Regeling Dienst speciale interventies

Geraadpleegd op 16-05-2022.
Geldend van 17-09-2009 t/m 31-12-2012

Regeling houdende bepalingen over de organisatie en inzet van de Dienst speciale interventies (Regeling Dienst speciale interventies)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Justitie en de Minister van Defensie,

Gelet op de artikelen 48a, eerste lid, 49, 59, tweede lid, en 60 van de Politiewet 1993, artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3a van de Wet wapens en munitie;

Besluiten:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

  • 1 Er is een Dienst speciale interventies die in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde de volgende taken heeft:

    • a. het bestrijden van alle vormen van ernstig geweld dan wel terrorisme over het gehele geweldsspectrum;

    • b. de beveiliging van personen en objecten in bijzondere situaties, waaronder het beveiligen van ambtenaren van de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst bij operaties van die dienst;

    • c. het uitvoeren van andere door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Justitie en van Defensie opgedragen bijzondere onderdelen van de politietaak.

  • 2 De Dienst speciale interventies bestaat uit de volgende eenheden:

    • a. de Unit interventie;

    • b. de Unit expertise & operationele ondersteuning;

    • c. de Unit interventie mariniers.

  • 3 De Dienst speciale interventies wordt geleid door het hoofd van de Dienst speciale interventies. Het hoofd kan worden vervangen door het plaatsvervangend hoofd.

  • 5 Het beheer van de Dienst speciale interventies berust bij het Korps landelijke politiediensten, met uitzondering van de Unit interventie mariniers waarvan het beheer berust bij de Minister van Defensie.

Artikel 3

De Unit expertise & operationele ondersteuning is belast met het geven van technische en operationele ondersteuning, waaronder het geven van langeafstandsprecisievuur, aan de Unit interventie, de Unit interventie mariniers en de aanhoudings- en ondersteuningseenheden.

Artikel 4

  • 1 De bewapening van ambtenaren die ten behoeve van de uitvoering van de politietaak werkzaam zijn bij de Dienst speciale interventies bestaat uit de bewapening, genoemd in de Bewapeningsregeling politie, en andere wapens van de categorieën I, II, III en IV en munitie van de categorie II en III, genoemd in de artikel 2 van de Wet wapens en munitie, waarvan het merk en type door de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie, in overeenstemming met de Minister van Defensie, is goedgekeurd.

  • 2 De bewapening kan voor de verschillende eenheden van de Dienst speciale interventies verschillen.

  • 3 De uitrusting van ambtenaren die ten behoeve van de daadwerkelijke taakuitvoering werkzaam zijn bij de Dienst speciale interventies bestaat in ieder geval uit de uitrusting, genoemd in de Uitrustingsregeling politie 1994.

  • 4 De eenheden van de DSI kunnen andere dan door de Ministers vastgestelde wapens en munitie technisch beproeven, indien het hoofd van de Dienst speciale interventie de beproeving vooraf schriftelijk meldt aan de Ministers, zonder dat die bewapening operationeel wordt ingezet tegen personen of goederen.

  • 5 Binnen twee maanden na de technische beproeving rapporteert het hoofd van de DSI aan de ministers de resultaten van de beproeving en welke bestemming wordt gegeven aan de bewapening waarmee de beproeving is uitgevoerd.

Artikel 5

  • 1 De Minister van Justitie beslist over het verlenen van bijstand door de Dienst speciale interventies.

  • 2 De Minister van Justitie brengt de Minister van Defensie en de Minister van BZK onmiddellijk in kennis van zijn beslissing tot bijstandverlening door de Dienst speciale interventies.

Artikel 6

  • 1 Behoeft een politiekorps of de Koninklijke marechaussee bijstand van de Dienst speciale interventies, dan richt de officier van Justitie daartoe een verzoek aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

  • 2 De voorzitter van het College van procureurs-generaal geleidt dit verzoek door aan de Minister van Justitie, tenzij hij bevoegd is deze beslissing in naam van de Minister van Justitie te nemen.

  • 3 De voorzitter van het College van procureurs-generaal is bevoegd in naam van de Minister van Justitie te beslissen op een verzoek tot bijstand van de Dienst speciale interventies, tenzij het een situatie betreft:

    • a. waarvoor geen standaard inzetscenario als bedoeld in artikel 8, eerste lid, voorhanden is; of

    • b. waarin zich meerdere incidenten op verschillende locaties tegelijkertijd voordoen, waartussen vermoedelijk een verband bestaat; of

    • c. waarin op enige andere wijze een groot nationaal belang in het geding is.

  • 4 De voorzitter van het college van procureurs-generaal brengt de Minister van Justitie onmiddellijk in kennis van zijn beslissing tot bijstandverlening door de Dienst speciale interventies.

Artikel 7

  • 1 Alvorens overgegaan wordt tot de inzet van de DSI stelt het hoofd van de Dienst speciale interventies een operationeel plan van inzet op.

  • 2 In het operationeel plan wordt opgenomen welke eenheid van de Dienst speciale interventies, of combinatie daarvan, wordt ingezet en op welke wijze dit plaatsvindt. Dit voorstel wordt gebaseerd op:

    • a. de mate van het te verwachten geweld, en

    • b. de situatie van de dreiging.

  • 3 Het operationeel plan van inzet behoeft goedkeuring van de Minister van Justitie, dan wel van de voorzitter van het College van procureurs-generaal indien hij bevoegd is te beslissen over een verzoek tot bijstand.

Artikel 8

  • 1 De Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie stellen gezamenlijk standaard inzetscenario’s vast ten behoeve van de inzet van de Dienst speciale interventies.

  • 2 Het hoofd van de Dienst speciale interventies neemt bij het opstellen van het operationeel plan de standaardscenario’s in acht.

  • 3 Indien er voor de inzet van de Dienst speciale interventies geen standaard inzetscenario voorhanden is, raadpleegt de Minister van Justitie, indien mogelijk, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Defensie voorafgaand aan de goedkeuring van het operationeel plan van inzet.

Artikel 9

  • 1 Het hoofd van de Dienst speciale interventies is belast met de algehele leiding tijdens de inzet van de Dienst speciale interventies alsmede over de eenheden die ter ondersteuning van de Dienst speciale interventies worden ingezet.

  • 2 De commandant van de betrokken eenheid van de Dienst speciale interventies is belast met de operationele leiding ter plaatse en staat onder direct bevel van het hoofd van de Dienst speciale interventies. Indien meerdere eenheden worden ingezet wijst het hoofd van de Dienst speciale interventies een operationeel commandant aan.

  • 3 Wanneer de Unit expertise & operationele ondersteuning wordt ingezet tezamen met een aanhoudings- en ondersteuningseenheid kan, in afwijking van het tweede lid, het hoofd van de Dienst speciale interventies de chef van de aanhoudings- en ondersteuningseenheid belasten met de operationele leiding.

  • 4 Het hoofd van de Dienst speciale interventies draagt in samenwerking met de operationeel commandant zorg voor de chronologische verslaglegging van het feitelijke optreden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Justitie,

E.M.H. Hirsch Ballin

De

Minister

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

De

Minister

van Defensie,

E. van Middelkoop

Naar boven