Besluit financiële markten BES

Geraadpleegd op 23-07-2024.
Geldend van 01-07-2024 t/m heden

Besluit van 22 mei 2012 houdende nadere regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de financiële ondernemingen die op die markten werkzaam zijn (Besluit financiële markten BES)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 2 november 2011, nr. FM/2011/9925 M;

Gelet op de artikelen 1:1, 1:3, vierde lid, 1:10, tweede lid, 1:27, eerste lid, onderdeel b en derde lid, 2:6, derde lid, 2:18, tweede en derde lid, 2:19, derde lid, 2:20, derde lid, 2:23, vijfde lid, 3:2, tweede lid, 3:4, derde lid, 3:5, tweede lid, 3:6, eerste en tweede lid, 3:8, tweede lid, 3:9, tweede lid, 3:11, tweede lid, 3:12, derde lid, 3:13, derde lid, 3:16, derde lid, 3:17, derde en vijfde lid, 3:18, eerste en tweede lid, 3:19, vierde lid, 3:21, eerste lid, 3:23, vijfde lid, 3:24, 3:34, eerste en tweede lid, 3:35, eerste tot en met derde, 3:36, eerste en vierde lid, 3:45, vijfde lid, 3:46, derde en vijfde lid, 4:3, tweede lid, 4:4, eerste lid, 4:5, tweede lid, 4:10, derde lid, 4:11, vierde lid, 4:23, derde lid, 4:26, derde lid, 4:33, eerste en tweede lid, 4:42, tweede lid, 4:48, 5:4, derde lid, 5:5, derde lid, 5:10, tweede en derde lid, 5:12, 5:14, tweede en derde lid, 5:15, tweede lid, 5:21, derde lid, 5:22, derde lid, 5:25, derde lid, 5:26, derde lid, 5:27, derde lid, 6:17, eerste lid, 7:30, tweede lid, 7:31, eerste lid, 8:3, tweede lid en 8:5, derde lid, van de Wet financiële markten BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 februari 2012, nr. W06.11.0468/III;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 mei 2012, nr. FM 2012-0204 U;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1. (begripsbepalingen)

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

  • bewaarder: een aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, van de wet;

  • kredietvereniging: een kredietinstelling met de rechtsvorm van een coöperatie die ten doel heeft zijn leden behulpzaam te zijn bij het sparen en verlenen van kredieten;

  • wet: Wet financiële markten BES.

Artikel 1:2. (professionele marktpartijen)

Bij regeling van Onze Minister kunnen personen die voldoen aan in die regeling vast te stellen criteria met betrekking tot aard en omvang van hun activiteiten, worden aangewezen als professionele marktpartij.

Artikel 1:3. (uitgezonderde adviseurs)

De wet is met betrekking tot het optreden als adviseur niet van toepassing op adviseurs die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan het verlenen van financiële diensten of het aanbieden van financiële producten en uit hoofde van die hoofdberoepswerkzaamheid inzicht hebben in de financiële situatie van een consument of cliënt, voor zover zij, zonder daarvoor van de aanbieder provisie te ontvangen, het aanbevolen product aan te bieden of andere financiële diensten te verlenen met betrekking tot het aanbevolen product, die consument of cliënt adviseren en de door hen verstrekte adviezen in het verlengde liggen van hun hoofdberoepswerkzaamheid.

Artikel 1:4. (uitgezonderde beleggingsinstellingen)

  • 1 De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21 en 2:22 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op:

    • a. beleggingsinstellingen die uitsluitend rechten van deelneming aanbieden in een besloten kring dan wel aan professionele marktpartijen;

    • b. beheerders en bewaarders voor zover zij de in onderdeel a bedoelde beleggingsinstellingen beheren of belast zijn met de bewaring van de activa van deze beleggingsinstellingen;

    • c. beleggingsinstellingen die aan de volgende vereisten voldoen:

      • 1°. in de beleggingsinstelling kunnen ten hoogste 25 natuurlijke personen deelnemen;

      • 2°. per deelnemer wordt niet meer dan USD 10.000 ingelegd;

      • 3°. de beleggingsinstelling gaat geen verplichtingen aan waardoor voor de deelnemers een verplichting kan ontstaan tot bijbetaling;

      • 4°. de gelden of andere goederen worden niet gevraagd, dan wel de rechten van deelneming worden niet aangeboden door natuurlijke of rechtspersonen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen in effecten of andere beleggingen;

    • d. beleggingsinstellingen waarvan het balanstotaal voor minder dan 50% uit beleggingen bestaat en waarvan de totale gerealiseerde opbrengsten voor minder dan 50% worden gegenereerd uit beleggingen.

  • 2 Een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, die een prospectus verkrijgbaar stelt, vermeldt daarin dat zij niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 1:5. (uitgezonderde bemiddelaars in goederenkrediet)

De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21, 2:22, 4:40, derde lid, 5:2, 5:3 en 5:4 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op bemiddelaars in goederenkrediet dat dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak dan wel het verlenen van een dienst, indien de looptijd van het goederenkrediet niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak of dan de periode van dienstverlening, en de bemiddelaar in goederenkrediet:

  • a. de consument niet adviseert over het goederenkrediet; en

  • b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in goederenkrediet.

Artikel 1:6. (uitgezonderde elektronischgeldinstellingen)

De wet is niet van toepassing op de uitgifte van elektronisch geld dat uitsluitend kan worden gebruikt:

  • a. hetzij in door de onderneming of instelling door of namens wie het elektronisch geld is uitgegeven gebruikte bedrijfsgebouwen;

  • b. hetzij op grond van een handelsovereenkomst met de in onderdeel a genoemde onderneming of instelling binnen een beperkt netwerk van dienstverleners;

  • c. hetzij voor een beperkte reeks goederen dan wel diensten.

Artikel 1:7. (uitgezonderde financiële diensten ten behoeve van eigen werknemers)

  • 1 De wet is met betrekking tot het optreden als adviseur niet van toepassing op adviseurs, voor zover zij adviseren over andere financiële producten dan krediet aan consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.

  • 2 De wet is met betrekking tot het optreden als bemiddelaar niet van toepassing op bemiddelaars, voor zover zij bemiddelen over andere financiële producten dan krediet ten behoeve van consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.

  • 3 De wet is met betrekking tot het optreden als gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agent niet van toepassing op gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agenten, voor zover zij verzekeringen sluiten met consumenten die bij hen in dienst zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.

Artikel 1:8. (uitgezonderde financiële diensten door of ten behoeve van pensioenfondsen)

De wet, met uitzondering van hoofdstuk 1, hoofdstuk 5, paragrafen 4 en 5, en de hoofdstukken 6 en 7, is niet van toepassing op:

  • a. het verlenen van financiële diensten of het aanbieden van financiële producten, niet zijnde rechten van deelneming in beleggingsinstellingen, door pensioenfondsen voor zover zij die financiële diensten verlenen of die financiële producten aanbieden aan de bedrijfstak of onderneming waarmee zij zijn verbonden;

  • b. het optreden als vermogensbeheerder ten behoeve van pensioenfondsen of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.

Artikel 1:9. (uitgezonderde kredietaanbieders)

  • 1 De wet is niet van toepassing op:

    • a. het door een werkgever als nevenactiviteit aanbieden van krediet aan uitsluitend zijn werknemers of het verlenen van een financiële dienst met betrekking tot dat krediet:

      • 1°. rentevrij of tegen een lagere dan de op de markt gebruikelijke rentevoet;

      • 2°. tegen een rentevoet die niet hoger is dan de op de markt gebruikelijke rentevoet en onder voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden;

    • b. het aanbieden van krediet, of het verlenen van een financiële dienst met betrekking tot zodanig krediet, dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en ter zake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht.

  • 2 De wet, met uitzondering van de artikelen 5:3, 5:4 en 5:15, is niet van toepassing op het aanbieden van, of het verlenen van financiële diensten met betrekking tot, een geoorloofde debetstand waarbij de consument is gehouden binnen een maand af te lossen.

Artikel 1:10. (uitgezonderde natura-uitvaartverzekeraars)

De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21 en 2:22 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met minder dan 200 verzekerden.

Artikel 1:10a. (uitgezonderde aanbieders van betaal- of spaarrekeningen)

De wet is met betrekking tot het aanbieden van eurobetaal- of eurospaarrekeningen en daaraan verbonden betaal- of spaarfaciliteiten niet van toepassing op kredietinstellingen, elektronischgeldinstellingen of geldtransactiekantoren met zetel in het Europese deel van Nederland die op grond van artikel 2:3a, eerste of tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht in het Europese deel van Nederland zijn toegelaten tot de uitoefening van het bedrijf van betaaldienstverlener.

Artikel 1:11. (doorberekening toezichtkosten)

  • 2 De hoogte van de in het eerste lid bedoelde tarieven wordt voor de naar aard en omvang van hun activiteiten te onderscheiden categorieën financiële ondernemingen verschillend vastgesteld. Tevens kan bij de vaststelling onderscheid worden gemaakt tussen financiële ondernemingen met zetel in een openbaar lichaam en financiële ondernemingen met zetel in het buitenland.

  • 3 Betaling van het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag geschiedt op door de toezichtautoriteit te bepalen wijze en binnen een door haar te bepalen termijn.

Artikel 1:12. (ontheffingen)

Hoofdstuk 2. Markttoegang

§ 1. Aanvraag van een vergunning

Artikel 2:1. (aanvraagformulier)

  • 1 De aanvraag van een vergunning op grond van de wet wordt gedaan met gebruikmaking van het daartoe door de toezichtautoriteit vast te stellen formulier dat op verzoek aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.

  • 2 Het aanvraagformulier en de daarbij ingevolge deze paragraaf te verstrekken gegevens en bescheiden worden in enkelvoud ingediend, waarbij bedoelde gegevens en bescheiden in zodanige vorm worden verstrekt dat een goede beoordeling door de toezichtautoriteit mogelijk is.

Artikel 2:2. (algemene gegevens vergunningaanvraag)

Een financiële onderneming verstrekt, voor zover van toepassing, aan de toezichtautoriteit bij de aanvraag van een vergunning de navolgende gegevens en bescheiden met betrekking tot de financiële onderneming:

  • a. naam, adres en telefoon- en faxnummer;

  • b. rechtsvorm;

  • c. statutaire zetel, statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;

  • d. uittreksel uit het handelsregister;

  • e. gewaarmerkt afschrift van de statuten;

  • f. programma van werkzaamheden die de financiële onderneming voornemens is te verrichten in of vanuit de openbare lichamen;

  • g. indien de financiële onderneming haar zetel in de openbare lichamen heeft:

    • 1°. naam, adres en telefoon- en faxnummer van eventuele bijkantoren in het buitenland;

    • 2°. programma van werkzaamheden die de financiële onderneming voornemens is te verrichten vanuit eventuele bijkantoren in het buitenland;

  • h. indien de financiële onderneming haar zetel in het buitenland heeft:

    • 1°. een verklaring van de toezichthoudende instantie van de staat van zetel waaruit blijkt dat de financiële onderneming in haar staat van zetel bevoegd is tot de uitoefening van de vergunningplichtige activiteiten, bedoeld in artikel 3:2 van de wet;

    • 2°. naam, adres en telefoon- en faxnummer van eventuele bijkantoren in de openbare lichamen.

Artikel 2:3. (financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen)

  • 2 Een bemiddelaar met zetel in de openbare lichamen verstrekt aan de toezichtautoriteit voorts gegevens en bescheiden met betrekking tot eventuele zakelijke relaties met verzekeraars waaruit blijkt of hij afhankelijk dan wel onafhankelijk is.

  • 3 Een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent met zetel in de openbare lichamen verstrekt aan de toezichtautoriteit voorts de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht geldt.

Artikel 2:4. (financiële onderneming met zetel in het buitenland)

  • 2 Artikel 2:3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een bemiddelaar onderscheidenlijk een gevolmachtigd agent of ondergevolmachtigd agent met zetel in het buitenland.

Artikel 2:5. (programma van werkzaamheden levensverzekeraar)

Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdelen f en g, onder 2°, van een levensverzekeraar met zetel in een openbaar lichaam bevat:

  • a. een opgave van de aard van de overeenkomsten die de verzekeraar voornemens is aan te gaan;

  • b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken;

  • c. de tarieven die de verzekeraar voornemens is toe te passen;

  • d. de technische grondslagen die de verzekeraar voornemens is toe te passen, met name de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen;

  • e. een uiteenzetting omtrent de leidende beginselen op het gebied van de herverzekering;

  • f. een raming van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet, alsmede bewijsstukken waaruit blijkt dat de verzekeraar beschikt over de financiële middelen tot dekking daarvan;

  • g. een raming voor de eerste drie boekjaren van de liquiditeitspositie;

  • h. een raming voor de eerste drie boekjaren van de vermoedelijke inkomsten en uitgaven met betrekking tot de directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en de uitgaande herverzekeringen;

  • i. een raming voor de eerste drie boekjaren van de financiële middelen tot dekking van de verzekeringsverplichtingen;

  • j. een raming voor de eerste drie boekjaren van de financiële middelen tot dekking van de solvabiliteitsmarge.

Artikel 2:6. (programma van werkzaamheden schadeverzekeraar)

Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdelen f en onderdeel g, onder 2°, van een schadeverzekeraar met zetel in een openbaar lichaam bevat:

  • a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 2:5, onderdelen b, c, e tot en met h, j en k;

  • b. een opgave van de aard van de risico’s die de verzekeraar voornemens is te dekken;

  • c. een raming voor de eerste drie boekjaren van de andere dan de in artikel 2:5, onderdeel g, bedoelde kosten van beheer, met name van de algemene kosten en provisies;

  • d. een raming voor de eerste drie boekjaren van de premies en van de schaden met betrekking tot de directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en de uitgaande herverzekeringen.

Artikel 2:7. (programma van werkzaamheden verzekeraar met zetel in het buitenland)

  • 1 Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel f, van een levensverzekeraar met zetel in het buitenland bevat:

    • a. een opgave van de aard van de overeenkomsten die de verzekeraar voornemens is aan te gaan in de openbare lichamen;

    • b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken in de openbare lichamen.

  • 2 Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel f, van een schadeverzekeraar met zetel in het buitenland bevat:

    • a. een opgave van de aarde van de risico’s die de verzekeraar voornemens is te dekken in de openbare lichamen;

    • b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken in de openbare lichamen.

  • 3 Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in het buitenland voegt bij het programma van werkzaamheden zijn jaarrekeningen van de laatste drie boekjaren.

§ 2. Melden van wijzigingen

Artikel 2:8. (wijzigingen in antecedenten)

  • 1 Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, meldt aan de toezichtautoriteit een wijziging in de gegevens die eerder door haarzelf aan de toezichtautoriteit zijn verstrekt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in artikel 3:4, eerste lid, van de wet bedoelde personen.

  • 2 De financiële onderneming meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat zij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen

Artikel 2:9. (wijziging van beleidsbepalers)

  • 1 Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, geeft de toezichtautoriteit kennis van het voornemen tot wijziging van:

    • a. de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen;

    • b. indien van toepassing, de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming.

  • 2 Met betrekking tot het voornemen, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de financiële onderneming gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichtautoriteit kan beoordelen of de financiële onderneming met betrekking tot de betrokken persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 3:4 en 3:5 van de wet gestelde regels met betrekking tot de betrouwbaarheid en de geschiktheid.

  • 3 De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan de voornemens, bedoeld in het eerste lid, voordat de toezichtautoriteit heeft ingestemd met de wijziging. De toezichtautoriteit neemt een besluit omtrent instemming binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving.

Artikel 2:10. (wijziging in gegevens betreffende de financiële onderneming)

Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, meldt binnen twee weken schriftelijk aan de toezichtautoriteit een wijziging in de gegevens en bescheiden met betrekking tot de financiële onderneming die zij ingevolge artikel 2:2 aan de toezichtautoriteit heeft verstrekt.

Artikel 2:11. (oprichten bijkantoor en staken werkzaamheden bijkantoor)

  • 1 Een financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen meldt aan de toezichtautoriteit schriftelijk haar voornemen om:

    • a. een bijkantoor in het buitenland op te richten;

    • b. de uitoefening van haar bedrijf vanuit een bijkantoor in het buitenland te staken.

  • 2 Een financiële onderneming met zetel in het buitenland meldt aan de toezichtautoriteit schriftelijk het voornemen om de uitoefening van haar bedrijf vanuit een bijkantoor in de openbare lichamen te staken.

  • 3 De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste en tweede lid, voordat vier weken zijn verstreken na de melding.

§ 3. Register financiële markten

Artikel 2:12. (inschrijving register)

  • 1 De toezichtautoriteit draagt zorg voor een zodanige indeling en inrichting van het register financiële markten, bedoeld in artikel 2:19, eerste lid, van de wet, dat uit het register is op te maken vanaf welk tijdstip, welke activiteiten de ingeschreven financiële ondernemingen mogen verrichten, met inbegrip van de eventueel gestelde beperkingen, alsmede de staat van zetel. Het register wordt zo ingericht dat het raadpleegbaar is op een website van de toezichtautoriteit.

  • 2 Het register vermeldt ten aanzien van een ingeschreven financiële onderneming:

    • a. in bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen de op de financiële onderneming van toepassing zijnde vrijstellingen;

    • b. op grond van artikel 1:27 van de wet verleende ontheffingen;

    • c. in voorkomend geval, dat zij haar bedrijf afwikkelt overeenkomstig artikel 2:17 van de wet;

    • d. ingevolge artikel 7:20 van de wet opgelegde verboden.

  • 3 Het register vermeldt voorts:

    • a. de in voorkomend geval aan een ingeschreven beleggingsinstelling verbonden beheerder en bewaarder, welke beheerder en bewaarder in het register worden opgenomen bij de betrokken beleggingsinstelling;

    • b. de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht van een ingeschreven gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent geldt, welke naam van de verzekeraar in het register wordt opgenomen bij de betrokken gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent;

    • c. of een ingeschreven bemiddelaar afhankelijk dan wel onafhankelijk is van een of meer verzekeraars.

Artikel 2:13. (doorhaling inschrijving)

De inschrijving in het register van een financiële onderneming waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt doorgehaald zodra de beslissing tot intrekking in werking is getreden. Zolang deze beslissing nog niet onherroepelijk is wordt dit bij de doorhaling vermeld.

Artikel 2:14. (inzage register)

  • 1 De toezichtautoriteit draagt er zorg voor dat de in artikel 2:12 bedoelde gegevens tot ten minste vijf jaar terug geraadpleegd kunnen worden.

  • 2 De toezichtautoriteit verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kostprijs, afschriften uit het register.

§ 4. Buitenlandse verzekeraars en kredietinstellingen

Artikel 2:15. (voorwaarden inkomende dienstverrichting verzekeraars)

Het is een verzekeraar als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, van de wet, niet zijnde een verzekeraar met zetel in Curaçao of Sint Maarten, slechts toegestaan vanuit het buitenland verzekeringen aan te bieden in de openbare lichamen indien het naar de aard en de waarde van het te verzekeren belang risico’s betreft die niet binnen de openbare lichamen verzekerbaar zijn.

Artikel 2:16. (nadere regels inzake notificatie)

  • 1 Een verzekeraar als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, van de wet maakt voor de ingevolge dat lid voorgeschreven kennisgeving gebruik van een door de Nederlandsche Bank vastgesteld formulier.

  • 2 Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid voornemens is verzekeringen aan te bieden tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, toont hij aan te voldoen aan artikel 4:32 van de wet en aan artikel 6:8 van dit besluit.

  • 3 Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid voornemens is verzekeringen aan te bieden als bedoeld in artikel 6:7, tweede lid, toont hij aan te voldoen aan de bij of krachtens dat artikel gestelde eisen.

Artikel 2:17. (toelating van bijkantoren)

  • 1 Het is een kredietinstelling met zetel in het buitenland slechts toegestaan door middel van een bijkantoor in de openbare lichamen het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, indien:

    • a. de som van de bij het bijkantoor aangehouden betaalrekeningen, spaartegoeden en deposito’s per ultimo van het laatst afgesloten boekjaar niet meer bedraagt dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag; en

    • b. de kredietinstelling zich vanuit het bijkantoor uitsluitend of hoofdzakelijk richt op ingezetenen van de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten dan wel aldaar gevestigde bedrijven.

  • 2 Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland slechts toegestaan door middel van een bijkantoor in de openbare lichamen het verzekeringsbedrijf uit te oefenen, indien:

    • a. de door het bijkantoor ontvangen bruto premies over het laatst afgesloten boekjaar niet meer bedragen dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag; en

    • b. de verzekeraar zich vanuit het bijkantoor uitsluitend of hoofdzakelijk richt op ingezetenen van de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten dan wel aldaar gevestigde bedrijven.

  • 3 Een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid of een verzekeraar als bedoeld in het tweede lid die niet meer voldoet aan de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid gestelde voorwaarden, meldt dit terstond aan de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank stelt de kredietinstelling of verzekeraar in de gelegenheid binnen een door haar vast te stellen redelijke termijn alsnog aan de voorwaarden te voldoen dan wel haar onderscheidenlijk zijn activiteiten onder te brengen in een in de openbare lichamen gevestigde of te vestigen rechtspersoon of deze af te wikkelen.

  • 4 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid tot en met het derde lid.

Hoofdstuk 3. Bestuur, inrichting en bedrijfsuitoefening

§ 1. Beleidsbepalers

Artikel 3:1. (betrouwbaarheidstoets)

  • 1 De toezichtautoriteit beoordeelt de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

  • 2 De toezichtautoriteit neemt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de in bijlage 1 genoemde antecedenten in aanmerking, alsmede:

    • a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;

    • b. de belangen die de wet beoogt te beschermen;

    • c. de overige belangen van de financiële onderneming en de betrokkene.

  • 3 Telkens na verloop van drie jaren vindt een nieuwe beoordeling plaats van de betrouwbaarheid van de in het eerste lid bedoelde personen.

Artikel 3:2. (antecedenten die ertoe leiden dat de betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat)

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is ter zake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage 1, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.

Artikel 3:3. (bronnen voor betrouwbaarheidstoets)

  • 1 De toezichtautoriteit verkrijgt inzicht in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

    • a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;

    • b. door de procureur-generaal uit inlichtingen van de justitiële documentatiedienst verstrekte gegevens;

    • c. gegevens en inlichtingen, verkregen van de rijksbelastingdienst;

    • d. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;

    • e. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;

    • f. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;

    • g. gegevens uit openbare bronnen;

    • h. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde persoon betrokken is geweest;

    • i. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene;

    • j. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij regeling van Onze Minister aan te wijzen bronnen.

  • 2 Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de toezichtautoriteit aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de toezichtautoriteit ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De toezichtautoriteit stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

    • a. de reden van het nadere onderzoek;

    • b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen;

    • c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.

Artikel 3:5. (vierogenprincipe en plaats van werkzaamheden)

  • 1 Het dagelijks beleid van een beleggingsinstelling, bewaarder, kredietinstelling, trustkantoor of verzekeraar wordt bepaald door ten minste twee natuurlijke personen.

  • 2 Een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen heeft een uit ten minste drie leden bestaande raad van commissarissen dan wel gelijksoortig orgaan, belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de financiële onderneming.

  • 3 Indien een beleggingsinstelling met zetel in de openbare lichamen een raad van commissarissen heeft, bestaat deze uit ten minste drie leden.

  • 4 Ten minste een van de personen die het dagelijks beleid bepalen van een trustkantoor verricht zijn werkzaamheden in verband daarmee vanuit de openbare lichamen.

§ 2. Integere bedrijfsuitoefening

Artikel 3:6. (toepassingsbereik)

  • 1 Deze paragraaf is niet van toepassing op adviseurs, bemiddelaars, gevolmachtigde agenten of ondergevolmachtigde agenten, indien deze in het voorafgaande boekjaar een omzet hadden van minder dan USD 0,5 miljoen.

  • 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder cliënt mede verstaan de persoon die kwalificeert als professionele marktpartij, en wordt met een financiële onderneming gelijkgesteld de aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder.

Artikel 3:7. (integriteitsbewuste bedrijfscultuur)

  • 1 Een financiële onderneming draagt zorg voor een integriteitsbewuste bedrijfscultuur, door procedures en maatregelen geïntegreerd in de bedrijfsvoering en gebaseerd op een systematische analyse van risico’s die kunnen leiden tot aantasting van de reputatie of een bestaande of toekomstige bedreiging kunnen vormen van het vermogen of het resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven of handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid.

  • 2 Een financiële onderneming legt schriftelijk haar beleid vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid en stelt alle bedrijfsonderdelen in kennis van dit beleid en de procedures en de maatregelen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:8. (compliance officer)

  • 1 Een financiële onderneming wijst ten minste één functionaris op managementniveau aan die op onafhankelijke en effectieve wijze de naleving controleert van de wettelijke voorschriften en interne regels met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en de regels bedoeld in artikel 3:15, eerste lid.

  • 2 De financiële onderneming draagt er zorg voor dat de functionaris, bedoeld in het eerste lid, binnen korte tijd kan beschikken over transactiegegevens, alsmede over gegevens die de financiële onderneming heeft vastgelegd ingevolge dit hoofdstuk of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES, en andere voor zijn taak relevante gegevens.

  • 3 Een financiële onderneming beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de functionaris.

  • 4 Een financiële onderneming beoordeelt periodiek de interne controlesystemen op hun effectiviteit en actualiteitswaarde en stelt deze zo nodig bij.

  • 5 Een financiële onderneming waarborgt dat kennis die wordt opgedaan bij de uitvoering van het eerste tot en met derde lid, en de resultaten van maatregelen genomen naar aanleiding van de controle, bedoeld in het eerste lid, binnen haar organisatie beschikbaar blijven.

Artikel 3:9. (cliëntacceptatie)

  • 1 Een financiële onderneming beschikt met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot:

    • a. de acceptatie van cliënten;

    • b. risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten en diensten;

    • c. de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door die cliënten afgenomen producten of diensten, en de detectie van afwijkende transactiepatronen.

  • 2 Aan de hand van de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de financiële onderneming tevens de risico’s van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.

  • 3 Een financiële onderneming draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden bewaard tot vijf jaar na de dienstverlening dan wel het beëindigen van de relatie met de desbetreffende cliënt.

Artikel 3:10. (afgeschermde rekeningen)

  • 1 De Nederlandsche Bank kan regels stellen met het oog op het door financiële ondernemingen voorkomen van misbruik van technische toepassingen voor witwassen of financiering van terrorisme.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan voorts met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met betrekking tot het door kredietinstellingen te voeren beleid inzake afgeschermde rekeningen en rekeningen waarop waarden worden aangehouden ten behoeve van derden.

Artikel 3:11. (back-to-back leningen)

De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot kredietinstrumenten waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt, direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer.

Artikel 3:12. (onderzoek terrorisme)

  • 1 Een kredietinstelling, verzekeraar of geldtransactiekantoor onderzoekt op verzoek van de Nederlandsche Bank, nadat deze door Onze Minister is geïnformeerd over bepaalde personen of instellingen die naar het oordeel van Onze Minister in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten de integriteit van de financiële sector kunnen schaden, of zulke personen of instellingen in haar onderscheidenlijk zijn administratie voorkomen.

  • 2 De financiële onderneming verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn, aan de Nederlandsche Bank.

Artikel 3:13. (naleving andere wetten)

  • 2 De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben ten minste betrekking op een adequate controle van de administratie van de financiële onderneming op het overeenkomen van de identiteit van een relatie met een persoon of entiteit, als bedoeld in de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels, met het oog op het bevriezen van de financiële middelen van die relatie of het voorkomen van het ter beschikking stellen van financiële middelen of diensten aan die relatie.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder relatie: een ieder die betrokken is bij een financiële dienst of een financiële transactie.

Artikel 3:14. (incidenten)

  • 1 Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en de vastlegging van incidenten. Die procedures en maatregelen voorzien in elk geval in een degelijke administratieve vastlegging van:

    • a. de kenmerken van het incident;

    • b. gegevens over de personen die het incident hebben bewerkstelligd;

    • c. de naar aanleiding van het incident genomen maatregelen.

  • 2 De financiële onderneming neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.

  • 3 De financiële onderneming informeert de toezichtautoriteit onverwijld schriftelijk omtrent incidenten.

  • 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaand onder incident: gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van de desbetreffende financiële onderneming.

Artikel 3:15. (belangenverstrengeling)

  • 1 Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van haar belangen of die van haar cliënten met privé-belangen van:

    • a. personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen;

    • b. personen die het beleid bepalen van de groep waartoe de financiële onderneming behoort;

    • c. leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming;

    • d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten.

  • 2 De toezichtautoriteit kan ter voorkoming van belangenverstrengeling regels stellen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en groepsbestuurders.

Artikel 3:16. (beoordeling betrouwbaarheid werknemers)

  • 1 Een financiële onderneming houdt een overzicht bij van de integriteitsgevoelige functies in haar onderneming en van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden behorende bij elk van die functies.

  • 2 Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat integriteitsgevoelige functies slechts worden bekleed door personen waarvan zij een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid heeft gemaakt en voortdurend blijft maken.

  • 3 De werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van de naleving van het eerste en tweede lid en de uitkomsten van die werkzaamheden worden door de financiële onderneming schriftelijk vastgelegd.

  • 4 De toezichtautoriteit kan categorieën functies aanwijzen die voor de toepassing van dit artikel in ieder geval kwalificeren als integriteitsgevoelig, en nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop een financiële onderneming de betrouwbaarheid beoordeelt van personen als bedoeld in het tweede lid en de vastlegging van gegevens ingevolge het derde lid.

Artikel 3:17. (uitwisseling gegevens betrouwbaarheid werknemers)

  • 1 Omtrent een persoon van wie zij de betrouwbaarheid heeft beoordeeld ingevolge artikel 3:16, verstrekt een financiële onderneming desgevraagd schriftelijk inlichtingen aan een andere financiële onderneming ten behoeve van de beoordeling door die andere financiële onderneming van die persoon ingevolge artikel 3:16, voor zover nodig om over de betrouwbaarheid een juist en zo volledig mogelijk beeld te geven.

  • 2 Een financiële onderneming onthoudt zich van handelingen waarvan zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze een onjuist beeld kunnen doen ontstaan van een persoon als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De toezichtautoriteit kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop een financiële onderneming voldoet aan het eerste en het tweede lid.

Artikel 3:18. (trustkantoren)

  • 1 Een trustkantoor houdt op een overzichtelijke wijze ten minste de bij regeling van Onze Minister aan te wijzen bescheiden en gegevens voor de toezichtautoriteit beschikbaar.

  • 2 De bescheiden en gegevens, bedoeld in het eerste lid, staan onmiddellijk ter beschikking van de toezichtautoriteit, indien deze daarom verzoekt.

§ 3. Beheerste bedrijfsuitoefening

Artikel 3:19. (algemene aspecten van de beheerste bedrijfsuitoefening)

  • 1 De bedrijfsvoering van een financiële onderneming of een bewaarder omvat:

    • a. een duidelijke en adequate organisatiestructuur;

    • b. een duidelijke en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

    • c. eenduidige rapportagelijnen;

    • d. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie;

    • e. een adequaat systeem van interne controle.

  • 2 De bedrijfsvoering, bedoeld in het eerste lid, is afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of de bewaarder en wordt op inzichtelijke wijze vastgelegd.

  • 3 Een beheerder richt voor iedere beleggingsinstelling die hij beheert afzonderlijk een bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.

Artikel 3:20. (belangenconflicten)

  • 1 Een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder beschikt over procedures en maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten tussen zijn onderneming en zijn cliënten of tussen zijn cliënten onderling.

  • 2 De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:21. (risicomanagement)

  • 1 Een bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar voert beleid gericht op het beheersen van relevante financiële risico’s.

  • 2 Het beleid, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante financiële risico’s en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid ziet er op systematische wijze op toe dat de procedures en maatregelen uit de eerste volzin worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.

  • 3 Een kredietinstelling of verzekeraar heeft een onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een onafhankelijke risicobeheer uitvoert dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de financiële risico’s waaraan de kredietinstelling of verzekeraar kan worden blootgesteld.

  • 4 Een financiële onderneming met zetel in het buitenland, die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staat, wordt vermoed te voldoen aan de in het eerste tot en met derde lid gestelde eisen, zolang zij in de staat van zetel is toegelaten tot de uitoefening van haar bedrijf.

Artikel 3:22. (risicomanagement beheerder en bewaarder)

Een beheerder of bewaarder met zetel in een openbaar lichaam, beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld. Artikel 3:21, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:23. (bewaarplicht advisering)

  • 1 Een financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 5:1 van de wet bewaart, indien hij een consument of cliënt adviseert, de informatie die hij overeenkomstig artikel 5:7 van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het financiële product, de financiële dienst of de effecten, gedurende ten minste één jaar, gerekend vanaf het moment van advisering.

  • 2 Ten aanzien van financiëledienstverleners, niet zijnde adviseurs, is het eerste lid niet van toepassing, indien de advisering niet leidt tot het aangaan van verplichtingen door de consument onderscheidenlijk de cliënt inzake het aanbevolen financieel product, de aanbevolen financiële dienst of de aanbevolen effecten.

  • 3 Indien een consument of cliënt met of door bemiddeling van een financiëledienstverlener een overeenkomst aangaat waarvan de inhoud afwijkt van het advies van die financiëledienstverlener, is die financiëledienstverlener gedurende ten minste één jaar nadien in staat aan de Autoriteit Financiële Markten aan te tonen dat de consument, onderscheidenlijk de cliënt, in weerwil van het advies de keuze heeft gemaakt voor het aangaan van die overeenkomst.

Artikel 3:24. (bewaarplicht kredietovereenkomst)

Een kredietaanbieder bewaart de informatie die hij ingevolge artikel 5:14, tweede lid, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de op schrift gestelde door hem aangeboden overeenkomst inzake krediet, indien die overeenkomst tot stand is gekomen, gedurende ten minste vijf jaren, gerekend vanaf de dag waarop die overeenkomst is afgewikkeld.

Artikel 3:25. (bewaarplicht effectenbemiddeling en vermogensbeheer)

  • 1 Een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder bewaart de overeenkomsten met cliënten alsmede door de toezichtautoriteit aangewezen gegevens over alle door hem verleende diensten. Hij bewaart die overeenkomsten en gegevens gedurende ten minste vijf jaar.

  • 2 Een vermogensbeheerder bewaart de ingevolge artikel 5:8 van de wet ingewonnen informatie gedurende ten minste vijf jaren na de beëindiging van het beheer van het vermogen van de cliënt.

Artikel 3:26. (nadere regels beheerste bedrijfsuitoefening)

De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot de artikelen 3:19 tot en met 3:25.

§ 4. Vakbekwaamheid

Artikel 3:27. (vakbekwaamheid werknemers)

  • 1 Werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder verantwoordelijkheid van een financiële onderneming rechtstreeks bezighouden met het aanbieden van financiële producten of het verlenen van financiële diensten, beschikken over voldoende door een financiële onderneming of derde verzorgde relevante opleiding of daaraan gelijk te stellen ervaring.

  • 2 De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de vereiste opleiding of ervaring, en op welke wijzen die ervaring kan worden aangetoond. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar de mate van zelfstandigheid van het optreden van categorieën personen.

Artikel 3:28. (erkenning exameninstituten)

Onze Minister kan exameninstituten erkennen die bevoegd zijn tot het afgeven van diploma’s waarmee de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3:27, eerste lid, wordt aangetoond. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen categorieën financiële ondernemingen. Een aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 3:29. (vakbekwaamheid leidinggevenden assurantiebemiddelaars)

Een bemiddelaar in schadeverzekeringen of levensverzekeringen draagt er zorg voor dat degenen die de feitelijke leiding hebben over een vestiging van zijn bedrijf, allen beschikken over een door een bij regeling van Onze Minister, zo nodig onder voorwaarden, erkend diploma voor de bemiddeling in schadeverzekeringen onderscheidenlijk levensverzekeringen.

§ 5. Klachtbehandeling

Artikel 3:30. (klachtenadministratie)

  • 1 Een financiële onderneming die financiële producten aanbiedt of financiële diensten verleent beschikt met het oog op een adequate behandeling van klachten van cliënten of consumenten over die producten of diensten over een behoorlijke administratie van die klachten, waarin ten minste worden vastgelegd:

    • a. de naam en het adres van de klager;

    • b. de klacht, met de daarbij behorende dagtekening van ontvangst;

    • c. een omschrijving van de klacht;

    • d. een beschrijving van de wijze waarop de financiële onderneming de klacht heeft behandeld.

  • 2 Een financiële onderneming bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens gedurende ten minste een jaar nadat de klacht door haar is afgehandeld.

§ 6. Uitbesteding aan derden

Artikel 3:31. (definitie uitbesteden)

In deze paragraaf wordt onder uitbesteden verstaan: het door een financiële onderneming verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die financiële onderneming verrichten van werkzaamheden:

  • a. die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van haar bedrijf of het aanbieden van financiële producten dan wel verlenen van financiële diensten;

  • b. die deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan.

Artikel 3:32. (verbod op uitbesteden)

  • 1 Een financiële onderneming gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat een belemmering vormt voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels.

  • 2 Een financiële onderneming besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.

Artikel 3:33. (waarborgen ten aanzien van uitbesteden)

  • 1 Een financiële onderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt er zorg voor dat de derde de uitbestede werkzaamheden op adequate wijze uitvoert, de uitvoering afdoende controleert en de daaraan verbonden risico’s op adequate wijze beheerst. Zij legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden uitbesteed schriftelijk vast.

  • 2 De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:34. (uitbesteden door beheerders en bewaarders)

  • 1 Een beheerder besteedt het bepalen van het beleggingsbeleid van een beleggingsinstelling niet uit.

  • 2 De artikelen 3:32 en 3:33 zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder of bewaarder.

Hoofdstuk 4. Financiële waarborgen

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 4:1. (buitenlandse financiële ondernemingen)

  • 1 Dit paragrafen 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen, beheerders en bewaarders met zetel in het buitenland die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staan.

  • 2 Een financiële onderneming, beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de in de staat van zetel op haar van toepassing zijnde eisen met betrekking tot eigen vermogen, solvabiliteit, liquiditeit en technische voorzieningen.

§ 2. Minimumvermogen en solvabiliteit kredietinstellingen

Artikel 4:2. (minimumvermogen)

  • 1 Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt:

    • a. voor een kredietinstelling, niet zijnde een kredietinstelling als bedoeld in de onderdelen b tot en met d: USD 2.750.000;

    • b. voor een kredietinstelling die voornamelijk is gespecialiseerd in het verstrekken van hypotheken: USD 1.650.000;

    • c. voor een kredietinstelling die voornamelijk zijn fondsen aantrekt bij wijze van spaardeposito’s: USD 558.000;

    • d. voor een kredietvereniging: USD 25.000.

  • 2 Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling.

Artikel 4:3. (solvabiliteit)

  • 2 De solvabiliteit van een kredietvereniging is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, tweede lid, ten minste gelijk is aan vijf procent van de totale activa, met uitzondering van de liquide middelen en de vaste activa, van de kredietvereniging.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid is de solvabiliteit van een kredietinstelling ten minste gelijk aan het in artikel 4:2, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen.

Artikel 4:4. (samenstelling toetsingsvermogen)

  • 1 Het toetsingsvermogen van een kredietinstelling, niet zijnde een kredietvereniging, wordt gevormd door de som van het in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal, met inachtneming van artikel 4:7.

  • 2 Het toetsingsvermogen van een kredietvereniging wordt gevormd door de som van de ingehouden winsten, overige reserves en algemene voorzieningen.

  • 3 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid.

Artikel 4:5. (kernkapitaal)

  • 1 Het kernkapitaal wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de waarde van de posten bedoeld in het derde lid.

  • 2 De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen zijn:

    • a. het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal;

    • b. agioreserve;

    • c. overige reserves;

    • d. ingehouden winst;

    • e. minderheidsbelangen;

    • f. voorzieningen ter dekking van algemene risico’s;

    • g. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.

  • 3 De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen posten zijn:

    • a. immateriële activa;

    • b. goodwill;

    • c. niet erkende latente belastingvorderingen;

    • d. vijftig procent van de waarde van de volgende deelnemingen:

      • 1°. significante minderheidsdeelnemingen in kredietinstellingen en andere financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars;

      • 2°. wederzijdse deelnemingen in andere kredietinstellingen die een geflatteerd beeld beogen te geven van de vermogenspositie;

      • 3°. deelnemingen in verzekeraars;

      • 4°. deelnemingen in overige ondernemingen.

  • 4 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het tweede en derde lid genoemde vermogensbestanddelen en posten.

Artikel 4:6. (aanvullend kapitaal)

  • 1 Het aanvullend kapitaal wordt gevormd door de waarde van:

    • a. herwaarderingsreserves;

    • b. wettelijke reserves;

    • c. achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd.

  • 2 Het in aanmerking te nemen aanvullend kapitaal bedraagt de som van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen, verminderd met vijftig procent van de waarde van de in artikel 4:5, derde lid, onderdeel d, bedoelde deelnemingen.

  • 3 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het eerste lid genoemde waarden.

Artikel 4:7. (kwaliteit van het toetsingsvermogen)

Voor de toepassing van de artikelen 4:5 en 4:6:

  • a. wordt het kernkapitaal volledig in aanmerking genomen voor de berekening van het toetsingsvermogen;

  • b. wordt het aanvullend kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen, voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal;

  • c. worden de achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd tot een maximum van vijftig procent van het kernkapitaal in aanmerking genomen;

  • d. wordt per post rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.

Artikel 4:8. (minimumomvang toetsingsvermogen)

De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietinstelling is gelijk aan de som van:

  • a. acht procent van de som van de ingevolge artikel 4:9 of 4:11 te berekenen bedragen van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisico’s;

  • b. het ingevolge artikel 4:14 te berekenen bedrag voor het marktrisico;

  • c. het ingevolge de artikelen 4:15 tot en met 4:18 te berekenen bedrag voor het operationeel risico.

Artikel 4:9. (standaardbenadering voor het kredietrisico)

  • 1 Het bedrag van een naar risico gewogen actief of post als bedoeld in artikel 4:8, onderdeel a, is gelijk aan zijn vorderingswaarde, vermenigvuldigd met het ingevolge het tweede lid, onderdeel a, aan het actief of de post buiten de balanstelling toegekende risicogewicht.

  • 2 De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot:

    • a. de indeling van de activa en posten buiten de balansteling in categorieën naar gelang de wederpartij en de aan die categorieën toe te kennen risicogewichten met inachtneming van artikel 4:10;

    • b. de berekening van de vorderingswaarde van een actief of post buiten de balansteling.

Artikel 4:10. (gebruik kredietbeoordelingen)

  • 1 Bij de toekenning van een risicogewicht aan een categorie activa of posten buiten de balanstelling kan een kredietinstelling een kredietbeoordeling van een ingevolge artikel 4:13 door de Nederlandsche Bank erkend kredietbeoordelingbureau op een consistente wijze gebruiken. Onder een kredietbeoordeling wordt verstaan de taxatie van de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen.

  • 2 De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het gebruik van een kredietbeoordeling als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Een kredietinstelling gebruikt slechts gevraagde kredietbeoordelingen.

  • 4 De Nederlandsche Bank kan, in afwijking van het derde lid, op verzoek van de kredietinstelling toestemming verlenen om ongevraagde kredietbeoordelingen te gebruiken.

Artikel 4:11. (interne modellen methode voor het kredietrisico)

  • 1 De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de bedragen van haar naar risico gewogen activa of posten buiten de balanstelling in afwijking van artikel 4:9 te berekenen volgens een interne modellenmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen ramingen van de kans dat een wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft, en van de verhouding tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling.

  • 2 De gehanteerde interne modellen voor het beheer en de beoordeling van kredietrisico’s worden zorgvuldig toegepast. De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot deze interne modellen.

Artikel 4:12. (kredietrisicovermindering)

  • 1 Een kredietinstelling kan kredietrisicovermindering in aanmerking nemen, mits zij gebruik maakt van een door de Nederlandsche Bank toegestane techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan de activa en posten buiten de balanstelling, en zij voldoet aan de in voorkomend geval ingevolge het tweede lid gestelde regels.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder onder het eerste lid genoemde technieken van kredietrisicovermindering toelaatbaar zijn, en de beperking van de aan kredietrisicovermindering verbonden risico’s.

Artikel 4:13. (erkenning kredietbeoordelingbureaus)

  • 1 De Nederlandsche Bank erkent op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, een kredietbeoordelingbureau, indien het voldoet aan door de Nederlandsche Bank gestelde criteria.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan een procedure vaststellen voor de erkenning, bedoeld in het eerste lid, en maakt deze bekend.

  • 3 Indien een kredietbeoordelingbureau niet meer voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, kan de Nederlandsche Bank de erkenning intrekken.

Artikel 4:14. (vereiste solvabiliteit voor het marktrisico)

  • 1 Een kredietinstelling berekent het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel b, conform de door de Nederlandsche Bank gestelde regels. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de berekening van de omvang van het marktrisico ten opzichte van het totale bedrijf en de grondslagen van die berekening.

  • 2 Het is een kredietinstelling toegestaan het bedrag van de vereiste solvabiliteit voor het marktrisico te berekenen overeenkomstig de in artikel 4:9 gestelde regels, indien het totale solvabiliteitsvereiste voor het marktrisico niet meer bedraagt dan vijf procent van het laatst berekende toetsingsvermogen.

  • 3 Een kredietinstelling die het tweede lid toepast, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank met een door deze na overleg met de kredietinstelling te bepalen frequentie. Een overschrijding van de limiet, bedoeld in het tweede lid, meldt de kredietinstelling onverwijld aan de Nederlandsche Bank.

Artikel 4:15. (basisindicator voor het operationeel risico)

  • 1 Een kredietinstelling maakt gebruik van de basisindicatorbenadering voor de berekening van het bedrag van de met betrekking tot het totale bedrijf vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.

  • 2 De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de basisindicatorbenadering en de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.

Artikel 4:16. (standaardbenadering voor het operationeel risico)

  • 1 In afwijking van artikel 4:15 kan een kredietinstelling gebruik maken van de standaardbenadering voor de berekening van het bedrag van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 4:8, onderdeel c.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.

Artikel 4:17. (alternatieve standaardbenadering voor het operationeel risico)

  • 1 De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om gebruik te maken van een alternatieve standaardbenadering voor de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder toepassing van de alternatieve standaardbenadering is toegestaan en met betrekking tot de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van het operationeel risico volgens die benadering.

Artikel 4:18. (bestendige gedragslijn voor het operationeel risico)

  • 1 Het is een kredietinstelling die eenmaal de standaardbenadering, bedoeld in artikel 4:16 gebruikt, niet toegestaan daarna alsnog de basisindicatorbenadering te gebruiken.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan een kredietinstelling op verzoek toestemming verlenen om de standaardbenadering in combinatie met de basisindicatorbenadering toe te passen, indien de kredietinstelling de standaardbenadering implementeert overeenkomstig een met de Nederlandsche Bank overeengekomen tijdschema.

Artikel 4:19. (grote posities)

  • 1 De waarde van de balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 3:17, vijfde lid, van de wet bedraagt voor een kredietinstelling ten aanzien van een wederpartij of groep van verbonden wederpartijen niet meer dan vijfentwintig procent van haar toetsingsvermogen.

  • 2 De totale waarde van de grote posities van een kredietinstelling bedraagt niet meer dan zeshonderd procent van haar toetsingsvermogen.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op actiefposten in de vorm van schatkistpapier van de federale overheid van de Verenigde Staten van Amerika met een looptijd van minder dan drie maanden.

  • 4 De Nederlandsche Bank kan, op verzoek, besluiten dat het een kredietinstelling voor een beperkte duur is toegestaan het in het eerste of tweede lid bedoelde percentage te overschrijden. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij een overschrijding toestaat.

§ 3. Minimum eigen vermogen en solvabiliteit overige financiële ondernemingen

Artikel 4:20. (minimumvermogen beleggingsmaatschappij)

  • 2 Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beleggingsmaatschappij wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de beleggingsmaatschappij. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:21. (minimumvermogen bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder)

  • 1 Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder USD 25.000.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een bemiddelaar in effecten die uitsluitend orders van cliënten ontvangt en doorgeeft, mits die bemiddelaar beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf. Artikel 4:47, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de volgende vermogensbestanddelen:

    • a. voor een naamloze of besloten vennootschap: het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal, met uitsluiting van cumulatief preferente aandelen en van preferente aandelen met een vaste looptijd;

    • b. voor een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten;

    • c. voor een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen van de beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal;

    • d. voor een coöperatie: het door de leden gestorte of ingelegde kapitaal;

    • e. voor een onderneming die een andere rechtsvorm heeft dan de hierboven genoemde: het voordelige verschil tussen bezittingen en schulden;

    • f. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.

  • 4 De in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.

  • 5 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het derde lid genoemde vermogensbestanddelen.

Artikel 4:22. (minimumomvang solvabiliteit bemiddelaar in effecten en vermogensbeheerder)

  • 1 Een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan vijfentwintig procent van de door de Nederlandsche Bank vastgestelde vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Indien de vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten haar werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen vijfentwintig procent van de in haar programma van werkzaamheden begrote vaste kosten. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een hogere minimumomvang geldt, indien aannemelijk is dat de vaste kosten te laag zijn.

  • 3 Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen van een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder wordt gevormd door de waarde van de in artikel 4:21, derde lid, genoemde vermogensbestanddelen. Artikel 4:21, vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 4:21, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.

Artikel 4:23. (minimumvermogen elektronischgeldinstelling)

  • 1 Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt voor een elektronischgeldinstelling USD 50.000.

  • 2 Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een elektronischgeldinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling. Per afzonderlijke post wordt rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.

Artikel 4:24. (minimumomvang solvabiliteit elektronischgeldinstelling)

  • 1 Een elektronischgeldinstelling beschikt over een toetsingsvermogen dat ten minste gelijk is aan twee procent van het lopende bedrag of het gemiddelde bedrag over de laatste zes maanden van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. Indien de elektronischgeldinstelling haar werkzaamheden niet gedurende zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen twee procent van het lopende bedrag of het blijkens haar programma van werkzaamheden op zes maanden nagestreefde bedrag van haar totale financiële verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden, naar gelang welk bedrag het hoogste is. De Nederlandsche Bank kan, indien de vorige volzin van toepassing is en aannemelijk is dat het nagestreefde bedrag te laag is geschat, besluiten dat voor de elektronischgeldinstelling een hogere minimumomvang van het toetsingsvermogen geldt.

  • 2 Het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, is het toetsingsvermogen ten minste gelijk aan het in artikel 4:23, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag.

Artikel 4:25. (minimumbedrag van het garantiefonds van een verzekeraar)

Het minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:16, vierde lid, van de wet bedraagt:

  • a. voor een levensverzekeraar: USD 223.000;

  • b. voor een natura-uitvaartverzekeraar: USD 25.000;

  • c. voor een schadeverzekeraar: USD 167.000.

Artikel 4:26. (solvabiliteitsmarge van een verzekeraar)

  • 1 Een levensverzekeraar of een natura-uitvaartverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vier procent van de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, zonder rekening te houden met de herverzekering van deze verplichtingen.

  • 2 Een schadeverzekeraar beschikt over een solvabiliteitsmarge die ten minste gelijk is aan vijftien procent van de in het voorgaande boekjaar geboekte bruto premies.

  • 3 De berekening van het minimumbedrag van de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt aan de hand van een door de Nederlandsche Bank vastgesteld model.

Artikel 4:27. (samenstelling solvabiliteitsmarge)

  • 1 Het minimumbedrag van het garantiefonds en de solvabiliteitsmarge van een verzekeraar worden gevormd door de volgende vermogensbestanddelen:

    • a. het gestorte kapitaal of waarborgkapitaal vermeerderd met ledenrekeningen;

    • b. de wettelijke, statutaire en overige reserves;

    • c. de onverdeelde winst dan wel het verlies;

    • d. achtergestelde leningen en achtergestelde schuldinstrumenten;

    • e. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin en de voorwaarden waaronder de in het eerste lid genoemde vermogensbestanddelen worden meegerekend bij het bepalen van de solvabiliteitsmarge.

§ 4. Liquiditeit beleggingsinstellingen en kredietinstellingen

Artikel 4:28. (liquiditeit beleggingsinstellingen)

  • 1 Een beleggingsinstelling met zetel in een openbaar lichaam, waarvan in de openbare lichamen de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, beschikt over voldoende liquiditeit.

  • 2 De liquiditeit van een beleggingsinstelling is voldoende, indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het vierde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het derde lid.

  • 3 De vereiste liquiditeit van een beleggingsinstelling bedraagt tien procent van het beheerde vermogen. In afwijking van de eerste volzin kan, indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.

  • 4 De aanwezige liquiditeit van een beleggingsinstelling wordt berekend op basis van door de Nederlandsche Bank te stellen regels.

Artikel 4:29. (liquiditeit kredietinstellingen)

  • 1 De liquiditeit van een kredietinstelling is voldoende indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in het derde lid, ten minste gelijk is aan de vereiste liquiditeit, bedoeld in het tweede lid.

  • 2 De vereiste liquiditeit van een kredietinstelling bestaat uit de som van de gewogen uitstaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen toevertrouwde middelen en overige posten die tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de maandperiode. Onder kalenderposten wordt verstaan een actiefpost of passiefpost waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen.

  • 3 De aanwezige liquiditeit van een kredietinstelling wordt gevormd door de gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende de maandperiode, alsmede de officiële standby-faciliteiten. Onder voorraadpost wordt verstaan de liquide activa die niet in de vervalkalender zijn opgenomen.

  • 4 De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot het tweede en derde lid.

§ 5. Technische voorzieningen

Artikel 4:30. (samenstelling technische voorzieningen)

  • 1 De technische voorzieningen van een verzekeraar bestaan, telkens voor zover van toepassing, uit:

    • a. de voorziening voor niet-verdiende premies en de voorziening voor lopende risico’s, waaronder de catastrofevoorziening indien deze is getroffen;

    • b. de voorziening voor levensverzekering;

    • c. de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen;

    • d. de voorziening voor winstdeling en kortingen;

    • e. de voorziening voor latente winstdelingsverplichtingen;

    • f. de egalisatievoorziening, voor zover egalisatie van winsten en verliezen bij of krachtens de wet is toegestaan;

    • g. de overige technische voorzieningen.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de mate waarin technische voorzieningen moeten worden gevormd met betrekking tot verplichtingen en kosten en omtrent de indeling van de technische voorzieningen.

Artikel 4:31. (waardering technische voorzieningen)

  • 1 De technische voorzieningen worden gewaardeerd op voor het verzekeringsbedrijf aanvaarde grondslagen. Bij de waardering van de technische voorzieningen wordt ervan uitgegaan dat de verzekeringsmaatschappij in staat moet zijn te voldoen aan haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voorzienbare verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten.

  • 2 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de voor de berekening van de technische voorzieningen te hanteren grondslagen.

Artikel 4:32. (afzonderlijke berekening technische voorzieningen)

De voorzieningen, bedoeld in artikel 4:30, onderdelen a tot en met c, worden zoveel mogelijk voor elke overeenkomst onderscheidenlijk elke schade afzonderlijk en op voorzichtige wijze bepaald. Het gebruik van statistische of wiskundige methoden is toegestaan, indien de aard van de overeenkomst dat toelaat, en deze methoden naar verwachting dezelfde resultaten opleveren als de afzonderlijke berekeningen.

Artikel 4:33. (voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s)

De voorziening voor niet-verdiende premies en lopende risico’s, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel a, omvat onder meer:

  • a. de in het boekjaar ontvangen premies ter zake van risico’s die op het daarop volgende boekjaar of boekjaren betrekking hebben;

  • b. de schaden en kosten uit lopende overeenkomsten van verzekering die na afloop van het boekjaar kunnen ontstaan en die niet gedekt kunnen worden door de voorziening die betrekking heeft op de niet-verdiende premies tezamen met de in het daarop volgende boekjaar of boekjaren nog te ontvangen premies.

Artikel 4:34. (voorziening voor levensverzekering)

  • 1 De voorziening voor levensverzekering, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel b, wordt berekend op basis van een voldoende voorzichtige prospectieve actuariële methode, rekening houdend met de in de toekomst te ontvangen premies en met alle toekomstige verplichtingen volgens de voor iedere lopende overeenkomst van verzekering gestelde voorwaarden, met inbegrip van:

    • a. alle gegarandeerde uitkeringen en gegarandeerde afkoopwaarden;

    • b. de winstdelingen waarop de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering collectief dan wel individueel recht heeft;

    • c. alle keuzemogelijkheden waarover de verzekeringnemer, verzekerde of gerechtigde op uitkering volgens de voorwaarden van de overeenkomst beschikt;

    • d. de bedrijfskosten, met inbegrip van provisies.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan een retrospectieve methode worden toegepast indien de op grond van die methode berekende voorzieningen niet lager zijn dan de voorzieningen bij toepassing van een prospectieve methode, of indien het gebruik van een prospectieve methode vanwege de aard van het betrokken type overeenkomst niet mogelijk is.

  • 3 De voorziening voor levensverzekering vermeldt afzonderlijk de technische voorzieningen voor verzekeringen waarbij de tot uitkering gerechtigde het beleggingsrisico draagt.

Artikel 4:35. (voorziening voor te betalen schaden of uitkeringen)

  • 1 De voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel c, omvat het bedrag van de te verwachten schaden of uitkeringen, in aanmerking nemende:

    • a. de voor de balansdatum ontstane schaden of uitkeringen die zijn gemeld en nog niet zijn afgewikkeld, en de schaden of uitkeringen die nog niet zijn gemeld;

    • b. de kosten verband houdende met de afwikkeling van schaden of uitkeringen;

    • c. de in verband met schaden of uitkeringen te verwachten baten uit subrogatie en de verkrijging van de eigendom van verzekerde zaken.

  • 2 Discontering van de voorziening voor te betalen schaden of voor te betalen uitkeringen, anders dan periodiek te betalen schaden, is slechts toegestaan in door de Nederlandsche Bank te bepalen gevallen en onder door de Nederlandsche Bank te stellen voorwaarden.

  • 3 Indien de verplichtingen uit overeenkomsten van verzekering op het tijdstip van het opmaken van de jaarrekening redelijkerwijs niet te schatten zijn wegens het ontbreken van voldoende nauwkeurige gegevens met betrekking tot de over het tekenjaar te ontvangen premies of te betalen schaden en kosten van afwikkeling van de schade, kan de Nederlandsche Bank, onder door haar te stellen voorwaarden, een andere berekening van de voorziening voor te betalen schade of voor te betalen uitkeringen toestaan.

Artikel 4:36. (voorziening voor winstdeling en kortingen)

De voorziening voor winstdeling en kortingen, bedoeld in artikel 4:30, onderdeel d, omvat de bedragen die in de vorm van winstdeling bestemd zijn voor de verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, voor zover deze niet hebben geleid tot verhoging van de voorziening voor levensverzekering, alsmede de bedragen die een gedeeltelijke terugbetaling van premies op grond van het resultaat van de overeenkomsten vertegenwoordigen, voor zover deze niet tot verhoging van de ledenrekening hebben geleid.

Artikel 4:37. (egalisatievoorziening kredietverzekeraars)

  • 1 Een schadeverzekeraar die overeenkomsten van verzekering sluit ter dekking van schaden die het gevolg zijn van algemene insolventie, verleend exportkrediet, hypothecair krediet, landbouwkrediet en verkoop op afbetaling, houdt ter dekking van een tijdens het boekjaar ter zake geleden technisch verlies een egalisatievoorziening aan die wordt berekend overeenkomstig het tweede lid.

  • 2 Het minimumbedrag van de egalisatievoorziening bedraagt 134 procent van het gemiddelde van de tijdens de vijf voorgaande boekjaren jaarlijks geboekte premies na aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering. Aan deze voorziening wordt in elk boekjaar waarin ter zake een technisch overschot werd geboekt, vijfenzeventig procent van dit technisch overschot toegevoegd, totdat de voorziening ten minste gelijk is aan het in de vorige volzin genoemde minimum.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing als de ter zake jaarlijks geboekte premies minder dan vier procent van het totale bedrag aan jaarlijks geboekte premies belopen.

Artikel 4:38. (earmarking)

De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, worden door de verzekeraar als zodanig geadministreerd. De Nederlandsche Bank kan tegen de aard en waardering van deze waarden bezwaar maken, aan welk bezwaar de verzekeraar dient tegemoet te komen.

Artikel 4:39. (congruentie en lokalisatie)

  • 1 De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, moeten in toereikende mate in dezelfde muntsoort kunnen worden geïnd of te gelde gemaakt als die waarin de verplichtingen luiden.

  • 2 De waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen voor de vanuit de vestigingen in de openbare lichamen aangegane verplichtingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig. Waarden die bestaan uit schuldvorderingen, zijn in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten aanwezig, indien zij aldaar kunnen worden geïnd.

Artikel 4:40. (prudent beleggingsbeleid)

De verzekeraar draagt er zorg voor dat de aard en waardering van de waarden die dienen ter dekking van de technische voorzieningen, in overeenstemming zijn met de aard onderscheidenlijk de waardering van de aangegane verplichtingen. Deze waarden worden adequaat gediversificeerd en gespreid. Waarden met een hoog risico worden tot een voorzichtig niveau beperkt en voorzichtig gewaardeerd.

Artikel 4:41. (beleggingsrisico voor verzekeringnemer)

De technische voorzieningen met betrekking tot uitkeringen die volgens de overeenkomst rechtstreeks gekoppeld zijn aan de waarde van een deelneming in een beleggingsinstelling, onderscheidenlijk aan een andere referentiewaarde, worden gedekt door deze rechten van deelneming, onderscheidenlijk door de eenheden die de referentiewaarde vertegenwoordigen, dan wel door activa die zo nauw mogelijk aansluiten bij die waarop de referentiewaarde is gebaseerd. Artikel 4:40 is niet van toepassing op de in de vorige volzin bedoelde technische voorzieningen.

Artikel 4:42. (vorderingen op herverzekeraars)

  • 1 Een vordering op een herverzekeraar uit hoofde van een door een verzekeraar als verzekeringnemer gesloten overeenkomst van herverzekering komt in aanmerking als waarde ter dekking van de technische voorzieningen voor zover het naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aannemelijk is dat de vordering in de openbare lichamen zal worden voldaan of dat de verzekeraar in het buitenland zijn uitkeringen aan verzekerden of gerechtigden op uitkeringen zal moeten voldoen.

  • 2 Het eerste lid is eveneens van toepassing op een toekomstige vordering op een herverzekeraar, mits de vordering betrekking heeft op een reeds bekende, maar nog niet afgewikkelde schade. Bij de berekening van de hoogte van de vordering worden de bedragen die de verzekeraar aan de herverzekeraar verschuldigd is, in mindering gebracht op het totale bedrag van de vordering.

§ 6. Vermogensscheiding

Artikel 4:44. (bemiddelaar in effecten en vermogensbeheerder)

De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot:

  • a. de maatregelen ter bescherming van de rechten van de cliënt en ter voorkoming van het gebruik van effecten of gelden van de cliënt, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid van de wet;

  • b. de wijze waarop de instemming, bedoeld in artikel 3:23, vierde lid, van de wet, van de cliënt kan worden verkregen voor gebruik van diens effecten voor eigen rekening door de bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder.

Artikel 4:45. (elektronischgeldinstelling)

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de door elektronischgeldinstellingen te treffen maatregelen, bedoeld in artikel 3:23, derde lid, van de wet, teneinde de voor de uitgifte van elektronisch geld ontvangen middelen veilig te stellen.

Artikel 4:46. (trustkantoor)

Een trustkantoor draagt zorg voor een deugdelijke administratie, en heeft maatregelen getroffen om de rechten, met betrekking tot gelden of geldswaarden, van ondernemingen waaraan door het trustkantoor beheersdiensten zullen worden verleend, en van derden te beschermen. De maatregelen strekken in ieder geval tot een volledige scheiding tussen de vermogensbestanddelen van elk van die ondernemingen, iedere derde en van het trustkantoor.

§ 7. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering tussenpersonen

Artikel 4:47. (beroepsaansprakelijkheidsverzekering)

  • 1 De beroepsaansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in artikel 3:24 van de wet, dekt de aansprakelijkheid van de adviseur, bemiddelaar, niet zijnde een bemiddelaar in effecten, of gevolmachtigde agent wegens fouten, verzuimen of nalatigheden, begaan in de uitoefening van diens beroep.

  • 2 De beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gesloten bij een verzekeraar die in de staat van zetel bevoegd is tot uitoefening van het desbetreffende verzekeringsbedrijf.

  • 3 De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de hoogte van het verzekerd bedrag.

§ 8. Geconsolideerd toezicht op kredietinstellingen

Artikel 4:48. (rapportage inzake intragroepsovereenkomsten en -posities)

  • 1 Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:45, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar bij de Nederlandsche Bank in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de kredietinstelling in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.

  • 2 Onder significante intragroepsovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de kredietinstelling.

  • 3 De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden betrokken en de rapportage.

Artikel 4:49. (solvabiliteit op geconsolideerde basis)

  • 2 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de geconsolideerde financiële positie, bedoeld in het eerste lid.

§ 9. Aanvullend toezicht op verzekeraars in een groep

Artikel 4:50. (rapportageplicht inzake intragroepsovereenkomsten en -posities)

  • 1 Een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, dient de ingevolge artikel 3:46, vierde lid, van de wet vereiste rapportage eenmaal per jaar in, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de solvabiliteit door ontwikkelingen bij de verzekeraar in gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd wordt met een hogere frequentie.

  • 2 Onder significante intragroepovereenkomsten en -posities worden verstaan overeenkomsten en posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel te boven gaan. De drempel is gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit van de verzekeraar.

  • 3 De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportages worden betrokken en met betrekking tot de rapportage.

Artikel 4:51. (aangepaste solvabiliteit)

  • 1 Een verzekeraar die deelnemingen heeft in een of meer andere verzekeraars, berekent zijn aangepaste solvabiliteit op geconsolideerde basis. De aangepaste solvabiliteit is gelijk aan het verschil tussen de vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens, en het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, berekend op basis van de geconsolideerde gegevens.

  • 2 Indien een verzekeraar een deelneming heeft in een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of vermogensbeheerder, wordt de waarde van die deelneming in mindering gebracht op de voor zijn solvabiliteitsmarge in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen.

  • 3 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid. Deze regels kunnen mede inhouden dat de verzekeraar zijn aangepaste solvabiliteit mag berekenen volgens een andere methode dan is voorgeschreven in het eerste of tweede lid.

Hoofdstuk 5. Boekhouding en rapportage

§ 1. Boekhouding en jaarrekening

Artikel 5:1. (afzonderlijke boekhouding buitenlandse financiële ondernemingen)

  • 1 Een financiële onderneming met zetel in het buitenland voert met betrekking tot haar activiteiten in de openbare lichamen een afzonderlijke boekhouding, waaruit de aard en omvang van die activiteiten blijkt.

  • 2 De afzonderlijke boekhouding, bedoeld in het eerste lid, staat onmiddellijk ter beschikking van de toezichtautoriteit, indien deze daarom verzoekt.

Artikel 5:2. (jaarrekening en jaarverslag ten behoeve van de toezichtautoriteit)

  • 1 Een beleggingsinstelling, bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar dient een jaarrekening en jaarverslag in bij de vergunningverlenende toezichtautoriteit.

  • 2 De termijn, bedoeld in artikel 3:35, eerste lid, van de wet bedraagt:

    • a. voor beleggingsinstellingen: vier maanden na afloop van het boekjaar;

    • b. voor de overige in het eerste lid genoemde financiële ondernemingen: zes maanden na afloop van het boekjaar.

  • 4 Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid dient tezamen met de jaarrekening en het jaarverslag ook de volgende gegevens bij de vergunningverlenende toezichtautoriteit in:

  • 6 De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 5:3. (jaarrekening en jaarverslag beheerder en bewaarder)

  • 1 Een beheerder of bewaarder van een beleggingsinstelling dient binnen vier maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening en jaarverslag in bij de Autoriteit Financiële Markten. Artikel 5:2, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2 De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 5:4. (jaarrekening buitenlandse kredietinstelling of verzekeraar)

  • 1 Uit de jaarrekening van een kredietinstelling met zetel in het buitenland die door middel van een bijkantoor actief is in de openbare lichamen, blijkt de omvang van de bij het bijkantoor aangehouden betaalrekeningen, spaartegoeden en deposito’s per ultimo van het afgesloten boekjaar.

  • 2 Uit de jaarrekening van een verzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van een bijkantoor actief is in de openbare lichamen, blijkt de omvang van de door het bijkantoor ontvangen bruto premies over het afgesloten boekjaar.

§ 2. Staten

Artikel 5:5. (staten kredietinstelling)

  • 2 De Nederlandsche Bank stelt nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid genoemde staten. Deze regels hebben betrekking op:

    • a. de modellen van de staten;

    • b. de reikwijdte van toepassing van de staten en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens, met dien verstande dat deze geen uitbreiding of nadere rubricering van de staten omvatten;

    • c. de reikwijdte van de consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de kredietinstelling in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;

    • d. de waardering van de posten overeenkomstig de waarderingsmethoden die de kredietinstelling in haar jaarrekening toepast;

    • e. de te hanteren valuta en rekeneenheid;

    • f. de afronding;

    • g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het prudentieel toezicht;

    • h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal per jaar is.

  • 3 De regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de kredietinstelling, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de kredietinstelling.

  • 4 De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat een kredietinstelling periodiek moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger dan eenmaal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de kredietinstelling, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de kredietinstelling.

  • 5 De Nederlandsche Bank besluit welke staten openbaar worden gemaakt.

Artikel 5:6. (staten verzekeraar)

Hoofdstuk 6. Bepalingen betreffende specifieke categorieën financiële ondernemingen

§ 1. Beleggingsinstellingen

Artikel 6:1. (overeenkomst inzake beheer en bewaring)

De ingevolge artikel 4:4, eerste lid van de wet tussen een beleggingsinstelling en een bewaarder te sluiten overeenkomst bepaalt in ieder geval dat:

  • a. de bewaarder bij het bewaren uitsluitend in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling optreedt;

  • b. de bewaring ten name van de beleggingsinstelling op een zodanige wijze geschiedt, dat over de in bewaring gegeven activa slechts kan worden beschikt door de beleggingsinstelling en de bewaarder tezamen;

  • c. de bewaarder de in bewaring gegeven activa slechts afgeeft tegen ontvangst van een verklaring van de beleggingsinstelling, waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in verband met de regelmatige uitoefening van de beheerfunctie;

  • d. de bewaarder volgens het recht van de staat waar de beheerder zijn zetel heeft, jegens de beleggingsinstelling en de deelnemers aansprakelijk is voor door hen geleden schade, voor zover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook indien de bewaarder de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of gedeeltelijk aan een derde heeft toevertrouwd;

  • e. indien bewijzen van rechten van deelneming worden afgegeven, deze bewijzen ook door de bewaarder worden ondertekend;

  • f. een voorstel door de beheerder van een beleggingsinstelling tot wijziging van de tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers geldende voorwaarden tezamen met de bewaarder wordt gedaan;

  • g. indien de bewaarder van een beleggingsfonds te kennen geeft voornemens te zijn zijn functie neer te leggen, binnen een termijn van vier weken een vergadering van deelnemers wordt gehouden om in de benoeming van een nieuwe bewaarder te voorzien.

Artikel 6:2. (minimumvermogen beheerder en bewaarder)

  • 1 Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de wet, bedraagt voor de beheerder van een beleggingsinstelling USD 279.000 en voor de bewaarder van een beleggingsinstelling USD 139.000.

  • 2 Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een beheerder of bewaarder wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid, onderdelen a tot en met g. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de beleggingsinstelling. Artikel 4:5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Een bewaarder van een beleggingsinstelling stelt voldoende zekerheid met het oog op de aansprakelijkheid voor schade die voor de bewaarder kan voortvloeien uit brand, vervoer van geld en waardepapieren, fraude en beroving.

Artikel 6:3. (prospectus beleggingsinstelling)

  • 1 Het prospectus, bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, van de wet, bevat ten minste de bij regeling van Onze Minister bepaalde gegevens, die onder meer betrekking hebben op de beheerder en de bewaarder, alsmede op de voorwaarden, de beleggingsdoelstellingen en de beleggingsactiviteiten van de beleggingsinstelling.

  • 2 De Autoriteit Financiële Markten kan verlangen dat het prospectus in een of meer door haar te bepalen talen beschikbaar wordt gesteld, indien dit, gelet op de voorgenomen verspreiding van het prospectus, noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan het publiek.

  • 3 Bij aanbod van haar rechten van deelneming buiten een besloten kring dan wel bij de schriftelijke aankondiging dat een aanbod buiten een besloten kring zal worden gedaan, stelt de beleggingsinstelling uiterlijk op de dag van uitgifte, van openstelling van deelneming of van de schriftelijke aankondiging van openstelling, een prospectus kosteloos algemeen verkrijgbaar. In iedere bekendmaking waarin deelnemingsrechten worden aangeboden, wordt vermeld waar het prospectus voor het publiek verkrijgbaar is.

Artikel 6:4. (voorwaarden beleggingsinstelling en overige informatie)

  • 1 Tegelijkertijd met het prospectus, bedoeld in artikel 6:3, stelt een beleggingsinstelling de informatie, bedoeld in artikel 7:5, alsmede de volgende informatie algemeen verkrijgbaar:

    • a. de mededeling dat de waarde van de rechten van deelneming zowel kan stijgen als dalen en dat de deelnemers mogelijk minder terugkrijgen dan zij hebben ingelegd;

    • b. indien de beleggingsinstelling belegt met namens of voor rekening en risico van de deelnemers geleend geld:

      • 1°. de risico’s die hieraan verbonden zijn;

      • 2°. vermelding van een eventuele verplichting voor de deelnemers in de beleggingsinstelling om mogelijke tekorten van de beleggingsinstelling aan te zuiveren wanneer de verliezen de inleg overstijgen; en

      • 3°. vermelding van de maximale omvang van de beleggingen die met geleend geld kunnen worden aangekocht in absolute waarde of als percentage van het beheerde vermogen.

    • c. indien de bestaansduur van de beleggingsinstelling dat mogelijk maakt: het in het verleden behaalde rendement van de beleggingsinstelling;

    • d. een beschrijving van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de opheffing en vereffening van de beleggingsinstelling plaatsvindt, in het bijzonder ten aanzien van de rechten van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

  • 2 Voorts stelt de beleggingsinstelling de voorwaarden van de beleggingsinstelling algemeen verkrijgbaar voorafgaand aan het aanbieden van rechten van deelneming. Deze voorwaarden bevatten ten minste de gegevens genoemd in bijlage 2.

§ 2. Kredietinstellingen

Artikel 6:5. (vvgb-plichtige handelingen kredietinstellingen)

  • 1 Voor de toepassing van artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet wordt als significante deelneming aangemerkt:

    • a. een deelneming in een financiële onderneming waarvan het balanstotaal ten tijde van de verwerving, onderscheidenlijk de vergroting, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling;

    • b. een deelneming in een onderneming, niet zijnde een financiële onderneming, indien het bedrag dat wordt betaald voor de verwerving van die deelneming, onderscheidenlijk voor de vergroting van die deelneming, tezamen met de bedragen die voor die verwerving en voor eerdere vergrotingen van die deelnemingen zijn betaald, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde aanwezige eigen vermogen van de kredietinstelling.

  • 2 Van het geheel of voor een belangrijk deel al dan niet middellijk overnemen van de activa en passiva van een andere onderneming of instelling in de zin van artikel 4:23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet is sprake, indien het totaalbedrag van de over te nemen activa of over te nemen passiva meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling.

§ 3. Verzekeraars

Artikel 6:6. (bijkomende risico’s )

Het is een schadeverzekeraar met zetel in de openbare lichamen toegestaan in de uitoefening van zijn bedrijf, naast de risico’s die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s te verzekeren die behoren tot andere branches, indien deze risico’s naar het oordeel van de Nederlandsche Bank als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:

  • a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;

  • b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en

  • c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.

Artikel 6:7. (schaderegeling rechtsbijstandverzekering)

  • 1 Een rechtsbijstandverzekeraar vertrouwt de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toe aan een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor en vermeldt dit kantoor in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking, of neemt in die overeenkomst op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de verzekering recht heeft op rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.

  • 2 Onder rechtsbijstandverzekeraar wordt verstaan: een schadeverzekeraar die verzekeringen aanbiedt tot dekking van verleende diensten en gemaakte kosten in het bijzonder met het oog op verhaal van door een verzekerde geleden schade en diens verdediging of vertegenwoordiging, in of buiten rechte.

  • 3 De Autoriteit Financiële Markten kan, onder door haar te stellen voorwaarden, toestaan dat een rechtsbijstandverzekeraar, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toevertrouwt aan eigen personeelsleden, mits zijn bedrijfsvoering zo is ingericht dat belangenconflicten worden voorkomen.

  • 4 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst inzake rechtsbijstanddekking.

Artikel 6:8. (schade-afhandelaar w.a. motorrijtuigen)

  • 1 Een verzekeraar met zetel in het buitenland die door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland in de openbare lichamen verzekeringen aanbiedt tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, stelt een schade-afhandelaar aan die belast is met het namens hem afwikkelen van vorderingen van benadeelden als bedoeld in artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES.

  • 2 De schade-afhandelaar verricht zijn werkzaamheden vanuit een vestiging in de openbare lichamen en beschikt over voldoende bevoegdheden om de schadeverzekeraar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.

  • 3 Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid meldt een wijziging in de akte van aanstelling van de in dat lid bedoelde schade-afhandelaar binnen twee weken schriftelijk aan de Autoriteit Financiële Markten.

§ 4. Bemiddelaars

Artikel 6:9. (aanspraak assurantiebemiddelaar op provisie)

  • 1 Een bemiddelaar in verzekeringen heeft jegens de verzekeraar aanspraak op provisie over alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen.

  • 2 Intrekking van de vergunning van een bemiddelaar in verzekeringen laat onverlet zijn aanspraken op provisie ter zake van verzekeringen die op het tijdstip van de intrekking tot zijn portefeuille behoren of waarop op dat tijdstip artikel 4:43, tweede lid, van de wet, van toepassing is.

  • 3 Na een overboeking als bedoeld in artikel 4:43, tweede en derde lid, van de wet, blijft, in afwijking van het eerste lid, de aanspraak op provisies bestaan tot het einde van het lopende verzekeringsjaar, indien het een levensverzekering betreft. Indien het een schadeverzekering betreft, blijft de aanspraak bestaan tot de eerstvolgende vervaldatum van de verzekeringsovereenkomst of tot een eerder tijdstip waarop de verzekering door opzegging door de verzekeringnemer kan worden beëindigd, tenzij anders wordt overeengekomen.

Artikel 6:10. (overname premie-incasso door verzekeraar)

  • 2 Onverminderd het eerste lid, is de verzekeraar na overname van het premie-incasso bevoegd om aan de bemiddelaar een billijke en objectief gegronde vergoeding voor het premie-incasso in rekening te brengen of om de aanspraak van de bemiddelaar op provisie af te kopen. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over die vergoeding of afkoopsom.

Hoofdstuk 7. Zorgvuldige dienstverlening

§ 1. Algemene bepalingen inzake informatieverstrekking

Artikel 7:1. (informatieverstrekking door financiëledienstverlener)

De door een financiëledienstverlener te verstrekken informatie:

  • a. is accuraat en wijst niet op de mogelijke voordelen van een financieel product, zonder dat ook een correcte en duidelijke indicatie van de mogelijke risico’s wordt gegeven;

  • b. is toereikend en door de presentatie ervan te begrijpen voor het gemiddelde lid van de groep tot wie zij is gericht;

  • c. geeft belangrijke zaken, vermeldingen of waarschuwingen niet verhuld of afgezwakt weer.

Artikel 7:2. (schriftelijk te verstrekken informatie)

Een financiëledienstverlener verstrekt de ingevolge de artikelen 5:4 tot en met 5:6 van de wet en de artikelen 7:5 tot en met 7:14 van dit besluit te verstrekken informatie schriftelijk. De financiëledienstverlener kan de informatie via een andere duurzame drager verstrekken, indien de consument of cliënt daarmee instemt.

§ 2 . Reclame-uitingen en andere onverplichte informatie

Artikel 7:3. (inhoud reclame-uiting krediet)

  • 1 Een financiëledienstverlener:

    • a. neemt in een reclame-uiting over krediet geen mededelingen op die gericht zijn op het gemak of de snelheid waarmee het krediet wordt verstrekt;

    • b. brengt in een reclame-uiting over krediet niet tot uiting dat lopende overeenkomsten inzake krediet bij de beoordeling van een kredietaanvraag geen of een ondergeschikte rol spelen.

  • 2 Bij regeling van Onze minister kan worden bepaald dat financiëledienstverleners in reclame-uitingen over krediet een waarschuwing opnemen met betrekking tot de gevolgen die aan het krediet zijn verbonden.

Artikel 7:4. (vermelding kosten krediet)

  • 1 Indien een financiëledienstverlener in een reclame-uiting over krediet melding maakt van enige gegevens betreffende de kosten van een krediet, verstrekt hij daarbij tevens informatie over:

    • a. het kredietbedrag;

    • b. de duur van de kredietovereenkomst;

    • c. de totale kosten van het krediet;

    • d. het totale door de consument te betalen bedrag;

    • e. het effectieve rentepercentage op jaarbasis;

    • f. indien het aangaan van een andere verplichting vereist is om het krediet op de in de reclame-uiting genoemde voorwaarden te verkrijgen: de verplichting daartoe en de kosten daarvan, of voor zover deze niet vooraf kunnen worden bepaald, een indicatie van die kosten;

    • g. andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet;

    • h. de maandlast.

  • 2 Een financiëledienstverlener geeft de informatie, bedoeld in het eerste lid, indien deze wordt verstrekt in een reclame-uiting over krediet, anders dan via de televisie of radio, gecombineerd weer in een tabel waarin geen andere informatie wordt opgenomen.

  • 3 Indien een financiëledienstverlener in een reclame-uiting over krediet reclame maakt voor met krediet aan te schaffen goederen of diensten, vermeldt zij daarbij het effectieve rentepercentage op jaarbasis en andere kosten die deel uitmaken van de totale kosten van het krediet.

  • 4 Indien een reclame-uiting betrekking heeft op een krediet met een effectief rentepercentage dat voor een beperkte duur geldt, wordt in die reclame-uiting tevens melding gemaakt van de periode gedurende welke het aangeboden effectieve rentepercentage geldt, alsmede van het hoogste effectieve rentepercentage gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst.

  • 5 Indien een reclame-uiting een termijnlast bevat, wordt in de reclame-uiting de gewogen gemiddelde termijnlast die op het krediet van toepassing is, genoemd.

  • 6 De informatie, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, heeft alleen betrekking op kredieten die representatief zijn voor de kredieten die feitelijk door de financiëledienstverlener worden verstrekt.

§ 3. Verplichte precontractuele informatie

Artikel 7:5. (algemene precontractuele informatie)

Voordat een consument of cliënt een verplichting aangaat met betrekking tot een financieel product of een financiële dienst, verstrekt de financiëledienstverlener de consument of cliënt ten minste de informatie met betrekking tot:

  • a. zijn rechtsvorm;

  • b. zijn naam, adres en contactgegevens en, indien de financiëledienstverlener een rechtspersoon is, de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;

  • c. de aard van de financiële dienstverlening;

  • d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register;

  • e. zijn interne klachtenprocedure als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de wet, en voor zover van toepassing, de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;

  • f. het recht dat op de verplichting van toepassing is of de door de financiëledienstverlener voorgestelde rechtskeuze;

  • g. de wijze waarop de verplichting kan worden beëindigd, de termijn die daarbij in acht moet worden genomen, de aan de beëindiging verbonden kosten en de overige gevolgen van beëindiging van de verplichting.