt men een ‘getuigschrift boa’, ondertekend door de voorzitter van de Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar namens de Minister van Veiligheid en Justitie. De eisen voor de basis-bekwaamheid zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen. De (beoogd) boa wordt op een aantal kennis en vaardigheidselementen getoetst om te bezien of hij over deze basiskennis en basisvaardigheden beschikt. De vastgestelde taken en verantwoordelijkheden waarop de eindtermen zijn gebaseerd zijn te vinden in bijlage B-I van deze circulaire.1 Het basisexamen moet in beginsel elke vijf jaar met goed gevolg worden afgelegd. Het examen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van de door de Stichting ExTH ingestelde Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar op basis van het door de stichting ExTH opgestelde examenreglement. Dit reglement wordt gepubliceerd op www.exth.nl.

Het getuigschrift boa is vijf jaar geldig. Indien men binnen één jaar na het behalen van het getuigschrift een titel van opsporingsbevoegdheid aanvraagt, dan geldt de benoemingsperiode van vijf jaar vanaf de datum die op de akte van beëdiging staat vermeld. Vraagt men later dan één jaar na het behalen van het getuigschrift als boa een titel van opsporingsbevoegdheid aan, dan geldt echter een maximale benoemingsperiode tot vijf jaar na de datum die op het getuigschrift staat vermeld.

Bij overgang van de boa naar een nieuwe werkgever blijft het getuigschrift zijn geldigheid behouden, tot maximaal vijf jaar na de datum die op het getuigschrift staat vermeld. Daarna moet de boa, voor de verlenging van de akte van beëdiging, opnieuw het getuigschrift behaald hebben dan wel voldoen aan de ontheffingsgronden. Indien een boa bij een overgang van werkgever ook overgaat naar een nieuw domein, dan dient de boa te voldoen aan de specifieke opleidingseisen van dit domein. Dit kan betekenen dat in aanvulling op of ter vervanging van de basisbekwaamheidseis, de boa aan eventuele aanvullende bekwaamheidseisen voor dat betreffende domein moeten voldoen.

Aanvullende bekwaamheidseisen

Alle boa’s dienen te voldoen aan de basisbekwaamheidseis zoals in de vorige paragraaf omschreven. Het kan evenwel wenselijk zijn dat bepaalde categorieën van boa’s voldoen aan aanvullende bekwaamheidseisen in verband met de complexiteit van de opsporing. Hierbij kan worden gedacht aan boa’s die werk uitvoeren dat specialistische kennis vereist of plaatsvindt in een relatief ingewikkelde handhavingsomgeving. Daarbij wordt de rol van de boa in de strafrechtelijke handhaving steeds groter en daarmee ook de wens om te komen tot een uniforme kwaliteit van de handhaving door de boa’s. In artikel 16, tweede lid van het BBO is de mogelijkheid gecreëerd om aanvullende bekwaamheidseisen te stellen, zoals de eis dat een verzwaard boa-examen dient te worden afgelegd, dan wel de eis dat een opleidingsprogramma moet worden doorlopen. Bij het opleidingsprogramma is het mogelijk dat na het behalen van de basis-bekwaamheidseis een boa beëdigd kan worden, zodat de boa gedurende het aanvullend opleidingsprogramma reeds gebruik kan maken van opsporingsbevoegdheden. Op die manier wordt duaal leren mogelijk. Indien niet (tijdig) wordt voldaan aan de aanvullende opleidingseisen, is er niet voldaan aan de bekwaamheidseis en zal de opsporingsbevoegdheid worden ingetrokken. De Minister van Veiligheid en Justitie bepaalt in welke gevallen een verzwaard examen dan wel een aanvullend opleidingsprogramma nodig is voor het verkrijgen van opsporingsbevoegdheden. Per domein is aangegeven of, en zo ja, welke aanvullende opleidingseisen gesteld zijn.2 De keuze om te komen tot aanvullende opleidingseisen en de invulling hiervan komt tot stand in nauw overleg met betrokken boa-werkgevers, direct toezichthouders en toezichthouders. Of wordt voldaan aan de aanvullende bekwaamheidseisen wordt bepaald door de examencommissie. Een opleidingscommissie waarin toezichthouders, direct toezichthouders en werkgevers zijn afgevaardigd kan in het leven worden geroepen om namens de toezichthouder toe te zien op de inhoud en kwaliteit van een aanvullende opleiding.

Samengevat dient bij een aanvraag voor een titel van opsporingsbevoegdheid, dan wel een verlenging of wijziging hiervan, afhankelijk van welke bekwaamheidseisen gelden voor het betreffende domein, altijd het behaalde

  • getuigschrift boa,

  • diploma, certificaat van een verzwaard boa-examen gericht op een domein,

  • certificaat, diploma van een aanvullend opleidingstraject te worden overgelegd.

Stage

Nu onder andere de mogelijkheid gecreëerd wordt om een volledig MBO-diploma te behalen met de opleiding Handhaver Toezicht en Veiligheid aan verschillende Regionale Opleidingscentra (ROC’s), wordt ook de invoering van de mogelijkheid om stage te lopen als boa noodzakelijk. Immers voor het behalen van het diploma is het met goed gevolg afleggen van één of meerdere stages een verplicht onderdeel. De mogelijkheid om als boa stage te lopen geldt voor alle domeinen en kan ook in het kader van een re-integratie traject.

Het lopen van een stage met de status van Buitengewoon Opsporingsambtenaar is aan onderstaande randvoorwaarden gebonden:

  • De persoon in kwestie is meerderjarig;

  • Bij de aanvraag dient een (stage) overeenkomst te worden overlegd waaruit de arbeidsrelatie ten behoeve van de stage tussen de persoon en de ‘werkgever’ blijkt;

  • De stagiair dient te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het domein of kunnen aantonen in het kader hiervan de stage te lopen;

  • De stagiair dient te voldoen aan de betrouwbaarheidseis;

  • De duur van stage dient minimaal 3 maanden te bedragen.

  • De stagiair mag niet ter aanvulling van de reguliere boa capaciteit gebruikt worden.

  • De ‘werkgever’ dient afspraken te maken met de dienst Justis over de inname van de akte en legitimatiebewijzen na afloop van de stage.

  • De ‘werkgever’ dient afspraken te maken met de Politie en het OM over de inzet van en het toezicht op de stagiair.

  • Indien het een stage in het kader van de MBO opleiding Handhaver Toezicht en Veiligheid gaat, dient de ‘werkgever’ door ECABO als leerbedrijf erkend te zijn.

Bij de aanvraag van een titel van opsporingsbevoegdheid dient dan ook – indien het geen van bovenstaande uitzonderingen betreft – een akte van aanstelling worden overlegd om aan te tonen dat de betreffende persoon in dienst is bij een overheidsinstelling

Ontheffing van de bekwaamheidseis

Uitgangspunt is dat zowel bij een eerste aanvraag als bij een aanvraag tot verlenging van benoeming als boa aan de bekwaamheidseis moet worden voldaan. Ingevolge artikel 16, derde lid, van het BBO kan van de bekwaamheidseis ontheffing worden verleend, indien de bekwaamheid voor het uitoefenen van de opsporingsbevoegdheid op andere wijze blijkt. Voor alle ontheffingen geldt, dat boa’s hier niet automatisch ‘recht’ op hebben. De werkgever dient de ontheffing te allen tijde te ondersteunen en aan te vragen.

De ontheffingsgronden staan beschreven in bijlage B-VI van deze circulaire. Eventuele specifieke ontheffingsgronden voor aanvullende opleidingen staan beschreven in de betreffende domeinen.

Bekwaamheideisen politiebevoegdheden en geweldsmiddelen

Tijdens het uitoefenen van zijn opsporingsbevoegdheden is de boa gehouden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering en het BBO. Indien hem politiebevoegdheden dan wel geweldsmiddelen zijn toegekend, dient hij zich tevens te gedragen overeenkomstig de regels van de Politiewet 1993, de Wet wapens en munitie alsmede de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Ambtsinstructie). In artikel 4, sub b, van de Ambtsinstructie wordt bepaald dat het gebruik van een geweldsmiddel slechts is toegestaan door een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend. Voorts wordt in artikel 5 van de Regeling wapens en munitie bepaald dat de boa slechts met een wapen kan worden uitgerust indien de noodzaak van het dragen van dat wapen aannemelijk wordt gemaakt en de bekwaamheid van de boa met het wapen is aangetoond. Daarbij moet de boa die één of meer politiebevoegdheden heeft ofwel politiebevoegdheden en één of meer geweldsmiddelen, voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten (RTGB). In de RTGB worden regels gesteld inzake de toetsing van boa’s met betrekking tot geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de schietvaardigheid.3

Overgangstermijnen

De eisen voor de bekwaamheid zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen. Wijzigingen ten aanzien van de regelgeving, de eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen kunnen worden opgenomen in de examens vanaf 6 maanden na de inwerkingtreding van de betreffende bepalingen of, indien bekendmaking voor inwerkingtreding plaatsvindt, minimaal 6 maanden na bekendmaking van de betreffende bepalingen. De eindtermen behoeven daarvoor niet te worden gewijzigd.

Veilige Publieke Taak

Geweld en agressie tegen boa’s wordt niet getolereerd. In de praktijk betekent dit dat boa’s effectief moeten kunnen optreden als zij worden geconfronteerd met agressie en geweld tijdens de uitoefening van hun publieke taak. Hierom kan elke boa optioneel beschikken over extra strafrechtartikelen, politiebevoegdheden en handboeien. Nu de module gespreks- en benaderingstechniek is toegevoegd aan de basisbekwaamheidseisen, is het volgen van een aparte cursus of module in gespreks- en benaderingstechnieken geen apart vereiste meer voor het verkrijgen van de extra strafrechtartikelen maar dient voldaan te zijn aan de nieuwe basisbekwaamheidseisen.

De strafrechtartikelen 177, 179, 180, 181, 182, 284, 285, 300 juncto artikel 304 onder ten tweede, geeft boa’s de mogelijkheid om een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen op te maken van het hun overkomen geweld op grond waarvan verdachten van dit geweld kunnen worden veroordeeld.4 Het is – in verband met de onafhankelijkheid van het onderzoek – uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een boa het onderzoek in de onderhavige zaak gaat doen. Dit blijft een verantwoordelijkheid van de politie. De rol van slachtoffer en die van onderzoeker moeten gescheiden blijven. Het proces-verbaal van bevindingen zal in de praktijk altijd gepaard moeten gaan met het doen van aangifte bij de politie van het geweld. Volledig proces-verbaal mogen boa’s opmaken voor onderzoeken in het kader van artikelen 184, 184a, 185, 266/267, 435, onder ten vierde en artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.

2.1. Basiskennis – en vaardigheden van de Buitengewoon Opsporingsambtenaar

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De boa dient de hem toegekende bevoegdheden binnen het opsporingsonderzoek juist toe te passen. Kennis van zijn strafvorderlijke bevoegdheden, de grondrechten waarop deze regelmatig een inbreuk maken en de algemene bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht is daartoe noodzakelijk. Enkele begrippen uit het privaatrecht zijn binnen het kader van het toepassen van opsporingsbevoegdheden eveneens van betekenis. Hetzelfde geldt voor een aantal wettelijke regels die de boa dan wel zijn handelen beschermen.

Van de boa wordt verlangd dat hij opgespoorde strafbare feiten kan afhandelen middels het opmaken van een proces-verbaal dat kan leiden tot vervolging en behandeling ter terechtzitting. Kennis van de wettelijke eisen die aan het proces-verbaal worden gesteld, is onontbeerlijk. In dit verband dient een boa een verdachte adequaat te kunnen informeren over de mogelijke gevolgen van een proces-verbaal. Dit vergt voldoende vaardigheid in gespreks- en benaderingstechnieken en vereist enige kennis van de taken en de organisatie van de rechterlijke macht.

De boa dient te functioneren binnen de voor zijn opsporingstaak vastgestelde wettelijke kaders. Dit vereist deskundigheid betreffende de organisatie van het opsporingsapparaat en meer in het bijzonder betreffende de eigen positie daarbinnen.

De boa moet handelen overeenkomstig de door hem afgelegde eed of belofte, en zich bewust te zijn van zijn publieke taak, onder meer door het proces-verbaal volledig en naar waarheid in te vullen.

De wettelijk voorgeschreven samenwerking met de politie verlangt enige kennis van de taken en de organisatie van de politie.

De boa dient zich bewust te zijn van het type rechtsregels met de uitvoering en handhaving waarvan hij belast is. Kennis van een aantal begrippen uit het staatsrecht is daartoe vereist.

Voor veel boa’s zal verdieping en verbreding van het hierboven geformuleerde basispakket noodzakelijk zijn om binnen het eigen werkverband adequaat te kunnen functioneren. De Minister van Veiligheid en Justitie kan op grond van het tweede lid van artikel 16 BBO, aanvullende bekwaamheidseisen stellen aan boa’s. De boa-werkgever kan tevens aanvullende eisen van vakbekwaamheid stellen aan de eigen boa’s en hen daarop (doen) examineren.

Uit bovenstaande volgt een aantal taken en verantwoordelijkheden van de boa.

  • I Taken met betrekking tot het functioneren binnen en als onderdeel van de organen van strafrechtspleging

    • 1 De boa handhaaft de voor zijn opsporingstaak relevante wettelijke regels.

    • 2 De boa functioneert binnen het voor zijn opsporingstaak gestelde wettelijk kader.

    • 3 De boa handelt naar de afgelegde ambtseed/ambtsbelofte en de eed van zuivering.

  • II Taken met betrekking tot het opsporen van strafbare feiten

    • 4 De boa verzamelt en/of ontvangt gegevens met betrekking tot mogelijke strafbare feiten tot opsporing waarvan hij bevoegd is.

    • 5 De boa beoordeelt middels het combineren, analyseren en interpreteren van verzamelde en/of ontvangen gegevens of deze informatie strafrechtelijk relevant is.

    • 6 De boa stelt een opsporingsonderzoek in teneinde bewijsmateriaal te verzamelen.

  • III Taken met betrekking tot de afhandeling van opgespoorde strafbare feiten

    • 7 De boa maakt naar aanleiding van het verrichte opsporingsonderzoek of een geconstateerde onregelmatigheid of overtreding een (mini) proces-verbaal op dat kan leiden tot vervolging en behandeling ter terechtzitting.

    • 8 De boa informeert een verdachte tegen wie proces-verbaal is opgemaakt over de mogelijke gevolgen daarvan.

    • 9 De boa doet een opgemaakt proces-verbaal toekomen aan de juiste functionaris.

  • IV Taken met betrekking tot de juiste benadering van de burger

    • 10 De boa draagt bij constateringen van onregelmatigheden en overtredingen zorg voor acceptatie van de opgelegde sanctie.

    • 11 De boa waarborgt eigen veiligheid, veiligheid van de burger en omstanders.

Deze taken en verantwoordelijkheden zijn nader uitwerkt in hoofdstuk 4. Daarin zijn de genoemde hoofdtaken geanalyseerd in taken en deeltaken en zijn kenniselementen toegevoegd. De taken 7, 10 en 11 worden getoetst in het praktijkonderdeel Gespreks- en benaderingstechnieken en zijn beschreven in gedragscomponenten.

2.2. Overige voorwaarden voor het functioneren van de Buitengewoon Opsporingsambtenaar

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De wijze waarop een buitengewoon opsporingsambtenaar binnen de eigen werkorganisatie dient te functioneren alsmede de persoonskenmerken en de beroepshouding waarover hij dient te beschikken, zijn divers. Eén en ander is een verantwoordelijkheid van de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar.

Beschouwd vanuit de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden eist de wettelijke regeling dat een buitengewoon opsporingsambtenaar betrouwbaar is.

Verder is in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bepaald dat de buitengewoon opsporingsambtenaar ervoor zorg draagt dat hij blijft voldoen aan de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.

2.3. Uitwerking taken en verantwoordelijkheden van de Buitengewoon Opsporingsambtenaar

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

In de bijlage B-I zijn de elf genoemde hoofdtaken uitgewerkt in taken, deeltaken en gedragscomponenten. De kolom kenniselementen in het format definieert de bijbehorende leerinhouden als richtlijn voor de keuze van leerstof. Ter precisering is in een aantal gevallen vermeld wat niet tot de leerinhouden behoort.

Van de buitengewoon opsporingsambtenaar wordt verwacht dat hij de strekking van de in de examenstof aangeduide wettelijke regels kan reproduceren. De opgenomen strafrechtelijke en strafvorderlijke bepalingen met een definitorisch karakter dienen meer letterlijk te worden beheerst.

Van buitengewoon opsporingsambtenaren wordt eveneens een elementair inzicht in de leerinhouden verwacht. Dit impliceert dat met name leerinhouden die nauw verbonden zijn met het praktisch handelen in een toepassingsgerichte context kunnen worden bevraagd.

3. Bekwaamheid domeinen

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

Met behulp van de domeinbenadering is het mogelijk landelijk op uniforme wijze te werken aan professionalisering van de boa. Zo moeten de boa’s Openbare ruimte een traject van permanente her- en bijscholing volgen, boa’s Openbaar vervoer een verzwaard boa-examen afleggen en moeten de boa’s Milieu, welzijn en infrastructuur een aanvullend opleidingsprogramma volgen. Op deze wijze kan per domein worden geïnvesteerd in opsporingsvaardigheden en -competenties gericht op de specifieke behoeften binnen een domein.

3.1. Bekwaamheidseis domein I openbare ruimte

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), een aanvullend opleidingsprogramma en – indien de boa Openbare ruimte beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In 2010 werden initiatieven ontwikkeld voor een verdergaande professionalisering van de boa Openbare ruimte. In overleg met boa-werkgevers, de direct toezichthouders, de toezichthouders en andere betrokken partners zijn aanvullende bekwaamheidseisen ontwikkeld die per 1 oktober 2012 verplicht worden gesteld en geëxamineerd onder de auspiciën van Stichting ExTH met inachtneming van de overgangstermijn van 6 maanden.

Per deze datum dienen boa’s Openbare ruimte nog één maal het basisexamen te behalen voor de verlenging van hun akte. Na de eerstkomende verlenging dient een modulair opgebouwd traject van permanente her- en bijscholing te worden doorlopen om de boa-bevoegdheid te kunnen behouden. De boa’s Openbare ruimte dienen vier modules in de looptijd van hun akte met een voldoende resultaat te hebben doorlopen om na vijf jaar hun titel van opsporingsbevoegdheid te mogen verlengen. Als deze vier modules niet worden behaald binnen deze periode wordt de titel van opsporingsbevoegdheid niet verlengd. De boa kan in het vijfde jaar herkansen voor maximaal één module. Dat betekent dat bij het niet behalen van één module binnen twee jaar er niet voldaan wordt aan de bekwaamheidseis en de titel van opsporingsbevoegdheid daarmee zal komen te vervallen.5

In bijlage B-II staan de eindtermen alsmede de gedragsspecifieke componenten beschreven waaraan de boa Openbare ruimte moet voldoen. Meer informatie over de permanente her- en bijscholing is te verkrijgen via de Stichting ExTH (www.exth.nl).

Ontheffing van cursusonderdelen

Het is mogelijk om van cursusonderdelen van de vervolgopleiding of onderdelen van de permanente her- en bijscholing ontheffing te verkrijgen op grond van de ontheffingsgronden in bijlage B-VI. Aanvragen tot ontheffingen worden ingediend bij de Dienst Justis.

Examencommissie

De door de Stichting ExTH ingestelde examencommissie bewaakt de kwaliteit van de examens of toetsen aan de hand van de in deze circulaire beschreven eindtermen en gedragscomponenten (bijlage B-II).

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 BBO wordt getoetst of de betreffende boa tijdig heeft voldaan aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte bekwaamheidseisen.

3.2. Bekwaamheidseis Domein II Milieu, welzijn en infrastructuur

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), een aanvullend opleidingsprogramma en – indien de boa Milieu, welzijn en infrastructuur beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In het visiedocument werd geconstateerd – onder meer bij de pilot met het Transactiebesluit milieudelicten – dat veel milieuboa’s te weinig (strafvorderlijke)kennis en praktische vaardigheden hebben, doordat in hen onvoldoende is geïnvesteerd en de basisbekwaamheidseis alleen onvoldoende is. De omstandigheden waaronder milieuovertredingen moeten worden opgespoord zijn relatief vaak ingewikkeld en vergen doorgaans veel tijd van de betreffende boa’s.6Mede hierom worden in de praktijk de specifieke mogelijkheden van milieuboa’s niet ten volle benut. Wegens deze constatering en gelet op de ontwikkelingen zoals de introductie van de boetebevoegdheid voor het bestuur, de introductie van de Wabo en de regionale uitvoeringsdienstenheeft het LOM in het visiedocument geconstateerd dat milieuboa’s een categorie vormen waaraan aanvullende eisen zouden moeten worden gesteld. Hiertoe zijn in het visiedocument taken en competenties van de milieuboa’s beschreven. Deze zijn opgesomd in bijlage B-III.

Deze taken en competenties geven een compleet beeld van de bekwaamheidseisen waaraan de milieuboa moet voldoen. De eindtermen van de basisbekwaamheidseis zijn hierin geïncorporeerd. Voor zover de vereiste competenties hierboven uitgaan, is sprake van aanvullende bekwaamheidseisen. Vanwege het specifieke werkterrein van bepaalde groepen boa’s (bijvoorbeeld boa’s in de functiegroep van flora-en faunabeheerder), zijn opleidingen (deels) op maat ontwikkeld, dan wel te ontwikkelen in het licht van die competenties die noodzakelijk worden geacht voor het specifieke werkterrein. De opleidingscommissie (zie later deze paragraaf) zal de opleidingen op maat toetsen aan de hand van de hierboven beschreven competenties en in het licht van de te onderscheiden werkvelden van verschillende typen boa’s.

Een boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseis voor het domein Milieu, welzijn en infrastructuur, wanneer hij de hierna te beschrijven opleidingen heeft gevolgd en de bijbehorende toetsen met succes heeft afgelegd.

Basisopleiding

Een ieder die in aanmerking wil komen voor aanwijzing tot milieuboa moet het basisexamen voor boa’s behalen op grond waarvan de titel van opsporingsbevoegdheid wordt verleend. Hierbij wordt de betrokkene aangesteld als milieuboa. Binnen 12 maanden na het verkrijgen van de akte van beëdiging dient de vervolgopleiding te worden gevolgd en met succes te worden afgerond. Dit stelt de betrokkene in staat om tijdens de vervolgopleiding als milieuboa werkzaam te zijn en het geleerde in de praktijk te brengen (duaal leren).

Vervolgopleiding

De basisopleiding is, gelet op de opsporingstaken van de milieuboa’s en de omstandigheden waaronder zij moeten worden uitgeoefend, in de praktijk onvoldoende gebleken. Daarom is in het visiedocument ervoor gekozen om voor degenen die voor het eerst als milieuboa zijn aangesteld, het volgen van een aanvullende vakopleiding verplicht te stellen: de vervolgopleiding. Nieuwe milieuboa’s dienen binnen een jaar na het verkrijgen van de titel van opsporingsbevoegdheid gestart te zijn met de vervolgopleiding.

De vervolgopleiding is gericht op het systematisch ontwikkelen van de (complexe) kennis, vaardigheden en stijl die nodig zijn om de milieuboa-functie goed uit te oefenen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de beroepspraktijk wordt de vervolgopleiding gecombineerd met het werken in de praktijk. Iedere cursist krijgt een praktijkcoach.

Het curriculum voor de opleiding wordt niet meer bepaald door de klassieke (school)vakken met hun leerstofindeling en -volgorde, maar door het functieprofiel en de hiervan afgeleide kernopgave voor de diverse typen milieuboa’s. Een kernopgave bestaat uit een beschrijving van de kenmerken van de praktijksituaties, dilemma’s, werkpatronen en -methoden. Met andere woorden: het curriculum is op maat toegesneden en voor een boa die hoofdzakelijk werkzaam is op het VROM-domein, op bepaalde punten anders ingekleurd dan dat voor een boa die hoofdzakelijk werkzaam is op het LNV-domein of V&W-domein. Globaal gesproken is het opleidingsprogramma voor 80% generiek en 20% specifiek. Bij de uitvoering kan worden voldaan aan specifieke wensen van werkgevers.

Permanente her- en bijscholing

Permanent leren wordt beschouwd als een veel effectievere wijze om het niveau van de milieuboa op peil te houden dan een vijfjaarlijks examen. Bovendien kan hiermee goed worden ingespeeld op actuele ontwikkelingen. Daarom krijgt, naar het voorbeeld van de FIOD/ECD en de AID, permanente her- en bijscholing een plaats in het opleidingsstelsel voor de milieuboa’s.

Van iedere milieuboa wordt verlangd dat hij gedurende de 5 jaar dat zijn boa-akte geldig is, een viertal verplichte modules volgt, die elk worden afgesloten met een toets. Dit komt neer op één module per jaar, waarbij in het jaar van verlenging geen nieuwe module wordt gevolgd. Dat jaar kan worden gebruikt om niet behaalde modules te herkansen. Ook hier geldt dat een groot deel van het onderwijs voor alle functiegroepen gelijk is. Sommige modulen zullen echter specifiek op een bepaalde functiegroep zijn toegeschreven. De studiebelasting per module bedraagt ongeveer 5 contactdagen. Iedere module wordt met een toets afgesloten. Nadat alle vier modulen met een voldoende zijn afgesloten, kan de akte van de betreffende milieuboa met wederom 5 jaar worden verlengd.

De verplichting tot permanente her- en bijscholing, ter vervanging van het vijfjaarlijkse examen, gaat gelden voor alle milieuboa’s, met inbegrip van personen aan wie een ontheffing is verleend van de bekwaamheidseis op grond van het zogenaamde seniorenbeleid. Die ontheffing brengt mee dat zij wel de modules volledig moeten volgen, maar dat er geen consequenties zullen worden verbonden aan het niet halen van een toets.

Voor nieuwe milieuboa’s betekent dit dat zij met de permanente her- en bijscholing beginnen in het jaar volgend op het succesvol afronden van de vervolgopleiding.

Verzorging van de opleidingen

Op dit moment staat het een ieder vrij om de basisopleiding voor milieuboa’s te verzorgen. Dit blijft ook zo. Voor de andere onderdelen van het opleidingsstelsel is in het visiedocument ervoor gekozen om de ontwikkeling en uitvoering ervan vooralsnog te laten verzorgen door een samenwerkingsverband, thans bestaande uit het Opleidingsinstituut van de Algemene Inspectiedienst, de VROM-Inspectieacademie, de Stichting Bestuursacademie Nederland, de Stichting Wateropleidingen en de Politieacademie. Dit is gebeurd om de kwaliteit van de opleidingen met hun sterke wisselwerking met de beroepspraktijk (duaal leren) en regelmatige toetsmomenten van de ontwikkeling van de verschillende competenties te kunnen meten.

De verschillende opleidingstrajecten worden, binnen het gemeenschappelijke kader – eindtermen, leerdoelen (kernopgaven), lesprogramma’s, docentenhandleiding – en voor een gezamenlijk vastgestelde prijs per cursist verzorgd door deze instituten, met gebruikmaking van hun respectievelijke kennis en expertise op de verschillende deelterreinen, voor zover relevant voor de milieuopsporing.De cursuskosten komen voor rekening van de werkgever.

Opleidingscommissie

In het stelsel zoals dit is neergelegd in het BBO, zijn de toezichthouders belast met het toezicht op de kwaliteit van de boa’s en, in het verlengde hiervan, de kwaliteit van de opleidingen. Dit brengt mee dat de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket, die zal worden aangewezen als de toezichthouder voor alle milieuboa’s, die taak krijgt ten aanzien van de opleidingen voor de milieuboa’s.

Om aan deze verantwoordelijkheid een goede invulling te kunnen geven en, in het bijzonder, te kunnen garanderen dat het voltooien van het samenstel van opleidingen uitzicht biedt op het voldoen aan de basis- en aanvullende eisen van bekwaamheid voor milieuboa’s, wordt door de toezichthouder een opleidingscommissie ingesteld. Deze commissie gaat namens de toezichthouder de inhoud en kwaliteit van de diverse opleidingstrajecten en bijbehorende lesprogramma’s in al hun facetten bewaken. De opleidingscommissie gaat tevens toezien op de deelname van de boa’s aan de voor hen verplichte opleidingstrajecten.

In het kader van haar taak toetst de opleidingscommissie aan de hand van de in bijlage B-III beschreven taken en competenties of de aangeboden opleidingen voldoen, mede in het licht van de te onderscheiden werkvelden van de verschillende typen milieuboa’s. Zo hebben de milieuboa’s die thans behoren tot de functiegroep flora- en faunabeheerder in de praktijk met een ander soort milieudelicten en verdachten te maken dan bijvoorbeeld de milieuboa’s van het Staatstoezicht op de Mijnen.

De opleidingsprogramma’s en de uitvoering daarvan zullen met enige regelmaat worden geëvalueerd om te bezien of hierin verandering moet worden aangebracht, bijvoorbeeld door het vervangen van één of meer opleidingsinstituten door andere. Het initiatief hiervoor komt te liggen bij de opleidingscommissie.

Examencommissie

De door de Minister van Veiligheid en Justitie ingestelde examencommissie bewaakt de kwaliteit van de examens of toetsen aan de hand van de in deze circulaire beschreven competenties (bijlage B-III).

Vervallen van opsporingsbevoegdheid

Indien niet (tijdig) wordt voldaan aan de aanvullende opleidingseisen, is er niet voldaan aan de milieuboa bekwaamheidseis en zal de titel van opsporingsbevoegdheid worden ingetrokken (ex artikel 35, eerste lid, onder b, en artikel 32, derde lid, BBO).In de volgende gevallen kan de Minister van Veiligheid en Justitie vaststellen dat niet langer wordt voldaan aan de bekwaamheidseis, zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b, en artikel 32, derde lid, BBO, met verval van de titel van opsporingsbevoegdheid tot gevolg.

  • De milieuboaheeft niet binnen de overeengekomen periode de vervolgopleiding gevolgd en met succes afgerond.

  • De milieuboa heeft, na afronding van de bijspijkercursus vóór 1 juli 2011, dan wel na afronding van de vervolgopleiding de permanente her- en bijscholing, bestaande uit 4 modules in een periode van vijf jaar,niet tijdig gevolgd en met goed gevolg afgerond.

Alvorens tot vaststelling over te gaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b, BBO, in de gevallen bedoeld onder a t/m c, hoort de Minister van Veiligheid en Justitie de werkgever en de betreffende boa.

Als een milieuboa door omstandigheden, die niet aan hem of aan zijn werkgever zijn te wijten, niet in staat is tijdig (een module van) de permanente her- en bijscholing te volgen, dan wel de vervolgopleiding binnen de afgesproken periode met goed gevolg af te ronden, kan de Minister van Veiligheid en Justitie op verzoek van de werkgever afwijken van de termijnen genoemd in de onderdelen a tot en met c.

Ontheffing van cursusonderdelen

Het is mogelijk om van cursusonderdelen van de vervolgopleiding of onderdelen van de permanente her- en bijscholing ontheffing te verkrijgen op grond van de ontheffingsgronden in bijlage B-VI. Eventueel verleende ontheffingen ontslaat de boa niet van de examenverplichting van zowel de vervolgopleiding, als de permanente her-en bijscholing. Aanvragen tot ontheffingen worden ingediend bij de Dienst Justis.

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 BBO wordt getoetst of de betreffende boa tijdig aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte opleidingenheeft voldaan.

3.3. Bekwaamheidseis Domein III Onderwijs

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

Onder het domein onderwijs vallen de huidige leerplichtambtenaren. Zij zijn primair belast met het handhaven van de leerplichtwet en alle andere daar aan gerelateerd relevante wet- en regelgeving. Gelet op het specialistische karakter van deze functie en het feit dat er voor de uitoefening van deze functie door de werkgever veelal andere kennis en vaardigheden worden verlangd, is besloten deze functie als aparte functie te handhaven.

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift), een aanvullend opleidingsprogramma en – indien de boa onderwijs beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

Op initiatief van de brancheorganisatie Ingrado is samen met boa-werkgevers en de (direct) toezichthouders in het afgelopen jaar een systematiek met aanvullende bekwaamheidseisen ontwikkeld. Deze aanvullende bekwaamheidseisen worden per januari 2013 ingevoerd. Per deze datum zullen nieuwe leerplichtambtenaren eenmaal het basisexamen moeten behalen waarna zij een modulair opgebouwd traject van permanente her- en bijscholing zullen doorlopen om de boa-bevoegdheid te kunnen behouden. Voor de huidige boa’s met een akte die op of na 1 januari 2014 afloopt, geldt dat zij voor de eerstkomende verlenging van hun akte versneld het traject van permanente her- en bijscholing moeten doorlopen.

De boa’s domein Onderwijs dienen vier modules in de looptijd van hun akte met een voldoende resultaat te hebben doorlopen om na vijf jaar hun titel van opsporingsbevoegdheid te mogen verlengen. Als deze vier modules niet worden behaald binnen deze periode wordt de titel van opsporingsbevoegdheid niet verlengd. De boa kan in het vijfde jaar herkansen voor maximaal één module. Dat betekent dat bij het niet behalen van één module binnen twee jaar er niet voldaan wordt aan de bekwaamheidseis en de titel van opsporingsbevoegdheid daarmee zal komen te vervallen.7

In bijlage B-IV staan de eindtermen alsmede de gedragsspecifieke componenten beschreven waaraan de boa domein Onderwijs moet voldoen. Meer informatie over de permanente her- en bijscholing en de versnelde invoering is te verkrijgen via de Stichting ExTH (www.exth.nl).

Ontheffing van cursusonderdelen

Het is mogelijk om van cursusonderdelen van de vervolgopleiding of onderdelen van de permanente her- en bijscholing ontheffing te verkrijgen op grond van de ontheffingsgronden in bijlage B-VI. Aanvragen tot ontheffingen worden ingediend bij de Dienst Justis.

Examencommissie

De door de Stichting ExTH ingestelde examencommissie bewaakt de kwaliteit van de examens of toetsen aan de hand van de in deze circulaire beschreven eindtermen en gedragscomponenten (bijlage B-IV).

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 BBO wordt getoetst of de betreffende boa tijdig heeft voldaan aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte bekwaamheidseisen.

3.4. Bekwaamheidseis Domein IV Openbaar Vervoer

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De bekwaamheidseis bestaat uit een verzwaard examen, het boa-Openbaar Vervoer examen (getuigschrift boa-OV), en – indien de boa openbaar vervoer beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

Reeds in 2005 werd door de inwerkingtreding van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoersbedrijven 2005 een speciale BOA-OV opleiding verplicht gesteld voor de openbaar vervoer boa’s. De BOA-OV opleiding is gestart als onderdeel van het Aanvalsplan Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer en samen met de vervoerbedrijven ontwikkeld, om te zorgen dat het controlerend personeel zo optimaal en gericht mogelijk wordt opgeleid. Deze opleiding vormt een ‘boa-plus opleiding’ in vergelijking met de basis bekwaamheidseis (boa-getuigschrift) en is een op maat gesneden opleiding gericht op het openbaar vervoer. De BOA-OV opleiding kent een module voor nieuw op te leiden personeel dat nog niet over een BOA-bevoegdheid beschikt. In bijlage B-V staan de eindtermen alsmede de gedragsspecifieke leerdoelen beschreven waaraan de boa openbaar vervoer moet voldoen.

De bekwaamheid wordt verkregen of behouden door het afleggen van het boa Openbaar Vervoer examen dan wel het met voldoende resultaat doorlopen van vier modules. Als deze vier modules of het examen niet worden behaald binnen deze periode wordt de titel van opsporingsbevoegdheid niet verlengd.

De eindtermen van het algemene boa examen maken onverkort deel uit van het examen en de modules. De door de minister ingestelde examencommissie boa OV stelt de eindtermen op en toetsing vast.

Ontheffing van cursusonderdelen

Het is mogelijk om van cursusonderdelen van de vervolgopleiding of onderdelen van de permanente her- en bijscholing ontheffing te verkrijgen op grond van de ontheffingsgronden in bijlage B-VI. Aanvragen tot ontheffingen worden ingediend bij de Dienst Justis.

Verlenging titel van opsporingsbevoegdheid

Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 BBO wordt getoetst of de betreffende boa tijdig heeft voldaan aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte bekwaamheidseisen.

3.5. Bekwaamheidseis Domein V Werk, inkomen en zorg

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en – indien de boa werk, inkomen en zorg beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

In overleg met boa-werkgevers, de direct toezichthouders, de toezichthouders en eventueel andere betrokken partners wordt nader bekeken in hoeverre aanvullende bekwaamheidseisen verplicht dienen te worden gesteld en wat die aanvullende bekwaamheidseisen precies moeten zijn. Tot die tijd is het de verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s werk, inkomen en zorg aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Indien de boa-werkgever kan voorzien in een opleiding voor de boa welke voldoet aan de eisen welke worden gesteld aan de semi-permanente ontheffing (bijlage B-VI) kan de boa ontheffing krijgen voor het basis boa-examen.

3.6. Bekwaamheidseis domein VI Generieke opsporing

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De bekwaamheidseis bestaat uit het boa basisexamen (het boa-getuigschrift) en – indien de boa generieke opsporing beschikt over politiebevoegdheden en geweldsmiddelen – de bekwaamheidseisen uit de RTGB.

Het merendeel van de diensten wiens boa’s vallen binnen het domein generieke opsporing beschikt over een eigen opleiding ten behoeve van hun overige werknemers die zich (op grond van artikel 141 Wetboek van Strafvordering) bezig houden met de strafrechtelijke handhaving. Het is de verantwoordelijkheid van de boa-werkgever om zijn boa’s generieke opsporing aanvullend op te leiden voor hun specifieke taak. Net als voor alle andere boa’s geldt dat de politieboa’s slechts bevoegd zijn voor die feiten die vallen binnen hun taakomschrijving mits wetgeving in formele zin zich hier niet tegen verzet (zoals bijvoorbeeld de Opiumwet) en de boa voldoende bekwaam is om voor die feiten op te treden. Indien de boa-werkgever kan voorzien in een opleiding voor de boa welke voldoet aan de eisen welke worden gesteld aan de semi-permanente ontheffing (bijlage B-VI) kan de boa ontheffing krijgen voor het basis boa-examen.

De

Minister

van Veiligheid en Justitie,
namens deze,

G.N. Roes

Directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving

Bijlage B-IA. Eindtermen kenniselementen basisbekwaamheid 2013

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

Bijlage B Ia

Eindtermen kenniselementen basisbekwaamheid (boa-getuigschrift)

 

Hoofdtaak

Taak

Deeltaak

Kenniselementen

I Taken m.b.t. het functioneren binnen en als onderdeel van de organen van strafrechtspleging

     

De buitengewoon opsporingsambtenaar

     
       

1. handhaaft de voor zijn opsporingstaak relevante wettelijke regels die deel uitmaken van

     
 

1.1. een wet

 

staatsvorm

     

– begrip ‘gedecentraliseerde eenheidsstaat’

     

• wetgevende bevoegdheid gedecentraliseerd

     

– begrippen ‘wet in formele zin’ en ‘wet in materiële zin’

     

– art. 81 GW

     

• regering en Staten-Generaal gezamenlijk

       
     

Regering

     

– art. 42 GW

     

• Koning en ministers

     

• onschendbaarheid Koning

     

• ministers verantwoordelijk

       
     

géén examenstof:

     

soorten ministeriële verantwoordelijkheden

       
     

Staten-Generaal

     

– art. 50 GW

     

• vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk

     

– art. 51, lid 1 GW

     

• samenstelling

     

– art. 52, lid 1 GW

     

• zittingsduur Eerste en Tweede Kamer 4 jaar

     

– art. 54, lid 1 GW

     

• leden Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen

     

– art. 55 GW, eerste volzin

     

• leden Eerste Kamer worden gekozen door leden Provinciale Staten

       
 

1.2. een AMvB

 

– art. 89, lid 1 GW

     

• algemeen verbindende voorschriften van de regering

       
 

1.3. een provinciale verordening

 

– art. 127 GW

• bevoegdheid Provinciale Staten tot vaststellen Provinciale verordeningen

       
     

Provinciale Staten

     

– art. 125, lid 1 GW

     

• hoofd provincie

     

– art. 7 Provinciewet

     

• ‘de gehele bevolking der provincie’

     

– art. 129, lid 1 en lid 4 GW

     

• rechtstreeks gekozen

     

• zittingsduur 4 jaar

       
     

Gedeputeerde Staten

     

– art. 125, lid 2 GW

     

• Gedeputeerde Staten maken deel uit van het bestuur van de provincie

     

• zijn in praktijk dagelijks bestuur van de provincie

     

– art. 34, lid 1 Provinciewet

     

• samenstelling

     

– art. 35, lid 1 Provinciewet

     

• Gedeputeerden door Provinciale Staten benoemd

     

– art. 35c, lid 1 sub h Provinciewet

     

• Gedeputeerde mag geen lid Provinciale Staten zijn

       
     

commissaris van de Koning

     

– art. 131 GW en art. 61, lid 1 Provinciewet

     

• benoeming bij Koninklijk besluit

     

• voor zes jaar

     

– art. 125, lid 2 GW

     

• commissaris van de Koning maakt deel uit van het bestuur van de provincie

     

– art. 9 en art. 34, lid 2 Provinciewet

     

• voorzitter Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten

       
 

1.4. een gemeentelijke verordening

 

– art. 127 GW

• bevoegdheid gemeenteraad tot vaststellen gemeentelijke verordeningen

       
     

gemeenteraad

     

– art. 125, lid 1 GW

     

• hoofd van de gemeente

     

– art. 7 Gemeentewet

     

• vertegenwoordigt ‘de gehele bevolking der gemeente’

     

– art. 129, lid 1 en lid 4 GW

     

• rechtstreeks verkozen

     

• zittingsduur 4 jaar

       
     

college van burgemeester en wethouders

     

– art. 125, lid 2 GW

     

• College van B&W maakt deel uit van het bestuur van de gemeente

     

• is in praktijk dagelijks bestuur van de gemeente

     

– art. 34, lid 1 Gemeentewet

     

• samenstelling

     

– art. 35, lid 1 Gemeentewet

     

• wethouders benoemd door gemeenteraad

     

– art. 36b, lid 1 sub L Gemeentewet

     

• wethouder niet tevens raadslid

       
     

burgemeester

     

– art. 131 GW + art. 61, lid 1 Gemeentewet

     

• benoemd bij koninklijk besluit

     

• voor 6 jaar

     

– art. 125, lid 2 GW

     

– art. 9 en art. 34, lid 2 Gemeentewet

     

• voorzitter Gemeenteraad en College van Burgemeester en Wethouders

       

2. Functioneert binnen het voor zijn opsporingstaak vastgesteld wettelijk kader

     
 

2.1. overeenkomstig het daartoe

   
 

bepaalde in het Wetboek van

   
 

Strafvordering

 

– art. 142 WvSv

       
 

2.2. overeenkomstig de bepalingen

   
 

uit het Besluit buitengewoon

   
 

opsporingsambtenaar m.b.t.

   
   

2.2.1. de voorwaarden voor het verkrijgen van opsporingsbevoegdheid

– art. 2, art. 16 lid 1 en lid 2, art. 17 en art. 19 Besluit BOA

       
   

2.2.2. het verlenen van opsporingsbevoegdheid

– artt. 3, 4 en 10 Besluit BOA

       
   

2.2.3. het vervallen van opsporingsbevoegdheid

– art. 8 Besluit BOA

– art. 35, lid 1 en lid 2 Besluit BOA

       
   

2.2.4. de instructie aan de buitengewoon opsporingsambtenaar

– hoofdstuk V Besluit BOA

– de herkenbaarheid van de BOA

• insigne

       
     

géén examenstof:

     

– art. 25 lid 3 Besluit BOA

     

– art. 29 Besluit BOA

     

– art. 31 lid 3 Besluit BOA

     

– art. 28 Besluit BOA vanaf: ‘tenzij art. 80, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, etc.’ t/m het einde van deze volzin.

       
   

2.2.5. het toezicht over de buitengewoon opsporingsambtenaren

– art. 32 Besluit BOA

• toezicht

– art. 36, art. 37 lid 1, art. 38 en art. 39 Besluit BOA

     

• (taken) toezichthouder

     

• (taken) direct toezichthouder

     

– art. 41 Besluit BOA

     

• registratiesysteem

     

– art. 42 Besluit BOA

     

• klachten

       
 

2.3. v.w.b. de samenwerking met de politie

   
     

– art. 30 en art. 38 Besluit BOA, art. 10, lid 2 Politiewet 2012 en art. 146 WvSv

     

• samenwerking

       
   

op grond van kennis m.b.t.

 
       
   

2.3.1. de taak van de politie

– art. 3 Politiewet 2012

       
   

2.3.2. het begrip ‘politie’

– art. 2 Politiewet 2012 en art. 49, lid1 en lid 2 sub a Politiewet 2012

       
   

2.3.3. de organisatie van de politie

– art. 25 Politiewet 2012

     

– art. 27, lid 1 Politiewet 2012

• korpschef landelijke politie

– art. 38 lid 1 Politiewet 2012

• politiechef regionale eenheid

– art. 38a lid 1 Politiewet 2012

• 1 wijkagent per 5000 inwoners

– art. 42 lid 1 eerste volzin Politiewet 2012

• landelijke eenheid

– art.42 lid 3 Politiewet 2012

• politiechef landelijke eenheid

 
   

2.3.4. het werkgebied van de politie

– art. 6 Politiewet 2012

       
   

2.3.5. de bevoegdheden van de politie

– art.7 lid 1, lid 3, lid 5 en lid 7 Politiewet 2012

     

• BOA moet zijn aangewezen

     

• uitoefening bevoegdheden dient in verhouding tot beoogd doel redelijk en gematigd te zijn

       
   

2.3.6. het gezag over de politie

– art. 12 en art. 15 Pw2012 en art. 39, lid 2 Wet veiligheidsregio’s

     

• voorzitter van de veiligheidsregio

 
   

2.3.7. het toezicht over de politie

– art. 65 lid 1 sub a en b Politiewet 2012

     

• IOOV

     

– art. 41, lid 1 Wet veiligheidsregio’s

     

• CdK ziet toe op samenwerking

       
 

2.4. v.w.b. het opsporen van strafbare feiten

 

– Minister van Veiligheid en Justitie

   

• verantwoordelijkheid

     

– art. 127 en 130 Wet RO

     

– art. 140 WvSv

     

• begrip College van Procureurs-generaal en hun taak

     

– art. 46 Wet RO

     

• benoeming Rechter-commissaris

     

– art. 170 WvSv

     

• Rechter-commissaris

• 3-ledige taak

     

• begrip ‘Raadsheer-commissaris’

     

– art. 148, lid 1 en lid 2 WvSv

     

• Officier van Justitie

     

• leiding opsporingsonderzoek

     

– art. 146a sub a WvSv

     

• Hulpofficier van Justitie

     

• ‘praktische’ leiding

     

– art. 127 WvSv

     

• begrip ‘opsporingsambtenaren’

     

– art. 141 WvSv

     

• opsporingsambtenaren met algemene opsporingsbevoegdheid

     

– art. 142 WvSv

     

• opsporingsambtenaren met aangewezen opsporingsbevoegdheid

     

– art. 132 WvSv

     

• begrip ‘voorbereidend onderzoek’

     

– art. 132A WvSv

     

• begrip ‘opsporingsonderzoek’

     

• doelstelling opsporingsonderzoek

     

– art. 149 WvSv

     

• instellen opsporingsonderzoek door Officier van Justitie

     

– art. 177 lid 1 WvSv

     

• bevoegdheid Rechter-commissaris

     

– art. 180 lid 1 en lid 2 , art. 181 lid 1, art. 182 lid 1 en art. 185 lid 1 WvSv

     

slechts globale kennis vereist van: rol Rechter-commissaris in het voorbereidend onderzoek, zijn taak en positie ten opzichte van de Officier van Justitie en de verdachte en diens raadsman

       

3. handelt naar de afgelegde ambtseed/ambtsbelofte en de eed van zuivering

     
       
 

3.1. op grond van kennis van de afgelegde eden/beloften

   
       
 

3.2. door zich te onthouden van (ambts)misdrijven m.b.t.

   
       
   

3.2.1. schending van bijzondere ambtsplicht

– art. 44 WvSr

       
   

3.2.2. omkoping

– art. 362, lid 1 en art. 363, lid 1 WvSr

     

– art. 177, lid 1 WvSr

     

– art. 177a, lid 1 WvSr

       
   

3.2.3. meineed

– art. 207, lid 1, lid 2 en lid 3 WvSr

       
   

3.2.4. valsheid in geschrift

– art. 225, lid 1 en 2 WvSr

       
   

3.2.5. huisvredebreuk

– art. 370, lid 1 WvSr

     

– art. 138, lid 1 WvSr

       

II Taken m.b.t. het opsporen van strafbare feiten

     
       

De buitengewoon opsporingsambtenaar

     
       

4. verzamelt en/of ontvangt gegevens m.b.t. mogelijk strafbare feiten tot opsporing waarvan hij bevoegd is

   

Begrippen

     

– op klacht vervolgbaar

     

– ambtshalve vervolgbaar

       
 

4.1. n.a.v. eigen bevindingen

   
 

4.2. n.a.v. het doen van aangifte

 

Aangifte

   

– begrip aangifte

     

– art. 161 WvSv

     

• bevoegdheid

     

– art. 163, lid 1, lid 2, lid 3 en lid 4 WvSv

     

• vormvereisten

     

– art. 163, lid 5 WvSv

     

• verplichting tot opnemen

     

– art. 70, onder sub 1° WvSr

     

• verjaringstermijn overtreding

     

– art. 188 WvSr

     

• valse aangifte

       
 

4.3. n.a.v. het doen van een klacht

 

Klacht

   

– begrippen:

     

• klacht

     

• relatieve klacht

     

• absolute klacht

     

– art. 164 WvSv

     

• vormvereisten

     

– art. 165, lid 1 WvSv

     

• bevoegdheid en verplichting

     

– OM in voorkomende gevallen niet ontvankelijk te vervolgen zonder klacht

     

• belediging (art. 266, lid 1 en

     

art. 269 WvSr)

     

• familiebetrekkingen (art. 316, lid 1 en

     

lid 2, WvSr)

     

– art. 188 WvSr

     

• valse klacht

     

– art. 67 WvSr

     

• termijn intrekking klacht

       
     

géén examenstof:

     

– overige absolute klachtdelicten

       

5. beoordeelt middels het combineren, analyseren en interpreteren of de verzamelde en/of ontvangen informatie strafrechtelijk relevant is

     
 

door het toepassen van verworven kennis en inzicht in algemene (begrips)bepalingen m.b.t.

 

– begrip ‘materieel strafrecht’ vs ‘formeel strafrecht’

   

– vindplaatsen materieel strafrecht

   

• Wetboek van Strafrecht

   

• bijzondere wetten

     

• AMvB

     

• verordeningen van provincie, gemeente

     

• keuren

       
 

5.1. het legaliteitsbeginsel

 

– art. 16 GW

     

– art. 1 WvSr

     

– art. 91 WvSr (slotbepaling)

       
 

5.2. de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet

 

– artt. 2 en 3 WvSr

   

• territorialiteitsbeginsel

     

• vlagbeginsel

       
 

5.3. een feit als zijnde een strafbaar feit

 

– definitie strafbaar feit

   

• menselijke gedraging

     

• wettelijke delictsomschrijving

     

• wederrechtelijk

     

• aan schuld te wijten

     

– wettelijke delictsomschrijving

     

• kwalificatie (indien van toepassing)

     

• norm

     

• bestanddelen

     

• sanctie

     

– schuld in ruime zin

     

• opzet

     

• schuld in enge zin

     

– strafbare feiten te verdelen in

     

• misdrijven

     

• overtredingen

     

– art. 9 WvSr lid 1 onder a

     

• begrip hoofdstraffen en daarvan te kennen de termen gevangenisstraf, hechtenis en geldboete

       
     

géén examenstof:

     

– schakering van de opzet

     

– vormen van schuld in enge zin

       
 

5.4. wettelijke strafuitsluitingsgronden

 

– art. 39 WvSr

   

• ontoerekenbaarheid

     

– art. 40 WvSr

     

• overmacht

     

– art. 41 WvSr

     

• noodweer (-exces)

     

– art. 42 WvSr

     

• wettelijk voorschrift

     

– art. 43 WvSr

     

• ambtelijk bevel

       
     

géén examenstof:

     

onderscheid en onderverdeling in schulduitsluitings- en rechtvaardigingsgronden

       
 

5.5. poging en voorbereiding

 

– art. 45, lid 1 en lid 2, art. 46 lid 1 en

     

art. 46b WvSr

     

• begrip voorbereiding

     

• poging tot overtreding niet strafbaar, uitzonderingen daargelaten

     

• poging tot misdrijf strafbaar, uitzonderingen daargelaten

     

• het voornemen van de dader

     

• een begin van uitvoering

     

– voorbereidingshandelingen

     

– uitvoeringshandelingen

     

• vrijwillig terugtreden bij poging (omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk)

     

• maximum van de hoofdstraf met een derde verminderd

       
     

géén examenstof:

     

de absolute en relatieve middelen- en objectenleer

       
 

5.6. vormen van deelneming aan strafbare feiten

 

– art. 47 WvSr

   

• daders

     

– plegers

     

– medeplegers

     

– doen plegers

     

– uitlokkers

     

– art. 48 en art. 49, lid 1 WvSr

     

• medeplichtigen

     

• maximum van de hoofdstraf met een derde verminderd

     

– art. 52 WvSr

     

• medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar

       
 

5.7. rechtspersonen

 

– art. 51, lid 1 WvSr

     

– art. 1, lid 1 Boek 2 BW

     

• publiekrechtelijk rechtspersoon

     

– art. 3, Boek 2 BW

     

• privaatrechtelijk rechtspersoon

       
     

NB.: het kunnen opsommen van genoemde rechtspersonen volstaat.

       
 

5.8. samenloop van strafbare feiten

 

– art. 55 WvSr

       
 

5.9. jeugdige personen

 

– art. 486 WvSv

     

– art. 77a WvSr

     

• strafrechtelijke minderjarigheid

       
     

géén examenstof:

     

de in art. 77a WvSr genoemde wetsartikelen.

       

6. stelt een onderzoek in teneinde bewijsmateriaal te verzamelen

   

– begrip ‘formeel strafrecht’ vs ‘materieel strafrecht’

     

– bronnen ‘formeel strafrecht’

     

• Wetboek van Strafvordering

     

• bijzondere wetten

     

Wet RO

     

– art. 1 WvSv

       
 

6.1. door een persoon aan te merken als verdachte

 

– art. 27, lid 1 en lid 2 WvSv

   

• het begrip verdachte

       
 

6.2. door het rechtmatig toepassen van opsporingsbevoegdheden

 

– begrippen

   

• opsporingsbevoegdheden

   

• toezichtbevoegdheden

     

• problematiek van ‘de twee petten’

     

– rechtmatigheid

     

• wetmatigheid

     

• proportionaliteit

     

• subsidiariteit

     

• fair play

     

• misbruik bevoegdheden

     

– gevolgen van ontbreken rechtmatigheid

     

• onrechtmatig verkregen bewijs

     

• onrechtmatige overheidsdaad

       
     

géén examenstof:

     

definitie onrechtmatige daad

       
   

6.2.1. t.a.v. jeugdige personen

– art. 487, lid 1 WvSv m.b.t.

     

• staande houden

     

• aanhouden

     

• onderzoek aan de kleding

     

• inbeslagneming

     

• ophouden voor onderzoek

       
   

6.2.2. bij vrijwillige medewerking van de betrokkene(n)

– voorwaarden voor vrijwilligheid

   

• toestemming moet blijken

     

• toestemming moet in vrijheid zijn gegeven

     

• betrokkene(n) moet(en) zich bewust zijn van bepaalde rechten afstand te doen

       
   

6.2.3. bij niet vrijwillige medewerking van betrokkene(n)

– verdachte niet tot medewerking verplicht (gedoogplicht)

       
   

6.2.4. in geval van herhaalde toepassing van eenzelfde bevoegdheid binnen één zaak

– wijziging in omstandigheden

       
   

6.2.5. in geval van voortgezette toepassing van bevoegdheden

– Geweerarrest, NJ 1936, nr. 250

       
   

6.2.6. onder bescherming van wettelijke regels m.b.t. de handelende opsporingsambtenaar en diens handelen

– art. 179 WvSr

   

• ambtsdwang

   

– art. 180 WvSr

   

• wederspannigheid

     

– art. 184, lid 1 WvSr

     

• niet voldoen aan bevel of vordering

     

• belemmering van ambtshandeling

     

– art. 185 WvSr

     

• opschudding veroorzaken en zich niet verwijderen na bevoegd gegeven bevel

     

– art. 266, lid 1 en art. 267 sub 2° WvSr

     

• belediging als klachtdelict

     

• belediging van een ambtenaar

     

– geen klachtdelict

     

– strafverzwaring

       
 

6.3. door het toepassen van dwangmiddelen t.a.v. de persoonlijke vrijheid m.b.t.

   
       
   

6.3.1. het staande houden

van een verdachte

     

– art.52 WvSv

     

• iedere opsporingsambtenaar bevoegd

     

• gegevens die mogen worden gevraagd op grond van art. 27a WvSv 1e lid, eerste volzin

     

• doel van staandehouding

       
     

van een getuige

     

– een getuige mag niet worden staande

     

gehouden

     

– een getuige die een valse naam opgeeft, is strafbaar (cf. arrest HR 11-11-1947 NJ 1948, 126)

       
     

Valse identiteitsgegevens

     

– art. 435 sub 4 WvSr

     

• opgeven valse identiteitsgegevens

       
   

6.3.2. identiteit

– art. 4, lid 1 Boek 1 BW

     

• voornaam natuurlijk persoon

     

– art. 5, lid 5, eerste volzin Boek 1 BW

     

• geslachtsnaam kind

     

– art. 6 Boek 1 BW

     

• bewijs geslachtsnaam

     

– art. 9, lid 1 en lid 3 Boek 1 BW

     

• gebruik geslachtsnaam gehuwde vrouw/man

       
   

6.3.3. toonplicht aangewezen identiteitsbewijs

– art. 2 Wid

   

• verplichting tot tonen aangewezen identiteitsbewijzen

     

– art. 1, lid 1 sub 1 Wid jo. art. 2 lid 1 sub a en lid 2 Paspoortwet

     

• nationaal paspoort Koninkrijk der Nederlanden

     

• Nederlandse identiteitskaart

     

– art. 1, lid 1 sub 4 Wid

     

• Nederlands rijbewijs

     

• buitenlands rijbewijs

     

(t.a.v. de buitenlandse rijbewijzen is slechts zeer globale kennis vereist)

     

– begrip gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

       
   

6.3.4. bevoegdheid inzage vorderen identiteitsbewijs

– art. 8 lid 1 en 2 Politiewet 2012

   

• bevoegde opsporingsambtenaren

     

– art. 5:16a Awb

     

• toezichthouder

       
     

Strafbaarstelling niet tonen identiteitsbewijs

     

– art. 447e WvSr

     

• overtreding

       
   

6.3.5. vaststellen identiteit

– bewijsvoering identiteit

     

• afschrift geboorteakte

     

– art. 27a WvSv

     

• te vragen gegevens ten behoeve van het

     

vaststellen van de identiteit van de

     

verdachte

     

• wijze van vaststellen identiteit

       
   

6.3.6. toekenning strafrechtsketennummer

– art. 27b lid 1 WvSv

   

• toekenning strafrechtsketennummer

       
   

6.3.7. het aanhouden van een verdachte

– art. 128 WvSv

   

• begrip ‘op heterdaad’/’buiten heterdaad’

     

– onderzoek onafgebroken voortgezet

     

• arrest HR 17-5-1949 (NJ1949, nr. 553)

     

– art. 15, lid 1 GW

     

– art. 53, lid 1 WvSv

     

• bevoegdheid

     

• burger en opsporingsambtenaar

     

– art. 133 WvSv

     

• begrip ‘voorlopige hechtenis’

     

– art. 67 lid 1 sub a WvSv

     

• voor welke feiten

     

– art. 54, lid 1, lid 2 en lid 3 WvSv

     

• afgeleide bevoegdheid

     

– art. 55 WvSv

     

• betreden van plaatsen ter aanhouding

     

– art. 55a, lid 1 WvSv

     

• ter aanhouding verdachte elke plaats doorzoeken

     

– art. 55a, lid 2 WvSv

     

• bij doorzoeken met machtiging (=toestemming) van de Officier van Justitie is bij binnentreden zonder toestemming van de bewoner geen machtiging op grond van Awob vereist

       
   

6.3.8. Verplichtingen / bevoegdheden opsporingsambtenaren ter vaststelling van de identiteit

– art. 55b WvSv

   

• onderzoek aan de kleding

   

• (buiten de) openbaarheid

     

• proces-verbaal

     

– art.55c lid 1, 2 en 3 WvSv

     

• algemeen opsporingsambtenaren en politieboa’s

     

• identiteitsgegevens vragen en identiteitsbewijs onderzoeken

     

• foto's en vingerafdrukken

     

• voor welke feiten en bij welke verdachten

     

• bij twijfel identiteit 'andere' verdachten (hulp)Officier van Justitie

       
   

6.3.9. het geleiden van een verdachte voor de (hulp)officier van justitie

– art. 53, lid 2, 3, 4 WvSv

   

– art. 54. lid 1, 2, 3 WvSv

     

• bevoegdheid en verplichtingen na aanhouding

       
   

6.3.10. het ophouden van een verdachte voor onderzoek

– begrip ‘onderzoek’

   

– art. 61, lid 1 en 3 WvSv

     

• duur verhoor

     

• uren die niet meetellen

     

• aanvang termijn ophouden voor onderzoek (arrest HR 30-08-2004 bevel ophouden Hulpofficier van justitie)

     

– na de voorgeleiding (art. 61, lid 1 WvSv)

     

• in verzekering gesteld

     

• voor Rechter-commissaris geleid

     

• in vrijheid gesteld

     

• tenzij opgehouden voor onderzoek

       
   

6.3.11. het verhoren van een verdachte

– gevolgen 'Salduz'-arrest

   

• recht op consultatiebijstand verdachten

     

• tevens recht op verhoorbijstand minderjarige verdachten

       
     

slechts globale kennis vereist van:

     

• recht advocaat te raadplegen alvorens als verdachte te worden gehoord

     

• gevolgen schending van dit recht

       
     

– art. 29, lid 1 WvSv

     

• verklaring in vrijheid afgelegd

     

• niet verplicht tot antwoorden (zwijgrecht)

     

– art. 29, lid 2 WvSv

     

• verdachte mededelen dat hij niet tot antwoorden is verplicht (cautieplicht)

     

– art. 29, lid 3 WvSv

     

• mededeling zwijgrecht opnemen in proces-verbaal

     

• verklaring (bekentenis) verdachte zoveel mogelijk in zijn eigen woorden

     

– (mogelijk) gevolg als zwijgrecht niet is medegedeeld (niet voldaan is aan de cautieplicht)

     

• verklaring verdachte werkt niet mee tot bewijs

     

– art. 18, lid 1 GW

     

• een ieder kan zich in rechte doen bijstaan

     

– art. 28 WvSv

     

• bijstand van een raadsman

     

– art. 50, lid 1 WvSv

     

• vrij verkeer tussen verdachte en raadsman

     

– art. 50, lid 2 WvSv

     

• beperking vrij verkeer tussen verdachte en raadsman door Officier van Justitie

     

– art. 50a WvSv

     

• toevoeging vervangend raadsman

     

– art. 30, 31 sub a, 32 lid 1 en 2, 33, 34 en 51 WvSv

     

• kennisneming, afschrift, verzoek voegen/kennisnemen processtukken

     

• bevoegdheid Officier van Justitie en rol Rechter-commissaris

     

• parket/griffie

     

– art. 137, 149a lid 1 en 2, 149b lid 1 WvSv

     

• verantwoordelijkheid Officier van Justitie

     

• achterwege laten door Officier van Justitie na door hem gevorderde machtiging van de Rechter-commissaris

   

6.3.12. het ophouden van een verdachte ter vaststelling van zijn identiteit

– art. 61, lid 2 t/m lid 7 WvSv

   

• termijn

   

• uren die niet meetellen

     

• gedagtekend en ondertekend

     

• omschrijving strafbaar feit en feiten of

     

omstandigheden

     

• naam of aanwijzen verdachte

     

• afschrift bevel aan verdachte

       
   

6.3.13. het in verzekering stellen van een verdachte

– art. 57, lid 1 WvSv

   

• begrip inverzekeringstelling

     

– art. 58, lid 1 en lid 2 WvSv

     

• voor welke feiten

     

• duur bevel inverzekeringstelling en mogelijkheid tot verlenging

       
   

6.3.14. het in bewaring stellen van een verdachte

– begrip ‘inbewaringstelling’

   

– art. 63, lid 1 WvSv

     

• rechter-commissaris op vordering van de Officier van Justitie

     

– art. 64, lid 1 en 2 WvSv

     

• termijn

     

• invrijheidstelling bij vervallen gronden voor bevel

       
 

6.4. door het toepassen van dwangmiddelen t.a.v. de persoonlijke integriteit m.b.t.

   
   

6.4.1. de strafvorderlijke fouillering ter inbeslagneming

– art. 11 GW

   

– begrippen

     

• onderzoek aan de kleding

     

• onderzoek aan het lichaam

     

• onderzoek in het lichaam

     

– art. 56, lid 1 en 3 WvSv

     

• (hulp)Officier van Justitie

     

• onderzoek aan lichaam of kleding van aangehouden verdachte

     

• ernstige bezwaren

     

• in het belang van het onderzoek

     

• op een besloten plaats

     

• voor zover als mogelijk door persoon van hetzelfde geslacht

     

– art. 56, lid 2 en 3 WvSv

     

• officier van justitie

     

• ernstige bezwaren

     

• in het belang van het onderzoek

     

• begrip ‘onderzoek in het lichaam’

     

• alleen door een arts

     

• op een besloten plaats

     

• voor zover als mogelijk door persoon van hetzelfde geslacht

     

– art. 56, lid 4 WvSv

     

• overige opsporingsambtenaren

     

• onderzoek aan kleding aangehouden verdachte

     

• ernstige bezwaren

       
 

6.5. door het in beslag nemen van voorwerpen

 

– art. 1 Boek 3 BW

   

• begrip goederen

     

– art. 2 Boek 3 BW

     

• begrip zaken

     

– art. 3 Boek 3 BW

     

• onroerende zaken

     

• roerende zaken

     

– art. 1, lid 1 en lid 2 Boek 5 BW

     

• begrip eigendom

     

– art. 107 Boek 3 BW

     

• bezit

     

• houderschap

     

– art. 134, lid 1 WvSv

     

• begrip inbeslagneming

     

– art. 94 WvSv

     

• voorwerpen welke voor inbeslagneming vatbaar zijn

     

– art. 95 WvSv

     

• bevoegdheid tot inbeslagneming

     

– art. 96, lid 1 WvSv

     

• het betreden van plaatsen ter inbeslagneming

     

– art. 96, lid 2 WvSv

     

• het nemen van bevriezingsmaatregelen

     

– art. 96a, lid 1 en 2 WvSv

     

• uitlevering bevelen van voorwerpen ter inbeslagneming

     

– art. 96b WvSv

     

• het doorzoeken van vervoermiddelen

     

– inbeslagneming en vrijwillige medewerking

     

– art. 116, lid 1 en lid 2 WvSv

     

• beslissingsbevoegdheid ten aanzien van beslag

     

– art. 118, lid 1 en 2 WvSv

     

• aangewezen bewaarders inbeslaggenomen voorwerpen

     

– art. 1 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen

       
 

6.6. door het betreden/binnentreden van plaatsen

 

– begrippen:

   

• plaatsen

     

• woning

     

• bewoner

     

• toestemming

     

• binnentreden

     

– art. 12 GW

     

– art. 55 WvSv

     

• burger

     

• opsporingsambtenaar

     

– art. 55a, lid 1 en 2 WvSv

     

– art. 96 WvSv

       
     

Algemene wet op het binnentreden (Awob)

     

– art. 1, lid 1, lid 2 en lid 4 Awob

     

• legitimatieplicht

     

• mededelingsplicht doel binnentreden

     

• uitzondering: ernstig en onmiddellijk gevaar

     

• vragen om en blijk van toestemming

     

– art. 2, lid 1 en lid 3 Awob

     

• schriftelijke machtiging vereist

     

• uitzondering: ernstig en onmiddellijk gevaar

     

– art. 3, lid 1 en lid 2 Awob

     

• personen bevoegd tot het afgeven van een machtiging

     

– art. 8, lid 2 Awob

     

• vergezelling door derden

     

– art. 9 Awob

     

• toegang of doorgang verschaffen

     

– art. 10, lid 1 Awob

     

• schriftelijk verslag

     

– art. 11, lid 1, eerste volzin Awob

     

– art. 11, lid 2, eerste volzin Awob

     

– art. 12 Awob

     

• betreden beschermde plaatsen

       

III Taken m.b.t. de afhandeling van opgespoorde strafbare feiten

     
       

De buitengewoon opsporingsambtenaar

     
       

7. maakt naar aanleiding van het verrichte opsporingsonderzoek een proces-verbaal op dat kan leiden tot vervolging en behandeling ter terechtzitting

     
       
 

7.1. op grond van inzicht in de functie van het proces-verbaal m.b.t.

   
   

7.1.1. de beslissing tot vervolging

– begrip ‘vervolging’

     

– art. 167, lid 1 en lid 2 WvSv

     

• vervolgingsbeslissing na opsporingsonderzoek zo spoedig mogelijk

     

• opportuniteitsbeginsel

     

– art. 242, lid 1 en lid 2 WvSv

     

• verdere vervolging na voorbereidend onderzoek zo spoedig mogelijk

     

• opportuniteitsbeginsel

     

• seponeren

       
   

7.1.2. de gerechtelijke beslissing

– art. 338 WvSv

     

– art. 339, lid 1 sub 5° WvSv

     

– art. 344, lid 1 sub 2° WvSv

       
 

7.2. dat voldoet aan de wettelijke eisen m.b.t.

   
   

7.2.1. de verplichting van de opsporingsambtenaar

– art. 152 WvSv

       
   

7.2.2. het moment van opmaken

– art. 152 WvSv

     

• zo spoedig mogelijk

       
   

7.2.3. de wijze van opmaken

– art. 153 WvSv

     

• op ambtseed/ambtsbelofte

     

• persoonlijk

     

• dagtekenen

     

• ondertekenen

     

• redenen van wetenschap

     

• met ondertekend proces-verbaal gelijkgesteld langs elektronische weg opgemaakt of omgezet proces-verbaal

       
   

7.2.4. de inhoud

– art. 344, lid 1 onder ten 2° WvSv

     

– begrippen:

     

• feiten

     

• omstandigheden

     

• waarneming

     

• ondervinding

       
 

7.3. dat voldoet aan administratieve en technische eisen m.b.t.

   
   

7.3.1. logische opbouw

Verder uitgewerkt in bijlage B Ib

       
 

7.4 maakt naar aanleiding van een geconstateerde onregelmatigheid of overtreding een (mini) proces-verbaal op dat kan leiden tot vervolging en behandeling ter terechtzitting

 

Verder uitgewerkt in bijlage B Ib

       

8. kan een verdachte tegen wie procesverbaal is opgemaakt informeren over de mogelijke gevolgen daarvan

     
 

8.1. op grond van kennis omtrent de taken van het openbaar ministerie

 

– art. 124 Wet RO

   

• strafrechtelijke handhaving rechtsorde

   

en

     

• overige bij de wet vastgestelde taken

     

– art. 148, lid 1 WvSv

     

• taak officier van justitie

     

– art. 258, lid 1 en art. 261, lid 1 en 2 WvSv

     

• dagvaarding

     

– art. 553 WvSv

     

• het doen uitvoeren van rechterlijke beslissingen

       
 

8.2. op grond van kennis omtrent de organisatie van het Openbaar Ministerie

 

– art. 125 Wet RO

   

• College van Procureurs-generaal

   

• (hoofd-) Advocaten-generaal

     

• (hoofd-) Officieren van Justitie

     

– begrippen:

     

• staande magistratuur

     

– art. 134 Wet RO

     

• begrip ‘parket’

     

• de diverse parketnamen

       
 

8.3. op grond van kennis omtrent de Procureur-generaal bij de Hoge Raad

 

– art. 117, lid 1 GW

   

• voor het leven benoemd

   

– art. 116 Wet RO

     

• geeft leiding aan parket Hoge Raad

     

– art. 111, lid 1 en lid 2 sub a en c Wet RO

     

• taak

       
 

8.4. op grond van kennis omtrent de organisatie van de rechtspraak

   
   

8.4.1. m.b.t. de onderscheiden rechterlijke colleges

– art. 2 Wet RO

   

• Rechtbanken

     

• Gerechtshoven

     

• Hoge Raad

     

• begrip ‘zittende magistratuur’

     

– art. 1, 2 en 3 Wet op de rechterlijke indeling

     

• 10 Rechtbanken

     

• arrondissement

     

• 4 Gerechtshoven

     

• ressort

       
     

Hoge Raad

     

– art. 72, lid 1 Wet RO

     

• begrip ‘raadsheren’

     

– art. 75, lid 2 Wet RO

     

• meervoudige kamer (5 leden)

       
     

Gerechtshof

     

– art. 58, lid 1 Wet RO

     

• raadsheren

     

– art. 411, lid 1 WvSv

     

• meervoudige kamer (3 raadsheren)

       
     

rechtbanken

     

– art. 40, lid 1 Wet RO

     

• rechters

     

– art. 268, lid 1 WvSv

     

• meervoudige kamers (3 rechters)

     

– art. 46 Wet RO

     

• bestuur wijst rechter-commissaris aan

       
     

enkelvoudige kamers

     

– art. 51 Wet RO

     

• politierechter

     

– art. 53 Wet RO

     

• kinderrechter

     

– art. 47 Wet RO

     

• enkelvoudige kamers (alleenrechtsprekende rechter)

     

• kantonrechter

       
   

8.4.2. m.b.t. de competentie van rechterlijke colleges (alleen rechtsprekende rechter) in strafzaken

Absolute competentie

   

• begrip

   

– art. 119 GW

     

• Hoge Raad

     

– art. 76, lid 1 Wet RO

     

• ambtsmisdrijven

     

– art. 78, lid 1 Wet RO

     

• cassatie en cassatie in het belang der wet

     

– art. 457 WvSv (eerste volzin)

     

• herziening

       
     

Gerechtshoven

     

– art. 60, lid 1 Wet RO

     

• hoger beroepszaken rechtbanken

     

– art. 411, lid 2 WvSv

     

• enkel- en meervoudige kamers

       
     

Rechtbanken

     

– art. 45, lid 1 Wet RO

     

• alle strafzaken

       
     

politierechter

     

– art. 368 WvSv

     

• zaken van eenvoudige aard

     

– art. 369, lid 1 WvSv

     

• maximaal een jaar gevangenisstraf

       
     

kinderrechter

     

– kinderzaken

     

– art. 47 Wet RO

     

• kantonzaken

     

– art. 382, sub b WvSv

     

• overtredingen

       
     

Relatieve competentie

     

– art. 2 WvSv

       
     

géén examenstof:

     

– art. 382, sub a WvSv

     

– de uitzonderingen als genoemd in

     

art. 382, sub b WvSv

     

– art. 2, lid 1 WvSv vanaf ‘die welker rechtsgebied grenst aan de territoriale zee’ tot en met ‘is belast’

       
   

8.4.3. m.b.t. de waarborgen voor een deugdelijke rechtspraak

– art. 17 GW

   

– art. 116, lid 1 en lid 2 GW

     

• de wet wijst aan/regelt

     

onafhankelijkheid

     

– art. 117, lid 1 en lid 4 GW

     

• benoeming voor het leven bij koninklijk besluit

     

• rechtspositie geregeld bij wet

     

– art. 121 GW, art. 4, lid 1 Wet RO,

     

art. 5, lid 1 Wet RO

     

• openbaarheid terechtzittingen

     

• vonnis gemotiveerd

     

• uitspraak openbaar

       
     

géén examenstof:

     

– de in art. 121 GW bedoelde uitzonderingen

       
   

8.4.4. m.b.t. de rechterlijke beslissing

– artt. 338 en 339 WvSv

     

• bewijs en bewijsmiddelen

     

– art. 344, lid 2 WvSv

     

• proces-verbaal opsporingsambtenaar

     

– art. 350 WvSv

     

• beraadslaging

     

– art. 351 en art. 352, lid 1 en de eerste volzin van lid 2 WvSv

     

• veroordeling

     

• vrijspraak

     

• ontslag van rechtsvervolging

     

– begrippen:

     

• vonnis

     

• arrest

     

• hoger beroep

     

• cassatie

     

• herziening

       

9. doet het proces-verbaal toekomen aan de juiste functionaris

   

– art. 156 lid 1 WvSv

       

10. De boa draagt bij constateringen van onregelmatigheden en overtredingen zorg voor acceptatie van de opgelegde sanctie

   

Verder uitgewerkt in bijlage B Ib

       

11. De boa waarborgt eigen veiligheid,veiligheid van de burger en omstanders

   

Verder uitgewerkt in bijlage B Ib

Bijlage B-IB. Exameneisen en prestatie-indicatoren gespreks- en benaderingstechnieken

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

De onderstaande exameneisen zijn een uitwerking van taak 7, 10 en 11 zoals beschreven in de Eindtermen basisexamen Buitengewoon opsporingsambtenaar.

Grijze regels zijn de exameneisen, te lezen als: De kandidaat…

vaardigheidstoets

bereidt zich voor.

Resultaat

Taak, visie en advies wat betreft de uitvoering van de werkzaamheden ontvangen/gevraagd.

Prestatie-indicatoren

Neemt informatie op en past deze gericht toe

Bestudeert (indien nodig) bijbehorende wet en regelgeving.

Geeft aan hoe in gegeven situatie gehandeld kan worden

vaardigheidstoets met trainingacteur

houdt toezicht en signaleert.

Resultaat

Volgens instructies gereageerd op (mogelijke) onregelmatigheden en overtredingen.

Prestatie-Indicatoren

Observeert (globaal) de omgeving.

Herkent/signaleert onregelmatigheden tijdig.

Schat situaties die een gevaar kunnen opleveren juist in door snel veel informatie op te nemen en intensief gebruik van zijn zintuigen.

Weegt op juiste wijze de risico’s af die hijzelf en anderen lopen.

Concludeert correct of optreden nodig, gewenst en verantwoord is.

Kan zijn optreden achteraf op een verantwoorde wijze onderbouwen.

Straalt door houding en voorkomen gezag uit.

Spreekt burgers met overtuiging aan op ongewenst gedrag zodat zij luisteren en de aanwijzingen opvolgen.

Toont zich betrouwbaar burger.

Gaat met respect om met mensen van verschillende geaardheid en culturele achtergrond.

Is actief en duidelijk aanwezig en aanspreekbaar.

Legt duidelijk en in begrijpelijke bewoordingen aan de burger de redenen uit waarom hij hem aanspreekt.

Houdt zijn gevoelens onder controle.

Neemt op basis van vooraf vastgestelde prioriteitstelling op heldere en duidelijke wijze de maatregelen die nodig zijn om ongewenst gedrag te stoppen

vaardigheidstoets met trainingacteur

treedt sanctionerend op.

Resultaat

Heeft met behulp van de juiste procedures de wet gehandhaafd met de beschikbare (sanctie)middelen.

Prestatie-Indicatoren

Stelt vast of het nodig is, of er een juridische grond is en of hij de bevoegdheid heeft om een sanctie op te leggen.

Legt op duidelijke en standvastige wijze de juiste sanctie op en leidt het gesprek

Geeft duidelijke uitleg over de redenen van de sanctie.

Reageert rustig op agressief gedrag van de verdachte/overtreder

Laat persoonlijke vooroordelen geen rol spelen bij het opleggen van een sanctie.

Past procedures en wettelijke richtlijnen bij het opleggen van de sanctie correct toe.

Houdt zijn gevoelens onder controle.

Blijft effectief presteren onder druk.

vaardigheidstoets

handelt sancties af.

Resultaat

Verwerkt op juiste wijze combibon administratief.

Prestatie-Indicatoren

Laat persoonlijke vooroordelen en/of relaties geen rol spelen.

Verwerkt alle relevante informatie op gestructureerde wijze in combibon.

Combineert en controleert de beschikbare gegevens.

Past in voorkomende situaties de voor hem van toepassing zijnde wet- en regelgeving, bevoegdheden, rechtsgebieden en bezwaarprocedures toe.

Bijlage B-II. Eindtermen en gedragscomponenten openbare ruimte

[Regeling vervallen per 01-07-2015]

Onderwerp

Artikel

Toetsterm

WKPV 1.1

Wetboek van Strafrecht , artikelen in relatie tot de ambtenaar

177 (en 177a)

De kandidaat kan, aan de hand van een voorbeeld, aangeven of handelen of nalaten in strijd is met zijn plicht (artikel 177) of niet (artikel 177a) en of er sprake is van omkoping.

179

De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld, vaststellen of er sprake is van ambtsdwang.

180

De kandidaat kan aangeven wanneer er sprake is van verzet (artikel 180) tegen een ambtenaar.

181, 182

De kandidaat kan aangeven wanneer er sprake is van gekwalificeerd verzet (artikel 181, 182) tegen een ambtenaar.

184

De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld, aangeven wanneer er sprake is van opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift.

De kandidaat kan aangeven wanneer er sprake is van het opzettelijk beletten, belemmeren of verijdelen van een handeling van een ambtenaar.

185

De kandidaat kan omschrijven welke mogelijkheden hij heeft volgens het wetboek van strafrecht, als iemand tijdens zijn werkzaamheden opschudding veroorzaakt en zich niet verwijdert, teneinde hem het werk onmogelijk te maken.

188

De kandidaat kan aangeven of en wanneer er sprake is van valse aangifte.

225

De kandidaat kan het verschil tussen valselijk opmaken en vervalsen van een geschrift opgeven en kan aangeven wanneer het gebruik van zo’n geschrift strafbaar is.

231

De kandidaat kan benoemen dat het vervaardigen, gebruik en bezit van een vals reisdocument strafbaar is.

239

De kandidaat kan aangeven wanneer en onder welke omstandigheden er sprake is van schennis van de eerbaarheid.

266, 267

De kandidaat kan aangeven wat belediging is (266) en wanneer een belediging van een ambtenaar of openbaar gezag strafbaar is gedurende of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (267).

285

De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld, aangeven of en wanneer er sprake is van de verschillende in artikel 285 genoemde vormen van bedreiging.

300

De kandidaat kan aangeven wanneer er sprake is van mishandeling.

304

De kandidaat kan herkennen wanneer er sprake is van verzwarende omstandigheden bij mishandeling (ook: artikel 302).

350

De kandidaat kan onderscheid maken tussen de verschillende vormen van vernieling (inclusief het doden of verwonden van een dier) zoals genoemd in artikel 350 sr.

351, 351bis

De kandidaat kan aangeven dat het vernielen van een werk ter algemeen nut, zwaarder wordt gestraft dan een gewone vernieling en dat door schuld vernielen van een werk ter algemeen nut, afzonderlijk strafbaar is.

352

De kandidaat kan aangeven dat het vernielen van een gebouw, vaartuig (inclusief lading), afzonderlijk strafbaar is gesteld.

416, 417 bis

De kandidaat kan aangeven wat het verschil is tussen opzetheling en schuldheling en kan de betekenis van een voortdurend delict beschrijven.

435

De kandidaat kan aangeven of en wanneer iemand strafbaar is voor het opgeven van valse identiteitsgegevens.

447e

De kandidaat kan aangeven wanneer een ID bewijs kan worden gevorderd en wanneer het niet kunnen tonen van het ID bewijs, strafbaar is.

WKPV 1.2

Wetboek van Strafrecht, overtredingen

424

De kandidaat kan vaststellen, gegeven een situatiebeschrijving, of er sprake is van vernieling, baldadigheid of openlijk geweld tegen goederen.

425

De kandidaat kan aangeven, gegeven de wettekst van artikel 425 WvS, in welk geval de omgang tussen mens en een gevaarlijk dier strafbaar is gesteld.

426, 453

De kandidaat kan aangeven welke handelingen, in staat van dronkenschap verricht, strafbaar zijn gesteld.

426bis

De kandidaat kan vaststellen, gegeven de wettekst van artikel 426bis WvS en een situatiebeschrijving, of er sprake is van hinderlijk volgen.

427

De kandidaat kan, gegeven de wettekst van artikel 427 WvS en een situatiebeschrijving, vaststellen of er sprake is van het in gevaar brengen van de veiligheid van verkeer op de openbare weg volgens het strafrecht.

428

De kandidaat kan vaststellen, gegeven de wettekst van artikel 428 WvS en een situatiebeschrijving, of er sprake is van een overtreding bij het in brand steken van eigen onroerende zaken.

429

De kandidaat kan vaststellen, gegeven de wettekst van artikel 429 WvS en een situatiebeschrijving, of er sprake is van een gevaarzettingsdelict dat als overtreding genoemd staat in het strafrecht.

430a

De kandidaat kan benoemen onder welke voorwaarden nudisme is toegestaan volgens artikel 430 WvS.

437

De kandidaat kan, gegeven een voorbeeld, aangeven of er sprake is van overtreding van de regels omtrent het opkopen van goederen in beroep of bedrijf.

443

De kandidaat kan benoemen in welk geval de burgemeester een noodverordening kan afkondigen.

447b

De kandidaat kan onderscheiden, gegeven van artikel 447b WvS, in welk geval een reisdocument moet worden ingeleverd.

458, 459, 460

De kandidaat kan vaststellen, gegeven de wetteksten van artikelen 458, 459 en 460 WvS en een situatiebeschrijving, of er sprake is van een overtreding ten aanzien van de veldpolitie.

461

De kandidaat kan aangeven wanneer er sprake is van verboden toegang voor onbevoegden in gevolge strafrecht.

APV

De kandidaat kan, aan de hand van een situatiebeschrijving, aangeven of hij binnen de APV werkzaam is als opsporingsambtenaar of toezichthouder inclusief de daarbij behorende bevoegdheden benoemen.

De kandidaat kan, aan de hand van een situatiebeschrijving, de bevoegdheden benoemen van de opsporingsambtenaar of de toezichthouder.

De kandidaat kan zijn werkgebied beschrijven aan de hand van de begrippen bebouwde kom, openbare plaats, openbaar water, weg, gebouw, handelsreclame.

De kandidaat kan aan de hand van een casus, aangeven of er sprake is van overtreding van de APV op het gebied van verstoring van de openbare orde.

De kandidaat kan aan de hand van een voorbeeld aangeven wanneer er, volgens de APV, sprake is van een seksinrichting, een hoogdrempelige of laagdrempelige speelautomateninrichting en een snuffelmarkt.

De kandidaat kan, aan de hand van een casus, aangeven of er sprake is van een misdrijf of overtreding op het gebied van milieu, inclusief of deze strafbaar is gesteld in een wet, verordening of keur.

 

De kandidaat kan aangeven of er sprake is van een inrichting voor de Wet Milieubeheer, inclusief of deze vergunningplichtig is.

De kandidaat kan aangeven wanneer er, volgens de Wet Bodembescherming, sprake is van het verontreinigen van de bodem inclusief kan de in deze wet genoemde zorgplicht omschrijven.

De kandidaat kan aan de hand van een casus, aangeven hoe er op grond van de geldige wetgeving (APV of Sr) kan worden opgetreden tegen met name plakken, overlast jeugd, geluidsoverlast omwonenden, overlast drugsgebruik en drankgebruik.

De kandidaat kan, aan de hand van een casus, aangeven of er sprake is van parkeeroverlast door voertuigen inclusief onder welke wet-of regelgeving dit strafbaar is gesteld.

De kandidaat kan benoemenwat de voor