Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg

[Regeling vervallen per 01-01-2021.]
Geldend van 01-01-2014 t/m 31-12-2016

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 oktober 2012, nr. CZ-3131585, houdende nieuwe eisen inzake de ambulancezorg (Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3, 7, 10 en 11 van de Tijdelijke wet ambulancezorg;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemeen

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 1

[Vervallen per 01-01-2021]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b. A1-rit: een spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de meldkamer in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten;

  • c. ambulancebijstandsplan: protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances;

  • d. buitenlandvervoer: het vervoeren van patiënten onder medische begeleiding op basis van een medische indicatie vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd, met inbegrip van het vervoer per ambulance vanaf of naar de Nederlandse luchthavens van patiënten voor wie ambulancezorg is aangewezen vanwege een in het buitenland of Nederland opgelopen ziekte of ontstaan ongeval;

  • e. directeur meldkamer: de directeur meldkamer, bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s;

  • f. directeur publieke gezondheid: de directeur publieke gezondheid, bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;

  • g. gewondenspreidingsplan: overzicht van de medische behandelcapaciteit van ziekenhuizen;

  • h. partners in de acute zorgketen: huisartsen, verloskundigen, GGZ-instellingen en ziekenhuizen, inclusief de traumacentra, in de regio;

  • i. ROAZ: het Regionaal Overleg Acute Zorg, ingesteld ingevolge artikel 4 van de Wet toelating zorginstellingen;

  • j. triage: het dynamische traject van urgentie bepalen en het vervolgtraject indiceren ten behoeve van een juiste en adequate hulpverlening.

Hoofdstuk II. Spreiding en beschikbaarheid

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 2

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening geeft in overleg met de zorgverzekeraars in de regio uitvoering aan het in bijlage 1 opgenomen referentiekader spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening draagt zorg voor voldoende beschikbaarheid van ambulances en personeel om het in bijlage 1 opgenomen referentiekader uit te voeren.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de spreiding van standplaatsen van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de spreiding van de standplaatsen zodanig is dat in de desbetreffende regio minstens 97% van de bevolking binnen 15 minuten responstijd kan worden bereikt door een ambulance.

  • 4 De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de beschikbaarheid van ambulances van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de bereikbaarheid is gewaarborgd.

Hoofdstuk III. Landelijke eisen ambulancezorg

[Vervallen per 01-01-2021]

§ 1. Algemeen

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 4

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.

Artikel 5

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.

Artikel 6

[Vervallen per 01-01-2021]

Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.

§ 2. De cliënt

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 7

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat onder normale omstandigheden in ten minste 95% van de A1-meldingen een ambulance binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse is. De Regionale ambulancevoorziening kan hier in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd van afwijken.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening heeft over de normen voor de wachttijden van het planbare vervoer afspraken met de zorginstellingen in de regio. De planning van het planbare vervoer wordt ondersteund door een adequaat werkend geautomatiseerd systeem.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening analyseert periodiek de oorzaken van overschrijding van de 15 minuten responstijd en neemt maatregelen om deze zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 8

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening past zorgdifferentiatie toe onder de volgende voorwaarden:

    • a. op basis van sectorbrede inzetcriteria wordt bepaald welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoorde ambulancezorg, en

    • b. zorgdifferentiatie gaat niet ten koste van de inzetbaarheid van materieel en personeel die nodig zijn om verantwoorde ambulancezorg te leveren in normale en opgeschaalde omstandigheden.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening levert veilige ambulancezorg. Daartoe is een veiligheidsmanagementsysteem aanwezig.

§ 3. Prijs en doelmatigheid

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 9

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening heeft een meerjarenbegroting, gekoppeld aan een meerjarenbeleidsplan (het Regionaal Ambulanceplan), waarmee de financiën en het beleid voor de langere termijn kan worden overzien en tijdig worden bijgestuurd.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks een plan op. Hierin worden inhoud en financiën gekoppeld. In de aan het jaarplan gekoppelde begroting worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.

  • 3 De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan de ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.

  • 4 In de begroting en de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van ambulancezorg duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.

  • 5 De Regionale Ambulancevoorziening heeft afgeleid van het jaarplan financiële drie-, vier-, of zesmaandelijkse rapportages, waarbij inhoud aan financiën is gekoppeld en de rechtspersoon beschikt over een planning en controlecyclus.

§ 4. Samenwerking in de zorgketen en met buur- en grensregio’s

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 10

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.

Artikel 11

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 Ten behoeve van het leveren van verantwoorde zorg heeft de Regionale Ambulancevoorziening schriftelijke afspraken met:

    • a. de partners in de acute zorgketen, waarbij met de ziekenhuizen in ieder geval de beschikbare opnamecapaciteit en de overdracht van patiënten wordt betrokken en met de huisartsen de inzet en beschikbaarheid tijdens de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-uren),

    • b. de naburige Regionale Ambulancevoorzieningen over in ieder geval de open grens benadering en de onderlinge assistentie,

    • c. de Belgische of Duitse meldkamers en ambulancediensten indien de regio van de Regionale Ambulancevoorziening aan de regio van een buitenlandse ambulancedienst grenst, en

    • d. de directeur publieke gezondheid over mogelijke dienstverlening voor speciale evenementen.

  • 2 De Regionale Ambulancevoorziening voert minimaal halfjaarlijks overleg over de afspraken, bedoeld in het eerste lid, en evalueert deze.

§ 5. Het personeel

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 12

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over kwalitatief en kwantitatief voldoende deskundig personeel om verantwoorde ambulancezorg te kunnen leveren.

  • 2 Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid past de Regionale Ambulancevoorziening in ieder geval een opleiding- en bekwaamheidsbeleid toe, gebaseerd op een meerjarenopleidingsplan.

  • 3 Het management van de Regionale Ambulancevoorziening is van onbesproken gedrag.

  • 4 De veiligheid van het personeel tijdens de uitoefening van hun functie in de publieke ruimte wordt structureel door de Regionale Ambulancevoorziening geïnventariseerd en minimaal vierjaarlijks wordt een risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd.

  • 5 De tevredenheid van het personeel wordt door de Regionale Ambulancevoorziening minimaal vierjaarlijks onderzocht.

§ 6. De organisatie

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 13

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.

Artikel 14

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.

Artikel 15

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.

Artikel 16

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.

§ 7. De meldkamer ambulancezorg

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 17

[Vervallen per 01-01-2021]

Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.

Artikel 18

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 2 De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval:

    • a. de verdeling van taken in de meldkamer,

    • b. de bijdrage van de Regionale Ambulancevoorziening aan het informatiemanagement,

    • c. het gebruik en het beheer van de technische infrastructuur,

    • d. de bescherming van patiëntgerelateerde en medische gegevens,

    • e. de financiering van de gemeenschappelijk kosten, en

    • f. het continuïteitsplan voor de meldkamer.

Artikel 19

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening controleert en verbetert continu de selectie en triage bij de ambulancezorg.

§ 8. Opschaling

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 20

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening heeft schriftelijk afspraken met de directeur publieke gezondheid over het multidisciplinaire oefenen, de inzet bij evenementen en de voorbereiding op de inzet bij een ramp of crisis.

  • 2 De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen:

    • a. de procedures die worden gevolgd bij een ramp of crisis, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de aspecten alarmering, opschaling, coördinatie, informatiemanagement en evaluatie,

    • b. de wijze waarop en de mate waarin personeel en materieel wordt ingezet,

    • c. de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van personeel, ruimte en materieel,

    • d. de wijze van trainen en oefenen met het oog op het gezamenlijk optreden bij de rampenbestrijding en crisisbeheersing en de frequentie waarin getraind en geoefend wordt,

    • e. de samenwerking tussen de Regionale Ambulancevoorziening, de directeur publieke gezondheid, de regionale zorginstellingen en andere relevante hulpverleningsinstanties werkzaam in de regio, en

    • f. het onderhoud en beheer van materiaal voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.

Artikel 21

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.

§ 9. Regionale eisen ambulancezorg

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 22

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 Voor de Veiligheidsregio Zuid-Limburg geldt de eis dat de betreffende Regionale Ambulancevoorziening ervaring heeft met internationale, grensoverschrijdende ambulancezorg en in staat is om te werken volgens de protocollen en afspraken zoals deze zijn vastgelegd in het samenwerkingsdocument ‘Eumed Euregio Maas-Rijn van 2007’.

  • 2 Voor de Veiligheidsregio Haaglanden en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland geldt dat op de meldkamer 7 x 24 uur minimaal twee op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundigen aanwezig zijn die verantwoordelijk zijn voor de zorgintake en de zorgindicatie.

Hoofdstuk IV. Gegevensverstrekking ambulancezorg

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 23

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De Regionale Ambulancevoorziening overlegt aan de minister de volgende gegevens:

  • 2 De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.

Artikel 24

[Vervallen per 01-01-2021]

De Regionale Ambulancevoorziening verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Hoofdstuk V. Bijzondere ambulancezorg

[Vervallen per 01-01-2021]

§ 1. Uitzonderingen

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 25

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 Het in hoofdstuk II van de Tijdelijke wet ambulancezorg bepaalde geldt niet voor:

    • a. vervoer met ambulances van het Nederlandse Rode Kruis van personen van wie de gezondheidstoestand door het vervoer niet negatief zal worden beïnvloed, uitsluitend voor zover dit betreft vervoer:

      • van en naar het Rode Kruis Hospitaal-schip J. Henri Dunant en de Rode Kruis tehuizen ‘de Valkenburg’ en ‘IJsselvliedt’, alsmede voorafgaand aan en volgend op dagboottochten;

      • in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen;

    • b. vervoer met ambulances van ziekenhuizen op het ziekenhuisterrein;

    • c. vervoer met Belgische ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor het Comité van Ministers van de Benelux een beschikking heeft uitgebracht op 8 december 2009;

    • d. vervoer met Duitse ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor tussen een Regionale Ambulancevoorziening en een Duitse ambulancedienst en meldkamer afspraken zijn gemaakt;

    • e. vervoer met ambulances van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard;

    • f. vervoer met ambulances op een bedrijfsterrein en van dat bedrijfsterrein naar een ziekenhuis, behandelend arts of de woning van de patiënt;

    • g. het buitenlandvervoer.

  • 2 Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt, voordat het vervoer aanvangt, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin dit vervoer aanvangt en mag slechts worden verricht met inachtneming van de instructies van die meldkamer.

  • 3 Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt:

    • a. voor zover dit plaatsvindt vanuit het buitenland naar Nederland, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin de eindbestemming van dat vervoer is gelegen;

    • b. voor zover dit plaatsvindt naar het buitenland, aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waar de patiënt wordt opgehaald.

§ 2. Landelijke eisen voor buitenlandvervoer

[Vervallen per 01-01-2021]

Artikel 26

[Vervallen per 01-01-2021]

Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.

Artikel 27

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De vervoerder dient zich eenmalig vóór aanvang van het buitenlandvervoer te registreren bij de minister (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, postbus 20350, 2500 EJ Den Haag, t.a.v. de directie Curatieve Zorg).

  • 2 Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld: de handelsnaam van het bedrijf, het correspondentie- en vestigingsadres en het inschrijvingsnummer in het Handelsregister.

Artikel 28

[Vervallen per 01-01-2021]

De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.

Artikel 29

[Vervallen per 01-01-2021]

De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.

Artikel 30

[Vervallen per 01-01-2021]

De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.

Artikel 31

[Vervallen per 01-01-2021]

De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.

Artikel 32

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 1 De vervoerder stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan het buitenlandvervoer, inzichtelijk gemaakt.

  • 2 In de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van het buitenlandvervoer duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.

Artikel 33

[Vervallen per 01-01-2021]

  • 2 De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.

Artikel 34

[Vervallen per 01-01-2021]

De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E.I. Schippers

Bijlage 1

[Vervallen per 01-01-2021]

Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg 2013

[Vervallen per 01-01-2021]

RIVM Briefrapport 270412003/2013

Rapport in het kort

[Vervallen per 01-01-2021]

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013

[Vervallen per 01-01-2021]

Het RIVM heeft op basis van recente gegevens nieuwe berekeningen gemaakt voor het benodigd aantal ambulances per regio. Hieruit blijkt dat er in Nederland 90 ambulances meer nodig zijn dan de 498 volgens het vorig referentiekader. Er zijn twee oorzaken voor deze toename. Het grootste effect is het gevolg van andere aannames in de capaciteitsberekeningen en van de afloop van een traject van ‘hulpambulances’ in de regio Haaglanden bij de inwerkingtreding van de ‘Tijdelijke wet ambulancezorg’. Daarnaast is de vraag naar ambulancezorg tussen 2006 en 2012 gestegen met gemiddeld 2,9 procent per jaar. Hier liggen demografische ontwikkelingen aan ten grondslag, zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Bovendien doen mensen eerder en gemakkelijker een beroep op de ambulancezorg.

De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit referentiekader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd, gegeven een aantal randvoorwaarden. Dit betreft bijvoorbeeld de responstijden, de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn.

In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader van 2008 geactualiseerd met recente cijfers over de vraag naar en het aanbod van ambulances in Nederland. Hiermee zijn vervolgens enkele varianten van het capaciteitsmodel doorgerekend. Het ministerie van VWS maakt hier een keuze uit, in overleg met Ambulancezorg Nederland en Zorgverzekeraars Nederland, waarna de minister het referentiekader vaststelt.

Abstract

[Vervallen per 01-01-2021]

The Dutch National Ambulance Plan 2013

[Vervallen per 01-01-2021]

Based on recent data, the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has recalculated the required numbers of ambulances for each region of the Netherlands. These calculations show that an additional 90 ambulances are needed on top of the figure of 498 ambulances stated in the previous National Ambulance Plan. This increase can be attributed to two causes. The main cause is a change in the assumptions underlying the capacity calculations and the system of licensing in ambulance care. In addition, the demand for ambulance care has increased by an average of 2.9 percent per year between 2006 and 2012. This is due to demographic developments such as population growth and population ageing. Apart from this, people seem more inclined to make use of ambulance care.

The ambulance care capacity required in the Netherlands is calculated using a framework that defines the number of ambulances needed to deliver ambulance care in the Netherlands, provided several preconditions are met. These preconditions include the maximum response time, i.e. the period that elapses between a report and the arrival of the ambulance.

The Ministry of Health, Welfare and Sport requested RIVM to update the 2008 National Ambulance Plan based on recent data concerning the demand for and provision of ambulance care in the Netherlands. Calculations were performed for several options for the capacity model. The Ministry of Health, Welfare and Sport will select one of these options in consultation with the Netherlands Association of Ambulance Care Providers and the Netherlands Association of Care Insurance Providers. The Minister will then officially adopt the National Ambulance Plan.

Inhoudsopgave

[Vervallen per 01-01-2021]

Inhoudsopgave

3

   

Samenvatting

3

     

1

Inleiding

4

     

2

Toepassing rijtijdenmodel-2013

5

     

3

Modelvarianten

10

3.1

Basismodel

10

3.2

Varianten op het basismodel

12

     

4

Referentiekader 2013

14

     

5

Conclusie

18

   

Referenties

18

     

Bijlage 1

Productiecijfers 2012

19

     

Bijlage 2

Gevoelige standplaatsen

21

     

Bijlage 3

Stapsgewijs naar het basismodel

25

     

Bijlage 4

Varianten van het basismodel

31

     

Bijlage 5

Spreiding van het referentiekader-2013

35

Samenvatting

[Vervallen per 01-01-2021]

Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is in 2013 geactualiseerd. Voor de discussie die aan deze actualisatie voorafging zijn verschillende analyses uitgevoerd en er is een aantal varianten van de capaciteitsberekeningen doorgerekend. Het overleg is gevoerd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Ambulancezorg Nederland (AZN) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN). Het RIVM heeft de analyses ten behoeve van de discussie uitgevoerd. Het overleg heeft geresulteerd in een nieuw referentiekader dat uiteindelijk door de minister van VWS wordt vastgesteld.

Het basismodel ten behoeve van de discussie

Als eerste stap is het referentiekader-2008 geactualiseerd met de productiecijfers over 2011 en met een nieuw rijtijdenmodel. Dit leidde tot een nieuw basismodel dat als uitgangspunt is gebruikt voor de discussie. Er zijn in dit stadium productiecijfers uit 2011 gebruikt omdat gegevens over 2012 nog niet beschikbaar waren. Afgesproken is wel dat bij de uiteindelijke doorrekening de productiecijfers over 2012 gebruikt worden.

Het nieuwe rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg dat in 2013 gereed is gekomen is representatiever dan het oude model omdat gebruik wordt gemaakt van meetgegevens van alle Regionale Ambulance Voorzieningen (RAV’s) gedurende een heel jaar. De schattingen van de rijtijden in dit model zijn lager dan het model uit 2008. Hierdoor is het gebied dat een ambulance binnen bepaalde rijtijd kan behalen groter dan met gebruik van het 2008-model. Een gevolg hiervan is dat in de minimumvariant1 van het capaciteitsmodel minder uitrukpunten nodig zijn dan in de 2008-berekeningen. In de capaciteitsberekeningen leidt dit op werkdagen overdag tot 31 ambulances minder ten opzichte van het referentiekader-2008.

Toepassing van de productiecijfers over 2011 in het referentiekader-2008 leidt tot 28 meer benodigde ambulances op werkdagen overdag. Het actualiseren van de minimumvariant van het capaciteitsmodel doet deze groei teniet. De effecten van beide aanpassingen op het basismodel zijn dus tegengesteld en heffen elkaar min of meer op.

Ten behoeve van de discussie over mogelijke aanpassingen aan het capaciteitsmodel is vervolgens een vijftal varianten geconstrueerd. Deze varianten zijn gebaseerd op productiecijfers over 2011. Dat betekent dat de uiteindelijke resultaten iets kunnen afwijken van de berekeningen in deze varianten omdat de definitieve resultaten gebaseerd zijn op productiecijfers over 2012. De vijf varianten verschillen van het basismodel in keuzes voor parameters en modelstructuur. De varianten en hun effect ten opzichte van het basismodel op werkdagen overdag zijn:

  • 1. een model dat uitgaat van een 5% lagere gemiddelde ritduur leidt tot 19 ambulances minder;

  • 2. een model dat uitgaat van een bezettingsgraad van het besteld vervoer van 75% leidt tot 28 ambulances minder;

  • 3. een model dat geen minimumvariant hanteert op werkdagen overdag leidt tot 82 ambulances meer;

  • 4. een model dat een extra ambulance toekent aan ‘gevoelige’ standplaatsen leidt tot 47 ambulances meer;

  • 5. een model dat de aannames 1, 2 en 4 combineert leidt tot 5 ambulances meer.

Het referentiekader 2013

De discussie over deze varianten heeft geresulteerd in een nieuwe definitie van het referentiekader. Zoals overeengekomen was, wordt uitgegaan van productiecijfers over het 2012. Daarnaast wordt van de vijf doorgerekende varianten alleen variant 3 doorgevoerd. Ten slotte wordt voor twee RAV-en nog een specifieke maatregel opgenomen in het capaciteitsmodel. De spreiding van standplaatsen van het referentiekader-2013 blijft gelijk en is identiek aan die van 2008.

Samengevat zijn de veranderingen in het capaciteitsmodel ten opzichte van 2008 de volgende:

  • er wordt uitgegaan van de productie van de Nederlandse ambulancezorg in 2012;

  • op werkdagen overdag wordt de minimumvariant niet gehanteerd;

  • voor RAV Rotterdam-Rijnmond wordt een extra ambulance toegekend ten behoeve van de paraatheid op de Maasvlakte;

  • voor RAV Haaglanden zijn de hulpambulances meegenomen in de capaciteitsberekeningen.

Dit resulteert erin dat in er in het referentiekader-2013 op werkdagen overdag in totaal 90 ambulances meer worden berekend dan in het referentiekader-2008. Door een stijging in de productie in de periode 2008–2012 zijn 27 ambulances meer nodig dan in het referentiekader-2008. Het toepassen van de maximum variant op werkdagen overdag leidt tot 51 meer benodigde ambulances in deze situatie. Dit is het verschil in het aantal van 82 dat extra toegevoegd wordt conform de berekeningen in variant 3 en het aantal van 31 dat minder nodig is ten gevolge van het toepassen van het nieuwe rijtijdenmodel. Voor de Maasvlakte wordt op alle dagen en tijdsblokken één ambulance aan de capaciteitsberekeningen toegevoegd. Het opnemen van de hulpambulances voor RAV Haaglanden leidt tot 11 ambulances meer op werkdagen overdag.

Volgende actualisering in 2016

In het bestuurlijk overleg is overeengekomen dat een volgende actualisering van het referentiekader in 2016 zal plaatsvinden. Daarbij is tevens besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden naar in ieder geval twee onderwerpen. Ten eerste zal onderzoek worden gedaan naar een geschikte manier om dynamisch ambulance management in het referentiekader toe te passen. Belangrijk hierbij is om de praktijk in de Nederlandse ambulancezorg te vertalen naar een capaciteitsmodel dat past in het referentiekader. Hierbij kunnen ook ervaringen van andere, buitenlandse, organisaties inzicht bieden. Ten tweede zal onderzoek worden gedaan naar de werkelijke bezettingsgraad in het besteld vervoer. Hierbij wordt gekeken naar verschillende aspecten, zoals regio, dagsoort, en tijdsblok. De resultaten van die analyses moeten gebruikt kunnen worden in het capaciteitsmodel van het referentiekader.

1. Inleiding

[Vervallen per 01-01-2021]

Het Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Ook de geografische spreiding van standplaatsen wordt in het referentiekader gedefinieerd. In het referentiekader wordt aan de hand van vooraf gekozen uitgangspunten en randvoorwaarden modelmatig de benodigde spreiding en capaciteit berekend. De uitgangspunten en randvoorwaarden beschrijven een zeker minimumniveau voor de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg. Het referentiekader bepaalt dan ook de benodigde capaciteit en spreiding om aan dit minimumniveau te voldoen. De capaciteitsberekeningen zijn gebaseerd op het gebruik van ambulancezorg in een bepaald basisjaar. De uitkomsten van het referentiekader zijn op regionaal niveau gedefinieerd en zijn de basis voor het verdeelmodel van het macrobudget voor de ambulancesector dat door de Nederlandse Zorgautoriteit wordt beheerd.

De uitgangspunten en randvoorwaarden van het referentiekader worden door het ministerie van VWS in overleg met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Ambulancezorg Nederland (AZN) bepaald. Het RIVM beheert de modellen van het referentiekader en rekent het kader in opdracht van het ministerie van VWS door. Het referentiekader wordt uiteindelijk door de minister van VWS vastgesteld.

Het referentiekader wordt periodiek geactualiseerd. In 2008 was de laatste actualisatie (Kommer en Zwakhals, 2008). Die actualisatie werd gevolgd door een technisch achtergrondrapport met een gedetailleerde beschrijving van de modellen en uitgangspunten van het referentiekader (Kommer en Zwakhals, 2011). In 2008 is een aantal aanbevelingen gedaan voor verdere ontwikkeling van de modellen. In de periode 2011–2013 heeft het RIVM deze aanbevelingen uitgewerkt en de resultaten hiervan zijn in 2013 gepubliceerd (Kommer en Zwakhals, 2013). In dat onderzoek is onder andere een nieuw rijtijdenmodel ontwikkeld, gebaseerd op nieuwe metingen van ambulancesnelheden over de periode van een heel jaar in heel Nederland. Ook is een aantal modellen ontwikkeld waarmee vanuit verschillende uitgangspunten de spreiding en capaciteit van de ambulancezorg kan worden berekend. Deze modellen legden een basis voor het actualiseren van het referentiekader waar dit rapport verslag van doet.

Aan de actualisering ging een discussie vooraf. De discussie heeft in de eerste helft van 2013 plaatsgevonden tussen het Ministerie van VWS, Ambulancezorg Nederland en Zorgverzekeraars Nederland. Ten behoeve van die discussie zijn verschillende modelvarianten doorgerekend. De resultaten van die varianten zijn in het bestuurlijk overleg besproken waarna nieuwe berekeningen zijn gemaakt. De discussie heeft geleid tot een keuze voor een bepaalde modelvariant die uiteindelijk gehanteerd wordt in het referentiekader. In dit rapport worden zowel de verschillende varianten als ook de uiteindelijke modelvariant van het referentiekader-2013 gepresenteerd.

Als eerste is een ‘basismodel’ geconstrueerd. Dit basismodel is een doorrekening van het referentiekader-2008 met productiecijfers over 2011. Van het basismodel is vervolgens een aantal varianten afgeleid. Deze varianten verschillen van het basismodel in de randvoorwaarden, uitgangspunten en modelstructuur. De varianten zijn met 2011-gegevens doorgerekend omdat de 2012-gegevens pas in de loop van het proces waarin het referentiekader tot stand is gebracht beschikbaar kwamen. Het uiteindelijke model voor het referentiekader is met productiecijfers over 2012 doorgerekend.

Leeswijzer

Het nieuwe rijtijdenmodel heeft belangrijke gevolgen voor het referentiekader. Daarom zijn deze effecten in hoofdstuk 2 apart beschreven. Het basismodel en de verschillende modelvarianten die in de discussie zijn besproken zijn beschreven in hoofdstuk 3. Uiteindelijk is gekozen voor een modelvariant die in het referentiekader is gebruikt. Het referentiekader-2013 is beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 geeft de conclusies en aanbevelingen voor de toekomst.

2. Toepassing rijtijdenmodel-2013

[Vervallen per 01-01-2021]

In de periode 2011–2012 is een nieuw rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg ontwikkeld. Het rijtijdenmodel schat de rijtijd die een ambulance nodig heeft om met spoed van A naar B te rijden. Het model is gedefinieerd op het geografisch niveau van vierpositie postcodes en is gespecificeerd naar verschillende wegtypes, regiotypes en tijdstip op de dag. Het model is gebaseerd op metingen van snelheden van ambulances die ingezet zijn voor een inzet met A1-urgentie. De periode waarover deze metingen zijn gedaan was van oktober 2011 tot en met september 2012. In de meting zijn ambulances van alle regio’s in Nederland meegenomen. Van de metingen zijn gemiddelde snelheden berekend die vervolgens in een routeplanner zijn ingevoerd waarna de rijtijden zijn geschat.

De gemiddelde snelheden die uit de 2011–2012 metingen volgden, waren voor veel wegtypes, regiotypes en tijdstippen op de dag hoger dan in de vorige versie van het rijtijdenmodel uit 2008. De 2008-versie was gebaseerd op een meetperiode van zes weken in 2007 over acht regio’s. De nieuwe gemiddelde snelheden per wegtype, hebben tot gevolg dat de rijtijden van A naar B in het nieuwe rijtijdenmodel vaak korter zijn dan die van het vorige rijtijdenmodel. Dit betekent dat het modelmatig berekende bereik van een ambulance, het gebied dat binnen een bepaalde rijtijd kan worden bereikt, met het nieuwe model groter is dan met het oude model. Dit heeft gevolgen voor de modellen van het referentiekader.

Het bereik van een ambulance binnen 12 minuten rijtijd, vertrekkend vanaf een standplaats, is nu groter dan in 2008. Hierdoor is het aantal inwoners dat binnen 12 minuten kan worden bereikt hoger dan in 2008. Het aantal bereikte inwoners bij een bepaalde rijtijd noemen we de dekkingsgraad. Deze dekkingsgraad is een norm in de uitgangspunten van het referentiekader. Die zegt dat voor elke RAV de spreiding van standplaatsen zodanig moet zijn dat minstens 97% van de inwoners binnen 12 minuten moet kunnen worden bereikt. Het gebruik van het nieuwe rijtijdenmodel dwingt ons tot een toets aan dit uitgangspunt van het referentiekader.

Een ander effect van het nieuwe rijtijdenmodel ligt in het aantal uitrukpunten van de minimumvariant van het capaciteitsmodel. Dit aantal wordt modelmatig berekend met gebruik van het rijtijdenmodel. In deze berekening wordt het minimum aantal locaties bepaald waarmee bij 13 minuten rijtijd de eerder berekende dekkingsgraden bij 12 minuten rijtijd kan worden gehaald. Deze berekeningswijze is een aanname van de minimumvariant van het capaciteitsmodel van het referentiekader. Omdat de rijtijden van het nieuwe rijtijdenmodel lager zijn dan van het vorige model, is het bereik vanaf een locatie (standplaats of uitrukpunt) groter, waarmee het aantal locaties om een dekkingsgraad te behalen lager kan zijn.

Dekkingsgraden

De tabellen 1 en 2 geven de nieuwe dekkingsgraden bij 12 minuten rijtijd. Tabel 1 geeft het modelmatig berekende aantal inwoners in 2011 en tabel 2 het aantal incidenten dat binnen 12 minuten kan worden bereikt. Hierbij is uitgegaan van de spreiding van standplaatsen van het referentiekader-2008 en is gebruik gemaakt van het nieuwe rijtijdenmodel. Voor de inwoneraantallen is uitgegaan van de bevolkingsstatistieken van het CBS op vierpositie postcodeniveau (CBS, 2012). Voor de berekening van de dekking op incidenten is uitgegaan van het aantal inzetten met A1- of A2-urgentie, per vierpositie postcodegebied in 2011. Dit postcodegebied is het ‘afhaaladres’ van de inzet. De dekkingsgraad is hier gedefinieerd als het percentage van alle inzetten dat in het gebied ligt dat binnen 12 minuten kan worden bereikt vanaf een standplaats.

Deze dekkingsgraad moet niet worden verward met het werkelijk aantal spoedritten in 2011 dat binnen 15 minuten responstijd is gerealiseerd. Het werkelijke aantal ritten is ontleend aan de ritstatistieken en kijkt naar de gerealiseerde responstijden. In de modelmatig berekende dekkingsgraad kijken we alleen naar het aantal inzetten per vierpositie postcodegebied. De responstijden doen er dan niet toe.

Figuur 1 brengt de verschillen in rijtijden tussen de rijtijdmodellen in kaart. De kaarten gaan uit van de spreiding van standplaatsen van het referentiekader-2008. De bovenste kaart geeft de dekking weer op basis van het 2008-rijtijdenmodel, de onderste kaart op basis van het 2013-rijtijdenmodel.

Een vergelijking van de kaarten laat de verschillen duidelijk zien. Met het nieuwe rijtijdenmodel wordt een groter gebied in Nederland binnen 12 minuten gedekt. Ondanks de veelal hogere snelheden in het 2013-rijtijdenmodel, en de hieruit volgende lagere rijtijden, zijn er nog steeds gebieden die niet binnen 12 minuten bereikt kunnen worden. Deze moeilijk bereikbare gebieden liggen in Friesland, Noordwest Overijssel, de Maasvlakte, Oostelijk Goeree-Overflakkee, het gebied rond Baarle-Nassau en op de oostelijke Maasoever in Noord-Limburg. Daarnaast zijn er enkele kleinere gebieden met hoge rijtijden.

Het gebied in Zuidelijk-Flevoland in de omgeving Zeewolde wordt door het model ook aangemerkt als een gebied met hoge rijtijden vanaf de standplaats Zeewolde. Dit komt niet helemaal overeen met de werkelijkheid maar is een gevolg van een uitgangspunt van het rijtijdenmodel. Die berekent namelijk de rijtijden vanuit de geografische middelpunten (centroïdes) van vierpositie postcodegebieden. De schatting van het rijtijdenmodel benadert de werkelijke rijtijden goed als de standplaats in de buurt van de centroïde ligt. In het geval van de standplaats Zeewolde is dit niet het geval. Die standplaats ligt in een uiterste hoek van een groot postcodegebied. Het model schat de rijtijden naar andere (grote) postcodegebieden in Zuidelijk Flevoland te hoog. In andere gebieden in Nederland speelt dit niet.

Tabel 1: Dekkingsgraad inwoneraantallen: aantal inwoners binnen 12 minuten rijtijd bereikt, gebruik makend van het rijtijdenmodel-2013 en de spreiding van standplaatsen conform het referentiekader-2008.

     

Aantal inwoners

binnen 12 minuten rijtijd bereikt

RAV-nr

RAV-naam

Totaal aantal inwoners

(x 1.000)

Absoluut

(x 1.000)

Procentueel

1

RAV Groningen

579

578

99,9

2

RAV Friesland

648

642

99,1

3

RAV Drenthe

491

491

100,0

4

RAV IJsselland

509

506

99,3

5

RAV Twente

625

625

100,0

6

RAV Noord- en Oost-Gelderland

811

811

100,0

7

RAV Gelderland-Midden

659

656

99,6

8

RAV Gelderland-Zuid

534

526

98,6

9

RAV Utrecht

1.229

1.227

99,8

10

RAV Noord-Holland Noord

644

642

99,7

11

RAV Amsterdam-Amstelland

958

958

100,0

12

RAV Kennemerland

523

523

100,0

13

RAV Zaanstreek-Waterland

322

322

100,0

14

RAV Gooi- en Vechtstreek

244

245

100,0

15

RAV Haaglanden

1.026

1.026

100,0

16

RAV Hollands Midden

764

764

100,0

17

RAV Rotterdam-Rijnmond

1.257

1.252

99,6

18

RAV Zuid-Holland Zuid

481

480

99,7

19

RAV Zeeland

382

378

99,0

20

RAV Midden- en West-Brabant

1.075

1.066

99,1

21

RAV Brabant-Noord

640

640

100,0

22

RAV Brabant-Zuidoost

739

738

99,9

23

RAV Limburg-Noord

515

510

99,0

24

RAV Zuid-Limburg

607

606

99,9

25

RAV Flevoland

392

391

99,8

 

Nederland

16.653

16.601

99,7

Tabel 2: Dekkingsgraad incidenten: aantal A1- en A2-inzetten in 2011 in het gebied dat binnen 12 minuten rijtijd kan worden bereikt, gebruik makend van het rijtijdenmodel-2013 en de spreiding van standplaatsen conform het referentiekader-2008.
     

Aantal spoedritten

binnen 12 minuten rijtijd bereikt

RAV-nr

RAV-naam

Totaal aantal spoedritten

(x 1.000)

Absoluut

(x 1.000)

Procentueel

1

RAV Groningen

30,0

30,0

99,9

2

RAV Friesland

26,8

26,6

99,2

3

RAV Drenthe

26,0

26,0

99,9

4

RAV IJsselland

20,3

20,2

99,4

5

RAV Twente

23,3

23,3

100,0

6

RAV Noord- en Oost-Gelderland

34,0

34,0

100,0

7

RAV Gelderland-Midden

23,7

23,6

99,6

8

RAV Gelderland-Zuid

20,8

20,5

98,6

9

RAV Utrecht

50,0

49,9

99,9

10

RAV Noord-Holland Noord

27,8

27,8

99,7

11

RAV Amsterdam-Amstelland

54,0

54,0

100,0

12

RAV Kennemerland

27,7

27,7

100,0

13

RAV Zaanstreek-Waterland

14,7

14,7

100,0

14

RAV Gooi- en Vechtstreek

9,9

9,9

100,0

15

RAV Haaglanden

51,0

51,0

100,0

16

RAV Hollands Midden

33,7

33,6

100,0

17

RAV Rotterdam-Rijnmond

64,0

63,6

99,5

18

RAV Zuid-Holland Zuid

20,1

20,0

99,9

19

RAV Zeeland

17,9

17,8

99,3

20

RAV Midden- en West-Brabant

45,5

45,1

99,1

21

RAV Brabant-Noord

24,9

24,9

100,0

22

RAV Brabant-Zuidoost

28,0

27,9

99,8

23

RAV Limburg-Noord

21,5

21,3

99,0

24

RAV Zuid-Limburg

28,4

28,4

99,9

25

RAV Flevoland

17,3

17,2

99,4

 

Nederland

741,1

738,9

99,7

Bijlage 252372.png
Bijlage 252373.png
Figuur 1: Rijtijd vanaf de dichtstbijzijnde standplaats in het referentiekader-2008. Boven: rijtijdenmodel 2008; onder: rijtijdenmodel-2013.

Uitrukpunten minimumvariant

In het referentiekader-2008 heeft het capaciteitsmodel twee varianten. Op werkdagen overdag wordt de ‘minimumvariant’ gehanteerd. Op alle andere dagsoorten en tijdsblokken wordt de ‘maximumvariant’ gehanteerd. De varianten onderscheiden zich door andere aannames in het geografische deelmodel van het capaciteitsmodel. In de minimumvariant wordt uitgegaan van een operationalisatie van dynamisch ambulance management (DAM). In de maximumvariant wordt uitgegaan van paraatheid vanaf de standplaats. Zie voor meer details het rapport over de modelontwikkeling van het referentiekader (Kommer en Zwakhals, 2013). We gaan hier kort in op de verschillen en concentreren ons op de verschillen die optreden door het gebruik van het nieuwe rijtijdenmodel.

In de operationalisatie van DAM in de minimumvariant wordt verondersteld dat de ambulances paraatheid leveren vanaf strategische locaties in de regio en direct inzetbaar zijn. In deze veronderstelling hebben de ambulances één minuut minder meld- en uitruktijd en daarmee één minuut meer rijtijd voor een inzet. Omdat vanaf strategische locaties in de regio wordt vertrokken, wordt niet uitgegaan van het aantal standplaatsen, maar van een aantal (fictieve) uitrukpunten. De uitrukpunten worden bepaald door te zoeken naar optimale locaties van waaruit een dekkingsgraad kan worden behaald bij 13 minuten rijtijd. De te behalen dekkingsgraad is de dekkingsgraad die bij 12 minuten rijtijd vanaf de standplaatsen wordt behaald. Het aantal uitrukpunten wordt per regio bepaald. Er vindt geen regionale assistentie plaats. Dat betekent dat de eventuele locaties van uitrukpunten in aangrenzende regio’s niet in de optimalisatie worden meegenomen, elke regio moet zijn eigen dekking verzorgen. In de berekening van het aantal uitrukpunten wordt uitgegaan van de inwonersaantallen in 2011. Het aantal uitrukpunten wordt bepaald met gebruik van het MCLP-model (Kommer en Zwakhals, 2013). Deze methode is gelijk aan de methode die in 2008 is gevolgd.

Tabel 3 geeft het aantal uitrukpunten in de minimumvariant van het capaciteitsmodel met gebruik van het nieuwe rijtijdenmodel. Met het nieuwe rijtijdenmodel worden 32 uitrukpunten minder berekend dan in het referentiekader-2008. In de meeste regio’s worden met het nieuwe rijtijdenmodel minder uitrukpunten berekend. Dit geldt voor vrijwel alle regio’s met een groot oppervlakte. Soms is het aantal gelijk (Gelderland-Midden, Gooi- en Vechtstreek, Hollands Midden, Flevoland en enkele eilanden). In één geval wordt met het nieuwe rijtijdenmodel een uitrukpost meer berekend (Brabant-Zuidoost). Dit is vermoedelijk toe te schrijven aan de toegenomen dekkingsgraad bij 12 minuten rijtijd voor deze regio. De optimalisatie zoekt naar een minimum aantal punten waarbij deze dekking bij 13 minuten rijtijd gehaald wordt. Blijkbaar weegt de hogere dekkingsgraad meer mee in de optimalisatie dan de lagere rijtijden van het rijtijdenmodel.

Tabel 3: Aantal standplaatsen in het referentiekader-2008 en het aantal uitrukpunten in de minimumvariant van het capaciteitsmodel met gebruik van de oude en de nieuwe versie van het rijtijdenmodel.
     

Aantal uitrukpunten minimumvariant

 

RAV-nr

RAV-naam

Aantal standplaatsen referentiekader-2008

2008

2012

verschil

1

RAV Groningen

13

8

6

–2

2

RAV Friesland

16

13

8

–5

3

RAV Drenthe

11

8

7

–1

4

RAV IJsselland

10

7

6

–1

5

RAV Twente

9

5

4

–1

6

RAV Noord- en Oost-Gelderland

10

10

7

–3

7

RAV Gelderland-Midden

7

5

5

0

8

RAV Gelderland-Zuid

8

5

4

–1

9

RAV Utrecht

11

7

6

–1

10

RAV Noord-Holland Noord

7

5

4

–1

11

RAV Amsterdam-Amstelland

5

3

2

–1

12

RAV Kennemerland

5

3

2

–1

13

RAV Zaanstreek-Waterland

4

3

2

–1

14

RAV Gooi- en Vechtstreek

2

2

2

0

15

RAV Haaglanden

6

3

2

–1

16

RAV Hollands Midden

7

5

5

0

17

RAV Rotterdam-Rijnmond

7

6

3

–3

18

RAV Zuid-Holland Zuid

6

5

3

–2

20

RAV Midden- en West-Brabant

13

9

7

–2

21

RAV Brabant-Noord

7

5

5

0

22

RAV Brabant-Zuidoost

7

5

6

+1

23

RAV Limburg-Noord

7

7

5

–2

24

RAV Zuid-Limburg

4

4

2

–2

25

RAV Flevoland

6

5

5

0

30

Texel

1

1

1

0

31

Vlieland

1

1

1

0

32

Terschelling

1

1

1

0

33

Ameland

1

1

1

0

34

Schiermonnikoog

1

1

1

0

35

Goeree-Overflakkee

2

2

2

0

36

Schouwen-Duiveland

2

2

1

–1

37

Tholen

1

1

1

0

38

Walcheren en Bevelanden

5

4

3

–1

39

Zeeuws-Vlaanderen

3

3

3

0

 

Totaal

206

155

123

–32

3. Modelvarianten

[Vervallen per 01-01-2021]

In dit hoofdstuk worden de modelvarianten gepresenteerd die besproken zijn in de discussie die voorafging aan het opstellen van het referentiekader. De varianten zijn afgeleid van een basismodel. Het basismodel is gelijk aan het capaciteitsmodel van het referentiekader-2008, geactualiseerd met productiecijfers over het jaar 2011. De varianten zijn uit het basismodel geconstrueerd door andere parameters en uitgangspunten te kiezen. Per variant zijn één of meer uitgangspunten anders. Dit leidt tot varianten op basis van één alternatieve keuze, of op basis van een combinatie van alternatieven.

3.1. Basismodel

[Vervallen per 01-01-2021]

Het basismodel gaat uit van dezelfde methode voor de capaciteitsberekeningen als in het referentiekader-2008. Het referentiekader-2008 had als basisjaar 2006. Op drie punten is dat model geactualiseerd met cijfers over 2011:

  • Het aantal dagen naar soort (werkdagen-zaterdagen-zondagen) in 2011 is anders dan in 2008. Als gevolg hiervan is het aantal beschikbare uren ambulancezorg per dagsoort in 2011 anders dan in 2008.

  • De productie van de ambulancezorg, het aantal inzetten naar urgentieklasse, dagsoort en tijdsblok, is in 2011 anders dan in 2008. Ook de gemiddelde ritduur, een belangrijke parameter in het capaciteitsmodel, wordt geactualiseerd naar 2011.

  • Tot slot is het aantal uitrukpunten in de minimumvariant in 2011 anders dan in 2008, door gebruik van het nieuwe rijtijdenmodel (zie hoofdstuk 2, tabel 3).

In deze paragraaf wordt het basismodel in vijf stappen opgebouwd vanuit het referentiekader-2008. De resultaten van de stappen zijn gegeven in tabel 4.

Stap 1:

Het aantal werk-, zater- en zondagen, inclusief feestdagen, is geactualiseerd naar 2011. In 2011 zijn er 256 werkdagen, 51 zaterdagen en 58 zon- en feestdagen. Ten opzichte van 2008 zijn er twee werkdagen meer en zijn er één zaterdag en één zon- en feestdag minder.

Stap 2:

De productie van het spoedvervoer (A1- en A2-urgentie) is geactualiseerd naar 2011. Hierbij is uitgegaan van de productiecijfers die gepubliceerd zijn in Ambulances in-zicht 2011 (AZN, 2012). Deze cijfers zijn in twee stappen bewerkt. Bijlage 1 geeft een beschrijving van de bewerkingen van de ritten over 2012 ten behoeve van de uiteindelijke versie van het referentiekader. De bewerkingen van de 2011-gegevens zijn identiek aan deze bewerkingen. In het kort worden in de bewerking de inzetten van rapid responders waarbij een ambulance als tweede auto is ingezet, uit de selectie gefilterd. Deze inzetten tellen niet mee in de productie voor het referentiekader. Dit is een uitgangspunt van het referentiekader. Ook ritten naar buitenlandse afhaaladressen worden niet in de productiecijfers meegenomen. In een tweede stap worden de spoedritten (A1- en A2-urgentie) herverdeeld naar dichtstbijzijnde standplaats.

Stap 3:

De productie van het besteld vervoer (B-urgentie) is vervolgens ook geactualiseerd naar 2011. De besteld vervoer inzetten worden niet herverdeeld naar dichtstbijzijnde standplaats. De B-inzetten worden toegewezen aan de uitvoerende RAV, conform de productiecijfers. Uitzondering hierop zijn de eilanden in de eilandbenadering van het referentiekader. Hiervoor is een toewijzing gemaakt op basis van het afhaaladres van de inzet. Voor Noord-Holland Noord en Friesland kunnen de besteld vervoer ritten van de eilanden en het vaste land worden onderscheiden. Zeeland is volledig opgedeeld in eilanden. Daarom is een extra beslisregel nodig voor het toerekenen van besteld vervoer inzetten van RAV Zeeland buiten de eigen regio. Deze zijn toegewezen aan het eiland ‘Walcheren en Bevelanden’, omdat daar de meeste productie plaatsvindt.

Stap 4:

In de vierde stap wordt de gemiddelde ritduur geactualiseerd naar 2011. De gemiddelde ritduur is gebaseerd op een selectie van ritten waarvoor de tijdenregistratie valide is. Dat betekent dat deze tijden als tijdsveld geregistreerd zijn, niet nul zijn en een maximum waarde niet overschrijden.

Stap 5:

Tot slot is in een vijfde stap het aantal uitrukpunten voor de minimumvariant geactualiseerd met gebruik van het rijtijdenmodel-2013, zie hoofdstuk 2.

Tabel 4: Stapsgewijze constructie van het basismodel, dat bestaat uit het actualiseren van het capaciteitsmodel van het referentiekader-2008 met productiegegevens over 2011 en het rijtijdenmodel 2013; per stap is het verschil ten opzichte van de vorige stap aangegeven.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Referentiekader-2008

270

498

351

271

371

330

282

349

321

Stap 1: Dagsoorten

0

–4

0

1

3

3

0

2

2

Stap 2: Productie spoedvervoer

6

22

14

10

17

15

7

17

14

Stap 3: Productie besteld vervoer

0

1

3

2

10

3

2

7

4

Stap 4: Gemiddelde ritduur

1

9

2

–1

4

1

1

2

4

Stap 5: Minimum variant

0

–31

0

0

0

0

0

0

0

Basismodel

277

495

370

283

405

352

292

377

345

Verschil ten opzichte van referentiekader-2008

7

–3

19

12

34

22

10

28

24

Het referentiekader-2008 definieerde 498 ambulances op werkdagen overdag. Als in stap 1 het aantal dagen naar soort wordt aangepast naar de aantallen in het jaar 2011, worden op werkdagen overdag 4 ambulances minder berekend, op zaterdagen overdag zijn drie ambulances meer nodig. Deze verschillen worden veroorzaakt door het feit dat in 2011 meer werkdagen zijn en minder weekend- en feestdagen. De productie van 2008 moet dan in een ander aantal uren worden gemodelleerd. Op werkdagen gaat dan de bezettingsgraad omlaag waardoor minder ambulances nodig zijn. Het actualiseren van de dagsoorten in deze stap is een technische verhandeling die voor een volledig beeld samen moet worden gezien met het actualiseren van de productie in stap 2.

De actualisatie van het aantal spoedritten in stap 2 leidt op werkdagen overdag tot 22 extra benodigde ambulances ten opzichte van de eerste stap. In alle tijdsblokken en dagsoorten zijn meer ambulances nodig, vanwege de groei in het zorggebruik in de periode 2008–2011. Bij de actualisering van het aantal spoedritten is de verdeling over dagsoorten en tijdsblokken uiteraard ook meegenomen. In samenhang met de uitkomsten van stap 1 kan worden geconcludeerd dat per saldo de capaciteit toeneemt.

In de derde stap wordt ook de productie B-vervoer geactualiseerd. Dit heeft een minder groot effect als de actualisatie van het spoedvervoer. Op werkdagen overdag wordt ten opzichte van de tweede stap één extra ambulance berekend. Blijkbaar is op zaterdagen overdag de stijging van het besteld vervoer in de periode 2008–2011 groter dan op werkdagen: dan zijn 10 extra ambulances nodig.

De gemiddelde ritduur van het ambulancevervoer is in vrijwel alle tijdsblokken en dagsoorten toegenomen Dat blijkt uit de toename van de benodigde capaciteit in stap 4. Op werkdagen overdag leidt de actualisatie van de gemiddelde ritduur tot een stijging van negen ambulances ten opzichte van de derde stap. In hoofdstuk 2 is geconstateerd dat in de meetgegevens van het rijtijdenmodel in 2011 ambulances hogere snelheden hadden dan in 2008. Deze metingen betreffen alleen de snelheden die ambulances hebben in het aanrijden naar de patiënt. In deze vierde stap constateren we dat de gemiddelde ritduur in 2011 hoger is dan in 2008. Deze constateringen lijken met elkaar in tegenspraak. Toch hoeft dat niet, als bedacht wordt dat de gemiddelde ritduur de behandeltijd ter plaatse en de bezorging van de patiënt in het ziekenhuis omvat. Het is niet geanalyseerd, maar vermoedelijk zijn deze tijdsduren in de periode 2008–2011 toegenomen, met een hogere gemiddelde ritduur als gevolg.

De minimumvariant van het capaciteitsmodel wordt alleen op werkdagen overdag gehanteerd. Als het aantal uitrukpunten in deze variant wordt geactualiseerd naar 2011, zie hoofdstuk 2, dan zijn 31 ambulances minder nodig in vergelijking met stap 4. Dit effect is toe te schrijven aan het nieuwe rijtijdenmodel dat sneller is dan het oude. Hierdoor zijn minder uitrukpunten en dus ook minder ambulances nodig om de vereiste dekkingsgraad te waarborgen.

Als eindresultaat heeft het basismodel op werkdagen overdag 495 ambulances, dat is drie minder dan het referentiekader-2008. Op andere dagsoorten en tijdsblokken worden tussen de zeven en vierendertig ambulances meer dan in het referentiekader-2008 berekend. Uit deze resultaten blijkt het grote effect van de toepassing van het nieuwe rijtijdenmodel in de minimumvariant van het capaciteitsmodel.

3.2. Varianten op het basismodel

[Vervallen per 01-01-2021]

Van het basismodel is een aantal varianten doorgerekend. De varianten verschillen van elkaar in parameterwaarden of modelstructuur. Het gaat in alle gevallen om berekeningen van het capaciteitsmodel van het referentiekader. De varianten volgen uit het rapport modelontwikkeling (Kommer en Zwakhals, 2013).

De eerste variant hanteert een 5% lagere gemiddelde ritduur dan het basismodel. De tweede variant gaat uit van een bezettingsgraad van 75% in plaats van 66% voor het besteld vervoer. In de derde variant wordt in de capaciteitsberekeningen op werkdagen overdag geen minimumvariant gebruikt. De vierde variant wijst aan een aantal zogenaamde ‘gevoelige standplaatsen’ een extra ambulance toe. Als laatste is een gecombineerde variant opgesteld waarin extra ambulances aan ‘gevoelige standplaatsen’ worden toegekend, de gemiddelde ritduur wordt verlaagd en de bezettingsgraad voor besteld vervoer wordt verhoogd. De varianten worden in deze paragraaf toegelicht. De uitkomsten en een vergelijking met het basismodel zijn gegeven in tabel 5.

• Variant 1: Lagere gemiddelde ritduur

De gemiddelde ritduur is een parameter in het capaciteitsmodel die gebaseerd is op de ritgegevens. Dit gemiddelde is gespecificeerd naar tijdsblok, dagsoort, regio, standplaats en urgentieklasse. De gemiddelde ritduur bepaalt samen met het aantal ritten het benodigde aantal uren ambulancezorg waar het capaciteitsmodel het benodigd aantal ambulances voor berekent.

De ritduur van een ambulance-inzet is in het referentiekader gedefinieerd als het tijdsinterval tussen het moment dat de ambulance vertrekt voor een inzet, tot het moment dat ‘einde rit’ wordt geregistreerd. Het tijdstip ‘einde rit’ wordt geregistreerd als de ambulance weer is teruggekeerd naar de standplaats. Als in de ritgegevens het tijdstip ‘einde rit’ niet bekend is, wordt het tijdstip van ‘vrijmelding’ genomen. Het tijdstip van vrijmelding is het moment waarop de ambulance-eenheid zich beschikbaar meldt bij de centralist voor een nieuwe ritopdracht. Dit kan bijvoorbeeld het moment zijn waarop de ambulance het ziekenhuis verlaat na het bezorgen van een patiënt.

In deze eerste variant is voor alle regio’s en alle soorten vervoer de gemiddelde ritduur met 5% verlaagd. Deze verkorting van de ritduur zou bijvoorbeeld behaald kunnen worden door een kortere behandeltijd op de plaats van het ongeval of een efficiëntere overdracht in het ziekenhuis.

• Variant 2: Hogere bezettingsgraad besteld vervoer

In de capaciteitsberekeningen wordt het aantal ambulances dat nodig is voor het uitvoeren van besteld vervoer bepaald aan de hand van het werkelijk aantal uren ambulancezorg ten behoeve van het B-vervoer, geschaald met de bezettingsgraad. In het basismodel is de bezettingsgraad 66%. In deze tweede variant wordt de bezettingsgraad van het besteld vervoer verhoogd naar 75%.

• Variant 3: Geen minimumvariant in het capaciteitsmodel

Het referentiekader-2008 hanteert op werkdagen overdag de zogenaamde ‘minimumvariant’. Deze variant gaat uit van dynamisch ambulance management en veronderstelt dat ambulances een inzet verzorgen vanuit ‘rijdende paraatheid. In deze rijdende paraatheid zijn ambulances gestationeerd op strategische locaties in de regio en kunnen sneller worden ingezet op een melding. Deze aanname heeft gevolgen voor de geografische component van het capaciteitsmodel.

In deze derde variant wordt in het basismodel op werkdagen overdag de maximumvariant gehanteerd. Dat betekent dat voor de geografische component van het capaciteitsmodel wordt uitgegaan van de spreiding van de 206 standplaatsen in het referentiekader-2008 in plaats van 123 uitrukpunten zoals berekend in hoofdstuk 3.

• Variant 4: Extra ambulance voor ‘gevoelige standplaatsen’

In deze variant wordt een aantal ‘gevoelige’ standplaatsen gedefinieerd. Vervolgens wordt in het capaciteitsmodel op werkdagen overdag aan deze standplaatsen een extra ambulance toegekend.

Een gevoelige standplaats is gedefinieerd als een standplaats met een verzorgingsgebied dat ‘weinig’ overlap heeft met verzorgingsgebieden van andere standplaatsen. Voor alle verzorgingsgebieden is bepaald welk deel uniek door de betreffende standplaats kan worden bereikt. Een gevoelige standplaats is benoemd als een standplaats waarvan minstens 20% van het verzorgingsgebied uitsluitend door de betreffende standplaats binnen 12 minuten kan worden bereikt. Er zijn 47 gevoelige standplaatsen. Bijlage 2 geeft een overzicht van de resultaten van deze analyse.

• Variant 5: Gevoelige standplaatsen, hogere bezettingsgraad besteld vervoer en lagere gemiddelde ritduur

In deze gecombineerde variant wordt op werkdagen overdag aan de 47 gevoelige standplaatsen een extra ambulance toegekend, wordt de bezettingsgraad voor besteld vervoer verhoogd naar 75% èn wordt de gemiddelde ritduur van het basismodel met 5% verlaagd.

Resultaten van de vijf varianten

Tabel 5 geeft een overzicht van de resultaten van de varianten. De verschillen van de varianten ten opzichte van het basismodel zijn het meest zichtbaar op werkdagen overdag omdat in dat tijdsblok de hoogste capaciteit wordt berekend.

Een 5% lagere gemiddelde ritduur leidt tot 19 ambulances minder ten opzichte van het basismodel. Een bezettingsgraad van 75% in plaats van 66% resulteert in 28 ambulances minder ten opzichte van het basismodel. De effecten van deze twee varianten zijn ook zichtbaar op andere dagsoorten en tijdsblokken. De varianten 3 en 4 hebben alleen effect op werkdagen overdag. Het effect van het verlaten van de minimumvariant leidt tot 82 ambulances meer ten opzichte van het basismodel, de extra ambulances voor de gevoelige standplaatsen geeft 47 ambulances meer dan het basismodel; voor elke gevoelige standplaats een extra ambulance.

Ten behoeve van de discussie over het referentiekader zijn meer varianten doorgerekend dan de bovenstaande vijf. De resultaten van die doorrekeningen worden hier echter niet gepresenteerd omdat de uitkomsten vrijwel overeenkwamen met het basismodel, of omdat de uitkomsten extra vragen opriepen die nader onderzoek vergden. De relatief korte periode van de discussie bood geen ruimte voor dit onderzoek. We noemen de varianten hier kort.

Tabel 5: Resultaten van de vijf varianten op het basismodel
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Variant 1:

5% lagere gemiddelde ritduur

276

476

364

283

398

346

289

370

338

Verschil met het basismodel

–1

–19

–6

0

–7

–6

–3

–7

–7

Variant 2:

Bezettingsgraad B-vervoer 75%

277

467

364

283

399

349

291

373

341

Verschil met het basismodel

0

–28

–6

0

–6

–3

–1

–4

–4

Variant 3:

Geen minimumvariant

277

577

370

283

405

352

292

377

345

Verschil met het basismodel

0

82

0

0

0

0

0

0

0

Variant 4:

Extra ambulance voor gevoelige standplaatsen

277

542

370

283

405

352

292

377

345

Verschil met het basismodel

0

47

0

0

0

0

0

0

0

Variant 5:

Extra ambulance voor gevoelige standplaatsen, bezettingsgraad B-vervoer 75% en 5% lagere gemiddelde ritduur

274

500

359

283

389

344

288

364

337

Verschil met het basismodel

–3

5

–11

0

–16

–8

–4

–13

–8

Dekking op incidenten

In de ontwikkeling van de modellen van het referentiekader is geconstateerd dat er gebieden zijn met relatief hoge rijtijden vanaf een standplaats, waar wel relatief veel vraag naar ambulancezorg is (Kommer en Zwakhals, 2013). In een nadere analyse is onderzocht welke gebieden meer dan dertien minuten rijtijd hebben vanaf een standplaats en ook een hoog aantal meldingen. Het blijkt om enkele postcodegebieden te gaan, waarvan de Maasvlakte het meest opvallend is. In de discussie is afgewogen of dit voldoende aanleiding gaf om de spreiding van standplaatsen van het referentiekader uit te breiden. In de afweging is ook gekeken naar de dekkingsgraden van tabel 2. Die resultaten laten zien dat in alle RAV’s de dekking op inwoners en incidenten meer dan 97% is. Het uitgangspunt voor de dekking van het nieuwe referentiekader is dat per RAV minstens 97% van de inwoners en van de incidenten binnen 12 minuten rijtijd kan worden bereikt. Dit uitgangspunt wordt ook gerealiseerd met de spreiding van het referentiekader-2008. Geconstateerd is dat er slechts enkele postcodegebieden zijn met hoge rijtijden vanaf een standplaats en een relatief hoog aantal meldingen. Tevens is geconstateerd dat de dekking op incidenten op regionaal niveau voldoet aan de uitgangspunten van het referentiekader. Daarom is geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de spreiding van standplaatsen uit te breiden.

Seizoen specifieke capaciteitsberekeningen

Er is onderzocht wat het effect is van het hanteren van een capaciteitsmodel voor de zomer en een model voor de winter. Na een analyse van de productie van een aantal RAV’s is ervoor gekozen om de maanden juli en augustus te hanteren als de zomerperiode en de overige maanden als de winterperiode. De capaciteit op jaarbasis is berekend als een gewogen som van de twee uitkomsten van de capaciteitsberekeningen. De eindresultaten op landelijk niveau laten zien dat er op bepaalde dagsoorten en tijdsblokken een ambulance meer wordt berekend en op andere dagsoorten en tijdsblokken een ambulance minder. De verschillen ten opzichte van het basismodel waren zo klein dat besloten is deze variant hier niet te presenteren.

Capaciteitsberekening op standplaatsniveau

In het referentiekader-2008 en dus ook in het basismodel, wordt de capaciteit voor het spoedvervoer op RAV-niveau berekend. Ten behoeve van de discussie van het referentiekader is een variant doorgerekend waarin de capaciteit voor spoedvervoer per standplaats is berekend met gebruik van het Erlangmodel (zie Kommer en Zwakhals, 2013) voor een toelichting op het Erlangmodel). Nadat in deze variant de capaciteit voor het spoedvervoer op standplaatsniveau is berekend, is de benodigde capaciteit voor het besteld vervoer op RAV niveau berekend. Hierbij is de restcapaciteit van het spoedvervoer verrekend, zoals het ook in het huidige capaciteitsmodel gebeurt.

Een complicatie bij deze variant was dat de capaciteitsberekeningen op standplaatsniveau niet onafhankelijk van elkaar konden worden uitgevoerd omdat er overlap is in de verzorgingsgebieden van de standplaatsen (zie ook bijlage 2). Het Erlangmodel veronderstelt echter wel onafhankelijkheid omdat anders een te hoge cumulatieve capaciteit wordt berekend per RAV juist als gevolg van de overlap in de verzorgingsgebieden. Een oplossing zou gevonden kunnen worden in een aanpassing van het Erlangmodel of in een aanpassing van de standplaatsspreiding zodanig dat de verzorgingsgebieden elkaar niet meer overlappen. Een uitwerking van deze oplossingen kost echter veel tijd die tijdens het overleg niet meer beschikbaar was.

De uitkomsten van deze variant zijn in het overleg wel besproken. Uiteindelijk is besloten om niet met deze variant verder te gaan.

4. Referentiekader 2013

[Vervallen per 01-01-2021]

In het overleg waarin het referentiekader is opgesteld zijn de modelvarianten van het vorig hoofdstuk besproken. Uiteindelijk heeft het overleg geleid tot een keuze voor een bepaalde modelvariant waarin verschillende uitgangspunten in het capaciteitsmodel worden gecombineerd.

Er is besloten om de spreiding van het referentiekader-2008 onveranderd over te nemen. Dat betekent dat er geen nieuwe standplaatsen bijkomen en dat er geen standplaatsen worden weggenomen. Het referentiekader-2013 gaat uit van dezelfde 206 standplaatsen als het referentiekader-2008. Tabel 6 geeft een overzicht van het aantal standplaatsen in het referentiekader-2013. In bijlage 5 is een overzicht gegeven van de standplaatsen en hun vierpositie postcodes.

Het capaciteitsmodel van het referentiekader-2013 verschilt van het referentiekader-2008 op de volgende vijf punten:

  • 1. Productie ambulancezorg over het jaar 2012.

    De aantallen ritten, de verdeling over de tijdsblokken en dagsoorten en de gemiddelde ritduur zijn ontleend aan de ritstatistieken over het jaar 2012. Deze cijfers zijn in de periode januari-april van 2013 door het RIVM verzameld en bewerkt. De productiecijfers zijn dezelfde als gepubliceerd in de sectorrapportage Ambulances in-zicht 2012 (AZN, 2013). Het referentiekader-2008 ging uit van de productie over het jaar 2006.

  • 2. Geen minimumvariant op werkdagen overdag.

    Het capaciteitsmodel hanteert op werkdagen overdag de maximumvariant. Dit betekent dat de minimumvariant geen rol speelt in het capaciteitsmodel en dat de aanname van het referentiekader-2008 dat op werkdagen overdag dynamisch ambulancemanagement wordt toegepast, niet meer geldt. Op werkdagen overdag wordt in het capaciteitsmodel uitgegaan van de maximumvariant: paraatheid vanaf de standplaats. Het referentiekader-2008 hanteerde de minimumvariant op werkdagen overdag.

  • 3. Voor RAV Rotterdam-Rijnmond wordt aan de uitkomsten van het capaciteitsmodel een extra ambulance toegevoegd.

    Deze ambulance komt tegemoet aan de huidige praktijk waarin op de Maasvlakte een ambulance is gestationeerd. Dit komt tegemoet aan de bijzondere situatie van de Maasvlakte. Het gebied kent nauwelijks inwoners, maar wordt gekenmerkt door een grote industriële bedrijvigheid met een hoge risicofactor. De extra ambulance in het referentiekader wordt niet meegenomen in de spreiding van het referentiekader. Hierdoor vindt ook geen herverdeling van ritten plaats naar de standplaats op de Maasvlakte. Het referentiekader-2008 kende voor de Maasvlakte geen extra ambulance toe aan RAV Rotterdam-Rijnmond.

  • 4. Voor RAV Haaglanden zijn de hulpambulances meegenomen in de capaciteitsberekeningen.

    Met de invoering van de Tijdelijke wet ambulancezorg (Twaz) in 2013 zijn de hulpambulances van RAV Haaglanden als volledige ambulances in de capaciteit van de RAV opgenomen. Als gevolg is de productie van deze hulpambulances in 2012 meegenomen in het referentiekader. Het betreft hier 13.575 besteld vervoer inzetten. In het referentiekader-2008 vielen de inzetten van de hulpambulances in Haaglanden buiten het referentiekader.

  • 5. Gebruik van het rijtijdenmodel-2013 in de toewijzing van ritten aan de dichtstbijzijnde standplaats.

    Voor de capaciteitsberekeningen worden de inzetten van het spoedvervoer herverdeeld en toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats uit het spreidingsplan van het referentiekader. Bij deze toewijzing wordt het rijtijdenmodel-2013 gehanteerd. Dit leidt tot een iets andere toedeling dan wanneer het rijtijdenmodel uit 2008 zou zijn gehanteerd.

Tabel 7 geeft het resultaat van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2013, tabel 8 laat de verschillen ten opzichte van het vorige referentiekader zien.

Tabel 6: Aantal standplaatsen per RAV in het referentiekader-2013.

RAV-nr

RAV-naam

Aantal standplaatsen

1

RAV Groningen

13

2

RAV Friesland

20

3

RAV Drenthe

11

4

RAV IJsselland

10

5

RAV Twente

9

6

RAV Noord- en Oost Gelderland

10

7

RAV Gelderland-Midden

7

8

RAV Gelderland-Zuid

8

9

RAV Utrecht

11

10

RAV Noord-Holland Noord

8

11

RAV Amsterdam-Amstelland

5

12

RAV Kennemerland

5

13

RAV Zaanstreek-Waterland

4

14

RAV Gooi- en Vechtstreek

2

15

RAV Haaglanden

6

16

RAV Hollands Midden

7

17

RAV Rotterdam-Rijnmond

9

18

RAV Zuid-Holland Zuid

6

19

RAV Zeeland

11

20

RAV Midden- en West-Brabant

13

21

RAV Brabant-Noord

7

22

RAV Brabant-Zuidoost

7

23

RAV Limburg- Noord

7

24

RAV Zuid-Limburg

4

25

RAV Flevoland

6

 

Totaal

206

Tabel 7: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2013: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

16

31

19

16

22

19

16

20

18

RAV Friesland

18

31

22

19

24

22

19

23

21

RAV Drenthe

13

23

15

13

16

15

13

16

15

RAV IJsselland

12

23

15

12

17

14

12

15

14

RAV Twente

11

22

14

11

15

14

12

15

14

RAV Noord- en Oost-Gelderland

13

26

16

13

18

16

13

17

16

RAV Gelderland-Midden

9

17

12

9

13

12

10

13

12

RAV Gelderland-Zuid

10

20

13

10

15

12

10

14

12

RAV Utrecht

16

39

25

16

28

22

17

24

21

RAV Noord-Holland Noord

9

19

12

10

14

12

10

13

12

RAV Amsterdam-Amstelland

10

36

19

11

20

16

11

18

15

RAV Kennemerland

7

17

10

7

11

9

8

11

10

RAV Zaanstreek-Waterland

6

10

7

6

8

7

6

8

7

RAV Gooi- en Vechtstreek

3

7

4

3

5

4

3

5

4

RAV Haaglanden

11

33

17

11

18

15

11

16

15

RAV Hollands Midden

10

22

14

10

15

13

11

15

13

RAV Rotterdam-Rijnmond

13

39

22

13

24

20

14

21

19

RAV Zuid-Holland Zuid

8

16

11

8

12

10

8

11

10

RAV Midden- en West-Brabant

16

35

22

17

25

21

18

23

21

RAV Brabant-Noord

9

19

12

9

14

12

10

13

11

RAV Brabant-Zuidoost

10

21

13

10

15

12

10

14

12

RAV Limburg-Noord

9

17

12

9

13

12

10

12

11

RAV Zuid-Limburg

6

18

10

7

11

9

7

10

9

RAV Flevoland

8

12

9

8

10

9

8

10

9

Texel

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Vlieland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Terschelling

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Ameland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Schiermonnikoog

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Goeree-Overflakkee

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Schouwen-Duiveland

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Tholen

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Walcheren en Bevelanden

6

11

8

6

8

8

7

8

7

Zeeuws-Vlaanderen

4

6

4

4

5

4

4

5

4

Totaal

281

588

375

286

414

357

296

388

350

Tabel 8: Verschillen in de capaciteitsberekeningen tussen het referentiekader-2013 en het referentiekader-2008.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

1

5

0

1

2

1

0

1

0

RAV Friesland

0

4

1

1

2

1

0

1

1

RAV Drenthe

0

4

0

0

0

0

0

1

1

RAV IJsselland

0

3

1

0

0

0

0

1

1

RAV Twente

0

6

0

0

1

1

0

1

1

RAV Noord- en Oost-Gelderland

1

2

1

1

1

1

0

1

2

RAV Gelderland-Midden

0

3

1

0

1

2

1

2

2

RAV Gelderland-Zuid

0

3

0

0

1

0

0

1

0

RAV Utrecht

1

4

3

1

4

2

2

2

2

RAV Noord-Holland Noord

0

5

1

1

2

1

1

2

2

RAV Amsterdam-Amstelland

1

5

1

2

2

3

1

3

2

RAV Kennemerland

0

3

1

0

1

0

1

1

1

RAV Zaanstreek-Waterland

1

2

1

1

1

1

0

1

1

RAV Gooi- en Vechtstreek

0

1

0

0

1

0

0

1

0

RAV Haaglanden

1

15

2

1

3

1

1

2

2

RAV Hollands Midden

1

4

1

1

2

1

1

2

1

RAV Rotterdam-Rijnmond

2

7

3

1

4

4

2

3

3

RAV Zuid-Holland Zuid

0

1

1

0

1

1

0

1

1

RAV Midden- en West-Brabant

0

6

2

1

4

1

1

3

2

RAV Brabant-Noord

0

3

1

0

2

1

1

2

0

RAV Brabant-Zuidoost

1

3

1

1

2

1

0

2

1

RAV Limburg-Noord

0

1

1

0

2

2

1

1

1

RAV Zuid-Limburg

0

0

0

1

1

1

0

1

1

RAV Flevoland

1

1

0

1

1

0

0

1

1

Texel

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Vlieland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Terschelling

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Ameland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Schiermonnikoog

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Goeree-Overflakkee

0

–1

0

0

0

0

0

0

0

Schouwen-Duiveland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Tholen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Walcheren en Bevelanden

0

1

1

0

1

1

1

1

0

Zeeuws-Vlaanderen

0

–1

0

0

1

0

0

1

0

Totaal

11

90

24

15

43

27

14

39

29

In het nieuwe referentiekader stijgt het aantal ambulances op werkdagen overdag van 498 naar 588; een stijging van 18% ten opzichte van het referentiekader-2008. Van deze 90 extra ambulances zijn er 27 toe te schrijven aan de toename van de productie en de gemiddelde ritduur. Daarbovenop zijn de 11 hulpambulances van de RAV Haaglanden nu ook opgenomen in het referentiekader. Ook is een extra ambulance toegevoegd aan de RAV Rotterdam-Rijnmond ten behoeve van de Maasvlakte. Dat komt op een totaal van 537.

De resterende toename van 51 ambulances op werkdagen overdag is toe te schrijven aan het toepassen van de maximum variant op werkdagen overdag in plaats van de minimum variant. Variant 3, zoals beschreven in hoofdstuk 3.2 geeft aan dat er 82 ambulances zouden worden toegevoegd bij toepassing van de maximum variant. De actualisatie van het basismodel naar de situatie van 2012 leidt tot een reductie van het aantal ambulances met 31. Het saldo hiervan is de eerder genoemde 51 ambulances. Op de andere dagsoorten en dagdelen werd al de maximum variant toegepast. In die situaties is dit effect er dus niet en is de procentuele toename van het aantal ambulances dan ook beduidend lager. Tabel 9 geeft een overzicht van alle situaties.

Tabel 9: Verschillen tussen het referentiekader-2008 en het referentiekader- 2012.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

Referentiekader 2008

270

498

351

271

371

330

282

349

321

Referentiekader 2012

281

588

375

286

414

357

296

388

350

Verschil

11

90

24

15

43

27

14

39

29

Procentuele toename

4%

18%

7%

6%

12%

8%

5%

11%

9%

Waarvan toe te schrijven aan

                 

– Productiestijging 2008–2012

9

27

22

13

39

26

13

37

28

– Toepassen maximum variant op werkdagen overdag

 

51

             

– Hulpambulance Haaglanden

1

11

1

1

3

0

0

1

0

– Extra ambulance Maasvlakte

1

1

1

1

1

1

1

1

1

5. Conclusie

[Vervallen per 01-01-2021]

Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is in 2013 geactualiseerd. Voor de discussie die aan deze actualisatie voorafging zijn verschillende analyses uitgevoerd en er is een aantal varianten van de capaciteitsberekeningen doorgerekend. De discussie heeft geresulteerd in een nieuwe definitie van het referentiekader waarin het capaciteitsmodel op een aantal punten afwijkt van het model van het referentiekader-2008. De spreiding van standplaatsen van het referentiekader-2013 is identiek aan die van 2008. De veranderingen in het capaciteitsmodel ten opzichte van 2008 zijn de volgende:

  • Er wordt uitgegaan van de productie van de Nederlandse ambulancezorg in 2012;

  • Op werkdagen overdag wordt de minimumvariant niet gehanteerd;

  • Voor RAV Rotterdam-Rijnmond wordt een extra ambulance toegekend ten behoeve van de paraatheid op de Maasvlakte;

  • Voor RAV Haaglanden zijn de hulpambulances meegenomen in de capaciteitsberekeningen.

Door stijging in de productie in de periode 2008–2012 zijn 27 ambulances meer nodig dan in het referentiekader-2008. Het niet hanteren van de minimumvariant in het capaciteitsmodel op werkdagen overdag leidt tot 51 meer benodigde ambulances. Dit aantal is berekend vanuit een capaciteitsmodel dat uitgaat van het aantal van 123 uitrukpunten in de minimumvariant, met gebruik van het nieuwe rijtijdenmodel. Actualisering van de minimumvariant naar 2012 leidt tot 31 ambulance minder dan in 2008. Voor de Maasvlakte wordt op alle dagen en tijdsblokken één ambulance aan de capaciteitsberekeningen toegevoegd. Het opnemen van de hulpambulances voor RAV Haaglanden leidt tot 11 ambulances meer op werkdagen overdag. In totaal worden op werkdagen overdag 90 ambulances meer berekend dan in het referentiekader-2008.

Volgende actualisering in 2016

In het bestuurlijk overleg is overeengekomen dat een volgende actualisering van het referentiekader in 2016 zal plaatsvinden. Daarbij is tevens besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden naar in ieder geval twee onderwerpen. Ten eerste zal onderzoek worden gedaan naar een geschikte manier om dynamisch ambulance management in het referentiekader toe te passen. Belangrijk hierbij is om de praktijk in de Nederlandse ambulancezorg te vertalen naar een capaciteitsmodel dat past in het referentiekader. Hierbij kunnen ook ervaringen van andere, buitenlandse, organisaties inzicht bieden. Ten tweede zal onderzoek worden gedaan naar de werkelijke bezettingsgraad in het besteld vervoer. Hierbij zullen meerdere aspecten worden meegenomen, zoals regio, dagsoort, en tijdsblok. De resultaten van die analyses moeten gebruikt kunnen worden in het capaciteitsmodel van het referentiekader.

Referenties

[Vervallen per 01-01-2021]

Ambulancezorg Nederland (2012). Ambulances in-zicht 2011. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2013). Ambulances in-zicht 2012. Zwolle: AZN (nog te verschijnen).

CBS (2012). Bevolkingsgegevens 2011. Statline. http://statline.cbs.nl/statweb/Geraadpleegd juni 2012.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2008). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2008. RIVM briefrapport 270192001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J., S.L.N. Zwakhals (2011) Modellen referentiekader ambulancezorg 2008. RIVM rapport 270412001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J., S.L.N. Zwakhals (2013) Modellen referentiekader ambulancezorg. RIVM rapport 270412002. Bilthoven: RIVM.

Bijlage 1. Productiecijfers 2012

[Vervallen per 01-01-2021]

Deze bijlage geeft de productiecijfers van het jaar 2012 zoals die gebruikt zijn in het referentiekader-2013 in hoofdstuk 4. Ten behoeve van het gebruik in het referentiekader zijn de productiecijfers bewerkt. Hierbij zijn een aantal ritten uit de selectie gefilterd. Deze stappen worden ook in deze bijlage besproken.

De productiecijfers van 2011 die gebruikt zijn in het basismodel en de varianten (hoofdstuk 3) zijn niet getoond. De bewerkingen van de 2011-productiecijfers ten behoeve van het basismodel en de varianten is gelijk aan de bewerkingen van de 2012-gegevens zoals beschreven in deze bijlage.

Tabel B.1.1: Productie 2012.

RAV-naam

A1

A2

B

Hulp-ambulances

Totaal

RAV Groningen

20.181

10.574

15.640

 

46.395

RAV Friesland

16.095

13.247

11.966

 

41.308

RAV Drenthe

9.787

15.354

8.826

 

33.967

RAV IJsselland

12.353

9.426

9.960

 

31.739

RAV Twente

10.943

13.667

9.859

 

34.469

RAV Noord- en Oost-Gelderland

18.410

13.995

10.837

 

43.242

RAV Gelderland-Midden

15.736

9.833

9.452

 

35.021

RAV Gelderland-Zuid

14.191

8.960

10.547

 

33.698

RAV Utrecht

29.745

22.375

31.493

 

83.613

RAV Noord-Holland Noord

21.731

7.586

9.334

 

38.651

RAV Amsterdam-Waterland

59.397

12.575

36.294

 

108.266

RAV Kennemerland

21.836

6.016

10.562

 

38.414

RAV Gooi- en Vechtstreek

8.036

2.148

5.849

 

16.033

RAV Haaglanden

39.283

14.462

13.530

13.575

80.850

RAV Hollands Midden

25.540

9.353

15.036

 

49.929

RAV Rotterdam-Rijnmond

44.162

20.013

32.671

 

96.846

RAV Zuid-Holland Zuid

13.819

7.186

9.198

 

30.203

RAV Zeeland

12.040

6.749

5.725

 

24.514

RAV Midden- en West-Brabant

28.578

20.157

18.612

 

67.347

RAV Brabant-Noord

15.723

11.784

9.380

 

36.887

RAV Brabant-Zuidoost

19.105

11.090

13.351

 

43.546

RAV Limburg-Noord

14.063

10.384

7.150

 

31.597

RAV Zuid-Limburg

17.714

11.048

15.978

 

44.740

RAV Flevoland

12.367

5.710

4.350

 

22.427

Totaal

500.835

273.692

325.600

13.575

1.113.702

Uitgefilterde inzetten

In de bewerking voor het referentiekader worden van de productie in tabel B.1.1 twee soorten inzetten uit de selectie gefilterd:

  • Inzetten naar het buitenland: in de productie van 2012 zijn 21 inzetten met A1-urgentie, 9 met A2-urgentie en 523 besteld vervoer inzetten met afhaaladres in het buitenland. Deze zijn uit de selectie verwijderd en worden niet meegenomen in het referentiekader.

  • Inzetten van een rapid responder waarbij er een reguliere ambulance (met vervoersmogelijkheid) als tweede ambulance ingezet wordt (zie tabel B1.2)

Herverdeling van ritten

Het spoedvervoer en de besteld vervoer inzetten van de eilanden wordt herverdeeld op basis van afhaaladres en dichtstbijzijnde standplaats. Voor de niet-eilanden wordt het besteld vervoer toegewezen aan de uitvoerende RAV.

De aantallen inzetten na uitfilteren van de buitenland inzetten en de uit te filteren rapid responder inzetten en na herverdeling is als in tabel B.1.3.

Tabel B.1.2: Inzetten van rapid responders in 2012, naar urgentie, die volgens de methodiek van het referentiekader uit de productie worden verwijder en niet meegenomen in het referentiekader

RAV-naam

A1

A2

B

Totaal

RAV Groningen

 

1

 

1

RAV Friesland

118

57

 

175

RAV Drenthe

155

106

 

261

RAV IJsselland

138

153

 

291

RAV Twente

44

223

 

267

RAV Noord- en Oost-Gelderland

79

106

 

185

RAV Gelderland-Midden

88

43

1

132

RAV Gelderland-Zuid

368

306

 

674

RAV Utrecht

1.466

1.147

 

2.613

RAV Noord-Holland Noord

313

80

 

393

RAV Amsterdam-Waterland

508

54

 

562

RAV Kennemerland

158

37

 

195

RAV Gooi- en Vechtstreek

0

0

 

0

RAV Haaglanden

844

133

 

977

RAV Hollands Midden

0

0

 

0

RAV Rotterdam-Rijnmond

584

347

 

931

RAV Zuid-Holland Zuid

98

68

 

166

RAV Zeeland

137

57

 

194

RAV Midden- en West-Brabant

345

450

 

795

RAV Brabant-Noord

197

246

 

443

RAV Brabant-Zuidoost

122

175

 

297

RAV Limburg-Noord

125

156

 

281

RAV Zuid-Limburg

158

189

 

347

RAV Flevoland

76

30

 

106

Totaal

6.121

4.164

1

10.286

Tabel B.1.3: Aantal ritten naar urgentie, na uitfilteren van inzetten naar het buitenland, na uitfilteren van de selectie rapid responder inzetten en na herverdeling naar dichtstbijzijnde standplaats. Deze productiecijfers zijn uiteindelijk gebruikt in de capaciteitsberekeningen.

RAV-naam

A1

A2

B

Totaal

RAV Groningen

20.017

10.796

15.639

46.452

RAV Friesland(1)

15.581

12.970

11.793

40.344

RAV Drenthe

10.051

14.943

8.826

33.820

RAV IJsselland

11.264

8.806

9.960

30.030

RAV Twente

11.011

13.480

9.859

34.350

RAV Noord- en Oost-Gelderland

18.649

14.065

10.837

43.551

RAV Gelderland-Midden

15.674

9.847

9.451

34.972

RAV Gelderland-Zuid

13.609

8.647

10.546

32.802

RAV Utrecht

27.115

20.173

31.493

78.781

RAV Noord-Holland Noord(2)

20.119

6.924

9.206

36.249

RAV Amsterdam

47.493

9.549

31.759

88.801

RAV Kennemerland

21.327

6.054

10.562

37.943

RAV Waterland

13.271

3.439

4.533

21.243

RAV Gooi- en Vechtstreek

8.215

2.913

5.849

16.977

RAV Haaglanden

38.358

14.457

27.105

79.920

RAV Hollands Midden

25.117

9.264

15.036

49.417

RAV Rotterdam-Rijnmond(3)

41.329

18.230

32.671

92.230

RAV Zuid-Holland Zuid

15.404

7.934

9.198

32.536

RAV Midden- en West-Brabant

28.128

19.852

18.569

66.549

RAV Brabant-Noord

15.279

11.273

9.380

35.932

RAV Brabant-Zuidoost

18.956

11.020

13.351

43.327

RAV Limburg-Noord

13.918

10.119

7.150

31.187

RAV Zuid-Limburg

17.547

10.855

15.973

44.375

RAV Flevoland

12.202

5.518

4.350

22.070

Texel

636

232

128

996

Vlieland

52

52

18

122

Terschelling

272

228

117

617

Ameland

133

131

31

295

Schiermonnikoog

46

31

7

84

Goeree-Overflakkee

1.379

694

7

2.080

Schouwen-Duiveland

1.211

637

137

1.985

Tholen

775

290

92

1.157

Walcheren en Bevelanden

7.038

4.336

3.218

14.592

Zeeuws-Vlaanderen

3.514

1.760

1.800

7.074

Totaal

494.690

269.519

338.651

1.102.860

Bijlage 2. Gevoelige standplaatsen

[Vervallen per 01-01-2021]

In de discussie voor het opstellen van het referentiekader zijn verschillende varianten van het basismodel doorgerekend. Het ging hierbij om varianten van de capaciteitsberekeningen. In één van de varianten werd aan zogenaamde ‘gevoelige standplaatsen’ op werkdagen overdag een extra ambulance toegekend. Een standplaats is ‘gevoelig’ als minstens 20% van het verzorgingsgebied van deze standplaats alleen door één standplaats kan worden aangereden. Deze bijlage gaat in op de analyse die hiervoor uitgevoerd is.

In het kort zijn de stappen in de bepaling van de gevoelige standplaatsen als volgt.

  • 1. Voor elk postcodegebied is berekend hoeveel standplaatsen dit gebied binnen 12 minuten rijtijd kan bereiken.

  • 2. Vervolgens is voor elke standplaats het verzorgingsgebied bepaald, dit is het gebied dat het snelst door betreffende standplaats kan worden bereikt.

  • 3. Van het verzorgingsgebied is bepaald welk deel door hoeveel ambulances kan worden bereikt.

Een gevoelige standplaats is een standplaats waarvan minstens 20% van het verzorgingsgebied slechts door één standplaats binnen 12 minuten rijtijd kan worden bereikt.

Tabel B.2.1 toont de aandelen van het verzorgingsgebied naar aantal te bereiken standplaatsen. Dit geeft een beeld van de mate van overlap van standplaatsen, al is niet zichtbaar welke standplaatsen de overlap veroorzaken. Uit deze tabel lezen we af welke standplaatsen gevoelig zijn. De standplaatsen met minstens 20% “uniek” gebied zijn de gevoelige standplaatsen. Het gaat om 47 standplaatsen. De standplaatsen op de Waddeneilanden zijn een uitzondering en worden in deze analyse niet tot de gevoelige standplaatsen gerekend. Deze standplaatsen hebben al een bijzondere positie in de capaciteitsberekeningen. Tabel B.2.2 geeft de aantallen gevoelige standplaatsen per RAV.

Tabel B.2.1: Standplaatsen en hun mate van overlap, gesorteerd naar laagste aandeel overlap. Het percentage geeft aan het aandeel van het verzorgingsgebied dat door één of meer standplaatsen binnen 12 minuten kan worden bereikt. De grijs gearceerde rijen (nummers 6 tot en met 52) zijn in de variant in hoofdstuk 3 als ‘gevoelige standplaats’ aangemerkt.

Rangnr

vierpositie postcode

Plaatsnaam

Aandeel van verzorgingsgebied binnen 12 minuten bereikt

     

Aantal standplaatsen

     

1

2

3

4

5

6

7

1

8881

Terschelling West

100,0

           

2

8899

Vlieland

100,0

           

3

9163

Nes (Ameland)

100,0

           

4

9166

Schiermonnikoog

100,0

           

5

1791

Den Burg (Texel)

100,0

           

6

8223

Lelystad

100,0

           

7

4501

Oostburg

92,8

7,2

         

8

1326

Almere

83,7

8,8

5,9

1,6

     

9

4535

Terneuzen

69,5

30,5

         

10

3247

Dirksland

65,3

25,3

9,4

       

11

6229

Maastricht

64,5

18,5

17,0

       

12

4561

Hulst

63,9

36,1

         

13

8723

Koudum

60,8

4,3

34,5

0,3

     

14

1823

Alkmaar

59,9

24,6

6,4

2,7

6,4

   

15

3223

Hellevoetsluis

59,6

29,1

11,4

       

16

1786

Den Helder

55,7

15,6

25,9

2,7

     

17

9901

Appingedam

54,7

29,0

7,7

8,3

0,3

   

18

5541

Reusel

54,0

43,3

2,7

       

19

8431

Oosterwolde

53,2

34,1

12,7

       

20

5341

Oss

51,4

18,7

25,3

4,6

     

21

3286

Klaaswaal

50,4

18,7

20,7

 

10,3

   

22

7418

Deventer

40,8

47,2

10,4

1,6

     

23

5912

Venlo

40,2

59,8

         

24

8871

Midlum (Harlingen)

39,8

33,9

7,1

19,2

     

25

4695

Sint Maartensdijk

39,4

9,7

50,9

       

26

7311

Apeldoorn

38,6

59,7

1,7

       

27

7102

Winterswijk

38,1

59,1

2,8

       

28

1771

Wieringermeer

37,9

35,2

20,3

6,6

     

29

9401

Assen

36,0

37,3

25,3

1,4

     

30

8081

Elburg

32,4

46,9

3,4

17,3

     

31

3772

Barneveld

32,2

23,5

36,3

8,0

     

32

4301

Zierikzee

31,2

68,8

         

33

4335

Middelburg

30,8

64,6

4,6

       

34

7903

Hoogeveen

30,6

39,1

20,6

9,7

     

35

9982

Uithuizermeeden

29,9

41,6

16,8

11,1

0,5

   

36

5801

Venray

29,6

50,2

20,1

       

37

4761

Zevensbergen

26,1

19,6

45,7

8,7

     

38

6651

Druten

25,1

6,3

49,7

18,9

     

39

3447

Woerden

24,7

12,1

15,3

4,5

38,5

5,0

 

40

5981

Panningen/Helden

24,1

75,9

         

41

7271

Borculo

24,0

48,0

21,1

7,0

     

42

9561

Ter Apel

23,7

30,7

45,6

       

43

8601

Sneek

23,1

45,7

10,8

20,5

     

44

5571

Bergeijk

22,9

47,6

29,5

       

45

1741

Schagen

22,5

56,5

18,4

2,6

     

46

8251

Dronten

22,4

31,5

46,1

       

47

6045

Roermond

21,2

77,6

1,1

       

48

6411

Heerlen

21,1

63,4

15,5

       

49

1616

Hoogkarspel

20,9

79,1

         

50

2957

Papendrecht

20,7

10,3

69,0

       

51

8181

Heerde

20,7

54,0

12,3

12,9

     

52

8013

Zwolle

20,0

39,4

30,7

9,9

     

53

3201

Spijkenisse

17,4

19,9

24,0

22,1

16,5

0,1

 

54

4462

Goes

17,4

52,0

30,6

       

55

7475

Markelo

15,9

32,7

39,4

6,0

6,1

   

56

2861

Bergambacht

15,8

54,0

17,8

10,7

1,6

   

57

6166

Geleen

15,6

68,3

16,2

       

58

1625

Hoorn

15,5

81,7

2,8

       

59

5142

Waalwijk

14,5

30,7

54,8

0,0

     

60

3941

Doorn

13,3

10,7

25,8

42,2

7,9

0,1

 

61

9101

Dokkum

13,1

68,3

10,9

7,7

     

62

8448

Heerenveen

12,7

50,7

17,2

19,4

     

63

5441

Boxmeer

11,8

62,6

10,9

14,7

     

64

6003

Weert

11,8

82,9

5,3

       

65

6291

Mechelen

11,4

63,6

25,0

       

66

8304

Emmeloord

11,4

59,3

29,3

       

67

9672

Winschoten

11,4

32,0

38,2

18,4

     

68

5281

Boxtel

10,2

63,3

26,5

       

69

4721

Rucphen (gem.)

10,0

43,4

38,9

7,6

     

70

2211

Noordwijkerhout

9,9

32,7

52,6

4,8

     

71

4204

Gorinchem

9,7

28,0

56,9

2,9

2,4

   

72

4651

Steenbergen

9,3

32,0

37,4

21,3

     

73

5463

Veghel

8,8

60,3

20,8

10,0

     

74

8103

Raalte

8,6

64,2

18,4

8,8

     

75

7731

Ommen

8,5

 

36,4

26,3

28,8

   

76

4231

Meerkerk

8,3

24,4

56,3

8,2

2,8

   

77

9965

Leens (De Marne)

7,1

38,5

41,9

12,5

     

78

6901

Zevenaar

6,7

40,5

31,0

21,8

     

79

3843

Harderwijk (Ermelo)

6,5

69,3

24,2

       

80

4354

Vrouwenpolder (Neeltje Jans)

6,2

87,1

6,7

       

81

7051

Varsseveld

6,1

89,1

4,9

       

82

2801

Gouda

6,0

34,8

35,5

18,2

5,5

   

83

7005

Doetinchem

5,7

79,6

13,0

1,7

     

84

7207

Zutphen

5,6

62,2

27,4

4,8

     

85

4411

Rilland

5,5

30,5

40,7

23,4

     

86

5018

Tilburg Centrum

5,2

78,1

16,6

 

0,1

   

87

8261

Kampen (Ijsselmuiden)

5,0

31,3

52,0

11,7

     

88

9468

Annen

4,8

15,2

56,2

23,4

0,5

   

89

5701

Helmond

4,7

39,5

48,5

7,3

     

90

7572

Oldenzaal

4,7

21,6

22,0

45,8

5,9

   

91

2131

Haarlemmermeer

3,9

7,9

63,4

6,4

10,8

7,6

 

92

5854

Bergen (L.)

3,9

91,5

4,7

       

93

7741

Coevorden

3,6

40,5

44,2

5,6

6,1

   

94

6101

Echt

3,6

95,3

1,1

       

95

8331

Steenwijk

3,5

13,8

61,5

21,2

     

96

8471

Wolvega

3,4

50,0

24,9

21,7

     

97

2015

Haarlem

3,4

5,5

58,7

15,5

10,5

6,4

 

98

9285

Buitenpost

3,2

51,7

12,4

32,7

     

99

5751

Deurne

3,1

53,0

37,0

6,9

     

100

4811

Breda

3,0

11,2

82,3

3,5

0,1

   

101

7891

Emmen (gem.)

2,8

64,2

32,6

0,3

     

102

4002

Tiel

2,8

16,4

47,7

33,1

     

103

5657

Eindhoven

2,8

55,1

39,1

3,1

     

104

5405

Uden

2,6

37,4

48,8

11,3

     

105

7811

Emmen

2,5

68,3

28,9

0,3

     

106

1442

Purmerend

2,4

33,4

33,0

27,0

0,1

4,1

 

107

4851

Ulvenhout

2,4

7,0

90,5

 

0,2

   

108

9071

Leeuwarderadeel (gem.)

2,3

12,9

49,4

35,4

     

109

6524

Nijmegen

2,2

22,7

63,3

11,7

     

110

3582

Utrecht

2,1

7,4

15,0

32,8

27,7

15,0

 

111

5231

's-Hertogenbosch

2,0

67,3

27,3

3,4

     

112

6661

Elst

1,9

40,4

43,6

14,2

     

113

9202

Drachten

1,7

33,4

43,8

21,0

     

114

3899

Zeewolde

1,6

44,4

54,0

       

115

9011

Boarnsterhim (gem.)

1,5

31,6

22,6

44,4

     

116

9531

Borger

1,4

44,1

52,6

1,3

0,5

   

117

5301

Zaltbommel

1,4

43,9

37,9

16,9

     

118

9611

Sappemeer

1,4

20,5

56,9

21,0

0,2

   

119

5611

Eindhoven

1,3

53,0

43,4

2,3

     

120

2353

Leiderdorp

1,2

36,7

53,4

8,7

     

121

2405

Alphen aan den Rijn

1,1

57,7

35,6

5,6

     

122

9541

Vlagtwedde

1,1

22,7

62,7

13,4

     

123

1141

Monnickendam

1,0

33,1

20,0

10,4

31,3

4,2

 

124

2461

Ter Aar

1,0

61,3

24,0

13,7

     

125

3083

Rotterdam Noord

0,9

5,8

16,3

30,9

31,1

15,0

 

126

7651

Tubbergen

0,9

14,1

42,7

37,8

4,6

   

127

3436

Nieuwegein

0,9

14,0

10,6

23,5

32,4

18,6

 

128

9411

Beilen

0,8

82,8

12,3

4,1

     

129

9301

Roden

0,7

37,1

38,4

23,8

     

130

2718

Zoetermeer

0,6

21,9

15,1

19,3

26,3

13,2

3,5

131

7971

Havelte

0,6

18,4

56,4

24,6

     

132

3903

Veenendaal (Rhenen)

0,6

20,6

67,8

11,0

     

133

9741

Groningen-Noord

0,6

30,4

52,9

16,1

0,1

   

134

4283

Giessen

0,4

30,8

48,7

16,2

3,8

   

135

9219

Smallingerland (gem.)

0,3

24,8

36,8

38,0

     

136

8522

Skarsterlan (gem.)

0,3

49,3

28,4

22,0

     

137

4901

Oosterhout

0,2

14,9

82,2

1,4

1,3

   

138

7771

Hardenberg

0,1

29,8

30,1

25,0

15,0

   

139

1981

Velsen

0,1

3,2

40,9

25,6

23,6

6,6

 

140

1018

Amsterdam

0,1

0,4

9,5

37,2

48,0

4,9

 

141

1521

Zaanstad (gem.)

0,1

5,4

15,5

42,3

34,0

2,7

 

142

6828

Arnhem

0,0

51,5

35,9

12,5

     

143

8912

Leeuwarden

0,0

18,5

45,3

36,2

     

144

1075

Amsterdam

0,0

0,0

9,9

41,2

43,3

5,6

 

145

4323

Schouwen-Duiveland (gem.)

 

100,0

         

146

3252

Goedereede

 

85,4

14,6

       

147

5047

Tilburg Vossenberg

 

79,3

20,6

 

0,1

   

148

8308

Nagele

 

69,3

30,7

       

149

4401

Yerseke (Reimerswaal)

 

69,0

31,0

       

150

6026

Maarheze

 

67,7

24,4

7,9

     

151

3311

Dordrecht

 

63,1

34,4

 

2,5

   

152

3852

Ermelo

 

62,9

37,1

       

153

1761

Anna Paulowna

 

59,0

37,2

3,8

     

154

1404

Bussum

 

57,0

34,2

7,2

1,7

   

155

4701

Roosendaal

 

53,6

26,3

20,1

     

156

2333

Leiden

 

44,5

41,3

10,3

2,0

1,9

 

157

3331

Zwijndrecht

 

43,1

26,4

5,4

22,7

2,4

 

158

4611

Bergen op Zoom

 

43,0

41,6

15,3

     

159

6951

Dieren

 

40,8

31,1

28,0

     

160

9364

Nuis

 

39,8

35,1

25,0

     

161

8281

Zwartsluis

 

34,5

61,7

3,8

     

162

8531

Lemmer

 

34,0

44,5

21,5

     

163

4191

Geldermalsen

 

33,9

44,5

21,6

     

164

6711

Ede

 

33,2

62,7

4,1

     

165

3823

Amersfoort Noord

 

33,0

38,3

27,1

1,6

   

166

4101

Culemborg

 

32,9

33,7

33,4

     

167

1213

Hilversum

 

30,8

24,3

20,1

6,1

18,6

 

168

3811

Amersfoort Centrum

 

29,3

37,0

29,5

4,2

   

169

9723

Groningen-Zuid

 

27,9

51,2

20,9

0,1

   

170

9502

Stadskanaal

 

26,8

57,0

15,5

0,7

   

171

7711

Nieuwleusen (Rouveen)

 

26,6

46,2

15,5

11,7

   

172

7447

Nijverdal (Hellendoorn)

 

23,1

41,0

16,4

19,5

   

173

4255

Werkendam (gem.)

 

22,8

73,1

2,2

1,9

   

174

7483

Haaksbergen

 

20,4

20,3

51,5

7,8

   

175

7541

Enschede

 

16,8

35,9

43,3

3,9

   

176

7943

Meppel

 

16,5

56,3

27,2

     

177

6602

Wijchen

 

16,4

69,2

14,4

     

178

7602

Almelo

 

16,1

47,5

21,9

14,5

   

179

9641

Veendam

 

16,1

47,6

35,9

0,4

   

180

9951

Winsum

 

16,0

74,8

9,0

0,2

   

181

1431

Aalsmeer

 

12,7

36,0

36,7

8,1

6,5

 

182

5363

Velp NB

 

12,3

69,6

18,1

     

183

7556

Hengelo

 

10,9

39,9

42,5

6,7

   

184

2274

Leidschendam

 

10,9

18,2

22,0

38,6

8,3

1,9

185

1962

Heemskerk (gem.)

 

10,8

11,4

49,4

28,5

   

186

6701

Wageningen (Renkum)

 

9,9

47,5

42,6

     

187

8924

Leeuwarden

 

8,5

45,1

46,5

     

188

3645

Vinkeveen

 

8,3

22,3

32,9

36,5

   

189

2671

Naaldwijk

 

7,1

22,1

19,0

46,6

5,2

 

190

3118

Schiedam

 

6,0

19,5

29,9

24,1

17,9

2,7

191

4041

Kesteren

 

5,8

79,6

14,6

     

192

7681

Vroomshoop

 

5,2

37,6

29,4

27,8

   

193

2922

Barendrecht

 

3,8

20,0

25,7

30,1

20,5

 

194

2544

Den Haag

 

3,6

16,2

19,7

47,7

10,4

2,4

195

3707

Zeist

 

3,4

24,4

34,3

17,3

20,6

 

196

1969

Heemskerk

 

3,1

17,8

45,9

33,2

   

197

3608

Maarssen

 

2,9

12,4

27,7

35,9

21,1

 

198

1502

Zaanstad

 

2,2

15,9

18,1

59,4

4,5

 

199

1105

Amsterdam Zuidoost

 

2,0

10,7

40,4

43,6

3,2

 

200

3038

Rotterdam Centrum

 

1,9

17,8

35,2

27,5

15,7

1,8

201

7701

Dedemsvaart (Balkbrug)

 

1,5

55,1

22,7

20,8

   

202

3561

Utrecht

 

0,7

18,4

32,8

31,1

16,9

 

203

2907

Capelle aan den IJssel

   

22,3

20,1

34,9

22,6

 

204

2564

Den Haag

   

16,7

19,6

49,9

11,2

2,6

205

2627

Delft

   

6,5

20,7

50,3

20,4

2,1

206

1185

Amstelveen

   

2,3

47,8

44,1

5,7

 
Tabel B.2.2: Aantal gevoelige standplaatsen volgens de analyse en definitie in tabel B.2.1

RAV-nr

RAV-naam

Aantal gevoelige standplaatsen

1

RAV Groningen

3

2

RAV Friesland

4

3

RAV Drenthe

2

4

RAV IJsselland

2

6

RAV Noord- en Oost-Gelderland

5

7

RAV Gelderland-Midden

1

8

RAV Gelderland-Zuid

1

9

RAV Utrecht

1

10

RAV Noord-Holland Noord

5

17

RAV Rotterdam-Rijnmond

2

18

RAV Zuid-Holland Zuid

2

19

RAV Zeeland

6

20

RAV Midden- en West-Brabant

1

21

RAV Brabant-Noord

1

22

RAV Brabant-Zuidoost

2

23

RAV Limburg-Noord

4

24

RAV Zuid-Limburg

2

25

RAV Flevoland

3

 

Totaal

47

Bijlage 3. Stapsgewijs naar het basismodel

[Vervallen per 01-01-2021]

In paragraaf 3.1 is stapsgewijs het basismodel geconstrueerd vanuit het capaciteitsmodel van het referentiekader-2008. Deze bijlage geeft hiervan de resultaten op RAV-niveau.

Tabel B.3.1: Capaciteit volgens het referentiekader-2008.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

15

26

19

15

20

18

16

19

18

RAV Friesland

26

35

29

26

30

29

27

30

28

RAV Drenthe

13

19

15

13

16

15

13

15

14

RAV IJsselland

12

20

14

12

17

14

12

14

13

RAV Twente

11

16

14

11

14

13

12

14

13

RAV Noord- en Oost-Gelderland

12

24

15

12

17

15

13

16

14

RAV Gelderland-Midden

9

14

11

9

12

10

9

11

10

RAV Gelderland-Zuid

10

17

13

10

14

12

10

13

12

RAV Utrecht

15

35

22

15

24

20

15

22

19

RAV Noord-Holland Noord

11

16

13

11

14

13

11

13

12

RAV Amsterdam-Amstelland

9

31

18

9

18

13

10

15

13

RAV Kennemerland

7

14

9

7

10

9

7

10

9

RAV Zaanstreek-Waterland

5

8

6

5

7

6

6

7

6

RAV Gooi- en Vechtstreek

3

6

4

3

4

4

3

4

4

RAV Haaglanden

10

18

15

10

15

14

10

14

13

RAV Hollands Midden

9

18

13

9

13

12

10

13

12

RAV Rotterdam-Rijnmond

14

36

22

15

23

19

15

21

19

RAV Zuid-Holland Zuid

8

15

10

8

11

9

8

10

9

RAV Zeeland

15

22

16

15

16

16

15

16

16

RAV Midden- en West-Brabant

16

29

20

16

21

20

17

20

19

RAV Brabant-Noord

9

16

11

9

12

11

9

11

11

RAV Brabant-Zuidoost

9

18

12

9

13

11

10

12

11

RAV Limburg-Noord

9

16

11

9

11

10

9

11

10

RAV Zuid-Limburg

6

18

10

6

10

8

7

9

8

RAV Flevoland

7

11

9

7

9

9

8

9

8

                   

Totaal

270

498

351

271

371

330

282

349

321

Tabel B.3.2: Verschil tussen het referentiekader-2008 en de capaciteitsberekening na stap 1 in paragraaf 3.1 (actualiseren van het aantal dagen naar 2011), nul-waarden zijn weggelaten uit de tabel, hiervoor zijn lege cellen getoond.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

     

1

 

1

     

RAV Friesland(1)

       

1

       

RAV Drenthe

                 

RAV IJsselland

 

–1

             

RAV Twente

 

–1

   

1

       

RAV Noord- en Oost-Gelderland

                 

RAV Gelderland-Midden

                 

RAV Gelderland-Zuid

                 

RAV Utrecht

 

–1

             

RAV Noord-Holland Noord(2)

                 

RAV Amsterdam

                 

RAV Kennemerland

                 

RAV Waterland

                 

RAV Gooi- en Vechtstreek

                 

RAV Haaglanden

               

1

RAV Hollands Midden

                 

RAV Rotterdam-Rijnmond(3)

 

–1

             

RAV Zuid-Holland Zuid

         

1

     

RAV Midden- en West-Brabant

       

1

   

1

 

RAV Brabant-Noord

             

1

 

RAV Brabant-Zuidoost

                 

RAV Limburg-Noord

               

1

RAV Zuid-Limburg

         

1

     

RAV Flevoland

                 

Texel

                 

Vlieland

                 

Terschelling

                 

Ameland

                 

Schiermonnikoog

                 

Goeree-Overflakkee

                 

Schouwen-Duiveland

                 

Tholen

                 

Walcheren en Bevelanden

                 

Zeeuws-Vlaanderen

                 

Totaal

 

–4

 

1

3

3

 

2

2

Tabel B.3.3: Verschil tussen de capaciteitsberekening in stap 2 (actualiseren productie spoedvervoer naar 2011) en stap 1 in paragraaf 3.1, nul-waarden zijn weggelaten uit de tabel, hiervoor zijn lege cellen getoond.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

1

     

1

   

1

1

RAV Friesland(1)

 

1

1

1

 

1

 

1

1

RAV Drenthe

 

1

         

1

 

RAV IJsselland

 

1

             

RAV Twente

 

1

     

1

     

RAV Noord- en Oost-Gelderland

1

1

1

1

1

1

 

1

1

RAV Gelderland-Midden

 

2

1

 

1

2

 

1

1

RAV Gelderland-Zuid

       

1

   

1

 

RAV Utrecht

 

1

1

 

1

 

1

   

RAV Noord-Holland Noord(2)

 

1

   

1

 

1

1

1

RAV Amsterdam

 

1

1

1

1

2

1

2

1

RAV Kennemerland

   

1

           

RAV Waterland

1

1

1

1

 

1

   

1

RAV Gooi- en Vechtstreek

                 

RAV Haaglanden

                 

RAV Hollands Midden

1

1

1

1

1

1

1

   

RAV Rotterdam-Rijnmond(3)

1

3

2

1

2

2

1

2

1

RAV Zuid-Holland Zuid

 

1

   

1

   

1

1

RAV Midden- en West-Brabant

 

2

2

1

1

1

1

1

2

RAV Brabant-Noord

 

1

1

   

1

1

   

RAV Brabant-Zuidoost

 

1

1

1

1

1

 

1

1

RAV Limburg-Noord

 

1

   

1

1

 

1

 

RAV Zuid-Limburg

 

1

 

1

1

   

1

1

RAV Flevoland

1

   

1

       

1

Texel

                 

Vlieland

                 

Terschelling

                 

Ameland

                 

Schiermonnikoog

                 

Goeree-Overflakkee

                 

Schouwen-Duiveland

                 

Tholen

                 

Walcheren en Bevelanden

       

1

       

Zeeuws-Vlaanderen

       

1

   

1

 

Totaal

6

22

14

10

17

15

7

17

14

Tabel B.3.4: Verschil tussen de capaciteitsberekening in stap 3 (actualiseren productie besteld vervoer naar 2011) en stap 2 in paragraaf 3.1, nul-waarden zijn weggelaten uit de tabel, hiervoor zijn lege cellen getoond.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

       

1

       

RAV Friesland(1)

 

–1

   

1

       

RAV Drenthe

                 

RAV IJsselland

   

1

       

1

1

RAV Twente

 

1

         

1

1

RAV Noord- en Oost-Gelderland

–1

–1

             

RAV Gelderland-Midden

                 

RAV Gelderland-Zuid

                 

RAV Utrecht

     

1

2

1

 

1

1

RAV Noord-Holland Noord(2)

   

1

   

1

 

1

 

RAV Amsterdam

1

2

 

1

         

RAV Kennemerland

       

1

       

RAV Waterland

–1

               

RAV Gooi- en Vechtstreek

       

1

       

RAV Haaglanden

 

1

     

1

1

1

 

RAV Hollands Midden

       

1

   

1

1

RAV Rotterdam-Rijnmond(3)

 

2

   

1

       

RAV Zuid-Holland Zuid

 

–1

1

           

RAV Midden- en West-Brabant

       

1

       

RAV Brabant-Noord

 

–1

             

RAV Brabant-Zuidoost

 

1

   

1

       

RAV Limburg-Noord

 

–1

       

1

   

RAV Zuid-Limburg

1

1

             

RAV Flevoland

 

–1

             

Texel

                 

Vlieland

                 

Terschelling

                 

Ameland

                 

Schiermonnikoog

                 

Goeree-Overflakkee

                 

Schouwen-Duiveland

                 

Tholen

                 

Walcheren en Bevelanden

             

1

 

Zeeuws-Vlaanderen

 

–1

             

Totaal

 

1

3

2

10

3

2

7

4

Tabel B.3.5: Verschil tussen de capaciteitsberekening in stap 4 (actualiseren gemiddelde ritduur naar 2011) en stap 3 in paragraaf 3.1, nul-waarden zijn weggelaten uit de tabel, hiervoor zijn lege cellen getoond.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

 

2

           

–1

RAV Friesland(1)

 

1

         

–1

 

RAV Drenthe

               

1

RAV IJsselland

 

1

             

RAV Twente

 

1

             

RAV Noord- en Oost-Gelderland

1

2

   

1

     

1

RAV Gelderland-Midden

                 

RAV Gelderland-Zuid

                 

RAV Utrecht

 

1

2

 

2

1

1

1

1

RAV Noord-Holland Noord(2)

 

1

           

1

RAV Amsterdam

 

–1

     

1

     

RAV Kennemerland

 

1

     

1

1

1

 

RAV Waterland

1

               

RAV Gooi- en Vechtstreek

 

1

         

1

 

RAV Haaglanden

   

1

         

1

RAV Hollands Midden

 

1

             

RAV Rotterdam-Rijnmond(3)

 

–1

–1

–1

–1

–1

     

RAV Zuid-Holland Zuid

                 

RAV Midden- en West-Brabant

           

–1

   

RAV Brabant-Noord

       

1

–1

     

RAV Brabant-Zuidoost

             

1

 

RAV Limburg-Noord

             

–1

 

RAV Zuid-Limburg

–1

–1

             

RAV Flevoland

 

1

   

1

       

Texel

                 

Vlieland

                 

Terschelling

                 

Ameland

                 

Schiermonnikoog

                 

Goeree-Overflakkee

 

–1

             

Schouwen-Duiveland

                 

Tholen

                 

Walcheren en Bevelanden

                 

Zeeuws-Vlaanderen

                 

Totaal

1

9

2

–1

4

1

1

2

4

Tabel B.3.6: Verschil tussen de capaciteitsberekening in stap 5 (actualiseren uitrukpunten minimumvariant naar 2011) en stap 4 in paragraaf 3.1, nul-waarden zijn weggelaten uit de tabel, hiervoor zijn lege cellen getoond.
 

Werkdagen

Zaterdagen

Zondagen

 

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

0–8 uur

8–16 uur

16–24 uur

RAV Groningen

 

–2

             

RAV Friesland(1)

 

–5

             

RAV Drenthe

 

–1

             

RAV IJsselland

 

–1

             

RAV Twente

 

–1

             

RAV Noord- en Oost-Gelderland

 

–3

             

RAV Gelderland-Midden

                 

RAV Gelderland-Zuid

 

–1

             

RAV Utrecht

 

–1

             

RAV Noord-Holland Noord(2)

 

–1

             

RAV Amsterdam

 

–1

             

RAV Kennemerland

 

–1

             

RAV Waterland

 

–1

             

RAV Gooi- en Vechtstreek

                 

RAV Haaglanden

 

–1

             

RAV Hollands Midden

                 

RAV Rotterdam-Rijnmond(3)

 

–3

             

RAV Zuid-Holland Zuid

 

–2

             

RAV Midden- en West-Brabant

 

–2

             

RAV Brabant-Noord