Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Geraadpleegd op 02-02-2023.
Geldend van 01-10-2015 t/m 30-09-2019

Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Afkortingenlijst CTU-BES

Awb

Algemene wet bestuursrecht

BMS

Border Management System

BTU-BES

Besluit toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BV

Besloten vennootschap

BZ

Ministerie/Minister van Buitenlandse Zaken

CROHO

Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

CTU-BES

Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

DMB

Directie Migratie Beleid

EU

Europees Unie

EVRM

Europees Verdrag van de Rechten van de Mens

   

HBO

Hoger beroep onderwijs

HIG

Herziene instructie aan de gezaghebbers

ICT

Information and Communication Technologies

IND-BES

Immigratie- en Naturalisatiedienst Bonaire, Sint Eustatius en Saba

   

KMar

Koninklijke Marechaussee

   

Model MBES

Model Bonaire, Sint Eustatius en Saba

MVV

Machtiging tot voorlopig verblijf

   

NA

Nederlandse Antillen

NV

Naamloze Vennootschap

   

OC&W

Ministerie/Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap

OM

Openbaar Ministerie

   

RSC

Regionaal Service Centrum

RWN

Rijkswet op het Nederlanderschap

RTU-BES

Regeling toelating en Uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

SWZ

Ministerie/Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

   

TBC

Tuberculose

TWV

Tewerkstellingsvergunning

   

UNHCR

United Nations High Commissioner for Refugees

UNRWA

United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near

USD

United States dollar

   

VN

Verenigde Naties

Vof

Vennootschap onder firma

   

WarBES

Wet administratieve rechtspraak Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Wav BES

Wet arbeid vreemdelingen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Wobka

Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie

Wbp-BES

Wet bescherming persoonsgegevens Bonaire, Sint Eustatius en Saba

WTU-BES

Wettoelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Hoofdstuk 1. Toegang

1. Begrippen

In artikel 1 WTU-BES, artikel 1.1 en artikel 1.2 BTU-BES worden de definities van verschillende woorden aangegeven.

Aanvullend hierop zijn de volgende begrippen met hun omschrijvingen nog van belang:

  • a. vervoerder: een natuurlijke en rechtspersoon die beroepsmatig personen vervoert;

  • b. passagiers: alle aan boord van een schip en luchtvoertuig verblijvende personen, niet zijnde verstekelingen, die geen deel uitmaken van de bemanning;

  • c. bemanning: de personen die zijn aangemonsterd om aan boord rechtstreeks met de vaart verband houdende werkzaamheden te verrichten, en als zodanig op de bemanningslijst staan vermeld;

  • d. scheepsagent: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die ter plaatse de reder in al zijn functies als reder vertegenwoordigt;

  • e. verstekeling: een persoon die zich ophoudt op een schip of in de lading van een schip, zonder de toestemming van de vervoerder of de kapitein van het schip en wiens aanwezigheid op het schip wordt ontdekt na vertrek uit een haven of wiens aanwezigheid in de lading wordt ontdekt in de haven van aankomst;

  • f. cruiseschip; een vaartuig dat een route volgt volgens een van te voren vastgesteld programma dat toeristische activiteiten in de verschillende havens omvat en waarbij tijdens de reis in beginsel geen passagiers in- of uitschepen.

2. Grensbewaking

2.1. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

De met grensbewaking belaste ambtenaren zijn genoemd in artikel 22a WTU-BES. Alle ambtenaren belast met grensbewaking zijn, zonder territoriale beperkingen, bevoegd deze taken binnen de openbare lichamen uit te oefenen. Met het oog op een efficiënte uitvoering van deze taken en het toezicht op personen richten de ambtenaren van KMar zich in beginsel primair op de grensbewaking en de ambtenaren van de politie op het toezicht op vreemdelingen. Op de eilanden Saba en Sint Eustatius wordt het toezicht door de ambtenaren van de KMar uitgevoerd.

De ambtenaren van de KMar en de ambtenaren van de politie oefenen de grensbewaking uit onder leiding van de Commandant van de KMar en het toezicht op vreemdelingen onder leiding van de Korpschef. De bevoegdheden van deze ambtenaren zijn uiteengezet in artikel 22d tot en met 22g van de WTU-BES.

2.2. Grensdoorlaatpost

Grensbewaking wordt uitgeoefend in verband met het in en uit de openbare lichamen reizen van personen. Iedereen is in principe verplicht bij grensoverschrijding een grensdoorlaatpost te passeren (zie artikel 2m WTU-BES) en zich daar te melden bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In de regel worden de grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar.

In de openbare lichamen fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. In artikel 6.2 BTU-BES staan de grensdoorlaatposten opgesomd:

  • a. in het openbaar lichaam Bonaire: de rede van Kralendijk, Blauwe Pan en Brazil en de Flamingo luchthaven;

  • b. in het openbaar lichaam Sint Eustatius: de Oranjebaai en de luchthaven van Sint Eustatius;

  • c. in het openbaar lichaam Saba: de Fortbaai en de luchthaven van Saba.

Melden bij de hierboven genoemde grensdoorlaatposten kan alleen binnen de tijd dat de desbetreffende doorlaatpost is opengesteld. Voor de openingstijden van de grensdoorlaatposten wordt verwezen naar de RTU-BES.

Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten.

Bovenstaande verdeling laat onverlet dat de uitvoerende diensten elkaar, indien nodig, kunnen bijstaan in de uitoefening van de grensbewakingstaken.

Op grond van artikel 6.4 BTU-BES moet iedereen, die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, zich houden aan de daar door de ambtenaren belast met grensbewaking gegeven aanwijzingen.

Bij een grensdoorlaatpost wordt aan een vreemdeling toegang verleend, dan wel geweigerd. Aan de vreemdeling die om toegang verzoekt, kan de toegang worden geweigerd op de gronden bedoeld in artikel 2r WTU-BES.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, BTU-BES vindt een weigering van de toegang altijd schriftelijk plaats.

Als de toegang wordt geweigerd, moet de vreemdeling onmiddellijk de openbare lichamen verlaten, waarbij de aanwijzingen van de ambtenaar belast met de grensbewaking, op grond van artikel 6.4 BTU-BES, moeten worden opgevolgd.

2.3. Toegangsvoorwaarden

Op grond van artikel 2r WTU-BES moet een vreemdeling:

  • a. in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding;

  • b. in het bezit zijn van een visum voor kort verblijf, terugkeervisum, mvv, tenzij de vreemdeling houder is van een geldige verblijfstitel;

  • c. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf aannemelijk maken;

  • d. aantonen dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als de terugreis naar het land van herkomst of de doorreis naar een derde land waar toegang is gewaarborgd, dan wel in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven;

  • e. aantonen geen gevaar voor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen te vormen.

De vreemdeling moet desgevraagd de in artikel 6.3 BTU-BES genoemde documenten en inlichtingen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking tonen dan wel verstrekken.

Als de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden zoals omschreven in artikel 2r WTU-BES, wordt hem de toegang geweigerd. Verder kan de ambtenaar belast met grensbewaking de vreemdeling de toegang tot de openbare lichamen weigeren als de vreemdeling eerder de maximale duur van het toegestane verblijf in de openbare lichamen heeft overschreden.

Tot slot weigert de ambtenaar de toegang aan de vreemdeling die is gesignaleerd ter fine van weigering van de toegang. Hiervan kan worden afgeweken als de Minister dit noodzakelijk acht op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van het land of internationale betrekkingen.

Onder bepaalde voorwaarden kan desondanks toegang worden verleend wanneer niet (volledig) wordt voldaan aan de voorwaarden voor toegang zoals genoemd in deze paragraaf. Zie hiervoor paragraaf 3.5 van dit hoofdstuk.

2.3.1. Geldig document voor grensoverschrijding

In artikel 2r, eerste lid, onder a, WTU-BES is bepaald dat de toegang aan een vreemdeling wordt geweigerd, als deze niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding. Voor de nadere uitwerking van de voorwaarde om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding wordt verwezen naar de artikelen 3.5 en 3.6 BTU-BES.

Het bezit van een geldig (nationaal) paspoort is een algemeen uitgangspunt. Het paspoortvereiste wordt onder meer gesteld als waarborg voor terugkeer.

Onder een paspoort wordt verstaan:

  • a. een mede in de Engelse of Franse taal gesteld document voor grensoverschrijding;

  • b. een document op grond waarvan de houder is toegestaan naar het buitenland te reizen; en

  • c. een document waarmee de houder kan terugkeren naar het land van afgifte.

Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een door Nederland erkende staat. Een uitzondering hierop vormt Taiwan. Dit land wordt door Nederland niet erkend, terwijl het reisdocument van Taiwan wel wordt erkend als geldig document voor grensoverschrijding.

Het document voor grensoverschrijding moet zijn voorzien van een goedgelijkende pasfoto van de houder en moet door de houder zijn ondertekend. Daarnaast moet dit document in het algemeen de volgende gegevens bevatten:

  • a. de familienaam;

  • b. de voorna(a)m(en);

  • c. de nationaliteit;

  • d. de geboorteplaats en -datum van de houder.

De geldigheidsduur van het paspoort moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

De door het Koninkrijk der Nederlanden uitgegeven documenten die worden aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding zijn opgenomen in de (Rijks)Paspoortwet.

Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens

Op grond van art 3.5, vierde lid, BTU-BES kan worden afgeweken van het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding.

Aan niet-visumplichtige vreemdelingen (voor de visum wet- en regelgeving: zie de Rijksvisumwet) die bij binnenkomst niet beschikken over het vereiste document voor grensoverschrijding kan aan de grens, met het oog op kort verblijf, een bijzonder doorlaatbewijs worden afgegeven. Dit doorlaatbewijs is als model opgenomen in de RTU-BES. Dit bijzonder doorlaatbewijs wordt na afgifte hiervan aangemerkt als een geldig document voor grensoverschrijding.

Voorwaarden afgifte

De ambtenaar belast met grensbewaking is bevoegd om zelfstandig een bijzonder doorlaatbewijs af te geven aan een niet-visumplichtige vreemdeling. Voor afgifte moet steeds aan elk van de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • a. er is sprake van een situatie van overmacht. Bij situaties van overmacht kan bijvoorbeeld worden gedacht aan passagierende zeelieden van wie het schip onaangekondigd is uitgevaren, drenkelingen en personen die het slachtoffer zijn geworden van diefstal. Als een vreemdeling zijn paspoort is vergeten, is geen sprake van een overmachtsituatie;

  • b. de vreemdeling kan aantonen dat er een dringende en gegronde reden voor verlening van toegang bestaat;

  • c. de vreemdeling kan aannemelijk maken dat de duur van het verblijf niet langer dan twee weken zal bedragen; en

  • d. de vreemdeling is in het bezit van een document waaruit zijn identiteit blijkt, bij voorkeur voorzien van een pasfoto, afgegeven door een officiële instelling (dit laatste vereiste geldt niet voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar die reizen in gezelschap van hun ouder(s), grootouder(s) of voogd). Als de vreemdeling wel beschikt over een document waaruit zijn identiteit blijkt maar dat niet is voorzien van een foto, moet op het bijzonder doorlaatbewijs een foto van de vreemdeling worden bevestigd.

Voor de afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen zijn geen leges verschuldigd.

2.3.2. Visum voor kort verblijf, terugkeervisum, machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)

Behalve als de vreemdeling houder is van een geldige verblijfstitel, is een van de voorwaarden voor toegang voor de visumplichtige vreemdeling, het in het bezit zijn van een visum voor kort verblijf, een terugkeervisum of een mvv. Zie artikel 2r, eerste lid, onder b, WTU-BES.

Voor een nader uitleg van het hebben van een visum kort verblijf wordt verwezen naar de Rijksvisumwet (artikel 5, tweede lid).

De regels over het terugkeervisum worden nader uitgewerkt in paragraaf 6 van dit hoofdstuk.

De voorwaarden voor een mvv staan in hoofdstuk 3 van de CTU-BES.

2.3.3. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf

Het door de vreemdeling opgegeven doel en de duur van het voorgenomen verblijf moet aannemelijk worden gemaakt. Ter onderbouwing hiervan moet de vreemdeling alle gegevens verstrekken en beschikbare documenten tonen. Indien het doel en de voorgenomen verblijfsduur niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt wordt de toegang op grond van artikel 2r, eerste lid, onder c, WTU-BES geweigerd.

Als de vreemdeling gebruikt heeft gemaakt van een elektronisch ticket en daarom niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, kan de ambtenaar belast met grensbewaking met toestemming van de vreemdeling hierover inlichtingen inwinnen. De betreffende luchtvaartmaatschappij heeft hiervoor een informatiepunt beschikbaar gesteld. Als de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij en niet op een andere manier het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk kan maken, wijst de ambtenaar de vreemdeling er op dat dit tot toegangsweigering kan leiden.

2.3.4. Voldoende middelen van bestaan

Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie artikel 2r, eerste lid, onder d WTU-BES en artikel 3.8 BTU-BES). Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf.

De middelen moeten toereikend zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in de openbare lichamen als in de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar de toegang is gewaarborgd. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder:

  • a. de duur van het voorgenomen verblijf;

  • b. het reisdoel;

  • c. de persoonlijke omstandigheden; en

  • d. de aard van het gebruikte vervoermiddel.

Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak. Voor de openbare lichamen komt dit neer op een bedrag van minimaal USD 1000 per week per persoon. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar de toegang is gewaarborgd.

Aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende middelen van bestaan kunnen beschikken, kan onder voorwaarden toegang worden verleend voor:

  • a. de duur van het voorgenomen verblijf; en/of

  • b. voor de terugreis/reis naar een derde land.

Zie hiervoor paragraaf 3.5 van dit hoofdstuk.

Een voorwaarde voor toegang is dat de vreemdeling -indien nodig- zekerheid stelt (zie artikel 3.9, tweede lid, BTU-BES) voor de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar zijn toelating is gewaarborgd. Dit doet hij door:

  • 1. het deponeren van een retourpassagebiljet of een garantiesom (het deponeren van een garantiesom is alleen mogelijk in zeer uitzonderlijke gevallen); of

  • 2. een in de openbare lichamen wonende solvabele derde die zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring (MBES14 CTU-BES).

1. retourpassagebiljet en garantiesom

Aan de vreemdeling kan worden verzocht een in zijn bezit zijnde retourpassagebiljet te deponeren tot zekerstelling. Als de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een elektronisch ticket en daarom niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, wijst de ambtenaar belast met grensbewaking de vreemdeling op de mogelijkheid om alsnog door de luchtvaartmaatschappij een retourpassagebiljet te laten printen. Als de betreffende luchtvaartmaatschappij hier niet aan kan of wil voldoen, behoudt de ambtenaar belast met grensbewaking de bevoegdheid tot het stellen van zekerheid. De geldigheid van het retourpassagebiljet moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

Het deponeren van een garantiesom als middel voor het stellen van zekerheid is alleen mogelijk in zeer uitzonderlijke situaties.

Beheer retourpassagebiljet en garantiesom

Aan vreemdelingen die bij binnenkomst in de openbare lichamen een garantiesom of een retourpassagebiljet deponeren, wordt een folder uitgereikt. Hierin wordt informatie verschaft over ontvangst, beheer en teruggave van aan de grens gedeponeerde garantiesommen en retourpassagebiljetten.

Aan de vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom deponeert, wordt ook een bewijs van inname afgegeven. Ook aan een derde die een garantiesom deponeert, wordt een bewijs van inname afgegeven.

De Commandant van de KMar beheert de bij hem gedeponeerde retourpassagebiljetten en garantiesommen. Over gedeponeerde garantiesommen wordt geen rente vergoed.

Teruggave en restitutie in de openbare lichamen

De vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom heeft gedeponeerd, moet zich voor teruggave daarvan rechtstreeks wenden tot de beherende instantie. Hetzelfde geldt voor derden die een garantiesom ten behoeve van een vreemdeling hebben gedeponeerd.

De garantiesom dan wel het retourpassagebiljet wordt aan de vreemdeling teruggegeven op vertoon van het ontvangstbewijs, als:

  • a. voldoende zekerheid bestaat over het vertrek van de vreemdeling (op eigen kosten); of

  • b. naderhand een aanvraag om een verblijfsvergunning wordt ingewilligd.

Garantiesommen gedeponeerd door derden worden op vertoon van het ontvangstbewijs gerestitueerd na vertrek van de vreemdeling uit de openbare lichamen.

Bij inname en teruggave van het retourpassagebiljet (MBES11 CTU-BES) dan wel de garantiesom (MBES12 CTU-BES) wordt het originele bewijs ingenomen dan wel teruggegeven.

2. Garantstelling door derde

Ook kan zekerheid worden gesteld doordat een op de openbare lichamen wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring (MBES14 CTU-BES). In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt kan desondanks toegang worden verleend wanneer een in de openbare lichamen rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant heeft gesteld.

Deze derde persoon stelt zich daarbij garant voor:

  • a. de kosten die voor de openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien; evenals voor

  • b. de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

Nadat is besloten om de vreemdeling toegang te verlenen onder voorwaarden, brengt de ambtenaar belast met de grensbewaking een sticker ‘Doorlating onder voorwaarden openbare lichamen’ (MBES45 CTU-BES) aan in het paspoort van de vreemdeling. Vervolgens plaatst de ambtenaar een inreisstempel half op en half onder het laminaat. Zie hiervoor paragraaf 3.5 van dit hoofdstuk.

2.3.5. Geen gevaar voor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen

Indien er indicaties zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen, wordt op grond van artikel 2r, eerste lid, onder e, WTU-BES de vreemdeling de toegang geweigerd. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, dient de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op te nemen met de Korpschef. In het geval sprake is dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de internationale betrekkingen dient contact te worden gezocht met de Directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid (DCM) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2.3.6. Signalering ter fine van weigering

Een vreemdeling die toegang tot de openbare lichamen wenst, maar is geregistreerd ter fine van weigering van de toegang, wordt op grond van artikel 2r, derde lid WTU-BES de toegang geweigerd.

Bij twijfel kan de ambtenaar belast met de grensbewaking contact opnemen met de IND unit Caribisch Nederland en de zaak voorleggen. De IND unit Caribisch Nederland beslist of aan de vreemdeling alsnog toegang moet worden verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van het land of de internationale betrekkingen. In het laatste geval dient de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op te nemen met de Directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid (DCM) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De vreemdeling moet natuurlijk ook voldoen aan alle overige voorwaarden voor toegang.

Registratie van de signalering

Registratie van een vreemdeling ter fine van weigering vindt plaats in het Border Management System (BMS). Dit is het systeem dat de KMar gebruikt om personen te registreren. Een vreemdeling kan om verschillende redenen worden geregistreerd. Het Hoofd Grensbewaking KMar op de openbare lichamen is verantwoordelijk voor de registratie. Wanneer een vreemdeling wordt geregistreerd moet altijd vermeld worden wat de motivatie/reden hiertoe is (openbare orde, voldoende middelen van bestaan, geen mvv, etc). Daarnaast moet de termijn van de signalering worden genoteerd.

3. Toezicht aan de buitengrens, toegangsverlening en toegangsweigering

3.1. Algemeen

Alvorens op de verschillende aspecten van toezicht aan de buitengrens wordt ingegaan, worden een paar algemene opmerkingen geplaatst.

Het is niet mogelijk om een mvv-aanvraag of een aanvraag om een verblijfsvergunning aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit is om te voorkomen dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild. Het mvv-vereiste wordt behandeld in hoofdstuk 3 van de CTU-BES.

Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen betreffende mensenhandel. Zie hiervoor hoofdstuk 14 CTU-BES.

Het kan voorkomen dat een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bescherming te willen indienen. Voor de procedure wordt verwezen naar hoofdstuk 16 CTU-BES.

3.2. Minimumcontrole en grondige controle

Minimum controle

Op grond van artikel 2s WTU-BES moet iedereen (zowel vreemdelingen, Nederlanders, eilandbewoners, etc.) bij in- en uitreis aan een minimumcontrole worden onderworpen.

De minimale controle behelst een onderzoek van het document voor grensoverschrijding en een onderzoek, op niet-systematische basis, naar signaleringen ter fine van opsporing en weigering van de toegang en het verblijf.

Grondige controle

Op grond van artikel 2t WTU-BES worden slechts vreemdelingen bij binnenkomst en uitreis onderworpen aan een grondige controle. Een grondige controle bij inreis behelst verificatie van de toegangsvoorwaarden als genoemd in artikel 2r WTU-BES.

Een grondige controle bij uitreis staat uitgewerkt in artikel 2t, derde lid, WTU-BES. Daarbij kan worden onderzocht:

  • a. of de toegang van de vreemdeling tot de plaats, het land of de staat van bestemming redelijkerwijs is gewaarborgd;

  • b. of de vreemdeling de maximale duur van het toegestane verblijf in de openbare lichamen heeft overschreden. Indien dit het geval is, wordt dit gesignaleerd;

  • c. of de vreemdeling is gesignaleerd ter fine van opsporing of weigering van toegang en verblijf.

Als de nodige faciliteiten voorhanden zijn en de vreemdeling hier om verzoekt, vinden de bedoelde grondige controles in een privé-ruimte plaats.

3.3. Stempel

Op grond van artikel 2v WTU-BES worden bij overschrijding van de buitengrenzen de documenten voor grensoverschrijding afgestempeld. In artikel 2v, tweede lid WTU-BES staan de situaties neergeschreven wanneer er geen stempel hoeft te worden geplaatst.

Bij afwezigheid van een inreisstempel in het document voor grensoverschrijding wordt verwezen naar artikel 2w WTU-BES. Wanneer in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling geen inreisstempel is aangebracht, mogen de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht hier het vermoeden aan verbinden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden ten aanzien van de maximale verblijfsduur. Het is aan de vreemdeling om het tegendeel aannemelijk te maken.

Verder wordt verwezen naar artikel 6.20 tot en met artikel 6.24 BTU-BES voor het plaatsen van aantekeningen in reis- of identiteitspapieren.

3.4. Versoepeling grenscontroles

Op grond van artikel 2u WTU-BES kunnen de grenscontroles aan de grens in buitengewone en onvoorziene omstandigheden worden versoepeld. Van buitengewone en onvoorziene omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn ingeval van een overstroming of een andere ernstige natuurramp die de overschrijding van de grens bij andere doorlaatposten verhindert, zodat de verkeersstromen van verschillende doorlaatposten worden omgeleid naar slechts één grensdoorlaatpost.

Zelfs in geval van versoepeling van de grenscontroles moet de ambtenaar belast met de grensbewaking, zowel bij in- als bij uitreis de reisdocumenten van vreemdelingen afstempelen. Dit is neergelegd in artikel 2v WTU-BES.

3.5. Toegangsverlening onder voorwaarden

Er kan door ambtenaren belast met grensbewaking aan de vreemdeling ‘toegang onder voorwaarden’ worden verleend als er sprake is van:

  • a. kort verblijf; en

  • b. een niet-visumplichtige vreemdeling die zijn verblijfsdoel in die zin wijzigt dat hij nog slechts kort verblijf beoogt.

Er mag bij ‘toegang onder voorwaarden’ geen aanleiding bestaan de toegang om redenen genoemd in artikel 2r WTU-BES te weigeren. Voorts mogen er geen redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de in voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn.

Bij toegang onder voorwaarden kunnen aantekeningen worden gesteld in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling. Deze aantekeningen kunnen betrekking hebben op:

De aantekeningen worden geplaatst door middel van het aanbrengen van de sticker ’Doorlating onder voorwaarden openbare lichamen’ (MBES45 CTU-BES). Deze sticker moet in het paspoort worden aangebracht. De inreisstempel wordt half op en half onder het laminaat geplaatst.

Aan de Korpschef wordt van de toegang onder voorwaarden kennis gegeven door gebruik van een formulier (MBES17 CTU-BES). Een eventuele garantverklaring (MBES14 CTU-BES) wordt met deze kennisgeving meegezonden. In het geval van een niet-visumplichtige vreemdeling die zijn verblijfsdoel wijzigt in kort verblijf, worden eveneens de door de vreemdeling overgelegde verklaringen meegezonden.

Ten aanzien van het opleggen van de meldplicht wordt opgemerkt dat dit betekent dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de Korpschef moet aanmelden.

Als de vreemdeling in verband met een zaterdag, zondag of feestdag niet zou kunnen voldoen aan de verplichting tot aanmelding binnen drie dagen, wordt in het document voor grensoverschrijding de volgende aantekening gesteld: ‘aanmelden uiterlijk op ...... (datum)’.

Overige aantekeningen

Als daarvoor in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan bij de inreis eveneens een van de andere aantekeningen die zijn opgenomen in artikel 6.20, eerste lid, onder b en c, BTU-BES (doel, duur en middelen voorgenomen verblijf) en de toepassing van artikel 3.6 BTU-BES in het document voor grensoverschrijding worden geplaatst.

3.6. Toegangsweigering

3.6.1. Algemeen

Aan iedereen die niet aan de toegangsvoorwaarden, genoemd in artikel 2r WTU-BES, voldoet, wordt de toegang tot de openbare lichamen geweigerd.

De toegang wordt geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking. De ambtenaar kan ook een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 2o, eerste en tweede lid, WTU-BES opleggen.

Vanwege het ingrijpende karakter blijft de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel voor zover mogelijk) moeten voortdurend in acht worden genomen. De uitvoering van deze maatregelen is met strikte waarborgen omkleed.

Als het al dan niet verlenen van toegang nauw samenhangt met de toelatingsbeslissing, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op met de IND unit Caribisch Nederland. Dit gebeurt in elk geval als de ambtenaar belast met grensbewaking voornemens is om de toegang te weigeren aan vreemdelingen behorend tot één van onderstaande categorieën:

  • a. de persoon die zich erop beroept de Nederlandse nationaliteit te hebben en/of daarmee te worden gelijkgesteld;

  • b. de vreemdeling die zich er op beroept toelating van rechtswege te hebben (artikel 3 WTU-BES);

  • c. de vreemdeling die zich erop beroept dat hem lang verblijf in de openbare lichamen is toegestaan;

  • d. de vreemdeling die in het bezit is van een geldige mvv;

  • e. buitenlandse pleegkinderen (zie hoofdstuk 12 CTU-BES);

  • f. de vreemdeling die te kennen geeft dat hij bescherming nodig heeft (artikel 2r, vierde lid, WTU-BES). Zie ook hoofdstuk 16 CTU-BES.

Verder neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op met de IND unit Caribisch Nederland als het weigeren van toegang vanwege klemmende redenen van humanitaire aard dan wel in het belang van het land of internationale betrekkingen niet wenselijk wordt geacht. Hierbij kan worden gedacht aan het bijzonder urgente reisdoel van de vreemdeling. Zie artikel 2r, derde lid, WTU-BES.

Het is op grond van artikel 2m, eerste lid, WTU-BES slechts mogelijk om na een bijzondere aanwijzing de toegang te weigeren aan een vreemdeling die bescherming zegt nodig te hebben.

3.6.2. Procedure voor weigering toegang aan de grens

De toegangsweigering van een vreemdeling vindt schriftelijk plaats door uitreiking van een standaard weigeringsformulier (MBES15 CTU-BES). De toegang wordt geweigerd op basis van artikel 2r van de WTU-BES. Hiertoe behoren ook vreemdelingen die om bescherming vragen.

In het standaard weigeringsformulier (MBES15 CTU-BES) moet het volgende duidelijk naar voren komen:

  • a. de redenen op grond waarvan de toegang tot de openbare lichamen is geweigerd;

  • b. de toepasselijke bepaling van de vigerende nationale wetgeving (artikel 2r WTU-BES);

  • c. de procedure betreffende het recht van beroep; en

  • d. de nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep.

Iedere toegangweigering moet worden geregistreerd. De volgende zaken met betrekking tot de vreemdeling moeten worden bijgehouden:

  • a. de personalia;

  • b. de nationaliteit;

  • c. het nummer van het document voor grensoverschrijding;

  • d. de reden(en) van de toegangsweigering; en

  • e. de datum van de toegangsweigering.

3.6.3. Weigering toegang gevaar openbare orde en nationale veiligheid

In artikel 3.7 BTU-BES is beschreven in welke gevallen de toegang van een vreemdeling tot de openbare lichamen wordt geweigerd op grond van gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

Op grond van het feit dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid wordt in de volgende gevallen de toegang in ieder geval geweigerd:

  • a. als er ten aanzien van de vreemdeling concrete aanwijzingen zijn dat deze een inbreuk pleegt of heeft gepleegd op de openbare orde en nationale veiligheid (zie paragraaf 2.3.5 ); of

  • b. als de vreemdeling in het opsporingsregister of ter fine van weigering van de toegang gesignaleerd staat (zie paragraaf 2.3.6); of

  • c. als de vreemdeling een gevaar vormt voor de volksgezondheid (zie paragraaf 2.3.5).

In het geval een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking de nodige maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen. De ambtenaar belast met grensbewaking informeert de Korpschef van het openbare lichaam waar de vreemdeling toegang is geweigerd, over de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.

3.6.4. Aanwenden rechtsmiddelen

De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling op grond van artikel 19 en 22k WTU-BES beroep kan instellen.

Op grond van artikel 6 WarBES wordt rechtshulp bij beroep vergoed.

Het beroep kan binnen vier weken worden ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Bonaire. De behandeling van het beroepschrift mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht. Zie hoofdstuk 19 CTU-BES.

Op grond van artikel 2n, eerste lid, WTU-BES, moet de vreemdeling de openbare lichamen onmiddellijk verlaten, tenzij:

  • a. er sprake is van een (verzoek om een) voorlopige voorziening;

  • b. een vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning verbandhoudende met bescherming heeft ingediend, waarop nog niet is beslist (artikel 2n, derde lid, WTU-BES).

3.6.5. De toegang blijft geweigerd

Als de vreemdeling de openbare lichamen niet onmiddellijk kan verlaten, kan een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 2o, eerste lid, WTU-BES of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 2o, tweede lid, WTU-BES worden opgelegd.

Ook als de geweigerde vreemdeling zijn vrijheid wordt ontnomen, bijvoorbeeld op strafrechtelijke gronden, blijft hem de toegang geweigerd. In dat geval blijft ook de terugvoerverplichting (zie paragraaf 5.1.4) in stand en blijft de mogelijkheid bestaan om hem – na beëindiging van de straf – in een grenslogies zijn vrijheid te ontnemen in afwachting van zijn uitzetting (artikel 2o juncto artikel 2p WTU-BES). Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de vreemdeling op grond van het Wetboek van Strafrecht BES in een huis van bewaring wordt geplaatst. Het is dus mogelijk om de vreemdeling na vrijlating uit het huis van bewaring op grond van artikel 2o WTU-BES zijn vrijheid te beperken of te ontnemen (MBES16 CTU-BES).

3.6.6. Verplichtingen voor geweigerde

De vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, is verplicht onmiddelijk te vertrekken uit het openbare lichaam met inachtneming van de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaar (artikel 2q, vierde lid, WTU-BES).

Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen:

  • a. het afwachten van vertrek op de grensdoorlaatpost;

  • b. de weg die de vreemdeling bij het verlaten van het land moet volgen; of

  • c. het aan boord gaan van een schip of vliegtuig.

Overtreding van voornoemde aanwijzingen is een strafbaar feit op grond van artikel 26 WTU-BES.

Tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging kunnen geweigerde vreemdelingen de aanwijzing krijgen zich op te houden in de hun daartoe door een met de grensbewaking belaste ambtenaar aangewezen ruimte (artikel 2o WTU-BES), die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit. Dit om illegale binnenkomst te verhinderen.

3.6.7. Verplichtingen voor vervoerder

Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, moeten – ongeacht of zij wel of niet een verzoek tot bescherming hebben ingediend – voor terugname worden geclaimd bij de vervoerder (artikel 22, tweede lid, WTU-BES juncto artikel 8.3 BTU-BES).

Ten aanzien van de luchtvaart moet, als het gaat om vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, het vertrek worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is. Het effectueren van het vertrek moet plaatsvinden zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is.

Ten aanzien van de zeevaart moet als het gaat om vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, het vertrek worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.

Zie voor een uitwerking van de verplichtingen voor vervoerders paragraaf 5 van dit hoofdstuk.

4. Verplichtingen in het kader van toezicht

4.1. Algemeen

In artikel 22h, eerste lid, WTU-BES is de grondslag opgenomen voor de verplichtingen die als maatregel van toezicht aan vreemdelingen kunnen worden opgelegd.

Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en op grond van de WTU-BES.

De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle hier in de openbare lichamen aanwezige vreemdelingen, ongeacht of zij rechtmatig of onrechtmatig in de openbare lichamen verblijven. De vordering is steeds gericht tot de vreemdeling zelf, tenzij het kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar betreft. Ten aanzien van vreemdelingen beneden de leeftijd van twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijke vertegenwoordiger.

Het niet voldoen aan de verplichtingen als genoemd in de BTU-BES is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit.

Als een vreemdeling bij herhaling opzettelijk niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting kan dit onder omstandigheden aanleiding zijn voor in bewaringstelling ex artikel 15c, vrijheidsontneming ex artikel 15b WTU-BES of signalering in het BMS.

4.2. De verplichting tot opgave van verhuizing

De in artikel 6.33, eerste lid onder a, b en d, BTU-BES bedoelde kennisgevingen hoeven niet in persoon te worden gedaan. Een vreemdeling moet dit binnen vijf dagen melden aan de Korpschef. Van deze kennisgevingen kan een aantekening worden gemaakt in het document voor grensoverschrijding (artikel 6.28 BTU-BES).

4.3. De verplichting tot het verstrekken van gegevens

4.3.1. Algemeen

Op grond van artikel 22h, eerste lid, onder b, WTU-BES kan ten aanzien van vreemdelingen worden voorzien in een verplichting tot het verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en op grond van de WTU-BES.

De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle aanwezige vreemdelingen. De vordering is gericht op de vreemdeling zelf, tenzij het gaat om kinderen jonger dan twaalf jaar. Ten aanzien van vreemdelingen die jonger zijn dan twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger (artikel 6.34, vierde lid, BTU-BES).

4.3.2. Op vordering verstrekken van gegevens

Vreemdelingen zijn verplicht op vordering van de Korpschef, binnen de in de vordering aangegeven tijd, de gegevens te verstrekken die de Korpschef in het belang in het bepaalde bij en op grond van de WTU-BES vraagt (artikel 6.34 BTU-BES), voor zover het de gegevens betreft die worden bedoeld in 6.35 tot en met 6.40 BTU-BES. Er moet steeds een rechtstreeks verband bestaan tussen het vragen van gegevens en de toepassing van de WTU-BES, dan wel de uitvoeringsbepalingen daarvan. Daarnaast kan een vordering tot het verstrekken van gegevens bijvoorbeeld worden gedaan met het oog op het bijhouden van de vreemdelingenadministratie.

Als daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan de vreemdeling worden verplicht de gevraagde gegevens persoonlijk te komen verstrekken.

Aanleiding tot het opleggen van deze verplichting bestaat bijvoorbeeld als:

  • a. feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die kunnen leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning;

  • b. de vreemdeling verzuimd heeft tijdig verlenging van de geldigheidsduur van zijn vergunning aan te vragen; of

  • c. wordt overwogen de vreemdeling aan een bijzondere maatregel van toezicht te onderwerpen.

Het verstrekken van onjuiste gegevens die hebben geleid tot het verlenen of verlengen van de verblijfsvergunning is strafbaar wegens overtreding van artikel 6.34 BTU-BES, juncto artikel 22h, eerste lid, WTU-BES. Voor de vreemdeling kan dit tot gevolg hebben dat de verleende vergunning wordt ingetrokken in het kader van het algemene belang (artikel 14, onder c, WTU-BES).

4.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

Op grond van artikel 6.35 BTU-BES is een vreemdeling verplicht zijn aanwezigheid onmiddellijk in persoon mee te delen aan de Korpschef als hij:

  • a. zich in de openbare lichamen bevindt; en

  • b. niet van rechtswege of bij vergunning is toegelaten tot de openbare lichamen; en

  • c. de beslissing betreffende een verblijfsvergunning mag afwachten in de openbare lichamen.

Voorbeelden:

  • a. vreemdelingen die op illegale wijze de openbare lichamen zijn binnengekomen;

  • b. vreemdelingen die na beëindiging van hun eerdere rechtmatige verblijf zonder toestemming in de openbare lichamen zijn achtergebleven;

  • c. (passagierende) zeelieden en transitpassagiers van vliegtuigen en zeeschepen die niet tijdig uit de openbare lichamen zijn vertrokken.

4.3.4. Kennis geven van het verschaffen van nachtverblijf

Op grond van artikel 6.36 BTU-BES moet de persoon die nachtverblijf verschaft aan een vreemdeling van wie hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze niet rechtmatig in de openbare lichamen verblijft dit onmiddellijk meedelen aan de Korpschef. De strekking van deze bepaling is om de opsporing van illegaal in de openbare lichamen verblijvende vreemdelingen makkelijker te maken en om hen, die – te kwader trouw – aan dit illegale verblijf medewerking verlenen, strafbaar te stellen (artikel 26 WTU-BES).

4.3.5. Verstrekken van gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers

Op grond van artikel 3.37 BTU-BES zijn werkgevers verplicht om ten aanzien van vreemdelingen aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten desgevraagd gegevens te verstrekken aan de Korpschef. De verplichting geldt voor daartoe gevorderde werkgevers van wie bij de Korpschef bekend is dat zij vreemdelingen in dienst gehad hebben die illegaal in de openbare lichamen hebben verbleven of die ongeoorloofd in de openbare lichamen arbeid hebben verricht. De gevraagde gegevens moeten onmiddellijk of binnen een door de Korpschef aangegeven termijn worden verstrekt.

De Korpschef moet een vordering tot het verstrekken van inlichtingen aan de werkgever tekenen of per aangetekende brief verzenden. De vordering aan de werkgever moet duidelijk vermelden:

  • a. welke gegevens moeten worden verstrekt;

  • b. op welke wijze gegevens moeten worden verstrekt; en

  • c. binnen welke termijn de gegevens moeten worden verstrekt.

In het algemeen zal er aanleiding bestaan de werkgever te verplichten de gegevens te verstrekken over alle vreemdelingen, die op een bepaalde datum (te weten de datum waarop de vordering wordt gedaan) bij hem in dienst zijn, evenals de vreemdelingen (of bepaalde categorieën van vreemdelingen) die vanaf die datum bij hem tewerkgesteld worden. Het gaat om de volgende gegevens van zijn werknemers:

  • a. de naam;

  • b. voornaam;

  • c. geboortedatum en-plaats;

  • d. nationaliteit;

  • e. datum van indiensttreding;

  • f. woonplaats; en

  • g. adres.

4.3.6. Mededeling over het zoeken of gaan verrichten van arbeid

De vreemdeling die van rechtswege is toegelaten in de openbare lichamen als bedoeld in artikel 5a WTU-BES, en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, is verplicht daarvan onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef (artikel 6.38 BTU-BES). Een aantal categorieën, genoemd in artikel 6.38, tweede lid, BTU-BES, is vrijgesteld van deze verplichting.

De beperking die in het derde lid van artikel 6.38 BTU-BES is opgenomen, vloeit voort uit artikel 5.21 BTU-BES, waarin is bepaald dat geen verblijfsvergunning wordt verstrekt als:

  • a. de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden; of

  • b. het verlenen van seksuele diensten aan derden.

Het ligt voor de hand in dit geval evenmin vrijstelling van de meldplicht te verlenen.

4.3.7. Mededeling over vervallen verblijf van rechtswege dan wel verblijfsdoel

De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten tot de openbare lichamen is verplicht onmiddellijk mededeling te doen aan de Korpschef (artikel 6.39 BTU-BES) als:

  • a. zijn verblijf van rechtswege is vervallen; of

  • b. hij niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend,

Voldoet een vreemdeling niet meer aan de beperking waaronder de vergunning tot verblijf is verleend dan kan deze worden ingetrokken, dan wel kan de beperking worden gewijzigd of opgeheven.

4.4. Verlenen van medewerking aan identificatie

4.4.1. Foto en vingerafdrukken

De verplichtingen gelden tegenover de met de grensbewaking belaste ambtenaren en tegenover ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht (artikel 6.41 BTU-BES). De verplichting tot het beschikbaar stellen van een pasfoto moet worden opgelegd met het oog op de registratie van de vreemdeling en in verband met de uitreiking van de voorgeschreven documenten.

De in artikel 6.41, onder b, BTU-BES genoemde verplichting mag alleen worden opgelegd als daartoe, naar het oordeel van de desbetreffende ambtenaar, in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Dit wil zeggen, alleen in speciale daarvoor in aanmerking komende gevallen. De verplichting zich te laten fotograferen en vingerafdrukken van zich te laten nemen behoort in ieder geval te worden opgelegd aan vreemdelingen:

  • a. die op onrechtmatige wijze de openbare lichamen zijn binnengekomen en naar de identiteit van wie een onderzoek moet worden ingesteld;

  • b. tegen wie – met het oog op de toepassing van de WTU-BES – een onderzoek naar hun criminele of ongunstige politieke antecedenten moet worden ingesteld;

  • c. aan wier verblijfsvergunning in het belang van de openbare rust of de nationale veiligheid een voorschrift wordt verbonden;

  • d. aan wie een individuele verplichting tot periodieke aanmelding wordt opgelegd (artikel 22h, tweede lid, WTU-BES);

  • e. van wie de vrijheid van beweging wordt beperkt (artikel 15 WTU-BES);

  • f. die ongewenst worden verklaard (artikel 16d WTU-BES);

  • g. die in bewaring worden gesteld (artikel 15c WTU-BES);

  • h. die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bescherming hebben ingediend; en

  • i. verder in alle gevallen waarin de Minister een bijzondere aanwijzing heeft gegeven.

4.5. Verlenen van medewerking aan onderzoek naar tuberculose

De vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden is op grond van artikel 6.42, eerste lid, BTU-BES verplicht om een TBC-onderzoek te ondergaan. Deze verplichting geldt niet voor de in artikel 6.42, tweede lid, BTU-BES bedoelde vreemdelingen.

4.6. Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen

4.6.1. Verblijf langer dan drie maanden

Een vreemdeling is ingevolge artikel 6.43 BTU-BES verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan te melden bij de Korpschef als hij:

  • a. toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de WTU-BES; en

  • b. naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden,

Ad b.

Voor de berekening van het verblijf worden voorgaande verblijven in de openbare lichamen binnen een tijdvak van zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst mede in aanmerking genomen.

In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen jonger dan twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht.

4.6.2. Verblijf korter dan drie maanden

Een vreemdeling is ingevolge artikel 6.44 BTU-BES verplicht zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan te melden bij de Korpschef al hij langer dan drie dagen in de openbare lichamen wil verblijven. Het gaat om een vreemdeling die:

  • a. toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de WTU-BES; en

  • b. naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van maximaal drie maanden,

In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen jonger dan twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht.

De verplichting tot aanmelding geldt ingevolge artikel 6.44, derde lid BTRU-BES niet voor de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of op grond van gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.

4.7. Periodieke aanmelding

4.7.1. Periodieke aanmelding ex artikel 6.47 BTU-BES

Algemeen

Op grond van artikel 6.47 BTU-BES is periodieke aanmelding bij de Korpschef verplicht voor de vreemdeling:

  • a. die geen toelating van rechtswege heeft, of bij vergunning is verleend; en

  • b. die in afwachting is van de feitelijke mogelijkheid tot vertrek of uitzetting.

De vreemdeling moet zich dan wekelijks melden, tenzij de Korpschef een andere termijn stelt. De verplichting geldt niet voor vreemdelingen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd.

Bij aanvang van de procedure tot het verlenen van een verblijfsvergunning moet de vreemdeling door de Korpschef erop worden gewezen dat op hem, hangende de beslissing op zijn aanvraag een meldplicht rust (artikel 22h, eerste lid, onder f, WTU-BES juncto artikel 6.47, eerste lid, onder b, BTU-BES).

Bij vreemdelingen die een aanvraag om toelating tot de openbare lichamen hebben ingediend in het kader van bescherming vindt het vorenstaande plaats door middel van het model MBES33 CTU-BES. Het gaat hier om een wekelijkse meldplicht op grond van artikel 6.47, tweede lid, BTU-BES.

Ontheffing en termijnstelling

De Korpschef kan ontheffing van de meldplicht verlenen. Verder kan hij een andere meldingstermijn dan de wekelijkse aan de meldplicht verbinden. Als de Korpschef van mening is dat ontheffing niet langer gewenst is, kan hij de ontheffing beëindigen. De vreemdeling moet steeds op hem aangaande wijzigingen betreffende de meldplicht worden gewezen.

Ten aanzien van vreemdelingen die toelating tot de openbare lichamen hebben in het kader van bescherming geldt dat ontheffing van de meldplicht gedurende het afwachten van de beslissing in eerste aanleg alleen wordt verleend in overleg met de IND unit Caribisch Nederland.

Niet voldoen aan de meldplicht en vertrek van de vreemdeling

Als de vreemdeling zich ondanks een verplichting daartoe niet houdt aan de meldplicht kan dit een aanwijzing zijn dat hij het land heeft verlaten of dat hij zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken. Als de vreemdeling zich twee achtereenvolgende keren niet houdt aan de meldplicht moet hij gevorderd worden om in persoon gegevens te verstrekken over de onttrekking aan de meldplicht. Reageert de vreemdeling niet dan kan worden geconcludeerd dat hij de openbare lichamen heeft verlaten of zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken en moet hij in de vreemdelingenadministratie worden afgemeld.

Over het (aangenomen) vertrek van een vreemdeling worden de IND unit Caribisch Nederland en de KMar geïnformeerd middels model MBES38 CTU-BES.

4.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding

De Minister kan op grond van artikel 22h, tweede lid, WTU-BES aan een vreemdeling een individuele verplichting tot periodieke aanmelding bij de Korpschef opleggen. Deze maatregel kan alleen worden opgelegd als dat naar het oordeel van de Minister in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid nodig is.

De verplichting kan worden opgelegd aan alle in de openbare lichamen verblijvende vreemdelingen.

Betreffende het opleggen van de verplichting wordt door de Korpschef de bij artikel 6.25, eerste lid, onder e, BTU-BES voorgeschreven aantekening in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling geplaatst. In de gevallen als omschreven in het derde lid van artikel 6.25 BTU-BES wordt de aantekening geplaatst op een afzonderlijk inlegblad.

4.8. Inleveren van het document waaruit het rechtmatige verblijf blijkt

Ingevolge artikel 6.48 BTU-BES is in de volgende gevallen de vreemdeling verplicht het document waaruit de toelating van rechtswege of bij vergunning blijkt, in persoon in te leveren bij de Korpschef:

  • a. de toelating is vervallen of geëindigd;

  • b. het hoofdverblijf is buiten de openbare lichamens verplaatst; of

  • c. de Nederlandse nationaliteit is verleend.

De IND unit Caribisch Nederland moet hierover worden bericht.

Het niet voldoen aan deze verplichting is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit.

4.9. Toezicht op documenten

4.9.1. Aangifte van vermissing van documenten

De vreemdeling moet ingevolge artikel 6.40 BTU-BES in persoon aangifte doen bij de Korpschef als het document waaruit zijn toelating bij vergunning dan wel van rechtswege blijkt:

  • a. wordt vermist;

  • b. verloren is gegaan; of

  • c. ondeugdelijk is geworden voor identificatie.

De IND unit Caribisch Nederland moet hierover worden bericht.

Het niet voldoen aan de verplichting van artikel 6.40 BTU-BES is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit. Dit kan ertoe leiden dat er door Burgerzaken geen nieuw verblijfsdocument wordt afgegeven.

Van de aangifte moet proces-verbaal worden opgemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal moet worden gezonden aan de IND unit Caribisch Nederland.

4.9.3. Gedragslijn bij vreemdelingen zonder documenten

Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, moet op grond van artikel 22d WTU-BES worden staande gehouden en gehoord. Zijn identiteit moet worden vastgelegd aan de hand van:

  • a. naamsopgave;

  • b. foto’s; en

  • c. eventueel het dactyloscopisch signalement met handtekening van de vreemdeling.

De tolk moet als voldoende bekwaam en objectief kunnen worden beschouwd.

Van alle aangetroffen bescheiden, zoals reisbiljetten, diploma’s en dergelijke, moeten fotokopieën worden gemaakt. Op basis van aanwezige informatie zal de KMar proberen het voor het vertrek van de vreemdeling benodigde document te verkrijgen.

5. Verplichtingen vervoerders, en gezagvoerders

5.1. Verplichtingen voor vervoerders

Onder vervoerder wordt verstaan een natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig personen vervoert.

Voor de openbare lichamen geldt dat vooral voor:

  • a. de luchtvaart-, cruise- en ferrymaatschappijen; alsmede

  • b. eigenaars van koopvaardijschepen, vrachtschepen; en

  • c. eigenaars/gebruikers van pleziervaartuigen,

die één of meer vreemdelingen aanvoeren via een plaats waar buitengrenscontrole plaatsvindt en zich aan een aantal verplichtingen moeten houden.

De volgende verplichtingen zijn opgenomen in de WTU-BES:

Daarnaast kan de vervoerder op grond van artikel 22, tweede lid, WTU-BES juncto artikel 8.3 BTU-BES, aansprakelijk worden gesteld voor de uitzettings- en verblijfskosten die door de overheid worden gemaakt met betrekking tot geweigerde vreemdelingen die niet onmiddellijk kunnen worden terugvervoerd.

5.1.1. De zorgplicht

Op grond van artikel 2q WTU-BES moet een vervoerder de nodige maatregelen nemen en houdt hij het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de persoon niet wordt voldaan aan artikel 2r, eerste lid, onder a en b, WTU-BES. Dit betekent dat vervoerder zodanige voorzorgsmaatregelen moet nemen dat de aanvoer van niet of niet juist gedocumenteerde vreemdelingen wordt voorkomen. Als dergelijke vreemdelingen zonder voorafgaande toestemming van bevoegde autoriteiten toch worden aangevoerd, kan de vervoerder strafbaar zijn. In ieder geval zal hiervan een proces-verbaal worden opgemaakt.

Voor de vaststelling of een document voor grensoverschrijding geldig is, moet een vervoerder zodanige maatregelen treffen dat zijn personeel, dusdanig wordt geïnstrueerd dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar de openbare lichamen. Onder personeel wordt ook verstaan het personeel dat onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder bepaalde formaliteiten verricht.

De hierboven bedoelde controle houdt minimaal het volgende in:

  • a. controle of de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden reisdocument zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van dat document;

  • b. controle of het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor de openbare lichamen als voor het land van uiteindelijke bestemming);

  • c. controle of de geldigheid van het aangeboden reisdocument en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;

  • d. controle of het aangeboden reisdocument is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit;

  • e. controle door middel van een kort en bondig onderzoek of het aangeboden reisdocument vals of vervalst is, waarbij zo nodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.

Bij de controle van vervoersbewijzen wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van technische apparatuur.

De overheid van de openbare lichamen kan de individuele vervoerder aanwijzingen geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit:

  • a. het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen); of

  • b. het gebruik van technische hulpmiddelen.

5.1.2. De afschriftplicht

De overheid van de openbare lichamen kan op grond van artikel 3.2 BTU-BES vervoerders verplichten een kopie te maken van de documenten die de vreemdeling in zijn bezit heeft. Deze afschriftplicht geldt slechts voor vluchten of vaarten vanaf die plaatsen van vertrek die specifiek, bij ministeriële regeling, zijn aangegeven.

Als de vervoerder de vreemdeling rechtstreeks, dan wel na transfer of transit naar de openbare lichamen, vervoert vanaf een luchthaven die bij ministeriële regeling is aangewezen als afschriftplichtige luchthaven, moet hij desgevraagd een afschrift kunnen overleggen van het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding. De lijst met afschriftplichtige luchthavens is te vinden als bijlage in de RTU-BES.

Eerdergenoemde lijst kan worden aangepast als ervaringsgegevens hiertoe aanleiding geven. Wanneer de lijst is aangepast wordt de lijst per brief kenbaar gemaakt aan de luchtvervoerders die vliegen vanaf een bepaalde locatie waarop de afschriftplicht van toepassing is. Hierbij zal worden aangegeven per wanneer de afschriftplicht geldt.

Aan de afschriftplicht wordt voldaan door het maken van een afbeelding van de pagina’s van het reisdocument die een aantal essentiële gegevens van de vreemdeling moeten bevatten. Zie hiervoor artikel 3.2, tweede lid, BTU-BES. Het is niet de bedoeling dat van alle pagina’s van het document voor grensoverschrijding van vorenbedoelde vreemdeling een afbeelding wordt gemaakt. De afbeelding moet van een dusdanige kwaliteit te zijn, dat teksten goed leesbaar zijn en de foto op het reisdocument goed tot de houder van het document te herleiden is. Bij voorkeur wordt een digitale scan van het reisdocument gemaakt.

Als een vreemdeling bij binnenkomst in de openbare lichamen niet over (de juiste) reisdocumenten blijkt te beschikken, moeten de bedoelde afbeeldingen desgevraagd worden overhandigd aan de bevoegde grensbewakingsautoriteiten. Deze overhandiging moet plaatsvinden binnen één uur na het verzoek van de ambtenaar belast met de grensbewaking.

5.1.3. De passagiersinformatieplicht

Op grond van artikel 2q, derde lid, WTU-BES en art 3.3 BTU-BES moeten de luchtvervoerder (luchtvaartmaatschappij) en gezagvoerder die passagiers naar de openbare lichamen vervoeren desgevraagd passagiersgegevens verzamelen en aan de grensbewakingautoriteiten van de openbare lichamen verstrekken.

Voor de passagiersgegevens die op vordering van de grensbewakingsautoriteiten door de luchtvervoerder moeten worden aangeleverd, wordt verwezen naar artikel 3.3, tweede lid, BTU-BES.

De passagiersgegevens worden elektronisch door de luchtvervoerder verstrekt. De ambtenaar belast met de grensbewaking die vordert tot het verzamelen en verstrekken van de passagiersgegevens, schrijft een specifieke wijze van elektronische verstrekking voor (artikel 3.2 BTU-BES). Voorgeschreven kan worden om de gegevens via een daartoe ter beschikking gesteld geautomatiseerd systeem of via een beveiligde internetverbinding aan te leveren. De door de luchtvervoerder verzamelde gegevens moeten voor het einde van de instapcontrole, de zogenaamde ‘flightclosure’, worden overgelegd.

Op basis van ervaringsgegevens en risicoanalyses, met betrekking tot illegale immigratie, bepaalt de ambtenaar belast met de grensbewaking van welke plaatsen van vertrek en van welke luchtvervoerders de passagiersgegevens worden gevorderd.

De passagiersgegevens die de luchtvervoerder, op vordering van de grensbewakingsautoriteiten, heeft verzameld worden niet langer dan 24 uur na aankomst door de vervoerder bewaard. Deze gegevens worden binnen 24 uur na aankomst vernietigd. De mogelijkheid blijft echter bestaan om die gegevens langer te bewaren als ze zijn verzameld met het oog op bijvoorbeeld de dienstverlening door de luchtvervoerder.

Voor de ambtenaar belast met de grensbewaking geldt in beginsel ook een bewaartermijn van 24 uur. Dit is alleen anders als de passagiersgegevens langer nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van de terugvoerplicht, zoals beschreven in artikel 2q vierde lid, WTU-BES (zie paragraaf 5.1.4 van dit hoofdstuk).

De luchtvervoerder informeert de passagier over de naam en de contactgegevens van zijn luchtvaartmaatschappij en de doeleinden van het verzamelen van de gegevens, namelijk het tegengaan van illegale immigratie door middel van betere grenscontroles. Verder wordt de passagier door de luchtvaartmaatschappij over de volgende zaken geïnformeerd:

  • a. welke gegevens worden verzameld;

  • b. de ontvangers van de gegevens zijn de grensbewakingsautoriteiten van de openbare lichamen zijn;

  • c. de passagier heeft het recht om kennis te nemen van zijn gegevens en om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken (voor zover de gegevens niet al zijn vernietigd).

5.1.4. De terugvoerplicht

Op grond van artikel 2q, vierde lid, WTU-BES heeft de vervoerder de verplichting om een vreemdeling die hij naar de openbare lichamen heeft vervoerd en aan wie de toegang is geweigerd, terug te vervoeren naar een plaats, het land of derde staat van waar zij die persoon heeft vervoerd. Zie hiervoor ook artikel 2n WTU-BES.

De terugvoerplicht is van toepassing op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, ongeacht de weigeringsgronden als beschreven in artikel 2r, eerste, tweede en derde lid, WTU-BES. Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, moeten – ongeacht of zij wel of niet een verzoek tot bescherming indienen – voor terugname worden geclaimd bij de vervoerder.

Voor vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, moet het vertrek worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is.

Bij het terugvervoeren, als bedoeld in artikel 2q, vierde lid, WTU-BES, worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie MBES19 CTU-BES en MBES20 CTU-BES). Om het terugvoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen door de vervoerder te faciliteren, wordt indien nodig door de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik gemaakt van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten. Deze attesten zijn bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9, Verdrag van Chicago).

Als de luchtvervoerder, reder of gezagvoerder het nalaat de vreemdeling uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren, zullen zowel de kosten aan de uitzetting als alle andere noodzakelijke kosten, op grond van artikel 22, tweede lid WTU-BES, op de luchtvervoerder worden verhaald.

Vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten de openbare lichamen tot aan het moment dat de vreemdeling door de vervoersonderneming daadwerkelijk naar een plaats buiten de openbare lichamen wordt gevoerd, is de vervoerder verantwoordelijk voor de vreemdeling. Dit houdt in dat:

  • de vervoerder verantwoordelijk is voor de zorg van de vreemdeling, wanneer deze bijvoorbeeld in de openbare lichamen verblijft in afwachting van zijn vertrek;

  • alle kosten die door de overheid worden gemaakt en voortkomen uit het (feitelijk) verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen ten laste kunnen komen van de vervoerder (zie paragraaf 5.1.6 van dit hoofdstuk).

Indien nodig, kan door de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op personen aan de vreemdeling, die zal worden teruggevoerd, een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.

Verstekelingen

In afwachting van het daadwerkelijke vertrek van de verstekeling ligt de verantwoordelijkheid voor de verstekeling bij de vervoerder. In overleg met de vervoerder kan de ambtenaar belast met de grensbewaking echter besluiten de verstekeling tijdelijk van boord te halen en de vrijheidsontnemende maatregel artikel 2o WTU-BES op te leggen (zie MBES16 CTU-BES). De vervoerder blijft echter gehouden de verstekeling zo snel mogelijk te laten vertrekken van het grondgebied van de openbare lichamen. De vervoerder wordt tijdig geïnformeerd over de plaatsing van de verstekeling aan boord ter uitvoering van zijn verplichting.

In plaats van terugplaatsing aan boord kan de verstekeling, eveneens op kosten van de vervoerder:

  • a. op een andere wijze worden terugvervoerd naar het land waar hij aan boord is gegaan;

  • b. worden vervoerd naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven; of

  • c. een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd.

Deze wijze van terugvervoeren is alleen mogelijk als deze praktisch uitvoerbaar is. Hiervoor moet de verstekeling in principe over voldoende documenten beschikken. Als dit niet het geval is, moet de identiteit en/ of nationaliteit vastgesteld worden en moet de diplomatieke/ consulaire vertegenwoordiging van het land van bestemming een vervangend reisdocument verstrekken aan de verstekeling. De vaststelling van de nationaliteit en identiteit en de afgifte van de vervangende reisdocumenten moet plaatsvinden voordat het schip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag echter niet ten koste gaan van een unieke verwijdermogelijkheid.

Gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich niet onttrekken aan hun verplichtingen als bedoeld artikel 22 WTU-BES, door een beroep te doen artikel 471 Wetboek van Koophandel BES. In dat artikel is onder meer sprake van een bevoegdheid van de kapitein om een verstekeling bij de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen. Onder ‘gelegenheid’ moet hier namelijk worden verstaan een wettelijk geoorloofde gelegenheid. Dit wil zeggen dat het van boord zetten van een vreemdeling slechts mag plaatsvinden na verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.

Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In het geval dat de kapitein zich op dit voorschrift beroept, moeten de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking worden beoordeeld en afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.

Vreemdelingen met een vluchtrelaas

Als de vervoerder bij een controle in het kader van de zorgplicht (zie paragraaf 5.1.1) constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet de juiste of geen documenten heeft, moet hij deze in principe niet vervoeren. Als de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging sturen om daar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘bescherming’ in te dienen. Als de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, moet de vervoerder contact opnemen met de IND unit Caribisch Nederland. Deze unit bepaalt dan of de vreemdeling naar de openbare lichamen mag worden gebracht. Als een vervoerder een vreemdeling die niet de juiste of geen documenten heeft naar het grondgebied van de openbare lichamen heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de IND unit Caribisch Nederland, geldt voor de vervoerder geen terugvoerplicht. Ook wordt geen proces-verbaal opgemaakt ten aanzien van vermoedelijke overtreding van artikel 2q WTU-BES. Wel moet de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vastleggen.

5.1.6. Aansprakelijkheid voor uitzetting- en verblijfskosten

Als het niet mogelijk is om de vreemdeling binnen redelijke tijd naar een plaats buiten de openbare lichamen te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting, waaronder ook de verblijfskosten, uit de openbare lichamen, kunnen worden verhaald op een reder of luchtvaartmaatschappij (zie artikel 22, tweede lid, WTU-BES juncto artikel 8.3 BTU-BES). Deze kosten omvatten volgens artikel 8.3 BTU-BES in ieder geval de kosten die verbonden zijn aan:

  • a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, maar op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten de openbare lichamen;

  • b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit de openbare lichamen evenals zijn begeleiding naar een plaats buiten de openbare lichamen, voor zover deze noodzakelijk is; en

  • c. het verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen in de periode nadat de vervoersonderneming van een ambtenaar belast met grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen.

Als een vreemdeling, aan wie de toegang is geweigerd, een aanvraag om een verblijfsvergunning bescherming indient, wordt de aansprakelijkheid van de vervoerder voor de kosten voor de duur van de behandeling van de aanvraag opgeschort. Er zullen pas weer kosten op de vervoerder worden verhaald nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden en de ambtenaar belast met de grensbewaking aan de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen.

Ook als het uiteindelijk niet mogelijk blijkt de vreemdeling uit te zetten, is de vervoerder aansprakelijk voor de kosten die gemaakt worden met betrekking tot de door hem aangevoerde geweigerde vreemdeling.

De kosten worden berekend op basis van nacalculatie.

5.2. Verplichtingen voor gezagvoerders

Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de (internationale) luchtvaart wordt verwezen naar artikel 6.11 en 6.12 BTU-BES. Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de zeevaart wordt verwezen naar artikel 6.6 tot en met 6.10 van de BTU-BES.

Hieruit blijkt onder meer dat de gezagvoerders direct bij binnenkomst een passagiers- en bemanningslijst moeten overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. In de RTU-BES zijn de (internationale) luchtvaart en zeevaart modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen als bijlagen. De passagierslijst kan ook gebruikt worden voor de opgave van de aanwezigheid van aangetroffen verstekelingen.

De overheid van de openbare lichamen kan de vervoerder opleggen om op de passagierslijst naast de namen van de reizigers ook andere gegevens vast te leggen.

6. Terugkeervisum

6.1. Algemeen

Op grond van artikel 1, onder g, WTU-BES wordt onder een terugkeervisum verstaan: een nationaal visum voor de toegang tot de openbare lichamen van een visumplichtige persoon die de openbare lichamen tijdelijk zal verlaten. Een dergelijk visum kan onder bepaalde voorwaarden door de IND unit Caribisch Nederland worden afgegeven aan vreemdelingen die daarom verzoeken. Aan het terugkeervisum worden voorschriften en beperkingen verbonden.

6.2. Vereiste bescheiden

De aanvraag (of wijziging) van een terugkeervisum moet in persoon plaatsvinden bij een loket van de IND unit Caribisch Nederland. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden overgelegd:

  • a. een vastgesteld aanvraagformulier;

  • b. een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • c. de gegevens en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging van een terugkeervisum.

Op de aanvraag wordt binnen twee weken beslist. Als er sprake is van verlenging van de beslistermijn, dan wordt er binnen vier weken beslist. Het terugkeervisum wordt in de vorm van een sticker in het document voor grensoverschrijding of op een apart inlegvel gekoppeld aan het document voor grensoverschrijding aangebracht.

De modellen van de beschikkingen tot afwijzing van de aanvraag, evenals het aanvraagformulier en de terugkeervisumsticker worden vastgelegd en beheerd door de IND unit Caribisch Nederland.

6.3. Criteria

In artikel 2i, eerste lid, onder a t/m g, tweede en derde lid, WTU-BES zijn de gronden opgesomd die kunnen leiden tot weigering van het terugkeervisum.

Een terugkeervisum kan worden geweigerd als:

  • a. de vreemdeling niet door overlegging van documenten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek mogelijk maakt;

  • b. de vreemdeling niet zelfstandig beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

  • c. de vreemdeling zich gedurende zijn verblijf in een openbaar lichaam aan maatregelen van toezicht op grond van deze wet heeft onttrokken;

  • d. uit een oogpunt van toezicht op grond van deze wet, opsporing of vervolging van strafbare feiten, tenuitvoerlegging van een vonnis of om andere gewichtige redenen bezwaar bestaat tegen vertrek van de vreemdeling uit de openbare lichamen;

  • e. het naar het oordeel van Onze Minister in de rede ligt dat binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum een beslissing kan worden verwacht op een aanvraag tot het verlenen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd of wijziging daarvan, of op een bezwaarschrift of beroepschrift op dat gebied, terwijl bij of op basis van deze wet of een rechterlijke beslissing de uitzetting van de vreemdeling achterwege moet blijven totdat op die aanvraag, dat bezwaar of beroep is beslist;

  • f. de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op diens aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift tegen een dergelijke beslissing en is ingereisd zonder de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf;

  • g. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan of verdacht wordt van terrorisme, oorlogsmisdaden, of andere misdaden tegen de menselijkheid.

Een terugkeervisum wordt geweigerd ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES.

Een terugkeervisum wordt geweigerd ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES heeft gedaan en die in afwachting is van een beslissing op die aanvraag.

In de volgende gevallen wordt aangenomen dat sprake is van dringende redenen in de zin van art 2i, eerste lid, onder a, WTU-BES:

  • a. ernstige ziekte of overlijden van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • b. het bijwonen van een huwelijk van een nabije bloedverwant (in eerste en tweede graad);

  • c. onder voogdij gestelde minderjarigen die met het pleeggezin op vakantie naar het buitenland gaan;

  • d. deelname aan een in het kader van de opleiding of studie van belang zijnde excursie of werkweek in het buitenland.

Op de hoofdregel dat sprake moet zijn van een dringende reden als bedoeld in artikel 2i, eerste lid, onder a, WTU-BES bestaan een aantal uitzonderingen. Deze zijn opgesomd in artikel 2.7 BTU-BES.

Een terugkeervisum wordt niet geweigerd op de in artikel 2i, eerste lid, onder a, WTU-BES bedoelde grond aan:

  • a. de vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij voor zakelijke doeleinden moet reizen;

  • b. de hier te lande geboren vreemdeling, bedoeld in artikel 5.19 eerste lid, BTU-BES ten behoeve van wie een aanvraag is gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 WTU-BES, in geval beide ouders van rechtswege of bij vergunning zijn toegelaten of als Nederlander in de openbare lichamen verblijven;

  • c. de vreemdeling die een positieve beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft ontvangen, maar nog in afwachting is van afgifte van het bijbehorende verblijfsdocument;

  • d. de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 WTU-BES, en de aanvraag tijdig of naar het oordeel van Onze Minister binnen een redelijke termijn is ontvangen.

6.4. Geldigheidsduur

In artikel 2j WTU-BES is de geldigheidsduur van een terugkeervisum geregeld.

De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet overschrijden, omdat het terugkeervisum gekoppeld is aan het document, waarmee de vreemdeling wenst te reizen. De geldigheidsduur van een terugkeervisum bedraagt ten hoogste een jaar. Het terugkeervisum kan worden verleend voor een of meer reizen.

Als de vreemdeling in de openbare lichamen verblijft in afwachting van de beslissing om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dan is het terugkeervisum ten hoogste drie maanden geldig en wordt verleend voor één reis.

De Minister kan vrijstelling dan wel ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan niet worden verlengd.

6.6. Wijzigen

Het wijzigen van een terugkeervisum is niet mogelijk als de vreemdeling de openbare lichamen heeft verlaten. De bedoeling van een terugkeervisum is immers dat de vreemdeling vooraf toestemming krijgt van de bevoegde autoriteiten om na een periode van uitreis weer terug te kunnen keren naar de openbare lichamen.

In het geval dat de vreemdeling er voor kiest om:

  • a. zonder een terugkeervisum uit te reizen; of

  • b. het terugkeervisum eenmaal in het buitenland is verlopen; en

  • c. hij terug wil keren naar de openbare lichamen,

dan moet de vreemdeling een mvv aanvragen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv moet betrekking hebben op het verblijfsdoel waarvoor de vreemdeling in de openbare lichamen verbleef, althans waarvoor de vreemdeling verblijf in de openbare lichamen beoogde.

Wijzigen van een terugkeervisum kan géén verlenging (artikel 2j, vierde lid, WTU-BES) en evenmin een omzetting van een enkele reis in een meervoudig terugkeervisum met zich meebrengen. Wel kan de reden (de oorzaak) of ook de beoogde duur van het verblijf in het land van herkomst van de aanvraag wijzigen, waardoor aanleiding kan bestaan de duur van het terugkeervisum in te korten. Inkorten vindt plaats door het aanbrengen van een nieuw sticker, waarbij het oorspronkelijke sticker ongeldig wordt gemaakt middels het doorhalen van de oude sticker door de IND unit Caribisch Nederland.

6.7. Intrekking

Op grond van artikel 2c WTU-BES kan een terugkeervisum worden ingetrokken:

  • a. op verzoek van de vreemdeling;

  • b. als uit naderhand gebleken feiten en omstandigheden komt vast te staan dat verlening ervan onjuist is;

  • c. als feiten en omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat deze zich verzetten tegen de handhaving of ongewijzigde handhaving van het verleende; of

  • d. als de vreemdeling de op hem rustende verplichtingen op grond van de WTU-BES niet naleeft.

De intrekking van een terugkeervisum vindt plaats door, bij voorkeur met rode inkt, op het terugkeervisum de volgende vermelding aan te brengen:

‘INGETROKKEN op ...(datum), op grond van art 2c, sub ....(a,b,c of d), WTU-BES’.

Als een ambtenaar van toezicht op grond van art 2c, sub b, c of d, WTU-BES een terugkeervisum wil intrekken moet hier eerst contact over worden opgenomen met de IND unit Caribisch Nederland. Als toestemming wordt verleend voor intrekking, dan moet de intrekking van het terugkeervisum worden voorzien van een dienststempel en een paraaf van de desbetreffende ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen.

7. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën vreemdelingen

7.1. Specifieke voorschriften voor categorieën vreemdelingen

7.1.1. Vreemdelingen die van rechtswege toelating tot verblijf hebben

Algemeen

De volgende categorieën vreemdelingen hebben op grond van artikel 3, eerste lid, WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf:

  • a. vreemdelingen die van overheidswege uitgezonden zijn, maar zolang zij in overheidsdienst zijn;

  • b. vreemdelingen die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, evenals de niet hertrouwde weduwen van zodanige vreemdelingen;

  • c. in de openbare lichamen als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;

  • d. militairen gedurende de tijd dat zij in de openbare lichamen zijn gestationeerd;

  • e. opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangedaan;

  • f. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van onder de in a, b, c en d. genoemde vreemdelingen.

Nederlanders

Nederlanders hebben op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf.

Amerikanen

Het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 15 december 2014 uitspraak gedaan inzake de uitleg van artikel 3 van het Protocol bij het Nederlands-Amerikaans verdrag inzake vriendschap, handel en scheepvaart.

De strekking van deze uitspraak is dat Amerikaanse onderdanen in het Caribisch Deel van het Koninkrijk de openbare lichamen aanspraak hebben op gelijke behandeling als Nederlanders die niet in het Caribisch Deel van het Koninkrijk zijn geboren. Dit betekent dat Amerikaanse onderdanen, net als die Nederlanders, op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid WTU-BES op het grondgebied van de openbare lichamen van rechtswege toelating tot verblijf hebben.

Zie verder hoofdstuk 2 CTU-BES.

7.1.2. Toeristen

Op grond van artikel 4.2, eerste lid, BTU-BES mogen toeristen het grondgebied van de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven zonder toelating tot verblijf bij vergunning verleend. Zij mogen maximaal drie maanden op het grondgebied van de openbare lichamen verblijven binnen een tijdvak van zes maanden (zie hoofdstuk 2 CTU-BES).

Mocht een toerist langer dan voornoemde drie maanden op het grondgebied van de openbare lichamen willen verblijven, dan is dit mogelijk. De vrije termijn van drie maanden kan verlengd worden met maximaal drie maanden. Er moet wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder c, BTU-BES. Dit wordt per individueel geval beoordeeld. Voor de aanvraag tot verlenging van de vrije termijn moet de toerist leges betalen.

Bij inwilliging van een dergelijke aanvraag dient de IND-unit Caribisch Nederland de reden van inwilliging in de vreemdelingenadministratie te registeren. Van de verlengingstermijn wordt in het paspoort een aantekening gemaakt.

Nederlanders

Nederlanders mogen maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar als toerist op het grondgebied van de openbare lichamen verblijven (artikel 4.2, derde lid, BTU-BES), zonder verblijf van rechtswege toegekend. Deze termijn kan niet worden verlengd.

Amerikanen

Het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 15 december 2014 uitspraak gedaan inzake de uitleg van artikel 3 van het Protocol bij het Nederlands-Amerikaans verdrag inzake vriendschap, handel en scheepvaart.

In verband daarmee mogen ook Amerikaanse toeristen maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar op het grondgebied van de openbare lichamen verblijven, zonder verblijf van rechtswege toegekend. Ook voor Amerikaanse onderdanen geldt dat deze termijn niet kan worden verlengd.

7.1.3. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen

Op grond van vigerende visumregelgeving zijn piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen die gedurende een aaneengesloten periode van niet langer dan 48 uur geland zijn, en geen gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid uitgezonderd van de visumplicht.

Op grond van artikel 4.2 en 4.3 BTU-BES mogen bemanningsleden van luchtvaartuigen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het luchtvaartuig (zie ook hoofdstuk 2).

Op grond van artikel 2v, tweede lid, onder b, WTU-BES wordt in de‘crew member licence’ of een ‘crew member certificate’ van piloten en bemanningsleden, als bedoeld in bijlage 9 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944, geen in- of uitreisstempel aangebracht.

7.1.4. Transitpassagiers van vliegtuigen

Transitpassagiers hoeven op grond van de vigerende visumregeling niet in het bezit te zijn van een visum kort verblijf voor de openbare lichamen als zij:

  • a. de transitruimte niet verlaten; of

  • b. de transitruimte korter dan 48 uur verlaten.

Als transitpassagiers de transitruimte langer dan 48 uur willen verlaten, dan kan dit alleen op vertoon van een visum kort verblijf voor de openbare lichamen. Dit visum dient van te voren, in het land van herkomst, te worden aangevraagd.

7.1.5. Zeelieden

Op grond van vigerende visumregelgeving zijn zeelieden die gedurende een aaneengesloten periode van niet langer dan 48 uur aangemeerd zijn, en geen gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid uitgezonderd van de visumplicht.

Op grond van artikel 2v, tweede lid, onder c, WTU-BES worden geen stempels aangebracht in de documenten voor grensoverschrijding van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van de openbare lichamen verblijven.

Op grond van artikel 4.2 en 4.3 BTU-BES mogen bemanningsleden van zeeschepen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het zeeschip (zie hoofdstuk 2 CTU-BES).

Werkzoekende zeelieden

Op grond van artikel 6.46 BTU-BES moet een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen, om als zeeman werk te zoen aan boord van een zeeschip, zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon melden bij de Korpschef.

Hoofdstuk 2. Toelating van rechtswege

1. Inleiding

In artikel 3, eerste lid, WTU-BES is bepaald wie van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen hebben. Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie vreemdelingen die van rechtswege zijn toegelaten worden uitgebreid (zie artikel 3, tweede lid, WTU-BES).

In artikel 5a WTU-BES is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over het verblijf zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf in de vrije termijn (van niet langer dan zes maanden). In de artikelen 4.1 tot en met 4.4 BTU-BES is dit uitgewerkt.

De toelating van rechtswege, bedoeld in de artikelen 3 en 5a WTU-BES, is tijdelijk.

Een vreemdeling die toelating van rechtswege heeft kan na een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren toelating van rechtswege wel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als de vreemdeling aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet (zie artikel 5.45, tweede lid, BTU-BES).

Aanmelding bij Korpschef na binnenkomst

Voor de regels over de verplichting tot aanmelding na binnenkomst bij de Korpschef wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘Toegang’, paragraaf 4.6 ‘Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen’.

Ten aanzien van toelating van rechtswege is in dit hoofdstuk het volgende onderscheid gemaakt:

  • Nederlanders

  • Amerikanen

  • bijzondere categorieën

  • verblijf in de vrije termijn

Deze categorieën zijn hieronder uitgewerkt.

2. Nederlanders

2.1. Algemeen

Artikel 1a WTU-BES voorziet in een overgangsregeling voor de toegang en het verblijf van Nederlanders in de openbare lichamen, in afwachting van de totstandkoming van een Rijkswet personenverkeer. Door middel van een Rijkswet personenverkeer wordt gestreefd naar een uniforme regeling voor de toegang en toelating van alle Nederlanders tot alle delen van het Koninkrijk. In de overgangsregeling artikel 1a WTU-BES zal het bestaande regime voor de toegang en toelating van de Nederlanders tussen de verschillende landen van het Koninkrijk vooralsnog gehandhaafd worden. Als overgegaan zou worden tot volledig vrije vestiging van Nederlanders voor alleen de openbare lichamen zonder dat de andere landen daartoe overgaan zou dat tot een ongewenste situatie leiden voor de openbare lichamen.

Dat betekent dat tot aan de inwerkingtreding van een Rijkswet personenverkeer het volgende geldt:

Toegang en toelating van Nederlanders tot het Europese deel van Nederland

De toegang en toelating van Nederlanders tot het Europese deel van Nederland blijven volledig vrij. Hier verandert niets aan.

Toegang en toelating van Nederlanders tot het land Aruba

De toegang en toelating van Nederlanders tot het land Aruba worden voorlopig beheerst door de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV) van het land Aruba.

Toegang en toelating van Nederlanders tot Curaçao en Sint Maarten

De toegang en toelating van Nederlanders tot Curaçao en Sint Maarten worden per 10 oktober 2010 beheerst door de Landsverordeningen toelating en uitzetting (LTU) van beide, respectievelijke landen.

Toegang en toelating van Nederlanders tot de openbare lichamen Bonaire, SintEustatius en Saba

De toegang en toelating van Nederlanders tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden per 10 oktober 2010 beheerst door de WTU-BES.

EU-recht

Voor burgers van de Europese Unie en hun familieleden, ook Nederlanders, die zich naar de Caribische delen van het Koninkrijk begeven geldt dat zij geen beroep op de Europese regels betreffende het vrij verkeer van personen kunnen doen. Omdat de Caribische delen van het Koninkrijk behoren tot de zogeheten Landen en Gebieden Overzee, waarop alleen de Associatieregeling van toepassing is, zijn de Europese bepalingen en regels inzake het vrij verkeer van personen aldaar niet van toepassing.

2.2. Uitleg artikel 1a WTU-BES

Artikel 1a

  • 1. Deze wet is, met uitzondering van hoofdstuk 2, van overeenkomstige toepassing op:

    • a. Nederlanders, geboren buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • b. Nederlanders die buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba de Nederlandse nationaliteit verkregen hebben.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, is deze wet niet van overeenkomstige toepassing op Nederlanders die op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, indien en voor zover deze wet niet op de vader of de moeder van toepassing is.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, is deze wet evenmin van overeenkomstige toepassing op Nederlanders, die:

    • a. direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba en die geboren zijn op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland, dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland de Nederlandse nationaliteit verkregen hebben;

    • b. kinderen zijn van de onder a bedoelde Nederlanders en direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Toelichting artikel 1a WTU-BES:

De bepalingen van de WTU-BES zijn van overeenkomstige toepassing op:

  • Nederlanders die door geboorte (eerste lid, sub a), naturalisatie of optie (eerste lid, sub b) buiten de eilanden of de openbare lichamen de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen; of

  • Nederlanders, en hun kinderen, die niet direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 tenminste een ononderbroken periode van tenminste een jaar in de openbare lichamen hun woonplaats hebben gehad (derde lid).

De bepalingen van de WTU-BES zijn niet van overeenkomstige toepassing op:

  • a. de eilandskinderen van de openbare lichamen; en

  • b. Nederlandse kinderen die op of in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en waarvan één van de ouders is aan te merken als eilandskind van de openbare lichamen (zie artikel 1a, tweede lid, WTU-BES). Dit is bijvoorbeeld het geval als de ouders primair met het oog op de ziekenhuisbevalling naar de bovengenoemde landen zijn gereisd. Ook deze kinderen zijn eilandskinderen van de openbare lichamen;

  • c. Nederlanders die op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en die direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 een ononderbroken periode van tenminste een jaar in de openbare lichamen woonplaats hebben gehad (zie artikel 1a, derde lid, WTU-BES);

  • d. kinderen van de in het vorige punt genoemde Nederlanders, als ze direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Ad a

Onder eilandskinderen van de openbare lichamen wordt verstaan: Nederlanders die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en hun Nederlandse kinderen, waar dan ook geboren.

Ad c

Voor het begrip ‘woonplaats’ is aangesloten bij de definitie zoals genoemd in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES. Daaruit volgt dat perioden van afwezigheid van de openbare lichamen binnen de referteperiode van een jaar niet in de weg staan aan de behandeling als eilandskind van de openbare lichamen. De duur en de reden van afwezigheid binnen de referteperiode is niet van belang, zolang vaststaat dat de betrokken Nederlander in de referteperiode ononderbroken zijn woonplaats op de openbare lichamen heeft gehad. De referteperiode van een jaar heeft tot doel om te voorkomen dat Nederlanders zich voor 10 oktober 2010 vestigen in de openbare lichamen met het oogmerk behandeld te worden als eilandskind van de openbare lichamen.

Ad d

De periode genoemd onder d wordt niet als onderbroken beschouwd door een verblijf buiten de openbare lichamen voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling. In dat geval zijn de bepalingen van de WTU-BES niet van toepassing.

Als de Nederlander niet binnen een jaar na de voltooiing van zijn studie of de beëindiging van de geneeskundige behandeling is teruggekeerd naar de openbare lichamen, dan wordt de vreemdeling geacht zijn hoofdverblijf te hebben verplaatst. De bepalingen van de WTU-BES zijn in dat geval wel op die vreemdeling van toepassing.

Met het vorenstaande wordt aangesloten bij artikel 4 WTU-BES.

2.3. Toelating van rechtswege

2.3.1. Toepassing van artikel 5a WTU-BES

Nederlanders

Nederlanders op wie de WTU-BES (grotendeels) van overeenkomstige toepassing is mogen zonder toelating van rechtswege toegekend op het grondgebied van de openbare lichamen verblijven gedurende een periode van maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar (zie de artikelen 1a en 5a WTU-BES. In dit geval is wel sprake van toelating van rechtswege, maar er wordt geen verklaring afgegeven waaruit de toekenning blijkt.

Bedoelde Nederlanders behoeven pas na zes maanden verblijf op het grondgebied van de openbare lichamen een verklaring waaruit blijkt dat hen toelating van rechtswege is toegekend. Zij moeten dan wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, vijfde of zesde lid, WTU-BES. Dit geldt ook als de Nederlander al bij binnenkomst langer dan zes maanden verblijf beoogt. Nederlanders dienen de termijn van zes maanden zelf in de gaten te houden.

Als men binnen deze zes maanden op het grondgebied van de openbare lichamen wil werken, dan zal men wel een verklaring van rechtswege aan moeten vragen. Aan deze aanvraag zijn leges verbonden. Zie hiervoor de Regeling toelating en uitzetting BES. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.

Amerikanen

Het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 15 december 2014 uitspraak gedaan inzake de uitleg van artikel 3 van het Protocol bij het Nederlands-Amerikaans verdrag inzake vriendschap, handel en scheepvaart.

De strekking van deze uitspraak is dat Amerikaanse onderdanen in het Caribisch Deel van het Koninkrijk – en daarmee op het grondgebied van de openbare lichamen aanspraak hebben op gelijke behandeling als Nederlanders die niet in het Caribisch Deel van het Koninkrijk zijn geboren. Dit betekent dat Amerikaanse onderdanen, net als die Nederlanders, op wie de WTU-BES (grotendeels) van overeenkomstige toepassing is, een vrije termijn van maximaal zes maanden hebben in een tijdbestek van een jaar (in plaats van drie maanden binnen een periode van zes maanden). Voorts komen zij in aanmerking voor een verklaring inzake toelating van rechtswege als ze aan de voorwaarden voldoen, waaraan ook bedoelde Nederlanders moeten voldoen.

Voor de rest geldt voor een Amerikaans onderdaan hetzelfde zoals hierboven is omschreven onder het kopje “Nederlanders”.

2.3.2. Toelating van rechtswege op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES

Meerderjarige Nederlanders of Amerikanen op wie de WTU-BES van (al dan niet van overeenkomstige) toepassing is hebben recht op toelating van rechtswege als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. beschikken over een verklaring van goed gedrag, gedurende de laatste vijf jaren, afgegeven door het bevoegde gezag binnen twee maanden voor hun aankomst in de openbare lichamen of een schriftelijke verklaring waaruit zulks genoegzaam blijkt;

  • b. beschikken over huisvesting;

  • c. beschikken over voldoende middelen van bestaan om in hun levensonderhoud te voorzien.

Voor voldoende middelen van bestaan wordt verwezen naar hoofdstuk 3/1.9.3.3 CTU-BES.

De minderjarige Nederlandse of Amerikaanse kinderen van de bovengenoemde Nederlanders respectievelijk Amerikanen die toelating van rechtswege hebben op grond van artikel 3, vijfde lid, WTU-BES, hebben toelating van rechtswege als één van de ouders het ouderlijk gezag heeft.

Ad a

Dit betekent dat de aanvrager over een verklaring goed gedrag moet beschikken uit alle landen waar de Nederlander de afgelopen 5 jaar heeft verbleven. De verklaring dient uiterlijk twee maanden voor aankomst op het grondgebied van de openbare lichamen te zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit. Indien de verklaring van goed gedrag recenter is afgegeven wordt deze aangemerkt als een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de WTU-BES.

3. Bijzondere categorieën

3.1. Bijzondere categorieën

Aan de volgende bijzondere categorieën personen (vreemdelingen of Nederlanders) wordt op aanvraag de toelating van rechtswege op het grondgebied van de openbare lichamen toegekend (zie artikel 3, eerste lid, WTU-BES):

  • a. vreemdelingen van overheidswege uitgezonden, zolang zij in overheidsdienst zijn;

  • b. vreemdelingen, die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige vreemdelingen;

  • c. in de openbare lichamen als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;

  • d. militairen, gedurende de tijd dat zij in de openbare lichamen zijn gestationeerd;

  • e. opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangedaan;

  • f. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van de onder a, b, c en d genoemde vreemdelingen;

  • g. vreemdelingen, in een openbaar lichaam geboren, mits zij de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, en sinds hun geboorte onafgebroken in de openbare lichamen zijn toegelaten.

Voor vreemdelingen die vallen onder één van de bovengenoemde categorieën is het mvv-vereiste niet van toepassing. Het mvv-vereiste is alleen een afwijzingsgrond voor de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en is geen voorwaarde voor toelating van rechtswege.

Ad b:

Zolang de vreemdeling pensioen of uitkering bij wijze van pensioen ontvangt, dan wel zolang de weduwe of weduwnaar niet is hertrouwd.

Ad c:

Zolang de vreemdeling in consulaire dienst is.

Ad d:

Zolang de vreemdeling militair is en is gestationeerd in de openbare lichamen.

Ad e:

Gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.

Ad f:

Zolang de echtgenoot niet van tafel en bed is gescheiden en de kinderen nog minderjarig zijn.

De ongehuwde partner, van vreemde nationaliteit, van een vreemdeling die van rechtswege toelating heeft, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging bij partner. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is in beginsel een jaar. Als de hoofdpersoon korter dan een jaar van rechtswege is toegelaten, dan is de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de ongehuwde partner daarop afgestemd. Dit geldt ook voor de minderjarige kinderen, als deze kinderen zelf niet de Nederlandse nationaliteit hebben.

Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie

Op grond van artikel 38 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie zijn leden en plaatsvervangend leden van het Hof alsmede hun echtgenoten of geregistreerd partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren van rechtswege toegelaten tot de landen, en daarmee in voorkomend geval ook tot de openbare lichamen. Aan de leden en plaatsvervangend leden van het Hof en hun echtgenoten of geregistreerde partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.

Gelet op het bovenstaande wordt op aanvraag een verklaring inzake toelating van rechtswege in de openbare lichamen afgegeven aan de leden en plaatsvervangend leden alsmede hun echtgenoten of geregistreerd partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege

3.2.1. Indiening van de aanvraag

Om voor een verklaring in aanmerking te komen waaruit blijkt dat de toelating van rechtswege is toegekend moet een daartoe strekkende aanvraag worden ingediend bij de IND-unit Caribisch Nederland (model MBES8). Voor de aanvraag moeten leges worden betaald.