Regeling personeel veiligheidsregio’s

Geldend van 01-10-2018 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 juni 2010, nr. 2010-0000147401, CZW/WVOB, houdende regels over functies voor het personeel van de veiligheidsregio’s (Regeling personeel veiligheidsregio’s)

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op artikel 2 van het Besluit personeel veiligheidsregio’s;

Besluit:

Artikel 1

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A.Th.B. Bijleveld-Schouten

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement a. Functie adviseur gevaarlijke stoffen

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub a Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Adviseur Gevaarlijke stoffen (AGS)

Beschrijving van de functie

De AGS is een specialist op het gebied van gevaarlijke stoffen. Hij ¹ wordt in het brongebied ingezet als dit volgens de ‘inzetprocedure gevaarlijke stoffen’ of andere relevante procedures gewenst is, óf wanneer de leidinggevende om zijn inzet verzoekt. Daarnaast is de AGS in staat om op te treden als meetplanleider (MPL). De functie meetplanleider wordt beschreven in supplement s.

De daadwerkelijke invulling van de functies kan per veiligheidsregio verschillen. Vanzelfsprekend kan één persoon niet beide functies gelijktijdig bij een incident vervullen.

   
 

De AGS adviseert aan de hoogst leidinggevende ter plaatse in het brongebied en is adviseur van het COPI. Hij adviseert op grond van bevindingen, herkenning van (basis)scenario’s en situatie-inschattingen over inzetmethoden, gelet op de aard en omvang van het incident. De adviezen gaan over redding, bronbestrijding, mogelijke gevolgen voor het effectgebied, ontsmetting en afhandeling van het incident na stabilisatie.

   
 

Het adviesproces van de AGS wordt hierbij verdeeld in twee fasen. Allereerst geeft de AGS een expertadvies onder tijdsdruk (bij onmiddellijke bedreiging van mensenlevens of bij dreigende escalatie). Daarna volgt een beredeneerd vervolgadvies op grond van meer informatie en een degelijker situatie-inschatting. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de AGS betreffen dus ‘beleidsadvisering’. Omdat hij zelfstandig adviseur is, krijgt hij in de praktijk weinig leiding. Formeel gezien functioneert de AGS onder leiding van de hoogst leidinggevende ter plaatse.

   
 

De AGS is belast met de leiding en uitvoeringscoördinatie van meerdere meetploegen in het brongebied. Bij uitzondering geeft de AGS zelf het voorbeeld aan zijn meetploegen en is dan ter plaatse uitvoerend bezig. Als hulpmiddelen heeft de AGS de beschikking over een AGS-voertuig met daarin uiteenlopende apparatuur, programmatuur, naslagwerken, handboeken, verbindingsmiddelen, plannen en kaarten.

   
 

De AGS werkt nauw samen met de meetplanleider en GAGS voor wat betreft informatie-uitwisseling. Bij meer complexe incidenten zal een (tweede) AGS optreden als adviseur van het operationeel team (OT) en/of als intermediair tussen lokaal commando, externe deskundigheid en bestuur voor informatie gerelateerd aan gevaarlijke stoffen. Hij adviseert op grond van zijn bevindingen en de inschatting van de meetplanleider over de aard en omvang van het effectgebied.

   
 

Deze (tweede) AGS treedt op als backoffice ten behoeve van de AGS in het brongebied. Ook werkt hij samen met externe deskundigen, bijvoorbeeld het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, TNO, DCMR, Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum, Landelijk Informatiepunt voor Ongevallen met Gevaarlijke stoffen en Beleids Ondersteunend Team milieu incidenten.

¹ Overal waar in deze bijlage ‘hij’ wordt geduid kan ook ‘zij’ worden gelezen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Analyseren en beoordelen incident

De AGS analyseert en beoordeelt het incident tijdens de uitruk- en verkenningsfase op basis van de beschikbare gegevens en vertaalt deze informatie naar mogelijke scenario’s. De AGS stelt dit beeld gedurende het incidentverloop zo nodig bij. Analytisch vermogen is hierbij van groot belang.

Kerntaak 2:. Vormen advies

Op basis van de gekozen scenario’s formuleert de AGS een advies. Hierbij houdt hij rekening met operationele mogelijkheden en sluit hij aan op de doelgroep en de belangen van de ontvanger(s).

Kerntaak 3:. Optreden als AGS (overdragen advies en samenwerken met betrokken partijen) bij incidenten met gevaarlijke stoffen

In het brongebied brengt de AGS, onder turbulente omstandigheden, een gefundeerd en toepasbaar advies uit op basis van kerntaak 1 en 2. Flexibiliteit, werken onder tijdsdruk, maar ook samenwerking en afstemming met betrokken partijen, als bij een COPI, spelen hierbij een belangrijke rol. Daarnaast kan de AGS optreden als adviseur van het OT. Communicatie en informatie zijn hierbij van groot belang.

Functie: adviseur gevaarlijke stoffen

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Analyseren

Accuraat

Problemen oplossen

Innoveren/creativiteit

Oordelen

Inleven

Communiceren

Samenwerken

Daadkracht

Analyseren en beoordelen incident

3

3

2

2

3

 

2

 

3

Vormen advies

3

         

2

   

Optreden als AGS bij incidenten met gevaarlijke stoffen

3

       

3

2

3

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Incidentbestrijding

 

*

 

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Analyseren en beoordelen incident

Werkzaamheden

De AGS analyseert en beoordeelt het incident tijdens de uitruk- en verkenningsfase op basis van de beschikbare gegevens en vertaalt deze informatie naar mogelijke scenario’s. De AGS stelt dit beeld gedurende het incidentverloop zo nodig bij. Analytisch vermogen is hierbij van groot belang.

Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Verzamelt informatie bij verschillende bronnen:

    • over incident: bij meldkamer/alarmcentrale en/of OvD

    • actief raadplegen informatiebronnen

    • volgen incidentontwikkeling (inclusief bestrijding)

    • over inschatting effectgebied bij MPL.

  • Vertaalt beschikbare informatie naar mogelijke scenario’s en maakt een keuze uit de meest waarschijnlijke. Maakt hierbij gebruik van berekeningen, vuistregels, ervaring, kennis, casuïstiek.

  • Denkt vooruit in het incident, houdt rekening met scenario-ontwikkeling en het tijdspad.

  • Herkent ontbrekende informatie, probeert deze zo mogelijk te verkrijgen.

  • Maakt een inschatting van de vereiste maatregelen voor het minimaliseren van de gevolgen voor slachtoffers en omgeving, het beperken van het gevaar voor hulpverleners en het bestrijden van het incident.

  • Bepaalt een eerste meetstrategie en start indien nodig de meetplanorganisatie op, of laat dit opstarten.

  • Interpreteert voortdurend de meetgegevens en andere relevante informatie (bijv. bedrijfsgegevens, visuele waarnemingen, aard en ontwikkeling van het van incident, aard en omvang van het bedreigde gebied, meteogegevens, (domino-)effecten) en stelt eerdere inschattingen zonodig bij.

Vraagt indien nodig een second opinion aan of geeft een second opinion aan een collega-AGS.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren AGS

  • Analyseren (3)

  • Accuraat (3)

  • Probleem oplossen (2)

  • Innoveren/creativiteit (2)

  • Oordelen (3)

  • Communiceren (2)

  • Daadkracht (3)

Beoordelingscriteria

  • Analytisch vermogen (op afstand)

  • Eigen tempo aansluiten op tempo incident, vooruit denken in incident, proactief.

  • Kwaliteit/relevantie van de wijze van analyse.

  • Kwaliteit/relevantie van de beoordeling van meetresultaten.

  • Keuze voor realistische, denkbare scenario(’s).

  • Werkwijze en uitkomsten zijn gemotiveerd met behulp van vakinhoudelijke argumenten.

  • Kunnen en durven bijstellen van het advies.

Kerntaak 2:. Vormen advies

Werkzaamheden

Op basis van de gekozen scenario’s formuleert de AGS een advies. Hierbij houdt hij rekening met operationele mogelijkheden en sluit hij aan op de doelgroep en de belangen van de ontvanger(s). Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Vormt een eerste advies over te nemen eerste maatregelen (bescherming hulpverleners, publiek en omgeving in relatie tot bestrijding en redding).

  • Vormt een advies over (indien van toepassing):

    • de risico’s voor mens, dier, goederen en milieu in bron- en effectgebied, op korte en lange termijn

    • te nemen maatregelen ten bate van de veiligheid

    • inzetmethoden en stabilisatie van het incident

    • te nemen maatregelen ter beperking van schade

    • gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen

    • waarschuwen/alarmeren van de nabije omgeving bij acuut gezondheidsgevaar en maatregelen voor de bevolking

    • de indeling van het bedreigde gebied in hot-warm-cold zone

    • te nemen maatregelen ten bate van de milieubescherming

    • opvang en nazorg van slachtoffers, personeel, bevolking, materiaal en materieel;

    • ontsmetting

    • plan van aanpak voor terugkeer naar de ‘normale’ situatie inclusief ‘ontalarmeren’ van de bevolking

    • andere, voor de bestrijding van het incident noodzakelijke, informatie.

  • Stemt de inhoud van het advies desgewenst af met de GAGS.

  • Stemt de inhoud van het advies af op en vertaalt deze naar de ontvanger (de ‘hoogst leidinggevende van de brandweer ter plaatse’, (de leden van) het COPI of OT).

    Stelt, bijvoorbeeld op basis van ontwikkelingen of second opion, het advies bij.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren AGS

  • Analyseren (3)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Structureren, prioriteiten stellen en doseren van adviezen.

  • Adviezen zijn geloofwaardig (op maat/proportionaliteit), kort en krachtig.

  • Adviesproces aansluiten op behoefte en niveau ontvanger (zowel operationeel als bestuurlijk).

  • Oplossingen zijn creatief, onderbouwd en uitvoerbaar, dus:

    • afgewogen risico voor hulpverleners

    • aanvaardbare gevolgen voor de omgeving

    • afgestemd op de operationele slagkracht

    • zo effectief mogelijke bestrijding van het incident.

Kerntaak 3:. Optreden als AGS (overdragen advies en samenwerken met betrokken partijen) bij incidenten met gevaarlijke stoffen

Werkzaamheden

In het brongebied brengt de AGS, onder turbulente omstandigheden, een gefundeerd en toepasbaar advies uit op basis van kerntaak 1 en 2. Flexibiliteit, werken onder tijdsdruk, maar ook samenwerking en afstemming met betrokken partijen, als bij een COPI, spelen hierbij een belangrijke rol. Daarnaast kan de AGS optreden als adviseur van het OT. Communicatie en informatie zijn hierbij van groot belang.

Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Laat metingen in het brongebied verrichten door meetploegen en stuurt deze aan.

  • Stemt meetstrategie af met MPL en stelt deze zonodig bij op basis van meetresultaten.

  • Werkt samen met en overlegt over vrijkomende stoffen met

    • MPL

    • collega-AGS (second opinion)

    • GAGS

    • externe deskundigen, zoals RIVM, TNO, DCMR, LOCC, LIOGS en BOTmi

    • betrokkenen in het COPI of OT

    • andere hulpdiensten.

  • Is intermediair tussen lokaal commando en externe (bedrijfs)deskundigheid.

  • Volgt het incident- en bestrijdingsverloop t.b.v. kerntaak 1.

  • Treedt op als adviseur van de hoogst leidinggevende van de brandweer, (de leden van) het COPI of het OT.

Informeert en draagt advies voortvloeiend uit kerntaak 2 over aan alle betrokkenen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren AGS

  • Analyseren (3)

  • Inleven (3)

  • Communiceren (2)

  • Samenwerken (3)

Beoordelingscriteria

  • Eigen tempo aansluiten op tempo incident, vooruit denken in incident, proactief.

  • Effectief blijven functioneren onder turbulente omstandigheden en grote druk.

  • Werkwijze en advies motiveren (met vakinhoudelijke argumenten) en uitleggen, overtuigen en uitvoerbaarheid bespreken, communiceren en informeren.

  • Gevraagd en ongevraagd adviseren.

  • Niet gaan leidinggeven maar adviseren.

  • Daadkrachtig en zelfverzekerd maar flexibel.

  • Samenwerking en afstemming met betrokken partijen, met oog voor de verschillende belangen (ook multidisciplinair).

  • Inhoudelijk volwaardig gesprekspartner voor alle betrokkenen (ook multidisciplinair).

  • Op een daadkrachtige wijze aansturing geven aan meetploegen.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement b. Functie bevelvoerder

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub b Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: Bevelvoerder

Beschrijving van de functie: De bevelvoerder:

  • 1. geeft leiding aan manschappen om het incident brand, hulpverlening, gevaarlijke stoffen of waterongevallen te bestrijden. In voorkomende gevallen kan er sprake zijn van dienstverlening. Hij borgt alle veiligheidsaspecten tijdens het incident. De situatie ter plaatse is bepalend voor de uit te voeren taken. Bij de bestrijding van het incident beschikt hij over de standaardbepakking van de tankautospuit en/of ondersteunende voertuigen.

  • 2. werkt in de repressieve dienst van de overheidsbrandweer. Hij voert zijn werkzaamheden voor het grootste deel uit op de plaats van het incident, ongeacht het tijdstip van de dag. De bevelvoerder moet samen met zijn manschappen snel ter plaatse zijn.

  • 3. heeft bij het incident de leiding over de manschappen van de tankautospuit en van ondersteunende voertuigen die aan de tankautospuit zijn gekoppeld. De bevelvoerder is verantwoordelijk voor de bestrijding van het incident en de opschaling. Bij opschaling heeft hij de operationele leiding over de (blus)eenheden tot de aankomst van de Officier van Dienst (OvD).

  • 4. werkt bij de incidentbestrijding volgens uitrukprocedures en veiligheidsuitgangspunten en waarborgt voortdurend de veiligheid van zichzelf, zijn manschappen en derden. Verricht werkzaamheden die variëren en die in wisselende en van tevoren niet bekende situaties moeten worden toegepast. Hierbij kan het nodig zijn om van procedures af te wijken en creatief een oplossing hiervoor te zoeken waarbij de veiligheid niet in het geding komt en het beoogde resultaat toch wordt behaald. Tevens is de bevelvoerder verantwoordelijk voor het bijhouden van zijn vakinhoudelijke competenties.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. uitrukken naar het incident*

De bevelvoerder rukt samen met zijn manschap(pen) uit naar het incident in een brandweereenheid. Hij komt, voor zover mogelijk, voorbereid qua verkenningsplan en voorlopig inzetplan ter plaatse.

Kerntaak 2:. verkennen van het incident*

De bevelvoerder verkent of laat zijn manschappen methodisch en veilig het incident verkennen. Op basis van de bevindingen maakt hij zijn (voorlopig) inzetplan definitief.

Kerntaak 3:. bestrijden van het incident*

De bevelvoerder bestrijdt het incident op basis van zijn inzetplan. Hij geeft daarbij leiding aan de eenheden die onder zijn bevel staan.

Kerntaak 4:. herstellen na het incident*

De bevelvoerder coördineert de personele en materiële nazorg (inclusief de evaluatie van het proces en het functioneren). Hij zorgt voor de administratieve afhandeling van het incident.

  • * Het incident kan zijn: brand, hulpverlening, gevaarlijke stoffen of waterongevallen. In voorkomende gevallen kan er ook sprake zijn van dienstverlening.

Competentiematrix

Kerntaken

Competenties

 

Accuraat

Stressbestendig

Samenwerken

Probleem oplossen

(taakgericht) Leiderschap

Analyseren

Daadkracht

Innoveren en creativiteit

Mondeling communiceren

Leren en reflecteren

   

uitrukken

1

1

1

   

1

1

 

1

     

verkennen

1

1

1

1

1

1

1

2

1

     

bestrijden

1

1

1

1

1

1

2

2

2

     

herstellen

1

1

1

 

1

1

   

2

1

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. uitrukken naar het incident*

De bevelvoerder rukt samen met zijn manschap(pen) uit naar het incident in een brandweereenheid. Hij komt, voor zover mogelijk, voorbereid qua verkenningsplan en voorlopig inzetplan ter plaatse.

Werkzaamheden:

  • Verzamelt actief informatie over het incident waar hij naar uitrukt.

  • Analyseert de verkregen informatie.

  • Maakt op basis van de beschikbare informatie een voorlopig verkennings- en inzetplan en plan+.

  • Informeert de manschappen over het incident en het voorlopig verkennings- en inzetplan.

  • Kiest zijn persoonlijke beschermingsmiddelen (afhankelijk van de situatie).

  • Bereidt zich mentaal voor.

Kerntaak 2:. verkennen van het incident*

De bevelvoerder verkent of laat zijn manschappen methodisch en veilig het incident verkennen. Op basis van de bevindingen maakt hij zijn (voorlopig) inzetplan (definitief).

Werkzaamheden:

  • Schouwt de situatie en stelt, indien nodig, het voorlopige verkenningsplan bij.

  • Verkent of laat zijn manschappen methodisch en veilig verkennen conform het verkenningsplan en maakt een inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.

  • Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting en maakt zijn definitieve inzetplan.

  • Schaalt, indien nodig, op.

  • Stelt, indien nodig, zijn plan+ in werking.

  • Geeft een situatierapport aan de meldkamer.

Kerntaak 3:. bestrijden van het incident*

De bevelvoerder bestrijdt het incident op basis van zijn inzetplan. Hij geeft daarbij leiding aan de eenheden die onder zijn bevel staan.

Werkzaamheden:

  • Zet in op de eerste prioriteit en geeft doelcommando’s aan zijn eigen eenheid.

  • Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt, zo nodig, de inzet bij.

  • Stelt, indien nodig, zijn plan+ in werking.

  • Informeert ter plaatse komende eenheden over het incident en stemt af.

  • Coördineert de samenwerking met overige hulpverleningsdiensten.

  • Geeft de meldkamer periodiek en de OvD bij aankomst een situatierapportage.

Kerntaak 4:. herstellen na het incident*

De bevelvoerder coördineert de personele en materiële nazorg (inclusief de evaluatie van het proces en het functioneren). Hij zorgt voor de administratieve afhandeling van het incident.

Werkzaamheden:

  • Bouwt het incident af en draagt het over aan (hulpverlenings)diensten / beheerder /salvage.

  • Coördineert de personele en materiële nazorg.

  • Evalueert het incident met zijn eenheid.

  • Evalueert zijn eigen functioneren.

  • Neemt, na een traumatische ervaring, deel aan een nazorgtraject.

  • Handelt de administratie rondom het incident af.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement c. Functie brandweerduiker

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub c Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Brandweerduiker

Beschrijving van de functie

De brandweerduiker verricht werkzaamheden op het gebied van de operationele specialistische ondersteuning bij waterongevallen. De brandweerduiker maakt deel uit van de duikploeg. Deze ploeg bestaat uit een duikploegleider, een brandweerduiker (reddingsduiker), een reserve duiker (veiligheidsduiker) en een assistent duikploeg. De duikploeg werkt volgens vaste procedures samen met de bemanning van een tankautospuit. Bij een oefening werkt de duikploeg in voorkomende gevallen zelfstandig.

De brandweerduikers voeren opdrachten uit van de duikploegleider en melden bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, handelt hij – onder verantwoordelijkheid van de duikploegleider/bevelvoerder – op eigen initiatief.

   
 

Onder water werkt de brandweerduiker doorgaans alleen.

   
 

Hij hanteert de standaardbepakking van de waterongevallenwagen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Uitruk/verkenning

De brandweerduiker selecteert uit de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen, controleert deze, trekt deze aan en voert een buddycheck uit. Hij draagt zorg voor voldoende fysieke en mentale getraindheid.

Kerntaak 2:. Inzet

  • 1. Als reddingsduiker spoort de brandweerduiker mensen en dieren op het water en in het water van maximaal 15 meter diepte en redt deze.

  • 2. Als veiligheidsduiker staat de brandweerduiker gereed om directe hulp te verlenen aan een reddingsduiker die in een noodsituatie verkeert. Tevens mag de veiligheidsduiker de reddingsduiker ondersteunen als deze aan de oppervlakte is.

  • 3. In gevallen waarbij acuut gevaar bestaat voor het milieu of voor de scheepvaart mogen objecten worden opgespoord en geborgen. Beslissing hieromtrent wordt door de bevelvoerder en/of officier van dienst in overleg met de waterbeheerder genomen.

Kerntaak 3:. Nazorg

In samenspraak met de assistent duikploeg maakt de brandweerduiker het voertuig en de persoonlijke duikuitrustingsstukken inzetgereed. Na afloop van de inzet neemt hij met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet en na een traumatische ervaring aan een nazorggesprek. Hij registreert de noodzakelijke gegevens in zijn persoonlijk duikerslogboek en laat dat aftekenen door de duikploegleider.

Functie: brandweerduiker

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleem oplossen

Leren en reflecteren

Daadkracht

Mondeling communiceren

Onafhankelijk

Inleven

Uitruk/verkenning

1

1

1

           

Inzet

1

 

1

 

1

 

Nazorg

 

1

 

1

 

1

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Incidentbestrijding

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Uitruk/Verkenning

Werkzaamheden

  • Selecteert de persoonlijke beschermingsmiddelen, controleert deze, trekt ze aan en voert een buddycheck uit.

  • Handelt volgens vaste procedures en improviseert in overleg met de duikploegleider daar waar nodig.

  • Herkent gevaarsituaties en is in staat adequaat hiernaar te handelen.

  • Laat zich onderweg actief informeren over de aard van de inzet.

  • Checkt de communicatie middelen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om de voor de taak juiste persoonlijke beschermingsmiddelen te kiezen, te controleren, aan te trekken en op een veilige manier te gebruiken.

  • Kan snel en vaardig een buddycheck uitvoeren.

  • Kent de Arbo-voorschriften en past deze toe.

  • Kent de van toepassing zijnde procedures.

  • Is in staat om (in)directe gevaren te herkennen.

  • Kan samenwerken met collega-duikploegleden en de bemanning van de tankautospuit.

  • Is in staat om in een stressvolle situatie kalm en overwogen te handelen.

Kerntaak 2:. Inzet

Werkzaamheden

  • Werkt in een door de duikploegleider aangegeven gebied op en in het water.

  • Spoort op veilige wijze mensen en dieren op en in het water van maximaal 15 meter diepte conform de vigerende arboregelgeving.

  • Redt mensen of dieren uit water van maximaal 15 meter diepte conform de vigerende arboregelgeving.

  • Haalt een of meer slachtoffers uit een te water geraakt voertuig.

  • Past zo nodig bij slachtoffers levensreddende handelingen toe.

  • Redt als veiligheidsduiker in een noodsituatie de collega-duiker.

  • Spoort op een veilige wijze objecten op die een acuut gevaar opleveren voor het milieu of de scheepvaart.

  • Bergt op een veilige wijze objecten die een acuut gevaar opleveren voor het milieu of de scheepvaart.

  • Communiceert met de seinlijnhouder/duikploegleider.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Probleem oplossen (1)

  • Daadkracht (1)

  • Onafhankelijk (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om (in)directe gevaren te herkennen.

  • Kan opdrachten van de duikploegleider interpreteren en uitvoeren.

  • Kent de van toepassing zijnde procedures.

  • Kent de Arbo-voorschriften en past deze toe.

  • Is in staat om de voor de taak juiste persoonlijke beschermingsmiddelen op een veilige manier te gebruiken.

  • Kan verschillende zoekmethodes toepassen.

  • Is in staat om zodanig te handelen dat hijzelf, slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en zijn omgeving niet in gevaar komen.

  • Kan samenwerken met collega-duikploegleden en de bemanning van de tankautospuit.

  • Is in staat om in een stressvolle situatie kalm en overwogen te handelen.

Heeft een goede fysieke en psychische conditie.

Kerntaak 3:. Nazorg

Werkzaamheden

  • Maakt in samenspraak met de assistent duikploeg/chauffeur het voertuig inzetgereed.

  • Reinigt en in voorkomende gevallen ontsmet (i.o.m. de duikploegleider) de persoonlijke duikuitrustingsstukken en maakt deze inzetgereed.

  • Reinigt en in voorkomende gevallen ontsmet (i.o.m. de duikploegleider) gebruikte inventarisstukken van het voertuig.

  • Vervangt en vult de bepakkingmiddelen aan.

  • Verzorgt eigen hygiëne en herstel.

  • Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.

  • Neemt, na een traumatische ervaring, met de betrokken hulpverleners deel aan een nazorggesprek.

  • Vult de noodzakelijke gegevens in het eigen logboek en laat dit aftekenen door de duikploegleider.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Leren en reflecteren (1)

  • Mondelinge communicatie (1)

  • Inleven (1)

Beoordelingscriteria

  • Heeft kennis van het benodigde materieel en materiaal.

  • Is in staat om mede zorg te dragen voor het inzetgereed maken van een voertuig.

  • Is in staat om de persoonlijke duikuitrustingstukken te verzorgen en inzetgereed te maken.

  • Heeft voldoende kennis van persoonlijke hygiëne en onderkent het belang hiervan.

  • Kan constructief deelnemen aan een groepsproces in een nazorgfase (evaluatie- en/of zorggesprek).

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement d. Functie centralist meldkamer

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub d Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Centralist meldkamer

Beschrijving van de functie

De centralist meldkamer is verantwoordelijk voor het aannemen, verwerken en afhandelen van meldingen. Daarnaast heeft hij bij de incidentbestrijding taken, bevoegdheden en uitvoeringsverantwoordelijkheden in de operationele uitvoeringscoördinatie en ondersteuning. Tevens is de centralist, onder aansturing van zijn leidinggevende, (mede)verantwoordelijk voor de uitvoering van de multidisciplinaire opschaling, alarmering en informatie-uitwisseling met eigen eenheden en alle overige (hulp)diensten. Voor de uitvoering van zijn taken maakt hij gebruik van de in de meldkamer aanwezige technische hulpmiddelen en communicatiesystemen op het gebied van informatie- en bedrijfsprocessen.

   
 

De centralist werkt vanuit de meldkamer nauw samen met eigen eenheden en alle overige (hulp)diensten en is verantwoordelijk voor een goede informatievoorziening. Ten aanzien van de andere disciplines op de meldkamer heeft hij een informerende rol.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Ontvangen en aannemen van een inkomende melding

De centralist meldkamer neemt de melding aan, beoordeelt deze conform de landelijk en regionaal geldende afspraken op classificatie en prioriteit en legt de melding vast. Zonodig instrueert, adviseert en/of verwijst hij door.

Kerntaak 2:. Uitgeven van een melding en ondersteunen van de inzet

De centralist meldkamer alarmeert de eenheden en coördineert de uitrukfase. Hij zorgt voor een adequate informatievoorziening richting de eigen eenheden en eventuele andere (hulp)diensten en coördineert de radiocommunicatie. Tijdens de bestrijding van het incident legt de centralist de relevante informatie vast. Hij handelt hulpvragen vanuit het veld, zoals opschaling en specialistische aanvragen, adequaat af.

Kerntaak 3:. Afsluiten van een melding

Na afloop van het incident legt de centralist meldkamer de relevante informatie vast. Hij evalueert het eigen handelen en levert, indien van toepassing, een bijdrage aan de algemene evaluatie van de melding.

Functie: centralist meldkamer

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Analyseren

Plannen, organiseren en coördineren

Probleem oplossen

Daadkracht

Flexibel

Inleven

Mondeling Communiceren

Ontvangen en aannemen van een inkomende melding

2

 

2

   

1

1

Uitgeven van een melding en ondersteunen van de inzet

 

2

2

1

1

1

1

Afsluiten van een melding

1

 

1

     

1

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Incidentbestrijding

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Ontvangen en aannemen van een melding

Werkzaamheden

  • Neemt een melding aan en verzamelt de benodigde kerngegevens.

  • Creëert zonodig een productief gespreksklimaat (paniekreductie).

  • Legt de melding vast.

  • Classificeert en prioriteert de melding conform de (binnen de regio, maar ook landelijk) geldende afspraken.

  • Draagt bij grootschalige incidenten zorg voor een zo compleet mogelijke beeldvorming en verwerkt de relevante informatie in een multidisciplinaire plot.

  • Instrueert de melder over eventueel te ondernemen acties.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Analyseren (2)

  • Probleem oplossen (2)

  • Inleven (1)

  • Mondelinge communicatie (1)

Beoordelingscriteria

  • Weet de melding op de juiste wijze te interpreteren.

  • Weet op een gestructureerde wijze de kerngegevens te verzamelen en te verwerken (uitvraagprocedure hanteren).

  • Kent de geldende landelijke en regionale procedures.

  • Kan aanvullende informatie prioriteren en weet hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden.

  • Kent de wettelijke en kwaliteitskaders, de organisatiestructuur en de overige regelgeving waarbinnen de werkzaamheden moeten worden verricht.

  • Kan de informatie- en communicatietechnologie in de meldkamer op de juiste manier gebruiken.

  • Kan op adequate wijze melderinstructie geven.

  • Is in staat om een veilig en rustig gespreksklimaat te creëren.

  • Kan verschillende communicatiestijlen en gesprekstechnieken toepassen en daartussen schakelen.

Kerntaak 2:. Uitgeven van een melding en ondersteunen van de inzet

Werkzaamheden

  • Alarmeert volgens de landelijk en regionaal geldende regels de juiste hulpverleningsdienst(en)/personen of verwijst door naar de juiste instantie(s).

  • Controleert de ingezette eenheden in relatie tot de aard en de locatie van het incident.

  • Draagt zorg voor een juiste toepassing van de verbindingsprocedures.

  • Herkent storingen in systemen van de meldkamer, schat de gevolgen daarvan in voor het operationele proces en onderneemt adequaat actie.

  • Verstrekt de benodigde informatie (incl. planvorming) over het incident aan eenheden en overige hulpdiensten.

  • Past de inzet aan als aanvullende informatie daar aanleiding toe geeft.

  • Voert de opschalingprocedures uit.

  • Bewaakt de paraatheid en spreiding (rest- of rayondekking).

  • Onderhoudt als centraal informatiepunt contact met de hulpverleningseenheden tijdens de inzet.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Probleem oplossen (2)

  • Daadkracht (1)

  • Flexibel (1)

  • Inleven (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om de alarmering- en opschalingprocedures op de juiste wijze uit te voeren.

  • Kan de juiste procedure(s) bij het incident kiezen en toepassen.

  • Is in staat om de continuïteit van het verbindingsproces te bewaken.

  • Weet welke gespreksgroepen wanneer toegepast worden.

  • Kan verschillende communicatiestijlen en gesprekstechnieken toepassen en daartussen schakelen.

  • Kan gelijktijdig meerdere hulpverlenings- en informatieprocessen coördineren.

  • Kan de informatie- en communicatietechnologie en overige apparatuur in de meldkamer op de juiste manier gebruiken.

  • Is in staat om adequaat actie te ondernemen als er sprake is van storingen.

  • Is in staat om op een correcte, bondige en zakelijke wijze informatie aan de eenheden en de overige diensten over te brengen.

  • Is in staat om een sitrap te geven aan functionarissen in de meldkamer en OT.

  • Is in staat om de informatiestroom actueel te houden.

  • Is in staat om overzicht te houden over het beschikbare materieel en personeel.

Kerntaak 3:. Afsluiten van de melding

Werkzaamheden

  • Legt voor het afsluiten van het incident alle relevante informatie in het geïntegreerd meldkamersysteem vast.

  • Bewaakt de beschikbaarheid van de ingezette eenheden.

  • Evalueert het eigen handelen.

  • Levert een bijdrage aan de algemene evaluatie van de melding.

  • Signaleert en rapporteert verbeterpunten in procedures of werkwijzen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Analyseren (1)

  • Probleem oplossen (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Kan de melding op de juiste wijze afsluiten in het systeem.

  • Kan onregelmatigheden in werkwijzen en procedures melden.

  • Is in staat om te reflecteren op het eigen handelen.

  • Is in staat om actief bij te dragen aan algemene evaluaties.

  • Is in staat om feedback te geven en te ontvangen.

  • Kan de toepasbaarheid van procedures toetsen.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement e. Functie chauffeur

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub e Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: Chauffeur

Beschrijving van de functie: De chauffeur:

  • 1. zorgt ervoor dat het brandweervoertuig op de plaats van het incident aankomt. Hij bestuurt het voertuig op een verantwoorde wijze en past daarbij de geldende wet- en regelgeving en de Brancherichtlijn optische en geluidssignalen brandweer toe. De situatie ter plaatse is bepalend voor de uit te voeren taak. De chauffeur bestuurt een categorie licht (rijbewijs A-B) of zwaar (rijbewijs C-D) voertuig, al dan niet in combinatie met een aanhanger (rijbewijs E).

  • 2. werkt overwegend in de repressieve dienst van de overheidsbrandweer. Hij voert de werkzaamheden voor het grootste deel uit aanrijdend naar het incident, op de plaats van het incident en terugrijdend van het incident, ongeacht het tijdstip van de dag.

  • 3. zijn rol is uitvoerend van aard. Hij voert zijn functie bij het besturen van zware voertuigen veelal onder leiding van een bevelvoerder uit; bij lichte voertuigen voert hij zijn functie over het algemeen zelfstandig uit. Bij de incidentbestrijding werkt hij volgens (veiligheids)procedures en werkafspraken.

  • 4. zijn functie wordt in wisselende, van te voren niet bekende situaties uitgevoerd. Hierbij kan het in beperkte mate nodig zijn van procedures af te wijken en creatief een oplossing te zoeken binnen de gestelde kaders om het beoogde resultaat te behalen, zonder dat de veiligheid in het geding komt. Tevens is de chauffeur verantwoordelijk voor het bijhouden van zijn vakinhoudelijke competenties.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. uitrukken naar het incident*

De chauffeur zorgt ervoor dat hij met het voertuig veilig, verantwoord, voorspelbaar en zo nodig vlot op de plaats van het incident aankomt. Hij plaatst het voertuig daar op de (aangegeven) opstelplaats en creëert een veilige situatie rondom het voertuig.

Kerntaak 2:. herstellen na het incident*

De chauffeur ruimt, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, de materialen op. Hij zorgt er na terugkomst op de kazerne voor dat het voertuig weer uitruk gereed is. De chauffeur werkt mee aan nazorg, evaluatie en eventueel benodigde registratie.

  • * Het incident kan zijn: brand, technische hulpverlening, gevaarlijke stoffen of waterongevallen. In voorkomende gevallen kan er ook sprake zijn van dienstverlening.

Competentiematrix

Kerntaken

Competenties

 

Accuraat

Stressbestendig

Samenwerken

Daadkracht

Mondeling communiceren

Leren en reflecteren

           

uitrukken

1

1

1

1

1

             

herstellen

1

 

1

1

1

1

           

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. uitrukken naar het incident*

De chauffeur zorgt ervoor dat hij met het voertuig veilig, verantwoord, voorspelbaar en zo nodig vlot op de plaats van het incident aankomt. Hij plaatst het voertuig daar op de (aangegeven) opstelplaats en creëert een veilige situatie rondom het voertuig.

Werkzaamheden:

  • Rijdt veilig, verantwoord, voorspelbaar en zo nodig vlot met het voertuig naar de bestemming, zowel met als zonder optische en geluidssignalen.

  • Bedient specifieke instrumentaria waaronder communicatiemiddelen en de optische en geluidssignalen.

  • Beheerst het voertuig en past rijtechnieken toe.

  • Past de rijtaak gerelateerde regelgeving toe bij het rijden met het voertuig.

  • Past richtlijnen voor incidentmanagement waar mogelijk toe.

  • Anticipeert op het verkeer en herkent en vermijdt risico’s.

  • Bereidt zich mentaal voor.

Kerntaak 2:. herstellen na het incident*

De chauffeur ruimt, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, de materialen op. Hij zorgt er na terugkomst op de kazerne voor dat het voertuig weer uitruk gereed is. De chauffeur werkt mee aan nazorg, evaluatie en eventueel benodigde registratie.

Werkzaamheden:

  • Ruimt samen met de brandweereenheid de incidentlocatie op.

  • Rijdt terug naar de uitruklocatie.

  • Maakt samen met de brandweereenheid het ingezette voertuig weer inzet gereed, zo nodig door het voertuig en de bepakking te reinigen en meldt eventuele schades en tekortkomingen.

  • Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.

  • Neemt, na een traumatische ervaring, deel aan een nazorgtraject.

  • Werkt mee aan eventueel benodigde registratie.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement f. Functie commandant van dienst

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub f Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Commandant van dienst (CvD)

Beschrijving van de functie

In dit document staan de kerntaken van de commandant van dienst (CvD) centraal. Voorafgaand aan de beschrijving van deze kerntaken wordt in deze inleiding aandacht besteed aan de positie van de commandant van dienst.

   
 

Positionering commandant van dienst

De commandant van dienst treedt op in de context van het multidisciplinair repressief optreden (vanaf GRIP 2) en kan daarin een van de twee onderstaande rollen vervullen:

1. Operationeel leider van het regionaal operationeel team, hierna ROT genoemd. Hij 1 heeft in deze rol de leiding over de bestrijding van het incident en de effecten van het incident op de omgeving. Daarnaast treedt hij in voorkomende gevallen op als intermediair tussen het ROT en het beleidsteam (BT) (vanaf GRIP 3).

2. Adviseur van de burgemeester in het BT namens de brandweer. De commandant van dienst vertaalt de informatie over het incident en de incidentbestrijding vanuit het tactisch niveau (ROT) naar het strategisch niveau van het BT.

   
 

De twee rollen brengen verschillende verantwoordelijkheden met zich mee en vereisen andere competenties.

   
 

In de beschrijving van de functie en bijbehorende kerntaken op de volgende pagina’s gaan we uit van de volgende rolverdeling:

   
 

Commandant van dienst:

– operationeel leider (OT)

– adviseur namens de brandweer in BT

   
 

HOVD:

– leider COPI

– hoofd sectie brandweer in OT

– compagniescommandant

   
 

OVD:

– leider dagelijkse incidentbestrijding

– pelotonscommandant

– brandweervertegenwoordiger in het COPI

1 Daar waar hij staat, kan ook zij gelezen worden.

2.1. Kerntaken

De kerntaken van de commandant van dienst liggen in het verlengde van de hiervoor geschetste rollen. Bij de beschrijving van de kerntaken is rekening gehouden met de beschrijving van de Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijding Procedure (GRIP).

Kerntaak 1:. Optreden als operationeel leider ROT

De commandant van dienst treedt op als operationeel leider (OL) en geeft in die rol leiding aan de multidisciplinaire samenwerking in het ROT. Hij is verantwoordelijk voor het multidisciplinair aanpakken van de gevolgen van het incident. Hij vertaalt de tactische informatie waar nodig naar strategische beslispunten en treedt in voorkomende gevallen namens het OT op als adviseur naar het bestuur/de burgemeester (BT). Vanaf GRIP 3 is de OL verantwoordelijk voor het samenstellen van realistische multidisciplinair samengestelde scenario’s, heldere adviezen en beslispunten voor het BT.

Kerntaak 2:. Adviseren van de burgemeester in het beleidsteam

Als lid van het beleidsteam (BT) adviseert de commandant van dienst de burgemeester vanuit multidisciplinair perspectief over strategisch, politiek of bestuurlijk te nemen beslissingen.

Op de volgende pagina’s worden de kerntaken nader uitgewerkt aan de hand van activiteiten en beoordelingscriteria.

Functie: CvD

 

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

Analyseren

Plannen, organiseren en coördineren

Politiek Bestuurlijk inzicht

Communiceren

Daadkracht

Inleven

Leiderschap

Maatschappelijk georiënteerd

Samenwerken

Optreden als operationeel leider ROT

3

3

3

3

3

3

2

 

3

Adviseren van de burgemeester in het beleidsteam

3

 

3

3

3

3

 

2

2

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis (1)

Overdracht (2)

Expert (3)

Incidentbestrijding

   

x

Risico’s en veiligheid

   

x

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken

Kerntaak 1:. Optreden als operationeel leider ROT

Werkzaamheden

  • Vervult de rol van technisch voorzitter in het ROT.

  • Geeft leiding aan de multidisciplinaire beeld-, oordeels- en besluitvorming.

  • Bewaakt de voortgang en afstemming van het totale proces van de crisisbestrijding.

  • Stuurt het proces van informatievergaring aan (vraagt het COPI om situatierapporten, levert schriftelijke situatierapporten aan bij het BT).

  • Is verantwoordelijk voor de totale incidentbestrijding bij een GRIP-2-incident.

  • Zorgt voor heldere advisering aan en legt overwogen beslispunten voor aan het BT vanaf GRIP 3 en hoger.

  • Anticipeert op de ontwikkeling van het incident (scenariodenken) en stemt met het BT te nemen beleidsbeslissingen af.

  • Informeert en adviseert gevraagd en ongevraagd het BT, dan wel de burgemeester.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Analyseren (3)

  • Plannen, organiseren en coördineren (3)

  • Politiek bestuurlijk inzicht (3)

  • Communiceren (3)

  • Daadkracht (3)

  • Inleven (3)

  • Leiderschap (2)

  • Samenwerken (3)

Kerntaak 2:. Adviseren van de burgemeester in het beleidsteam

Werkzaamheden

  • Vormt met de deelnemers aan het BT een gemeenschappelijk beeld van het incident en draagt bij aan oordeelsvorming en besluitvorming.

  • Adviseert de burgemeester vanuit multidisciplinair perspectief over strategisch, politiek of bestuurlijk te nemen beslissingen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Analyseren (3)

  • Politiek bestuurlijk inzicht (3)

  • Communiceren (3)

  • Daadkracht (3)

  • Inleven (3)

  • Maatschappelijk georiënteerd (2)

  • Samenwerken (2)

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement g. Functie controleur brandpreventie

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub g Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Controleur brandpreventie

Beschrijving van de functie

De controleur brandpreventie voert werkzaamheden uit op het gebied van brandpreventie. Hij maakt deel uit van het cluster preventie en werkt onder supervisie van de specialist brandpreventie en/of de medewerker brandpreventie.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Controleren

De controleur brandpreventie controleert het brandveilig gebruik aan de hand van de gebruiksvoorwaarden uit het Gebruiksbesluit en handelt klachten af.

Kerntaak 2:. Rapporteren

De controleur brandpreventie rapporteert na locatiebezoek aan de leidinggevende en de gebruiker. Hij rapporteert klachten aan de leidinggevende.

Kerntaak 3:. Geven van voorlichting

De controleur brandpreventie geeft situatiespecifieke voorlichting over gebruiksvoorwaarden met betrekking tot de brandveiligheid.

Functie: controleur brandpreventie

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Oordelen

Analyseren

Mondeling communiceren

Flexibel

Onafhankelijk

Controleren

1

1

   

1

Rapporteren

   

1

 

1

Geven van voorlichting

   

1

1

 

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de controleur brandpreventie vastgesteld.

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Controleren

Werkzaamheden

  • Controleert het brandveilig gebruik van bouwwerken en inrichtingen.

  • Handelt meldingen en vragen op het gebied van brandveilig gebruik af.

  • Voert zonodig hercontroles uit.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Oordelen (1)

  • Analyseren (1)

  • Onafhankelijk (1)

Beoordelingscriteria

  • Heeft kennis van de geldende regelgeving (Gebruiksbesluit).

  • Voert de controles uit volgens de van toepassing zijnde procedure.

  • Is in staat om zijn werkzaamheden efficiënt te plannen, effectief uit te voeren en tijdig capaciteitsproblemen te signaleren.

  • Gaat respectvol om met gebruikers van het te controleren object.

  • Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.

Kerntaak 2:. Rapporteren

Werkzaamheden

  • Maakt rapportages naar aanleiding van controles.

  • Maakt rapportages als reactie op meldingen en vragen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Mondeling communiceren (1)

  • Onafhankelijk (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed controlerapport op te stellen.

  • Kan ordelijk, verzorgd en systematisch werken.

  • Is in staat om efficiënt te plannen en effectief uit te voeren.

  • Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.

Kerntaak 3:. Geven van voorlichting

Werkzaamheden

  • Geeft voorlichting naar aanleiding van een controle op brandveilig gebruik (situatiespecifiek).

  • Assisteert bij het geven van voorlichting op het gebied van de eigen kerntaak.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Mondeling communiceren (1)

  • Flexibel (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om een korte mondelinge presentatie te verzorgen.

  • Is in staat om doel- en doelgroepgerichte informatie te geven.

  • Is communicatief vaardig.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement h. Functie docent

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub h Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: Docent

Beschrijving van de functie: De docent:

  • 1. verzorgt lessen of lescycli binnen leergangen voor brandweerfuncties tot en met functieniveau MBO. Dat is zijn hoofdwerkomgeving. Hij treedt op als onafhankelijk en objectief beoordelaar. Daarnaast kan hij worden ingezet voor leeractiviteiten binnen vakbekwaam blijven. Pedagogisch-didactisch kan de docent les overstijgend en integraal werken aan de ontwikkeling en het leren van deelnemers en van groepen deelnemers. In vakhoudelijke zin beschikt de docent over kennis en ervaring op het niveau van een leergang of cluster van leergangen. Daarnaast beschikt hij over de aanvullende bevoegdheid om zijn lessen te verzorgen wanneer daar sprake van is (bijvoorbeeld WRM-gecertificeerd voor de opleiding chauffeur).

  • 2. is werkzaam in een regionale werkomgeving (een veiligheidsregio) dan wel in een bovenregionale werkomgeving (een opleidingsinstituut).

  • 3. rapporteert aan degene(n) die verantwoordelijk is (zijn) voor de vakbekwaamheid van het personeel dat werkzaam is bij een veiligheidsregio dan wel bij een opleidingsinstituut. Hij kan een of meerdere instructeurs inzetten voor het uitvoeren van afgebakende lessen of lesonderdelen binnen een leergang. Hiermee kent de docent een coördinerende en begeleidende rol bij een leergang; hij selecteert, instrueert, begeleidt, observeert en evalueert instructeurs bij hun taakuitoefening. Daarnaast kent de docent een adviserende rol; op basis van evaluaties en ervaringen van zichzelf en instructeurs van een leergang adviseert hij de organisatie over mogelijke verbeteringen binnen de leergang. Hij borgt in samenwerking met de trajectbegeleiders en leerwerkplekbegeleiders de aansluiting van het leren bij het opleidingsinstituut en het leren in de praktijk (op de leerwerkplek).

  • 4. moet binnen verschillende culturen/disciplines en op verschillende niveaus kunnen samenwerken.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. didactisch handelen

Voorbereiden, verzorgen en evalueren van activerend onderwijs afgestemd op het naar in werksituaties vereiste gedrag.

Kerntaak 2:. coachen en begeleiden van deelnemers en instructeurs

Coachen en begeleiden van deelnemers in relatie tot studievoortgang, leerproces en leerproblematiek. Coachen en begeleiden van instructeurs bij hun taakuitoefening.

Kerntaak 3:. begeleiden van toetsmomenten

Verzorgen van formatieve toetsen en uitvoeren van toetsmomenten als objectief beoordelaar.

Competentiematrix

Kerntaken

Competenties

 

Analyseren

Innoveren en creativiteit

Oordelen

Resultaatgericht

Flexibel

(taakgericht)

Leiderschap

Inleven

Mondeling communiceren

Leren en reflecteren

     

didactisch handelen

2

2

 

2

2

2

2

2

2

     

coachen en begeleiden van deelnemers en instructeurs

           

2

2

2

     

begeleiden van toetsmomenten

2

 

2

       

2

       

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. didactisch handelen

Voorbereiden, verzorgen en evalueren van activerend onderwijs afgestemd op het naar in werksituaties vereiste gedrag.

Werkzaamheden:

  • Systematisch voorbereiden van het onderwijs volgens de basisprincipes van de didactiek en het vertalen van de vakinhoud naar lesplannen.

  • Verzorgen van activerend onderwijs door het toepassen van onderwijskundige concepten, didactische modellen en (digitale) leermiddelen en -materialen.

  • Creëren van een optimaal leerklimaat waarin geloof in eigen kunnen en positieve relaties binnen de deelnemersgroep kenmerkend zijn.

  • Verzamelen en analyseren van informatie op verschillende evaluatieniveaus om desgewenst het onderwijs (inhoud, opzet en vorm) bij te stellen.

Kerntaak 2:. coachen en begeleiden van deelnemers en instructeurs

Coachen en begeleiden van deelnemers in relatie tot studievoortgang, leerproces en leerproblematiek. Coachen en begeleiden van instructeurs bij hun taakuitoefening.

Werkzaamheden:

  • Sturen en begeleiden van groepsprocessen tijdens de leergang.

  • Coachen van individuele deelnemers in hun leerproces en eventuele leerproblematiek.

  • Coachen en begeleiden van instructeurs bij hun taakuitoefening.

Kerntaak 3:. begeleiden van toetsmomenten

Verzorgen van formatieve toetsen en uitvoeren van toetsmomenten als objectief beoordelaar.

Werkzaamheden:

  • Ontwikkelen, afnemen en beoordelen van formatieve toetsmomenten.

  • Optreden als beoordelaar waarbij aan de hand van beoordelingscriteria een objectieve en onafhankelijke beoordeling voorzien van een schriftelijke en een mondeling beargumenteerde feedback wordt gegeven.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement i. Functie duikploegleider

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub i Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Duikploegleider

Beschrijving van de functie

De duikploegleider geeft leiding aan een duikploeg, die minimaal bestaat uit een brandweerduiker (reddingsduiker), een reserve duiker (veiligheidsduiker) en een assistent duikploeg. De duikploeg werkt volgens vaste procedures samen met de bemanning van een tankautospuit. Bij een oefening werkt de duikploeg in voorkomende gevallen zelfstandig.

   
 

Hij heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het gebied van de operationele specialistische ondersteuning bij waterongevallen. De aard van het waterongeval, bepaalt of de duikploegleider zich concentreert op het duiktechnisch gedeelte of zich bezig houdt met de coördinatie van de duikwerkzaamheden.

   
 

De duikploegleider voert opdrachten uit van de bevelvoerder of de officier van dienst en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, handelt hij – onder verantwoordelijkheid van de bevelvoerder of de officier van dienst – op eigen initiatief.

Hij hanteert de standaardbepakking van de waterongevallenwagen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Uitruk/verkenning

De duikploegleider maakt een inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident en selecteert het van toepassing zijnde scenario. Hij adviseert de bevelvoerder of officier van dienst ten aanzien van de opschaling conform de geldende richtlijnen. De duikploegleider bepaalt de grootte en vorm van het zoekgebied. Hij zorgt er voor dat alle benodigde veiligheidsmaatregelen op de kant genomen worden.

Kerntaak 2:. Inzet

De duikploegleider geeft leiding aan de technische uitvoering van het duiken van een brandweerploeg. Hij communiceert met de reddingsduiker te water of met de seinlijnhouder met behulp van een seinlijn en communicatieapparatuur (spreekverbinding). In een noodsituatie maakt hij de keuze tussen communicatie met de duiker in nood of met de veiligheidsduiker. De duikploegleider organiseert de eerste medische hulp aan een duiker in nood. Hij is duikmedisch begeleider.

In gevallen waarbij acuut gevaar bestaat voor het milieu of voor de scheepvaart mogen objecten worden opgespoord en geborgen. Beslissing hieromtrent wordt door de bevelvoerder en/of officier van dienst in overleg met de waterbeheerder genomen.

Kerntaak 3:. Nazorg

De duikploegleider is verantwoordelijk voor de nazorg van het ingezette personeel, materiaal en materieel. Na afloop van de inzet voert hij een evaluatiegesprek met de ploegleden over de inzet, of een nazorggesprek als het een traumatische ervaring betreft. Hij registreert de noodzakelijke gegevens in zijn duiklogboek en tekent het door de duiker zelf ingevulde persoonlijke logboek af.

Functie: duikploegleider

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Analyseren

Plannen, organiseren en coördineren

Oordelen

Resultaatgericht

Probleem oplossen

Leren en

reflecteren

Daadkracht

Onafhankelijk

Mondeling communiceren

Inleven

Taakgericht leiderschap

Uitruk/verkenning

1

1

1

1

2

2

     

1

2

   

1

Inzet

     

1

1

 

1

2

2

1

1

Nazorg

 

2

     

1

   

2

1

1

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Incident-bestrijding

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Uitruk/Verkenning

Werkzaamheden

  • Verzamelt informatie om het beeld van het incident compleet te maken.

  • Maakt een inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident en selecteert een plan van aanpak.

  • Maakt ter plaatse contact met de bevelvoerder, controleert en stelt zonodig het plan van aanpak bij.

  • Gebruikt bereikbaarheids- en waterkaarten bij de navigatie op de plaats van het incident.

  • Bepaalt de grootte en vorm van het zoekgebied.

  • Zorgt er voor dat alle benodigde veiligheidsmaatregelen op de kant genomen worden, zoals het plaatsen van duikvlaggen.

  • Zorgt voor het plotten en bewaakt de duiktijd.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Analyseren (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Oordelen (2)

  • Daadkracht (1)

  • Onafhankelijk (2)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om de relevante informatie te verzamelen die nodig is om zich een compleet beeld van het incident te vormen.

  • Kan op basis van de verzamelde informatie een plan van aanpak opstellen.

  • Is in staat om informatie helder te communiceren.

  • Kan (in)directe gevaren herkennen.

  • Kan bereikbaarheids- en waterkaarten hanteren.

  • Kan een taak risicoanalyse (TRA) maken.

  • Kent de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Kerntaak 2:. Inzet

Werkzaamheden

  • Geeft leiding aan de technische uitvoering van het duiken van een duikploeg.

  • Kiest de te volgen tactiek voor de duikploeg.

  • Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zonodig bij.

  • Selecteert de van toepassing zijnde inzet- en noodprocedure.

  • Communiceert de geselecteerde inzet- en noodprocedure met de reddingsduiker en/of de veiligheidsduiker.

  • Ziet toe op een juiste toepassing van de inzet- en noodprocedure en breekt de inzet, indien nodig, af.

  • Past de juiste zoekmethode toe.

  • Draagt er zorg voor dat slachtoffer of duiker in nood op een verantwoorde wijze op de kant wordt gebracht.

  • Draagt het slachtoffer over aan de bevelvoerder.

  • Communiceert met de duikers te water of de seinleiderhouder met behulp van een seinlijn en communicatieapparatuur (spreekverbinding).

  • Draagt zorg voor de veiligheid van duikers in overeenstemming met de ARBO-richtlijnen.

  • Houdt zich aan de uitkomsten van de gemaakte TRA.

  • Geeft advies over op- of afschaling.

  • Verleent eerste duikmedische hulp aan een duiker in nood en past zonodig beademing en reanimatie toe of dient zuurstof toe.

  • Informeert zo nodig het duikmedisch centrum.

  • Bewaakt luchtverbruik en de duiktijd van de duiker.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Resultaatgericht (1)

  • Problemen oplossen (1)

  • Daadkracht (1)

  • Onafhankelijk (2)

  • Mondeling communiceren (2)

  • Inleven (1)

  • Taakgericht leiderschap (1)

Beoordelingscriteria

  • Maakt een juiste taakindeling met het beschikbare personeel.

  • Kent de verschillende inzet- en noodprocedures en is in staat om hieruit een keuze te maken.

  • Is in staat om de kwaliteit en voortgang van de werkzaamheden te bewaken.

  • Is in staat om de veiligheid van de duikers te bewaken.

  • Maakt gebruik van de TRA.

  • Is in staat om (in)directe gevaren te herkennen, en daarop te anticiperen.

  • Kan opdrachten van de bevelvoerder interpreteren en uitvoeren.

  • Is in staat om de voor de taak juiste persoonlijke beschermingsmiddelen te laten gebruiken.

  • Kan verschillende zoekmethodes laten toepassen.

  • Kan omgaan met apparatuur voor spreekverbinding.

  • Is in staat om zodanig te handelen dat hijzelf, slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en zijn omgeving niet in gevaar komen.

  • Kan samenwerken met collega-duikploegleden en de bemanning van de tankautospuit.

  • Is in staat om in een stressvolle situatie kalm en overwogen te handelen.

  • Heeft een goede fysieke conditie.

  • Is in staat te beoordelen wanneer opgeschaald moet worden.

  • Is in staat om eerste duikmedisch hulp bij duikongevallen te verlenen.

  • Is in staat om informatie helder te communiceren.

  • Kent de Arbo-voorschriften en past deze toe

Kerntaak 3:. Nazorg

Werkzaamheden

  • Is verantwoordelijk voor de nazorg van het ingezette personeel, materiaal en materieel.

  • Laat de bepakkingmiddelen van het voertuig vervangen en aanvullen.

  • Regelt het afspoelen, reinigen of ontsmetten en het inpakken van ingezet materiaal.

  • Laat de duikers ontsmetten in geval van sterk verontreinigd water.

  • Voert een evaluatiegesprek met de ploegleden over de technische inzet.

  • Voert na een traumatische ervaring onder begeleiding van de bevelvoerder, officier van dienst of het BOT-team een nazorggesprek met de ploegleden.

  • Registreert de noodzakelijke evaluatiegegevens in het duikerslogboek en tekent het logboekvan de duikers af.

  • Draagt er zorg voor dat slachtoffer of duiker in nood op een verantwoorde wijze op de kant wordt gebracht.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Leren en reflecteren (1)

  • Mondeling communiceren (2)

  • Inleven (1)

  • Taakgericht leiderschap (1)

Beoordelingscriteria

  • Kent de procedures die van toepassing zijn bij de nazorg van het ingezette personeel, materieel en materiaal.

  • Is in staat om zelfstandig een evaluatiegesprek over de technische inzet te voeren met de leden van duikploeg.

  • Is in staat om onder begeleiding een nazorggesprek over een traumatische ervaring te voeren met de leden van de duikploeg.

  • Kan evaluatiegegevens in een logboek registreren.

  • Kan een (bijna)ongevallenrapportage maken.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement j. Functie gaspakdrager

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub j Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Gaspakdrager

Beschrijving van de functie

De gaspakdrager verricht werkzaamheden op het gebied van ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen. Dit gebeurt volgens vaste procedures. Hij maakt deel uit van een OGS-peloton (Ongevallen Gevaarlijke Stoffen), dat bestaat uit vier gaspakkenteams (acht manschappen), een inzetleider, een chauffeur, een ontsmettingsteam en een logistiek team. Een gaspakdrager voert opdrachten uit van de inzetleider en ontsmettingsleider en meldt bevindingen altijd aan de inzetleider. Indien omstandigheden dit vragen, handelt hij – onder verantwoordelijkheid van de inzetleider en/of ontsmettingsleider – op eigen initiatief.

De taken behorende tot de functie van Manschap A, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen, evenals het daarvoor vereiste competentieniveau, maken deel uit van de hier beschreven functie.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Uitruk/verkenning

De gaspakdrager maakt op juiste en doeltreffende wijze gebruik van de door de inzetleider (op advies van OVD/AGS) geselecteerde beschermingsmiddelen en controleert deze. Hij voert, op veilige wijze en volgens vaste procedures, een verkenning uit met een collega gaspakdrager. Hij kan op een correcte manier meetapparatuur gebruiken, aflezen en de gegevens interpreteren.

Kerntaak 2:. Inzet

De gaspakdrager redt slachtoffers in diverse situaties en voert stabiliserende, bronbestrijdings- en effectbeperkende werkzaamheden uit. De gaspakdrager kan een noodontsmetting toepassen of hierbij assisteren.

Kerntaak 3:. Nazorg

De gaspakdrager voert de ontsmettingsprocedure uit en draagt zorg voor een zorgvuldige behandeling en registratie van de door hem gebruikte middelen. Na afloop van de inzet neemt hij met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet, en na een traumatische ervaring aan een nazorggesprek.

Functie: Gaspakdrager

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleem oplossen

Resultaatgericht

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Leren en reflecteren

Daadkracht

Mondeling communiceren

Flexibel

Inleven

Uitruk/verkenning

1

1

1

1

1

 

1

 

1

     

Inzet

1

       

1

 

1

 

Nazorg

   

1

 

1

1

1

 

1

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Incidentbestrijding

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Uitruk/Verkenning

Werkzaamheden

  • Controleert en trekt de aangewezen persoonlijke beschermingsmiddelen aan volgens de vaste procedure.

  • Controleert en gebruikt de aangewezen meetapparatuur volgens de vaste procedures.

  • Voert, volgens vaste procedures, een verkenning uit met een collega-gaspakdrager.

    • Stelt de aard en omvang van de lekkage vast.

    • Verricht metingen.

    • Identificeert de stof en kan gevaren voor de eigen inzet en de omgeving inschatten.

    • Schat de mogelijkheden voor een noodstabilisatie en bestrijding in.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Probleem oplossen (1)

  • Resultaat gericht (1)

  • Analyseren (1)

  • Daadkracht (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om de met behulp van de resistentietabel voor de taak geselecteerde persoonlijke beschermingsmiddelen aan te trekken, te controleren en veilig te gebruiken.

  • Is op de hoogte en werkt volgens de van toepassing zijnde inzet-, nood- en communicatieprocedures.

  • Is in staat om een veilige en effectieve verkenning uit te voeren.

  • Is in staat om metingen (explosiegevaar, radiologische, meetbuisjes, meergasmeters) te verrichten.

  • Heeft kennis van (nood)stabilisatie en bestrijdingsmogelijkheden en kan deze toepassen/adviseren aan inzetleider.

  • Beschikt over kennis van etikettering en gevaarsaanduiding.

  • Is in staat om (in)directe gevaren te herkennen (situationeel en gedragsgebonden).

  • Is in staat om een heldere, relevante en juiste omschrijving van de situatie aan de inzetleider te geven.

  • Is in staat om te communiceren met handgebaren.

  • Is in staat om in een stressvolle situatie kalm en overwogen te handelen.

Kerntaak 2:. Inzet

Werkzaamheden

  • Redt slachtoffers in diverse situaties:

    • bevrijdt slachtoffers;

    • vervoert slachtoffers;

    • ontsmet slachtoffers;

    • voorziet slachtoffers van eerste hulp.

  • Voert (nood)stabiliserende, bronbestrijdings- en effectbeperkende werkzaamheden uit.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Probleem oplossen (1)

  • Daadkracht (1)

  • Flexibel (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om zodanig te handelen dat slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en hijzelf niet in gevaar komen.

  • Is in staat om samen te werken met zijn ploegmaat en de overige leden van het OGS-peloton (Ongevallen Gevaarlijke Stoffen)..

  • Kan een triage uitvoeren in het geval van meerdere slachtoffers.

  • Kan kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel.

  • Is op de hoogte van en past de inzet-, nood- en communicatieprocedures op een juiste wijze toe.

  • Kan op een veilige manier een redding uitvoeren.

  • Is in staat om de voor de taak geschikte materialen te selecteren en op een veilige en doeltreffende wijze toe te passen.

  • Is in staat om met beperkte bewegingsvrijheid en zintuiglijke waarnemingen de taak uit te oefenen.

Kerntaak 3:. Nazorg

Werkzaamheden

  • Voert de aangegeven ontsmettingsprocedure uit in opdracht van de ontsmettingsleider.

  • Kan een snelle noodontsmetting bij een collega uitvoeren.

  • Draagt zorg voor een zorgvuldige behandeling van de door hem gebruikte middelen.

  • Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.

  • Neemt, na een traumatische ervaring, met de ploegleden deel aan eennazorggesprek.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Leren en reflecteren (1)

  • Daadkracht (1)

  • Mondeling communiceren (1)

  • Inleven (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om op de juiste wijze een ontsmettingsprocedure uit te voeren en gebruikte middelen te registreren.

  • Weet op welke wijze onnodige verspreiding en besmetting voorkomen wordt.

  • Werkt mee aan een adequate registratie van zijn inzetgegevens in het persoonsdossier.

  • Kan constructief deelnemen aan een groepsproces in een nazorgfase (evaluatie- en/of zorggesprek).

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement k. Functie hoofdofficier van dienst

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub k Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: Hoofdofficier van dienst (HOvD)

Beschrijving van de functie: De hoofdofficier van dienst:

  • 1. kan twee rollen vervullen. Elke rol brengt verschillende verantwoordelijkheden met zich mee en vereist andere competenties. De twee rollen van de HOvD zijn als Taakcommandant Brandweer leiding geven aan brandweereenheden (pelotons) bij de bestrijding ter plaatse van het incident en als Algemeen Commandant Brandweerzorg het hebben, via het actiecentrum Brandweerzorg, van de leiding over de totale brandweerinzet die de bron- en effectbestrijding uitvoert en verantwoordelijk zijn voor het treffen van maatregelen in het effectgebied. Vanaf GRIP 2 neemt de Algemeen Commandant namens de brandweer deel aan het Regionaal Operationeel Team (ROT).

  • 2. werkt in de repressieve dienst van de overheidsbrandweer. Hij voert zijn werkzaamheden, afhankelijk van de rol, in verschillende omgevingen uit. In de rol van Taakcommandant Brandweer geeft de HOvD leiding aan grootschalige monodisciplinaire incidentbestrijding. Als Algemeen Commandant Brandweerzorg geeft de HOvD leiding aan het actiecentrum Brandweerzorg en neemt hij deel aan het ROT.

  • 3. is als Taakcommandant Brandweer de brandweerleiding ter plaatse. Hij kan in de maximaal opgeschaalde situatie de beschikking hebben over diverse Pelotonscommandanten die de eenheden aansturen, een Officier Verbindingen en Informatievoorziening, een Officier Logistiek en aanvullende ondersteuners en specialisten. Als Algemeen Commandant Brandweerzorg is hij de hoogst operationeel leidinggevende van de brandweer bij een incident, geeft hij leiding aan het actiecentrum Brandweerzorg en stuurt hij, afhankelijk van de aard en grootte van het incident, één of meerdere proceshoofden en adviseurs aan.

  • 4. geeft als Taakcommandant Brandweer leiding aan incidenten waarbij meerdere pelotons worden ingezet. Als Algemeen Commandant Brandweerzorg is hij verantwoordelijk voor de totale brandweerinzet en speelt hij in zijn planvorming en planvoorstellen in op de maatschappelijke impact en de politiek-bestuurlijke consequenties en brengt deze in het ROT overleg in (vanaf GRIP 2). De incidenten liggen op het gebied van grootschalige incidentbestrijding en rampenbestrijding. De persoon die aan het kwalificatieprofiel voldoet is direct inzetbaar als HOvD.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. Taakcommandant Brandweer*

De HOvD geeft als Taakcommandant Brandweer leiding aan brandweereenheden (pelotons) bij de bestrijding van het incident ter plaatse. Bij reguliere incidenten, geeft de Taakcommandant (afhankelijk van de situatie) sturing dan wel advies aan de Officier van Dienst (OvD) Brandweer ter plaatse. Bij grootschalige incidenten is de Taakcommandant (als Hoofd van de taakorganisatie Bron- en Emissiebestrijding, Grootschalige Redding of Grootschalige Ontsmetting) verantwoordelijk voor de bestrijding van het incident (in zijn inzetvak). Tevens kan de Taakcommandant plaatsnemen in het Commando Plaats Incident (CoPI).

Kerntaak 2:. Algemeen Commandant Brandweerzorg*

De HOvD geeft als Algemeen Commandant Brandweerzorg leiding aan de totale brandweerinzet die de bron- en effectbestrijding uitvoert. Hij doet dit door leiding te geven aan het actiecentrum Brandweerzorg waarvan de samenstelling op basis van de incidenttypering kan variëren. Hij neemt vanaf GRIP 2 namens de brandweer deel aan het ROT en draagt bij aan het treffen van multidisciplinaire maatregelen in het effectgebied.

  • * Welke rollen de HOvD in de praktijk uitvoert is een aangelegenheid van de organisatie waarin de HOvD werkzaam is en is afhankelijk van de ervaring van de functionaris (mono-multi, beginnend-ervaren).

Competentiematrix

Kerntaken

Competenties

 

Accuraat

Stressbestendig

Samenwerken

Analyseren

Plannen, organiseren en coördineren

Politiek-bestuurlijk inzicht

Mondeling communiceren

Daadkracht

Inleven

Maatschappelijk georiënteerd

   

Taakcommandant Brandweer

3

3

3

3

3

1

2

3

2

2

   

Algemeen Commandant Brandweerzorg

3

3

3

3

3

2

2

3

2

2

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

Leiderschapsprofiel

Het brandweerveld heeft voor alle leiders op operationeel, tactisch en strategisch niveau zes rollen gedefinieerd. Aan de functie HOvD wordt het volgende leiderschapsprofiel toegekend: Tactisch leidinggevende. In supplement hh wordt dit profiel nader uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. Taakcommandant Brandweer

De HOvD geeft als Taakcommandant Brandweer leiding aan brandweereenheden (pelotons) bij de bestrijding van het incident ter plaatse. Bij reguliere incidenten, geeft de Taakcommandant (afhankelijk van de situatie) sturing dan wel advies aan de Officier van Dienst (OvD) Brandweer ter plaatse. Bij grootschalige incidenten is de Taakcommandant (als Hoofd van de taakorganisatie Bron- en Emissiebestrijding, Grootschalige Redding of Grootschalige Ontsmetting) verantwoordelijk voor de bestrijding van het incident (in zijn inzetvak). Tevens kan de Taakcommandant plaatsnemen in het CoPI.

Werkzaamheden:

  • Geeft bij reguliere incidenten (afhankelijk van de situatie) sturing dan wel advies aan de OvD Brandweer ter plaatse van het incident.

  • Maakt een inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het inzetvak en vormt daardoor een correct totaalbeeld van de situatie.

  • Vertaalt de opdracht tijdig naar een inzetplan waarin de ontwikkeling en mogelijke veranderingen van het incident zijn meegenomen.

  • Maakt een inzetplan voor het inzetvak, vertaalt dit naar inzetdoelen en/of inzetvakken van brandweerpelotons.

  • Stuurt de pelotonscommandanten in het inzetvak aan door middel van duidelijke en uitvoerbare bevelen.

  • Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig bij.

  • Vraagt indien nodig om bijstand.

  • Levert een bijdrage aan het multidisciplinaire informatiemanagement.

  • Stemt af met de naastgelegen inzetvakken, rekening houdend met schaarste in beschikbare menskracht en middelen.

  • Bewaakt de samenwerking met de overige disciplines in zijn vak.

  • Kan als functionaris namens de Brandweer plaatsnemen in het CoPI.

  • Evalueert het optreden met het doel hiervan te leren.

  • Draagt zorg voor het acuut waarschuwen van de bevolking.

  • Organiseert nazorg aan het personeel.

  • Neemt maatregelen om de veiligheid van eigen personeel, andere hulpverleningsdiensten, de bevolking en derden optimaal te waarborgen.

Kerntaak 2:. Algemeen Commandant Brandweerzorg

De HOvD geeft als Algemeen Commandant Brandweerzorg leiding aan de totale brandweerinzet die de bron- en effectbestrijding uitvoert. Hij doet dit door leiding te geven aan het actiecentrum Brandweerzorg waarvan de samenstelling op basis van de incidenttypering kan variëren. Hij neemt vanaf GRIP 2 namens de brandweer deel aan het ROT en draagt bij aan het treffen van multidisciplinaire maatregelen in het effectgebied.

Werkzaamheden:

  • Vormt samen met de Algemeen Commandanten van andere disciplines en diensten, de Informatiemanager, de Communicatieadviseur en de Operationeel Leider het ROT en stemt hierin de multidisciplinaire maatregelen in het effectgebied af.

  • Verstrekt gestructureerd, eenduidig en kernachtig informatie en vormt met de deelnemers aan het ROT een gemeenschappelijk beeld van het incident.

  • Geeft in het ROT een advies omtrent de scheiding van bron- en effectgebied na afstemming met de Taakcommandant Brandweer in het CoPI.

  • Treft monodisciplinaire maatregelen (geeft efficiënt en effectief leiding aan de totale brandweerinzet in het bron- en effectgebied).

  • Draagt zorg voor de organisatie en uitvoering van en geeft leiding aan het actiecentrum Brandweerzorg.

  • Levert een bijdrage aan het multidisciplinaire advies aan het Beleidsteam.

  • Informeert en adviseert de brandweeradviseur in het Beleidsteam.

  • Zorgt (eventueel via het Hoofd Informatie (HIN) Brandweer) voor een actueel en geverifieerd monodisciplinair beeld ten behoeve van het multidisciplinaire informatiemanagement.

  • Draagt in afstemming met de Communicatieadviseur ROT, indien nodig, zorg voor het waarschuwen/informeren van de bevolking.

  • Neemt maatregelen om de veiligheid van eigen personeel, andere hulpverleningsdiensten, de bevolking en derden optimaal te waarborgen.

  • Stemt de maatregelen op het gebied van brandweerzorg af met andere overheden en externe partners.

  • Draagt zorg voor de overdracht naar de reguliere organisatie van de incidentgemeente na afschaling.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement l. Functie instructeur

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub l Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: Instructeur

Beschrijving van de functie: De instructeur:

  • 1. verzorgt afgebakende lessen of lesonderdelen binnen leergangen voor brandweerfuncties tot en met functieniveau MBO. Dat is zijn hoofdwerkomgeving. Hij treedt op als onafhankelijk en objectief beoordelaar. Daarnaast kan hij worden ingezet voor leeractiviteiten binnen vakbekwaam blijven. Pedagogisch-didactisch kan de instructeur het leren van complexe kennis en vaardigheden door deelnemers en groepen begeleiden binnen een afgebakende context. In vakinhoudelijke zin beschikt de instructeur over kennis en ervaring op het niveau van een thema zoals brandbestrijding, incidentbestrijding gevaarlijke stoffen of een specialistische functie zoals chauffeur. Daarnaast beschikt hij over aanvullende bevoegdheid om zijn lessen te verzorgen wanneer daar sprake van is (bijvoorbeeld WRM-gecertificeerd voor de opleiding chauffeur).

  • 2. is werkzaam in een regionale werkomgeving (een veiligheidsregio) dan wel in een bovenregionale werkomgeving (een opleidingsinstituut).

  • 3. voert onder verantwoordelijkheid van een docent afgebakende lessen of lesonderdelen uit, aansluitend op zijn eigen vakinhoudelijke expertise. Een instructeur borgt in samenwerking met zijn collega-instructeurs en onder verantwoordelijkheid van de docent, de kwaliteit van (onderdelen van) een leergang. Hij kent in deze een signalerende rol waarin hij evaluatieresultaten en eigen ervaringen die vragen om aanpassingen binnen (onderdelen van) de leergang en/of begeleidingsactiviteiten, aan de docent rapporteert.

  • 4. moet binnen verschillende culturen/disciplines en op verschillende niveaus kunnen samenwerken.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. didactisch handelen*

Voorbereiden, verzorgen en evalueren van activerend onderwijs afgestemd op het naar in werksituaties vereiste gedrag.

Kerntaak 2:. begeleiden van deelnemers in hun leerproces*

Begeleiden van deelnemers bij de uitvoering van leeractiviteiten.

Kerntaak 3:. begeleiden van toetsmomenten*

Verzorgen van formatieve toetsen en uitvoeren van toetsmomenten als objectief beoordelaar.

  • * Welke taken de instructeur in de praktijk uitvoert is afhankelijk van de organisatie en/of afdeling waarin hij werkzaam is en de ervaring van de functionaris (mono-multi, beginnend-ervaren).

Competentiematrix

Kerntaken

Competenties

 

Innoveren en creativiteit

Oordelen

Resultaatgericht

Flexibel

(taakgericht) Leiderschap

Inleven

Mondeling communiceren

Leren en reflecteren

       

didactisch handelen

1

1

1

1

1

1

1

1

       

begeleiden van deelnemers in hun leerproces

         

1

1

1

       

begeleiden van toetsmomenten

 

1

       

1

         

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. didactisch handelen

Voorbereiden, verzorgen en evalueren van activerend onderwijs afgestemd op het naar in werksituaties vereiste gedrag.

Werkzaamheden:

  • Systematisch voorbereiden van het onderwijs aan de hand van een aanwezig lesplan.

  • Verzorgen van activerend onderwijs door het toepassen van onderwijskundige concepten, didactische modellen en (digitale) leermiddelen en -materialen met het lesplan als leidraad.

  • Creëren van een optimaal leerklimaat waarin geloof in eigen kunnen en positieve relaties binnen de deelnemersgroep kenmerkend zijn.

  • Evalueren van de leeractiviteiten met de deelnemers en rapporteren van de bevindingen aan de verantwoordelijke docent.

Kerntaak 2:. begeleiden van deelnemers in hun leerproces

Begeleiden van deelnemers bij de uitvoering van leeractiviteiten.

Werkzaamheden:

  • Sturen en begeleiden van groepsprocessen tijdens de leergang.

  • Geven van feedback aan de deelnemer(s) tijdens de uitvoering van leeractiviteiten.

  • Signaleren en rapporteren van leer- en/of motivatieproblemen aan de verantwoordelijke docent.

Kerntaak 3:. begeleiden van toetsmomenten

Verzorgen van formatieve toetsen en uitvoeren van toetsmomenten als objectief beoordelaar.

Werkzaamheden:

  • Afnemen en beoordelen van formatieve toetsmomenten.

  • Signaleren en rapporteren van geconstateerde hiaten in kennis en/of kunde aan de verantwoordelijke docent/leidinggevende.

  • Optreden als beoordelaar waarbij aan de hand van beoordelingscriteria een objectieve en onafhankelijke beoordeling voorzien van schriftelijke en mondelinge beargumenteerde feedback wordt gegeven.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement m. Functie manager veiligheid

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub m Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Manager veiligheid

Beschrijving van de functie

Met de benaming manager veiligheid doelen we op een leidinggevende die op strategisch niveau werkt. Deze niveauaanduiding betekent dat het accent in zijn 1 werkzaamheden ligt in de ontwikkeling van beleid op de middellange termijn; hij overziet een meerjarencyclus van 4 jaar.

   
 

De manager veiligheid heeft zitting in het managementteam (MT). Door verschillen in korpsgrootte en de mate waarin regionalisering is doorgevoerd kan de setting van het MT verschillen. Het beeld bij de manager veiligheid is dat hij steeds meer zitting zal hebben in het MT van een veiligheidsregio en steeds minder in het MT van een korps of een gemeente.

   
 

Hij rapporteert en legt verantwoording af, direct of indirect, aan de leiding van de regionale brandweerorganisatie.

1 Overal in dit document waar de manager veiligheid in de mannelijke vorm wordt aangeduid, kan nadrukkelijk ook vrouwelijke vorm gelezen worden. Slechts omwille van de leesbaarheid is voor een enkelvoudige (mannelijke) aanduiding gekozen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Initiëren van strategisch beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied en bijdragen aan het strategisch beleid van de organisatie als geheel

De manager veiligheid is lid van het MT. Daarin heeft hij een tweeledige rol. Enerzijds draagt hij bij aan de totstandkoming van strategisch beleid voor de organisatie. Anderzijds heeft hij z’n eigen werkgebied waarvoor hij een meerjarenplan en meerjarenbegroting ontwikkelt als onderdeel van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting van de organisatie. De manager veiligheid draagt daarbij zorg voor het beheren en beheersen van het beleid binnen zijn eigen organisatieonderdeel/werkgebied.

Kerntaak 2:. Prioriteren en implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

De manager veiligheid geeft binnen zijn eigen organisatieonderdeel/werkgebied richting aan de implementatie van het vastgestelde beleid binnen de regionale brandweerorganisatie. Hij treedt hierin sturen en bepalend op. Specifiek geeft hij hierin sturing aan de uitwerking van programma’s.

Kerntaak 3:. Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en de inzet van middelen en situationeel leidinggeven aan zijn organisatieonderdeel/werkgebied

De manager veiligheid is verantwoordelijk voor de personele zorg en de inzet van middelen van het organisatieonderdeel/werkgebied. Dit betreft de uitvoering van de HRM-taken en de inzet van middelen waarvoor de kaders wettelijk of door de eigen organisatie zijn vastgesteld.

Kerntaak 4:. Randvoorwaarden creëren voor en acteren in relevante netwerken

Voor de manager veiligheid is het opbouwen en onderhouden van een netwerk cruciaal. Langs deze weg kan hij tijdig anticiperen op ontwikkelingen en is hij in beeld in zowel de mono- als multidisciplinaire omgeving.

Functie: manager veiligheid

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren/reflecteren

Ondernemen

Visie

Coachen

Leiderschap

Resultaatgericht

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Kosten bewust

Netwerken

Samenwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Politiek-bestuurlijk inzicht

Communiceren

Initiëren van strategisch beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied en bijdragen aan het strategisch beleid van de organisatie als geheel

3

3

2

       

3

   

3

 

3

3

Prioriteren en implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

3

 

3

3

         

3

   

Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en de inzet van middelen en situationeel leidinggeven aan zijn organisatieonderdeel/werkgebied

2

3

       

2

       

3

Randvoorwaarden creëren voor en acteren in relevante netwerken

2

           

3

 

2

2

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Operationele voorbereiding

 

*

 

Incidentbestrijding

 

*

 

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

 

*

 

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt

Kennisgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Informatiemanagement

   

*

Financieel management

   

*

Bestuurskunde (beleidstheorie/publieke organisatie)

   

*

Projectmatig werken

 

*

 

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Initiëren van strategisch beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied en bijdragen aan het strategisch beleid van de organisatie als geheel

Werkzaamheden

  • Signaleren, interpreteren en prioriteren van relevante ontwikkelingen:

    • buiten de brandweer (maatschappelijk, politiek, wetgeving en ketenpartners)

    • binnen de brandweer (personeel en middelen)

    • binnen het eigen organisatieonderdeel (vaktechnisch).

  • Ontwikkelen van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied en zorg dragen voor samenhang in de veiligheidsketen.

  • Afstemmen van eigen beleidsvoorstellen met:

    • MT-leden

    • andere organisatieonderdelen/werkgebieden en

    • relevante externe partijen.

  • Beheren en beheersen van het effect van het (strategisch) beleid.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Analyseren (3)

  • Samenwerken (3)

  • Politiek bestuurlijk inzicht (3)

  • Communiceren (3)

Beoordelingscriteria

  • Kan de relevantie van gesignaleerde ontwikkelingen overtuigend onderbouwen.

  • Anticipeert op mogelijke problemen en meevallers bij het behalen van de resultaten om waar mogelijk achterblijven van doelen te voorkomen.

  • Managementrapportage voldoet aan de interne voorschriften (format, aspecten en omvang)

  • Besluiten tot bijsturing zijn verantwoord onderbouwd.

  • De leiding van de regionale brandweerorganisatie is tevreden over de wijze van rapporteren.

  • Is extern actief en proactief in (brandweer)netwerken.

  • Weet te handelen en te acteren in een netwerk- en procesmatige omgeving.

Kerntaak 2:. Prioriteren en implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

Werkzaamheden

  • Prioriteren van het (strategische) beleid van het eigen organisatieonderdeel/werkgebied in overeenstemming met het algemeen beleid.

  • Vertalen van het meerjarenplan van het eigen organisatieonderdeel/werkgebied naar een concreet jaarplan met deelplannen en programmering, in samenspraak met direct betrokkenen.

  • Begeleiden, motiveren, reflecteren en coachen van de betrokkenen bij het uitwerken van het beoogde beleid en deelplannen.

  • Periodiek laten rapporteren door managers en overige betrokkenen over de voortgang in de implementatie van het vastgestelde beleid.

  • Opstellen van een periodieke managementrapportage, over de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelen en benutting van resources. In deze rapportage worden nadrukkelijk ook de afwijkingen in de implementatie van het beleid benoemd en het effect daarvan op lange termijn.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (3)

  • Leiderschap (3)

  • Resultaatgericht (3)

  • Maatschappelijk georiënteerd (3)

Beoordelingscriteria

  • Deelplannen hebben een rechtstreekse relatie met het algemeen beleid; hun bijdrage aan het algemeen beleid is geëxpliciteerd.

  • De opdrachten (of taakstellingen) aan de tactisch manager zijn SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden) geformuleerd.

  • Motiveert betrokkenen om de opdrachten uit te voeren.

Kerntaak 3:. Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en de inzet van middelen en situationeel leidinggeven aan zijn organisatieonderdeel/werkgebied

Werkzaamheden

  • Leidinggeven aan het overleg van zijn organisatieonderdeel.

  • Situationeel leidinggeven aan managers en overige betrokkenen bij hun taak als leidinggevende.

  • Zorg dragen voor een goede verdeling van de werkeenheden: de juiste competentieontwikkelingen en uitdagingen beleggen bij de juiste medewerkers.

  • Het voeren van gesprekken met medewerkers in het kader van het vastgestelde HRM-beleid (zoals functionerings-, POP- en beoordelingsgesprekken)

  • Beslissen binnen gestelde kaders van de organisatie over werving en selectie, benoeming, ontwikkeling, promotie en ontslag.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor de inzet van middelen (o.a. financiën, ict, huistvesting) voor het optimaal functioneren van de organisatie.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Coachen (3)

  • Kosten bewust (2)

Beoordelingscriteria

  • Zorgt ervoor dat de managers en overige betrokkenen een duidelijk beeld hebben van de verwachtingen van de manager veiligheid ten aanzien van hun functioneren.

  • Draagt zorg voor individuele uitdaging en steun in ontwikkeling aan de managers en overige betrokkenen.

  • Er is sprake van aantoonbare ontwikkeling van managers en overige betrokkenen passend bij de organisatiedoelen.

  • De gesprekken uit de P-cyclus voldoen aan lokaal/regionaal gestelde eisen.

Kerntaak 4:. Randvoorwaarden creëren voor en acteren in relevante netwerken

Werkzaamheden

  • Identificeren van relevante belangen en actoren binnen en buiten de brandweer.

  • Het oprichten van, deelnemen aan en onderhouden van relevante netwerken.

  • Vertalen van belangen en activiteiten van het netwerk naar belangen en activiteiten van de organisatie en vice versa.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Netwerken (3)

  • Maatschappelijk georiënteerd (2)

  • Politiek bestuurlijk inzicht (2)

Beoordelingscriteria

  • Onderhoudt contacten die leiden tot verdieping of verscherping van input voor voorstellen voor brandweer.

  • Verkrijgt medestanders voor voorstellen.

  • Heeft een goed imago bij externe partijen op zowel het mono- als multidisciplinair terrein.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement n. Functie manschap

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub n Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: Manschap

Beschrijving van de functie: De manschap:

  • 1. bestrijdt met een brandweereenheid, onder leiding van een bevelvoerder, het incident. Hij heeft binnen de brandweereenheid een specifieke taak, waarvan de inhoud kan verschillen per soort incident: brand, hulpverlening, gevaarlijke stoffen en waterongevallen. In voorkomende gevallen kan er sprake zijn van dienstverlening. De situatie ter plaatse is bepalend voor de uit te voeren taak. Bij zijn werkzaamheden hanteert de manschap de standaardbepakking van de tankautospuit.

  • 2. werkt in de repressieve dienst van de overheidsbrandweer. Hij voert zijn werkzaamheden voor het grootste deel uit op de plaats van het incident, ongeacht het tijdstip van de dag.

  • 3. voert zijn werkzaamheden onder leiding van een bevelvoerder uit. Hij is zelf of met zijn eenheid verantwoordelijk voor het kiezen van werkzaamheden en bijbehorende middelen die passen bij de opdracht van de bevelvoerder. Bij de incidentbestrijding werkt hij volgens (veiligheids)procedures en werkafspraken.

  • 4. verricht werkzaamheden die variëren en in wisselende en van tevoren niet bekende situaties moeten worden toegepast. Hierbij kan het in beperkte mate nodig zijn van procedures af te wijken en creatief een oplossing te zoeken binnen de gestelde kaders, zonder dat de veiligheid in het geding komt en het beoogde resultaat wordt behaald. Tevens is de manschap verantwoordelijk voor het bijhouden van zijn vakinhoudelijke competenties.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. uitrukken naar het incident*

De manschap rukt uit samen met collega manschap(pen), bevelvoerder en chauffeur in een brandweereenheid1. Hij komt, voor zover mogelijk, voorbereid (persoonlijke bescherming, incidentafhankelijke middelen en een begrepen/bevestigde opdracht) aan bij het incident.

Kerntaak 2:. verkennen van het incident*

De manschap verkent, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, methodisch en veilig het incident. Hij neemt, zo nodig, middelen mee ter ondersteuning. Hij meldt de bevindingen aan de bevelvoerder.

Kerntaak 3:. bestrijden van het incident*

De manschap richt, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, een veilige werkomgeving in. Hij voert de opdracht van de bevelvoerder uit en kiest hierbij zelf de middelen en de werkwijze om dit te realiseren.

Kerntaak 4:. herstellen na het incident*

De manschap ruimt, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, de materialen op. Hij zorgt, teruggekomen op de kazerne, ervoor dat de brandweereenheid weer uitruk gereed is. De manschap werkt mee aan nazorg, evaluatie en eventueel benodigde registratie.

* het incident kan zijn: brand, hulpverlening, gevaarlijke stoffen of waterongevallen. In voorkomende gevallen kan er ook sprake zijn van dienstverlening.

Competentiematrix

Kerntaken

Competenties

 

Accuraat

Stressbestendig

Samenwerken

Probleem oplossen

Innoveren / creativiteit

Arbeidsveiligheid

Daadkracht

Flexibel

Mondeling communiceren

Leren en reflecteren

uitrukken

1

1

1

   

1

1

 

1

 

verkennen

1

1

1

1

1

1

1

 

1

 

bestrijden

1

1

1

1

1

1

1

1

1

 

herstellen

1

1

1

   

1

   

1

1

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. uitrukken naar het incident*

De manschap rukt uit samen met collega manschap(pen), bevelvoerder en chauffeur in een brandweereenheid. Hij komt, voor zover mogelijk, voorbereid (persoonlijke bescherming, incidentafhankelijke middelen en een begrepen/bevestigde opdracht) aan bij het incident.

Werkzaamheden:

  • Kiest zijn persoonlijke beschermingsmiddelen (afhankelijk van de situatie).

  • Kiest middelen voor de verkenning (afhankelijk van de situatie).

  • Zoekt informatie op en deelt deze.

  • Deelt zijn specifieke kennis met de bevelvoerder.

  • Bereidt zich mentaal voor.

Kerntaak 2:. verkennen van het incident*

De manschap verkent, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, methodisch en veilig het incident. Hij neemt, zo nodig, middelen mee ter ondersteuning. Hij meldt de bevindingen aan de bevelvoerder.

Werkzaamheden:

  • Verkent het incident op:

    • risico’s die veiligheid brandweereenheid en slachtoffer(s) kunnen bedreigen.

    • slachtoffers en wat hun toestand is.

    • soort incident, specifieke bijzonderheden en stadium.

    • Uitbreidingsmogelijkheden.

  • Verricht metingen.

  • Geeft bevindingen door aan bevelvoerder en/of eenheid.

  • Voert handelingen uit die geen uitstel dulden.

Kerntaak 3:. bestrijden van het incident*

De manschap richt, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, een veilige werkomgeving in. Hij voert de opdracht van de bevelvoerder uit en kiest hierbij zelf de middelen en de werkwijze om dit te realiseren.

Werkzaamheden:

  • Richt een veilige werkomgeving in:

    • Zet incidentlocatie af.

    • Voert zo nodig metingen uit.

    • Richt het werkgebied in en maakt het benodigde materiaal inzet gereed.

  • Redt slachtoffer(s):

    • Past levensreddende handelingen toe.

    • Stelt het slachtoffer gerust.

    • Brengt het slachtoffer in veiligheid.

    • Redt dieren.

  • Bestrijdt het incident:

    brand:

    • Voert de door de bevelvoerder gekozen tactiek uit.

    • Maakt waterwinning gereed.

    • Past verschillende aflegsystemen toe.

    • Past verschillende (na)blustechnieken toe.

    hulpverlening:

    • Stabiliseert het object/voertuig.

    • Past bevrijdingstechnieken toe met hulpverleningsmateriaal.

    • Bestrijdt de gevolgen van stormschade en/of wateroverlast.

    gevaarlijke stoffen:

    • Neemt beperkende maatregelen m.b.t. het gevaar of de verspreiding van de gevaarlijke stof.

    • Voert ontsmettingsprocedure uit.

    waterongevallen:

    • Traceert het object/slachtoffer a.d.h.v. sporen en m.b.v. omstanders.

    • Ondersteunt het duikteam met hand- en spandiensten.

  • Werkt samen met overige brandweereenheden en andere hulpverleningsdiensten.

  • Voert schade beperkende maatregelen uit.

Kerntaak 4:. herstellen na het incident*

De manschap ruimt, al dan niet samen met leden van zijn eenheid, de materialen op. Hij zorgt, teruggekomen op de kazerne, ervoor dat de brandweereenheid weer uitruk gereed is. De manschap werkt mee aan nazorg, evaluatie en eventueel benodigde registratie.

Werkzaamheden:

  • Ruimt de incidentlocatie op:

    • Ruimt de gebruikte materialen, middelen, uitrusting op en ontsmet/reinigt zo nodig.

    • Laat de incidentlocatie opgeruimd en zo veilig mogelijk achter.

  • Maakt samen met de brandweereenheid het ingezette voertuig weer inzet gereed.

  • Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.

  • Neemt, na een traumatische ervaring, deel aan een nazorgtraject.

  • Werkt mee aan eventueel benodigde registratie.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement o

[Red: Vervallen.]

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement p. Functie medewerker brandpreventie

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub p Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Medewerker brandpreventie

Beschrijving van de functie

De functie Medewerker brandpreventie brengt verschillende verantwoordelijkheden met zich mee. De medewerker brandpreventie:

1. maakt, samen met de specialist brandpreventie en de controleur brandpreventie, onderdeel uit van het cluster brandpreventie. Hierin fungeert de specialist brandpreventie als klankbord;

2. beoordeelt en adviseert op het gebied van brandpreventieve voorzieningen;

3. houdt zich bezig met werkzaamheden op het gebied van toezicht en handhaving;

4. geeft voorlichting en adviseert op het gebied van brandpreventie;

5. signaleert preparatieve en repressieve aandachtspunten.

   
 

Kern van de functie is behandeling van standaard vraagstukken.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Adviseren bij standaard en niet-complexe plantoetsing

De medewerker brandpreventie adviseert bij standaard bouwvergunningen en niet-complexe milieuvergunningen en meldingen. Daarnaast behandelt hij vergunningen op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en Brandbeveiligingsverordening (BBV) in het kader van brandveilig gebruik. Adviseren bij en behandelen van gebruiksmeldingen en gebruiksvergunningen op basis van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken behoren ook tot de werkzaamheden.

Kerntaak 2:. Uitvoeren van inspecties brandpreventie

De medewerker brandpreventie voert (integrale brandveiligheids-) inspecties uit en rapporteert hierover.

Kerntaak 3:. Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

De medewerker brandpreventie onderhoudt contacten met alle partners die van belang zijn voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden.

Kerntaak 4:. Geven van voorlichting over brandpreventie

De medewerker brandpreventie geeft voorlichting over zijn werkzaamheden aan diverse doelgroepen, zorgt voor informatieoverdracht aan de repressieve dienst en werkt mee aan voorlichtingscampagnes.

Functie: medewerker brandpreventie

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

analyseren

oordelen

accuraat

flexibel

mondeling communiceren

onafhankelijk

samenwerken

Adviseren bij standaard en eenvoudige plantoetsing

1

1

1

   

1

1

Uitvoeren van inspecties brandpreventie

1

1

1

1

1

1

 

Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

           

1

Geven van voorlichting over brandpreventie

       

1

   

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de medewerker brandpreventie vastgesteld.

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Adviseren bij standaard en niet-complexe plantoetsing

Werkzaamheden

Bouw- en milieuvergunningen en meldingen

  • Neemt deel aan vooroverleg met internen (collega’s) en externen (o.a. afdeling Bouwtoezicht, afdeling Milieu en aanvrager c.q. diens gemachtigde).

  • Toetst het onderdeel brandveiligheid van de aanvraag op ontvankelijkheid.

  • Toetst standaardvergunningen (waarbij geen gelijkwaardigheid is toegepast) en stelt (bij milieuvergunningen en meldingen) indien nodig aanvullende eisen en/of voorwaarden op met betrekking tot:

  • - bouwkundige voorzieningen;

  • - installatietechnische voorzieningen (goedkeuring Programma van Eisen (PvE) e.d. (ook voor bouwplantoetsing)).

  • Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

Vergunningen op basis van APV en BBV in het kader van het brandveilig gebruik

  • Neemt deel aan vooroverleg met internen (collega’s) en externen (o.a. afdeling Bouwtoezicht, afdeling Milieu en aanvrager c.q. diens gemachtigde).

  • Beoordeelt het onderdeel brandveiligheid van de aanvraag op ontvankelijkheid.

  • Beoordeelt de aanvraag inhoudelijk en stelt indien nodig aanvullende eisen en voorwaarden op.

  • Toetst het object aan de hand van tekeningen, eventueel ter plaatse.

  • Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

Gebruiksmeldingen en gebruiksvergunningen op basis van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken

  • Neemt indien nodig deel aan vooroverleg met internen (collega’s) en externen (o.a. afdeling Bouwtoezicht, afdeling Milieu en aanvrager c.q. diens gemachtigde).

  • Beoordeelt de melding of de aanvraag gebruiksvergunning en stelt eventueel nadere voorwaarden.

  • Beoordeelt de organisatorische voorzieningen (bijv. ontruimingsplan).

  • Toetst het object aan de hand van tekeningen, eventueel ter plaatse.

  • Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (1)

  • Accuraat (1)

  • Onafhankelijk (1)

  • Samenwerken (1)

Beoordelingscriteria

  • Past de regelgeving en de achtergronden correct toe.

  • Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed schriftelijk advies voor de milieuvergunning of voor de bouwaanvraag op te stellen. Inhoudelijke kwaliteit wil zeggen dat het advies:

    • voldoet aan de regelgeving en achtergronden hiervan;

    • (t.a.v. de milieuvergunning) handhaafbaar is;

    • realistisch is.

  • Heeft overtuigingskracht d.w.z. dat hij zijn advies krachtig naar voren kan brengen zodat anderen ervoor gewonnen worden.

  • Weegt de belangen van betrokkenen.

  • Bereikt de doelen van het (voor)overleg: voor de andere partij is duidelijk wat er van hem verwacht wordt en wat hij terug kan verwachten.

  • Kan tekeningen lezen.

  • Heeft basiskennis op het gebied van installatietechniek.

  • Heeft een professionele beroepshouding.

Kerntaak 2:. Uitvoeren van inspecties brandpreventie

Werkzaamheden

  • Neemt dossier door, en vult het aan waar nodig.

  • Voert op locatie een (integrale brandveiligheids-)inspectie uit (aan de hand van een checklist): tijdens de bouw, periodiek tijdens het gebruik en n.a.v. klachten.

  • Geeft bij een inspectie, in samenwerking met andere inspectie-instellingen, op onderdelen een (schriftelijk) oordeel aan de vergunningverlener.

  • Neemt passende maatregelen bij direct levensbedreigende situaties.

  • Stelt inspectie-/controlerapport op voor de eigen organisatie (dossiervorming).

  • Voert (zo nodig) herinspectie uit.

  • Signaleert repressieve aandachtspunten en communiceert deze met de betreffende afdeling.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (1)

  • Accuraat (1)

  • Flexibel (1)

  • Mondeling communiceren (1)

  • Onafhankelijk (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed inspectierapport op te stellen. Inhoudelijke kwaliteit wil zeggen dat duidelijk is:

    • wat geïnspecteerd is en met welk doel;

    • welke criteria daarbij gehanteerd zijn;

    • wat de bevindingen zijn;

    • welke eventuele vervolgactiviteiten voortvloeien uit de bevindingen.

  • Is in staat om te bepalen of repressief (veilig) optreden mogelijk is.

  • Houdt rekening met het gedrag van constructies en materialen bij brand.

  • Voert de inspectie correct uit: de inspectielijst is volledig en afgewerkt.

  • Gaat respectvol om met gebruikers van het te inspecteren object.

  • Heeft overtuigingskracht in woord en geschrift.

  • Is zowel mondeling als schriftelijk communicatief vaardig.

  • Heeft een professionele beroepshouding.

Kerntaak 3:. Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

Werkzaamheden

  • Draagt informatie over aan collega’s van o.a. de afdelingen Proactie, Preparatie en Repressie en de gemeentelijke afdelingen.

  • Beoordeelt preventieve informatie op aanvalsplannen en bereikbaarheidskaarten.

  • Onderhoudt contacten met private relaties en publieke (vergunnings-) partners.

  • Neemt deel aan overlegvormen binnen de eigen organisatie.

  • Neemt deel aan project- en werkgroepen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Samenwerken (1)

Beoordelingscriteria

  • Gebruikt zijn netwerk op het moment dat hij het nodig heeft.

  • Weet waar en bij wie hij welke kennis kan halen.

  • Heeft basiskennis van die preparatieve en repressieve activiteiten van de brandweer, die van belang zijn voor zijn vakgebied.

  • Heeft een professionele beroepshouding.

Kerntaak 4:. Geven van voorlichting over brandpreventie

Werkzaamheden

  • Geeft voorlichting m.b.t. brandveiligheidsaspecten:

    • aan klanten over vergunningen en ontruimingsplannen;

    • aan betrokkenen na een incident;

    • aan doelgroepen (zorginstellingen, horeca, scholen etc.);

    • aan (in)directe collega’s binnen de brandweer.

  • Heeft informatieoverdracht over brandpreventieve zaken t.b.v. de repressieve dienst.

  • Werkt mee aan voorlichtingscampagnes.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat informatie te geven die doel- en doelgroepgericht is.

  • Is in staat de informatie over te dragen overeenkomstig de voorwaarde van een goede presentatie.

  • Heeft het analytisch vermogen om tot een keuze te komen.

  • Heeft een professionele beroepshouding.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement q. Functie medewerker operationele voorbereiding

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub q Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Medewerker operationele voorbereiding

Beschrijving van de functie

De medewerker operationele voorbereiding werkt op een afdeling die zich bezighoudt met preparatie en voert daar (mono- en multidisciplinaire) werkzaamheden uit die nodig zijn om de repressieve dienst en de multidisciplinaire voorzieningen zo effectief en efficiënt mogelijk te laten functioneren. Afhankelijk van de invulling van de functie binnen het korps voert de medewerker operationele voorbereiding werkzaamheden op een of meer van de volgende gebieden uit:

• planvorming;

• materieelbeheer (onderhoud, vervanging en verbetering);

• opleiden en oefenen.

2.1. Kerntaken

Planvorming

Kerntaak 1:. Verlenen van logistieke ondersteuning

De medewerker operationele voorbereiding draagt er zorg voor dat de benodigde middelen op het juiste moment op de juiste plaats zijn zodat de repressieve taak goed uitgevoerd kan worden.

Kerntaak 2:. Leveren van informatie voor de operationele dienst

De medewerker operationele voorbereiding draagt zorg voor de controle van bluswatervoorzieningen (o.a. brandkranen), zoekt en verstrekt informatie aan de repressieve dienst over actuele wijzigingen in de infrastructuur in het verzorgingsgebied (bijvoorbeeld in de vorm van bereikbaarheid- en aanvalskaarten) en zoekt en verstrekt informatie aan de repressieve dienst over objecten, zoals de bereikbaarheid van veiligheidsvoorzieningen in objecten.

Materieelbeheer

Kerntaak 3:. Uitvoeren van taken op het gebied van materieel beheer

De medewerker operationele voorbereiding zorgt voor onderhoud van materieel en materiaal. Hij2adviseert zijn leidinggevende over nieuw aan te schaffen materieel en materiaal en geeft input voor beleid op het gebied van materieelbeheer. Hij verzorgt instructie over het gebruik van materieel en materiaal.

Functie: Medewerker operationele voorbereiding

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Innoveren/creativiteit

Problemen oplossen

Plannen, organiseren en coördineren

Flexibel

Daadkracht

Mondeling communiceren

Verlenen van logistieke

           

ondersteuning

   

1

1

1

 

Leveren van informatie voor de operationele dienst

1

 

1

   

1

Uitvoeren van taken op het gebied van onderhoud en aanschaf

1

1

 

1

 

1

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de medewerker operationele voorbereiding vastgesteld.

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Verlenen van logistieke ondersteuning

Werkzaamheden

  • Stelt een logistiek verzorgingsplan op voor langdurig en grootschalig brandweeroptreden.

  • Draagt er zorg voor dat de benodigde middelen op het juiste moment op de juiste plaats zijn zodat de repressieve taak goed uitgevoerd kan worden.

  • Zorgt dat de voorraden ten behoeve van de repressieve dienst op orde zijn.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Flexibel (1)

  • Daadkracht (1)

Beoordelingscriteria

  • Kan planmatig en projectmatig werken.

  • Is in staat om flexibel te handelen en in te spelen op onmiddellijke behoeften.

  • Is in staat om er voor te zorgen dat de voorraden van de repressieve dienst op orde zijn.

  • Heeft kennis van de activiteiten van de brandweer die van belang zijn voor de logistieke ondersteuning van de repressieve dienst.

  • Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.

  • Kent het netwerk van interne en externe partners.

  • Heeft kennis van de brandweerorganisatie en de multidisciplinaire partners.

Kerntaak 2:. Leveren van informatie voor de operationele dienst

Werkzaamheden

  • Draagt zorg voor de controle van bluswatervoorzieningen (o.a. brandkranen).

  • Zoekt en verstrekt informatie aan de repressieve dienst over actuele wijzigingen in de infrastructuur in het verzorgingsgebied (bijvoorbeeld in de vorm van bereikbaarheid- en aanvalskaarten).

  • Zoekt en verstrekt informatie aan de repressieve dienst over objecten, zoals de bereikbaarheid van veiligheidsvoorzieningen in objecten.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Innoveren/creativiteit (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om de informatie te verzamelen die nodig is om de repressieve taak uit te voeren.

  • Kan op accurate wijze deze informatie verspreiden.

  • Is in staat om in samenwerking met de repressieve dienst plannen, procedures en instructies te ontwikkelen, te implementeren en te evalueren.

  • Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.

  • Beschikt over overtuigingskracht.

  • Kan planmatig werken.

  • Is in staat om flexibel te handelen.

  • Heeft kennis van de activiteiten van de brandweer die van belang zijn voor de repressieve dienst.

  • Heeft kennis van relevante ontwikkelingen in het verzorgingsgebied.

  • Is bekend met het netwerk van interne en externe partners.

  • Heeft kennis van de brandweerorganisatie en de multidisciplinaire partners.

Kerntaak 3:. Uitvoeren van taken op het gebied van materieel beheer

Werkzaamheden

  • Draagt zorg voor onderhoud van materieel en materiaal.

  • Adviseert aan zijn leidinggevende over nieuw aan te schaffen materieel en materiaal.

  • Adviseert aan zijn leidinggevende over het beleid op het gebied van materieel beheer.

  • Draagt zorg voor gebruiksinstructie ten aanzien van materieel en materiaal.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Innoveren/creativiteit (1)

  • Problemen oplossen (1)

  • Flexibel (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Beschikt over relevante technische kennis en kan deze zonodig toepassen.

  • Is in staat om te bepalen aan welke eisen nieuw aan te schaffen materieel of materiaal moet voldoen.

  • Is op de hoogte van relevante ontwikkelingen en eisen op het gebied van arbeidsveiligheid.

  • Is op de hoogte van de relevante ontwikkelingen binnen het vakgebied t.a.v. materieel, materiaal en onderhoud.

  • Kan op een accurate wijze de gebruikersinformatie overdragen.

  • Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.

  • Kan planmatig en projectmatig werken.

  • Is in staat om flexibel te handelen.

  • Heeft kennis van de organisatie en activiteiten van de brandweer.

  • Heeft kennis van relevante ontwikkelingen in het verzorgingsgebied.

  • Is bekend met het netwerk van interne en externe partners.

  • In staat om te gaan met tegenstrijdige belangen.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement r. Functie medewerker opleiden en oefenen

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub r Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Medewerker opleiden en oefenen

Beschrijving van de functie

De medewerker opleiden en oefenen is werkzaam op een afdeling die zich bezig houdt met voorbereiding. Hij draagt bij aan het opstellen, beheren en uitvoeren van het regionaal en/of gemeentelijk opleidings- en oefenbeleidsplan, zowel multi- als monodisciplinair. De medewerker opleiden en oefenen voert werkzaamheden uit op volgende gebieden:

• Het mede ontwikkelen van opleidings- en oefenbeleid en -trajecten (incl. bijscholing).

• Het organiseren van (grootschalige) opleidings- en oefentrajecten.

• De kwaliteitsbewaking van opleidings- en oefentrajecten.

   
 

Afhankelijk van de invulling van de functie binnen het korps, het district of de regio verricht de medewerker opleiden en oefenen werkzaamheden op een of meer van deze gebieden. Dat betekent dat niet alle werkzaamheden bij de kerntaken uit dit kwalificatieprofiel van toepassing hoeven te zijn.

   
 

De functie maakt deel uit van het cluster opleiden en oefenen (samen met de specialist opleiden en oefenen, de oefencoördinator, de docent en de instructeur). De medewerker opleiden en oefenen rapporteert aan de specialist opleiden en oefenen of aan het hoofd opleiden en oefenen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Draagt bij aan het ontwikkelen van beleid op het gebied van opleiden en oefenen

De medewerker opleiden en oefenen levert een inhoudelijke bijdrage aan het opstellen van het (meerjaren)beleid op het gebied van opleiden en oefenen en het regionaal of gemeentelijk jaarplan voor opleiden en oefenen. Hij draagt voor zijn eigen bijdrage zorg voor de afstemming van het meerjarenbeleid met opleidings- en oefenplannen van andere diensten en de behoefte van de werkomgeving (de eigen organisatie en die van de partners).

Kerntaak 2:. Coördineert de uitvoering van beleid

De medewerker opleiden en oefenen vertaalt het vastgestelde beleid in (regionale) opleidings- en oefentrajecten en draagt in overleg met het regionaal opleidingsinstituut en het regionaal oefenbureau zorg voor de uitvoering ervan.

Kerntaak 3:. Kwaliteitsbewaking

De medewerker opleiden en oefenen bewaakt de kwaliteit van de uitvoering van de opleidings- en oefentrajecten. Hij verzamelt evaluatiegegevens en vertaalt deze naar voorstellen voor mogelijke aanpassingen van beleid. De medewerker opleiden en oefenen is verantwoordelijk voor de registratie van relevante opleidings- en oefengegevens dan wel de organisatie daarvan.

Functie: medewerker opleiden en oefenen

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Leren en reflecteren

Plannen, organiseren en coördineren

Resultaatgericht

Flexibel

Daadkracht

Mondeling communiceren

Samenwerken

Bijdragen aan beleidsontwikkeling

1

1

     

1

1

Coördineert de uitvoering van beleid

1

2

1

1

1

1

2

Kwaliteitsbewaking

1

1

   

1

 

1

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de medewerker opleiden en oefenen vastgesteld.

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Draagt bij aan het ontwikkelen van beleid op het gebied van opleiden en oefenen

Werkzaamheden

De medewerker opleiden en oefenen:

  • Levert een inhoudelijke bijdrage aan het opstellen van regionaal en/of gemeentelijk beleid voor opleiden en oefenen en maakt daarbij gebruik van regionale en landelijke richtlijnen.

  • Stelt op basis van evaluaties verbetervoorstellen op en draagt bij aan de vertaling naar en implementatie van nieuw beleid aangaande de inhoud en organisatie van toekomstige opleidings- en oefenactiviteiten.

  • Stemt samen met betrokkenen het (concept) meerjarig opleidings- en oefenbeleid af op vergelijkbare opleidings- en oefenplannen van andere diensten en op de behoefte van de werkomgeving (de eigen organisatie en die van de partners).

  • Inventariseert de bestaande en toekomstige vraag van de eigen organisatie en die van de partners op het gebied van opleiden en oefenen.

  • Zorgt voor een structuur om het opleidings- en oefenbeleid te implementeren.

  • Adviseert de specialist opleiden en oefenen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Mondeling communiceren (1)

  • Samenwerken (1)

Beoordelingscriteria

  • Heeft kennis en kunde van de personen, functies, netwerken, overlegstructuren en processen in de eigen organisatie en die van de partners.

  • Is in staat om beleidsinformatie aan te leveren die onderbouwd, relevant en duidelijk is.

  • Is in staat om verbetervoorstellen te vertalen naar de praktijk.

  • Heeft kennis van regionale en landelijke richtlijnen op het gebied van opleiden en oefenen.

  • Is in staat om de behoefte aan opleiden en oefenen te inventariseren.

  • Is een volwaardig (inhoudelijk) gesprekspartner voor alle betrokkenen o.a. doordat hij zich kan inleven in de belangen van deze betrokkenen.

Kerntaak 2:. Coördineert de uitvoering van beleid

Werkzaamheden

De medewerker opleiden en oefenen:

  • Stelt samen met andere betrokkenen het opleidings- en oefenjaarplan op.

  • Ontwikkelt en organiseert samen met andere betrokkenen opleidings- en oefentrajecten.

  • Vervult een rol bij de uitvoering van opleidings- en oefentrajecten in zowel mono- als multidisciplinaire contexten.

  • Coördineert de inzet van de functionarissen die betrokken zijn bij opleidings- en oefentrajecten.

  • Communiceert het opleidings- en oefentraject naar alle direct bij opleiden en/of oefenen betrokken functionarissen.

  • Regelt opleidings- en oefenfaciliteiten.

  • Stelt zonodig een begroting op voor een kleinschalige opleiding of oefening.

  • Draagt zorg voor de registratie van opleidingen en/of oefeningen of de organisatie daarvan.

  • Organiseert (tussentijdse) toetsen, examens en beoordelingsmomenten.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Resultaatgericht (1)

  • Flexibel (1)

  • Daadkracht (1)

  • Mondelinge communicatie (1)

  • Samenwerken (2)

Beoordelingscriteria

  • Kan een jaarplan opstellen volgens regionale richtlijnen.

  • Kan in mono- en multidisciplinair verband (een bij-)scholing en/of oefening organiseren.

  • Heeft kennis van de personen, functies, netwerken, overlegstructuren en processen in het werkgebied (de eigen organisatie en die van de partners).

  • Is in staat om een begroting voor kleinschalige opleidingen of oefeningen op te stellen.

  • Is in staat om opleidingen en oefeningen te registreren en deze registraties te raadplegen.

  • Heeft kennis van de relevante reglementen en richtlijnen voor opleiden, examineren en oefenen.

Kerntaak 3:. Kwaliteitsbewaking

Werkzaamheden

  • Monitort de kwaliteit van de uitvoering van een mono- of multidisciplinaire opleiding of oefening.

  • Ontwikkelt en organiseert samen met andere betrokkenen het evaluatietraject voor een mono- of multidisciplinaire opleiding of oefening.

  • Verzamelt en verwerkt relevante (evaluatie)gegevens en maakt daarbij gebruik van de beschikbare middelen.

  • Rapporteert de resultaten van de evaluatie.

  • Vertaalt evaluatiegegevens naar verbetervoorstellen voor het beleid en/of de uitvoering.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Daadkracht (1)

  • Samenwerken (1)

Beoordelingscriteria

  • Kan, zowel in een mono- als multidisciplinaire context, de kwaliteit van een (bij)scholing- en/of oefentraject bewaken.

  • Is in staat een mondelinge of schriftelijke evaluatie (mede) te ontwikkelen en uit te voeren.

  • Kan het belang van evalueren omschrijven.

  • Is in staat om (evaluatie)gegevens te verzamelen en te verwerken.

  • Is in staat om de uitkomsten van een evaluatie te analyseren en te verwerken in een rapportage.

  • Is in staat om de evaluatiegegevens te vertalen naar concrete verbetervoorstellen voor beleid en/of uitvoering.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement s. Functie meetplanleider

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub s Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Meetplanleider (MPL)

Beschrijving van de functie

Evenals de Adviseur Gevaarlijke Stoffen (AGS) is de MPL een specialist op het gebied van gevaarlijke stoffen. De MPL wordt ingezet in het effectgebied als dit volgens de ‘inzetprocedure gevaarlijke stoffen’ of andere relevante procedures gewenst is. Meestal wordt de MPL ingezet vanaf GRIP2 of wanneer de leidinggevende om zijn inzet verzoekt.

   
 

De MPL zorgt voor het aansturen en coördineren van de meetploegen die in het effectgebied metingen moeten verrichten. Hij ¹ interpreteert en analyseert de aan hem doorgegeven waarnemings- en meetresultaten. Aan de hand van gegevens uit het incident is de MPL in staat om een inschatting te maken van de grootte van het effectgebied en de daarbij horende risico’s voor de bevolking in dat effectgebied. Op grond van zijn bevindingen adviseert hij het hoofd stafsectie brandweer en de AGS over de te nemen noodzakelijke maatregelen.

   
 

De MPL werkt nauw samen met de AGS voor wat betreft informatie-uitwisseling. Als hulpmiddelen maakt de MPL gebruik van naslagwerken, mallen, plotgegevens en OGS-software. De MPL treedt op als backoffice ten behoeve van de AGS. Bij meer complexe incidenten zal een (tweede) AGS optreden als adviseur van het OT en/of als intermediair tussen lokaal commando, externe deskundigheid en bestuur voor informatie gerelateerd aan gevaarlijke stoffen.

¹ Overal waar in deze bijlage ‘hij’ wordt geduid kan ook ‘zij’ worden gelezen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Analyseren en beoordelen van effecten van incidenten

Op basis van de gegevens die de MPL van de AGS en de meetploegen krijgt, analyseert en beoordeelt de MPL de mogelijke gevolgen van een incident voor de omgeving. Analytisch vermogen is hierbij van belang.

Kerntaak 2:. Vormen advies

Op basis van de beschikbare gegevens vormt de MPL adviezen over de maatregelen in het effectgebied. Hierbij houdt hij rekening met mogelijke ontwikkelingen van het incident, de operationele mogelijkheden en houdt hij rekening met de multidisciplinaire belangen van betrokkenen. Dit doet hij in nauwe samenwerking met de GAGS.

Kerntaak 3:. Optreden als MPL (overdragen advies en samenwerken met betrokken partijen) bij incidenten met gevaarlijke stoffen

Onder turbulente omstandigheden verifieert de MPL de inschatting van het effectgebied door het leiden van de meetplanorganisatie. De MPL brengt een gefundeerd en toepasbaar advies uit op basis van kerntaak 1 en 2. Flexibiliteit, werken onder tijdsdruk, omgaan met keuzes en dilemma’s, rekening houden met betrokken partijen en afstemming met de AGS spelen een belangrijke rol. Communicatie en informatie zijn hierbij van groot belang.

Functie: meetplanleider

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Analyseren

Plannen, organiseren en coördineren

Accuraat

Oordelen

Daadkracht

Inleven

Communiceren

Samenwerken

Analyseren en beoordelen van effecten van incidenten

2

 

3

3

3

3

2

3

Vormen van advies

2

         

2

 

Optreden als MPL bij incidenten met gevaarlijke stoffen

 

2

3

     

2

3

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Incidentbestrijding

 

*

 

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Analyseren en beoordelen van effecten van incidenten

Werkzaamheden

Op basis van de gegevens die de MPL van de AGS en de meetploegen krijgt, analyseert en beoordeelt de MPL de mogelijke gevolgen van een incident voor de omgeving. Analytisch vermogen is hierbij van belang.

Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Verzamelt informatie bij verschillende bronnen:

    • over incident: bij meldkamer/alarmcentrale en AGS

    • actief raadplegen (externe) informatiebronnen

    • volgen incidentontwikkeling (incl. bestrijding).

  • Stelt, aan de hand van de gegevens over het incident, een meet- en of verkenningsstrategie op.

  • Maakt een analyse van de:

    • grootte van het effectgebied

    • de indeling in hot-warm-cold zone

    • mogelijke risico’s voor de bevolking in het effectgebied op basis van interventiewaarden in samenwerking met de GAGS

    • de noodzaak om meetploegen in te zetten

    • acute noodzaak voor alarmering van de bevolking op basis van eerste informatie.

  • Interpreteert meet- en verkennings gegevens en trekt hieruit conclusies over:

    • de verspreiding van gevaarlijke stoffen

    • het al dan niet bijstellen van de indeling in hot-warm-cold zone

    • de noodzaak van het treffen van maatregelen voor de bevolking in de hot-warm-cold zone.

  • Denkt vooruit in het incident, houdt rekening met scenario-ontwikkeling en het tijdspad.

Vraagt indien nodig een second opinion aan.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren MPL

  • Analyseren (2)

  • Accuraat (3)

  • Oordelen (3)

  • Daadkracht (3)

  • Inleven (3)

  • Communiceren (2)

  • Samenwerken (3)

Beoordelingscriteria

  • Eigen tempo aansluiten op tempo incident, vooruit denken in incident, proactief.

  • Kwaliteit/relevantie van de wijze van analyse.

  • Kunnen analyseren van meetresultaten

  • Kunnen en durven bijstellen van de meetstrategie en het advies.

  • Analytisch vermogen op afstand.

Kerntaak 2:. Vormen advies

Werkzaamheden

Op basis van de beschikbare gegevens vormt de MPL adviezen over de maatregelen in het effectgebied. Hierbij houdt hij rekening met mogelijke ontwikkelingen van het incident, de operationele mogelijkheden en houdt hij rekening met de multidisciplinaire belangen van betrokkenen. Dit doet hij in nauwe samenwerking met de AGS.

Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Vormt een advies over:

    • de mogelijke concentratiecontouren voor de verschillende interventiewaarden en de vertaling daarvan in de hot-warm-cold zone

    • te nemen maatregelen ten bate van de bescherming van hulpverleners (multidisciplinair) en de bevolking gerelateerd aan de hot-warm-cold zone

    • te nemen maatregelen ter beperking van schade in het effectgebied

    • gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen in het effectgebied

    • waarschuwen/alarmeren van de omgeving bij acuut gezondheidsgevaar (bij concentraties > LBW/AGW)

    • andere, voor de bestrijding van het incident noodzakelijke, informatie.

  • Vertaalt zijn bevindingen naar een gemotiveerd advies in de vorm van een plot met voorgestelde maatregelen voor het hoofd stafsectie brandweer en de (tweede) AGS.

    Stelt, bijvoorbeeld op basis van ontwikkelingen of second opion, het advies bij.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren MPL

  • Analyseren (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Structureren, prioriteiten stellen.

  • Adviezen zijn inhoudelijk correct en overzichtelijk.

  • Adviezen zijn geloofwaardig (op maat/proportionaliteit), kort en krachtig en passend bij het tijdspad van het incident.

Kerntaak 3:. Optreden als MPL (overdragen advies en samenwerken met betrokken partijen) bij incidenten met gevaarlijke stoffen

Werkzaamheden

Onder turbulente omstandigheden verifieert de MPL de inschatting van het effectgebied door het leiden van de meetplanorganisatie. De MPL brengt een gefundeerd en toepasbaar advies uit op basis van kerntaak 1 en 2. Flexibiliteit, werken onder tijdsdruk, omgaan met keuzes en dilemma’s, rekening houden met betrokken partijen en afstemming met de AGS spelen een belangrijke rol. Communicatie en informatie zijn hierbij van groot belang.

Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Bij acute noodzaak voor alarmering van de bevolking op basis van eerste informatie:

    • informeert de verantwoordelijk functionaris voor het activeren van de procedure voor het waarschuwen van de bevolking

    • bepaalt en controleert de geactiveerde sirenes

    • controleert of bijbehorende procedures, zoals voorlichting en opschaling, uitgevoerd worden.

  • Geeft uitvoering aan de meetstrategie en stemt deze af met de AGS; stelt deze zonodig bij op basis van meetresultaten.

  • Stuurt meetploegen aan:

    • bepaalt locatie meetpunten

    • bepaalt de meetmethode

    • bepaalt het noodzakelijke beschermingsniveau van de meetploegen

    • geeft duidelijke opdrachten aan de meetploegen.

  • Werkt samen met:

    • AGS (in brongebied of adviseur OT, second opinion)

    • centralist (informatie en aansturen meetploegen)

    • hoofd stafsectie brandweer

    • andere hulpdiensten.

  • Volgt het incident- en bestrijdingsverloop ten behoeve van kerntaak 1.

Informeert en draagt advies voortvloeiend uit kerntaak 2 over aan hoofd stafsectie brandweer en AGS.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren MPL

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Accuraat (3)

  • Communiceren (2)

  • Samenwerken (3)

Beoordelingscriteria

  • Eigen tempo aansluiten op tempo incident, vooruit denken in incident, proactief.

  • Effectief blijven functioneren onder turbulente omstandigheden en grote druk.

  • Op een daadkrachtige en veilige wijze aansturing geven aan meetploegen.

  • Werkwijze en advies motiveren (met vakinhoudelijke argumenten) en uitleggen, uitvoerbaarheid bespreken, communiceren en informeren.

  • Gevraagd en ongevraagd adviseren.

  • Daadkrachtig en zelfverzekerd maar flexibel.

  • Rekening houden met betrokken partijen, met oog voor de verschillende belangen (ook multidisciplinair).

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement t. Functie oefencoördinator

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub t Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Oefencoördinator

Beschrijving van de functie

De oefencoördinator:

1. maakt deel uit van het vakgebied opleiden en oefenen en werkt samen met de Specialist opleiden en oefenen, de medewerker opleiden en oefenen, de instructeur en de oefenleider;

2. opereert hoofdzakelijk monodisciplinair;

3. implementeert het oefenbeleid door het te vertalen in een oefenprogramma;

4. is verantwoordelijk voor de uitvoering van het oefenprogramma;

5. evalueert de oefeningen en bewaakt de oefenkwaliteit.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Bijdragen aan beleidsvorming op het gebied van oefenen

De oefencoördinator levert een bijdrage aan de beleidsvorming op het gebied van oefenen. Hij 3maakt daarbij gebruik van zijn kennis op het gebied van de oefenbehoefte, de leerpunten uit incidenten en de evaluatie van oefenactiviteiten.

Kerntaak 2:. Vertalen van oefenbeleid naar jaarlijkse oefendoelen en thema’s

De oefencoördinator ontwikkelt oefenprogramma’s binnen de daarvoor geldende randvoorwaarden. Hij werkt daarvoor samen met de Specialist opleiden en oefenen.

Kerntaak 3:. Coördineren en uitvoeren van het oefenprogramma

De oefencoördinator zorgt ervoor dat het oefenprogramma daadwerkelijk uitgevoerd wordt.

Kerntaak 4:. Evalueren en kwaliteitszorg

De oefencoördinator evalueert en registreert de oefenresultaten en levert hiermee een bijdrage aan kwaliteitszorg.

Functie: oefencoördinator

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Innoveren en creativiteit

Plannen, organiseren en coördineren

Resultaat gericht

Analyseren

Probleem oplossen

Oordelen

Daadkracht

Mondeling communiceren

Flexibiliteit

Bijdragen aan beleidsvorming op het gebied van oefenen

 

1

 

1

   

1

1

 

Vertalen van oefenbeleid naar jaarlijkse oefendoelen en thema’s

1

1

1

1

   

1

1

 

Coördineren en uitvoeren van het oefenprogramma

1

1

1

1

1

 

1

1

1

Evalueren en kwaliteitszorg

1

 

1

1

 

1

1

1

 

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de oefencoördinator vastgesteld.

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Bijdragen aan beleidsvorming op het gebied van oefenen

Werkzaamheden

  • Draagt bij aan beleid door in overleg met de korpsleiding en/of de specialist opleiden en oefenen:

    • de oefenbehoefte vast te stellen;

    • de leerpunten van (lokale) incidenten en evaluatiegegevens van voorgaande oefeningen te vertalen naar beleid betreffende de inhoud en organisatie van toekomstige oefenactiviteiten;

    • op basis van input van de specialist opleiden en oefenen het meerjarig oefenbeleid af te stemmen met regionale en landelijke richtlijnen en met de behoefte van de werkomgeving;

    • oefenplannen van het eigen korps te vergelijken met soortgelijke oefenplannen van andere diensten.

  • Neemt deel aan overlegstructuren binnen het eigen vakgebied.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Analyseren (1)

  • Daadkracht (1)

  • Mondeling Communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om met overtuiging en onderbouwd zijn bijdrage te leveren aan het ontwikkelen van beleid.

  • Moet een beperkte probleemanalyse kunnen maken.

  • Stelt zich op als volwaardig gesprekspartner doordat hij zich kan inleven in belangen van anderen en dit objectief weet te vertalen in adviezen (op zijn niveau) ten aanzien van het beleid.

  • Weet de juiste probleemeigenaar (functionaris) voor acties uit de evaluaties aan te spreken.

Kerntaak 2:. Vertalen van oefenbeleid naar jaarlijkse oefendoelen en thema’s

Werkzaamheden

  • Ontwikkelt i.s.m. de specialist opleiden en oefenen oefenprogramma’s voor de reguliere taak (basisbrandweerzorg en specialismen) en grootschalig optreden (afhankelijk van de grootte van het korps).

  • Structureert en implementeert het oefenbeleid.

  • Hanteert de oefensystematiek zoals gepresenteerd in de (actuele) Leidraad Oefenen.

  • Stemt de oefenfrequentie af op in het beleid vastgelegde behoefte.

  • Stemt het oefenprogramma af op de randvoorwaarden: budget, beschikbaarheid personeel, planning en faciliteiten.

  • Signaleert uitvoeringsproblemen bij het vertalen van beleid en komt met oplossingen.

  • Verwerkt leerpunten ten aanzien van de randvoorwaarden in het nieuwe programma.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Innoveren en creativiteit (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Resultaatgericht (1)

  • Analyseren (1)

  • Daadkracht (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Kan de oefensystematiek uitleggen.

  • Kan de oefensystematiek toepassen.

  • Plant het oefenprogramma op basis van de randvoorwaarden.

  • Is in staat een aantrekkelijk programma neer te zetten wat geaccepteerd wordt in de doelgroep en waarbij de vooraf bepaalde oefendoelen gehaald worden.

  • Draagt het oefenprogramma uit en creëert daarmee draagvlak en acceptatie.

Kerntaak 3:. Coördineren en uitvoeren van het oefenprogramma

Werkzaamheden

  • Vertaalt het oefenprogramma naar een planning.

  • Communiceert het oefenprogramma binnen de eigen organisatie en richting overige betrokkenen.

  • Stemt in geval van gezamenlijke oefeningen af met betrokken partijen.

  • Coördineert de planning van de inzet van vakinhoudelijk deskundigen, oefenleiders, ensceneerders, veiligheidsfunctionarissen, waarnemers, beoordelaars en overige betrokkenen tijdens de voorbereiding en in de uitvoering.

  • Beslist over aanpassingen in de uitvoering van het oefenprogramma (in overleg met de specialist opleiden en oefenen).

  • Regelt oefenfaciliteiten.

  • Bewaakt het budget voor de uitvoering van het oefenprogramma.

  • Begroot de kosten van een oefening.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Innoveren en creativiteit (1)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Resultaatgericht (1)

  • Analyseren

  • Probleemoplossen (1)

  • Daadkracht (1)

  • Mondeling Communiceren (1)

  • Flexibel (1)

Beoordelingscriteria

  • Zorgt dat tijdig alle juiste middelen en personen beschikbaar zijn om de oefening uit te kunnen voeren.

  • Communiceert op de juiste wijze met de verschillende betrokkenen elk op hun eigen niveau (inlevingsvermogen).

  • Speelt snel en flexibel in op wijzigingen in randvoorwaarden zoals: planning en de beschikbaarheid middelen, personen en faciliteiten.

  • Blijft bij het behalen van zijn oefendoelen binnen het budget en maakt daarbij op creatieve wijze keuzes.

  • Kan een oefening realistisch begroten.

  • Maakt vooraf een juiste inschatting van de veiligheidsaspecten bij een oefening.

Kerntaak 4:. Evalueren en kwaliteitszorg

Werkzaamheden

  • Houdt de registratie van oefeningen bij.

  • Evalueert tussentijds de voortgang en het rendement van de uitvoering van het oefenprogramma.

  • Verzorgt de eindevaluatie van de oefencyclus.

  • Bericht over de resultaten aan de betrokkenen, de leidinggevende en de specialist opleiden en oefenen.

  • Gebruikt de evaluatiegegevens voor eventuele bijstelling van het oefenprogramma.

  • Levert input met betrekking tot normstelling voor het oefenbeleidsplan.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Innoveren en creativiteit (1)

  • Resultaatgericht (1)

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (1)

  • Daadkracht (1)

  • Mondeling Communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Houdt accuraat de registratie bij in de hem daarvoor beschikbaar staande systemen of middelen.

  • Kan het belang van registreren motiveren.

  • Weet op juiste wijze de evaluatiegegevens te vertalen naar verbeterpunten voor het oefenprogramma en kan deze toelichten.

  • Kan uitleg geven over de wijze van registreren en evalueren in het kader van kwaliteitszorg.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement u. Functie officier van dienst

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub u Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: officier van dienst (OvD)

Beschrijving van de functie: De officier van dienst:

  • 1. vervult vier rollen. Elke rol brengt verschillende verantwoordelijkheden met zich mee en vereist andere competenties. De vier rollen van de OvD zijn leiding geven aan de brandweereenheden bij repressief optreden, initiëren en coördineren van motorkapoverleg bij multidisciplinair repressief optreden, lid van het Commando Plaats Incident (CoPI) namens de Brandweer en medewerker in het actiecentrum Brandweerzorg. In één incident kan een OvD meerdere rollen vervullen.

  • 2. werkt in de repressieve dienst van de Brandweer. Hij voert zijn werkzaamheden, afhankelijk van de rol, in verschillende omgevingen zoals het incidentterrein, het CoPI en het actiecentrum Brandweer, uit.

  • 3. zijn functie bevindt zich functioneel tussen de bevelvoerder en de Taakcommandant Brandweer of de Algemeen Commandant Brandweerzorg. De OvD geeft bij repressief optreden leiding aan de bevelvoerders. Bij grootschalig repressief optreden is de OvD pelotonscommandant, en staat hij onder bevel van de Taakcommandant Brandweer. De OvD is gelijkwaardig lid van het motorkapoverleg. In het CoPI staat de OvD onder leiding van de Leider CoPI als het gaat om de multidisciplinaire samenwerking. De OvD staat als het gaat om het monodisciplinaire optreden onder leiding van de Algemeen Commandant Brandweerzorg. Dit geldt voor zowel de rol als lid van het CoPI als voor de rol van medewerker in het actiecentrum Brandweerzorg.

  • 4. kan te maken krijgen met zowel kleine als grootschalige incidenten die zowel kleine als grote politiek-maatschappelijke impact kunnen hebben. De OvD moet een analyse maken van het incident, de verwachte ontwikkeling van het incident en het daarbij meest passende brandweeroptreden. Daarbij moet in acht worden genomen dat het incident over het algemeen dynamisch is en kan plaatsvinden in een slecht overzichtelijke omgeving. De OvD heeft daarbij te maken met verschillende verwachtingen vanuit de omgeving (mono versus multi) en maatschappelijke belangen. Tijdens het optreden moet de OvD functioneren onder tijdsdruk en kan hij te maken hebben met mentale belasting.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. leidinggeven aan brandweereenheden bij de bestrijding van het incident

De OvD maakt een analyse van het incident en de te verwachten incidentontwikkeling. Op basis hiervan besluit de OvD tot een passende brandweerinzet en geeft leiding aan de uitvoerende brandweerprocessen in het veld. Bij grootschalig repressief optreden is de OvD pelotonscommandant en staat dan onder leiding van de Taakcommandant Brandweer.

Kerntaak 2:. initiëren en coördineren van multidisciplinaire samenwerking

Bij multidisciplinair repressief optreden kan de OvD het multidisciplinaire overleg in het motorkapoverleg opstarten en coördineren en schaalt zo nodig op naar GRIP 1 of 2.

Kerntaak 3:. deelnemen aan het CoPI

Bij multidisciplinair optreden vertegenwoordigt de OvD de brandweer in het CoPI in de rol van Taakcommandant Brandweer (deze rol wordt in opgeschaalde situaties door de Hoofd Officier van Dienst (HOvD) ingevuld). Draagt bij aan het totaalbeeld door multidisciplinair relevante aspecten uit de monodisciplinaire inzet in te brengen. Stemt af met de multipartners en draagt bij aan het teamresultaat. Vertaalt de multidisciplinaire besluiten uit het CoPI naar monodisciplinaire acties.

Kerntaak 4:. deelnemen aan het actiecentrum Brandweerzorg

Bij grootschalig monodisciplinair optreden of bij multidisciplinair repressief optreden adviseert, ondersteunt en informeert de OvD de Algemeen Commandant Brandweerzorg in het actiecentrum Brandweerzorg. Levert een bijdrage aan de operationele brandweerprocessen.

Competentiematrix

Kerntaken

Competenties

 

Accuraat

Stressbestendig

Samenwerken

Analyseren

Plannen, organiseren en coördineren

Maatschappelijk georiënteerd

Mondeling communiceren

Daadkracht

Inleven

Leren en reflecteren

   

leidinggeven aan brandweereenheden bij de bestrijding van het incident

2

3

2

2

2

2

2

3

2

2

   

initiëren en coördineren van multidisciplinaire samenwerking

2

2

2

2

2

2

2

3

2

2

   

deelnemen aan het CoPI

3

2

3

2

2

2

2

3

2

2

   

deelnemen aan het actiecentrum Brandweerzorg

2

1

2

2

2

2

3

3

2

2

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

Leiderschapsprofiel

Het brandweerveld heeft voor alle leiders op operationeel, tactisch en strategisch niveau zes rollen gedefinieerd. Aan de functie OvD wordt het volgende leiderschapsprofiel toegekend: Operationeel leidinggevende. In supplement hh wordt dit profiel nader uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. leidinggeven aan brandweereenheden bij de bestrijding van het incident

De OvD maakt een analyse van het incident en de te verwachten incidentontwikkeling. Op basis hiervan besluit de OvD tot een passende brandweerinzet en geeft leiding aan de uitvoerende brandweerprocessen in het veld. Bij grootschalig repressief optreden is de OvD pelotonscommandant en staat dan onder leiding van de Taakcommandant Brandweer.

Werkzaamheden:

  • Vormt op basis van de initiële informatie meerdere scenario’s.

  • Maakt door middel van een verkenning een inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident en vormt daardoor een totaalbeeld van de huidige en verwachte situatie.

  • Toetst voortdurend de scenario’s aan de werkelijke situatie en anticipeert hierop.

  • Kiest ter plaatse voor het best passende sturingsmodel (in het kader van situationele commandovoering) en geeft op basis hiervan leiding aan de uitvoerende brandweerprocessen in het veld. Past hierbij de principes van situationele commandovoering toe.

  • Maakt op basis van de verwachte situatie een inzetplan waarin ontwikkelingen in het incident worden meegenomen en vertaalt dit naar inzetdoelen en/of inzetvakken van brandweereenheden. Past hierbij de principes uit de brandweerdoctrine toe.

  • Schaalt indien nodig op, zowel monodisciplinair (inclusief eenheden, specialismen en leidinggevenden) als multidisciplinair.

  • Toetst het beeld en het gekozen sturingsmodel (in het kader van situationele commandovoering) aan de praktijk en stelt zo nodig bij.

  • Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig bij.

  • Neemt maatregelen om de veiligheid van eigen personeel, andere hulpverleningsdiensten en de bevolking optimaal te waarborgen.

  • Draagt zorg voor de registratie van belangrijke gegevens (bijvoorbeeld blootstelling gevaarlijke stoffen).

  • Draagt zorg voor logistiek.

  • Schaalt af en zorgt voor een passende overdracht.

  • Informeert de betrokken omgeving van het incident en analyseert daarbij in hoeverre dit direct of na afloop dient te geschieden.

  • Bij grootschalige incidenten is de OvD als pelotonscommandant verantwoordelijk voor de bestrijding van zijn deel van het incident. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Maakt door middel van een verkenning een inschatting van de huidige en verwachte aard, omvang en dynamiek van zijn deel van het incident.

  • Vraagt indien nodig om bijstand.

  • Maakt een inzetplan voor zijn deel van het incident, vertaalt dit naar inzetdoelen en/of inzetvakken van brandweereenheden en voert het bevel. Past hierbij de principes uit de brandweerdoctrine toe.

  • Rapporteert over de voortgang aan de Taakcommandant Brandweer.

  • Controleert en stemt af met de pelotonscommandant van het naastgelegen deel en van de ingezette specialistische pelotons.

Kerntaak 2:. initiëren en coördineren van multidisciplinaire samenwerking

Bij multidisciplinair repressief optreden kan de OvD het multidisciplinaire overleg in het motorkapoverleg opstarten en coördineren en schaalt zo nodig op naar GRIP 1 of 2.

Werkzaamheden:

  • Roept, op basis van zijn analyse van de huidige en verwachte incidentontwikkeling, indien nodig de hoogste leidinggevende ter plaatse van elke discipline bijeen en vormt een motorkapoverleg.

  • Draagt zorg voor een goed werkend coördinatieoverleg: efficiënt en effectief. Past hierbij de principes van team resource management toe.

  • Vormt met de deelnemers aan het motorkapoverleg een gemeenschappelijk beeld van het incident.

  • Maakt met de deelnemers aan het motorkapoverleg een plan van aanpak en verdeelt de werkzaamheden op basis van de processen in de rampenbestrijding, waarbij ieders deskundigheid en belang is meegenomen op basis van prioriteiten.

  • Betrekt ook andere niet-operationele diensten en maakt afspraken over hun bijdrage/ondersteuning aan de incidentbestrijding.

  • Bewaakt de voortgang van de uitvoering van de gemaakte afspraken.

  • Anticipeert op de ontwikkeling van het incident en coördineert de opschaling (GRIP) en start het CoPI op.

  • Neemt maatregelen om de veiligheid van de betrokken hulpverleningsdiensten en de bevolking optimaal te waarborgen.

Kerntaak 3:. deelnemen aan het CoPI*

Bij multidisciplinair optreden vertegenwoordigt de OvD de brandweer in het CoPI in de rol van Taakcommandant Brandweer (deze rol wordt in opgeschaalde situaties door de Hoofd Officier van Dienst (HOvD) ingevuld). Draagt bij aan het totaalbeeld door multidisciplinair relevante aspecten uit de monodisciplinaire inzet in te brengen. Stemt af met de multipartners en draagt bij aan het teamresultaat. Vertaalt de multidisciplinaire besluiten uit het CoPI naar monodisciplinaire acties.

Werkzaamheden:

  • Draagt bij aan het totaalbeeld door multidisciplinair relevante aspecten uit de monodisciplinaire brandweerinzet in te brengen in het CoPI.

  • Vormt met de deelnemers van het CoPI een gemeenschappelijk beeld van het incident en draagt bij aan de analyse van het incident. Past hierbij de principes van situationele commandovoering toe.

  • Komt met de deelnemers van het CoPI tot afstemming over de multi-koppelvlakken in het incident en maakt afspraken over uitvoering hiervan.

  • Stemt af met de multipartners en draagt bij aan het teamresultaat. Past hierbij de principes van team resource management toe.

  • Adviseert gevraagd en ongevraagd het CoPI.

  • Draagt bij aan de formulering van adviezen voor het ROT en levert een bijdrage aan de multidisciplinaire behoeftestelling van het CoPI aan het ROT.

  • Analyseert de betekenis van de besproken scenario-ontwikkelingen in relatie tot de brandweerinzet.

  • Vertaalt de multidisciplinaire besluiten uit het CoPI naar monodisciplinaire acties.

    • * Bij grootschalige incidenten worden de bovenstaande werkzaamheden uitgevoerd door de Taakcommandant Brandweer in het CoPI.

Kerntaak 4:. deelnemen aan het actiecentrum Brandweerzorg

Bij grootschalig monodisciplinair optreden of bij multidisciplinair repressief optreden adviseert, ondersteunt en informeert de OvD de Algemeen Commandant Brandweerzorg in het actiecentrum Brandweerzorg. Levert een bijdrage aan de operationele brandweerprocessen.

Werkzaamheden:

  • Draagt bij aan het multidisciplinair totaalbeeld van het incident door zijn aandeel te leveren aan het monodisciplinair beeld.

  • Ondersteunt de Algemeen Commandant Brandweerzorg en de hoofden van de taakorganisaties door deeltaken uit te voeren.

  • Maakt voorstellen voor het invullen van de restdekking.

  • Maakt voorstellen voor het aanvragen van interregionale bijstand.

  • Maakt voorstellen voor de efficiënte inzet van regionale eenheden bij grootschalig monodisciplinair optreden.

  • Levert een bijdrage aan de analyse en beoordeling van de actuele situatie.

  • Levert een actieve bijdrage aan de ontwikkeling van mogelijke scenario’s.

  • Zorgt dat opdrachten binnen de taakorganisatie worden uitgevoerd.

  • Rapporteert de voortgang van de bestrijdingswerkzaamheden aan het hoofd van de taakorganisatie dan wel de Algemeen Commandant Brandweerzorg.

  • Maakt voorstellen voor aflossing van ingezette eenheden.

  • Zorgt voor logistieke ondersteuning van de brandweerzorg gerelateerde inzet.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement v. Functie operationeel manager

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub v Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Operationeel manager

Beschrijving van de functie

Met de benaming ‘operationeel manager’ doelen we binnen de brandweer op een leidinggevende die op operationeel niveau werkt. Deze manager vervult op dat operationele niveau een beheersmatige (niet repressieve) functie. Hij ¹ stuurt hierin een team aan van omstreeks 10 medewerkers. Het accent in die aansturing ligt op de uitvoering van hun werk. Hij is veelal werkzaam als bureauhoofd, teamleider, coördinator. Het overheersende beeld is dat hij zich richt op een enkelvoudig vakgebied.

   
 

De invulling van de rol van operationeel manager verschilt echter sterk per korps. In kleine korpsen zien we soms dat deze leidinggevende meerdere afdelingen of vakgebieden onder zijn hoede heeft. De ontwikkeling naar grote regiokorpsen maakt dat de operationeel manager steeds meer voor één vakgebied het aanspreekpunt zal zijn.

   
 

De operationeel manager rapporteert aan de ‘tactisch manager’, die de kaders formuleert voor het functioneren van de operationeel manager en diens medewerkers.

   
 

Samenvattend is de operationeel manager een beheersmatige functionaris is die:

• Een groep van circa 10 mensen aanstuurt.

• In de meeste gevallen de rol heeft van teamleider of bureauhoofd.

• Een enkelvoudige taak heeft (één vakgebied).

¹ Overal waar in deze bijlage ‘hij’ wordt geduid kan ook ‘zij’ worden gelezen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Opstellen en (laten) uitvoeren van planningen

De operationeel manager stuurt de werkuitvoering van de medewerkers van zijn afdeling aan. Het opstellen van plannen en het laten uitvoeren daarvan, vormen daarin het centrale sturingsmechanisme voor de bedrijfsvoering.

Kerntaak 2:. Leidinggeven aan (project-)medewerkers

De operationeel manager geeft leiding aan een team van medewerkers. Hij is het samenbindende element tussen deze individuele medewerkers en vormt de schakel tussen medewerkers en organisatie. Hij draagt bij aan de ontwikkeling van medewerkers en team en het creëren van een collegiaal werkklimaat.

Kerntaak 3:. Monitoren, bijsturen en rapporteren van de werkuitvoering

De operationeel manager is verantwoordelijk voor de aanwending en besteding van middelen die door de naast hogere leidinggevende zijn gedelegeerd. Vanuit die verantwoordelijkheid is actieve procesbewaking van groot belang.

Kerntaak 4:. Leveren van inhoudelijke bijdragen: signaleren van knelpunten en adviseren over aanpassingen van beleid en/of procedures en plannen

De operationeel manager is niet alleen een leidinggevende; hij is daarnaast ook vakman op zijn kennisgebied. Dat vakmanschap benut hij om, in samenspraak met anderen, bijdragen te leveren aan de verbetering van werkprocessen, diensten en producten van zijn afdeling/team, maar ook daarbuiten.

Kerntaak 5:. Onderhouden van netwerken en relevante interne en externe contacten

De brandweer is een speler in een veld met diverse actoren: interne collega’s, (keten)partners, burgers, etc. Samenwerken en elkaar kennen wordt steeds belangrijker. Op alle niveaus onderhoudt de brandweer contacten met al deze partijen, om van hen te leren maar ook om aan hen te leren. Ook de operationeel manager heeft deze rol.

Functie: operationeel manager

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren en reflecteren

Ondernemen

Coachen

Daadkracht

Resultaatgericht

Overtuigen

Plannen, organiseren en coördineren

Accuraat

Analyseren

Kostenbewust

Netwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Communiceren

Opstellen en (laten) uitvoeren van planningen

3

3

   

2

 

2

2

2

2

   

2

Leidinggeven aan (project-)medewerkers

2

2

2

 

2

   

2

     

Monitoren, bijsturen en rapporteren van de werkuitvoering

   

2

 

2

2

2

2

   

2

Leveren van inhoudelijke bijdragen:

signaleren van knelpunten en adviseren over aanpassingen van beleid en/of procedures en plannen

   

2

2

2

 

2

2

   

2

Onderhouden van netwerken en relevante interne en externe Contacten

               

2

1

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Operationele voorbereiding

 

*

 

Incidentbestrijding

 

*

 

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

 

*

 

Kennisgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Informatiemanagement

 

*

 

Integraal management (personeels-, proces-, financieel management)

 

*

 

Bestuurskunde (beleidstheorie/publieke organisatie)

 

*

 

Projectmatig werken

 

*

 

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Opstellen en (laten) uitvoeren van planningen

Werkzaamheden

De operationeel manager stuurt de werkuitvoering van de medewerkers van zijn afdeling aan. Het opstellen en uitvoeren van plannen vormen daarin het centrale sturingsmechanisme voor de bedrijfsvoering. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

Stelt jaar- en/of projectplannen op van het eigen vakgebied binnen de aangereikte kaders (m.n.: wetgeving, organisatieplan, beleidsplan, Arbo) en stemt hierover af met belangrijke partijen (met name de naast hoger leidinggevende).

  • Doet gevraagd en ongevraagd voorstellen om de werkuitvoering van de eigen afdeling te verbeteren.

  • Vertaalt jaar- en/of projectplan van het eigen vakgebied naar taakstellingen, in samenspraak met de eigen medewerkers.

  • Zorgt voor afstemming van werkzaamheden, bijvoorbeeld door het laten voeren van overdrachtsgesprekken, samen opwerken en het organiseren van werkoverleg.

  • Signaleert en analyseert problemen in de uitvoering en (laat) deze oplossen, waar mogelijk structureel.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Resultaatgericht (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Accuraat (2)

  • Analyseren (2)

  • Kostenbewust (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

Proces

  • Planningen zijn SMART geformuleerd (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden).

  • Planningen voldoen aan de geldende landelijke en lokale voorschriften/formats.

  • Planning passen naar het oordeel van de naast hogere leidinggevende bij de organisatiedoelen.

  • Medewerkers zijn bekend met de planning: benutten deze voor het maken van hun eigen planning.

Product

  • De uitvoering verloopt effectief:

    • De in de planningen beschreven doelen worden behaald.

    • Waar dit niet het geval is vindt tijdig overleg en verantwoording plaats met de naasthogere leidinggevende.

  • De uitvoering verloopt efficiënt; binnen het beschikbare budget.

Kerntaak 2:. Leidinggeven aan (project-)medewerkers

Beoordelingscriteria

Proces

  • Medewerkers hebben een duidelijk beeld van de verwachtingen van hun leidinggevende t.a.v. hun functioneren en ontwikkeling.

  • Medewerkers voelen zich individueel uitgedaagd en gesteund in hun eigen ontwikkeling (zowel door de leidinggevende als door collega’s).

  • Teamleden vervullen zelf een actieve rol in de ontwikkeling van het teamfunctioneren.

  • Verschillen tussen medewerkers worden benut om de teamontwikkeling te bevorderen.

Product

  • Er is sprake van aantoonbare ontwikkeling van individuele medewerkers, passend bij de organisatiedoelen.

  • Er is sprake van een aantoonbare ontwikkeling van het team.

Kerntaak 3:. Monitoren, bijsturen en rapporteren van de werkuitvoering

Werkzaamheden

De operationeel manager is verantwoordelijk voor de aanwending en besteding van middelen die door de naast hogere leidinggevende zijn gedelegeerd. Vanuit die verantwoordelijkheid is actieve procesbewaking van groot belang. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Verzamelt periodiek benodigde data/info over de bedrijfsvoering (kwaliteit, kwantiteit, middelen, financiën, bereikte doelen, etc.).

  • Analyseert de verzamelde informatie op afwijkingen van de gestelde doelstellingen.

  • Stuurt waar nodig bij op afwijkingen in de uitvoering, en past zo nodig de planning hierop aan.

  • Stelt periodieke rapportages op over de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelen en benutting van resources.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Resultaatgericht (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Accuraat (2)

  • Analyseren (2)

  • Kostenbewust (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

Proces

  • Relevante managementinformatie is continu beschikbaar.

  • Rapportages passen binnen de aangereikte kaders/het gangbare format.

  • Besluiten tot bijsturing zijn verantwoord onderbouwd.

Product

  • Waar nodig vindt tijdig bijsturing plaats.

  • De naast hogere leidinggevende krijgt in de rapportage de voor hem benodigde informatie aangeleverd.

Kerntaak 4:. Leveren van inhoudelijke bijdragen: signaleren van knelpunten en adviseren over aanpassingen van beleid en/of procedures en plannen

Werkzaamheden

De operationeel manager is niet alleen leidinggevende; hij is daarnaast ook vakman op zijn kennisgebied. Dat vakmanschap benut hij om, in samenspraak met anderen, bijdragen te leveren aan de verbetering van werkprocessen, diensten en producten van zijn afdeling/team, maar ook daarbuiten. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Fungeert als aanspreekpunt (zowel voor intern/het MT als extern) voor inhoudelijke vragen betreffende het eigen vakgebied.

  • Signaleert voor het eigen vakgebied relevante ontwikkelingen (bijvoorbeeld maatschappelijk, korpsgebonden, gemeentelijk, vakinhoudelijk) en doet voorstellen (veelal schriftelijk) aan de naast hogere leidinggevende om hierop in te spelen.

  • Levert vanuit het eigen vakgebied een bijdrage (veelal schriftelijk) aan beleidsinitiatieven voor andere afdelingen of vakgebieden.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Resultaatgericht (2)

  • Overtuigen (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Analyseren (2)

  • Kostenbewust (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

Proces

  • Bekend staan als de materiedeskundige/vakman; je wordt regelmatig benaderd als (intern) aanspreekpunt.

  • Verwijst indien nodig naar meer ervaren experts.

  • Leveren van bijdragen gebeurt zowel reactief als proactief.

Product

  • Vragen worden adequaat beantwoord.

  • Voorstellen zijn SMART geformuleerd.

Bijlage A. behorende bij artikel 2 lid 1 Besluit personeel veiligheidsregio’s

Supplement w. Functie ploegchef

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub w Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Ploegchef

Beschrijving van de functie

De ploegchef maakt deel uit van de afdeling repressie en geeft leiding aan een roosterploeg van medewerkers uit de operationele dienst. Hij ¹ coördineert de werkzaamheden binnen deze groep en draagt zorg voor de afstemming ervan. Tevens is hij verantwoordelijk voor de initiële en blijvende vakbekwaamheid van zijn ploeg en de registratie daarvan. De ploegchef vervult tenminste de functie van bevelvoerder.

¹ Overal waar in deze bijlage ‘hij’ wordt geduid kan ook ‘zij’ worden gelezen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Leiding geven aan medewerkers

De ploegchef is verantwoordelijk voor de kwaliteit, continuïteit, efficiency en vakbekwaamheid van de ploeg medewerkers waaraan hij leiding geeft. Tevens is hij verantwoordelijk voor de uitvoering van het personeelsbeleid binnen deze ploeg.

Kerntaak 2:. Uitvoeren van beheersmatige taken

De ploegchef zorgt voor planning van werkzaamheden en activiteiten op het gebied van materieel en materiaal, onderhoud, opleiden en oefenen. Hij draagt zorg voor het aanleveren van verschillende managementgegevens. Hij zorgt voor de invulling van de dienstroosters en de oefenregistratie. Hij bewaakt de kwaliteit van de ploeg.

Kerntaak 3:. Uitvoeren van administratieve taken

De ploegchef draagt zorg voor gegevens ten behoeve van de personeelsadministratie, zoals de urenverantwoording en ziekmelding. Hij draagt tevens zorg voor het aanleveren van gegevens ten behoeve van het opstellen van onder meer MARAP’s en houdt planningslijsten en de oefenregistratie bij.

Functie: ploegchef

Kerntaken

Organisatie

Omgeving

 

Plannen, organiseren en coördineren

Probleem oplossen

Resultaatgericht

Flexibel

Inleven

Taakgericht leiderschap

Mondeling communiceren

Leiding geven aan medewerkers

1

     

1

1

1

Uitvoeren van administratieve taken

1

1

1

       

Uitvoeren van beheersmatige taken

1

   

1

   

1

Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de ploegchef vastgesteld.

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Leiding geven aan medewerkers

Werkzaamheden

De ploegchef:

  • Stimuleert de ontwikkeling van vakbekwaamheid van de operationele dienst en houdt deze op het gewenste niveau.

  • Houdt het welzijn van de operationele dienst op het gewenste niveau.

  • Zorgt voor indeling van zijn medewerkers op taken. functies en deskundigheid.

  • Coördineert de uitvoering van de werkzaamheden.

  • Zit het ploegoverleg voor.

  • Voert functionerings-, beoordelings- en popgesprekken.

  • Participeert in werving en selectieprocedures.

  • Stimuleert, motiveert en controleert.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Inleven (1)

  • Taakgericht leiderschap (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om zich een beeld te vormen van het volledig functioneren van de medewerkers van de ploeg.

  • Kan zorgdragen voor het op peil houden van de vakbekwaamheid binnen zijn ploeg.

  • Is in staat om prioriteiten te stellen.

  • Is in staat om een juiste taakindeling met het beschikbare personeel te maken.

  • Is in staat om de uitvoering van de werkzaamheden te bewaken en zonodig bij te sturen.

  • Kan in een bijeenkomst de voorzittersrol vervullen.

  • Is sociaalcommunicatief vaardig.

  • Kan functionerings-, beoordelings- en popgesprekken voeren.

  • Kan een objectief oordeel vormen tijdens selectieactiviteiten.

  • Is in staat om medewerkers te stimuleren, te motiveren en te coachen.

  • Is in staat om het juiste evenwicht te vinden tussen het organisatiebelang en individuele belangen van medewerkers.

Kerntaak 2:. Uitvoeren van beheersmatige taken

Werkzaamheden

  • Bewaakt en verzorgt de invulling van het dienstrooster.

  • Levert, als input voor het management, gegevens op het gebied van personeel, materiaal en materieel en financiën t.b.v. de Marap.

  • Meldt en verklaart afwijkingen van ramingen en planningen als reactie op de output van het management.

  • Ontwerpt en implementeert procedures en werkwijzen bij nieuwe ontwikkelingen.

  • Vertegenwoordigt de organisatie in (regionale) project- en werkgroepen.

  • Bevordert werken conform Arbo-voorschriften.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Problemen oplossen (1)

  • Resultaatgericht (1)

Beoordelingscriteria

  • Kan een dienstrooster samenstellen.

  • Heeft kennis van (gemeentelijke) wet- en regelgeving, beleid en procedures op onderdelen van het vakgebied en kan deze toepassen.

  • Is in staat om relevante managementinformatie te verzamelen, te analyseren en toe te lichten.

  • Is communicatief vaardig, in woord en geschrift.

  • Kan procedures en werkwijzen ontwikkelen en implementeren.

  • Kan een bijdrage leveren aan externe project- en werkgroepen.

  • Kent de Arbo-voorschriften en past deze toe.

  • Kan prioriteiten stellen.

  • Is in staat om het juiste evenwicht te vinden tussen het organisatiebelang en individuele belangen van medewerkers.

Kerntaak 3:. Uitvoeren van administratieve taken

Werkzaamheden

  • Houdt overzicht over de aanwezigheid tijdens uitruk en oefeningen in de kazerne en registreert deze.

  • Verwerkt ziektemeldingen en houdt de status van keuringen bij.

  • Verleent verlof en registreert dat.

  • Verzorgt de verslaglegging van POP’s, functioneringsgesprekken en beoordelingsgesprekken.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Plannen, organiseren, coördineren (1)

  • Flexibel (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Is in staat om aan- en afwezigheid van medewerkers te registreren.

  • Kan gespreksverslagen maken.

  • Is communicatief vaardig in woord en geschrift.

  • Heeft kennis van voor zijn werk noodzakelijke en beschikbare computersoftware.

  • Is in staat om prioriteiten te stellen.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement x. Functie commandant

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub x Besluitpersoneel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Commandant

Beschrijving van de functie

In dit document staan de kerntaken van de commandant centraal. Voorafgaand aan de beschrijving van deze kerntaken wordt in deze inleiding aandacht besteed aan de positionering van de commandant.

   
 

Positionering commandant

De commandant draagt de integrale eindverantwoordelijkheid voor het rechtmatig, doeltreffend en doelmatig functioneren van de brandweerorganisatie en de strategische sturing van de brandweerorganisatie.

   
 

Hiërarchisch valt de commandant onder en rapporteert hij1 aan het bestuur van de Veiligheidsregio. Daarnaast is hij ambtelijk eindverantwoordelijk voor de regionale brandweerorganisatie.

1 Waar hij staat, kan ook zij gelezen worden.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Leiding geven aan de regionale brandweerorganisatie

De commandant is ambtelijk eindverantwoordelijk voor de regionale brandweerorganisatie. Hij draagt daarin zorg voor het functioneren van de regionale brandweer en het personeel dat daarbij werkzaam is.

Kerntaak 2:. Ontwikkelen, vormen en uitzetten van visie en strategie voor de brandweerorganisatie

De commandant initieert en ontwikkelt mede de visie en strategie voor de regionale brandweerorganisatie.

Kerntaak 3:. Adviseren van het bestuur van de veiligheidsregio

De commandant adviseert het (algemeen) bestuur van de veiligheidsregio en de lokale besturen gevraagd en ongevraagd over brandweeraangelegenheden. Daarbij ondersteunt hij het (algemeen) bestuur van de veiligheidsregio over strategische en bestuurlijke kwesties, inspelend op maatschappelijke, politieke en landelijke ontwikkelingen.

Functie: commandant

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren/reflecteren

Ondernemen

Visie

Coachen

Leiderschap

Resultaatgericht

Analyseren

Kosten bewust

Netwerken

Samenwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Politiek-bestuurlijk inzicht

Communiceren

Leiding geven aan de brandweerorganisatie

3

3

3

 

3

 

3

 

3

   

3

 

Ontwikkelen, vormen en uitzetten van visie en strategie voor de brandweerorganisatie

3

           

3

3

3

 

Adviseren van het bestuur van de veiligheidsregio

3

     

3

       

3

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Operationele Voorbereiding

 

*

 

Incidentbestrijding

 

*

 

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

 

*

 

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Leiding geven aan de regionale brandweerorganisatie

Werkzaamheden

  • Is eindverantwoordelijk voor het rechtmatig, doeltreffend en doelmatig functioneren van de regionale brandweerorganisatie en het personeel dat daarbij werkzaam is.

  • Geeft leiding aan het managementteam brandweer.

  • Geeft sturing, coördineert en motiveert bij ontwikkeling en uitvoering van beleid op strategisch en tactisch niveau.

  • Optimaliseert het proces van planning en control binnen de regionale brandweer en de veiligheidsregio.

  • Rapporteert op basis van audits aan het bestuur over de geleverde prestaties van de korpsen.

  • Is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid van het brandweerpersoneel.

  • Initieert, stimuleert en voert veranderingsprocessen door om kwaliteit en productiviteit van de brandweerorganisatie als geheel te versterken.

  • Is eindverantwoordelijk voor de vaststelling en handhaving van protocollen met betrekking tot het inhoudelijk en bedrijfsmatig handelen van de regionale brandweer en zijn aandachtsgebieden binnen de veiligheidsregio. Dit beslaat ook de verantwoordelijkheden omtrent de (financiële) bedrijfsvoering.

  • Optimaliseert de kwaliteit van de bedrijfsvoering van de regionale brandweer en de veiligheidsregio.

  • Behartigt de belangen van de brandweerorganisatie en de veiligheidsregio in diverse in- en externe overlegorganen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (3)

  • Leiderschap (3)

  • Analyseren (3)

  • Netwerken (3)

  • Maatschappelijke betrokkenheid (3)

  • Politiek-bestuurlijk inzicht (3)

Beoordelingscriteria

  • Communiceert open en helder.

  • Straalt rust en gezag uit.

  • Beschikt over inlevingsvermogen.

  • Toont daadkracht.

  • Zorgt ervoor dat het personeel van de brandweerorganisatie een duidelijk beeld heeft van de verwachtingen van de commandant ten aanzien van hun functioneren.

  • Draagt zorg voor individuele uitdaging en steun in ontwikkeling aan leden van het managementteam.

  • Draagt zorg voor optimale waarborging van de veiligheid van eigen personeel, andere hulpverleningsdiensten en derden.

  • De brandweerorganisatie is gemotiveerd om te werken aan hun ontwikkeling en resultaten te boeken.

  • Anticipeert op mogelijke problemen en meevallers bij het behalen van de resultaten om waar mogelijk achterblijven van doelen te voorkomen.

  • Besluiten tot bijsturing zijn verantwoord onderbouwd.

  • Is in staat om te bepalen welke beslissingen aan het bestuur dienen te worden voorgelegd.

  • Is bekend met protocollen en partijen die een rol spelen in de informatieprocessen.

  • Kan duidelijke informatie geven en genomen beslissingen uitleggen aan belanghebbende collega’s.

  • Denkt en handelt aantoonbaar multidisciplinair, handelt situationeel en durft van prioriteit te wisselen. Kan deze keuzes goed onderbouwen.

  • Is extern actief en proactief in (brandweer)netwerken.

  • Weet te handelen en te acteren in een netwerk omgeving.

  • Kan procesmatig handelen.

Kerntaak 2:. Ontwikkelen, vormen en uiteenzetten van visie en strategie voor de regionale brandweerorganisatie

Werkzaamheden

  • Is ambtelijk verantwoordelijk voor de tot stand koming van de strategieontwikkeling van de eigen veiligheidsregio.

  • Initieert en ontwikkelt, evalueert en stelt visie, doelen, strategie en beleid van de brandweerorganisatie bij.

  • Regisseert de interne samenhang van en afstemming in de organisatie ten behoeve van beleidsontwikkeling, – uitvoering en – monitoring en zorgt voor de eindtoets inzake integraliteit van advisering en besluitvormingsrijpheid van stukken.

  • Draagt zorg voor functionele samenhang voor beleid tussen de regionale (en lokale) brandweer, de gemeenten en andere parate diensten.

  • Draagt bij aan de ontwikkeling, vorming en uiteenzetting van visie en strategie aangaande de brandweerorganisatie op landelijk niveau.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (3)

  • Plannen, organiseren en coördineren (3)

  • Samenwerken (3)

  • Maatschappelijke betrokkenheid (3)

  • Politiek-bestuurlijk inzicht (3)

Beoordelingscriteria

  • Kan hoofd- en bijzaken onderscheiden.

  • Kan de relevantie van gesignaleerde ontwikkelingen overtuigend onderbouwen.

  • Kent en gebruikt de van toepassing zijnde procedures.

  • Kan gevolgen van beslissingen inschatten op politiek-bestuurlijk niveau.

  • Kan effectief deelnemen aan vergaderingen.

  • Communiceert gestructureerd, eenduidig en kernachtig zonder gevoeligheden uit het oog te verliezen.

  • Kan samenwerken met de diverse partners in de veiligheidsregio, met oog voor organisatiespecifieke kenmerken en prioriteiten.

Kerntaak 3:. Adviseren van het bestuur van de veiligheidsregio

Werkzaamheden

  • Adviseert en ondersteunt het veiligheidsbestuur over de koers en strategische positionering inspelend op maatschappelijke, politieke en landelijke ontwikkelingen.

  • Adviseert gevraagd en ongevraagd het veiligheidsbestuur inzake ontwikkelingsmogelijkheden, risico,- en succesfactoren en multidisciplinaire veiligheidsaspecten.

  • Adviseert het bestuur over het regionale beleid.

  • Initieert en ontwikkelt mede het regionale strategisch beleid en zorgt voor de vertaling hiervan naar het tactisch/operationeel niveau.

  • Signaleert en adviseert gevraagd en ongevraagd het bestuur over de kwaliteitsbewaking en de kwaliteitsverbeteringen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (3)

  • Analyseren (3)

  • Politiek-bestuurlijk inzicht (3)

Beoordelingscriteria

  • Kan hoofd- en bijzaken onderscheiden.

  • Kan de relevantie van gesignaleerde ontwikkelingen overtuigend onderbouwen.

  • Kan integrale adviezen geven aan het bestuur van de veiligheidsregio.

  • Kent en gebruikt de van toepassing zijnde procedures.

  • Kan gevolgen van beslissingen inschatten op politiek-bestuurlijk niveau.

  • Kan effectief deelnemen aan vergaderingen.

  • Communiceert gestructureerd, eenduidig en kernachtig zonder gevoeligheden uit het oog te verliezen.

  • Kan samenwerken met de diverse partners in de veiligheidsregio, met oog voor organisatiespecifieke kenmerken en prioriteiten.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement y. Functie specialist brandpreventie

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub y Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Specialist Brandpreventie

Beschrijving van de functie

De specialist brandpreventie werkt op een beheersmatig niveau. Hij 1 speelt een rol bij vergunningverlening, voert brandveiligheidinspecties uit en geeft voorlichting over de inhoud van zijn vakgebied. Hierbij maakt hierbij gebruik van relevante wetten en regelingen betreffende de brandpreventie.

   
 

Vaak functioneert hij als solist binnen diverse teams. De werkzaamheden zijn intern en extern gericht en spelen zich af in het publieke en private domein. Binnen het gedachtegoed van de veiligheidsketen maakt hij integrale afwegingen.

   
 

De specialist brandpreventie inspecteert naar aanleiding van vergunningsaanvragen. Indien een vergunningsverlening is afgerond en er periodiek controle plaatsvindt, behoort deze vorm van controle niet tot het takenpakket van een specialist brandpreventie.

1 Overal waar in deze bijlage ‘hij’ wordt geduid kan ook ‘zij’ worden gelezen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Bijdrage leveren aan totstandkoming van preventiebeleid

De specialist brandpreventie heeft op basis van zijn praktijkervaring een signaalfunctie om relevante zaken aan te kaarten met betrekking tot preventiebeleid.

Kerntaak 2:. Adviseren bij het verlenen van vergunningen

De specialist brandpreventie adviseert de vergunning verlenende afdelingen over het al dan niet verlenen van bouw-, milieu- en gebruiksvergunningen.

Kerntaak 3:. Uitvoeren van inspecties brandpreventie

De specialist brandpreventie voert op locatie inspectie uit of laat deze uitvoeren en geeft een waardeoordeel in de vorm van een inspectierapport aan de vergunningverlener.

Kerntaak 4:. Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

De werkzaamheden van de specialist brandpreventie zijn zowel intern als extern gericht. Vaak fungeert hij als solist binnen diverse teams. Afstemming en overleg zijn dan ook noodzakelijk. Het onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten is daarom als aparte kerntaak gedefinieerd.

Kerntaak 5:. Geven van voorlichting over brandpreventie

Het geven van brandpreventieve voorlichting vormt een structureel onderdeel van het takenpakket van de specialist brandpreventie. Zowel het geven van voorlichting buiten als binnen de organisatie of het leveren van een bijdrage aan schriftelijke voorlichting behoren tot zijn taken.

Functie: specialist brandpreventie

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren en reflecteren

Ondernemen

Resultaatgericht

Overtuigen

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Oordelen

Samenwerken

Communiceren

Netwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Bijdrage leveren aan totstandkoming van preventiebeleid

3

2

1

2

1

1

2

2

2

   

Adviseren bij het verlenen van vergunningen

1

2

1

1

2

 

2

   

Uitvoeren van inspecties brandpreventie

1

2

 

1

   

2

   

Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

             

2

2

Geven van voorlichting over brandpreventie

1

2

1

1

2

 

2

   

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Operationele voorbereiding

*

   

Incidentbestrijding

*

   

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

*

   

Kennisgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Informatiemanagement

 

*

 

Financieel management

*

   

Bestuurskunde (beleidstheorie/publieke organisatie)

 

*

 

Projectmatig werken

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Bijdrage leveren aan totstandkoming van preventiebeleid

Werkzaamheden

  • Signaleert voor het eigen vakgebied relevante ontwikkelingen (landelijk/regionaal) en tekortkomingen in het huidige preventiebeleid, op basis van praktijkervaring.

  • Kaart deze bevindingen aan bij relevante personen (bijv. leidinggevende, regionale preventist, regionale werkgroep preventie, regiomanager).

  • Bewaakt voortgang en spreekt deze personen aan als blijkt dat er te weinig wordt gedaan met het signaal; houdt vinger aan de pols.

  • Draagt desgevraagd gegevens aan of werkt in een projectgroep mee aan de totstandkoming van preventiebeleid.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (2)

  • Resultaatgericht (1)

  • Overtuigen (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (2)

  • Samenwerken (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Wordt gezien en benaderd als deskundige in het vakgebied.

  • Stevigheid en incasseringsvermogen.

  • Durft de eigen leidinggevende aan te spreken en indien nodig te confronteren.

Kerntaak 2:. Adviseren bij het verlenen van vergunningen

Werkzaamheden

Bouw en milieuvergunningen

  • Neemt deel aan vooroverleg met internen en externen (bouwtoezicht, collega’s, aanvrager c.q. diens gemachtigde)

  • Toetst vergunningen:

    • bouwkundig;

    • installatietechnisch;

    • organisatorisch;

    • en beoordeelt daarbij zonodig op gelijkwaardigheid.

  • Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

  • Gaat na in hoeverre het advies is opgevolgd door bekijken van vergunning.

Gebruiksvergunningen en vergunningen op basis van APV en BBV

  • Neemt deel aan vooroverleg met internen en externen.

  • Toetst de aanvraag zonodig op ontvankelijkheid.

  • Toetst de aanvraag aan regelgeving.

  • Toetst het object ter plaatse aan tekeningen.

  • Stelt afhankelijk van het feitelijke brandveiligheidsrisicovoorwaarden op volgens de gebruikvergunningsprocedure.

  • Stelt vergunningen op.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (2)

  • Resultaatgericht (1)

  • Overtuigen (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Tijdig, helder, compleet en inhoudelijk goed schriftelijk advies. Inhoudelijke kwaliteit wil zeggen dat:

    • Afwijkingen op regelgeving zijn beargumenteerd.

    • Gelijkwaardigheid op de juiste wijze is geïnterpreteerd.

    • Het advies is handhaafbaar.

    • Het advies is praktisch realiseerbaar.

    • Is bekend met de regelgeving en de achtergronden hiervan.

  • Overtuigingskracht: eigen advies krachtig naar voren kunnen brengen zodat anderen ervoor gewonnen worden.

  • Rekening houden met de belangen van betrokkenen in het overleg: luisteren naar anderen, doorvragen, inspelen op de vragen en zorgen die geuit worden en deze meenemen in de oplossingen die je voorstelt.

  • Doelen van het (voor)overleg zijn bereikt: voor de andere partij is duidelijk wat er van hem verwacht wordt en wat hij terug kan verwachten.

Kerntaak 3:. Uitvoeren van inspecties brandpreventie

Werkzaamheden

  • Neemt dossier door.

  • Voert op locatie inspectie uit of laat deze uitvoeren en geeft een waarde oordeel aan de vergunningverlener eventueel in samenwerking met de inspectie-instellingen.

  • Stelt inspectie-/controle rapport op voor de eigen organisatie (dossiervorming).

  • Voert (zo nodig) herinspectie uit.

  • Rapporteert aan de juridische afdeling en de leidinggevende.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (2)

  • Resultaatgericht (1)

  • Overtuigen (2)

  • Analyseren (1)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Tijdig, helder, compleet en inhoudelijk goed inspectierapport. Inhoudelijke kwaliteit wil zeggen dat duidelijk is:

    • Wat geïnspecteerd is en met welk doel?

    • Welke criteria daarbij gehanteerd zijn?

    • Wat de bevindingen zijn?

    • Welke eventuele vervolgactiviteiten voortvloeien uit de bevindingen?

  • Rekening houden met het gedrag van constructies en materialen bij brand.

  • Correcte uitvoering van de inspectie: inspectielijst is volledig en afgewerkt

  • Respectvol omgaan met gebruikers van het te inspecteren object.

Kerntaak 4:. Onderhouden van netwerken en relevante in- en externe contacten

Werkzaamheden

  • Functioneert in vakinhoudelijke platforms/netwerken.

  • Draagt informatie over aan interne collega’s: o.a. de afdelingen preparatie en repressie en de gemeentelijke afdelingen.

  • Onderhoudt contacten met private en publieke (vergunnings-)partners.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (2)

  • Netwerken (2)

  • Maatschappelijk georiënteerd (2)

Beoordelingscriteria

  • Representatief in optreden.

  • Actieve houding.

  • Efficiëntie in keuze.

Kerntaak 5:. Geven van voorlichting over brandpreventie

Werkzaamheden

  • Geeft voorlichting:

    • Aan klanten over vergunningen en ontruimingsplannen.

    • Desgevraagd aan betrokkenen na een incident.

    • Aan doelgroepen (zorginstellingen, horeca, scholen etc.).

    • Aan (in)directe collega’s binnen de brandweer.

  • Levert vakkundige inhoud aan t.b.v. preventieve schriftelijke voorlichting (persberichten).

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (2)

  • Resultaatgericht (1)

  • Overtuigen (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • De informatie is doel- en doelgroep gericht.

  • De informatie moet voldoen aan de voorwaarde van een goede presentatie.

  • Analytisch vermogen tot keuze.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement z. Functie specialist operationele voorbereiding

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub z Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: Specialist operationele voorbereiding (SOV)

Beschrijving van de functie: De specialist operationele voorbereiding:

  • 1. is een spin in het web en als zodanig verantwoordelijk voor activiteiten die nodig zijn om de gewenste slagkracht te realiseren bij incidentbestrijding en crisisbeheersing. Afhankelijk van de invulling van de functie voert de SOV activiteiten uit, die nodig zijn voor het adequaat uitvoeren van zijn werkzaamheden op een of meer van de volgende gebieden: Beschikbaar hebben van de juiste en geschikte middelen, materialen, materieel en personeel. Voorbeelden van instrumenten om dit doel te bereiken zijn plannen en procedures, regelingen, leidraden en handreikingen en systemen.

  • 2. werkt in een veiligheidsregio binnen een team dat zich bezighoudt met de operationele voorbereiding van incidentbestrijding en crisisbeheersing.

  • 3. is verantwoordelijk voor een kwalitatief hoogwaardige invulling van activiteiten ter voorbereiding op incidentbeheersing en crisisbeheersing. Een SOV adviseert zelfstandig ten behoeve van één of meerdere van onderstaande actoren van de veiligheidsketen:

    • o Bestuur en management veiligheidsregio

      De SOV is de adviseur voor het vakgebied operationele voorbereiding voor het eigen management en het bestuur. Hij kent bestuurlijke belangen en weet commitment voor zijn adviezen te verkrijgen.

    • o Multidisciplinaire en externe partners

      De SOV is de adviseur voor het vakgebied operationele voorbereiding ten opzichte van (multidisciplinaire) partners van de veiligheidsregio. Hij zorgt voor een goede aansluiting van de instrumenten ten bate van een goede voorbereiding, met die van de (multidisciplinaire) partners en externe partners.

    • o Monodisciplinaire afdelingen binnen de veiligheidsketen

      Met de verschillende afdelingen binnen de veiligheidsketen werkt de SOV nauw samen, stemt af, wisselt informatie uit en geeft advies en begeleiding.

  • 4. zijn werk wordt bepaald door ruime beleidslijnen. De SOV moet daar binnen rekening houden met de diverse belangen van betrokken partijen. De wijze van aanpak en uitvoering wordt voor een groot deel aan de SOV zelf overgelaten. Hij kan daarbij de rol hebben van adviseur, projectleider, onderzoeker of expert. Een SOV zal hiertoe naar eigen inzicht standaard werkwijzen moeten combineren waardoor de werkzaamheden niet altijd standaard van aard zijn.

2.1. Kerntaken en taakgebieden

Kerntaak 1:. analyseren en evalueren

De SOV verzamelt informatie uit de meest uiteenlopende bronnen, maakt behoefteanalyses, selecteert scenario’s en evalueert en analyseert bestaande instrumenten die ingezet zijn ter voorbereiding op of ter evaluatie van de incidentbestrijding en crisisbeheersing.

Kerntaak 2:. ontwikkelen, beheren en innoveren

Op basis van een analyse en/of evaluatie ontwikkelt, beheert en innoveert een SOV instrumenten voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding op de incidentbestrijding en crisisbeheersing.

Kerntaak 3:. implementeren en informeren

De SOV verzorgt en begeleidt de invoering en de in gebruik name van de betreffende instrumenten voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding en zorgt voor het in stand houden van de organisatorische kaders om dit te realiseren.

Kerntaak 4:. adviseren en afstemmen

Een SOV geeft advies over de operationele voorbereiding van incidentbestrijding en crisisbeheersing en stemt deze af op zowel operationeel, tactisch als strategisch niveau.

  • * Welke van de bovenstaande taken de SOV in de praktijk uitvoert is afhankelijk van de organisatie en/of afdeling waarin hij werkzaam is en de ervaring van de functionaris (mono-multi, beginnend-ervaren).

Competentiematrix

 

Kerntaken

Competenties

 

Leren en reflecteren

Samenwerken

Resultaatgericht

Overtuigen

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Oordelen

Mondeling communiceren

Netwerken

Maatschappelijk georiënteerd

   

analyseren en evalueren

3

2

1

 

1

2

2

2

 

1

   

ontwikkelen, beheren en innoveren

3

2

1

 

1

2

 

2

 

1

   

implementeren en informeren

3

2

1

2

1

 

2

2

1

1

   

adviseren en afstemmen

3

2

1

2

 

2

2

2

1

1

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

Leiderschapsprofiel

Het brandweerveld heeft voor alle leiders op operationeel, tactisch en strategisch niveau zes rollen gedefinieerd. Aan de functie SOV wordt het volgende leiderschapsprofiel toegekend: Tactisch specialist. In supplement hh wordt dit profiel nader uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria per taakgebied

Kerntaak 1:. analyseren en evalueren

De SOV verzamelt informatie uit de meest uiteenlopende bronnen, maakt behoefteanalyses, selecteert scenario’s en evalueert en analyseert bestaande instrumenten die ingezet zijn ter voorbereiding op of ter evaluatie van de incidentbestrijding en crisisbeheersing.

Werkzaamheden:

  • Inventariseert instrumenten voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding:

    • o Onderzoekt mogelijke scenario’s.

    • o Gaat op zoek naar en verzamelt evaluatiegegevens over incidenten, crises en/of oefeningen.

    • o Onderzoekt bestaande instrumenten op het gebied van incidentbestrijding en crisisbeheersing.

  • Analyseert instrumenten voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding:

    • o Verwerkt de gegevens uit de inventarisatie.

    • o Analyseert de benodigde capaciteit en middelen.

  • Interpreteert instrumenten voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding, zoals evaluatiegegevens van incidenten, crises en/of oefeningen of nieuwe ontwikkelingen op het gebied van incidentbestrijding en crisisbeheersing.

  • Maakt een plan voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding:

    • o Stelt op basis van de analyse een evaluatierapport op of een plan ter verbetering.

    • o Stelt hiervoor doelstellingen vast.

    • o Selecteert doelgroep en scenario’s.

    • o Stemt het plan af met relevante betrokkenen.

Kerntaak 2:. ontwikkelen, beheren en innoveren

Op basis van een analyse en/of evaluatie ontwikkelt, beheert en innoveert een SOV instrumenten voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding op de incidentbestrijding en crisisbeheersing.

Werkzaamheden:

  • Ontwikkelt instrumenten ten bate of ter verbetering van de operationele voorbereiding en betrekt hierbij de relevante afdelingen, functionarissen en partners.

  • Beheert instrumenten ten bate of ter verbetering van de operationele voorbereiding:

    • o Belegt en coördineert taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Stelt op basis van de analyse een evaluatierapport op of een plan ter verbetering.

    • o Actualiseert bestaande instrumenten.

    • o Informeert relevante betrokkenen.

  • Innoveert instrumenten ten bate of ter verbetering van de operationele voorbereiding en neemt actuele ontwikkelingen hierin mee.

Kerntaak 3:. implementeren en informeren

De SOV verzorgt en begeleidt de invoering en in gebruik nemen van de betreffende instrumenten voor of ter verbetering van de operationele voorbereiding en zorgt voor het in stand houden van de organisatorische kaders om dit te realiseren.

Werkzaamheden:

  • Brengt mogelijke gevolgen van de instrumenten voor een goede operationele voorbereiding in beeld voor de relevante afdelingen en partners.

  • Stelt een implementatieplan op voor de relevante afdelingen, functionarissen en partners.

  • Communiceert het implementatieplan met de relevante afdelingen, functionarissen en partners.

  • Coördineert en voert het implementatieplan uit, in samenwerking met de relevante afdelingen en disciplines.

Kerntaak 4:. adviseren en afstemmen

Een SOV geeft advies over de operationele voorbereiding van incidentbestrijding en crisisbeheersing en stemt deze af op zowel operationeel, tactisch als strategisch niveau.

Werkzaamheden:

  • Bereidt documenten ter besluitvorming voor zoals een plan van aanpak en een Implementatieplan.

  • Adviseert over de (gevolgen van) de herziene of nieuwe instrumenten voor een goede operationele voorbereiding op zowel operationeel, strategisch en tactisch niveau.

  • Adviseert relevante afdelingen over het implementatietraject.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement aa. Functie specialist opleiden en oefenen

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub aa. Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Specialist opleiden en oefenen

Beschrijving van de functie

De specialist opleiden en oefenen houdt zich beleidsmatig en uitvoerend met opleiden, oefenen en bijscholen bezig. Hierbij staan de volgende aspecten centraal:

• beleid (rond opleiden, oefenen en bijscholing);

• uitvoering (optreden als oefenleider);

• bewaking (van inhoud, voortgang en kwaliteit);

• vernieuwing (inhoudelijke en onderwijskundige vernieuwing).

   
 

De specialist opleiden en oefenen kan zowel in een monodisciplinaire als multidisciplinaire context opereren en zowel in een lokaal brandweerkorps als in een veiligheidsregio werken. De specialist opleiden en oefenen heeft een beleidsmatige (en dus geen leidinggevende of coördinerende) functie en is een specialist die ondersteunt vanuit zijn/haar eigen vakgebied. Hij/zij werkt niet solistisch maar functioneert in teamverband. Hieruit vloeit voort dat hij/zij binnen verschillende culturen/disciplines en op verschillende communicatieniveaus moet kunnen samenwerken en projectmatig werken.

   
 

Een repressieve opleiding of achtergrond is niet vereist om aan de leergang te kunnen deelnemen en de leergang met goed gevolg te kunnen afronden. Tijdens het opleidingstraject wordt de didactiek echter gekoppeld aan het operationele, repressieve werkveld. Hieruit vloeit voort dat de deelnemer bij aanvang van de leergang kennis van en inzicht in de repressieve context dient te hebben (vakinhoudelijke kennis van en ervaring met het repressieve werkveld respectievelijk het vakgebied waarin hij/zij het specialisme wil uitvoeren).

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Ontwikkelen van beleid op de terreinen van opleiden, oefenen en bijscholen

Ontwikkeld beleid, afgestemd op landelijke beleidsmatige, juridische en maatschappelijke ontwikkelingen. Stelt de opleidings-, oefen- en bijscholingsbehoeften vast. Stelt meerjaren beleidsplan op.

Kerntaak 2:. Ontwikkelen, organiseren, leiden en evalueren van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten

Ontwikkelt, organiseert en evalueert de opleidings-, oefen- en bijscholingsprogramma’s. Maakt gebruik van onderwijskundige concepten en didactische modellen om de inhoud, effectiviteit en kwaliteit van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten te ontwikkelen, evalueren, beoordelen en verbeteren. Stelt een opleidings-, oefen- en bijscholingsbegroting op.

Geeft als eindverantwoordelijke leiding aan grootschalige, multidisciplinaire oefeningen, treedt op als oefenleider bij bestuurlijke oefeningen en veldoefeningen vanaf pelotonsniveau. Is verantwoordelijk voor het coachen van oefenleiders en instructeurs.

Kerntaak 3:. Zorg dragen voor en borgen van de kwaliteit van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten

Richt mede een kwaliteitszorgsysteem in voor het opleiden, oefenen en bijscholen en onderhoudt het kwaliteitszorgsysteem.Voert steekproefsgewijs kwaliteitscontroles/audits uit.

Functie: Specialist opleiden en oefenen

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren en reflecteren

Samenwerken

Resultaatgericht

Overtuigen

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Oordelen

Samenwerken

Communiceren

Netwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Coachen

Ontwikkelen van beleid op de terreinen van opleiden, oefenen en bijscholen

3

2

2

2

2

1

2

2

2

     

Ontwikkelen, organiseren, leiden en evalueren van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten

2

 

2

 

2

2

 

2

2

2

Zorgdragen voor en borgen van de kwaliteit van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten

     

1

2

2

2

     

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

   

*

Operationele voorbereiding

   

*

Incidentbestrijding

   

*

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

   

*

Kennisgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Informatiemanagement

*

   

Financieel management

*

   

Bestuurskunde (beleidstheorie/publieke organisatie)

*

   

Projectmatig werken

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Ontwikkelen van beleid op de terreinen van opleiden, oefenen en bijscholen

Werkzaamheden

  • Stelt (in overleg met leidinggevende en overige betrokkenen) de opleidings-, oefen- en bijscholingsbehoeften vast.

  • Adviseert gevraagd en ongevraagd het management over opleidings-, oefen- en bijscholingsbeleid.

  • Vertaalt landelijke, beleidsmatige, juridische en maatschappelijke ontwikkelingen en leerpunten van plaatsgevonden incidenten en voorgaande oefeningen naar beleid betreffende de inhoud en organisatie van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten.

  • Stemt (in overleg met leidinggevende en overige betrokkenen) het meerjarig opleidings- en oefenbeleid af met landelijke richtlijnen, vergelijkbare oefenplannen van andere diensten én op de behoefte van de werkomgeving.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Resultaatgericht (2)

  • Overtuigen (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (2)

  • Samenwerken (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Heeft kennis van en anticipeert op de (ontwikkeling van) wettelijk gestelde kaders.

  • Maakt een juiste afweging tussen kosten en baten.

  • Kan hoofd- van bijzaken onderscheiden en prioriteiten stellen.

  • Kan advies overtuigend overbrengen (argumentering).

  • Creëert draagvlak voor het opleidings-, oefen- en bijscholings-proces.

  • Motiveert en enthousiasmeert partners.

  • Is inhoudelijk een volwaardige gesprekspartner voor alle betrokkenen.

  • Bereikt samenhang tussen opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten.

  • Maakt gebruik van recente ontwikkelingen en inzichten bij de totstandkoming van beleid rond opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten.

Kerntaak 2:. Ontwikkelen, organiseren, leiden en evalueren van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten

Werkzaamheden

  • Ontwikkelt en organiseert de opleidings-, oefen- en bijscholingsprogramma’s:

    • Ontwikkelt geïntegreerde oefenprogramma’s voor de reguliere taak, het grootschalig optreden en de coördinatietaak binnen een multidisciplinaire omgeving.

    • Evalueert de programma’s en stelt deze zonodig bij.

    • Volgt vakinhoudelijke (zowel binnen alle schakels van de veiligheidsketen, op het gebied van de dienst waar de Specialist Opleiden en Oefenen werkzaam is als op het vakgebied van de Specialist Opleiden en Oefenen zelf) en onderwijskundige trends en ontwikkelingen op het gebied van opleiden, oefenen en bijscholing en schat de bruikbaarheid voor de eigen en/of de multidisciplinaire organisatie in.

  • Gebruikt onderwijskundige concepten en didactische modellen om de inhoud, effectiviteit en kwaliteit van opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten te ontwikkelen, evalueren, beoordelen en verbeteren.

  • Draagt zorg voor een structuur (o.a. netwerk, planning) om opleidings-, oefen- en bijscholingsbeleid te implementeren.

  • Stelt een opleidings-, oefen- en bijscholingsbegroting op.

  • Bewaakt het opleidings-, oefen- en bijscholingsbudget.

  • Hanteert een oefensystematiek gericht op verbetering (bijvoorbeeld Leidraad Oefenen).

  • Stuurt het samenstellen van cursusplannen, draaiboeken, procedures en instructies aan:

    • Zorgt voor afstemming met andere organisatieonderdelen binnen de gemeentelijke organisatie, de ambtenaar openbare orde en veiligheid en de regionale hulpdiensten.

    • Beoordeelt de inhoud en opbouw van cursusplannen, draaiboeken, procedures en instructies.

  • Geeft (incidenteel) als eindverantwoordelijke leiding aan grootschalige, multidisciplinaire oefeningen (treedt op als oefenleider bij bestuurlijke oefeningen van onder andere (R)OT, (G)BT en veldoefeningen vanaf pelotonsniveau).

  • Maakt de kwaliteit van instructeurs en oefenleiders meetbaar.

  • Is verantwoordelijk voor de coaching van oefenleiders en instructeurs.

  • Draagt zorg voor de toepassing van het Landelijk Veiligheidsprotocol en de voortdurende beoordeling van de veiligheid bij opleidingen, oefeningen en bijscholingsactiviteiten.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Resultaatgericht (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (2)

  • Oordelen (2)

  • Samenwerken (2)

  • Netwerken (2)

  • Maatschappelijk georiënteerd (2)

  • Coachen (2)

Beoordelingscriteria

  • Vertaalt beleid naar praktische uitvoering.

  • Zorgt voor constructieve feedback met betrekking tot het proces (vakinhoudelijk en/of didactisch) voor, tijdens en na afloop van een opleiding, oefening en/of bijscholingsactiviteit.

  • Realiseert binnen de gestelde kaders de doelstelling(en) van de opleiding, oefening en/of bijscholingsactiviteit.

Kerntaak 3:. Zorg dragen voor en borgen van de kwaliteit van opleiden, oefenen en bijscholen

Werkzaamheden

  • Richt mede een kwaliteitszorgsysteem in (bijvoorbeeld aan de hand van het INK-model) voor het opleiden, oefenen en bijscholen.

  • Hanteert en onderhoudt het kwaliteitszorgsysteem:

    • Analyseert en evalueert periodiek de gegevens die voortkomen uit het kwaliteitszorgsysteem en implementeert de verbetermogelijkheden.

    • Overlegt met sleutelfunctionarissen over de huidige en gewenste kwaliteit van opleiden, oefenen en bijscholen.

    • Voert steekproefsgewijs kwaliteitscontroles/audits uit.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Analyseren (1)

  • Oordelen (2)

  • Samenwerken (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Stelt voor de organisatie optimale kwaliteitsnormen op.

  • Hanteert een kwaliteitszorgsysteem volgens de daarbij behorende richtlijnen (bijvoorbeeld INK-model) met inachtneming van de doelstellingen van de organisatie.

  • Signaleert aan de hand van kwaliteitscontroles/audits verbeterpunten en vertaalt deze in verbetervoorstellen.

  • Implementeert een verbeterplan binnen de organisatie voor opleiden, oefenen en bijscholen.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement bb. Functie specialist risico’s en veiligheid

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub bb Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Specialist Risico’s en Veiligheid (SRV)

Beschrijving van de functie

De Specialist Risico’s en Veiligheid (SRV) brengt gevraagd en ongevraagd adviezen uit op het vakgebied van de fysieke veiligheid. Hij geeft enerzijds adviezen inzake het voorkomen van risico’s en anderzijds inzake de beheersbaarheid van incidenten.

   
 

Om de koppeling naar crisisbeheersing te kunnen maken, is het belangrijk om in scenario’s te kunnen denken. De Specialist Risico’s en Veiligheid benoemt de effecten van mogelijke ongewenste gebeurtenissen. De Specialist Risico’s en Veiligheid vertaalt risico-informatie naar zijn eigen organisatie en daarbuiten; hij beschikt daartoe over een uitgebreid in- en extern netwerk.

   
 

De SRV heeft daarnaast een rol in het ‘verder leiden van risico-info door de veiligheidsketen’. Een risico wordt (h)erkend, vervolgens worden preventieve maatregelen bedacht, daarna blijft een restrisico waarvoor eventueel planvorming of procedures (operationele voorbereiding) nodig zijn die vervolgens beoefend moeten worden. Naar aanleiding van oefeningen of de evaluaties van repressief optreden komt er informatie terug over de kwaliteit van de hele keten. De regie op dit (cyclische) verhaal zit (deels) bij de SRV.

   
 

Het is van groot belang dat een SRV over een goed ontwikkelde bestuurlijke antenne beschikt. Hij is op de hoogte van maatschappelijke ontwikkelingen en wat deze (in de toekomst) kunnen betekenen op het gebied van veiligheid. Hij heeft aandacht voor politiek/bestuurlijke en maatschappelijke gevoeligheden en verhoudingen en weet deze een plaats te geven, zonder dat zijn eigen professionaliteit daarbij in het geding komt.

   
 

De Specialist Risico’s en Veiligheid vervult verschillende rollen: aan de ene kant moet hij kunnen optreden als een procesbegeleider, die bij complexe besluitvormingstrajecten het onderwerp veiligheid onder de aandacht weet te brengen en daarbij de relevante partijen weet te betrekken. Anderzijds is de SRV vaak een specialist op een specifiek aandachtsgebied, bijvoorbeeld:

• industriële veiligheid;

• gevaarlijke stoffen;

• expert andersoortige risico’s, bijvoorbeeld evenementen, hoogwater etc.

   
 

Het vakgebied is echter dermate breed, dat het niet te verwachten is dat alle noodzakelijke specialismen in een persoon verenigd kunnen worden. Wel is het van belang dat de SRV kennis heeft van de meest relevante aandachtsgebieden, waardoor in een later stadium verdere specialisatie kan plaatsvinden, hetzij middels onderwijs (bijv. voor specialisten BRZO), hetzij middels uitvoering in de praktijk.

   
 

Relatie met specialist brandpreventie

• Specialist brandpreventie:

Deze functionaris houdt zich vooral bezig met de bouwregelgeving, de relatie met milieu wordt alleen gelegd daar waar gebouwd wordt. Voorbeeld: uitvoering van CPR richtlijnen.

• Specialist risico’s en veiligheid:

Deze functionaris houdt zich onder andere bezig met preventie inzake andersoortige risico’s, bijv. gevaarlijke stoffen, evenementen, terrorisme, milieuadvisering, etc. Voorbeeld: interpretatie en advisering inzake CPR richtlijnen. Daarnaast heeft hij kennis van beleidsmatige aspecten inzake de brandveiligheid van gebouwen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Ontwikkelen van beleid op het gebied van risicobeheersing

De specialist risico’s en veiligheid vertaalt bevindingen op basis van zijn praktijkervaring naar beleidsvoorstellen op het gebied van risicobeheersing. Daarnaast levert de specialist risico’s en veiligheid input bij de totstandkoming van het regionaal en/of gemeentelijk integraal veiligheidsbeleid. Aanvullend heeft de specialist risico’s en veiligheid een rol bij implementatie en uitvoering.

Kerntaak 2:. Inventariseren, analyseren en beoordelen van bestaande en tijdelijke risico’s in het verzorgingsgebied

De specialist risico’s en veiligheid genereert risico-informatie over het verzorgingsgebied als onderdeel van een cyclisch beleidsproces of in opdracht om uiteindelijk (eventueel ongevraagd) advies uit te brengen over de mate van beheersbaarheid van risico’s (inclusief het voorkomen van risico’s).

Kerntaak 3:. Adviseren over de beheersing van bestaande, nieuwe en tijdelijke risico’s van objecten en situaties

De specialist risico’s en veiligheid brengt schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag over de mate van beheersbaarheid en verplichte en/of mogelijke beheersmaatregelen:

  • Ten behoeve van vergunningverlening.

  • Ten behoeve van de totstandkoming van plannen inzake ruimtelijke ordening.

  • Ten behoeve van de totstandkoming van infrastructurele projecten.

  • Ten behoeve van de bescherming van vitale objecten, infrastructuur en voorzieningen.

Kerntaak 4:. Beoordelen van maatregelen

De specialist risico’s en veiligheid beoordeelt de veiligheidsmaatregelen (technisch en procedureel) van bedrijven. Hij doet dit onder andere in het kader van BEVI, BRZO, besluit bedrijfsbrandweren, complexe bouwvergunningen en de brandveiligheidsparagraaf in de milieuvergunning.

Kerntaak 5:. Initiëren en onderhouden van netwerken, afstemmen met relevante partijen, stimuleren van veiligheidsbewustzijn

De specialist risico’s en veiligheid stimuleert het veiligheidsbewustzijn door actief aandacht te vragen voor fysieke veiligheid. Ook stemt de specialist risico’s en veiligheid, zowel binnen als buiten de organisatie, zaken op het gebied van fysieke veiligheid af en wisselt deze uit.

Functie: specialist risico’s en veiligheid

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren en reflecteren

Samenwerken

Resultaatgericht

Overtuigen

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Oordelen

Samenwerken

Communiceren

Netwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Ontwikkelen van beleid op het gebied van risicobeheersing

3

2

2

 

1

2

2

       

Inventariseren, analyseren en beoordelen van bestaande en tijdelijke risico’s in het verzorgingsgebied

2

2

1

2

 

2

2

   

Adviseren over de beheersing van bestaande, nieuwe en tijdelijke risico’s van objecten en situaties

2

2

 

2

2

2

2

   

Beoordelen van maatregelen

2

2

1

2

2

 

2

   

Initiëren en onderhouden van netwerken, afstemmen met relevante partijen, stimuleren van veiligheidsbewustzijn

             

2

2

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

   

*

Operationele voorbereiding

   

*

Incidentbestrijding

   

*

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

   

*

Kennisgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Informatiemanagement

*

   

Financieel management

*

   

Bestuurskunde (beleidstheorie/publieke organisatie)

*

   

Projectmatig werken

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Ontwikkelen van beleid op het gebied van risicobeheersing

Werkzaamheden

  • Levert input (gebaseerd op risicoanalyses) bij de totstandkoming van fysiek veiligheidsbeleid.

  • Signaleert en evalueert op basis van praktijkervaring voor het eigen vakgebied relevante ontwikkelingen (landelijk/regionaal), dilemma’s en tekortkomingen in het huidige veiligheidsbeleid.

  • Vertaalt deze bevindingen en belangen naar beleidsvoorstellen op het gebied van risicobeheersing.

  • Vertaalt deze bevindingen en belangen naar voorstellen voor implementatie in het verzorgingsgebied.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Resultaatgericht (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Analyseren (2)

  • Oordelen (2)

Beoordelingscriteria

  • Het ontwikkelde beleid heeft draagvlak.

  • Het beleidsplan is bestuurlijk vastgesteld.

  • Het beleid is SMART opgesteld.

  • Het bestuur kan, op basis van het opgestelde advies, een afweging maken.

De functionaris:

  • Wordt gezien en benaderd als deskundige in het vakgebied.

  • Heeft gevoel voor bestuurlijke verhoudingen.

  • Is omgevingsbewust.

Kerntaak 2:. Inventariseren, analyseren en beoordelen van bestaande en tijdelijke risico’s in het verzorgingsgebied

Werkzaamheden

  • Genereert (als onderdeel van een cyclisch beleidsproces of in opdracht) risico-informatie over het verzorgingsgebied:

    • Brengt relevante risico’s van het verzorgingsgebied op hoofdlijnen in kaart.

    • Stelt (indien onvoldoende informatie beschikbaar is) een kwalitatieve risicoanalyse op.

    • Prioriteert risico’s.

    • Stelt relevante scenario’s op en levert gegevens t.b.v. risicocommunicatie, beheersmaatregelen (technisch, organisatorisch, mensgericht), operationele voorbereiding en planvorming.

  • Bepaalt de noodzaak voor nader onderzoek.

  • Trekt conclusies en brengt (eventueel ongevraagd) advies uit over de mate van beheersbaarheid.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Resultaatgericht (2)

  • Overtuigen (2)

  • Plannen, organiseren en coordineren (1)

  • Analyseren (2)

  • Samenwerken (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Geeft een reëel risicobeeld van het verzorgingsgebied.

  • Maakt een keuze voor het juiste instrumentarium (Worst Case versus Most Credible Accident versus Maatgevend scenario, etc).

  • Biedt een adequaat afwegingskader ten behoeve van risicobeleid (regionaal beheersplan).

Kerntaak 3:. Adviseren over de beheersing van bestaande, nieuwe en tijdelijke risico’s van objecten en situaties

Werkzaamheden

Brengt schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag:

  • Ten behoeve van vergunningverlening (vooral milieuvergunning).

  • Ten behoeve van de totstandkoming van plannen inzake ruimtelijke ordening.

  • Ten behoeve van de totstandkoming van infrastructurele projecten.

  • Ten behoeve van de bescherming van vitale objecten, infrastructuur en voorzieningen.

Als onderdeel van dit advies:

  • Beoordeelt (kwantitatieve) risicoanalyses.

  • Stelt (indien onvoldoende informatie beschikbaar is) een kwalitatieve risicoanalyse op;

    Keuze en onderbouwing voor een effectberekeningsmethode.

  • Prioriteert risico’s.

  • Stelt relevante scenario’s op en levert gegevens t.b.v. risicocommunicatie, beheersmaatregelen (technisch, organisatorisch, mensgericht), operationele voorbereiding en planvorming;

  • Trekt conclusies inzake de mate van beheersbaarheid.

  • Adviseert over verplichte en/of mogelijke beheersmaatregelen, waaronder:

    • technische repressieve voorzieningen (incidentbeheersing);

    • hulpverlening;

    • zelfredzaamheid.

  • Toepassen van procesmodellen, zoals veiligheidseffectrapportage (VER) en scenario’s.

  • Integrale begeleiding van grote evenementen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Resultaatgericht (2)

  • Overtuigen (2)

  • Analyseren (2)

  • Oordelen (2)

  • Samenwerken (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Focus op beoordeling van effecten.

  • Bevoegd gezag heeft de risico’s meegewogen in haar besluitvorming.

  • Tijdig, helder, compleet en inhoudelijk goed schriftelijk advies.

  • Inhoudelijke kwaliteit wil zeggen:

    • Zoveel mogelijk onderbouwd met bestaande richtlijnen, best practices, databases.

    • Heldere omschrijving van de risico’s en een prioritering hiervan.

  • Planologische afwegingen zijn integraal onderdeel van het advies.

  • Overtuigingskracht: eigen advies krachtig naar voren brengen zodat anderen hierdoor gewonnen worden.

  • Rekening houdend met (bestuurlijke en maatschappelijke) belangen van betrokkenen in het overleg: luisteren naar anderen, doorvragen, inspelen op de vragen en zorgen die geuit worden en deze meenemen in de oplossingen die je voorstelt.

Kerntaak 4:. Beoordelen van maatregelen

Werkzaamheden

Een SRV beoordeelt de effectiviteit van beheersmaatregelen die door bedrijven of andere organisaties genomen dienen te worden. Meestal betreft dit een wettelijke adviestaak van de (regionale) brandweer. Het gaat hier bijvoorbeeld om werkzaamheden inzake het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI).

In samenwerking met een specialist uit de kernregio BRZO, het mede-uitvoeren van werkzaamheden in het kader van BRZO4:

  • Beoordelen veiligheidsrapporten (VR).

  • Beoordelen scenario’s rampenbestrijding.

  • Beoordelen scenario’s en organisatie bedrijfsbrandweer.

  • Beoordelen PBZO en veiligheidsbeheerssysteem.

  • Uitvoeren van inspecties (technische handhaafbare aspecten) en audits (systeemniveau).

  • Opstellen van rapportages.

  • Incidentonderzoek.

Werkzaamheden inzake besluit bedrijfsbrandweren:

  • Analyse van de mate van beheersbaarheid van aanwezige risico’s.

  • Aanbeveling aan B en W om bedrijfsbrandweerrapportage op te vragen

  • Beoordelen scenario’s en organisatie bedrijfsbrandweer.

  • Uitbrengen van advies over daadwerkelijke aanwijzing.

  • Toezicht en handhaving op de aanwijzing.

Werkzaamheden inzake het verstrekken van bouwvergunningen:

  • Coördinatie van het advies bij bouw van complexe industriële projecten.

  • Specialistische bijdrage leveren ten behoeve van het verstrekken van complexe bouwvergunningen.

Toezicht op brandveiligheidparagraaf in de milieuvergunning (inspectie):

  • Deelnemen aan inspecties.

  • Opstellen van rapportages.

  • Aanleveren van informatie ten behoeve van handhaving.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Resultaatgericht (2)

  • Overtuigen (2)

  • Plannen, organiseren en coördineren (1)

  • Analyseren (2)

  • Oordelen (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Focus op beoordeling van effecten.

  • Bevoegd gezag kan onderbouwd besluit nemen op basis van uitgebrachte adviezen.

  • In staat om scheiding aan te brengen tussen handhavende taak en adviserende taak.

T.a.v. adviezen:

  • Tijdig, helder, compleet en inhoudelijk goed schriftelijk advies.

  • Inhoudelijke kwaliteit wil zeggen:

    • Zoveel mogelijk onderbouwd met bestaande richtlijnen, best practices, databases.

    • Heldere omschrijving van de risico’s en een prioritering hiervan.

  • Overtuigingskracht: eigen advies krachtig naar voren brengen zodat anderen hierdoor gewonnen worden.

  • Rekening houdend met de belangen van betrokkenen in het overleg: luisteren naar anderen, doorvragen, inspelen op de vragen en zorgen die geuit worden en deze meenemen in de oplossingen die je voorstelt.

T.a.v. inspecties:

  • Tijdig, helder, compleet en inhoudelijk goed inspectierapport. Inhoudelijke kwaliteit wil zeggen dat duidelijk is:

    • Wat geïnspecteerd is en met welk doel.

    • Welke criteria daarbij gehanteerd zijn.

    • Wat de bevindingen zijn.

    • Welke eventuele vervolgactiviteiten voortvloeien uit de bevindingen.

  • Correcte uitvoering van de inspectie: inspectielijst is volledig en afgewerkt.

  • Respectvol omgaan met gebruikers van het te inspecteren object.

  • In staat om snel de relevante informatie te destilleren uit het aanbod van documenten en andere gegevens.

  • In staat om maatwerk te leveren per bedrijf.

Kerntaak 5:. Initiëren en onderhouden van netwerken, afstemmen met relevante partijen, stimuleren van veiligheidsbewustzijn

Werkzaamheden

Actief relevante partners benaderen en uitleg geven over de noodzaak van aandacht voor fysieke veiligheid in de besluitvorming.

Uitleg geven over de visie van de rampenbestrijdingsorganisatie inzake concrete projecten en de hierover geformuleerde adviezen: onder anderen:

  • organiseren van workshops en brainstormsessies;

  • houden van presentaties;

  • beantwoorden van vragen op voorlichtingbijeenkomsten.

Afstemming binnen de eigen organisatie inzake concrete projecten en de hierover geformuleerde adviezen, vooral ten behoeve van operationele voorbereiding.

Afstemming en uitwisseling met specialisten uit het vakgebied:

  • input leveren aan landelijke producten;

  • deelnemen van vakinhoudelijke platforms.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Samenwerken (2)

  • Netwerken (2)

  • Maatschappelijk georïenteerd (2)

Beoordelingscriteria

  • Wordt fysieke veiligheid voldoende meegewogen in besluitvorming?

  • Op heldere wijze communiceren over risico’s (aangepast aan doelgroep).

  • Inlevingsvermogen in belangen van anderen.

  • Kan eigen kennis op peil houden.

  • Is in staat om ontbrekende kennis of deskundigheid in te laten vliegen/cq te organiseren.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement cc. Functie strategisch manager

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub cc Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Strategisch manager

Beschrijving van de functie

Met de benaming strategisch manager doelen we op een leidinggevende die op strategisch niveau werkt. Deze niveauaanduiding betekent dat het accent in zijn ¹ werkzaamheden ligt in de ontwikkeling van beleid op de middellange termijn; hij overziet een meerjarencyclus van 4 jaar.

   
 

De strategisch manager heeft zitting in het managementteam (MT). Door verschillen in korpsgrootte en de mate waarin regionalisering is doorgevoerd kan de setting van het MT verschillen. Het beeld bij de strategisch manager is dat hij steeds meer zitting zal hebben in het MT van een veiligheidsregio en steeds minder in het MT van een korps of een gemeente.

   
 

Hij rapporteert en legt verantwoording af, direct of indirect, aan de leiding van de regionale brandweerorganisatie.

¹ Overal in dit document waar de strategisch manager in de mannelijke vorm wordt aangeduid, kan nadrukkelijk ook vrouwelijke vorm gelezen worden. Slechts omwille van de leesbaarheid is voor een enkelvoudige (mannelijke) aanduiding gekozen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Initiëren van strategisch beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied en bijdragen aan het strategisch beleid van de organisatie als geheel

De strategisch manager is lid van het MT. Daarin heeft hij een tweeledige rol. Enerzijds draagt hij bij aan de totstandkoming van strategisch beleid voor de organisatie. Anderzijds heeft hij z’n eigen werkgebied waarvoor hij een meerjarenplan en meerjarenbegroting ontwikkelt als onderdeel van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting van de organisatie. De strategisch manager draagt daarbij zorg voor het beheren en beheersen van het beleid binnen zijn eigen organisatieonderdeel/werkgebied.

Kerntaak 2:. Prioriteren en implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

De strategisch manager geeft binnen zijn eigen organisatieonderdeel/werkgebied richting aan de implementatie van het vastgestelde beleid binnen de regionale brandweerorganisatie. Hij treedt hierin sturen en bepalend op. Specifiek geeft hij hierin sturing aan de uitwerking van programma’s.

Kerntaak 3:. Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en de inzet van middelen en situationeel leidinggeven aan zijn organisatieonderdeel/werkgebied

De strategisch manager is verantwoordelijk voor de personele zorg en de inzet van middelen van het organisatieonderdeel/werkgebied. Dit betreft de uitvoering van de HRM-taken en de inzet van middelen waarvoor de kaders wettelijk of door de eigen organisatie zijn vastgesteld.

Kerntaak 4:. Randvoorwaarden creëren voor en acteren in relevante netwerken

Voor de strategisch manager is het opbouwen en onderhouden van een netwerk cruciaal. Langs deze weg kan hij tijdig anticiperen op ontwikkelingen en is hij in beeld in zowel de mono- als multidisciplinaire omgeving.

Functie: strategisch manager

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren/reflecteren

Ondernemen

Visie

Coachen

Leiderschap

Resultaatgericht

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Kosten bewust

Netwerken

Samenwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Politiek-bestuurlijk inzicht

Communiceren

Initiëren van strategisch beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied en bijdragen aan het strategisch beleid van de organisatie als geheel

3

3

2

       

3

   

3

 

3

3

Prioriteren en implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

3

 

3

3

         

3

   

Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en de inzet van middelen en situationeel leidinggeven aan zijn organisatieonderdeel/werkgebied

2

3

       

2

       

3

Randvoorwaarden creëren voor en acteren in relevante netwerken

2

           

3

 

2

2

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Operationele voorbereiding

 

*

 

Incidentbestrijding

 

*

 

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

 

*

 

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt

Kennisgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Informatiemanagement

   

*

Financieel management

   

*

Bestuurskunde (beleidstheorie/publieke organisatie)

   

*

Projectmatig werken

 

*

 

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Initiëren van strategisch beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied enbijdragen aan het strategisch beleid van de organisatie als geheel

Werkzaamheden

  • Signaleren, interpreteren en prioriteren van relevante ontwikkelingen:

    • buiten de brandweer (maatschappelijk, politiek, wetgeving en ketenpartners)

    • binnen de brandweer (personeel en middelen)

    • binnen het eigen organisatieonderdeel (vaktechnisch).

  • Ontwikkelen van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied en zorg dragen voor samenhang in de veiligheidsketen.

  • Afstemmen van eigen beleidsvoorstellen met:

    • MT-leden

    • andere organisatieonderdelen/werkgebieden en

    • relevante externe partijen.

  • Beheren en beheersen van het effect van het (strategisch) beleid.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Analyseren (3)

  • Samenwerken (3)

  • Politiek bestuurlijk inzicht (3)

  • Communiceren (3)

Beoordelingscriteria

  • Kan de relevantie van gesignaleerde ontwikkelingen overtuigend onderbouwen.

  • Anticipeert op mogelijke problemen en meevallers bij het behalen van de resultaten om waar mogelijk achterblijven van doelen te voorkomen.

  • Managementrapportage voldoet aan de interne voorschriften (format, aspecten en omvang)

  • Besluiten tot bijsturing zijn verantwoord onderbouwd.

  • De leiding van de regionale brandweerorganisatie is tevreden over de wijze van rapporteren.

  • Is extern actief en proactief in (brandweer)netwerken.

  • Weet te handelen en te acteren in een netwerk- en procesmatige omgeving.

Kerntaak 2:. Prioriteren en implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

Werkzaamheden

  • Prioriteren van het (strategische) beleid van het eigen organisatieonderdeel/werkgebied in overeenstemming met het algemeen beleid.

  • Vertalen van het meerjarenplan van het eigen organisatieonderdeel/werkgebied naar een concreet jaarplan met deelplannen en programmering, in samenspraak met direct betrokkenen.

  • Begeleiden, motiveren, reflecteren en coachen van de betrokkenen bij het uitwerken van het beoogde beleid en deelplannen.

  • Periodiek laten rapporteren door managers en overige betrokkenen over de voortgang in de implementatie van het vastgestelde beleid.

  • Opstellen van een periodieke managementrapportage, over de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelen en benutting van resources. In deze rapportage worden nadrukkelijk ook de afwijkingen in de implementatie van het beleid benoemd en het effect daarvan op lange termijn.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (3)

  • Leiderschap (3)

  • Resultaatgericht (3)

  • Maatschappelijk georiënteerd (3)

Beoordelingscriteria

  • Deelplannen hebben een rechtstreekse relatie met het algemeen beleid; hun bijdrage aan het algemeen beleid is geëxpliciteerd.

  • De opdrachten (of taakstellingen) aan de tactisch manager zijn SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden) geformuleerd.

  • Motiveert betrokkenen om de opdrachten uit te voeren.

Kerntaak 3:. Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en de inzet van middelen en situationeel leidinggeven aan zijn organisatieonderdeel/werkgebied

Werkzaamheden

  • Leidinggeven aan het overleg van zijn organisatieonderdeel.

  • Situationeel leidinggeven aan managers en overige betrokkenen bij hun taak als leidinggevende.

  • Zorg dragen voor een goede verdeling van de werkeenheden: de juiste competentieontwikkelingen en uitdagingen beleggen bij de juiste medewerkers.

  • Het voeren van gesprekken met medewerkers in het kader van het vastgestelde HRM-beleid (zoals functionerings-, POP- en beoordelingsgesprekken)

  • Beslissen binnen gestelde kaders van de organisatie over werving en selectie, benoeming, ontwikkeling, promotie en ontslag.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor de inzet van middelen (o.a. financiën, ict, huistvesting) voor het optimaal functioneren van de organisatie.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Coachen (3)

  • Kosten bewust (2)

Beoordelingscriteria

  • Zorgt ervoor dat de managers en overige betrokkenen een duidelijk beeld hebben van de verwachtingen van de strategisch manager ten aanzien van hun functioneren.

  • Draagt zorg voor individuele uitdaging en steun in ontwikkeling aan de managers en overige betrokkenen.

  • Er is sprake van aantoonbare ontwikkeling van managers en overige betrokkenen passend bij de organisatiedoelen.

  • De gesprekken uit de P-cyclus voldoen aan lokaal/regionaal gestelde eisen.

Kerntaak 4:. Randvoorwaarden creëren voor en acteren in relevante netwerken

Werkzaamheden

  • Identificeren van relevante belangen en actoren binnen en buiten de brandweer.

  • Het oprichten van, deelnemen aan en onderhouden van relevante netwerken.

  • Vertalen van belangen en activiteiten van het netwerk naar belangen en activiteiten van de organisatie en vice versa.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren/reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Netwerken (3)

  • Maatschappelijk georiënteerd (2)

  • Politiek bestuurlijk inzicht (2)

Beoordelingscriteria

  • Onderhoudt contacten die leiden tot verdieping of verscherping van input voor voorstellen voor brandweer.

  • Verkrijgt medestanders voor voorstellen.

  • Heeft een goed imago bij externe partijen op zowel het mono- als multidisciplinair terrein.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement dd. Functie tactisch manager

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub dd Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Tactisch manager

Beschrijving van de functie

Met de benaming tactisch manager doelen we op een leidinggevende die op tactisch niveau werkt. Deze niveauaanduiding betekent dat het accent in zijn werkzaamheden ligt in de ontwikkeling van beleid op de middellange termijn; hij overziet een meerjarencyclus van 4 jaar.

   
 

De tactisch manager heeft zitting in het managementteam (MT). Door verschillen in korpsgrootte en de mate waarin regionalisering is doorgevoerd kan de setting van het MT verschillen. Het beeld bij de tactisch manager is dat hij steeds meer zitting zal hebben in het MT van een veiligheidsregio en steeds minder in het MT van een korps of een gemeente.

   
 

Hij rapporteert en legt verantwoording af aan het strategisch management. Dit zal steeds vaker de regionaal commandant zijn en in steeds mindere mate de commandant of bestuurlijk portefeuillehouder.

Hij geeft leiding aan enkele operationele managers (bureauhoofden, teamleiders, coördinatoren) en/of specialisten en/of projectleiders die werkzaam zijn:

• In de veiligheidsketen (vakgebieden: repressie, preventie, preparatie, proactie, rampbestrijding en crisisbeheersing, risico en veiligheid).

• Of de ondersteunende processen (zoals: bedrijfsvoering, ondersteuning).

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Bijdragen aan het strategisch beleid van de organisatie en ontwikkelen van strategisch beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

De tactisch manager is lid van het MT. Daarin heeft hij een tweeledige rol. Enerzijds draagt hij bij aan de totstandkoming van strategisch beleid voor de brandweerorganisatie. Anderzijds heeft hij z’n eigen werkgebied waarvoor hij een meerjarenplan en meerjarenbegroting ontwikkelt als onderdeel van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting van de organisatie.

Kerntaak 2:. Implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

Uitgangspunt voor deze kerntaak is dat de tactisch manager voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied beschikt over een meerjarenplan en meerjarenbegroting. Nu is het zaak dit plan te concretiseren naar een jaarplan en naar concrete kaders voor de operationele managers, specialisten en projectleiders waaraan de tactisch manager leiding geeft. De tactisch manager weet het bieden van duidelijke kaders daarbij te verbinden met het inspireren en motiveren van zijn mensen.

Kerntaak 3:. Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en situationeel leidinggeven aan operationele managers/vakspecialisten/projectleiders

De tactisch manager is verantwoordelijk voor de personele zorg van het organisatieonderdeel. Dit betreft de uitvoering van de HRM-taken waarvoor de kaders wettelijk of door de eigen organisatie zijn vastgesteld.

Kerntaak 4:. Coördineren, bijsturen en rapporteren van werkzaamheden

Periodiek checkt de tactisch manager of de realisatie van plannen naar wens verloopt. Op basis van de uitkomsten beslist hij over het vervolg en vindt rapportage naar het strategisch management plaats.

Kerntaak 5:. Onderhouden van relevante netwerken

Voor de tactisch manager binnen de brandweer is het opbouwen en onderhouden van een netwerk cruciaal. Langs deze weg kan hij tijdig anticiperen op ontwikkelingen en is hij ook in beeld bij de andere partijen om door hem betrokken te worden.

Functie: tactisch manager

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Leren/reflecteren

Ondernemen

Visie

Coachen

Leiderschap

Resultaatgericht

Plannen, organiseren en coördineren

Analyseren

Kosten bewust

Netwerken

Samenwerken

Maatschappelijk georiënteerd

Politiek-bestuurlijk inzicht

Communiceren

Bijdragen aan ontwikkeling van strategisch beleid van de organisatie en het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

3

3

2

             

3

2

2

2

Implementeren van vastgesteld beleid voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

2

   

3

         

2

2

 

Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en situationeel leidinggeven aan operationele managers/vakspecialisten/projectleiders

2

3

3

3

2

 

2

         

Coördineren, bijsturen en rapporteren vanwerkzaamheden

     

3

3

2

2

       

2

Onderhouden van relevante netwerken

             

2

 

2

2

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Risico’s en Veiligheid

 

*

 

Operationele voorbereiding

 

*

 

Incidentbestrijding

 

*

 

Voorbereiding rampenbestrijding en crisisbeheersing

 

*

 

Kennisgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Informatiemanagement

 

*

 

Financieel management

   

*

Bestuurskunde (beleidstheorie/publieke organisatie)

 

*

 

Projectmatig werken

   

*

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Bijdragen aan ontwikkeling van strategisch beleid van de organisatie en het eigen organisatieonderdeel/werkgebied

Werkzaamheden

De tactisch manager is lid van het MT. Daarin heeft hij een tweeledige rol. Enerzijds draagt hij bij aan de totstandkoming van strategisch beleid voor de brandweerorganisatie. Anderzijds heeft hij z’n eigen werkgebied waarvoor hij een meerjarenplan en meerjarenbegroting ontwikkelt als onderdeel van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting van de organisatie. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

MT

  • Signaleren en interpreteren van relevante ontwikkelingen:

    • Buiten de brandweer (maatschappelijk, politiek, wetgeving, ketenpartners, ...).

    • Binnen de brandweer (financieel, personeel, ...).

    • Binnen het eigen organisatieonderdeel (vaktechnisch, ...).

  • In het MT bijdragen aan de ontwikkeling (cq. actualisering) van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting van de organisatie:

    • Relevante ontwikkelingen agenderen in het MT en voorstellen inbrengen.

Eigen organisatieonderdeel/werkgebied

  • Signaleren en interpreteren van relevante ontwikkelingen:

    • Buiten de brandweer (maatschappelijk, politiek, wetgeving, ketenpartners, ...).

    • Binnen de brandweer (financieel, personeel).

    • Binnen het eigen organisatieonderdeel (vaktechnisch, ...).

  • Ontwikkelen van het meerjarenplan en de meerjarenbegroting voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied.

  • Afstemmen van eigen beleidsvoorstellen met:

    • MT-leden;

    • andere organisatieonderdelen/werkgebieden en;

    • relevante externe partijen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Samenwerken (3)

  • Maatschappelijk georiënteerd (2)

  • Politiek- bestuurlijk inzicht (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • De relevantie van de door de tactisch manager gesignaleerde ontwikkelingen is (in de ogen van de andere MT-leden) overtuigend onderbouwd.

  • Het meerjarenplan voor het eigen organisatieonderdeel van de tactisch manager past binnen het strategisch beleid van de organisatie.

  • Er is draagvlak voor het plan van het eigen organisatieonderdeel bij relevante betrokkenen, m.n.:

    • MT leden;

    • medewerkers van het eigen onderdeel;

    • externe partijen.

Kerntaak 2:. Implementeren van vastgesteld beleid voor eigen organisatieonderdeel/werkgebied

Werkzaamheden

Uitgangspunt voor deze kerntaak is dat de tactisch manager voor het eigen organisatieonderdeel/werkgebied beschikt over een meerjarenplan en meerjarenbegroting. Nu is het zaak dit plan te concretiseren naar een jaarplan en naar concrete kaders voor de operationele managers, specialisten en projectleiders waaraan de tactisch manager leiding geeft. De tactisch manager weet het bieden van duidelijke kaders daarbij te verbinden met het inspireren en motiveren van zijn mensen. Deze kerntaak brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Vertalen van het meerjarenplan van het eigen organisatieonderdeel/werkgebied naar een concreet jaarplan met deelplannen c.q. projecten (bijv. bureauplannen, sectorplannen, clusterplannen), in samenspraak met de operationele managers, specialisten en projectleiders waaraan de tactisch manager leiding geeft.

  • Bepalen welke medewerkers (OM-ers en projectleiders) het meest geschikt zijn om de deelplannen/projecten uit te voeren

  • Opdracht geven aan OM-ers en projectleiders voor de uitwerking van de deelplannen.

  • Begeleiden, motiveren en coachen van de betrokkenen bij het uitwerken van de (project)plannen.

  • Zorgen dat benodigde personeel en middelen (financiën, organisatie, informatie, automatisering, ...) beschikbaar komen om de afdelingsdoelen te bereiken.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie(2)

  • Resultaatgericht (3)

  • Maatschappelijk georiënteerd (2)

  • Politiek-bestuurlijk inzicht (2)

Beoordelingscriteria

  • Deelplannen cq. projecten hebben een rechtstreekse relatie met de afdelingsplannen; hun bijdrage aan de afdelingsdoelen is geëxpliciteerd.

  • De opdrachten (projecten of taakstellingen) aan de operationele managers/projectleiders zijn SMART geformuleerd.

  • De opgestelde projectplannen zijn uitgewerkt volgens de eisen van projectmatig werken.

  • Betrokkenen zijn gemotiveerd om de opdrachten uit te voeren.

Kerntaak 3:. Randvoorwaarden creëren voor de personele zorg en situationeel leidinggeven aan operationele managers/vakspecialisten/projectleiders

Werkzaamheden

De tactisch manager is verantwoordelijk voor de personele zorg van het organisatieonderdeel. Dit betreft de uitvoering van de HRM-taken waarvoor de kaders wettelijk of door de eigen organisatie zijn vastgesteld. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Leidinggeven aan het overleg van zijn organisatieonderdeel.

  • Situationeel leidinggeven aan operationele managers, vakspecialisten en projectleiders bij hun taak als leidinggevende.

  • Zorgdragen voor een goede werkverdeling in relatie tot de competentieontwikkeling van de medewerkers.

  • Voeren van gesprekken uit de P-cyclus met operationele managers, specialisten en projectleiders:

    • POP-gesprekken;

    • functioneringsgesprekken;

    • beoordelingsgesprekken;

    • exitgesprekken.

  • Beslissen binnen gestelde kaders van de organisatie over werving & selectie, benoeming, promotie, ontslag en opleiding.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Visie (2)

  • Coachen (3)

  • Leiderschap (3)

  • Resultaatgericht (3)

  • Plannen, organisseren en coördineren (2)

  • Kostenbewust (2)

Beoordelingscriteria

  • Operationele managers, specialisten en projectleiders hebben duidelijk beeld van de verwachtingen van de tactisch manager t.a.v. hun functioneren.

  • Operationele managers, specialisten en projectleiders voelen zich door de tactisch manager individueel uitgedaagd en gesteund in hun ontwikkeling.

  • Er is sprake van aantoonbare ontwikkeling van operationele managers, specialisten en projectleiders passend bij de organisatiedoelen.

  • De gesprekken uit de P-cyclus voldoen aan lokaal/regionaal gestelde eisen.

Kerntaak 4:. Coördineren, bijsturen en rapporteren van werkzaamheden

Werkzaamheden

Periodiek checkt de tactisch manager of de realisatie van plannen naar wens verloopt. Op basis van de uitkomsten beslist hij over het vervolg en vindt rapportage naar het strategisch management plaats. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Periodiek laten rapporteren m.n. door de operationele managers, projectleiders maar ook andere betrokkenen over de bedrijfsvoering (kwaliteit, kwantiteit, middelen, financiën, bereik van doelen, etc.).

  • Opstellen van een periodieke managementrapportage, over de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelen en benutting van resources.

  • Waar nodig zorgdragen voor passende bijsturing (maatregelen om beoogde resultaten alsnog te behalen, of doelen bijstellen).

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Resultaatgericht (3)

  • Plannen, organiseren en coördineren (3)

  • Analyseren (2)

  • Kostenbewust (2)

  • Communiceren (2)

Beoordelingscriteria

  • Tactisch manager anticipeert op mogelijke problemen en meevallers bij het behalen van de resultaten om waar mogelijk achterblijven van doelen te voorkomen.

  • Managementrapportage voldoet aan de interne voorschriften (format, aspecten, omvang , ...).

  • Besluiten tot bijsturing zijn verantwoord onderbouwd.

  • Het strategisch management is tevreden over de wijze van rapporteren.

Kerntaak 5:. Onderhouden van netwerken met relevante contacten

Werkzaamheden

Voor de tactisch manager binnen de brandweer is het opbouwen en onderhouden van een netwerk cruciaal. Langs deze weg kan hij tijdig anticiperen op ontwikkelingen en is hij ook in beeld bij de andere partijen om door hen betrokken te worden. Dit netwerken brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

  • Identificeren van relevante actoren binnen en buiten de brandweer.

  • Leggen van contacten met actoren.

  • Voeren van overleg met diverse gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke functionarissen, adviseurs, ondernemers, etc. over relevante onderwerpen betreffende het eigen werkgebied.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Leren en reflecteren (3)

  • Ondernemen (3)

  • Netwerken (2)

  • Maatschappelijk georïenteerd (2)

  • Politiek-bestuurlijk inzicht (2)

Beoordelingscriteria

  • Contacten leiden tot verdieping of verscherping van input voor voorstellen voor brandweer.

  • Verkrijgen van medestanders voor voorstellen.

  • Goed imago bij externe partijen van de:

    • brandweer in het algemeen en;

    • tactisch manager in het bijzonder.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement ee. Functie verkenner gevaarlijke stoffen

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub ee Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Verkenner gevaarlijke stoffen

Beschrijving van de functie

De verkenner gevaarlijke stoffen verricht werkzaamheden op het gebied van ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen. In opdracht van een meetplanleider, waarschuwing- en verkenningsdeskundige of eventueel de adviseur gevaarlijke stoffen/ROGS voert hij in het veld metingen en observaties uit ter bepaling van de aanwezigheid van concentraties gevaarlijke stoffen. Bevindingen worden door hem altijd gemeld aan de opdrachtgever. Samen met andere verkenners gevaarlijke stoffen vormt hij een meetploeg.

   
 

Als de verkenner gevaarlijke stoffen het uitrukvoertuig bestuurt bij een prio 1, dient hij de richtlijnen ‘Optische- en geluidssignalen’ toe te passen en aan de eisen voor de functie chauffeur (bijlage e) te voldoen. De taken behorende tot de functie van chauffeur, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen, evenals het daarvoor vereiste competentieniveau, maken geen deel uit van de hier beschreven functie.’

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Uitruk/verkenning

De verkenner gevaarlijke stoffen selecteert de persoonlijke beschermingsmiddelen, controleert deze en trekt deze aan. Hij controleert de inventaris van de WVD-koffer op compleetheid en werking. De verkenner gevaarlijke stoffen ontvangt en registreert de meetopdracht en rukt met de meetploeg uit naar de opgegeven locatie.

Kerntaak 2:. Inzet

De verkenner gevaarlijke stoffen voert metingen en waarnemingen uit.

Kerntaak 3:. Nazorg

De verkenner gevaarlijke stoffen controleert na een inzet de inventaris van de WVD-koffer op compleetheid en werking en vult deze aan. Na afloop van de inzet neemt hij met de ploegleden deel aan de registratie en evaluatie.

Functie: verkenner gevaarlijke stoffen

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

Probleem oplossen

Leren en reflecteren

Inleven

Onafhankelijk

Mondeling communiceren

Uitruk/verkenning

1

1

1

1

       

Inzet

     

1

 

Nazorg

1

1

1

 

1

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis

Overdracht

Expert

Incidentbestrijding

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Uitruk/Verkenning

Werkzaamheden

  • Weet de plaats van de opgedragen meetlocatie te vinden op basis van de opgegeven coördinaten, adressen, meetpunten en actuele meteorologische gegevens.

  • Selecteert de persoonlijke beschermingsmiddelen, controleert en gebruikt deze.

  • Controleert de inventaris van de WVD-koffer op compleetheid en werking.

  • Registreert en verifieert de meetopdracht.

  • Onderhoudt actief contact met MPL en/of AGS met behulp van communicatieapparatuur en rapporteert zijn bevindingen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Problemen oplossen (1)

Beoordelingscriteria

  • Kent en gebruikt de van toepassing zijnde procedures.

  • Is in staat om de voor de taak juiste persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken.

  • Kent de inhoud en de toepassingsmogelijkheden van de WVD-koffer.

  • Is in staat om de meetopdracht te registreren.

  • Past in de communicatie de voorgeschreven procedures toe.

  • Is in staat om in een stressvolle situatie kalm en overwogen te handelen.

  • Is in staat om (in)directe gevaren te herkennen.

  • Is in staat om op afstand gegeven opdrachten uit te voeren.

  • Begeeft zich veilig, snel en via een bovenwindse aanrijdroute naar de opgegeven meetlocatie.

Kerntaak 2:. Inzet

Werkzaamheden

  • Voert metingen uit volgens de beschreven werkwijze in het instructieboek.

  • Bedient de opgegeven meetinstrumenten.

  • Noteert de meetwaarden op het meetregistratieformulier.

  • Rapporteert de resultaten van de meting aan de MPL en/of AGS en handelt er naar.

  • Monitort de omgeving en de weersomstandigheden (meteo) continu m.b.t. de inzet en de eigen veiligheid.

  • Bepaalt de exacte plaats en tijdstip van de meting

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Onafhankelijk (1)

Beoordelingscriteria

  • Heeft basiskennis van gevaarlijke stoffen en meetmethoden.

  • Kent en gebruikt de van toepassing zijnde procedures.

  • Is in staat om een meting volgens het instructieboek uit te voeren, zowel in bron- als effectgebied.

  • Is vaardig in het gebruik van de verschillende meetinstrumenten.

  • Kan de meetwaarden op het meetregistratieformulier op de juiste wijze registreren.

  • Is in staat om (in)directe gevaren te herkennen.

  • Kan de beschermingsmiddelen aanpassen aan de omstandigheden van de meetlocatie.

  • Is in staat om informatie en meetresultaten helder te communiceren.

  • Past in de communicatie de voorgeschreven procedures toe.

  • Is in staat om in een stressvolle situatie kalm en overwogen te handelen.

  • Is in staat om op afstand gegeven opdrachten uit te voeren.

  • Is in staat om zodanig te handelen dat hijzelf, slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en zijn omgeving niet in gevaar komen.

Kerntaak 3:. Nazorg

Werkzaamheden

  • Controleert na een inzet de inventaris van de WVD-koffer op compleetheid en werking en vult deze aan.

  • Maakt overige gebruikte materialen, zoals persoonlijke beschermingsmiddelen en uitrukvoertuig inzetgereed.

  • Neemt met de leden van de WVD-organisatie deel aan een evaluatiegesprek over de inzet en zorgt voor registratie van de inzetgegevens.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Probleem oplossen (1)

  • Leren en reflecteren (1)

  • Inleven (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Kan de WVD-koffer inzetgereed maken na een uitruk.

  • Heeft kennis van het benodigde materieel en materiaal.

  • Is in staat om zorg te dragen voor ontsmetting, verpakking, etikettering en registratie van de door hem gebruikte middelen.

  • Registreert op adequate wijze zijn inzetgegevens in zijn persoonsdossier.

  • Kan constructief deelnemen aan een groepsproces in een nazorgfase (evaluatie- en/of zorggesprek).

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement ff. Functie voertuigbediener

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 1 sub ff Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam

Voertuigbediener

Beschrijving van de functie

De voertuigbediener:

1. werkt samen met de leden van een (blus)eenheid

2. heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de operationele uitvoering en ondersteuning in relatie tot brandbestrijding en hulpverlening, waaronder technische hulpverlening, ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen en waterongevallen, uitgangspunt hierbij is de basisbrandweerzorg;

3. voert opdrachten uit van de leidinggevende en meldt bevindingen altijd aan hem. Indien omstandigheden dit vragen, wordt – onder verantwoordelijkheid van de leidinggevende – op eigen initiatief gehandeld;

4. hanteert de bepakking van de voertuigen waar hij als bediener voor aangewezen is.

   
 

Onder leidinggevende verstaan we hier een bevelvoerder, een manschap B met een leidinggevende taak, een duikploegleider, een OvD, etc.

De voertuigbediener heeft kennis van de taken die behoren tot de functie van Manschap A.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Uitruk/verkenning

De voertuigbediener stelt, in samenwerking met de chauffeur, het voertuig op en creëert een veilige werkomgeving.

Kerntaak 2:. Inzet

De voertuigbediener maakt het voertuig inzetgereed en houdt het operationeel.

Kerntaak 3:. Nazorg

De voertuigbediener draagt zorg voor het inzetgereed maken van het voertuig en neemt deel aan de evaluatie en nazorg.

Functie: voertuigbediener

Kerntaken

Kern

Organisatie

Omgeving

 

Accuraat

Samenwerken

Stressbestendig

probleem oplossen

leren en reflecteren

daadkracht

inleven

onafhankelijk

mondeling communiceren

flexibel

Uitruk/verkenning

1

1

1

           

1

Inzet

1

 

1

 

1

   

Nazorg

 

1

1

1

 

1

 

Vakgebieden

Professie

Niveau

Basis (1)

Overdracht (2)

Expert (3)

Incidentbestrijding

*

   

In supplement gg is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Uitruk/Verkenning

Werkzaamheden

  • Stelt (in overleg met de chauffeur en/of zijn leidinggevende) het voertuig zodanig op dat hij zijn werkzaamheden op een veilige en verantwoorde wijze uit kan voeren.

  • Creëert een veilige werkomgeving rondom het voertuig.

  • Assisteert de chauffeur d.m.v. gidsen.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Flexibel (1)

Beoordelingscriteria

  • Heeft kennis van het toegewezen materiaal.

  • Kan de keuze van zijn opstelplaats motiveren.

Kerntaak 2:. Inzet

Werkzaamheden

Als pompbediener

  • Verzorgt de waterwinning

    • zorgt voor de goede werking van de pomp;

    • verhelpt eenvoudige storingen;

    • voorziet in een ongestoorde waterlevering;

    • maakt gebruik van bluswatervoorzieningen.

  • Bedient het voertuig/de apparatuur

    • houdt de pomp operationeel.

  • Geeft materiaal en middelen uit en neemt deze in.

  • Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.

Als bediener van redvoertuigen

  • Maakt het voertuig inzetgereed.

  • Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.

  • Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.

  • Verhelpt eenvoudige storingen.

  • Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Als bediener van een hulpverleningsvoertuig

  • Maakt het voertuig inzetgereed.

  • Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.

  • Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.

  • Verhelpt eenvoudige storingen.

  • Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Als bediener van een HAB

  • Maakt het materiaal inzetgereed.

  • Bedient het materiaal op een veilige en verantwoorde wijze.

  • Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.

  • Verhelpt eenvoudige storingen.

  • Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Als bediener van de verbindingscommandowagen

  • Maakt het voertuig inzetgereed.

  • Verhelpt eenvoudige storingen.

  • Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Probleemoplossen (1)

  • Daadkracht (1)

  • Onafhankelijk (1)

Beoordelingscriteria

Als pompbediener

  • Heeft oog voor de continue waterlevering op basis van de beschikbare (soorten) bluswatervoorzieningen.

  • Signaleert tijdig storingen aan de apparatuur en kan (kleine) storingen verhelpen.

  • Bedient op de juiste wijze de diverse typen afsluiters.

  • Interpreteert de meters en afsluiters en speelt in op veranderingen.

  • Is zich onder alle omstandigheden bewust van de effecten die zijn handelen met zich mee brengen.

Als bediener redvoertuig

  • Weet op een veilige, verantwoorde en kundige wijze af te stempelen.

  • Moet het voertuig van alle bedienplaatsen kunnen bedienen.

  • Is in staat de noodbediening te hanteren.

  • Moet de korfuitrustingen kunnen bedienen.

  • Moet valbescherming kunnen hanteren.

  • Interpreteert meetinstrumenten en speelt in op veranderingen.

  • Kent de inzet(on)mogelijkheden van het voertuig.

Als bediener hulpverleningsvoertuig

  • Heeft kennis van het gebruik van de bepakking van het voertuig.

  • Kan de in- en aangebouwde gereedschappen bedienen (bijvoorbeeld: lier, lichtmast, aggregaat en kraan).

  • Is op de hoogte van de inhoud en de mogelijkheden van het voertuig.

Als bediener van een HAB (korpsspecifiek)

  • Heeft kennis van de inhoud en het gebruik van de inventaris uit de haakarmbak.

  • Kan de in- en aangebouwde gereedschappen bedienen (bijvoorbeeld: kraan, lier).

  • Kan de specifieke korpsgerichte haakarmbak(ken) bedienen.

Als bediener van de verbindingscommandowagen

  • Kan de randapparatuur van het voertuig aansluiten.

  • Kan het voertuig operationeel maken

Kerntaak 3:. Nazorg

Werkzaamheden

  • Maakt, in samenspraak met de bevelvoerder/leidinggevende, het voertuig/materieel/materiaal inzetgereed.

  • Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.

  • Neemt met de ploegleden deel aan een nazorggesprek na een traumatische ervaring.

Vereiste competenties en niveaus van functioneren

  • Accuraat (1)

  • Samenwerken (1)

  • Stressbestendig (1)

  • Leren en reflecteren (1)

  • Daadkracht (1)

  • Inleven (1)

  • Mondeling communiceren (1)

Beoordelingscriteria

  • Kan constructief deelnemen aan een groepsproces in een nazorgfase.

  • Niet afzonderlijk te beoordelen.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement gg. uitwerking competentiematrix

Competenties

Accuraat

Zorgvuldig en stipt handelen, gericht op het voorkómen van fouten. Nauwkeurig uitvoeren van activiteiten.

Niveau 1:

  • Toetst eigen werk aan geldende procedures, regels en afspraken.

  • Levert correct en volledig werk af.

  • Werkt ook onder druk kwaliteitsgericht, nauwgezet, gedegen en let op details.

Niveau 2:

  • Stimuleert partners/experts in het werken volgens bepaalde procedures, regels en richtlijnen.

  • Ontwerpt en verbetert de kwaliteit van het werk binnen het eigen organisatieonderdeel.

  • Wijkt van procedures, regels en richtlijnen af zodat fouten worden voorkomen of kwaliteit wordt verhoogd.

Niveau 3:

  • Werkt consciëntieus en secuur, ook onder zware druk van meerdere belangen of tijd en wanneer de impact groot is van mogelijke fouten.

  • Initieert en verbetert procedures voor het werk, stimuleert partners/experts procedures te ontwikkelen en te verbeteren.

  • Coördineert en corrigeert de werkzaamheden van meerdere personen/diensten, zodat fouten worden voorkomen en kwaliteit wordt verhoogd.

  • Heeft oog voor het cruciale belang van veiligheid onder alle omstandigheden, kan kritisch met mededelingen/informatie omgaan.

Analyseren

Systematisch onderzoeken en alloceren van problemen en vragen. Ontleden van relevante informatie, achtergronden en structuren. Verbanden leggen tussen gegevens en overzien van relaties tussen oorzaak en gevolg.

Niveau 1:

  • Deelt problemen op in onderdelen, haalt de kern naar voren.

  • Legt verbanden, doorziet structuren en trekt conclusies uit beschikbare informatie.

  • Selecteert systematisch gegeven, gebruikt meerdere informatiebronnen en structureert en interpreteert gegevens.

  • Toetst relevantie van beweringen en onderbouwing argumenten.

Niveau 2:

  • Bekijkt uit een veelheid van vaak niet complete informatie moeilijke vraagstukken vanuit meerdere invalshoeken.

  • Vertaalt gestelde vragen naar beleidsvragen.

  • Onderzoekt alternatieven om zich een oordeel te vormen en omschrijft scenario’s met relaties tussen oorzaak en gevolg.

  • Overziet gevolgen van besluiten op termijn; redeneert logisch wat de effecten van acties zijn.

Niveau 3:

  • Bekijkt ingewikkelde vraagstukken vanuit meerdere invalshoeken met gevolgen op lange termijn; doorziet belangentegenstellingen.

  • Denkt ook over de grenzen van het eigen werkterrein heen.

  • Doorziet problemen en oplossingen die pas op lange termijn spelen.

  • Heeft oog voor – kritische – informatie en activiteiten en beziet de mogelijkheden hiervan voor de rampenbestrijdingsorganisatie.

Arbeidsveiligheid

Arbeidsveiligheid kenmerkt zich in het gedrag van de werknemer waarin hij zijn taak uitvoert zonder effecten te ondervinden van slechte arbeidshygiëne of een arbeidsongeval. Om dit te kunnen zal de werknemer tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden verschillende vormen/niveaus van risicoanalyse uitvoeren.

Niveau 1:

  • Herkent risico’s in de directe werkomgeving en geeft deze door aan collega’s en leidinggevenden.

  • Kent de beperkingen van verstrekte veiligheidsmiddelen.

  • Reageert op onveilig handelen van collega’s.

  • Weegt verschillende mogelijkheden af en kiest de meest veilige.

  • Hanteert uitgangspunten van arbeidshygiëne bij het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Niveau 2:

  • Herkent de ontwikkeling van een incident en de daaraan gekoppelde risico’s voor brandweerpersoneel.

  • Kent de mogelijkheden en beperkingen van bestrijdingsmiddelen en veiligheidsmiddelen.

  • Maakt een afweging tussen te behalen resultaat en het risico voor personeel (taak – risicoanalyse).

  • Is proactief in het nemen van veiligheidsmaatregelen.

  • Bevordert en ziet toe op de naleving van goede arbeidshygiëne.

Niveau 3:

  • Herkent de invloed van een incident op de veiligheid van de omgeving.

  • Maakt een afweging tussen bestrijden en controleren op basis van de risico’s voor het eigen personeel en de omgeving (Taak-risico- analyse).

  • Herkent mogelijk domino-effecten op het gebied van arbeidsveiligheid en arbeidshygiëne.

  • Is proactief in het nemen van veiligheidsmaatregelen.

Daadkracht

Op adequate en krachtige wijze nemen van beslissingen op basis van een inzichtelijke afweging en eigen oordeel, ook als kennis en/of informatie beperkt is en tevens het uitvoeren en afronden van activiteiten. Handelen naar en ‘staan voor’ een genomen besluit (van zichzelf of een ander).

Niveau 1:

  • Handelt moedig in lastige situaties, neemt verantwoorde risico’s.

  • Neemt beslissingen op grond van relevante informatie en duidelijke feiten, waarbij de gevolgen van de besluiten voorspelbaar zijn.

  • Neemt en motiveert beslissingen binnen het eigen werkterrein.

  • Blijft achter gemaakte keuzen (van zichzelf of van partners/experts) staan.

Niveau 2:

  • Neemt op basis van feitelijke informatie besluiten die partners en/of gedupeerden betreffen.

  • Hakt knopen door, ook in onzekere situaties; motiveert het genomen besluit met het oog op acceptatie door betrokkenen.

  • Benoemt de gevolgen van het besluit voor zichzelf en partners/experts en houdt daar bij de besluitvorming rekening mee.

  • Blijft standvastig en toont durf in onzekere/lastige situaties.

Niveau 3:

  • Neemt, zo nodig op basis van onvolledige informatie, besluiten die implicaties hebben voor de gehele rampenbestrijdingsorganisatie.

  • Betrekt partners/experts bij de besluitvorming in complexe situaties, vraagt terugkoppeling en streeft naar draagvlak voor het genomen besluit.

  • Neemt een besluit in heroverweging wanneer de wijzigende omstandigheden daarom vragen.

  • Durft buiten gebaande paden te treden bij het oplossen van vastzittende, complexe kwesties.

Flexibel

Aanpassen van de eigen stijl, benadering en gedrag aan wisselende eisen en omstandigheden. Openstaan voor nieuwe ideeën en actief zoeken naar alternatieven om het gestelde doel te bereiken.

Niveau 1:

  • Pakt nieuwe zaken snel op, ook bij aangrenzende werkzaamheden.

  • Interpreteert regels en richtlijnen en richt zich daarbij op de bedoeling van de vastgestelde regels.

  • Accepteert dat werkzaamheden door partners/experts en door omstandigheden bepaald worden en handelt daarnaar; staat open voor veranderingen en verbeteringen die partners/experts voorstellen.

  • Past gedrag aan bij veranderende omstandigheden/schakelt snel tussen verschillende werkzaamheden.

Niveau 2:

  • Improviseert bij onvoldoende of onduidelijke informatie: past daarbij eigen stijl en gedrag aan.

  • Verbetert zijn werkwijze door te anticiperen op veranderende omstandigheden; wisselt van methode of aanpak.

  • Schakelt gemakkelijk tussen eigen werk en werk van partners/experts.

Niveau 3:

  • Verandert in geval van kansen of problemen eigen gedragsstijl om gesteld doel te bereiken; brengt afhankelijk van de situatie variatie in eigen gedragsstijl aan.

  • Balanceert tussen diverse belangen en partijen; is intermediair.

  • Schakelt bij weerstand over op een aanpak die wel tot het gestelde doel leidt.

Incidentbestrijding

Dit vakgebied omvat de repressieve taken van de rampenbestrijdingsorganisatie, zoals het operationeel leidinggeven dan wel adviseren bij incidenten van verschillende schaalgrootten (zowel mono- als multidisciplinair). Ook de aan het operationeel optreden gelieerde aandachtsgebieden zoals evaluaties, bedrijfsopvang, nazorg, procedures (w.o. alarmerings- en opschalingsprocedures), Arbowetgeving en andere wettelijke kaders vallen onder dit vakgebied.

Basisniveau (1):

  • Is in staat om informatie en gegevens te reproduceren en deze kennis toe te passen binnen het eigen expertgebied.

Overdrachtsniveau (2):

  • Is in staat om buiten het eigen expertgebied te treden en zodoende verbanden met gerelateerde vakgebieden te leggen. Is in staat om eigen expertise over te dragen.

Expertniveau (3):

  • Treedt op als vraagbaak en klankbord voor anderen en wordt binnen de organisatie benaderd als autoriteit op het betreffende expertgebied.

Inleven

Onderkennen van gevoelens en behoeften van anderen. Verplaatsen in anderen en zich bewust tonen van de invloed van het eigen handelen.

Niveau 1:

  • Beïnvloedt het gesprek en de sfeer door gevoelens te benoemen, stuurt het gesprek in de juiste richting en houdt de relatie goed; beheerst de eigen emoties.

  • Toont belangstelling, luistert actief, vraagt door, houdt rekening met eigen emoties en die van anderen en reflecteert hierop.

  • Houdt rekening met omstandigheden en praktijkervaringen van partners/experts en toont begrip en waardering.

  • Communiceert open en durft eigen vragen, zorgen en leerpunten bespreekbaar te maken.

Niveau 2:

  • Is zichtbaar beschikbaar en aanwezig als leider/expert, is op het juiste moment op de juiste plaats.

  • Stimuleert en helpt partners/experts om gevoelens bespreekbaar te maken, maakt ruimte voor emotie binnen de organisatie en kalmeert partners/experts als emoties de overhand dreigen te krijgen.

  • Spreekt partners/experts aan op hun ontwikkeling en bijdrage; stelt zich daarbij kritisch op vanuit een begripvolle houding.

  • Stelt zich kwetsbaar op en heeft oog voor gevoeligheden ten aanzien van eigen gedrag.

Niveau 3:

  • Creëert veiligheid in de rampenbestrijdingsorganisatie waardoor partners/experts zich durven uiten; spreekt medewerkers aan authentiek gedrag te tonen.

  • Onderkent rollen en posities en respecteert deze door de partner/expert hierop te benaderen zonder de strijd aan te gaan.

  • Bindt partners/experts aan de rampenbestrijdingsorganisatie door eigen optreden en persoonlijke uitstraling.

  • Wisselt van stijl/gedrag om bewustwording bij de partner/expert te realiseren of om gedragspatronen te doorbreken of te versterken.

Innoveren en creativiteit

Creëren van nieuwe en originele ideeën, werkwijzen en toepassingen door het combineren van formele en informele informatie, bestaande en nieuwe oplossingen/aanpakken.

Niveau 1:

  • Heeft niet voor de hand liggende, frisse ideeën voor nieuwe werkwijzen of methoden.

  • Genereert nieuwe ideeën in het werk; ook samen met partners/experts.

  • Betreedt bij tegenslagen nieuwe paden of bedenkt alternatieve oplossingen.

  • Speelt met nieuwe ideeën en benaderingen in op veranderingen.

Niveau 2:

  • Improviseert bij onvoldoende of onduidelijke informatie.

  • Stimuleert partners/experts tot creatief denken en handelen.

  • werkt proactief bij mogelijke problemen in een complexe omgeving en stelt alternatieve oplossingen voor; toont assertief gedrag.

  • Improviseert in complexe situaties.

Niveau 3:

  • Ontwikkelt vernieuwde, oorspronkelijke ideeën en inzichten die een effect hebben op een brede omgeving.

  • Benadert vraagstukken uit een andere invalshoek.

  • Maakt zich los uit bestaande denkkaders en maakt zo nieuwe wegen zichtbaar, waardoor nieuwe oplossingsrichtingen ontstaan; zoekt en creëert ruimte.

(taakgericht) Leiderschap

Op inspirerende wijze richting geven. Tonen van voorbeeldgedrag. Delegeren. Randvoorwaarden scheppen en mensen motiveren zodat resultaten bereikt worden. Charisma.

Niveau 1:

  • Brengt eigen denkbeelden onder woorden en toetst deze.

  • Begeleidt partners/experts in het realiseren van doelen; geeft heldere instructies en houdt toezicht op de prestaties.

  • Wijst deel van de eigen taken toe aan de juiste persoon; geeft hierbij eigen verwachtingen, gewenst resultaat en eigen verantwoordelijkheid van de persoon aan.

  • Staat open voor vragen, wekt vertrouwen en motiveert partners/experts.

Niveau 2:

  • Geeft partners/experts de ruimte om besluiten te beïnvloeden uit eigen ambities zodat betrokkenheid en inspiratie hiervoor bij partners/experts ontstaat.

  • Verdeelt werkzaamheden zodanig dat deze aansluiten op talenten en ambities van het personeel; toetst het resultaat op kwaliteit.

  • Neemt op ‘natuurlijke wijze’ het voortouw, betrekt partners/experts en motiveert hen voor het realiseren van gemeenschappelijke doelen.

Niveau 3:

  • Geeft partners/experts ruimte om besluiten te nemen en ondersteunt hen bij het realiseren van collectieve ambitie.

  • Draagt de eigen visie uit en wordt op grond daarvan door partners/experts binnen en buiten de eigen werkomgeving gevraagd bijdrage te leveren aan hun ambities.

  • Creëert ruimte en mogelijkheden voor personeel om werkzaamheden op eigen (en eventueel andere) wijze uit te voeren.

  • Inspireert partners/experts om hun visie te delen en om draagvlak en betrokkenheid hiervoor te realiseren.

Leren en reflecteren

Terugkijken op het eigen functioneren en het gedrag daaraan aanpassen of ondernemen van ontwikkelacties om tot verbetering van eigen functioneren en vaardigheden te komen. Je kwetsbaar durven opstellen en fouten durven maken. Actief werken aan zelfontwikkeling.

Niveau 1:

  • Stelt zich vragend op en toont wil om te leren.

  • Vraagt feedback op eigen functioneren, luistert actief en vraagt door.

  • Zet met behulp van feedbackgever concrete feedback om in acties.

  • Volgt (nieuwe) ontwikkelingen in eigen vakgebied.

Niveau 2:

  • Doorziet eigen leerstijl en herkent andere mogelijke leerstijlen.

  • ziet sterke en zwakke kanten in eigen functioneren en vraagt hier gericht op door bij partners/experts.

  • Leert van en met partners/experts; formuleert leerdoelen en zet deze om in acties

  • Vertaalt ontwikkelingen in het vakgebied naar de praktijk.

Niveau 3:

  • Reflecteert op eigen ervaringen; herkent verbeterpunten en verbetert gedrag in volgende situaties.

  • Doorziet eigen leerprocessen en herkent bevorderende en belemmerende factoren voor leren.

  • Stelt eigen ontwikkelplan op met langere termijn doelstellingen en onderneemt gerichte acties.

Maatschappelijk georiënteerd

Laten blijken geïnformeerd te zijn over maatschappelijke en politieke ontwikkelingen of andere omgevingsfactoren en deze kennis effectief benutten voor de eigen functie of organisatie.

Niveau 1:

  • Legt contact en stemt af met relevante personen en instanties binnen en buiten de organisatie; stelt zich betekenisvol voor partners/experts op.

  • Communiceert helder wat de burger van de brandweer mag/kan verwachten, toont zich daarbij hulpvaardig en zoekt feedback uit de samenleving.

  • Doorziet maatschappelijke tendensen en ontwikkelingen en vertaalt deze naar aanbevelingen voor de organisatie.

  • Analyseert mogelijke gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen voor de rampenbestrijdingsorganisatie en initieert acties.

Niveau 2:

  • Stimuleert en stuurt hulpverleningsdiensten hun eigen netwerk te ontwikkelen.

  • Houdt rekening met nieuwswaarde en mogelijke positieve en negatieve publiciteit bij gebeurtenissen en beslissingen.

  • Onderkent de invloed van externe factoren en ontwikkelingen en vertaalt deze in een lange termijn perspectief op de rampenbestrijdingsorganisatie; handelt proactief.

  • Vertaalt problemen in de omgeving naar de inrichting van de organisatie en processen in de rampenbestrijdingsorganisatie; geeft vorm aan het optreden.

Niveau 3:

  • Onderhoudt actief een persoonlijk netwerk van relevante en invloedrijke personen en instanties en benut deze.

  • Levert een bijdrage aan het maatschappelijke debat en geeft mede vorm aan de oplossing van vraagstukken en dilemma’s.

  • Heeft een visie op trends en ontwikkelingen in de maatschappij en destilleert hieruit onderwerpen voor de bestuurlijke agenda.

  • Speelt proactief in op vraagstukken/dilemma’s uit de maatschappij en vertaalt deze naar de eigen organisatie.

Mondeling communiceren

Ideeën, meningen en informatie aan anderen overdragen in voor de ontvanger begrijpelijke taal, gebaren en non-verbale signalen. Tactvol en effectief reageren op behoeften en gevoelens van anderen, taal en terminologie aanpassen aan de doelgroep (incl. Engels).

Niveau 1:

  • Drukt zich zowel mondeling als schriftelijk goed uit bij contacten van verschillend niveau, onderbouwt de boodschap met duidelijke argumenten.

  • Stelt zich open en onbevooroordeeld op in een gesprek, interpreteert verbale en non-verbale signalen en vraagt na of de boodschap goed begrepen is.

  • Formuleert tactvol, stemt taal, gebaren en houding af op de behoefte en belangen van de ander.

  • Stelt open vragen en vraagt door; geeft feedback wanneer daar om wordt gevraagd.

  • Redigeert interne documenten en schrijft documenten voor extern gebruik.

Niveau 2:

  • Formuleert complexe vraagstukken en ‘slechte boodschappen’ helder, eenduidig en gestructureerd.

  • Verzorgt samenhangende presentaties voor de hulpverleningsdiensten.

  • Houdt bij contacten van verschillend niveau rekening met afwijkende behoeften en belangen; herkent tegenstellingen en kiest een geschikt communicatiekanaal/middel.

  • Neemt het initiatief en stuurt in gesprekken, houdt rekening met de invloed van wat hij zegt.

Niveau 3:

  • Voert complexe gesprekken met personen op strategisch niveau over gevoelige onderwerpen met tegenstellingen in belangen en/of taalverschillen.

  • Herkent persoonlijke belangen en kiest een geschikte manier om de ander te beïnvloeden; zet verschillende invloedstijlen effectief in.

  • Beïnvloedt en stuurt het gesprek en de sfeer door gevoelens te benoemen, ook wanneer bij de ander geen respect lijkt te bestaan.

Onafhankelijk

Zelfstandig en zelfbewust werken. Om kunnen gaan met eisen, veranderingen en hindernissen. Eigen standpunten innemen en verdedigen, rekening houdend met de missie van de organisatie.

Niveau 1:

  • Vertrouwt op zichzelf, maakt zelfstandig keuzen binnen het eigen takenpakket en aandachtsgebied en laat zich daarbij niet weerhouden door belemmeringen.

  • Vraagt feedback en hulp op het juiste moment op basis van een inschatting van de eigen kennis en vaardigheden.

  • Werkt zelfstandig en vaart duidelijk een eigen koers binnen gestelde kaders.

Niveau 2:

  • Wijzigt de eigen werkzaamheden zelfstandig bij veranderende omstandigheden.

  • Komt op voor de eigen belangen, toont zich zelfbewust en is weerbaar.

  • Neemt verantwoorde risico’s op eigen aandachtsgebied.

Niveau 3:

  • Loopt voorop bij strategische veranderingen en uitdagingen; ziet deze als kansen.

  • Houdt bij druk vast aan persoonlijke overtuiging wanneer daarop kritiek wordt geleverd of druk wordt uitgeoefend om zich aan te passen.

  • Durft zich kwetsbaar op te stellen en neemt risico’s.

Oordelen

Op basis van beschikbare informatie en ervaring en met inachtneming van de heersende waarden en normen tot een mening komen die als geldig erkend wordt.

Niveau 1:

  • Weegt complexe gegevens af en komt op overwogen en vastberaden wijze, rekening houdend met geldende normen en waarden tot een eigen mening.

  • Maakt onderscheid tussen vaststaande feiten en meningen van derden en betrekt hierbij de eigen ervaringen.

  • Schetst verschillende perspectieven en opinies en stelt hun pro’s en contra’s vast alvorens tot actie over te gaan.

Niveau 2:

  • Komt op basis van onvolledige informatie tot eigen mening, redeneert logisch en betrekt partners/experts in beeldvorming.

  • Betrekt verschillende alternatieven bij de oordeelsvorming en houdt rekening met onzekere of tegenstrijdige factoren.

  • Toetst plannen aan doelstellingen, brengt de gevolgen voor de lange termijn in kaart en doet uitspraken over te nemen acties.

Niveau 3:

  • Komt op basis van tegenstrijdige informatie tot een gewogen mening en beïnvloedt daarmee de richting voor de rampenbestrijdingsorganisatie.

  • Betrekt een breed scala aan alternatieve opvattingen en meningen in de oordeelsvorming en houdt rekening met gevolgen voor de betrokken partijen.

  • Schetst de mogelijke gevolgen van plannen en meningen in situaties met een hoge mate van onzekerheid en complexiteit.

Plannen, organiseren en coördineren

Vanuit een vastgesteld doel bepalen welke taken/activiteiten georganiseerd en gepland moeten worden en daar naar handelen. Bepalen van prioriteiten en aangeven van een volgorde van werkzaamheden.

Niveau 1:

  • Plant eigen werkzaamheden, stemt deze planning af met partners/experts.

  • Werkt ordelijk en systematisch volgens vooraf opgestelde planning.

  • Heeft overzicht over eigen werkzaamheden; toetst eigen voortgang.

  • Wendt de juiste middelen aan die nodig zijn om de planning te realiseren.

  • Stelt doelen en prioriteiten voor zichzelf.

Niveau 2:

  • Stemt eigen werkzaamheden af op werkzaamheden van partners/experts en plant, zo nodig, werkzaamheden van partners/experts.

  • Houdt overzicht over de werkzaamheden van partners/experts, bewaakt de voortgang en wendt op het juiste moment de juiste middelen aan.

  • Brengt een heldere en logische structuur aan in het eigen werk en in het werk van partners/experts.

  • Anticipeert op factoren die van invloed kunnen zijn op de planning en speelt hier waar nodig op in.

Niveau 3:

  • Ondersteunt en stuurt partners/experts aan bij de planning en uitvoering van hun werkzaamheden en bewaakt de voortgang.

  • Coördineert veel werkzaamheden die inhoudelijk van elkaar verschillen, met een langere doorlooptijd of met gevolgen voor de langere termijn.

  • Houdt op elk moment en op elk niveau het overzicht van werkzaamheden en stuurt indien nodig bij op hoofdlijnen.

  • Anticipeert op onverwachte gebeurtenissen die van invloed zijn op de planning en past de planningen en doelstellingen hierop aan.

Politiek-bestuurlijk inzicht

Anticiperen op en onderkennen van de relevantie van gebeurtenissen die van invloed zijn op de positionering van de brandweer en rampenbestrijdingsorganisatie in de politiek-bestuurlijke context.

Niveau 1:

  • Houdt rekening met de consequenties van eigen acties voor partners in het bestuurlijke proces.

  • Verdiept zich in te maken politieke afwegingen en levert relevante en objectieve informatie aan.

  • Manoeuvreert tussen formele en informele (machts)verhoudingen en de eigen positie binnen de politiek-bestuurlijke context.

  • Doorziet politieke ontwikkelingen en vertaalt deze in aanbevelingen voor de organisatie.

Niveau 2:

  • Handelt in afweging tussen (korte termijn) politieke belangen en (lange termijn) belangen van de brandweer/rampenbestrijdingsorganisatie.

  • Stelt met bestuurlijk/justitiële omgeving gezamenlijk doelen met inachtneming van de wettelijke vastgestelde kaders.

  • Vertegenwoordigt de brandweer op relevant bestuurlijk niveau; brengt belangwekkende onderwerpen onder de aandacht zodat deze op de bestuurlijke agenda komen.

  • Vertaalt politieke issues naar de organisatie en zorgt voor verbinding met het operationele werk.

  • Stelt, vanuit verschillende invalshoeken, een diagnose voor complexe vraagstukken en schat de langetermijngevolgen in.

Niveau 3:

  • Schat politiek-bestuurlijke belangen in, betrekt actoren in besluitvorming en deelt het succes met bestuurders.

  • Benut het politiek-bestuurlijk krachtenveld rondom de brandweer en de ontwikkeling van de rampenbestrijdingsorganisatie, stemt zijn handelen af op dit krachtenveld en sluit allianties.

  • Legt relaties tussen de verwachte resultaten voor de eigen organisatie en criteria voor andere schakels in de bestuurlijke keten.

Probleem oplossen

Het signaleren van (potentiële) problemen/knelpunten en deze zelfstandig of in samenwerking met anderen verhelpen.

Niveau 1:

  • Signaleert tijdig knelpunten binnen het eigen organisatieonderdeel en lost deze binnen de gestelde kaders op.

  • Formuleert binnen gestelde kaders verschillende alternatieven of oplossingen.

  • Dringt door tot de kern van het probleem; achterhaalt onderliggende oorzaken om herhaling te voorkomen.

  • Voorziet problemen en anticipeert hierop.

Niveau 2:

  • Anticipeert op knelpunten buiten het eigen organisatieonderdeel, reageert snel en doeltreffend bij problemen en onverwachte gebeurtenissen.

  • Analyseert problemen, achterhaalt de werkelijke vraag achter het probleem, ook zonder eigen inhoudelijke expertise.

  • Formuleert verschillende passende oplossingen en helpt partners/experts bij het oplossen van problemen wanneer zij hier niet uit komen.

Niveau 3:

  • Lost complexe problemen op strategisch niveau op, benoemt naast knelpunten tevens verschillende alternatieven en schetst consequenties en verloop van oplossingsmogelijkheden; denkt in scenario’s.

  • Structureert, reflecteert, vraagt door en helpt zodoende ook partners/experts om tot oplossingen of alternatieven te komen.

  • Treedt op als bemiddelende derde partij; begeleidt partners/experts bij oplossen van problemen door het geven van handvaten.

Resultaatgericht

Formuleert doelstellingen helder, concreet en meetbaar en maakt duidelijke afspraken. Houdt zich aan de voortgang en informeert en rapporteert daarover. Denkt vooruit.

Niveau 1:

  • Stelt samen met partners/experts meetbare en haalbare doelen en maakt duidelijke afspraken over gewenste kwaliteit, middelen en tijdspad.

  • Stelt prioriteiten en komt gemaakte afspraken na.

  • Plant zelfstandig het eigen werk om gewenste resultaten te realiseren en past, indien relevant, het concept van projectmatig werken toe.

  • Maakt resultaten van het eigen werk zichtbaar en communiceert hierover naar partners/experts; overlegt tijdig met partners/experts over knelpunten.

  • Toetst activiteiten tussentijds op hun bijdrage aan het te bereiken resultaat, stuurt activiteiten die dat niet doen bij.

Niveau 2:

  • Stelt een actieplan op en benoemt daarin de beheers-aspecten; voert dit samen met partners/experts uit.

  • Toetst de voortgang van activiteiten, stuurt bij en bewaakt het proces.

  • Ondersteunt partners/experts bij het opstellen van meetbare doelstellingen, geeft hen middelen om (tussen)resultaten te halen en stelt hierbij meetbare deadlines en normen voor resultaten en gedrag.

Niveau 3:

  • Stelt meetbare strategische doelstellingen op en definieert de resultaten op langere termijn; maakt de voorwaarden duidelijk die nodig zijn om deze resultaten te bereiken en vult deze in.

  • Zorgt voor heldere structuren, taakverdeling en procedures die een effectieve en efficiënte inzet van medewerkers bevordert.

  • Spreekt zichzelf en partners/experts tijdig en regelmatig aan op het nakomen van afspraken en het realiseren van doelstellingen; achterhaalt achterliggende oorzaak bij niet nakomen van afspraken en stuurt bij.

Risico’s en veiligheid

Dit vakgebied omvat het onderwerp risico’s en veiligheid. Het gaat hierbij om onder meer de aandachtsgebieden risicomanagement, risicoanalyses, risicocommunicatie, integraal veiligheidsbeleid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid.

Basisniveau (1):

  • In staat om informatie en gegevens te reproduceren en deze kennis toe te passen binnen het eigen expertgebied.

Toepassings- en overdrachtsniveau (2):

  • Is in staat om buiten het eigen expertgebied te treden en zodoende verbanden met gerelateerde vakgebieden te leggen. Is in staat om eigen expertise over te dragen.

Expertniveau (3):

  • Treedt op als vraagbaak en klankbord voor anderen en wordt binnen de organisatie benaderd als autoriteit op het betreffende expertgebied.

Samenwerken

Zich inzetten om met anderen resultaten te bereiken en daarmee bijdragen aan een gezamenlijk doel. Denken en handelen vanuit gemeenschappelijke belangen.

Niveau 1:

  • Draagt bij aan het gemeenschappelijk doel en komt afspraken na; informeert partners/experts over eigen activiteiten en houdt zich op de hoogte van activiteiten van partners/experts.

  • Toont belangstelling voor collega’s en helpt hen op verzoek.

  • Vraagt collega’s naar hun mening en geeft eigen mening.

Niveau 2:

  • Streeft gezamenlijke doelen na; wisselt informatie en ideeën uit met partners/experts en geeft en vraagt reacties.

  • Biedt gevraagd en ongevraagd hulp aan partners/experts en vraagt zelf om hulp van partners/experts; maakt meetbare afspraken.

  • Doet concessies om tot gezamenlijk doel of resultaat te komen; stelt op basis van meningen van partners/experts eigen gedachten/handelingen bij.

Niveau 3:

  • Zoekt actief samenwerking met partners/experts op en stuurt daarbij op gemeenschappelijke belangen; betrekt partners/experts in besluitvorming en komt met hen tot gemeenschappelijk doel en aanpak.

  • Doet actief aan kennisoverdracht door eigen kennis en ervaringen te delen en partners/experts te motiveren hun expertise in te brengen.

  • Beweegt partners/experts tot samenwerken en zorgt ervoor dat het resultaat wordt ervaren als een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Stressbestendig

Kalm, objectief en effectief blijven functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel. Om kunnen gaan met weerstanden.

Niveau 1:

  • Geeft bij (tijds)druk voorrang aan bepaalde zaken in het eigen werk en blijft doeltreffend handelen.

  • Bewaakt eigen grenzen van kennen en kunnen.

  • Accepteert tegenwerpingen als onvermijdelijk, ziet het betrekkelijke hiervan in.

  • Laat zich niet meeslepen in emotionele meningsverschillen.

Niveau 2:

  • Stelt partners/experts gerust met kalm optreden.

  • Zorgt bij (tijds)druk dat het team of de afdeling doeltreffend blijft werken door te bepalen welke zaken voorrang hebben.

  • Houdt onder druk vast aan het eigen oordeel.

  • Luistert naar de kritiek van partners/experts, erkent reële punten en gebruikt deze.

Niveau 3:

  • Houdt onder grote druk en bij complexe situaties vast aan het eigen standpunt; past bij problemen of tegenstand de aanpak aan.

  • Herkent stressfactoren en maakt deze bespreekbaar door het proces met partners/experts te analyseren.

  • Presteert langdurig goed onder tijdsdruk, tegenslag en complicaties.

  • Schermt partners/experts af van stress door (tijds)druk en zorgt dat het werk hier geen schade van ondervindt.

Bijlage A. behorende bij artikel 1 lid 1 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement hh. Leiderschapsprofiel

Profiel: tactisch leidinggevende

Rol

Competentie

Gedrag

Brandweer-vakman

Verbinden met het vakmanschap

Op generiek niveau beschikken over voldoende brandweerinhoudelijke kennis en kunde om deze rol goed in te kunnen vullen.

Kijkt door de ogen van de vakman naar het toekomstbeeld van de organisatie en levert daarmee een bijdrage aan de visievorming.

Visie

Het toekomstbeeld uitdragen en de visie vertalen van de organisatie naar de vakmensen in het team/ eigen organisatieonderdeel.

Vertaalt op een concrete en aansprekende wijze visie naar uitvoering en geeft hierbij concrete mogelijkheden en beperkingen aan.

Kan de visie enthousiast vertalen naar concrete beelden en voorstellingen.

Maakt zich de visie eigen en vertaalt deze op enthousiaste wijze naar een verhaal voor zijn/haar organisatiedeel.

Manager

Resultaatgerichtheid

Het helder stellen van doelen (SMART) en het behalen van resultaten conform tijdpad, normen en afspraken.

Stelt heldere doelen voor de eigen afdeling, in overleg met medewerkers en leidinggevenden.

Vertaalt de doelen naar concrete resultaatafspraken met mensen ten aanzien van tijd, middelen en geld.

Aansturen

Zorgen dat medewerkers bijdragen aan de doelstellingen, de juiste randvoorwaarden scheppen daarvoor en zorgen voor de juiste middelen.

Bewaakt de voortgang en stuurt bij op resultaat of proces waar nodig.

Schept de juiste voorwaarden in het organisatie onderdeel om resultaat te kunnen behalen (bijvoorbeeld budget regelen).

Teamcoach

Inspireren

Medewerkers inspireren het beste uit zichzelf te halen en uit het team.

Legt enthousiast het doel van de visie en het waarom uit.

Enthousiasmeert en brengt medewerkers in beweging door beelden te schetsen en verhalen te vertellen die aansluiten bij de belevingswereld van het team.

Teamgericht coachen

Coachen van één of meerdere teams. Duurzame samenwerkingsrelaties tot stand brengen.

Bevordert zelfsturing en zelfregulering in het team en houdt tegelijkertijd het doel van het team in zicht.

Schept een open, respectvolle, veilige en transparante omgeving voor het optimaal functioneren van het team.

Geeft ruimte aan verschillende meningen en biedt de mogelijkheid te leren van (elkaars) fouten.

Creëert voldoende gelegenheid om de teameffectiviteit te bespreken (kwaliteit van de teamleden, de samenstelling en de randvoorwaarden).

Coach

Inlevingsvermogen

Luisteren naar en meedenken met anderen, onderkennen van gevoelens en behoeften van anderen, zich verplaatsen in anderen en bewust omgaan met verschillende achtergronden en belangen.

Legt gemakkelijk contact en maakt verbinding met mensen.

Staat open voor de ideeën en meningen van anderen, ook als deze niet overeenkomen met het eigen standpunt, neemt de tijd voor mensen en

luistert actief.

Signaleert (in)directe signalen en weerstand en speelt daar actief en effectief op in door contact te zoeken met de medewerker.

Ontwikkelen

Anderen stimuleren en ondersteunen bij hun persoonlijke ontwikkeling. Een stimulerende leeromgeving creëren ten behoeve van een lerende organisatie.

Bespreekt kwaliteiten, talenten en beperkingen met de medewerker en

geeft feedback op gedrag.

Faciliteert individuele ontwikkeling, enerzijds door de juiste voorwaarden te scheppen, anderzijds door medewerkers te stimuleren.

Zorgt ervoor dat de individuele ontwikkeling van medewerkers in lijn ligt met de organisatie behoefte, stuurt waar nodig bij.

Veranderaar

Overtuigen en beïnvloeden

De juiste veranderingsaanpak/ stijl toepassen om mensen binnen en buiten de organisatie mee te krijgen met relevante veranderingen binnen en buiten de organisatie. In staat zijn om instemming te krijgen voor ideeën en voorstellen.

Past de juiste veranderstijl toe (zowel top down als bottom up).

Enthousiasmeert en zet aan tot verandering bij de relevante partijen binnen en buiten de brandweer.

Innoveren

Ruimte geven in de zin van tijd en geld en nieuwe, originele ideeën, werkwijzen en toepassingen stimuleren. Deze zelf ook hebben. Open staan voor en initiëren van toekomstige vernieuwing van strategie, werkwijzen en bedrijfsvoering.

Geeft ruimte aan initiatieven en nieuwe ontwikkelingen, zowel top down als bottom up.

Stimuleert een omgeving waarin medewerkers lef tonen, risico’s durven nemen en waar mislukkingen niet bestaan (‘fouten maken mag’).

Is maatschappelijk sensitief, volgt de ontwikkelingen in de buitenwereld en ziet de verbanden met en mogelijkheden voor de brandweerwereld.

Netwerker

Omgevingsbewustzijn

Relevante ontwikkelingen volgen in de omgeving van de organisatie en deze kennis benutten ten behoeve van de organisatie en/of het vakgebied.

Heeft goed zicht op de ontwikkelingen in interne en externe netwerken en

participeert actief in deze netwerken.

Is zich bewust van zijn omgeving, met name ook op het politiek-bestuurlijke vlak.

Is bekend met de agenda’s en belangen van de netwerkpartners en kan

hierop anticiperen ten einde een win-win situatie te creëren.

Verbindend vermogen op relatie en inhoud

In staat zijn op zowel de relatie als de inhoud verbinding te maken met belangrijke stakeholders.

Is zich bewust van relaties en verhoudingen in het netwerk, zowel tussen individuen als tussen groepen in het netwerk.

Gaat op zoek naar gezamenlijke belangen in de relatie met stakeholders en is daardoor in staat eigen doelstellingen te realiseren.

Is een teamspeler in de samenwerking met andere tactische leiders binnen de organisatie.

Profiel: operationeel leidinggevende

Rol

Competentie

Gedrag

Brandweer-vakman

Vakmanschap

Bevorderen van kennisdeling en bewustzijn over de eisen die worden gesteld aan het vakmanschap.

Laat zien over voldoende kennis en vaardigheden te beschikken om zelfstandig uitvoering te kunnen geven aan het ‘rode vakmanschap’.

Past zijn of haar kennis en vaardigheden adequaat toe en draagt zijn of haar vakmanschap ook over aan collega’s.

Zorgt ervoor dat zijn of haar vakkennis en vaardigheden op peil blijven en motiveert collega’s hier ook aan te werken.

Brandweer-vakman

Kwaliteitsbewaking

Ondernemen van actie om de kwaliteit van het eigen werk te verbeteren. Medewerkers aansturen om de kwaliteit van hun werkzaamheden te verbeteren.

Brengt ideeën in voor verbetering teneinde de kwaliteit van dienstverlening te verbeteren.

Communiceert de correcte werkwijze aan collega’s en spreekt anderen er op aan als ze niet volgens de geldende regels en protocollen werken.

Geeft het goede voorbeeld als het gaat om vakbekwaam handelen, werkt volgens de geldende regels, voorschriften en protocollen.

Manager

Verantwoording afleggen

Doordacht en weloverwogen handelen, in lijn met geldende regels en procedures. Verantwoording nemen voor het handelen.

Stelt duidelijke kaders en regels voor het uitvoeren van de

werkzaamheden. Volgt zelf deze regels en stuurt ook het team hier op aan.

Neemt doordacht en weloverwogen beslissingen, weegt daarbij voor- en

nadelen en mogelijk risico’s zorgvuldig af, ook onder druk.

Licht beslissingen toe aan het team en onderbouwt, met inhoudelijke argumenten, waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt. Geeft ruimte aan het team om hier ook vragen over te stellen.

Draagt de verantwoordelijkheid voor het eigen handelen en het handelen van het team, ook als zaken niet goed zijn verlopen.

Resultaatgerichtheid

Het helder stellen van doelen (SMART) en het realiseren van resultaten conform tijdpad, normen en afspraken.

Stelt heldere, concrete en haalbare doelen voor zichzelf en voor het team in lijn met de organisatiedoelstellingen.

Vertaalt deze doelen naar concrete resultaatafspraken in termen van tijd, middelen en geld.

Bewaakt de voortgang en spreekt mensen aan op het al dan niet behalen van resultaten.

Teamcoach

Teamgericht coachen

Coachen van één of meerdere teams. Samenwerkingsrelaties tot stand brengen en in stand houden.

Bevordert zelfsturing en zelfregulering in het team door medewerkers duidelijke taken en verantwoordelijkheden te geven en hen zelf oplossingen aan te laten dragen bij problemen of lastige situaties.

Geeft ruimte en stimuleert verschillende denkwijzen in het team teneinde het team te versterken, ten bate van het organisatie belang.

Versterkt het groepsgevoel.

Stimuleren

Medewerkers stimuleren zich in te zetten voor het groepsresultaat.

Geeft medewerkers vertrouwen.

Weet anderen te motiveren het beste uit zichzelf en het team te halen.

Creëert een open, veilige en respectvolle werksfeer.

Stimuleert en stuurt aan op teamprestaties.

Coach

Inlevingsvermogen

Luisteren naar en meedenken met anderen, onderkennen van gevoelens en behoeften van anderen, zich verplaatsen in anderen en bewust omgaan met verschillende achtergronden en belangen.

Heeft oog voor het welzijn van zijn of haar medewerkers en handelt indien nodig.

Legt gemakkelijk contact en maakt verbinding met mensen.

Neemt de tijd voor mensen, staat open voor de ideeën en meningen van anderen en luistert actief.

Signaleert (in)directe emoties en speelt daar actief en effectief op in door contact te zoeken met de medewerker en begrip te tonen.

Ontwikkelen van het individu

Anderen stimuleren en ondersteunen bij hun persoonlijke ontwikkeling. Een stimulerende leeromgeving creëren ten behoeve van een lerende organisatie.

Coacht medewerkers op het

verbeteren en optimaliseren van

hun individuele prestaties.

Bespreekt kwaliteiten, talenten

en beperkingen met de

medewerker en geeft feedback

op gedrag.

Daagt medewerkers uit om zich

te ontwikkelen en geeft daarvoor de ruimte.

Veranderaar

Overtuigen en beïnvloeden

Op het juiste moment en met een passende stijl instemming verkrijgen voor ideeën en voorstellen.

Vertaalt besluiten, ideeën en beelden (beleving) zowel naar boven als naar beneden in de organisatie.

Beïnvloedt medewerkers door voorbeeld gedrag te laten zien en een passende communicatiestijl te gebruiken.

Sluit in zijn of haar communicatie aan op de belevingswereld van de medewerkers.

Luisteren

Actief luisteren. Het in gesprekken zodanig structureren, optreden en interveniëren dat het beoogde resultaat op effectieve wijze wordt bereikt.

Luistert actief en vraagt indien nodig door.

Is benaderbaar, gaat respectvol om met andere zienswijzen en stelt eigen oordeel uit.

Luistert naar ervaringen en heeft begrip voor emoties die teweeg worden gebracht door veranderingen.

Netwerker

Organisatiebewustzijn

Het vermogen om relaties en verschillende belangen binnen (en buiten) de organisatie in te schatten, te begrijpen en op basis hiervan te handelen.

Kent de formele en informele structuur van de organisatie, heeft oog voor de verschillende belangen en begrijpt de eigen positie.

Heeft oog voor de organisatiecultuur.

Is een teamspeler in de samenwerking met andere operationele leiders.

Omgevingsbewustzijn

Volgen van relevante ontwikkelingen in de omgeving van de organisatie en benutten voor de eigen werksituatie.

Stelt zich op de hoogte van maatschappelijke ontwikkelingen, zowel binnen de eigen regio als op landelijk niveau.

Stelt zich op hoogte van ontwikkelingen binnen het eigen vakgebied.

Signaleert relevante ontwikkelingen en vertaalt deze, indien mogelijk, naar de eigen werksituatie.

Profiel: tactisch specialist

Rol

Competentie

Gedrag

Brandweer-vakman

Verbinden met vakmanschap

Op specialistisch niveau beschikken over voldoende brandweerinhoudelijke kennis en kunde om deze rol goed in te kunnen vullen.

Kijkt als vakman en expert naar het toekomstbeeld van de organisatie en levert daarmee een bijdrage aan de visievorming.

Is actief gericht op het delen van eigen vakkennis met anderen en maakt ook gebruik van vakkennis van anderen.

Bewaakt de kwaliteit van vakmanschap in het eigen organisatieonderdeel op het eigen vakgebied.

Visie

Het toekomstbeeld uitdragen en vertaalt visie van de organisatie naar de vakmensen in het team/eigen organisatieonderdeel.

Vertaalt op een concrete en aansprekende wijze visie naar het eigen vakgebied en geeft hierbij concrete mogelijkheden en beperkingen aan.

Kan de visie enthousiast vertalen naar concrete beelden en voorstellingen.

Maakt zich de visie eigen en vertaalt deze op enthousiaste wijze naar een verhaal door zijn/haar organisatiedeel c.q. vakgebied.

Expert

Analyseren

Problemen en verbanden zien, gegronde conclusies trekken en consequenties inschatten.

Heeft oog voor (onderliggende) belangentegenstellingen.

Plaatst het probleem in een ruimere context dan zijn/haar eigen vakgebied.

Brengt complexe, soms tegenstrijdige informatie terug tot de kern.

Adviseren

Adviezen opstellen, deze onderbouwen en ze op overtuigende wijze overbrengen op anderen.

Weet door voorbereiding, vasthoudendheid en het uitstralen van geloof in het eigen standpunt weerstanden te overwinnen.

Onderbouwt adviezen met relevante argumenten die aansluiten bij de belevingswereld van de gesprekspartner, kiest de juiste tactiek in adviestrajecten.

Maakt complexe onderwerpen begrijpelijk voor anderen.

Veranderaar

Overtuigen en beïnvloeden

De juiste veranderingsaanpak/stijl toepassen om mensen binnen en buiten de organisatie mee te krijgen met relevante veranderingen binnen en buiten de organisatie. In staat zijn om instemming te krijgen voor ideeën en voorstellen.

Past de juiste veranderstijl toe

(zowel top down als bottum up) en weet ook op horizontaal niveau op de goede manier te beïnvloeden.

Enthousiasmeert en zet aan tot verandering bij de relevante partijen binnen en buiten de brandweer.

Innoveren

Ruimte geven in de zin van tijden en geld en nieuwe originele ideeën, werkwijzen en toepassingen stimuleren. Deze ook zelf hebben. Open staan voor en het initiëren van toekomstige vernieuwing van strategie. Werkwijze en bedrijfsvoering.

Is maatschappelijk sensitief, volgt de ontwikkelingen in de buitenwereld en ziet de verbanden met en mogelijkheden voor de brandweerwereld.

Benadert vraagstukken vanuit nieuwe en onverwachte invalshoeken.

Bedenkt (nieuwe) oplossingen voor complexe problemen.

Genereert, samen met anderen, nieuwe ideeën voor de ontwikkeling van het vak.

Komt regelmatig met ongebruikelijke en innovatieve voorstellen en ideeën.

Netwerker

Omgevingsbewustzijn

Relevante ontwikkelingen volgen in de omgeving van de organisatie en de kennis benutten ten behoeve van de organisatie en/of vakgebied.

Heeft goed zicht op de ontwikkelingen in interne en externe netwerken en

participeert actief in deze netwerken.

Is zich bewust van zijn omgeving, met name ook op het politiek- bestuurlijke vlak.

Is bekend met de agenda’s en belangen van de netwerkpartners en kan hierop anticiperen ten einde een win-win situatie te creëren.

Verbindend vermogen op relatie en inhoud

In staat zijn op zowel de relatie als de inhoud verbinding te maken met belangrijke stakeholders.

Is zich bewust van relaties en verhoudingen in het netwerk, zowel tussen individuen als tussen groepen in het netwerk.

Gaat op zoek naar gezamenlijke belangen in de relatie met stakeholders en is daardoor in staat eigen doelstellingen te realiseren.

Bijlage B. behorende bij artikel 1 lid 2 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement a. Functie algemeen commandant geneeskundige zorg

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub a Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ)

Beschrijving van de functie: De ACGZ geeft functioneel leiding aan de sectie geneeskundige zorg. De ACGZ kan monodisciplinair ingezet worden op basis van inzetcriteria en/of verzoek van de officier van dienst geneeskundig (OvD-G). De ACGZ is multidisciplinair actief vanaf activering van het Regionaal Operationeel Team (ROT) als lid van het ROT. De ACGZ is beschikbaar en bereikbaar op basis van de regionale alarmeringsregeling. De ACGZ is aangewezen als het daartoe bevoegde gezag door de directeur publieke gezondheid voor zover het de GHOR-taken betreft (DPG). De ACGZ is verantwoordelijk voor de coördinatie, aansturing en regie van de geneeskundige hulpverlening en legt verantwoording af aan de DPG. De ACGZ adviseert de operationeel leider over te nemen tactische multidisciplinaire beslissingen en ontvangt, voor de multidisciplinaire aspecten, functioneel leiding van de operationeel leider. De ACGZ adviseert de DPG over dilemma’s en besluiten op strategisch niveau. De ACGZ geeft functioneel leiding aan het hoofd acute gezondheidszorg (HAG), het hoofd publieke gezondheidszorg (HPG), de OvD-G, het hoofd informatie geneeskundige zorg (HIN) en het hoofd ondersteuning geneeskundige zorg (HON).

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Functioneel leiding geven aan de sectie geneeskundige zorg

Kerntaak 2:. Inrichten en uitvoeren van het besluitvormingsproces gericht op de multidisciplinaire samenwerking

Kerntaak 3:. Opstellen en uitbrengen van adviezen

2.2. Competentiematrix ACGZ

Competentieoverzicht

G1

1: Leidinggeven

G5

2: Voortgangsbewaking

G9

3: Samenwerken

G12

4: Besluitvaardigheid

G7

5. Overtuigingskracht

G10

6. Probleemanalyse

G11

7. Oordeelsvorming

G14

8: Omgevingsbewustzijn

O2

Organisatie en processen tactisch

V1

Bestuurlijke en operationele omgeving/positionering

Detailniveau

V2

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Detailniveau

V3

Processen en taken

Gemiddeld niveau

V4

Richtlijnen, protocollen en procedures

Gemiddeld niveau

V5

Technische hulpmiddelen

Hoofdlijnen

V6

Juridische aspecten

Hoofdlijnen

In supplement h is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken

Kerntaak 1:. Functioneel leiding geven aan de sectie geneeskundige zorg

Werkzaamheden:

  • Alarmeren van de taakorganisaties acute gezondheidszorg, publieke gezondheidszorg, informatie en ondersteuning.

  • Functioneel leiding geven aan de taakorganisaties informatie en ondersteuning.

  • Regisseren en coördineren van de taakorganisaties acute en publieke gezondheidszorg in afstemming met de hoofden acute gezondheidszorg en publieke gezondheidszorg.

  • Sturen op de kwalitatieve en kwantitatieve output van de leden van de sectie, met inachtneming van eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden van partners in de geneeskundige keten.

  • Scheppen en aangeven van kaders waarin werk wordt uitgevoerd en hierbij duidelijk verwachtingen aangeven.

  • Inzetten van de juiste mensen en juiste middelen op de juiste plaats en het juiste tijdstip, waarbij het bewaken van de voortgang en het controleren van en aanspreken op (niet nagekomen) afspraken.

  • Analyseren van scenario’s op de korte, middellange en lange termijn ten behoeve van maatregelen en besluitvorming binnen de sectie geneeskundige zorg.

  • Coördineren en regisseren van de samenwerking met de partners in de geneeskundige keten.

  • Creëren van draagvlak en het initiëren en coördineren van de samenwerking met en tussen de ketenpartners in de witte kolom.

  • Maatregelen treffen met betrekking tot de acute en publieke gezondheidszorg in het effectgebied.

  • Bewaken van de voortgang van de hulpverlening in het brongebied en de benodigde afstemming met de OvD-G.

  • Vertalen van opdrachten van de operationeel leider naar tactisch/operationele opdrachten voor de sectie.

Kerntaak 2:. Inrichten en uitvoeren van het besluitvormingsproces gericht op de multidisciplinaire samenwerking

Werkzaamheden:

  • De ACGZ stemt de multidisciplinaire samenwerking op tactisch niveau af.

  • Analyseren van scenario’s op de korte, middellange en lange termijn ten behoeve van het multidisciplinaire besluitvormingsproces.

  • Analyseren en inbrengen van tactische en strategische monodisciplinaire informatie en besluiten in het ROT ten behoeve van een multidisciplinair beeld.

  • Het geanalyseerde gedeelde ROT-beeld en de genomen besluiten vertalen naar de eigen uit te zetten acties en processen.

Kerntaak 3:. Opstellen en uitbrengen van adviezen

Werkzaamheden:

  • Informeren en adviseren van de DPG omtrent de voortgang binnen de geneeskundige processen en de gegeven adviezen aan de operationeel leider.

  • Adviseren van de DPG tot opschalen van de taakorganisatie publieke gezondheidszorg.

  • Laat zich waar nodig door deskundigen adviseren (bijvoorbeeld de gezondheidskundig adviseur gevaarlijke stoffen en de arts infectieziekten).

  • Adviseren omtrent de scheiding bron- en effectgebied en benodigde (multidisciplinaire) opschaling.

  • Geeft aanvullende multidisciplinair relevante incidentinformatie vanuit de eigen processen in het ROT en adviseert op basis daarvan bij multidisciplinaire vraagstukken of dilemma’s.

  • Levert desgevraagd mono- en relevante multidisciplinaire informatie aan het hoofd informatie geneeskundige zorg.

  • Adviseren van de DPG ten aanzien van dilemma’s en besluiten op strategisch niveau.

  • Adviseren van de operationeel leider over te nemen tactische multidisciplinaire beslissingen.

  • Adviseren van het Gemeentelijk dan wel het Regionaal Beleidsteam, bij monde van de regionaal operationeel leider, over de te nemen strategische beleidsbeslissingen, en het afstemmen van deze adviezen met de DPG.

  • Zorgen voor een korte nabespreking met de sectie geneeskundige zorg direct aansluitend aan de inzet, en aanleveren van gegevens ten behoeve van mono- en multidisciplinaire evaluaties.

Bijlage B. behorende bij artikel 1 lid 2 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement b. Functie directeur publieke gezondheid voor zover het de GHOR-taken betreft

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub b Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: directeur publieke gezondheid voor zover het de GHOR-taken betreft (DPG)

Beschrijving van de functie: De DPG bevindt zich bovenaan in de (operationele) commandostructuur van de GHOR en is belast met de operationele leiding van de geneeskundige hulpverlening. De DPG heeft – afhankelijk van de activering – zitting in het Gemeentelijk Beleidsteam (GBT) of het Regionaal Beleidsteam (RBT), stemt daar de multidisciplinaire samenwerking op beleids-/strategisch niveau af en adviseert de burgemeester of de voorzitter van de veiligheidsregio over de te nemen beleidsbeslissingen. De DPG geeft direct functioneel leiding aan de algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ). De DPG onderhoudt contacten met de liaisons in het Nationaal Crisiscentrum (NCC) en met collega DPG’en.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Strategisch leiding geven aan de GHOR-keten

Kerntaak 2:. Strategisch multidisciplinair adviseren

2.2. Competentiematrix DPG

Competentieoverzicht

G1

1: Leidinggeven

G7

2: Overtuigingskracht

G14

3: Omgevingsbewustzijn

G11

4: Oordeelsvorming

G12

5: Besluitvaardigheid

G13

6: Organisatiesensitiviteit

G9

7: Samenwerken

O1

Organisatie en processen strategisch

V1

Bestuurlijke en operationele omgeving/positionering

Detailniveau

V2

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Detailniveau

V3

Processen en taken

Hoofdlijnen

V4

Richtlijnen, protocollen en procedures

Hoofdlijnen

V5

Technische hulpmiddelen

Hoofdlijnen

V6

Juridische aspecten

Hoofdlijnen

In supplement h is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken

Kerntaak 1:. Strategisch leiding geven aan de GHOR-keten

Werkzaamheden:

Neemt als hoogste leidinggevende van de GHOR-keten deel aan het GBT/RBT en:

  • Geeft in formele zin leiding aan de uitvoering van de twee GHOR-processen acute gezondheidszorg en publieke gezondheidszorg.

  • Bewaakt de voortgang van de uitvoering.

  • Analyseert en beoordeelt crisissituaties op basis van aangeleverde mono- en multidisciplinaire situatie rapporten (sitraps).

  • Geeft op basis van de strategische beleidsbeslissingen van het GBT/RBT, na afstemming met de operationeel leider, opdrachten aan de ACGZ.

  • Stemt op beleidsniveau af met de GHOR-ketenpartners en geeft (via de ACGZ) opdrachten c.q. aanwijzingen.

Kerntaak 2:. Strategisch multidisciplinair adviseren

Werkzaamheden:

  • Neemt als adviseur deel aan het GBT/RBT en:

  • Rapporteert over de voortgang van de uitvoering van de twee GHOR-processen aan het GBT/RBT.

  • Analyseert en beoordeelt crisissituaties op basis van aangeleverde mono- en multidisciplinaire sitraps.

  • Adviseert het GBT/RBT vanuit GHOR-perspectief over multidisciplinaire strategische beleidsbeslissingen.

  • Laat zich door de ACGZ en deskundigen (o.a. gezondheidskundig adviseur gevaarlijke stoffen, arts infectieziekten) informeren over de veiligheidssituatie van het GHOR-personeel en de bevolking en adviseert het GBT/RBT over de te nemen strategische beleidsbeslissingen hieromtrent.

Bijlage B. behorende bij artikel 1 lid 2 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement c. Functie hoofd acute gezondheidszorg

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub c Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: hoofd acute gezondheidszorg (HAG)

Beschrijving van de functie: Het HAG coördineert het proces acute gezondheidszorg en adviseert de algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ) op dit terrein. Het proces acute gezondheidszorg bestaat uit de deelprocessen triage, behandeling en transport van slachtoffers. Hierbij is het HAG verantwoordelijk voor de voortgang, coördinatie en aansturing van het proces acute gezondheidszorg. Het HAG wordt monodisciplinair ingezet op basis van criteria. In de regel is dit vanaf activering van het Regionaal Operationeel Team (ROT). Echter kan het HAG bij behoefte vanuit bijvoorbeeld de officier van dienst geneeskundig (OvD-G) ook worden ingezet bij activering van het commando plaats incident of mono-opschaling. Het HAG is aangewezen door de directeur publieke gezondheid voor zover het de GHOR-taken betreft (DPG) als het daartoe bevoegde gezag. Het HAG opereert op tactisch niveau. Het HAG is beschikbaar en bereikbaar op basis van de regionale alarmeringsregeling. Het HAG legt verantwoording af aan en ontvangt functioneel leiding van de ACGZ. Het HAG geeft functioneel leiding aan de OvD-G.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Coördineren van het proces acute gezondheidszorg

Kerntaak 2:. Adviseren van de ACGZ

2.2 Competentiematrix HAG

Competentieoverzicht

G1

1: Leidinggeven

G2

2: Operationeel management

G7

3: Overtuigingskracht

G9

4: Samenwerken

G10

5: Probleemanalyse

G11

6: Oordeelsvorming

G12

7: Besluitvaardigheid

G13

8: Organisatiesensitiviteit

O2

Organisatie en processen tactisch

V1

Bestuurlijke en operationele omgeving/positionering

Detailniveau

V2

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Detailniveau

V3

Processen en taken

Gemiddeld niveau

V4

Richtlijnen, protocollen en procedures

Gemiddeld niveau

V5

Technische hulpmiddelen

Hoofdlijnen

V6

Juridische aspecten

Hoofdlijnen

In supplement h is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Coördineren van het proces acute gezondheidszorg

Werkzaamheden:

  • Coördineren van het proces acute gezondheidszorg wat betreft de deelprocessen triage, behandeling en transport van slachtoffers.

  • Voortgangsbewaking op het proces acute gezondheidszorg.

  • Sturen op de kwalitatieve en kwantitatieve output van het proces acute gezondheidszorg.

  • Functioneel leiding geven aan de OvD-G.

  • Scheppen en aangeven van kaders waarin werk wordt uitgevoerd en hierbij duidelijk verwachtingen aangeven.

  • Inzetten van de juiste mensen en juiste middelen (in de juiste aantallen) op de juiste plaats en het juiste tijdstip, daarbij het bewaken van de voortgang en het controleren van en aanspreken op (niet nagekomen) afspraken.

  • Monitoren van de samenwerking met relevante partners zoals Mobiel Medische Teams, ziekenhuizen, ambulancediensten, huisartsen(posten), gezondheidskundig adviseurs gevaarlijke stoffen (GAGS) binnen het proces acute Gezondheidszorg.

  • Analyseren van scenario’s op de korte, middellange en lange termijn ten behoeve van maatregelen en besluitvorming binnen het proces acute gezondheidszorg. Vooral gevoed vanuit het contact met de OvD-G, relevante functionarissen van de Meldkamer Ambulancezorg en de ACGZ.

  • Vertalen van opdrachten van de ACGZ naar tactisch/operationele opdrachten voor de OvD-G.

Kerntaak 2:. Adviseren van de ACGZ

Werkzaamheden:

  • Informeren en adviseren van de ACGZ omtrent de voortgang, besluiten en dillema’s binnen het proces acute gezondheidszorg, met als deelprocessen de triage, behandeling en transport van slachtoffers.

  • Adviseren van de ACGZ tot verdere opschaling.

  • Zorgen voor een nabespreking en evaluatie met de OvD-G en de relevante functionarissen van de Meldkamer Ambulancezorg, direct aansluitend aan de inzet als basis voor een terugkoppeling naar de ACGZ.

  • Aanleveren gegevens aan ACGZ voor mono- en multidisciplinaire evaluaties.

  • Deelnemen aan en adviseren binnen de stafsectie geneeskundige zorg ter behartiging van de belangen van het proces acute gezondheidszorg.

Bijlage B. behorende bij artikel 1 lid 2 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement d. Functie hoofd informatie geneeskundige zorg

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub d Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: hoofd informatie geneeskundige zorg (HIN)

Beschrijving van de functie: Lid van de sectie geneeskundige zorg. Hoofd van de taakorganisatie informatie. Kan monodisciplinair ingezet worden op basis van (regionale) inzetcriteria. Multidisciplinair actief vanaf activering van het regionaal operationeel team (ROT). Er kunnen redenen zijn om de HIN-functie te vervullen indien geen sprake is van een dergelijke activering, bijvoorbeeld bij een pandemie-scenario. Het HIN is beschikbaar en bereikbaar op basis van de regionale alarmeringsregeling. Het HIN is aangewezen door het daartoe bevoegde gezag. Het HIN ontvangt functioneel (operationeel) leiding van en legt verantwoording af aan de algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ). Het HIN is verantwoordelijk voor de informatieverzameling en -bundeling vanuit de witte kolom en de duiding van die informatie richting ROT. Het HIN duidt de informatie vanuit de witte kolom richting informatiemanager ROT. Het HIN geeft functioneel leiding aan de taakorganisatie informatie. Het HIN geeft functioneel leiding aan de informatiecoördinatoren zorginstellingen.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Het organiseren, bewaken en borgen van het informatieproces monodisciplinair

Kerntaak 2:. Inrichten en mede uitvoeren van de multidisciplinaire samenwerking binnen de sectie informatiemanagement

Kerntaak 3:. Opstellen en uitbrengen van adviezen

2.2. Competentiematrix HIN

Competentieoverzicht

G10

1: Probleemanalyse

G11

2: Oordeelsvorming

G6

3: Mondelinge/schriftelijke communicatie

G9

4: Samenwerken

G5

5: Voortgangsbewaking

G14

6: Omgevingsbewustzijn

G3

7: Organiseren van eigen werk

O3

Organisatie en processen operationeel

V1

Bestuurlijke en operationele omgeving/positionering

Hoofdlijnen

V2

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Gemiddeld niveau

V3

Processen en taken

Gemiddeld niveau

V4

Richtlijnen, protocollen en procedures

Gemiddeld niveau

V5

Technische hulpmiddelen

Detailniveau

V6

Juridische aspecten

Hoofdlijnen

In supplement h is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Het organiseren, bewaken en borgen van het informatieproces monodisciplinair

Werkzaamheden:

  • Regie voeren over en samenstellen van een gedeeld geneeskundig beeld van het incident, gebaseerd op informatie van de informatiecoördinatoren zorginstellingen, van hoofden taakorganisaties acute zorg en publieke zorg en op preparatieve data uit diverse informatiesystemen.

  • Analyseren van beschikbare planvorming als bijdrage aan de beeld-, oordeels- en besluitvorming.

  • Analyseren en verifiëren van de verkregen informatie en het maken van een mono- en multidisciplinair onderscheid daarbij.

  • Delen van informatie met partners in de witte kolom op basis van vooraf vastgestelde informatiebehoefte.

  • Zorgdragen voor relevante informatie die aan het geneeskundig beeld kan worden toegevoegd.

  • Het (laten) vullen en het up-to-date houden van het gedeeld geneeskundig beeld.

  • Functioneel leiding geven aan de taakorganisatie informatiemanagement.

  • Het verwerven, verwerken, veredelen en verstrekken van informatieproducten betreffende de geneeskundige zorg.

  • Het aanleveren van informatie ten behoeve van de beeld-, oordeels- en besluitvorming.

Kerntaak 2:. Inrichten en mede uitvoeren van de multidisciplinaire samenwerking binnen de sectie ondersteuningsmanagement

Werkzaamheden:

  • Het aanleveren van relevante monodisciplinaire informatie bij het hoofd stafsectie informatievoorziening/informatiemanager ROT.

  • Het brengen en halen van informatie bij, en het actief afstemmen met de hoofden informatie van de andere kolommen.

  • Het actueel en consistent houden van de informatie ten behoeve van de taken van de kolom bevolkingszorg.

  • Kerntaak 3: Opstellen en uitbrengen van adviezen

  • Werkzaamheden:

  • Bijdragen aan de evaluatie van de inzet en het leveren van gevraagde informatie voor multidisciplinaire evaluaties.

  • Laat zich waar nodig door deskundigen adviseren (bijvoorbeeld door de gezondheidskundig adviseur gevaarlijke stoffen en/of de arts infectieziekten).

Kerntaak 3:. Opstellen en uitbrengen van adviezen

Werkzaamheden:

  • Bijdragen aan de evaluatie van de inzet en het leveren van gevraagde informatie voor multidisciplinaire evaluaties.

  • Laat zich waar nodig door deskundigen adviseren (bijvoorbeeld door de gezondheidskundig adviseur gevaarlijke stoffen en/of de arts infectieziekten).

Bijlage B. behorende bij artikel 1 lid 2 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement e. Functie hoofd ondersteuning geneeskundige zorg

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub e Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: hoofd ondersteuning geneeskundige zorg (HON)

Beschrijving van de functie: Het HON is lid van de sectie geneeskundige zorg en hoofd van de taakorganisatie ondersteuning en kan monodisciplinair ingezet worden. Het HON is multidisciplinair actief vanaf activering van het Regionaal Operationeel Team (ROT). Het HON is beschikbaar en bereikbaar op basis van de regionale alarmeringsregeling. Het HON is aangewezen door het daartoe bevoegde gezag. Het HON ontvangt functioneel leiding van en legt verantwoording af aan de algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ). Het HON stemt functioneel af met de ondersteuningsmanager (multidisciplinair). Het HON geeft functioneel leiding aan de taakorganisatie ondersteuning, aan de logistiek coördinatoren binnen de geneeskundige keten en aan de medewerkers/leden van de backoffice GHOR.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Functioneel leiding geven aan de backoffice GHOR

Kerntaak 2:. Inrichten en mede uitvoeren van de multidisciplinaire samenwerking binnen de sectie ondersteunings-/resourcemanagement

Kerntaak 3:. Opstellen en uitbrengen van adviezen

2.2. Competentiematrix HON

Competentieoverzicht

G1

1: Leidinggeven

G2

2: Operationeel management

G5

3: Voortgangsbewaking

G10

4: Probleemanalyse

G11

5: Oordeelsvorming

G6

6: Mondelinge / schriftelijke communicatie

G9

7: Samenwerken

O3

Organisatie en processen operationeel

V1

Bestuurlijke en operationele omgeving/positionering

Hoofdlijnen

V2

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Gemiddeld niveau

V3

Processen en taken

Gemiddeld niveau

V4

Richtlijnen, protocollen en procedures

Gemiddeld niveau

V5

Technische hulpmiddelen

Gemiddeld niveau

V6

Juridische aspecten

Hoofdlijnen

In supplement h is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Functioneel leiding geven aan de backoffice GHOR

Werkzaamheden:

  • Tijdig en in juiste kwaliteit/kwantiteit ter beschikking stellen van facilitaire en personele voorzieningen en capaciteit voor de sectie geneeskundige zorg.

  • Het, in samenwerking en samenspraak met de ACGZ, behouden van een continu overzicht van de werkzaamheden in de backoffice GHOR.

  • Het (laten) uitvoeren van de opdrachten van de ACGZ.

  • Sturen op de kwalitatieve en kwantitatieve output van de leden van de backoffice GHOR.

  • Scheppen en aangeven van kaders waarin werk wordt uitgevoerd en hierbij duidelijk verwachtingen aangeven.

  • Inzetten van de juiste mensen en juiste middelen op de juiste plaats en het juiste tijdstip, waaronder het bewaken van de voortgang en het controleren van en aanspreken op (niet-nagekomen) afspraken.

  • Functioneel leiding geven aan de taakorganisatie ondersteuning.

  • Functioneel leiding geven aan de medewerkers/leden van de backoffice GHOR:

    • Het op basis van opdrachten van de ACGZ maken van een werkplan.

    • Het monitoren en bewaken van de voortgang van dit werkplan.

    • Het verstrekken van opdrachten aan medewerkers/leden.

    • Het onderhouden van een vergaderdiscipline.

    • Het zelfstandig opschalen wat betreft van benodigde personele ondersteuning.

    • Het organiseren van interne opschaling.

  • Coördineert de personele- en facilitaire voorzieningen met betrekking tot de geneeskundige zorg.

Kerntaak 2:. Inrichten en mede uitvoeren van de multidisciplinaire samenwerking binnen de sectie ondersteuningsmanagement

Werkzaamheden:

  • Signaleren en benoemen van vraagstukken op het gebied van capaciteit van mensen en middelen, benodigde expertise en zorgcontinuïteit.

  • Actief afstemmen van deze vraagstukken met de hoofden ondersteuning van de andere kolommen en de multi-ondersteuningsmanager.

  • Opstellen van een aflossings- en afschalingsplan.

Kerntaak 3:. Opstellen en uitbrengen van adviezen

Werkzaamheden:

  • Geeft aanvullende multidisciplinair relevante informatie op het gebied van capaciteit van mensen en middelen, benodigde expertise en zorgcontinuïteit vanuit de eigen processen in de backoffice GHOR en adviseert op basis daarvan bij multidisciplinaire vraagstukken of dilemma’s.

  • Levert desgevraagd mono- en relevante multidisciplinaire informatie aan het hoofd informatie geneeskundige zorg (HIN).

  • Informeren van de ACGZ omtrent de voortgang binnen de sectie geneeskundige zorg.

  • Laat zich waar nodig adviseren door deskundigen (bijvoorbeeld de geneeskundig adviseur gevaarlijke stoffen en/of de arts infectieziekten).

  • Het adviseren van de ACGZ tijdens het beeld-, oordeel- en besluitvormingsproces ten behoeve van de besluitvorming binnen de sectie geneeskundige zorg.

  • Onderhouden van contacten met de partners in de witte keten in overleg met de ACGZ en het HIN.

  • Een bijdrage leveren aan de evaluatie van de inzet en het leveren van gevraagde informatie voor multidisciplinaire evaluaties.

Bijlage B. behorende bij artikel 1 lid 2 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement f. Functie hoofd publieke gezondheidszorg

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub f Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: hoofd publieke gezondheidszorg (HPG)

Beschrijving van de functie: Het HPG coördineert het proces publieke gezondheidszorg en adviseert de algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ) daarover. Het proces publieke gezondheidszorg bestaat uit de deelprocessen medische milieukunde (MMK), infectieziektebestrijding (IZB), gezondheidsonderzoek na rampen (GOR) en psychosociale hulpverlening (PSH). Hierbij is het HPG verantwoordelijk voor de voortgang, coördinatie en aansturing van het proces publieke gezondheidszorg. Het HPG wordt monodisciplinair ingezet. In de regel is dit vanaf activering van het Regionaal Operationeel Team (ROT). Echter kan het HPG bij behoefte vanuit bijvoorbeeld de ACGZ, de directeur publieke gezondheid voor zover het de GHOR-taken betreft (DPG) of de GGD ook worden ingezet bij activering van het commando plaats incident of mono-opschaling. Het HPG is aangewezen door de DPG als het daartoe bevoegde gezag. Het HPG opereert op tactisch niveau. Het HPG is beschikbaar en bereikbaar op basis van de regionale alarmeringsregeling. Het HPG legt verantwoording af aan en ontvangt functioneel leiding van de ACGZ. Het HPG coördineert de processen betreffende MMK, IZB, PSH en GOR.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Coördineren van het proces publieke gezondheidszorg

Kerntaak 2:. Adviseren van de algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ)

2.2. Competentiematrix HPG

Competentieoverzicht

G1

1: Leidinggeven

G2

2: Operationeel management

G7

3: Overtuigingskracht

G9

4: Samenwerken

G10

5: Probleemanalyse

G11

6: Oordeelsvorming

G12

7: Besluitvaardigheid

G13

8: Organisatiesensitiviteit

O2

Organisatie en processen tactisch

V1

Bestuurlijke en operationele omgeving/positionering

Detailniveau

V2

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Detailniveau

V3

Processen en taken

Gemiddeld niveau

V4

Richtlijnen, protocollen en procedures

Gemiddeld niveau

V5

Technische hulpmiddelen

Hoofdlijnen

V6

Juridische aspecten

Hoofdlijnen

In supplement h is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken en beoordelingscriteria

Kerntaak 1:. Coördineren van het proces publieke gezondheidszorg

Werkzaamheden:

  • Coördineren en aansturen van het proces publieke gezondheidszorg wat betreft de deelprocessen MMK, IZB, PSH en GOR.

  • Alarmeren van de taakorganisatie publieke gezondheidszorg.

  • Bewaken van de voortgang van het proces publieke gezondheidszorg.

  • Sturen op de kwalitatieve en kwantitatieve output van het proces publieke gezondheidszorg.

  • Scheppen van kaders/stellen van grenzen waarin werk wordt uitgevoerd en hierbij duidelijk verwachtingen aangeven. Dat betekent ook het kunnen afbakenen van procesleiders van hun reguliere werkzaamheden ten behoeve van inzet voor de crisis.

  • Inzetten van de juiste mensen en juiste middelen (in de juiste aantallen) op de juiste plaats en het juiste tijdstip, waaronder het bewaken van de voortgang en het controleren van en aanspreken op (niet-nagekomen) afspraken.

  • Monitoren van de samenwerking met relevante partners.

  • Analyseren van scenario’s op de korte, middellange en lange termijn ten behoeve van maatregelen en besluitvorming binnen het proces publieke gezondheidszorg.

  • Vertalen van opdrachten van de ACGZ naar tactisch/operationele opdrachten voor de relevante functionarissen binnen het proces publieke gezondheid.

Kerntaak 2:. Adviseren van de ACGZ

Werkzaamheden:

  • Informeren en adviseren van de ACGZ omtrent de voortgang, besluiten en dilemma’s binnen het proces publieke gezondheidszorg over de deelprocessen GOR, PSH, MMK en IZB.

  • Adviseren van de ACGZ over verdere opschaling.

  • Zorgen voor een nabespreking en evaluatie met de relevante functionarissen binnen het proces publieke gezondheid direct aansluitend aan de inzet als basis voor een terugkoppeling naar de ACGZ.

  • Aanleveren gegevens aan ACGZ voor mono- en multidisciplinaire evaluaties.

  • Deelnemen aan en adviseren binnen de stafsectie geneeskundige zorg ter behartiging van de belangen van het proces publieke gezondheidszorg.

Bijlage B. behorende bij artikel 1 lid 2 Regeling personeel veiligheidsregio’s

Supplement g. Functie officier van dienst geneeskundig

Functie zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub g Besluit personeel veiligheidsregio’s

1.1. Algemene informatie

Functienaam: officier van dienst geneeskundig (OvD-G)

Beschrijving van de functie: De OvD-G is de hoogste leidinggevende van de geneeskundige hulpverlening op het commando plaats incident. De OvD-G geeft leiding aan en adviseert over de geneeskundige hulpverlening op het plaats incident. De OvD-G ontvangt leiding van de algemeen commandant geneeskundige zorg (ACGZ). De OvD-G geeft binnen het proces acute gezondheidszorg functioneel leiding aan de deeltaken triage, behandeling en transport. De OvD-G signaleert binnen het proces publieke gezondheidszorg de noodzaak tot de inzet van de deeltaken medische milieukunde (MMK), psychosociale hulpverlening (PSH), infectieziektebestrijding (IZB) en/of gezondheidsonderzoek na rampen (GOR) en belegt dit op de juiste plaats binnen de crisisorganisatie GGD. De OvD-G stemt de multidisciplinaire samenwerking op operationeel niveau af in het kader van het motorkapoverleg of het commando plaats incident. De OvD-G wordt gecoördineerd door de leider commando plaats incident (multi). De OvD-G ontvangt functioneel leiding van de ACGZ. Op het moment dat de functie van hoofd publieke gezondheidszorg (HPG)/hoofd acute gezondheidszorg (HAG) is ingevuld, ontvangt de OvD-G functioneel leiding van HPG/HAG. De OvD-G rapporteert en adviseert in het kader van de uitvoering van zijn mono- en multitaken.

2.1. Kerntaken

Kerntaak 1:. Leiding geven aan de geneeskundige hulpverlening op het plaats incident

Kerntaak 2:. Multidisciplinair samenwerken

Kerntaak 3:. Rapporteren en adviseren

2.2. Competentiematrix OvD-G

Competentieoverzicht

G2

1: Operationeel management

G1

2: Leidinggeven

G5

3: Voortgangsbewaking

G10

4: Probleemanalyse

G11

5: Oordeelsvorming

G9

6: Samenwerken

G7

7: Overtuigingskracht

G16

8: Stressbestendigheid

O3

Organisatie en processen operationeel

V1

Bestuurlijke en operationele omgeving/positionering

Hoofdlijnen

V2

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Detailniveau

V3

Processen en taken

Gemiddeld niveau

V4

Richtlijnen, protocollen en procedures

Detail niveau

V5

Technische hulpmiddelen

Gemiddeld niveau

V6

Juridische aspecten

Hoofdlijnen

In supplement h is de competentiematrix uitgewerkt.

3.1. Uitwerking kerntaken

Kerntaak 1:. Leidinggeven aan de geneeskundige hulpverlening op het plaats incident

Werkzaamheden:

  • Maakt, na verkenning en op basis van de informatie van de eerste ambulance, een inschatting van de aard, omvang en dynamiek van een incident.

  • Neemt de leiding ter plaatse over van de eerste ambulance.

  • Bepaalt de benodigde opschaling en zet de benodigde acties uit ten behoeve van de deeltaken triage, treatment en transport binnen het proces acute gezondheidszorg. Wijst daarbij zo nodig taakverantwoordelijken aan en belegt eventuele vraagstukken/knelpunten binnen deze processen op de juiste plaats in de crisisorgani