Regeling lozen buiten inrichtingen

Geldend van 01-10-2019 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 11 april 2011, nr. BJZ2011041742, houdende algemene regels voor lozen anders dan vanuit een inrichting (Regeling lozen buiten inrichtingen)

Hoofdstuk 1. Algemeen

Afdeling 1.1. Begripsbepalingen

Artikel 1.2

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • ISO 5815-1: ISO 5815-1:2003: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, augustus 2003;

    • ISO 5815-2: ISO 5815-2:2003: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, april 2003;

    • NEN 6401: NEN 6401:1991: Nederlandse norm voor Water – Bepaling van het halogeengehalte van vluchtige organohalogeenverbindingen (VOX), maart 1991;

    • NEN 6600-1: NEN 6600-1:2009: Nederlandse norm voor Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, maart 2009;

    • NEN 6604: NEN 6604:2007: Nederlandse norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan ammonium, nitraat, nitriet, chloride, ortho-fosfaat, sulfaat en silicaat met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie, augustus 2007;

    • NEN 6633: NEN 6633:2006: Nederlandse norm voor Water en (zuiverings)slib – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), december 2006; met aanvullingsblad NEN 6633:2006/A1:2007: Nederlandse norm voor Water en (zuiverings)slib – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), december 2007;

    • NEN 6646: NEN 6646:2006: Nederlandse norm voor Water – Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en aan organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl met behulp van een doorstroomanalysesysteem, oktober 2006;

    • NEN 6676: NEN 6676:1994: Nederlandse norm voor Afvalwater – Bepaling van met petroleumether extraheerbare organische gebonden halogenen (EOX-AW), oktober 1994;

    • NEN 6961: NEN 6961:2005: Nederlandse norm voor Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen, december 2005;

    • NEN 6966: NEN 6966:2005: Nederlandse norm voor Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, december 2005 en C1:2006, juni 2006;

    • NEN-EN 858-1: NEN-EN 858-1:2002: Europese norm voor Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, juni 2002;

    • NEN-EN 858-2: NEN-EN 858-2:2003: Europese norm voor Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, februari 2003;

    • NEN-EN 872: NEN-EN 872:2005: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, maart 2005;

    • NEN-EN 1483: NEN-EN 1483:2007: Europese norm voor Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie, april 2007;

    • NEN-EN 1899-1: NEN-EN 1899-1:1998: Europese norm voor Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 1: Verdunnings- en entmethode met toevoeging van allylthioreum, september 1998;

    • NEN-EN 1899-2: NEN-EN 1899-2:1998: Europese norm voor Waterkwaliteit – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, september 1998;

    • NEN-EN 12566-1/A:1: NEN-EN 12566-1:2000: Europese norm voor Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties tot en met 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, februari 2000; met aanvullingsblad 12566-1/A:1:2004: Europese norm voor Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties tot en met 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, maart 2004;

    • NEN-EN-ISO 5667-3: NEN-EN-ISO 5667-3:2004: Europese norm voor Water – Monsterneming – Deel 3: Richtlijn voor de conservering en behandeling van watermonsters, april 2004;

    • NEN-EN-ISO 6468: NEN-EN-ISO 6468:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan organochloor-bestrijdingsmiddelen, polychloorbifenylen en chloorbenzenen – Gaschromatografische methode na vloeistof/vloeistofextractie, februari 1997;

    • NEN-EN-ISO 7899-1: NEN-EN-ISO 7899-1:1998/C1:2000: Europese norm voor Water - Detectie en telling van enterococcen - Deel 1: Geminiaturiseerde methode (meest waarschijnlijke aantal) voor oppervlaktewater en afvalwater, mei 2005;

    • NEN-EN-ISO 7899-2: NEN-EN-ISO 7899-2:2000: Europese norm voor Water - Detectie en telling van enterococcen - Deel 2: Membraanfiltratiemethode, juni 2000;

    • NEN-EN-ISO 9308-1: NEN-EN-ISO 9308-1:2014/A1:2017: Europese norm voor Water - Telling van Escherichia coli en bacteriën van de coligroep - Deel 1: Methode met membraanfiltratie voor water met een lage achtergrondconcentratie aan bacteriën, januari 2017;

    • NEN-EN-ISO 9308-3: NEN-EN-ISO 9308-3:1999/C1:2000: Europese norm voor Water - Detectie en telling van Escherichia coli en bacteriën van de coligroep in oppervlaktewater en afvalwater - Deel 3: Geminiaturiseerde methode (meest waarschijnlijke aantal) door enting in een vloeibaar medium, mei 2000;

    • NEN-EN-ISO 9377-2: NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Ontw.En: Europese norm voor Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, december 2000;

    • NEN-EN-ISO 10301: NEN-EN-ISO 10301:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, mei 1997;

    • NEN-EN-ISO 11732: NEN-EN-ISO 11732:2005: Europese norm voor Water – Bepaling van ammonium stikstof – Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, februari 2005;

    • NEN-EN-ISO 13395: NEN-EN-ISO 13395:1997: Europese norm voor Water – Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, mei 1997;

    • NEN-EN-ISO 15587-1: NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Europese norm voor Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, maart 2002;

    • NEN-EN-ISO 15680: NEN-EN-ISO 15680:2003: Europese norm voor Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, december 2003;

    • NEN-EN-ISO 15681-1: NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Europese norm Water – Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA and CFA) – Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), januari 2005;

    • NEN-EN-ISO 15681-2: NEN-EN-ISO 15681-2:2005: Europese norm Water – Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA and CFA) – Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), januari 2005;

    • NEN-EN-ISO 15682: NEN-EN-ISO 15682:2001: Europese norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, september 2001;

    • NEN-EN-ISO/IEC 17025: NEN-EN-ISO/IEC 17025:2018: Europese norm voor Algemene eisen voor de competentie van test- en kalibratielaboratoria, januari 2018;

    • NEN-EN-ISO/IEC 17065: NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012: Conformiteitsbeoordeling - Eisen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan producten, processen en diensten;

    • NEN-EN-ISO 17294-2: NEN-EN-ISO 17294-2:2004: Europese norm voor Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppelde plasma (ICP-MS) – Deel 2: Bepaling van 62 elementen, november 2004;

    • NEN-EN-ISO 17993: NEN-EN-ISO 17993:2004: Europese norm voor Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, juni 2004;

    • NEN-ISO 5663: NEN-ISO 5663:1993: Nederlandse norm voor Water – Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof – Methode na mineralisatie met seleen, december 1993;

    • NEN-ISO 5813: NEN-ISO 5813:1993: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het gehalte aan opgeloste zuurstof – Iodometrische methode, februari 1993;

    • NEN-ISO 5814: NEN-ISO 5814:1993: Internationale standaardnorm voor Water – Bepaling van het gehalte aan opgeloste zuurstof – Elektrochemische methode, mei 1993;

    • NEN/ISO 9096: NEN/ISO 9096:2003: Internationale standaardnorm voor Emissie van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan vaste deeltjes, maart 2003.

  • 2 Bij de toepassing van het besluit wordt ten aanzien van de in het besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen de tekst in acht genomen genoemd in het eerste lid.

Hoofdstuk 2. Bepalingen met betrekking tot het lozen

§ 2.1. Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 2.2

Een zuiveringsvoorziening bestaat uit een septic tank:

  • a. die een nominale inhoud heeft van ten minste 6 kubieke meter,

  • b. die voldoet aan NEN-EN 12566-1, en

  • c. die een hydraulisch rendement heeft van ten hoogste 10 gram, bepaald overeenkomstig annex B van NEN-EN 12566-1.

Artikel 2.3

Een zuiveringsvoorziening:

  • a. is goed toegankelijk, en

  • b. wordt zo vaak als voor de goede werking daarvan nodig is onderhouden.

§ 2.2. Lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten in of nabij een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 2.4

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. hulpconstructie: constructie waarop of waarin reinigings- of conserveringswerkzaamheden aan een vast object plaatsvinden;

  • b. stofdichte wand: afdichting gericht op het voorkomen van emissie van stofdelen uit de hulpconstructie;

  • c. vloeistofdichte wand: afdichting gericht op het voorkomen van emissie van vloeistof of nevel uit de hulpconstructie;

  • d. winddichte wand: afdichting gericht op het voorkomen van invloed van wind op de emissie van stofdelen, vloeistof of nevel uit de hulpconstructie;

  • e. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, die bij reinigings- of conserveringswerkzaamheden worden gebruikt dan wel van het vast object vrijkomen.

Artikel 2.5

  • 2 Als R1-technieken worden aangemerkt:

    • a. afwassen met water;

    • b. schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar zonder toevoeging van ontvetters;

    • c. stoomreinigen onder een druk van ten hoogste 200 bar zonder toevoeging van ontvetters;

    • d. ontvetten met doeken en een ontvetter.

  • 3 Als R2-technieken worden aangemerkt:

    • a. bevochtigd handmatig schuren met schuurpapier of met een handschuurapparaat;

    • b. borstelen;

    • c. beitelen;

    • d. bikken;

    • e. schrapen;

    • f. steken;

    • g. slijpen;

    • h. branden;

    • i. afkrabben;

    • j. gebruiken van naaldhamer of bikhamer;

    • k. schuren of borstelen met roterende schuurmachines met bronafzuiging;

    • l. mobiel werpstralen;

    • m. vacuümstralen met bronafzuiging;

    • n. afblazen met perslucht tot 8 bar.

  • 4 Als R3-technieken worden aangemerkt:

    • a. droog aanstralen;

    • b. droog integraal stralen;

    • c. integraal opruwen door stralen;

    • d. roestvrij maken van oppervlakken door stralen of ministralen;

    • e. droog ijs- of CO2-stralen.

  • 5 Als R4-technieken worden aangemerkt:

    • a. chemisch reinigen;

    • b. chemisch ontvetten;

    • c. schoonspuiten met water met toevoeging van ontvetters;

    • d. stoomreinigen met toevoeging van ontvetters.

  • 6 Als R5-technieken worden aangemerkt:

    • a. watergritreinigen;

    • b. lage druk watergritstralen;

    • c. lage druk vochtig stralen;

    • d. handmatig hoge druk water(grit)stralen;

    • e. mechanisch hoge druk water(grit)stralen.

Artikel 2.6

  • 2 Als C1-technieken worden aangemerkt:

    • a. aanbrengen van verflagen of conserveringslagen met behulp van kwast, spaan of roller;

    • b. HVLP-spuiten;

    • c. elektrostatisch spuiten;

    • d. hot elektrostatisch spuiten.

  • 3 Als C2-technieken worden aangemerkt:

    • a. aanbrengen van verflagen of conserveringslagen met behulp van een kneedmortelpomp;

    • b. spuiten van kleine oppervlakten;

  • 4 Als C3-technieken worden aangemerkt:

    • a. airless spuiten;

    • b. airmix spuiten;

    • c. pneumatisch spuiten;

    • d. twee componenten spuiten.

Artikel 2.7

  • 2 Als stoffen uit categorie A worden aangemerkt:

    • a. basalt;

    • b. beton en betonmortel;

    • c. schoonmetselwerk;

    • d. cementgebonden deklagen;

    • e. niet verduurzaamd hout;

    • f. steenachtige ondergronden;

    • g. metallische ondergronden met uitzondering van zink, tin, koper of legeringen van die metalen.

  • 3 Als stoffen uit categorie C worden aangemerkt:

    • a. koolteer of koolteerderivaten;

    • b. lood- of chromaathoudende pigmenten;

    • c. antifoulings;

    • d. andere verven op basis van cadmium, tin of kwik dan genoemd in de onderdelen a tot en met c van dit lid.

  • 4 Als stoffen uit categorie B worden aangemerkt stoffen die niet zijn aangemerkt als stoffen uit categorie A of C.

Artikel 2.8

  • 1 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R1-techniek dan wel conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd waarbij geen stoffen uit categorie B of C worden gebruikt, behoeft, onverminderd artikel 2.1, een eventueel aanwezige hulpconstructie geen voorzieningen te bevatten ter voorkoming van het lozen in een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R1-, R2- of R3-techniek dan wel conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd waarbij geen stoffen uit categorie B of C worden gebruikt, en de afstand van het te behandelen deel van het oppervlak tot het wateroppervlak minder dan 50 centimeter bedraagt, behoeft, onverminderd artikel 2.1, een eventueel aanwezige hulpconstructie geen voorzieningen te bevatten ter voorkoming van het lozen in een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.9

  • 1 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R2-techniek dan wel conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een C1-techniek waarbij een stof uit categorie B wordt gebruikt, worden die werkzaamheden uitgevoerd boven een hulpconstructie waarvan de vloer stofdicht is, is voorzien van opstaande randen met een hoogte van ten minste 20 centimeter en voor zover mogelijk aan alle zijden uitsteekt buiten het te behandelen object.

  • 2 Indien conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een C1-techniek waarbij een stof uit categorie C wordt gebruikt en bij een windsnelheid hoger dan 8 meter per seconde, wordt de hulpconstructie als bedoeld in het eerste lid ten minste uitgebreid met zijwanden van gaasnetten met een maaswijdte van ten hoogste 0,4 bij 0,4 millimeter of zeilen, die aansluiten op de vloer en minimaal 1 meter boven het te behandelen deel van het object uitsteken.

Artikel 2.10

  • 1 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek, waarbij een stof uit categorie A vrijkomt, wordt in aanvulling op de maatregelen bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, de hulpconstructie ook aan de bovenzijde afgesloten.

  • 2 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek, waarbij een metallisch straalmiddel wordt gebruikt en een stof uit categorie B vrijkomt, worden de zijwanden en bovenafsluiting van de hulpconstructie als bedoeld in het eerste lid winddicht uitgevoerd.

  • 3 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek waarbij smeltslakgrit of een mineraal straalmiddel wordt gebruikt en een stof uit categorie B vrijkomt dan wel waarbij metallisch straalmiddel wordt gebruikt en een stof uit categorie C vrijkomt, wordt in aanvulling op het tweede lid tijdens de werkzaamheden gezorgd voor een permanente onderdruk in de hulpconstructie. In de daarbij geëmitteerde lucht mag het stofgehalte niet meer bedragen dan 10 mg/Nm3, bepaald volgens NEN/ISO 9096.

  • 4 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R3-techniek, waarbij smeltslakgrit of een mineraal straalmiddel wordt gebruikt en een stof uit categorie C vrijkomt dan wel conserveringswerkzaamheden die worden uitgevoerd met behulp van een C3-techniek, waarbij een stof uit categorie C wordt gebruikt, worden in aanvulling op het derde lid, de zijwanden en bovenzijde van de hulpconstructie als bedoeld in het derde lid, stofdicht uitgevoerd.

Artikel 2.11

  • 1 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R4-techniek wordt de vloer van de hulpconstructie als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid vloeistofdicht uitgevoerd en wordt de hulpconstructie uitgebreid met zijwanden van gaasnetten met een maaswijdte van ten hoogste 0,4 bij 0,4 millimeter, die aansluiten op de vloer en minimaal 1 meter boven het te behandelen deel van het object uitsteken.

  • 2 Bij het lozen van de in de hulpconstructie opgevangen vloeistof bedraagt het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer dan 50 milligram per liter.

Artikel 2.12

  • 1 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek waarbij een stof uit categorie A vrijkomt, is artikel 2.11 van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek waarbij smeltslakgrit of mineraal straalmiddel wordt gebruikt, wordt de hulpconstructie als bedoeld in artikel 2.11 ook aan de bovenzijde afgesloten.

  • 3 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek, waarbij een stof uit categorie B vrijkomt of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een C2-techniek waarbij een stof uit categorie B wordt gebruikt, worden de zijwanden en de bovenzijde als bedoeld in het tweede lid, vloeistofdicht uitgevoerd.

  • 4 Indien reinigingswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een R5-techniek waarbij een stof uit categorie C vrijkomt of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een C2-techniek waarbij een stof uit categorie C wordt gebruikt of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een C3-techniek waarbij een stof uit categorie B wordt gebruikt, wordt in aanvulling op het derde lid tijdens de werkzaamheden gezorgd voor een permanente onderdruk in de hulpconstructie. In de daarbij geëmitteerde lucht bedraagt het stofgehalte niet meer dan 10 mg/Nm3, bepaald volgens NEN/ISO 9096.

Artikel 2.13

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan spoorbruggen, bevat de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 aan de bovenzijde geen hulpconstructie en aan de in- en uitrijrichting geen zijwand en lopen de zijwanden maximaal twee meter boven het te behandelen deel van het object door.

Artikel 2.14

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan vaste objecten die direct in contact staan met een oppervlaktewaterlichaam, omsluit de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 de ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.

Artikel 2.15

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan een vast object dat door het aanbrengen van een hulpconstructie beperkt stabiel wordt, omsluit de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 de ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.

§ 2.3. Lozen ten gevolge van opslaan en overslaan van goederen

Artikel 2.16

Voor de toepassing van artikel 3.13, tweede lid van het besluit worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn met bodembedreigende stoffen:

  • a. schoon, onbehandeld hout;

  • b. snoeihout;

  • c. banden van voertuigen;

  • d. straatmeubilair;

  • e. tuinmeubilair;

  • f. aluminium, ijzer, roestvrij staal;

  • g. papier en karton;

  • h. textiel en tapijt, en

  • i. vlakglas.

Artikel 2.17

Aan artikel 3.13, vierde lid, onder c, van het besluit wordt bij het opslaan van goederen in de buitenlucht in ieder geval voldaan indien:

  • a. op de laad- en loskade tot 2 meter uit de kaderand of oever geen opslag van goederen plaatsvindt, of

  • b. er een deugdelijke keerwand aanwezig is en er geen product tussen de keerwand en de kade of oever ligt.

Artikel 2.18

  • 1 Aan artikel 3.13, vierde lid, onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen met inerte goederen in ieder geval voldaan indien:

    • a. bij het laden en lossen van inerte goederen de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter, of

    • b. het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

  • 2 Bij het laden en lossen van schepen met inerte goederen wordt het schoonmaken van grijpers wordt zo uitgevoerd dat overslagresten of spoelwater niet in een oppervlaktewaterlichaam geraken.

Artikel 2.19

Andere goederen, niet zijnde inerte goederen, die boven een oppervlaktewaterlichaam bovendeks aanwezig zijn, staan opgesteld:

  • a. boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen goederen bevindt en de gelekte vloeistoffen opvangt en zodanig is uitgevoerd dat er geen hemelwater op of in terecht kan komen, of

  • b. boven een doelmatige fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met daarop afgestemde maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken.

Artikel 2.20

Aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit wordt bij het opslaan van goederen in de buitenlucht behorend tot de stuifklasse S2 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer in ieder geval voldaan indien de stoffen door besproeiing vochtig worden gehouden.

Artikel 2.21

Aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit wordt bij het mengen van goederen behorend tot de stuifklasse S2 en S4 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer in de buitenlucht in ieder geval voldaan indien bij het opbouwen en afgraven van een menghoop deze goederen worden bevochtigd.

Artikel 2.22

Aan artikel 3.13, vierde lid 4, onder a en b, van het besluit wordt bij overslag van stuifgevoelige goederen in ieder geval voldaan indien:

Artikel 2.23

Onverminderd artikel 2.22 wordt aan artikelen 3.13, vierde lid onder a en b, van het besluit bij het verladen van goederen behorend tot:

Artikel 2.24

Onverminderd artikel 2.22 wordt aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit bij het laden en lossen van goederen behorend tot stuifklasse S1, S2 en S3 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer met behulp van grijpers in ieder geval voldaan indien het laden en lossen plaatsvindt met deugdelijke en van de bovenkant afgesloten grijpers.

Artikel 2.25

Onverminderd artikel 2.22 wordt aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit bij het beladen en lossen van lichters met goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 en S4 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer in ieder geval voldaan indien de lichterbelader is uitgerust met een stortkoker die nagenoeg tot op de bodem van het ruim of tot op het reeds gestorte materiaal reikt.

§ 2.5. Lozen van gezuiverd toiletwater door een pleziervaartuig

Artikel 2.27

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • fabrikant: degene die verantwoordelijk is de conformiteit van de productie;

  • technische dienst: onderneming of dienst die testen als bedoeld in de bijlage bij deze regeling kan verrichten;

  • typegoedkeuring: goedkeuring van een tot een bepaald type horende voorziening;

  • zuiveringsvoorziening: zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van het besluit.

Artikel 2.28

  • 1 Een zuiveringsvoorziening heeft een zodanige werking dat het te lozen toiletwater, na door de zuiveringsvoorziening te zijn geleid:

    • a. van de parameter Intestinale enterokokken maximaal 330 kolonievormende eenheden per 100 ml bevat, gebaseerd op een beoordeling van het 90-percentiel en geanalyseerd overeenkomstig NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2;

    • b. van de parameter Escherichia coli maximaal 900 kolonievormende eenheden per 100 ml bevat, gebaseerd op een beoordeling van het 90-percentiel en geanalyseerd overeenkomstig NEN-EN-ISO 9308-3 of NEN-EN-ISO 9308-1.

  • 2 Uitgaande van een beoordeling van de normale waarschijnlijkheidsverdeling van log10van de microbiologische gegevens van het gezuiverde toiletwater wordt de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde percentielwaarde als volgt afgeleid:

    • a. neem de log10-waarde van alle bacterietellingen in de te beoordelen gegevensreeks. Indien het resultaat een nulwaarde is, neem dan de log10-waarde van de minimum detectielimiet van de gebruikte analytische methode;

    • b. bepaal het rekenkundig gemiddelde van de log10-waarden (μ);

    • c. bepaal de standaardafwijking van de log10-waarden (σ);

    waarbij het hoogste 90-percentielpunt van de waarschijnlijkheidsverdeling van de gegevens wordt berekend met de volgende vergelijking: hoogste 90-percentiel = antilog (μ + 1,282 σ).

  • 3 Geborgd is dat via de zuiveringsvoorziening geen onbehandeld toiletwater kan worden geloosd als deze uitgeschakeld is of niet in bedrijf is.

Artikel 2.29

  • 1 Met een certificaat van typegoedkeuring, afgegeven door een erkende instantie, wordt aangetoond dat een zuiveringsvoorziening volgens één van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen testen voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.28.

  • 2 Bij een zuiveringsvoorziening is een kopie van het certificaat van typegoedkeuring aanwezig die kan worden getoond aan de toezichthouder.

  • 3 Een certificaat van typegoedkeuring kan door de instantie worden ingetrokken als:

    • a. na afgifte blijkt dat het certificaat is afgegeven op grond van onjuiste aangeleverde gegevens en het niet zou zijn afgegeven als de juiste gegevens ten tijde van de afgifte bekend zouden zijn geweest;

    • b. het certificaat, anders dan de reden genoemd onder a, ten onrechte is verleend;

    • c. in het certificaat onbevoegd wijzigingen zijn aangebracht; of

    • d. na afgifte blijkt dat er significante risico’s zijn aan het gebruik van de zuiveringsvoorziening ten aanzien van de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

Artikel 2.30

  • 1 De instantie, bedoelt in artikel 2.29, eerste lid, verleent een certificaat van typegoedkeuring als de zuiveringsvoorziening:

    • a. overeenstemt met de aangeleverde gegevens;

    • b. na demonstratie van het prototype zuiveringsvoorziening door de fabrikant volgens één van de in de bijlage opgenomen testen voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 2.28; en

    • c. als tijdens het testen niet gebleken is dat aan het gebruik van de zuiveringsvoorziening significante risico’s zijn ten aanzien van de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

  • 2 Ten behoeve van het verlenen van het certificaat van typegoedkeuring stelt de instantie een aanvraagprocedure vast waarmee in ieder geval wordt gevraagd om gegevens met betrekking tot ontwerp, kenmerken en prestaties van de zuiveringsvoorziening, de onderdelen en afstellingen die van invloed zijn op het niveau van de toiletwaterzuivering, evenals de wijzigingen daarvan.

  • 3 De instantie neemt in het certificaat eventuele beperkende voorwaarden aan het functioneren van de zuiveringsvoorziening op die vervuld moeten zijn voordat een zuiveringsvoorziening voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 2.28.

Artikel 2.31

  • 2 Een instantie wordt erkend als naar het oordeel van Onze Minister is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. de instantie is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065; en

    • b. de instantie is in staat een deskundig en onafhankelijk oordeel te vellen of de zuiveringsvoorziening aan de eisen, bedoeld in artikel 2.28 voldoet.

  • 3 Een instantie kan een aanvraag tot erkenning indienen bij Onze Minister.

  • 4 Onze Minister houdt een lijst bij van erkende instanties en stelt deze beschikbaar.

Artikel 2.32

Op een zuiveringsvoorziening zijn, op een voor de toezichthouder goed zichtbare plaats, de volgende gegevens aanwezig:

  • a. handelsmerk of handelsnaam van de fabrikant;

  • b. naam en serienummer van de zuiveringsvoorziening;

  • c. bouwjaar van de zuiveringsvoorziening; en

  • d. naam van de instantie, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, en het nummer van het verleende certificaat.

Artikel 2.33

  • 1 De zuiveringsvoorziening wordt overeenkomstig de instructies van de fabrikant geïnstalleerd, gebruikt en onderhouden om zeker te stellen dat de zuiveringsvoorziening overeenkomstig de daaraan gestelde eisen functioneert.

  • 2 De in het tweede bedoelde instructies van de fabrikant moeten getoond kunnen worden aan de toezichthouder.

Artikel 2.34

  • 1 De instantie, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, kan een technische dienst machtigen voor het verrichten van een test als bedoeld in de bijlage bij deze regeling, mits deze technische dienst:

    • a. voldoet aan NEN-EN-ISO/IEC 17025; en

    • b. niet ook fabrikant is van zuiveringsvoorzieningen.

Hoofdstuk 2a. Bepalingen met betrekking tot gesloten bodemenergiesystemen

Artikel 2a.1

  • 1 Voor het bijhouden van een registratie met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem overeenkomstig artikel 3a.8, eerste lid, onder a, van het besluit worden tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 0,3°C en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten.

  • 2 Voor het bijhouden en registreren van gegevens met betrekking tot een gesloten bodemenergiesysteem overeenkomstig artikel 3a.8, eerste lid, onder b, van het besluit worden tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 5 % en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten.

Artikel 2a.2

Het energierendement dat een gesloten bodemenergiesysteem behaalt bij de levering van warmte of koude aan een bouwwerk, wordt bepaald overeenkomstig de volgende formule:

Bijlage 252267.png

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid warmte per jaar in MWh;

Qk: de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid koude per jaar in MWh;

E: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid elektriciteit per jaar in MWh;

G: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid gas per jaar in MWh.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1

  • 1 Artikel 2.3 is niet van toepassing op een zuiveringsvoorziening die is geplaatst voor 1 juli 2012, indien die zuiveringsvoorziening bestaat uit een septic tank, die een nominale inhoud heeft van ten minste 6 kubieke meter, en waarbij:

    • a. de septic tank uit drie compartimenten bestaat;

    • b. de nominale inhoud, in de stroomrichting, over de compartimenten is verdeeld in de verhouding twee staat tot één staat tot één;

    • c. de scheidingswanden tussen de compartimenten van de septic tank ten minste 20 centimeter boven het waterniveau uitsteken;

    • d. de instroomopening in het eerste compartiment van de septic tank zich ten minste 10 centimeter boven het waterniveau bevindt;

    • e. de toevoerpijp ten minste 5 centimeter en ten hoogste 10 centimeter uit de binnenwand steekt;

    • f. de doorstroomopeningen in scheidingswanden tussen de compartimenten van de septic tank zodanig zijn uitgevoerd, dat:

      • 1°. doorvoer van bodemslib en drijflagen wordt voorkomen;

      • 2°. de gezamenlijke oppervlakte van de doorstroomopeningen per scheidingswand ten minste 100 vierkante centimeter en ten hoogste 400 vierkante centimeter bedraagt;

      • 3°. de bovenkant van de doorstroomopeningen ten minste 30 centimeter onder het waterniveau ligt; en

      • 4°. de onderkant van de doorstroomopeningen hoger ligt dan de helft van de waterhoogte gemeten vanaf de bodem van de septic tank;

    • g. de afvoeropening van een septic tank voorzien is van een duikschot of een T-stuk zodat afvoer van bodemslib of drijflagen wordt voorkomen; en

    • h. de waterhoogte in een septic tank ten minste 1,2 meter bedraagt en ten hoogste bedraagt:

      • 1°. 2,2 meter bij een inhoud van ten hoogste 10 kubieke meter;

      • 2°. 2,5 meter bij een inhoud van meer dan 10 kubieke meter.

  • 2 Indien afzonderlijke septic tanks als bedoeld in het eerste lid parallel zijn geschakeld, bedraagt de gezamenlijke nominale inhoud ten minste 6 kubieke meter en voldoet iedere tank afzonderlijk aan de voorschriften genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met h.

  • 3 Opdeling van de septic tank als bedoeld in het eerste lid in afzonderlijke in serie geschakelde tanks is toegestaan, mits de nominale inhoud van één compartiment niet over verschillende tanks is verdeeld. De afzonderlijke septic tanks gelden tezamen als één septic tank.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 11 april 2011

De

Staatssecretaris

van Infrastructuur en Milieu,

J.J. Atsma

Bijlage

Testen voor zuiveringsvoorzieningen

(bijlage als bedoeld in artikel 2.29 van de Regeling lozen buiten inrichtingen)

I. Test voor zuiveringsvoorzieningen met biologische zuivering

  • 1. Bij de test wordt naar de zuiveringsvoorziening toegevoerd: toiletpapier, feces, urine en drinkwater in een gewichtsverhouding van respectievelijk 1, 3, 25 en 100.

  • 2. Bij een zuiveringsvoorziening zonder voorgeschakelde verzameltank wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a. van dag 1 tot en met 6 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 1, 2 en 3 ingesteld is op 125% en op dag 4, 5 en 6 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 3, 4 en 6;

    • b. van dag 7 tot en met 13 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C;

    • c. van dag 14 tot en met 33 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld, waarbij op dag 14 tot en met 27 de omgevingstemperatuur 15 °C is en de hydraulische belasting ingesteld is op 100%, en op dag 28 tot en met 33 de omgevingstemperatuur 40 °C is en de hydraulische belasting op dag 28, 29 en 30 125% bedraagt, en op dag 31, 32 en 33 50% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 14, 16, 19, 23, 27, 28, 30, 31 en 33;

    • d. van dag 34 tot en met 54 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C; en

    • e. van dag 55 tot en met 68 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C, waarbij de hydraulische belasting ingesteld is op 100%, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 55, 57, 60, 64 en 68.

  • 3. Bij een zuiveringsvoorziening met voorgeschakelde verzameltank wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a. van dag 1 tot en met 13 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 1 en 13 is ingesteld is op 50%, en op dag 2 tot en met 12 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 2, 4, 7, 10 en 13;

    • b. van dag 14 tot en met 20 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C;

    • c. van dag 21 tot en met 34 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld, waarbij de omgevingstemperatuur op dag 21 tot en met 27 15 °C bedraagt en op dag 28 tot en met 35 40 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 21 en 34 ingesteld is op 50%, en op dag 22 tot en met 33 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 21, 22, 24, 27, 28, 30, 33 en 34;

    • d. van dag 35 tot en met 55 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C; en

    • e. van dag 56 tot en met 68 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 56 en 68 ingesteld is op 50% en op dag 57 tot en met 68 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 56, 57, 59, 62, 65 en 68.

  • 4. De monsters van het effluent worden onderzocht op de parameters, genoemd in artikel 2.28, eerste lid, overeenkomstig de aldaar genoemde analysemethoden.

II. Test voor zuiveringsvoorzieningen met niet-biologische zuivering

  • 1. Bij de test wordt naar de zuiveringsvoorziening toegevoerd: toiletpapier, feces, urine en drinkwater in een gewichtsverhouding van respectievelijk 1, 3, 25 en 100.

  • 2. Bij de zuiveringsvoorziening wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a. van dag 1 tot en met 7 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C, waarbij monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 2, 4 en 7;

    • b. op dag 8 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C; en

    • c. van dag 9 tot en met 15 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C, waarbij monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 9, 10, 12 en 15.

  • 3. De monsters van het effluent worden onderzocht op de parameters, genoemd in artikel 2.28, eerste lid, overeenkomstig de aldaar genoemde analysemethoden.

Terug naar begin van de pagina