Reglement onderzoek schepen op de Rijn

Geldend van 07-10-2018 t/m heden

Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

Deel I

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.01. Begripsbepalingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • 1. ‘vaartuig’: een schip of een drijvend werktuig;

  • 2. ‘schip’: een binnenschip of een zeeschip;

  • 3. ‘binnenschip’: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren;

  • 4. ‘zeeschip’: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;

  • 5. ‘sleepboot’: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;

  • 6. ‘duwboot’: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;

  • 7. ‘duwbak’: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;

  • 8. ‘passagiersschip’: een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;

  • 9. ‘schip voor dagtochten’: een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers;

  • 10. ‘hotelschip’: een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;

  • 11. ‘snel schip’: een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u;

  • 12. ‘drijvend werktuig’: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;

  • 13. ‘drijvende inrichting’ een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis;

  • 14. ‘drijvend voorwerp’ een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend werktuig of drijvende inrichting is;

  • 15. ‘samenstel’: een hecht samenstel of een sleep;

  • 16. ‘formatie’: vorm van de samenstelling van een samenstel;

  • 17. ‘hecht samenstel’: een duwstel of een gekoppeld samenstel;

  • 18. ‘duwstel’: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide vaartuigen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en die worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’.Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;

  • 19. ‘gekoppeld samenstel’: een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte vaartuigen, waarvan er geen is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;

  • 20. ‘sleep’: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;

  • 21. ‘lengte’ of ‘L’: de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;

  • 22. ‘breedte’ of ‘B’: de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);

  • 23. ‘diepgang’ of ‘T’: de verticale afstand in m tussen het laagste punt van de scheepsromp, zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen, en het vlak van de grootste inzinking van het schip;

  • 24. ‘erkend classificatiebureau’: een classificatiebureau dat is erkend door alle Rijnoeverstaten en België, te weten: DNV GL, Bureau Veritas (BV) en Lloyd’s Register (LR);

  • 25. ‘ES-TRIN’: Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, in de editie 2017/1. Voor de toepassing van ESTRIN moet het begrip ‘lidstaat’ worden opgevat als een van de Rijnoeverstaten of België.

Artikel 1.02. Toepasselijkheid van het reglement

  • 1 Dit reglement is van toepassing op de volgende vaartuigen:

    • a) schepen met een lengte (L) van 20 m of meer;

    • b) schepen waarvan het volume, berekend uit het product lengte (L), breedte (B) en diepgang (T), 100 m³ of meer bedraagt.

  • 2 Bovendien is dit reglement van toepassing op alle:

    • a) sleep- en duwboten die zijn bestemd om de in het eerste lid bedoelde schepen of drijvende werktuigen te slepen, te duwen of langszijde gekoppeld mede te voeren;

    • b) schepen die beschikken over een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADN;

    • c) passagiersschepen;

    • d) drijvende werktuigen.

Artikel 1.03. Vergunning voor het in de vaart brengen

Vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvend voorwerpen, waarvoor een certificaat van onderzoek opgesteld moet worden, moeten aan de bepalingen van dit reglement en aan de eisen van ES-TRIN voldoen.

Artikel 1.04. Certificaat van onderzoek

Op de in artikel 1.02, eerste en tweede lid, bedoelde vaartuigen moeten

  • a) een certificaat van onderzoek, dat door een Commissie van deskundigen, die door één der Rijnoeverstaten of België overeenkomstig de bepalingen van dit reglement is afgegeven,

    of

  • b) een door de Centrale Commissie van de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend certificaat aan boord aanwezig zijn.

    Het certificaat van onderzoek wordt opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN is opgenomen.

Artikel 1.05. Zeeschepen

  • 1 Op zeeschepen, waarop het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS 1974) dan wel het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen van toepassing is, moet het betreffende geldige internationale document aan boord aanwezig zijn.

  • 2 Zeeschepen, waarop SOLAS 1974 dan wel het Internationaal verdrag betreffende de uitwatering van schepen niet van toepassing is, moeten voorzien zijn van de desbetreffende documenten en van de vrijboordmerken die volgens het recht van de vlaggenstaat zijn voorgeschreven en die wat betreft bouw, inrichting en uitrusting aan de eisen van de genoemde verdragen voldoen of een vergelijkbaar niveau van veiligheid op enigerlei andere wijze kunnen garanderen.

  • 3 Op zeeschepen, waarop het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL 73) van toepassing is, moet een geldig internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee (IOPP document) aan boord aanwezig zijn.

  • 4 Op zeeschepen, waarop MARPOL 73 niet van toepassing is, moet een overeenkomstig document dat volgens het recht van de vlaggenstaat is voorgeschreven aan boordaanwezig zijn.

  • 5 Op zeeschepen en drijvende werktuigen die zijn toegelaten om te worden gebruikt aan de kust of op zee moet het geldige certificaat als bedoeld in bijlage 3, onderdeel IV, van ES-TRIN aan boord aanwezig zijn, indien het geldige certificaat van onderzoek als bedoeld in bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN niet aan boord aanwezig is. Daarbij dient bij drijvende werktuigen aan hoofdstuk 25 van ESTRIN ook met inachtneming van hoofdstuk 22 van ES-TRIN te zijn voldaan.

Artikel 1.06. Voorschriften van tijdelijke aard

  • 1 De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk wordt geacht

    • a) in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten, of

    • b) proefnemingen waardoor de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden benadeeld mogelijk te maken.

  • 2 Deze tijdelijke voorschriften worden in alle Rijnoeverstaten en België op hetzelfde tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.

Artikel 1.07. Dienstinstructies voor de Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten

  • 1 In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van dit reglement kan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart dienstinstructies voor de Commissies van deskundigen en de volgens dit reglement bevoegde autoriteiten vaststellen. De Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten worden van deze dienstinstructie in kennis gesteld.

  • 2 De Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze dienstinstructie te houden.

  • 3 De instructies overeenkomstig ES-TRIN voor de toepassing van ES-TRIN gelden als dienstinstructies in de zin van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.

Hoofdstuk 2. Procedure

Artikel 2.01. Commissie van deskundigen

  • 1 In bepaalde daarvoor in aanmerking komende havens zijn door de Rijnoeverstaten en België Commissies van deskundigen ingesteld.

  • 2 De Commissies van deskundigen bestaan uit een voorzitter en erkend deskundigen.

    Als erkend deskundigen maken van iedere Commissie van deskundigen ten minste deel uit:

    • a) een personeelslid van het bevoegd gezag op het gebied van de scheepvaart;

    • b) een erkend deskundige op het gebied van de bouw van binnenschepen en hun machines;

    • c) een erkend nautisch deskundige die in het bezit is van een binnenvaartschipperspatent dat het voeren van het schip dat onderzocht moet worden toestaat;

    • d) bij het onderzoek van traditionele vaartuigen een erkend deskundige voor traditionele vaartuigen.

  • 3 De voorzitter en de erkend deskundigen van elke Commissie van deskundigen worden benoemd door de autoriteiten van de staat die de Commissie van deskundigen heeft ingesteld.

    De voorzitter en de erkend deskundigen dienen bij de aanvaarding van hun functie schriftelijk te verklaren dat zij deze in alle onpartijdigheid zullen vervullen. Van ambtenaren wordt een dergelijke verklaring niet geëist.

  • 4 De Commissies van deskundigen kunnen zich onder de voorwaarden, zoals door elk der betrokken staten zullen worden vastgesteld, laten bijstaan door gespecialiseerde erkend deskundigen.

  • 5 De Centrale Commissie voor de Rijnvaart zorgt voor het bijhouden en het publiceren van een lijst van de Commissies van deskundigen.

Artikel 2.02. Aanvraag van het onderzoek

  • 1 De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger die een onderzoek hiervan wenst, moet bij de Commissie van deskundigen van zijn keuze een aanvraag indienen volgens het model van bijlage A. De Commissie van deskundigen stelt vast welke bescheiden moeten worden overgelegd.

  • 2 De eigenaar van een vaartuig, waarop dit reglement niet van toepassing is, of zijn vertegenwoordiger, kan een certificaat van onderzoek aanvragen. Aan deze aanvraag dient gevolg te worden gegeven wanneer het vaartuig voldoet aan de bepalingen van dit reglement.

Artikel 2.03. Aanbieding van het vaartuig voor het onderzoek

  • 1 De eigenaar of zijn vertegenwoordiger moet het vaartuig leeg, schoongemaakt en met volledige uitrusting voor onderzoek aanbieden. Hij is verplicht bij het onderzoek de noodzakelijke hulp te verlenen, bijv. een geschikte boot met personeel ter beschikking te stellen, en die delen van de romp of van de installaties bloot te leggen, die niet direct toegankelijk of zichtbaar zijn.

  • 2 De Commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek het vaartuig op het droge bezichtigen. Bezichtiging op het droge kan achterwege blijven wanneer een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd. Bij periodieke of bijzondere onderzoeken kan de Commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen. De Commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek van vaartuig met eigen mechanische middelen en samenstellen, alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting proefvaarten doen plaatsvinden.

  • 3 De Commissie van deskundigen kan extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen. Dit geldt tevens tijdens de bouw.

  • 4 Onverminderd het derde lid, moet de Commissie van deskundigen die uiteindelijk het certificaat van onderzoek moet afgeven, door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger vóór het begin van de bouw (nieuwbouw of verlenging van een reeds in bedrijf zijnde vaartuig) van vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m met uitzondering van zeeschepen, hiervan op de hoogte worden gesteld. Deze Commissie van deskundigen voert tijdens de bouwperiode onderzoeken uit. Zij kan hiervan afzien wanneer vóór het begin van de bouw een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd waarin het verklaart dat het op de bouw toeziet.

Artikel 2.04. Afgifte van het certificaat van onderzoek

  • 1 Wanneer de Commissie van deskundigen op grond van het onderzoek van een vaartuig vaststelt dat dit beantwoordt aan de bepalingen van dit reglement en de bepalingen van ES-TRIN, geeft zij aan de aanvrager een certificaat van onderzoek volgens het model van bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN af.

  • 2 De Commissie van deskundigen controleert bij afgifte van een certificaat van onderzoek of aan het desbetreffende vaartuig niet reeds een geldig certificaat is afgegeven, zoals bedoeld in artikel 1.04.

  • 3 Ingeval de Commissie van deskundigen weigert een certificaat van onderzoek af te geven, moet zij dit aan de aanvrager gemotiveerd schriftelijk mededelen.

Artikel 2.05. Voorlopig certificaat van onderzoek

  • 1 De Commissie van deskundigen kan een voorlopig certificaat afgeven voor:

    • a) vaartuigen die met toestemming van de Commissie van deskundigen naar een bepaalde plaats willen varen om een certificaat van onderzoek te verkrijgen;

    • b) vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek verloren, beschadigd of tijdelijk ingetrokken is, zoals bedoeld in de artikelen 2.07 of 2.13, eerste lid;

    • c) vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek na een inspectie met positief resultaat wordt voorbereid;

    • d) vaartuigen die niet aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een certificaat van onderzoek voldoen;

    • e) vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren niet meer overeenstemt met hetgeen in het certificaat van onderzoek is gesteld;

    • f) drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, in het geval dat de voor de toepassing van artikel 1.21, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement bevoegde autoriteiten de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van het verkrijgen van een voorlopig certificaat van onderzoek;

    • g) vaartuigen waarvoor de Commissie van deskundigen een gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot derde lid, toestaat, voor de gevallen waarvoor de Centrale Commissie voor de Rijnvaart nog geen aanbeveling heeft gedaan.

  • 2 Het voorlopige certificaat van onderzoek wordt volgens het model van bijlage 3, onderdeel II, van ES-TRIN afgegeven, wanneer de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht.

  • 3 Het voorlopige certificaat van onderzoek moet de voorwaarden bevatten die door de Commissie van deskundigen nodig worden geacht en is geldig:

    • a) in de in het eerste lid, onder a en d tot en met f, bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een redelijke termijn, die ten hoogste één maand mag zijn;

    • b) in de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde gevallen gedurende een redelijke termijn;

    • c) in de in het eerste lid, onder g, genoemde gevallen gedurende zes maanden. Deze termijn mag slechts worden verlengd met toestemming van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

  • 4 De bevoegde autoriteit stelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart binnen een maand na afgifte van het voorlopig certificaat overeenkomstig het eerste lid, onderdeel g, in kennis van de naam en het Europees scheepsidentificatienummer van het vaartuig, van de aard van de afwijking, alsmede van het land waarin het vaartuig is teboekgesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen.

Artikel 2.06. Geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek

  • 1 De geldigheidsduur van de volgens de bepalingen van dit reglement opgestelde certificaten van onderzoek bedraagt in geval van nieuwbouw:

    • a) 5 jaren voor passagiersschepen en snelle schepen;

    • b) 10 jaren voor alle andere vaartuigen.

    In met redenen omklede gevallen kan de Commissie van deskundigen een kortere geldigheidsduur bepalen. De geldigheidsduur wordt in het certificaat aangetekend.

  • 2 Voor vaartuigen die reeds voordat het onderzoek plaatsvindt in bedrijf waren, wordt de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek voor elk geval afzonderlijk, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, door de Commissie van deskundigen bepaald. Deze geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan bij het eerste lid is voorgeschreven.

Artikel 2.07. Aantekeningen in en wijzigingen van het certificaat van onderzoek

  • 1 Elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een vaartuig alsmede elke wijziging van de teboekstelling of van de thuishaven moet door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger ter kennis worden gebracht van een Commissie van deskundigen. Hij moet daarbij tevens het certificaat van onderzoek aan deze Commissie ter wijziging voorleggen.

  • 2 Alle aantekeningen in of wijzigingen van het certificaat van onderzoek, voorzien in dit reglement, in het Rijnvaartpolitiereglement en in andere, in gemeen overleg door de Rijnoeverstaten en België vastgestelde bepalingen, kunnen door iedere Commissie van deskundigen worden aangebracht.

  • 3 Wanneer een Commissie van deskundigen in het certificaat een wijziging aanbrengt of daarin een aantekening stelt, moet zij daarvan kennisgeven aan de Commissie van deskundigen die het betrokken certificaat heeft afgegeven.

Artikel 2.08. Bijzonder onderzoek

  • 1 Na iedere wezenlijke verandering of reparatie van een vaartuig die van invloed is op de hechtheid van de bouw, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of op de kenmerkende eigenschappen moet het vaartuig, voor het weer in de vaart komt, aan een Commissie van deskundigen worden aangeboden, teneinde aan een bijzonder onderzoek te worden onderworpen.

  • 2 De Commissie van deskundigen die het bijzonder onderzoek verricht, stelt, afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek, de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vast. Deze periode mag niet langer zijn dan de lopende geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek.

    De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat van onderzoek en dient ter kennis te worden gebracht van de Commissie van deskundigen die het certificaat heeft afgegeven.

Artikel 2.09. Periodiek onderzoek

  • 1 Vóór afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek moet het vaartuig aan een periodiek onderzoek worden onderworpen.

  • 2 Bij wijze van uitzondering kan de Commissie van deskundigen op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek zonder periodiek onderzoek met ten hoogste één jaar verlengen. Deze verlenging wordt schriftelijk gegeven en moet zich aan boord van het vaartuig bevinden.

  • 3 De Commissie van deskundigen die het periodiek onderzoek verricht, stelt afhankelijk van de resultaten daarvan de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vast. Hierbij wordt artikel 2.06 in acht genomen. De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat van onderzoek en dient ter kennis te worden gebracht van de Commissie van deskundigen die het certificaat heeft afgegeven.

  • 4 Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur het certificaat van onderzoek door een nieuw certificaat wordt vervangen, dient het oude certificaat van onderzoek te worden teruggezonden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven.

Artikel 2.10. Vrijwillig onderzoek

De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger kan op elk moment om een vrijwillig onderzoek verzoeken. Aan dit verzoek om een onderzoek dient gevolg te worden gegeven.

Artikel 2.11. Van overheidswege gelast onderzoek

  • 1 Wanneer een der bevoegde autoriteiten, belast met de zorg voor de veiligheid van de scheepvaart op de Rijn, van mening is dat een vaartuig gevaar kan opleveren voor de zich aan boord bevindende personen of voor de scheepvaart, kan zij gelasten dat het vaartuig door een Commissie van deskundigen wordt onderzocht.

  • 2 De eigenaar van het vaartuig draagt slechts dan de kosten van het onderzoek, wanneer de Commissie van deskundigen erkent dat de mening van de in het eerste lid bedoelde autoriteit gegrond is.

Artikel 2.12. Verklaring van en controle door een erkend classificatiebureau of van een technische dienst

  • 1 De Commissie van deskundigen kan er geheel of gedeeltelijk van afzien te onderzoeken of een vaartuig voldoet aan de in ES-TRIN en in hoofdstuk 8a van dit reglement voorgeschreven bepalingen, voor zover uit een geldige verklaring, afgegeven door een erkend classificatiebureau, blijkt dat het vaartuig geheel of gedeeltelijk aan die bepalingen voldoet.

  • 2 Een verklaring van een erkend classificatiebureau, dan wel – voor zover dit volgens dit reglement voor bepaalde onderdelen van de uitrusting is toegelaten – van een technische dienst, mag door de bevoegde autoriteit slechts dan worden erkend, indien dat erkend classificatiebureau of die andere instantie verklaart dat het de bepalingen van de instructies van ES-TRIN in acht heeft genomen.

  • 3 Voor de toepassing van ES-TRIN kunnen technische diensten niet gelegen in de Rijnoeverstaten, België of de lidstaten van de Europese Unie slechts op aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden erkend.

Artikel 2.13. Inhouding en teruggave van het certificaat van onderzoek

  • 1 Wanneer de Commissie van deskundigen tijdens een onderzoek bemerkt dat een vaartuig of de uitrusting daarvan ernstige gebreken vertoont, en dat daardoor de veiligheid van de zich aan boord bevindende personen of de scheepvaart in gevaar wordt gebracht, dient het certificaat te worden ingehouden en dient de Commissie die het heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis te worden gesteld. Bij duwbakken dient ook de in artikel 1.10, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven metalen plaat te worden ingehouden.

    Wanneer de Commissie van deskundigen heeft geconstateerd dat de gebreken zijn verholpen, wordt het certificaat aan de eigenaar of zijn vertegenwoordiger teruggegeven.

    Dit constateren en de teruggave van het certificaat kunnen op verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger door tussenkomst van een andere Commissie geschieden.

    Wanneer de Commissie van deskundigen die het certificaat heeft ingehouden, vermoedt dat de gebreken niet binnen afzienbare tijd worden verholpen, wordt het certificaat gezonden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven of het laatst heeft verlengd.

  • 2 Wanneer een vaartuig definitief is opgelegd of gesloopt, moet de eigenaar het certificaat terugzenden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven.

Artikel 2.14. Duplicaten

  • 1 Wanneer een certificaat van onderzoek verloren is gegaan, moet hiervan kennis worden gegeven aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven. Deze Commissie geeft dan een duplicaat van het certificaat van onderzoek af, dat als zodanig is gewaarmerkt.

  • 2 Wanneer een certificaat van onderzoek onleesbaar of om enige andere reden onbruikbaar is geworden, moet de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger het certificaat van onderzoek terugzenden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven; deze geeft dan een duplicaat af, overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 2.15. Kosten

  • 1 Onverminderd artikel 2.11, tweede lid, draagt de eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger de kosten die voortvloeien uit het onderzoek en de afgifte van het certificaat van onderzoek, overeenkomstig het geldende tarief, dat door elk der Rijnoeverstaten en België wordt vastgesteld. Er mag hierbij geen onderscheid worden gemaakt uit hoofde van het land van teboekstelling van het vaartuig of de nationaliteit of woonplaats van de eigenaar.

  • 2 De Commissie van deskundigen kan vóór het onderzoek een voorschot verlangen dat niet hoger mag zijn dan het vermoedelijke bedrag van de kosten.

Artikel 2.16. Inlichtingen

De Commissie van deskundigen kan personen, die kunnen aantonen daar om gegronde redenen belang bij te hebben, kennis laten nemen van de inhoud van het certificaat van onderzoek van een vaartuig, en op hun kosten als zodanig aangeduide uittreksels of gewaarmerkte afschriften van het certificaat verstrekken.

Artikel 2.17. Registratie van de certificaten van onderzoek

  • 1 De Commissies van deskundigen geven de door hen afgegeven certificaten een volgnummer. Zij houden een register bij van alle door hen afgegeven certificaten overeenkomstig bijlage 3, onderdeel VI, van ES-TRIN.

  • 2 De Commissies van deskundigen bewaren de minuut of een afschrift van elk certificaat dat zij hebben afgegeven. Daarop tekenen zij alle aantekeningen en wijzigingen, alsmede ongeldigheidsverklaringen en vervangingen van de certificaten aan en actualiseren zij volgens het eerste lid de registratie dienovereenkomstig.

  • 3 Ter uitvoering van de bestuursrechtelijke maatregelen op het gebied van de scheepvaart en ter toepassing van de artikelen 2.02 tot en met 2.15 wordt aan de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten en België, van de lidstaten van de Europese Unie en, voor zover een gelijkwaardige gegevensbescherming is gewaarborgd, aan de bevoegde autoriteiten van derde landen op grond van bestuursrechtelijke overeenkomsten het recht tot inzage in de registratie zoals bedoeld in het eerste lid verleend.

Artikel 2.18. Uniek Europees scheepsidentificatienummer

  • 1 De Rijnoeverstaten en België zorgen ervoor dat ieder vaartuig overeenkomstig dit reglement en ES-TRIN een uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) wordt toegekend.

  • 2 Ieder vaartuig heeft slechts één ENI-nummer dat gedurende zijn hele levensduur onveranderd blijft.

  • 4 De Commissie van deskundigen die het certificaat van onderzoek afgeeft voor een vaartuig, vult op dit certificaat het ENI-nummer in. Dit nummer wordt, voor zover het vaartuig op het moment van de afgifte van het certificaat van onderzoek nog niet over een ENI-nummer beschikt, door de bevoegde autoriteit van de staat waarin zijn plaats van teboekstelling of zijn thuishaven is gelegen, toegekend. Indien geen ENI-nummer kan worden toegekend aan een vaartuig in het land van zijn teboekstelling of van zijn thuishaven, wordt het ENI-nummer dat op het certificaat van onderzoek moet worden ingevuld, toegekend door de bevoegde autoriteit van de staat waarin de Commissie van deskundigen is gevestigd die dit certificaat afgeeft. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op zeeschepen.

  • 5 De eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger moet de toekenning van het ENI-nummer bij de bevoegde autoriteit aanvragen. Hij moet tevens het ENI-nummer, dat in het certificaat van onderzoek is ingevuld, daarop doen aanbrengen.

  • 6 De Rijnoeverstaten en België brengen de namen en contactgegevens van de autoriteiten die bevoegd zijn tot het afgeven van een ENI-nummer evenals de wijziging van die gegevens ter kennis van het secretariaat van de Centrale Commissie. Het secretariaat van de Centrale Commissie voor Rijnvaart houdt een register bij van deze autoriteiten.

Artikel 2.19. Europese scheepsrompdatabank

  • 1 De Rijnoeverstaten en België zorgen ervoor dat de bevoegde instanties voor ieder vaartuig waarvoor een certificaat van onderzoek werd aangevraagd of afgegeven onverwijld de volgende informatie krachtens Richtlijn (EU) 2016/1629 in de EHDB invoeren:

    • a) de gegevens ter identificatie en beschrijving van het vaartuig overeenkomstig bijlage 2 van ES-TRIN;

    • b) de gegevens betreffende de afgegeven, vernieuwde, vervangen en ingetrokken certificaten van onderzoek, en betreffende de Commissie van deskundigen die het certificaat van onderzoek afgeeft;

    • c) een digitale kopie van alle door de Commissies van deskundigen afgegeven certificaten;

    • d) de gegevens over alle afgewezen of lopende aanvragen voor certificaten van onderzoek; en

    • e) alle veranderingen van de in de punten b tot en met d bedoelde gegevens.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen worden verwerkt door de bevoegde instanties van de lidstaten van de Europese Unie, de Rijnoeverstaten en België en derde landen die zijn belast met taken in verband met de toepassing van Richtlijn (EU) 2016/1629 en van Richtlijn 2005/44/EG voor de volgende doeleinden:

    • a) toepassen van Richtlijn (EU) 2016/1629 en van Richtlijn 2005/44/EG;

    • b) waarborgen van binnenscheepvaart- en infrastructuurbeheer;

    • c) vrijwaren of handhaven van de veiligheid van de scheepvaart;

    • d) verzamelen van statistische gegevens.

  • 3 Elke verwerking van persoonsgegevens door de Rijnoeverstaten en België vindt plaats overeenkomstig het recht van de Europese Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, met name Verordening (EU) 2016/679.

  • 4 De bevoegde autoriteit van een van de Rijnoeverstaten of van België kan persoonsgegevens overdragen aan een derde land of een internationale organisatie, mits die overdracht uitsluitend per geval plaatsvindt en aan de voorwaarden van Verordening (EU) 2016/679 en met name die opgenomen in hoofdstuk V, is voldaan. De Rijnoeverstaten en België waarborgen dat de overdracht noodzakelijk is voor de in het tweede lid bedoelde doeleinden. De Rijnoeverstaten en België waarborgen dat het derde land of de internationale organisatie de gegevens niet overdraagt aan een ander derde land of een andere internationale organisatie, tenzij dat land of die internationale organisatie hiervoor uitdrukkelijke schriftelijke toestemming heeft verkregen en voldoet aan de door de bevoegde instantie van de Rijnoeverstaten en België gestelde voorwaarden.

  • 5 De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de gegevens betreffende een vaartuig uit de in het eerste lid bedoelde databank worden gewist wanneer dit vaartuig wordt gesloopt.

Artikel 2.20. Gelijkwaardigheid en afwijkingen

  • 1 Wanneer in de bepalingen van ES-TRIN wordt bepaald dat op een vaartuig bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de Commissie van deskundigen de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit vaartuig van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig zijn erkend.

  • 2 Indien de toepassing:

    • a) van de in hoofdstuk 19 van ES-TRIN genoemde bepalingen, die te maken hebben met het rekening houden met de bijzondere veiligheidsbehoeften van personen met beperkte mobiliteit, of

    • b) van de in hoofdstuk 32 van ES-TRIN genoemde bepalingen na afloop van de overgangsbepalingen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, kan de Commissie van deskundigen op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.

  • 3 Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan een Commissie van deskundigen op grond van een aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor een vaartuig met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de technische voorschriften van ES-TRIN een certificaat van onderzoek afgeven, voor zover deze nieuwe voorzieningen een voldoende veiligheid bieden.

  • 4 De bevoegde autoriteiten informeren het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart binnen één maand over de afgifte van een gelijkwaardigheid en afwijking.

  • 5 De in het eerste lid tot derde lid en zesde lid genoemde gelijkwaardigheden en afwijkingen dienen in het certificaat van onderzoek te worden aangetekend.

  • 6 Op vaartuigen die worden omgebouwd tot schepen met een lengte van meer dan 110m mag de Commissie van deskundigen hoofdstuk 32 van ES-TRIN slechts toepassen op grond van bijzondere aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

Artikel 2.21. Typegoedkeuringen en publicaties

  • 1 Voor bepaalde onderdelen en uitrustingen van de vaartuigen wordt het voldoen aan de vereisten vastgesteld met door de bevoegde autoriteiten afgegeven typegoedkeuringen.

    Deze onderdelen en uitrustingen, de vereisten alsmede de procedures voor de afgifte van de typegoedkeuringen zijn in ES-TRIN vastgelegd.

  • 2 De bevoegde autoriteiten kennen aan elke typegoedkeuring een nummer toe. Dit nummer begint met de letter R. De voorschriften inzake de samenstelling van de typegoedkeuringsnummers en inzake de markering van de uitrustingen en onderdelen met deze nummers zijn in ES-TRIN vastgelegd.

  • 3 De lidstaten stellen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in kennis van de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten.

  • 4 De bevoegde autoriteiten stellen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in kennis van de door hen op grond van typegoedkeuringen toegelaten uitrustingen en onderdelen alsmede van de door hen voor de inbouw of het vervangen van deze uitrustingen en onderdelen erkende gespecialiseerde bedrijven.

  • 5 De Centrale Commissie voor de Rijnvaart publiceert:

    • a) de lijsten van de voor de afgifte van typegoedkeuringen bevoegde autoriteiten en de in dit kader erkende technische diensten;

    • b) de lijsten van de krachtens de op grond van dit reglement afgegeven typegoedkeuringen en krachtens de als gelijkwaardig erkende typegoedkeuringen toegelaten onderdelen en uitrustingen;

    • c) de lijsten van de voor de inbouw of het vervangen van de toegelaten onderdelen en uitrustingen erkende gespecialiseerde bedrijven.

  • 6 De typegoedkeuringen voor uitrustingen krachtens Richtlijn (EU) 2016/1629 zijn gelijkwaardig aan de eerdergenoemde typegoedkeuringen.

  • 7 Het tweede tot en met zesde lid gelden niet voor vast ingebouwde brandblusinstallaties

  • 8.1 In afwijking van het eerste tot en met zesde lid is voor verbrandingsmotoren hoofdstuk 8a van toepassing.

Artikel 2.22. Kennisgevingen inzake het toelaten van boordzuiveringsinstallaties

  • 1 De bevoegde autoriteit voor het toelaten van boorzuiveringsinstallaties stuurt

    • a) bij iedere wijziging aan de andere bevoegde autoriteiten een lijst van de boordzuiveringsinstallatietypes (met de overeenkomstig bijlage 7, onderdeel V, van ES-TRIN vermelde gegevens), waarvan de goedkeuringen in de betrokken periode door haar zijn verleend, geweigerd of ingetrokken;

    • b) op verzoek van een andere bevoegde autoriteit aan deze autoriteit

      • aa) een kopie van het certificaat van typegoedkeuring van het boordzuiveringsinstallatietype, al dan niet met het informatiepakket, van ieder boordzuiveringsinstallatietype waarvoor zij een goedkeuring heeft verleend, geweigerd of ingetrokken, en zo nodig

      • bb) de lijst van boordzuiveringsinstallaties die zijn vervaardigd in overeenstemming met de verleende typegoedkeuringen, omschreven in artikel 18.05, derde lid, van ES-TRIN, met de gegevens bedoeld in bijlage 7, onderdeel VI, van ES-TRIN.

  • 2 Elke voor het toelaten bevoegde autoriteit zendt jaarlijks en bovendien bij ontvangst van een daartoe strekkend verzoek een kopie van het in bijlage 7, onderdeel VII, van ESTRIN bedoelde gegevensformulier betreffende boordzuiveringsinstallatietypes die sinds de laatste kennisgeving zijn goedgekeurd aan het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

    1 Het onderhavige lid blijft tot 1 januari 2020 van kracht. Vanaf die datum zullen met betrekking tot de binnenschepen de voorschriften van Verordening (EU) 2016/1628 in werking treden.

  • 3 De bevoegde autoriteiten stellen elkaar binnen één maand in kennis van de intrekking van een typegoedkeuring en van de redenen daarvoor en stellen tegelijkertijd het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart daarvan in kennis.

Deel II. Bouw, inrichting en uitrusting

Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstand, vrijboord en diepgangsschalen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 4.05. Ten hoogste toegelaten inzinking van schepen waarvan de laadruimen niet altijd spatwater- en regendicht zijn gesloten

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 5. Manoeuvreereigenschappen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 5.04. Beladingstoestand van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 6. Stuurinrichtingen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 6.06. Roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 7. Stuurhuis

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 7.03. Algemene eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 7.04. Bijzondere eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten voor voortstuwingsmotoren en stuurinrichtingen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 7.13. Aantekening in het certificaat van onderzoek voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 8. Werktuigbouwkundige eisen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 8.07. Tanks voor olie, die in krachtoverbrengingsystemen, schakel- , voortstuwings- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, leidingen en toebehoren

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 8.09. Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 8A. 1Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren

Artikel 8a.01. Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • 1. ‘motor’: een motor die werkt volgens het principe van de compressieontsteking (dieselmotor);

  • 2. ‘typegoedkeuring’: de beslissing waardoor de bevoegde autoriteit verklaart dat een motortype, een motorfamilie of een motorgroep aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoet wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes uit de motor(en);

  • 3. ‘inbouwkeuring’: de procedure waarbij door de bevoegde autoriteit wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig ingebouwde motor, met inbegrip van eventuele na de typegoedkeuring aangebrachte wijzigingen en/of afstellingen, voldoet aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes;

  • 4. ‘tussentijdse keuring’: de procedure waarbij door de bevoegde autoriteit wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig in gebruik zijnde motor, met inbegrip van eventuele na de inbouwkeuring aangebrachte wijzigingen en/of afstellingen, voldoet aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes;

  • 5. ‘bijzondere keuring’: de procedure waarbij door de bevoegde autoriteit wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig in gebruik zijnde motor na iedere belangrijke wijziging nog aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoet wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes;

  • 6. ‘motortype’: een groepering van motoren die met betrekking tot de essentiële motorkenmerken vermeld in bijlage J, deel II, aanhangsel 1, niet verschillend zijn; er dient ten minste één eenheid van een motortype te zijn gebouwd;

  • 7. ‘motorfamilie’: een door de fabrikant vastgestelde en door de bevoegde autoriteit type goedgekeurde groepering van motoren, die vanwege hun ontwerp naar verwachting vergelijkbare eigenschappen hebben wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, en die aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen;

  • 8. ‘motorgroep’: een door de fabrikant vastgestelde en door de bevoegde autoriteit goedgekeurde groepering van motoren, die vanwege hun ontwerp naar verwachting vergelijkbare eigenschappen hebben wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, en die aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen, waarbij een afstelling of een wijziging van afzonderlijke motoren na de typegoedkeuring toegelaten is binnen vastgelegde grenzen;

  • 9. ‘basismotor’: een uit een motorfamilie of motorgroep geselecteerde motor die voldoet aan de voorschriften van bijlage J, deel I, onderdeel 5;

  • 10. ‘nominaal vermogen’: het netto vermogen van de motor bij nominaal toerental en volle belasting;

  • 11. ‘fabrikant’: de persoon of organisatie die tegenover de bevoegde autoriteit verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de productie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of organisatie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van de motor. Indien de motor pas na zijn oorspronkelijke fabricage door veranderingen en aanvullingen wordt aangepast voor gebruik op een vaartuig in de zin van dit hoofdstuk, is de fabrikant normalerwijs de persoon of de organisatie die deze veranderingen of aanvullingen heeft uitgevoerd;

  • 12. ‘inlichtingenformulier’: het formulier, bedoeld in bijlage J, deel II, waarin staat vermeld welke gegevens door de aanvrager moeten worden verstrekt;

  • 13. ‘informatiedossier’: het geheel van gegevens, tekeningen, foto’s en andere bescheiden die de aanvrager overeenkomstig de eisen van het inlichtingenformulier aan de technische dienst of de bevoegde autoriteit moet verstrekken;

  • 14. ‘informatiepakket’: het informatiedossier plus alle testrapporten en andere documenten die de technische dienst of de bevoegde autoriteit tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd;

  • 15. ‘certificaat van typegoedkeuring’: het document, bedoeld in bijlage J, deel III, waarin de bevoegde autoriteit de typegoedkeuring vaststelt;

  • 16. ‘proces-verbaal van de motorkenmerken’: het document, bedoeld in bijlage J, deel VIII, waarin alle kenmerken van de motor, met inbegrip van de onderdelen (componenten) en afstellingen die een weerslag hebben op het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes evenals alle veranderingen daarvan, vastgelegd zijn.

  • 17. ‘Inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken’: het document, bedoeld in artikel 8a.11, derde lid, ten behoeve van inbouwkeuringen, tussentijdse keuringen dan wel bijzonder keuringen.

Artikel 8a.02. Basisprincipes

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op alle motoren met een nominaal vermogen (PN) gelijk aan of groter dan 19 kW, die geïnstalleerd zijn aan boord van vaartuigen of die ingebouwd zijn in zich aan boord bevindende werktuigen, voor zover ze niet vallen onder de desbetreffende reglementen of richtlijnen van de Europese Unie met betrekking tot de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes.

    Indien de motoren voldoen aan de eisen van verordening (EU) 2016/1628, is dit hoofdstuk niet van toepassing.

    Indien de motoren voldoen aan de eisen van dit hoofdstuk, is hoofdstuk 9 van ES-TRIN niet van toepassing.

  • 2 De uitstoot van deze motoren van koolmonoxide (CO), koolwaterstoffen (HC), stikstofoxide (NOx) en van deeltjes (PT) mag, met betrekking tot het nominale toerental n, de volgende waarden niet overschrijden:

    PN

    [kW]

    CO

    [g/kWh]

    HC

    [g/kWh]

    NOx

    [g/kWh]

    PT

    [g/kWh]

    19 ≤ PN < 37

    5,5

    1,5

    8,0

    0,8

    37 ≤ PN < 75

    5,0

    1,3

    7,0

    0,4

    75 ≤ PN < 130

    5,0

    1,0

    6,0

    0,3

    130 ≤ PN < 560

    3,5

    1,0

    6,0

    0,2

    PN ≥ 560

    3,5

    1,0

    n ≥ 3.150 min-1 = 6,0

    n < 3.150 min-1 = 45 • n(-0,2) - 3

    n < 343 min-1 = 11,0

    0,2

  • 3 Het voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, wordt voor een motortype, een motorfamilie of een motorgroep vastgesteld door middel van een typegoedkeuring.

    De typegoedkeuring wordt vastgelegd in een certificaat van typegoedkeuring. De eigenaar of zijn gevolmachtigde moet een kopie van het certificaat van typegoedkeuring voegen bij de aanvraag van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.02. Een kopie van het certificaat van typegoedkeuring en een kopie van het proces-verbaal van de motorkenmerken moeten zich aan boord bevinden.

  • 4

    • a) Na de inbouw van de motor aan boord, maar voor zijn ingebruikstelling, moet een inbouwkeuring worden uitgevoerd. Deze keuring, die deel uitmaakt van het eerste onderzoek van het vaartuig of van een bijzonder onderzoek naar aanleiding van de inbouw van de betreffende motor, leidt ofwel tot het inschrijven van de motor in het eerste af te geven certificaat van onderzoek ofwel tot een wijziging van het bestaande certificaat van onderzoek.

    • b) De Commissie van deskundigen kan van een inbouwkeuring, bedoeld in onderdeel a), afzien indien een motor waarvan het nominale vermogen PN minder dan 130 kW bedraagt, wordt vervangen door een motor met eenzelfde typegoedkeuring.

    Voorwaarde hiervoor is dat de scheepseigenaar of zijn gevolmachtigde het vervangen van de motor meedeelt aan de Commissie van deskundigen, waarbij een kopie van het certificaat van typegoedkeuring moet worden gevoegd en het identificatienummer van de nieuw ingebouwde motor moet worden vermeld. Ten gevolge hiervan wordt nummer 52 van het certificaat van onderzoek gewijzigd.

  • 5 Periodieke keuringen van de motor moeten worden uitgevoerd in het kader van het aanvullend onderzoek, bedoeld in artikel 2.09.

  • 6 Na elke belangrijke wijziging van een motor, die een invloed heeft op de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, moet altijd een bijzondere keuring plaatsvinden.

  • 7 De nummers van de typegoedkeuringen en de identificatienummers van alle aan boord van een vaartuig geïnstalleerde motoren, die onder de bepalingen van dit hoofdstuk vallen, moeten door de Commissie van deskundigen worden ingeschreven onder punt 52 van het certificaat van onderzoek.

  • 8 De bevoegde autoriteit kan zich voor de vervulling van taken, bedoeld in dit hoofdstuk, doen bijstaan door een technische dienst.

Artikel 8a.03. Aanvraag van een typegoedkeuring

  • 1 Een aanvraag van een typegoedkeuring van een motortype, een motorfamilie of een motorgroep moet door de fabrikant bij de bevoegde autoriteit worden ingediend. Bij de aanvraag moeten een informatiedossier, het ontwerp van een proces-verbaal van de motorkenmerken en het ontwerp van een inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken worden gevoegd. De fabrikant moet voor de typekeuringen een motor, die voldoet aan de essentiële kenmerken vermeld in bijlage J, deel II, aanhangsel 1, demonstreren.

  • 2 Indien de bevoegde autoriteit, in het geval van een aanvraag van een typegoedkeuring van een motorfamilie of van een motorgroep, vaststelt dat de ingediende aanvraag met betrekking tot de geselecteerde basismotor voor de in bijlage J, deel II, aanhangsel 2, beschreven motorfamilie of motorgroep niet representatief is, moet een andere, en eventueel een extra, basismotor, die door de bevoegde autoriteit wordt aangewezen, ten behoeve van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking worden gesteld.

  • 3 Een aanvraag van een typegoedkeuring voor een motortype, een motorfamilie of een motorgroep mag bij niet meer dan één bevoegde autoriteit worden ingediend. Voor ieder goed te keuren motortype, motorfamilie of motorgroep moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.

Artikel 8a.04. Typegoedkeuringsprocedure

  • 1 De bevoegde autoriteit, waarbij de aanvraag wordt ingediend, verleent de typegoedkeuring voor alle motortypes, motorfamilies of motorgroepen die overeenstemmen met de gegevens van de informatiedossiers en aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.

  • 2 De bevoegde autoriteit vult voor ieder motortype en iedere motorfamilie of motorgroep waarvoor zij goedkeuring verleent alle desbetreffende onderdelen van het certificaat van typegoedkeuring in, waarvan het model is opgenomen in bijlage J, deel III; zij stelt de inhoudsopgave van het informatiepakket op of verifieert deze. De certificaten van typegoedkeuring moeten worden genummerd volgens het systeem aangegeven in bijlage J, deel IV. Het ingevulde certificaat van typegoedkeuring en de daarbij behorende bijlagen worden aan de aanvrager toegezonden.

  • 3 Indien de goed te keuren motor zijn functie slechts vervult of bijzondere kenmerken slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het vaartuig waarin hij zal worden ingebouwd, en om die reden de naleving van één of meer eisen slechts kan worden geverifieerd wanneer de goed te keuren motor in combinatie met andere echte of gesimuleerde onderdelen van het vaartuig functioneert, moet de geldigheid van de typegoedkeuring van deze motor (motoren) dienovereenkomstig worden beperkt. In dergelijke gevallen moeten in het certificaat van typegoedkeuring van een motortype, van een motorfamilie of van een motorgroep de eventuele beperkingen in het gebruik alsmede eventuele voorwaarden waaraan bij montage moet worden voldaan, worden vermeld.

  • 4 Elke bevoegde autoriteit zendt:

    • a) bij iedere wijziging aan de andere bevoegde autoriteiten een lijst, die de in bijlage J, deel V, vermelde gegevens bevat, van de goedkeuringen van de motortypes, de motorfamilies en de motorgroepen die zij in de betrokken periode heeft verleend, geweigerd of ingetrokken;

    • b) op verzoek van een andere bevoegde autoriteit

      • aa) een kopie van het certificaat van typegoedkeuring van het motortype, de motorfamilie of de motorgroep al dan niet met het informatiepakket van ieder motortype en iedere motorfamilie of motorgroep waarvoor zij goedkeuring heeft verleend, geweigerd of ingetrokken, en zo nodig

      • bb) de lijst van de motoren die zijn geproduceerd in overeenstemming met de verleende typegoedkeuringen, omschreven in artikel 8a.06, derde lid, met de gegevens, bedoeld in bijlage J, deel VI.

  • 5 Elke bevoegde autoriteit zendt jaarlijks en bovendien bij ontvangst van een daartoe strekkend verzoek aan het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart een kopie van het in bijlage J, deel VII, bedoelde technische gegevensformulier betreffende de motortypes, motorfamilies en motorgroepen die sinds de laatste kennisgeving zijn goedgekeurd.

Artikel 8a.05. Wijziging van goedkeuringen

  • 1 De bevoegde autoriteit, die de typegoedkeuring heeft verleend, moet de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij in kennis wordt gesteld van iedere wijziging van de gegevens in het informatiepakket.

  • 2 De aanvraag om wijziging of uitbreiding van een typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de bevoegde autoriteit die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend.

  • 3 Indien in het informatiepakket vermelde gegevens worden gewijzigd, verstrekt de bevoegde autoriteit:

    • a) indien nodig, de herziene bladzijden van het informatiepakket; op iedere herziene bladzijde moeten duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziene versie zijn vermeld; bij iedere heruitgave van bladzijden moet ook de inhoudsopgave van het informatiepakket (dat bij het certificaat van typegoedkeuring is gevoegd) worden gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de laatste stand van zaken;

    • b) een herzien certificaat van typegoedkeuring (met een uitbreidingsnummer) indien de daarin voorkomende gegevens (met uitzondering van de bijlagen) zijn gewijzigd of indien de minimumeisen van dit hoofdstuk sinds de oorspronkelijke datum van de goedkeuring zijn veranderd; in dit herziene certificaat moeten duidelijk de reden voor de herziening en de datum van afgifte van de herziene versie worden vermeld.

    Indien de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend vastgesteld heeft, dat een voorgenomen wijziging van het informatiepakket aanleiding is voor nieuwe proeven of tests, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis en geeft zij de bovengenoemde documenten pas af nadat de nieuwe proeven of tests met goed gevolg zijn verricht.

Artikel 8a.06. Conformiteit

  • 1 De fabrikant brengt op iedere eenheid die conform de typegoedkeuring is geproduceerd de in bijlage J, deel I, onderdeel 1, vastgestelde merktekens aan met inbegrip van het typegoedkeuringsnummer.

  • 2 Indien de typegoedkeuring overeenkomstig artikel 8a.04, derde lid, beperkingen aan het gebruik bevat, moeten door de fabrikant bij iedere gefabriceerde eenheid gedetailleerde gegevens over deze beperkingen alsmede de volledige inbouwvoorschriften worden bijgeleverd.

  • 3 De fabrikant zendt op verzoek van de autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend binnen 45 dagen na het einde van ieder kalenderjaar, en onmiddellijk na ieder verder tijdstip dat door de autoriteit is vastgesteld, een lijst met de identificatienummers (serienummers) van alle motoren die conform de eisen van dit hoofdstuk zijn geproduceerd sinds de laatste lijst werd ingediend of sinds de datum waarop deze voorschriften voor het eerst van kracht werden. Indien het codesysteem van de motor daarover geen uitsluitsel geeft, moet deze lijst het verband aangeven tussen de identificatienummers en de daarbij behorende motortypes, de motorfamilies of de motorgroepen en de typegoedkeuringsnummers. Bovendien moet de lijst bijzondere gegevens bevatten indien de fabrikant niet langer een goedgekeurd motortype, een goedgekeurde motorfamilie of motorgroep produceert. Indien de bevoegde autoriteit niet verlangt dat deze lijst haar regelmatig wordt toegezonden, moet de fabrikant de geregistreerde gegevens gedurende ten minste 40 jaren bewaren.

Artikel 8a.07. Erkenning van andere gelijkwaardige normen

  • 1 Met gebruikmaking van de navolgende tabel gelden typegoedkeuringen overeenkomstig de Richtlijnen van de Europese Gemeenschap als gelijkwaardig aan de typegoedkeuringen overeenkomstig de voorwaarden en de bepalingen van dit hoofdstuk:

    Doel van de motor

    Richtlijn

    Motorcategorie

    Hoofdaandrijving van het schip

    2004/26/EG

    V

    Hulpmotor met constant toerental

    2004/26/EG

    V

    H, I, J, K

    97/68/EG

    D, E, F, G

    Hulpmotor met variabel toerental en variabele belasting

    2004/26/EG

    V

    H, I, J, K

    L, M, N, P

    Q, R

  • 2 De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan de gelijkwaardigheid erkennen van andere overeenstemmende normen vastgelegd in internationale regelingen, dan wel in voorschriften van de Rijnoeverstaten of België of van een derde land met de voorwaarden en de bepalingen van dit hoofdstuk inzake de typegoedkeuringen van motoren.

Artikel 8a.08. Controle van de identificatienummers

  • 1 De bevoegde autoriteit die een typegoedkeuring verleent, zorgt ervoor dat de identificatienummers van de motoren die overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk zijn geproduceerd, zo nodig in samenwerking met de andere bevoegde autoriteiten, worden geregistreerd en gecontroleerd.

  • 2 Een bijkomende controle van de identificatienummers kan plaats vinden bij gelegenheid van de controle van de conformiteit van de productie, bedoeld in artikel 8a.09.

  • 3 Met betrekking tot de controle van de identificatienummers verstrekken de fabrikant of zijn in de Rijnoeverstaten en België gevestigde agenten op verzoek van de bevoegde autoriteit onverwijld alle benodigde gegevens betreffende de cliënten alsook de identificatienummers van de motoren, waarvan is medegedeeld dat zij conform artikel 8a.06, derde lid, zijn geproduceerd.

  • 4 Indien een fabrikant, na een verzoek daartoe van de bevoegde autoriteit, niet in staat is de in artikel 8a.06 bedoelde voorschriften na te komen, kan de goedkeuring voor het betreffende motortype of de betreffende motorfamilie of motorgroep worden ingetrokken.

    Daarvan wordt kennisgegeven volgens de procedure overeenkomstig artikel 8a.10, vierde lid.

Artikel 8a.09. Conformiteit van de productie

  • 1 De bevoegde autoriteit, die een typegoedkeuring verleent, vergewist er zich van tevoren van, zo nodig in samenwerking met de andere bevoegde autoriteiten, dat de met betrekking tot bijlage J, deel I, onderdeel 4, passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om een doeltreffende controle van de conformiteit van de productie te waarborgen.

  • 2 De bevoegde autoriteit, die een typegoedkeuring heeft verleend, vergewist er zich van, zo nodig in samenwerking met de andere bevoegde autoriteiten, dat de bijlage J, deel I, onderdeel 4 in het eerste lid bedoelde voorzorgsmaatregelen nog steeds afdoende zijn en elke geproduceerde motor die krachtens dit hoofdstuk van een typegoedkeuringsnummer is voorzien nog steeds beantwoordt aan de beschrijving die in het certificaat van typegoedkeuring, en de daarbij behorende bijlagen inzake het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep is gegeven.

Artikel 8a.10. Non-conformiteit met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of de goedgekeurde motorgroep

  • 1 Er is sprake van non-conformiteit met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of de goedgekeurde motorgroep, indien er afwijkingen worden vastgesteld van de kenmerken in het certificaat van typegoedkeuring of eventueel in het informatiepakket, indien deze afwijkingen niet door de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend zijn toegestaan op grond van artikel 8a.05, derde lid.

  • 2 Indien de bevoegde autoriteit, die een typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat motoren, die van een certificaat van conformiteit of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het motortype, de motorfamilie of de motorgroep waaraan zij de goedkeuring heeft verleend, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in productie zijnde motoren opnieuw in overeenstemming worden gebracht met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep. De bevoegde autoriteit, die de non-conformiteit heeft vastgesteld, stelt de andere bevoegde autoriteiten en het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in kennis van de genomen maatregelen, die kunnen leiden tot de intrekking van de typegoedkeuring.

  • 3 Indien een bevoegde autoriteit kan aantonen dat motoren die van een typegoedkeuringsnummer zijn voorzien niet conform zijn met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep, kan zij de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend verzoeken te controleren of de in productie zijnde motoren conform zijn met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep. De hiertoe vereiste maatregelen moeten binnen zes maanden na de datum van het verzoek worden genomen.

  • 4 De bevoegde autoriteiten stellen elkaar in kennis van en informeren het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart binnen één maand over de intrekking van een typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.

Artikel 8a.11. Inbouwkeuring, tussentijdse keuring en bijzondere keuring

  • 1 Bij gelegenheid van de inbouwkeuring, bedoeld in artikel 8a.02, vierde lid, van de tussentijdse keuring, bedoeld in artikel 8a.02, vijfde lid, en van de bijzondere keuring, bedoeld in artikel 8a.02, zesde lid, verifieert de bevoegde autoriteit de feitelijke toestand van de motor met betrekking tot de onderdelen, de ijking en de afstellingen van de parameters zoals die in het proces-verbaal van de motorkenmerken zijn gespecificeerd.

    Indien een bevoegde autoriteit vaststelt dat een motor niet conform is met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep, kan zij eisen dat de conformiteit van de motor wordt hersteld, dat de typegoedkeuring, bedoeld in artikel 8a.05, dienovereenkomstig wordt gewijzigd of dat metingen van de werkelijke uitstoot worden uitgevoerd.

    Indien de conformiteit van de motor niet wordt hersteld of indien de typegoedkeuring niet dienovereenkomstig wordt aangepast of indien de uitgevoerde metingen aantonen dat de uitstoot niet in overeenstemming is met de toegelaten grenswaarden, bedoeld in artikel 8a.02, tweede lid, weigert de bevoegde autoriteit de afgifte van een certificaat van onderzoek of trekt zij een eerder afgegeven certificaat van onderzoek in.

  • 2 Bij motoren die uitgerust zijn met een systeem voor nabehandeling van de uitlaatgassen moet de werking van het bedoelde systeem ter gelegenheid van de inbouwkeuring, de tussentijdse keuring of de bijzondere keuring worden getest.

  • 3 Die keuringen als bedoeld in het eerste lid geschieden aan de hand van het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken. In dit formulier, dat door de fabrikant wordt opgesteld en dat door een bevoegde autoriteit moet worden goedgekeurd, worden de onderdelen die betrekking hebben op de uitlaatgassen alsmede de instellingen en kenmerken gespecificeerd, bij toepassing waarvan kan worden uitgegaan van een onafgebroken inachtneming van de grenswaarden van het uitlaatgas.

    Daarin wordt ten minste vermeld:

    • a) vermelding van het motortype van de motorfamilie of van de motorgroep daarbij het nominale vermogen en het nominale toerental specificerend;

    • b) een lijst van componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken;

    • c) niet te verwarren merktekens om de toegelaten componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen te identificeren (bijv. nummers van onderdelen die zich op de componenten bevinden);

    • d) vermelding van de motorkenmerken die betrekking hebben op de uitlaatgassen zoals instellingsmogelijkheden van het injectiemoment, van de toegelaten temperatuur van het koelwater en van de maximale tegendruk van het uitlaatgas.

    Bij motoren die uitgerust zijn met een systeem voor nabehandeling van de uitlaatgassen moet dit formulier ook een procedure voor de controle van de goede werking van het bedoelde systeem bevatten.

Artikel 8a.12. Bevoegde autoriteiten en technische diensten

  • 1 De Rijnoeverstaten en België delen aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart de namen en de adressen van de bevoegde autoriteiten en technische diensten mede, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk. De technische diensten moeten aan de Europese norm (EN ISO/IEC 1702: 2005) voldoen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

    • a) de fabrikanten van motoren kunnen niet als technische dienst worden erkend;

    • b) voor de toepassing van dit hoofdstuk mag een technische dienst met toestemming van de bevoegde autoriteit gebruik maken van inrichtingen buiten zijn eigen testinstelling.

  • 2 Technische diensten niet gelegen in de Rijnoeverstaten, België of de lidstaten van de Europese Unie kunnen slechts op aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden erkend.

Artikel 8a.13. Overgangsbepalingen van hoofdstuk 8a

  • 1 De voorschriften van hoofdstuk 8a gelden niet

    • a) voor motoren die vóór 1.1.2003 aan boord ingebouwd waren, en

    • b) voor vervangingsmotoren*, die tot en met 31.12.2011 aan boord van schepen, die op 1.1.2002 in bedrijf waren, geïnstalleerd worden.

  • 2 In afwijking van 8a.02, tweede lid, voor motoren die vóór 1.7.2007 aan boord ingebouwd waren, gelden de grenswaarden van de volgende tabel:

    PN

    [kW]

    CO

    [g/kWh]

    HC

    [g/kWh]

    NOx

    [g/kWh]

    PT

    [g/kWh]

    19 ≤ PN < 37

    6,5

    1,3

    9,2

    0,85

    75 ≤ PN < 130

    5,0

    1,3

    9,2

    0,70

    PN ≥ 130

    5,0

    1,3

    n ≥ 2.800 min-1 = 9,2

    500 ≤ n < 2.800 min-1 = 45 • n(-0,2)

    0,54

Hoofdstuk 8b. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen uitgerust met voortstuwings- of hulpsystemen die brandstoffen gebruiken met een vlampunt van 55 ˚C of minder

Artikel 8b.01. Algemeen

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘voortstuwings- en hulpsystemen’ elk systeem dat brandstof gebruikt, met inbegrip van:

    • a) brandstoftanks en tankaansluitingen;

    • b) gasverwerkingssystemen;

    • c) leidingen en afsluiters;

    • d) motoren en turbines;

    • e) besturings-, bewakings- en veiligheidssystemen.

  • 3 Voortstuwings- en hulpsystemen als bedoeld in het tweede lid moeten onder toezicht van de Commissie van deskundigen worden gebouwd en geïnstalleerd.

  • 4 Voor het verrichten van taken uit hoofde van dit hoofdstuk kan de Commissie van deskundigen een beroep doen op een technische dienst als bedoeld in artikel 8b.07.

  • 5 Vóór de eerste ingebruikstelling van een voortstuwings- of hulpsysteem als bedoeld in het tweede lid moeten de volgende bescheiden aan de Commissie van deskundigen worden voorgelegd:

    • a) een risicobeoordeling overeenkomstig bijlage T;

    • b) een beschrijving van het voortstuwings- of hulpsysteem;

    • c) bouwtekeningen van het voortstuwings- of hulpsysteem;

    • d) een diagram van de druk en temperatuur in het systeem;

    • e) een gebruiksaanwijzing met alle procedures voor het gebruik van het systeem in de praktijk;

    • f) een veiligheidsrol overeenkomstig artikel 8b.03;

    • g) een kopie van de verklaring van keuring als bedoeld in artikel 8b.02, vierde lid.

  • 6 Er moet een kopie van de in het vijfde lid genoemde bescheiden aan boord voorhanden zijn.

Artikel 8b.02. Keuring

  • 1 Voortstuwings- en hulpsystemen die brandstoffen gebruiken met een vlampunt van55 °C of minder moeten:

    • a) vóór de eerste ingebruikstelling;

    • b) na een verandering of reparatie;

    • c) met regelmaat en ten minste eenmaal per jaar;

    door een Commissie van deskundigen worden gekeurd.

    Daarbij moeten de relevante instructies van de fabrikanten in acht worden genomen.

  • 2 De keuringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en c, moeten ten minste bestaan uit:

    • a) controle op het overeenstemmen van het voortstuwings- en hulpsysteem met de goedgekeurde bouwtekeningen, en bij een hernieuwde test, of er veranderingen in het voortstuwings- of hulpsysteem hebben plaatsgevonden;

    • b) indien noodzakelijk, controle op de goede werking van het voortstuwings- en hulpsysteem met alle bedrijfsmogelijkheden;

    • c) visuele controle en controle op de dichtheid van alle onderdelen van het systeem, in het bijzonder kleppen, pijpleidingen, slangen, cilinders, pompen en filters;

    • d) visuele controle van de elektrische en elektronische delen van de installatie;

    • e) controle van de besturings-, bewakings- en veiligheidssystemen.

  • 3 De keuringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, moeten de desbetreffende aspecten van het tweede lid bevatten.

  • 4 Bij elke keuring als bedoeld in het eerste lid, moet een verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.

Artikel 8b.03. Veiligheidsorganisatie

  • 1 Op vaartuigen uitgerust met voortstuwings- of hulpsystemen die worden aangedreven met brandstoffen met een vlampunt van 55 °C of minder moet een veiligheidsrol aanwezig zijn. De veiligheidsrol moet instructies als bedoeld in het tweede lid en een veiligheidsplan als bedoeld in het derde lid van het vaartuig bevatten.

  • 2 Deze veiligheidsinstructies moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:

    • a) de noodstop van het systeem;

    • b) maatregelen in geval van onopzettelijk vrijkomen van vloeibare of gasvormige brandstof, bij voorbeeld bij het bunkeren;

    • c) maatregelen in geval van brand of andere incidenten aan boord;

    • d) maatregelen in geval van aanvaring;

    • e) gebruik van de veiligheidsuitrusting;

    • f) activering van de alarminstallatie;

    • g) evacuatieprocedures.

  • 3 Het veiligheidsplan moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

    • a) gevaarlijke zones;

    • b) vluchtwegen, nooduitgangen en gasdichte ruimten;

    • c) reddingsmiddelen en bijboten;

    • d) blustoestellen, brandblusinstallaties en sprinklerinstallaties;

    • e) alarmsystemen;

    • f) bedieningsapparatuur van noodstopschakelaars;

    • g) brandkleppen;

    • h) noodstroominstallatie;

    • i) schakelaars van ventilatiesystemen;

    • j) bedieningsapparatuur voor brandstoftoevoerleidingen;

    • k) veiligheidsuitrusting.

  • 4 De veiligheidsrol moet:

    • a) door de Commissie van deskundigen zijn gewaarmerkt, en;

    • b) duidelijk zichtbaar op één of meer daarvoor geëigende plaatsen aan boord zijn aangebracht.

Artikel 8b.04. Milieuvereisten

  • 1 De emissies van motoren of turbines mogen de in artikel 8a.02 genoemde toepasselijke grenswaarden niet overschrijden.

  • 2 Indien voor voortstuwings- en hulpsystemen aardgas als brandstof wordt gebruikt, gelden de waarden voor de koolwaterstoffen, niet voor methaan (CH4).

  • 3 Om aan te tonen dat aan het eerste lid wordt voldaan, moet bij de Commissie van deskundigen een rapport worden ingediend over de overeenkomstig de internationale ISO-standaard 8178-1: 2006 uitgevoerde proefbankmetingen van gas- en deeltjesemissies.

  • 4 Er moeten geëigende maatregelen worden getroffen om de emissies van broeikasgassen tot een minimum te beperken. De maatregelen moeten in de documenten als bedoeld in artikel 8b.01, vijfde lid, onderdeel b, worden vermeld.

Artikel 8b.05. Markeringen

Bedrijfsruimten en systeemonderdelen moeten dusdanig gekenmerkt zijn dat duidelijk is voor welke brandstoffen zij worden gebruikt.

Artikel 8b.06. Autonome voortstuwing

In geval van een automatische uitschakeling van het voortstuwingssysteem of delen daarvan, moet het vaartuig op eigen kracht kunnen blijven voortbewegen.

Artikel 8b.07. Technische diensten

  • 1 De technische diensten moeten voldoen aan de Europese norm EN ISO 17020: 2012.

  • 2 De fabrikanten en leveranciers van voortstuwings- en hulpsystemen of van delen van een dergelijke installatie kunnen niet als technische dienst worden erkend.

  • 3 De technische dienst moet beschikken over de kennis van zaken die nodig is op grond van de in bijlage T genoemde vereisten.

  • 4 De controles en tests als bedoeld in artikel 8b.01 en 8b.02 mogen door verschillende technische diensten worden verricht, op voorwaarde dat de in het derde lid bedoelde kennis hierbij voorhanden is.

  • 5 Buiten de Rijnoeverstaten en België gevestigde technische diensten kunnen slechts op aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden erkend.

  • 6 De Rijnoeverstaten en België delen het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart de namen en adressen van de Commissies van deskundigen en technische diensten mee die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van de in dit hoofdstuk beschreven taken. Het secretariaat publiceert deze gegevens op de website van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

Hoofdstuk 9. Elektrische installaties

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 9.03. Bescherming tegen aanraking, binnendringen van vreemde voorwerpen en water

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 9.19. Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 10. Uitrusting

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 10.03a. Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 10.03b. Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 10.03c. Vast ingebouwde brandblusinstallaties ter bescherming van objecten

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 11. Veiligheid op de werkplek

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 12. Verblijven

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 13. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op brandstoffen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 13.03. Oliekachels met verdampingsbranders en oliestookinstallaties met verstuivingsbranders

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 14. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 14a. Boordzuiveringsinstallaties

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 14a.10. Non-conformiteit met het typegoedgekeurde boordzuiveringsinstallatietype

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 15. Bijzondere bepalingen voor passagiersschepen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 15.14. Voorzieningen voor het verzamelen en het verwijderen van huishoudelijk afvalwater

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 16. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen die zijn bestemd om deel uit te maken van een duwstel, een sleep of een gekoppeld samenstel

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 16.03. Vaartuigen die geschikt zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 16.04. Vaartuigen die geschikt zijn om te worden voortbewogen in een samenstel

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 17. Bijzondere bepalingen voor drijvende werktuigen

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 22. Stabiliteit van schepen die containers vervoeren

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 22.02. Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die niet-vastgezette containers vervoeren

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 22.03. Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die vastgezette containers vervoeren

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 22a. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen met een lenge van meer dan 110 m

[Vervallen per 07-10-2018]

Hoofdstuk 22b. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen

[Vervallen per 07-10-2018]

Deel III. Bepalingen met betrekking tot de bemanning

Hoofdstuk 23. Uitrusting van schepen met het oog op de bemanning

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 23.11. Minimum bemanning van duwboten, duwstellen, gekoppelde samenstellen en andere hechte samenstellen

[Vervallen per 07-10-2018]

Artikel 23.13. Afwijking van de in artikel 23.09 voorgeschreven minimum uitrusting