Regeling voertuigen

Geldend van 21-01-2021 t/m heden

Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanhangwagen: voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, met inbegrip van een oplegger; in ieder geval wordt als aanhangwagen aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie O, R of S;

  • aanhangwagen met een stijve dissel: aanhangwagen met één as of één groep assen waarvan de dissel door de constructie ervan een statische belasting van ten hoogste 4.000 kg op het trekkende voertuig overbrengt, die niet voldoet aan de begripsbepaling van ‘middenasaanhangwagen’ en waarvan de koppeling die voor de voertuigcombinatie wordt gebruikt niet bestaat uit een koppelingspen en koppelingsschotel; in ieder geval wordt als aanhangwagen met een stijve dissel aangemerkt een aanhangwagen met carrosserietype DE;

  • achterlicht: licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;

  • achteruitrijlicht: licht dat is bestemd voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit rijdt of achteruit gaat rijden;

  • afneembare bovenbouw: zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare constructie met een vloeroppervlak van ten minste 5 m2, ingericht voor het vervoer van goederen of ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen, niet zijnde een gestandaardiseerde laadstructuur;

  • afsleepas: hulpmiddel bedoeld om één van de assen van een motorvoertuig te dragen;

  • akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem: systeem dat door middel van een geluidssignaal verkeersdeelnemers attendeert op de nadering van een hybride elektrisch voertuig of elektrisch aangedreven voertuig;

  • ambulance: voertuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als ambulance aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SC;

  • as: gemeenschappelijke draaiingsas van twee of meer wielen, die door een motor wordt aangedreven dan wel vrij draait en die uit een dan wel meer segmenten bestaat die in hetzelfde vlak loodrecht op de middellijn in lengterichting van het voertuig liggen;

  • asfaltwagen: bedrijfsauto of aanhangwagen die ontworpen en gebouwd is voor het vervoer van asfalt en hiertoe een speciale uitrusting heeft;

  • ashefinrichting: op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as of assen naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem, dan wel zonder het optrekken van de wielen van de bodem, teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuigcombinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;

  • asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;

  • autonome aanhangwagen: aanhangwagen met carrosserietype DB met ten minste twee assen, waarvan ten minste één as gestuurd is, die is uitgerust met een verticaal beweegbare trekinrichting, en een statische verticale belasting van minder dan 100 kg op het trekkende voertuig overbrengt;

  • BABW: Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • bedrijfsauto: voertuig op vier of meer wielen, en ingericht voor:

    • a. het vervoer van goederen, of

    • b. het uitvoeren van andere werkzaamheden;

    in ieder geval wordt als bedrijfsauto aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie N;

  • belastbare as: as waarvan de belasting kan worden gevarieerd zonder dat de as met behulp van een ashefinrichting wordt opgetrokken;

  • bestuurde as: as die rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;

  • bestuurd asstel: asstel dat rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;

  • bochtverlichting: verlichtingsfunctie voor betere verlichting in bochten;

  • bromfiets: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e;

  • bromfietsaanhangwagen: niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een bromfiets te worden getrokken;

  • bus: voertuig ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M2 of M3;

  • carrosserietype: carrosserietype als bedoeld in bijlage I bij verordening (EU) 2018/858;

  • CNG-installatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG);

  • contourmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aan te geven;

  • dagrijlicht: licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken;

  • dimlicht: licht waarmee de weg vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers worden verblind of gehinderd;

  • dolly: aanhangwagen van de voertuigcategorie O met carrosserietype DA, DB, DC of subcategorie SJ of aanhangwagen van de voertuigcategorie R, bestemd voor:

    • a. het koppelen van een oplegger aan een trekkend voertuig waarbij de dolly de voorzijde van een oplegger draagt;

    • b. het dragen van de achterzijde van in de lengte ondeelbare lading, indien deze lading het chassis van het voertuig vervangt;

    • c. het dragen van één van de assen van een motorvoertuig, de afsleepdolly; of

    • d. het koppelen van een ontheffingsplichtige oplegger aan een trekkend voertuig, waarbij de dolly de massa van de lading verdeelt over de achteras dan wel -assen van het trekkend voertuig en de as of assen van de dolly;

  • draagvermogen: toegelaten maximummassa die de band kan dragen;

  • driewielig motorrijtuig: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L5e of L7e;

  • eCall-boordsysteem: noodsysteem als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2015, L 123);

  • elektrisch aangedreven voertuig: motorvoertuig dat uitsluitend wordt aangedreven door een elektromotor waarvan de tractie-energie wordt geleverd door een in het motorvoertuig geïnstalleerde tractiebatterij;

  • elektrische aandrijflijn: aandrijflijn met elektrische circuit, bestaande uit:

    • a. de tractiebatterij;

    • b. de elektronische omzetters;

    • c. de tractiemotoren;

    • d. het laadcircuit;

    • e. de kabelset en de connectoren; en

    • f. de elektronische hulpapparatuur;

  • emissiebeheersingssysteem: emissiebeheersingssysteem als bedoeld in artikel 3, elfde lid, van verordening (EG) 715/2007;

  • fietsaanhangwagen: niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een fiets te worden getrokken;

  • frontbeschermingsinrichting: afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter bescherming van de lichten;

  • geconditioneerd voertuig: voertuig waarvan de vaste bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn;

  • gedeeltelijke contourmarkering: contourmarkering die de horizontale dimensie (lengte) van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de verticale dimensie (hoogte) van het voertuig door middel van een markering van de bovenhoeken;

  • gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km/h bedraagt;

  • gelede bus: bus die bestaat uit twee of meerdere starre delen die scharnierend met elkaar verbonden zijn; de passagiersruimten van elk deel zijn zodanig met elkaar verbonden dat de passagiers zich vrij van het ene naar het andere deel kunnen bewegen; de starre delen zijn permanent met elkaar verbonden zodat deze alleen kunnen worden losgemaakt door ingrepen waarvoor uitrusting benodigd is die men gewoonlijk alleen in een werkplaats aantreft; in ieder geval wordt als gelede bus aangemerkt een voertuig met carrosserietype CC, CD, CG, CH, CK, CL, CO, CP, CS of CT;

  • gepantserd voertuig: voertuig dat bestemd is om de vervoerde personen of goederen te beschermen door middel van kogelwerende bepantsering; in ieder geval wordt als gepantserd voertuig aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M, N of O en carrosserietype SB;

  • gestandaardiseerde laadstructuur: zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare laadbak als bedoeld in ISO 668:1995 die uitsluitend is ingericht voor het vervoer van goederen, niet zijnde een lastdrager of een tot het voertuig behorende uitrusting;

  • gestuurde as: as die wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;

  • gestuurd asstel: asstel dat wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;

  • gordel: geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;

  • gordelbevestigingspunten: delen van de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere delen van het voertuig waaraan gordels moeten worden vastgemaakt;

  • groot licht: licht dat de weg vóór het voertuig over een grote afstand verlicht;

  • handwagen met motorvermogen: motorvoertuig dat hoofdzakelijk is bestemd om te worden bestuurd door een voetganger;

  • hefbare as: as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken en neergelaten;

  • hoeklicht: licht dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat zich bij de voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien;

  • hoofdgroeven: brede groeven in het middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte ongeveer 75% van de breedte van het loopvlak inneemt;

  • hybride elektrisch voertuig: motorvoertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en ten minste twee verschillende energie-opslagsystemen aan boord ten behoeve van de mechanische aandrijving van het voertuig, waarbij in ieder geval energie wordt geput uit een opslagvoorziening voor elektrische energie of kracht;

  • inrichting voor indirect zicht: inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;

  • inschrijving: inschrijving in het kentekenregister als bedoeld in artikel 47 van de wet;

  • kampeerwagen: voertuig dat voorzien is van een woongedeelte met ten minste de volgende uitrusting die vast in het woongedeelte bevestigd is:

    • a. tafel, die eventueel eenvoudig te verwijderen is;

    • b. stoelen;

    • c. slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;

    • d. kookvoorzieningen, en

    • e. opbergmogelijkheden;

    in ieder geval wordt als kampeerwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SA;

  • kermis- en circusvoertuig: voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat uitsluitend wordt gebruikt voor de feitelijke exploitatie van een kermis- of circusbedrijf;

  • kinderbeveiligingssysteem: geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker beperkt;

  • klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt;

  • klimaatregelingssysteem: apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;

  • lading: alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel alsmede verwisselbare gedragen uitrustingsstukken daaronder niet begrepen;

  • landbouw- of bosbouwaanhangwagen: voertuig van de voertuigcategorie R, zijnde een in de landbouw of bosbouw gebruikte aanhangwagen die voornamelijk is bestemd om door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden getrokken en voornamelijk is bedoeld voor het vervoeren van ladingen of het bewerken van materialen, waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;

  • landbouw- of bosbouwtrekker: voertuig van de voertuigcategorie T of C;

  • lastdrager: afneembare of uitschuifbare constructie die is bestemd voor het vervoer van goederen, met inbegrip van hulpmiddelen, en die:

    • a. aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig is aangebracht, dan wel is geïntegreerd in de achterzijde van het voertuig;

    • b. aan de achterzijde, op de trekdriehoek of trekboom van een (middenas) aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is aangebracht, of

    • c. uitsluitend voor het vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is aangebracht;

  • licht: inrichting voor het verlichten van de weg of het geven van een lichtsignaal aan andere weggebruikers, waaronder begrepen de achterkentekenplaatverlichting en retroreflectoren;

  • ligplaats: voorgeschreven ruimte om een persoon liggend in een bus, of op een draagbaar in een personenauto te vervoeren;

  • lijkwagen: voertuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als lijkwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SD;

  • lijnmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale dimensie (lengte en breedte) van een voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn;

  • LNG-installatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Natural Gas (LNG);

  • loopvlak: deel van de band dat, gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;

  • LPG-installatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas (LPG);

  • luchtband: band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische;

  • manoeuvreerlicht: licht aan de zijkant van een motorvoertuig, dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting tijdens langzame manoeuvres;

  • markeringslicht: licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde voertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door in het bijzonder de aandacht te vestigen op de omvang;

  • massa in rijklare toestand voor motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines: massa van het onbeladen voertuig, klaar voor normaal gebruik, met inbegrip van de massa van de bestuurder (75 kg), de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof en gereedschap; optionele accessoires niet inbegrepen;

  • massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie M en N: massa van het voertuig met de brandstoftank of brandstoftanks gevuld tot ten minste 90% van zijn of hun inhoud, met inbegrip van de massa van de bestuurder (75 kg), brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant en, als het voertuig daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, de cabine, de koppeling, reservewielen en het gereedschap;

  • massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie O: massa van het voertuig, met inbegrip van de brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant, en, als de aanhangwagen daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, extra koppelingen, reservewielen en het gereedschap;

  • massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorieën M en N: massa van het voertuig in rijklare toestand verminderd met 100 kg;

  • massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie O: massa van het voertuig in rijklare toestand;

  • massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie L:

    • a. massa van het voertuig zoals vermeld in de goedkeuring; of

    • b. indien niet vermeld in de goedkeuring, massa van het voertuig in rijklare toestand, verminderd met:

      • 1°. 7 kg voor voertuigen met de voertuigclassificatie L1e, L2e, L3e, L4e of L6e;

      • 2°. 100 kg voor voertuigen met de voertuigclassificatie L5e of L7e;

  • massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie L: massa van het voertuig als bedoeld in artikel 5 van verordening (EU) 168/2013;

  • massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S: onbeladen massa in rijklare toestand van het voertuig als bedoeld in artikel 2 van verordening (EU) 2015/208;

  • massieve band: band zonder luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal;

  • mechanische koppelinrichting: alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van deze koppelinrichtingen;

  • meeneemheftruck: motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, zonder laadruimte, uitgerust met een hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen de wielen en achter de vooras ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet;

  • metalen band: band waarvan het loopvlak geheel van vormvast materiaal is vervaardigd;

  • middenasaanhangwagen: aanhangwagen waarvan de as of assen, indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig bevindt respectievelijk bevinden, zodat een statische verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting van toepassing is, wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig met carrosserietype DC;

  • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • mistachterlicht: licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar maakt;

  • mistvoorlicht: licht dat dient voor een betere verlichting van de weg bij mist of een soortgelijke toestand van verminderd zicht;

  • mobiele kraan: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie N3 en met carrosserietype SF dat niet is ingericht voor het vervoer van goederen, maar is voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt;

  • mobiele machine: motorvoertuig dat speciaal is ontworpen en gebouwd voor het uitvoeren van werkzaamheden en niet is bedoeld voor personen- of goederenvervoer over de weg;

  • mobiliteitshandicap: eigenschap die het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;

  • motorfiets: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L3e of L4e;

  • motorfietsaanhangwagen: niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorfiets te worden getrokken;

  • motorrijtuig met beperkte snelheid: motorvoertuig met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan:

    • a. 25 km/h, niet ingericht voor het vervoer van personen en;

      • 1°. ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; of

      • 2°. voorzien van een stuurwiel en een trekinrichting, dat uitsluitend wordt gebruikt in de periode van 1 juli tot en met 30 november, een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het dragen van voorraadkisten of -kratten, en als samenstel, inclusief lading of uitrusting, niet breder is dan 1,3 m;

    • b. 45 km/h,

      • 1°. niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen;

      • 2°. voorzien van niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen;

  • motorvoertuig: motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet;

  • noodstopsignaal: signaal om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat het voertuig sterk vertraagt en dat wordt gegeven door de gelijktijdige werking van alle remlichten of richtingaanwijzers;

  • ondeelbare lading: lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt;

  • oplegger: aanhangwagen die ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en die op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt; in ieder geval wordt als oplegger aangemerkt een voertuig met carrosserietype DA;

  • opleggertrekker: motorvoertuig dat hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers; in ieder geval wordt als opleggertrekker aangemerkt een voertuig met carrosserietype BC;

  • opspatafscherming: inrichting die bestemd is om de verstuiving van water dat door de banden van een rijdend voertuig wordt opgeworpen, te beperken;

  • opvallende markering: markering die dient om een voertuig meer zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot het voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichtbron bevindt;

  • origineel emissiebeheersingssysteem: emissiebeheerssysteem dat onder de voor het betrokken voertuig verleende typegoedkeuring valt, bedoeld in artikel 3, twaalfde lid, van verordening (EG) 715/2007;

  • overig voertuig voor speciale doeleinden: voertuig van de voertuigcategorie M, N of O voor speciale doeleinden met carrosserietype SG niet zijnde een aanhangwagen voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, motorvoertuig voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, multifunctionele werktuigdrager of andere voertuigsoort genoemd in artikel 1.1a;

  • ov-auto: personenauto bestemd voor het verrichten van openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;

  • parkeerlicht: licht dat is bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;

  • pendelas: samenstel van twee of meer assen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig zodanig ingericht dat de belasting op alle wielen gelijkmatig verdeeld wordt overgebracht op het wegdek. Een samenstel van wielen op één wielnaaf wordt aangemerkt als één wiel;

  • personenauto: voertuig op vier of meer wielen, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M1;

  • remlicht: licht dat wordt gebruikt om de weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de longitudinale beweging van het voertuig opzettelijk wordt vertraagd;

  • retroreflector: inrichting die is bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt;

  • richtingaanwijzer: licht dat is bestemd om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te veranderen;

  • rijdend werktuig: bedrijfsauto die is ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen;

  • RVV 1990: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • samenstel van voertuigen: trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;

  • schadevoertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de wet. Hieronder wordt in ieder geval verstaan een voertuig:

    • a. waarvan de dragende carrosseriedelen ernstig zijn vervormd;

    • b. waarvan de langsbalken van het chassis ernstig zijn vervormd;

    • c. waarvan één of meer deurstijlen ernstig zijn vervormd;

    • d. waarvan het dak is verwijderd of de deur- of raamstijlen zijn doorgeknipt;

    • e. waarvan één of meer wielophangingen ernstig zijn vervormd in combinatie met één van de overige punten;

    • f. met ernstige brand- of waterschade, of

    • g. waarvan het frame ernstig is beschadigd;

  • semi-dieplader: open voertuig van de voertuigcategorie O met de voertuigclassificatie O3 of O4 waarvan het grotendeels verlaagde laadvlak zich in onbeladen toestand meer dan 0,70 m maar niet meer dan 1,10 m boven het wegdek bevindt, gemeten vanaf het wegdek tot aan de bovenkant van het laadvlak;

  • seriehybride voertuig: hybride elektrisch voertuig waarvan alleen de elektrische motor mechanisch met de wielen verbonden is;

  • staaklicht: licht aan de achterzijde van het voertuig dat voor de bestuurder de lengte van het voertuig kenbaar maakt;

  • stadslicht: licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;

  • stoel: complete structuur met bekleding, al dan niet geïntegreerd in de carrosseriestructuur van het voertuig, die bestemd is om zitplaats te bieden aan één persoon;

  • subcategorie: subcategorie als bedoeld in bijlage I, deel A, bij verordening (EU) 2018/858;

  • taxi: personenauto bestemd voor taxivervoer als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;

  • technisch toegestane maximummassa: door de fabrikant voor een voertuig op basis van de bouwkenmerken en de door het ontwerp bepaalde prestaties ervan vastgestelde maximummassa; de technisch toegestane maximummassa van een aanhangwagen of een oplegger omvat de statische massa die in aangekoppelde toestand op het trekkende voertuig wordt overgebracht;

  • terreinvoertuig: voertuig van de voertuigcategorie M of N met specifieke technische kenmerken waardoor het buiten de normale wegen kan worden gebruikt;

  • T-100 bus: bus die blijkens het kentekenregister is goedgekeurd voor een maximumsnelheid van 100 km/h;

  • verlicht transparant: verlichting op een voertuig die uitsluitend informatie biedt over de bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor het overige wegverkeer;

  • verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk: inrichting die is ontworpen om door een voertuig te worden gedragen en waarmee aan het voertuig een extra functie wordt gegeven;

  • verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk: voertuig van de voertuigcategorie S, zijnde een in de landbouw of bosbouw gebruikte aanhangwagen die is ontworpen om getrokken te worden door een landbouw- of bosbouwtrekker en die de landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft, van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of is ontworpen om materiaal te bewerken, en die een laadplatform kan omvatten dat is ontworpen en gebouwd om de voor deze doeleinden benodigde gereedschappen en hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toegestane maximummassa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig kleiner is dan 3,0;

  • verwisselbaar uitrustingsstuk: verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk;

  • voertuig van de voertuigcategorie C: voertuig als bedoeld in artikel 4, negende lid, van verordening (EU) 167/2013;

  • voertuig van de voertuigcategorie L: voertuig als bedoeld in artikel 4 van verordening (EU) 168/2013;

  • voertuig van de voertuigcategorie M: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858;

  • voertuig van de voertuigcategorie N: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858;

  • voertuig van de voertuigcategorie O: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2018/858;

  • voertuig van de voertuigcategorie R: voertuig als bedoeld in artikel 4, tiende tot en met veertiende lid, van verordening (EU) 167/2013;

  • voertuig van de voertuigcategorie S: voertuig als bedoeld in artikel 4, vijftiende tot en met zeventiende lid, van verordening (EU) 167/2013;

  • voertuig van de voertuigcategorie T: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met achtste lid, van verordening (EU) 167/2013;

  • voertuig voor speciale doeleinden: voertuig van de voertuigcategorie M, N, of O met specifieke technische kenmerken om een functie te vervullen waarvoor speciale voorzieningen of uitrustingen vereist zijn;

  • volledige contourmarkering: contourmarkering die de omtrek (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn;

  • voor rolstoelen toegankelijk voertuig: voertuig dat specifiek gebouwd of verbouwd is ten behoeve van een of meer personen die in hun rolstoel zitten, wanneer het voertuig op de weg rijdt; in ieder geval wordt als voor rolstoelen toegankelijk voertuig aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met voertuigclassificatie M1 en subcategorie SH;

  • waarschuwingsknipperlicht: gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers;

  • wagen: voertuig, met uitzondering van een motorvoertuig, aanhangwagen, niet-gemotoriseerd gehandicaptenvoertuig, fiets en zijspanwagen, doch met inbegrip van een handwagen met motorvermogen;

  • waterstofinstallatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van waterstof;

  • werklicht: licht dat is bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht;

  • wet: Wegenverkeerswet 1994;

  • wielbasis:

    • a. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste samenstel van assen;

    • b. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers of na 28 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig;

    • c. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen opleggers of na 28 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de verticale hartlijn van de koppeling en het hart van de laatste as;

  • zelfsturende as: as die wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;

  • zelfsturend asstel: asstel dat wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;

  • zijmarkeringslicht: licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt;

  • zijspanwagen: voertuig, al dan niet afneembaar verbonden aan de zijkant van een fiets, bromfiets of motorfiets;

  • zitbank: constructie die plaats biedt aan ten minste twee volwassenen;

  • zitplaats: constructie, inclusief bekleding, die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid:

    • a. naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;

    • b. naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;

    • c. zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen a en b.

Artikel 1.1a

In deze regeling wordt onder aanhangwagen, ambulance, bedrijfsauto, bromfiets, bus, dolly, driewielig motorrijtuig, gelede bus, gepantserd voertuig, kampeerwagen, landbouw- of bosbouwaanhangwagen, landbouw- of bosbouwtrekker, lijkwagen, middenasaanhangwagen, mobiele kraan, mobiele machine, motorfiets, motorrijtuig met beperkte snelheid, oplegger, opleggertrekker, ov-auto, overige voertuig voor speciale doeleinden, personenauto, taxi, voor rolstoelen toegankelijk voertuig en verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk:

  • a. mede verstaan een voertuig dat blijkens het kentekenregister een zodanig voertuig is;

  • b. niet verstaan een ander van de genoemde voertuigsoorten.

Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie

Artikel 1.2

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • richtlijn 70/157/EEG: richtlijn 70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (PbEG 1970, L 42);

  • richtlijn 2005/64/EG: richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG 2005, L 310);

  • richtlijn 2006/40/EG: richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU 2006, L 161);

  • richtlijn 2006/42/EG: Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (PbEU 2006 L 157);

  • verordening (EG) 715/2007: Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) (PbEU 2007, L 171);

  • verordening (EG) 78/2009: Verordening (EG) nr. 78/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 2003/102/EG en Richtlijn 2005/66/EG (PbEU 2009, L 35);

  • verordening (EG) 79/2009: Verordening (EG) nr. 79/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2009, L 35);

  • verordening (EG) 595/2009: Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEU 2009, L 188);

  • verordening (EG) 661/2009: Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PbEU 2009, L 200);

  • verordening (EU) 167/2013: Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2013, L 60);

  • verordening (EU) 168/2013: Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60);

  • verordening (EU) 3/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 3/2014 van de Commissie van 24 oktober 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 7);

  • verordening (EU) 44/2014: Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 44/2014 van de Commissie van 21 november 2013 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 25);

  • verordening (EU) 540/2014: Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (PbEU 2014, L 158);

  • verordening (EU) 1322/2014: gedelegeerde verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie van 19 september 2014 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft (PbEU 2014, L 364);

  • verordening (EU) 2015/758: Verordening (EU) 2015/758 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2015, L 123);

  • verordening (EU) 2016/1628: Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L 252);

  • verordening (EU) 2018/858: Verordening (EU) nr. 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151);

  • Verordening 2018/985: Gedelegeerde verordening (EU) 2018/985 van de commissie van 12 februari 2018 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en de motoren daarvan en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie (PbEU 2018, L 182);

  • verordening (EU) 2019/2144: Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (PbEU 2019, L 325).

Artikel 1.3

  • 1 De vermelding in deze regeling, voor zover daarbij niet anders is aangegeven, van een EU-richtlijn omvat mede elke in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen richtlijn tot wijziging van die richtlijn. Het tot stand komen van een dergelijke richtlijn wordt door de minister bekendgemaakt in de Staatscourant.

  • 2 Een wijziging van een richtlijn als bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij de minister een eerder tijdstip bepaalt. Indien een wijzigingsrichtlijn of een gewijzigde richtlijn de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bepalen van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die wijzigingsrichtlijn respectievelijk gewijzigde richtlijn, wordt deze eveneens door de minister bepaald.

  • 3 De bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, vermeldt:

    • a. de vindplaats van de wijzigingsrichtlijn;

    • b. de kaderrichtlijn of de bijzondere richtlijn die wordt gewijzigd;

    • c. het artikel of artikelonderdeel waarop de wijziging betrekking heeft;

    • d. de dag of het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin; en

    • e. in voorkomend geval datum en deelaspect als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin.

  • 4 Indien een verordening of een gewijzigde verordening de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bekendmaken van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die verordening respectievelijk gewijzigde verordening, wordt deze datum door de minister bekend gemaakt.

  • 5 Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE-reglementen) en verordeningen tot wijziging van een richtlijn.

Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst

[Vervallen per 01-05-2018]

Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating

Artikel 2.1

  • 1 In het kader van een aanvraag tot inschrijving of tenaamstelling, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.

  • 2 Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.

  • 3 Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in bijlage I.

Artikel 2.2

  • 1 Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister.

  • 2 De datum van eerste toelating, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze, bepaald in bijlage II.

  • 3 Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.

Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994

Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O

Artikel 3.1.1

  • 1 Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858.

  • 2 In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk 2, bij verordening (EU) 2018/858.

  • 3 In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858.

  • 4 In afwijking van het eerste tot en met derde lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.

  • 5 De artikelen 33, 34 en 35, met uitzondering van artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2018/858 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.1.2

  • 1 Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

    • a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858; en

    • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

    • a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858; en

    • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 3 Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag van een voertuig, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX van deze regeling.

  • 4 In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die verordening.

  • 5 De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het vierde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.1.3

  • 1 Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie bedoelde goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.

Artikel 3.1.3a

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O die niet aan de in artikel 3.1.2, eerste of tweede lid, of 3.1.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.

  • 2 Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.

Artikel 3.1.4

Onverminderd de toepassing van bijlage II bij verordening (EU) 2018/858, worden, voor zover van toepassing bij een EU-goedkeuring of nationale goedkeuring van een voertuig, aanhangwagen, systeem, onderdeel of technische eenheid daarvan, tevens de volgende richtlijnen in acht genomen:

  • a. tot 1 juli 2027, de eisen met betrekking tot het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, bedoeld in richtlijn 70/157/EEG;

  • b. de eisen met betrekking herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassingen, bedoeld in richtlijn 2005/64/EG; en

  • c. de eisen betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, bedoeld in richtlijn 2006/40/EG.

Artikel 3.1.5

  • 1 Om als taxi in gebruik te kunnen worden genomen beschikt een voertuig over een nationale individuele goedkeuring of nationale typegoedkeuring voor het gebruik als taxi.

  • 2 Voor goedkeuring als bedoeld in het eerste lid voldoet de taxi aan de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde goedkeuringseisen.

  • 3 Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt goedgekeurd indien het voldoet aan bijlage VI omdat het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

  • 4 Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

  • 5 Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

  • 6 Overige taxi’s worden beoordeeld op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:

    • a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;

    • b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a; en

    • c. de gedeelten ten behoeve van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen.

      Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

  • 7 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s.

  • 8 Voor een taxi en ov-auto als bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi onderscheidenlijk ov-auto.

Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h

Artikel 3.2.1

  • 1 Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

    • a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie M respectievelijk N vastgestelde eisen in bijlage II, deel I, van verordening (EU) 2018/858; en

    • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 2 Voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing:

    • a. VN/ECE-reglement nr. 29 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van bedrijfsvoertuigen wat de bescherming van de inzittenden van de cabine betreft;

    • b. VN/ECE-reglement nr. 95 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen met betrekking tot de bescherming van de inzittenden bij een zijdelingse botsing;

    • c. VN/ECE-reglement nr. 97 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigalarmsystemen (VAS) en van motorvoertuigen wat hun alarmsysteem (AS) betreft;

    • d. richtlijn 2005/64/EG;

    • e. verordening (EG) 78/2009;

    • f. verordening (EG) 661/2009, al dan niet in samenhang met VN/ECE-reglement nr. 117 wat rolgeluidemissies, grip op natwegdek en rolweerstand van banden betreft;

    • g. Verordening (EU) nr. 65/2012 van de Commissie van 24 januari 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat schakelindicatoren betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 280);

    • h. verordening (EU) 2015/758.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II, deel I, van verordening (EU) 2018/858 opgenomen goedkeuringseisen voor de voertuigcategorie waarbinnen het voertuig zou kunnen vallen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 4 De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast..

Artikel 3.2.2

Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L

Artikel 3.3.1

  • 1 Voertuigen van de voertuigcategorie L voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 168/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.

  • 3 De artikelen 34 tot en met 37, met uitzondering van artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.3.2

  • 1 Voertuigen van voertuigcategorie L, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

    • a. aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen van bijlage II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 met uitzondering van de eisen opgenomen in:

      • de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014; en

      • de bijlagen III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014;

    • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 2 Onverminderd het eerste lid voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag als bedoeld in artikel 3 of, indien niet van toepassing artikel 6, van bijlage IX van deze regeling.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 4 De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.3.3

  • 1 Voertuigen van voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast

  • 4 In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.

Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S

Artikel 3.5.1

  • 1 Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlage bij verordening (EU) 167/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 37, eerste lid, tweede alinea, van die verordening.

  • 3 De artikelen 29 tot en met 32, met uitzondering van artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.5.2

  • 1 Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

    • a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:

      • 1°. bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014;

      • 2°. bijlagen I en II bij verordening (EU) 2018/985; en

      • 3°. bijlagen X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208; en

    • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 2 Voertuigen van voertuigcategorieën R en S met een eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

    • a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:

      • 1°. bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en

      • 2°. bijlage XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208; en

    • b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in die leden voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 4 De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.5.3

  • 1 Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.

Artikel 3.5.4

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S die niet aan de in artikel 3.5.2, eerste of tweede lid, of 3.5.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.

  • 2 Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat daarom het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.

Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines

Artikel 3.6.1

  • 1 Mobiele machines voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:

    • a. de eisen in:

      • 1°. richtlijn 2006/42/EG;

      • 2°. verordening (EU) 2016/1628;

      • 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;

      • 4°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;

      • 5°. bijlage X van deze regeling ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; en

    • b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale typegoedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

Artikel 3.6.2

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.1, eerste of tweede lid, bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale typegoedkeuring verlenen.

  • 2 Deze nationale typegoedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is in het voertuig.

Artikel 3.6.3

  • 1 Mobiele machines met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

    • a. de eisen in:

      • 1°. richtlijn 2006/42/EG;

      • 2°. verordening (EU) 2016/1628;

      • 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;

      • 4°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;

      • 5°. bijlage X van deze regeling ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; en

    • b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.6.4

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.3, eerste of tweede lid, bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.

  • 2 Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

  • 3 In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is in het voertuig.

Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Artikel 3.7.1

  • 1 De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige nationale individuele goedkeuring voor ten hoogste twee jaar verlenen voor een voertuig als bedoeld in dit hoofdstuk of van systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan waarin nieuwe technologieën zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de eisen voor die goedkeuring, bedoeld in dit hoofdstuk.

  • 2 De Dienst Wegverkeer kan de in het eerste lid bedoelde voorlopige nationale individuele goedkeuring verlenen indien:

    • a. bij de aanvraag de redenen zijn vermeld waarom de nieuwe technologieën of nieuwe concepten tot gevolg hebben dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, onverenigbaar zijn met de eisen voor goedkeuring;

    • b. in de aanvraag voor de goedkeuring veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie of het nieuwe concept zijn beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om er voor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als wordt geboden door de voorschriften waarvan ontheffing wordt verleend; en

    • c. er testbeschrijvingen en -resultaten worden overgelegd die aantonen dat aan de voorwaarde van onderdeel b wordt voldaan.

  • 3 Onverminderd het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer ter bescherming van inzittenden van het voertuig, ter bescherming van kwetsbare weggebruikers of in verband met de bescherming van de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van het openbaar belang, aanvullende eisen en voorwaarden verbinden aan het verlenen van een voorlopige nationale individuele goedkeuring. Deze eisen en voorwaarden mogen niet destructief zijn.

  • 4 De Dienst Wegverkeer kan een maximum aantal op grond van dit artikel te verlenen goedkeuringen aan voertuigen of vergelijkbare voertuigen van dezelfde fabrikant vaststellen.

  • 5 De in het eerste lid bedoelde termijn kan met ten hoogste vijf jaar worden verlengd, indien ten behoeve van die nieuwe technologieën of nieuwe concepten nationale, Europese of internationale wetgeving, in voorbereiding is.

Artikel 3.7.2

De Dienst Wegverkeer weigert een voorlopige nationale individuele goedkeuring als bedoeld in artikel 3.7.1 indien:

  • a. een individuele EU-goedkeuring, voor een het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 2018/858, artikel 40 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 35 van verordening (EU) 167/2013, meer in de rede ligt;

  • b. de toegepaste nieuwe technologieën zodanig vergaand zijn dat ontheffing van een of meer van de eisen voor goedkeuring bedoeld in dit hoofdstuk, niet in de rede ligt.

Artikel 3.7.3

Een op grond van artikel 3.7.1 afgegeven voorlopige nationale individuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer omgezet in een definitieve nationale individuele goedkeuring met ingang van de dag dat voor het betreffende voertuig of systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, een wettelijke regeling voor goedkeuring in werking treedt.

Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers

Artikel 3.8.1

Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de voorschriften opgenomen in bijlage Vb van deze regeling.

Artikel 3.8.2

Onverminderd artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2018/858 voldoet een rem- of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie O3 of O4, voor een nationale typegoedkeuring aan de voor het desbetreffende onderdeel voor het betreffende aangegeven voertuig relevante eisen opgenomen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858 of aan de daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

Artikel 3.8.3

Een reminrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een mobiele machine voldoet voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de relevante voorschriften opgenomen in hoofdstuk 5, afdeling 7a, paragraaf 8, van deze regeling.

Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer

Artikel 3.9.1

Tenzij hierin is voorzien in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast in verband met de nationale goedkeuringen, bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van wijze van keuren van de permanente eisen.

Artikel 3.9.2

  • 1 De Dienst Wegverkeer maakt, indien de voorwaarden of de beperkingen waaronder een EU- of nationale goedkeuring van een voertuig is verleend en dit ten behoeve van de handhaving van de permanente eisen bedoeld in hoofdstuk 5, noodzakelijk is, hiervan aantekening in het kentekenregister.

  • 2 Indien een aanvullende nationale individuele goedkeuring is verleend als bedoeld in artikel 3.1.5 wordt door de Dienst Wegverkeer bij de inschrijving in het kentekenregister van een:

Artikel 3.9.3

De Dienst Wegverkeer houdt in elk geval conformiteitscontroles op het overeenstemmen van de productie en de regelingen inzake het overeenstemmen van de productie van:

  • a. door hem verleende nationale kleine serie goedkeuringen op voertuigen en op systemen, onderdelen en technische eisen daarvan als bedoeld in dit hoofdstuk;

  • b. door hem verleende typegoedkeuringen op grond van een VN/ECE-reglement;

  • c. de producten, genoemd in afdeling 8.

Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet

Artikel 3.10.1

Geen goedkeuring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, is vereist voor:

  • a. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 2018/858 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;

  • b. voertuigen op rupsbanden of ontworpen en gebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c en d, van verordening (EU) 2018/858;

  • c. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 168/2013 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;

  • d. voertuigen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 168/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;

  • e. voertuigen op verwisselbare machines als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 167/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;

  • f. trekker als bedoeld in artikel 3, punt 8, van verordening (EU) 167/2013 met een door de constructie bepaalde maximale snelheid van minder dan 6 km/h;

  • g. voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2016;

  • h. mobiele machines en aanhangwagens als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement;

  • i. motorrijtuigen met beperkte snelheid;

  • j. motorrijtuigen als bedoeld in 20b van de wet, die als zodanig zijn aangewezen;

  • k. voertuigen waarvan op grond van artikel 48, derde lid, van de wet geen goedkeuring is vereist;

  • l. voertuigen ten behoeve waarvan voor het gebruik van de weg door Onze Minister een vrijstelling op grond van artikel 147 van de wet is verleend;

  • m. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die specifiek ten behoeve van de in de onderdelen a tot en met i genoemde voertuigen of motorrijtuigen op de markt worden gebracht;

  • n. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen van speciale doeleinden als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, waarbij van de voor die systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen geldende eisen, vrijstelling is verleend;

  • o. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk is verleend;

  • p. voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen indien en voor zover hiervoor geen specifieke goedkeuringseisen zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet.

Artikel 3.10.2

  • 1 De Dienst Wegverkeer weigert EU- of nationale goedkeuring van een voertuig waarvoor goedkeuring is vereist indien voor de goedkeuring van dat betreffende voertuig geen goedkeuringseisen zijn vastgesteld.

  • 2 De Dienst Wegverkeer stelt Onze Minister in kennis van een weigering als bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad

Artikel 3.11.1

  • 1 Een fabrikant die een voertuig als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 167/2013, artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 49 van verordening (EU) 2018/858 toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.

  • 2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van:

    • a. het voertuigidentificatienummer;

    • b. het desbetreffende typegoedkeuringsnummer en, indien van toepassing, de variant en uitvoering ervan;

    • c. de plaats of plaatsen waar de voertuigen in voorraad worden gehouden;

    • d. het technisch voorschrift of de technische voorschriften waaraan de voertuigen niet voldoen, en

    • e. de technische of economische redenen waarom de voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.

  • 3 In verband met de behandeling van de aanvraag bepaalt de Dienst Wegverkeer:

    • a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of

    • b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, dan wel van een daaraan gelijk te stellen buitenlandse accountant, overlegt.

Artikel 3.11.2

Voor het maximaal aantal complete en voltooide voertuigen als bedoeld in verordening (EU) 2018/858 dat overeenkomstig de restant voorraadprocedure in gebruik wordt genomen geldt de beperking als beschreven in bijlage V, onder B, punt 2, van die verordening.

Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen

Artikel 3.12.1

  • 1 Indien een fabrikant voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers uit de handel neemt als bedoeld in artikel 27 van de wet, omdat deze niet conform dit hoofdstuk of de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de overeenkomst van 1958 zijn goedgekeurd of indien de nationale- of VN/ECE goedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:

    • a. artikel 9 van verordening 167/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S;

    • b. artikel 10 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L; of

    • c. artikel 14, eerste tot en met derde lid, van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O;

  • 2 In verband met het in het kader van het markttoezicht uit de handel nemen of terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in artikel 27 van de wet, die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk of zijn voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, maar waarvan op basis van verkregen informatie of klachten voldoende redenen zijn om aan te nemen dat ze een ernstig risico vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang of omdat ze niet voldoen aan de voor goedkeuring gestelde eisen, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:

    • a. de artikelen 41 en 43 tot en met 46 van verordening 167/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S;

    • b. de artikelen 46 tot en met 51 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L;

    • c. de artikelen 51, 52, 55 en 56 van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, blijven de in dat lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen die betrekking hebben op de relatie tussen de lidstaat en de commissie of op verplichtingen voor de commissie buiten toepassing.

  • 4 Het eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel b en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het uit de handel nemen of terugroepen als bedoeld in artikel 20f van de wet, van motorrijtuigen die als zodanig zijn aangewezen als bedoeld in artikel 20b van de wet.

Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven

Artikel 4.1

  • 1 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 72, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 167/2013;

    • b. artikel 76, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 168/2013;

    • c. artikel 84, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858.

  • 2 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 17, 18 of 19, van verordening (EU) 167/2013;

    • b. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 9, van verordening (EU) 168/2013;

    • c. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 5, van verordening (EU) 2018/858.

  • 3 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel c, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 35, van verordening (EU) 167/2013;

    • b. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 40, van verordening (EU) 168/2013;

    • c. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 39, van verordening (EU) 2018/858.

  • 4 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel d, van de wet heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 72, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 167/2013;

    • b. artikel 76, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 168/2013;

    • c. artikel 84, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858.

Artikel 4.2

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

  • a. artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikel 7 van verordening (EG) 2009/78;

  • b. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 33 of 34, van verordening (EU) 167/2013;

  • c. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 38 of 39, van verordening (EU) 168/2013;

  • d. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 36, 37, 38 of 39, van verordening (EU) 2018/858.

Artikel 4.3

  • 1 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel a, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 13, tweede lid, onderdeel b of d, van verordening (EG) 715/2007;

    • b. artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) 78/2009;

    • c. artikel 15, tweede lid, onderdeel b of e, van verordening (EG) 79/2009;

    • d. artikel 7, eerste lid, en 11, tweede lid, onderdeel b of d, van verordening (EG) 595/2009;

    • e. artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) 661/2009;

    • f. artikel 72, tweede lid, onderdeel b of d, van verordening (EU) 167/2013;

    • g. artikel 76, tweede lid, onderdeel b of d, juncto artikel 19 van verordening (EU) 168/2013;

    • h. artikel 11, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2015/758;

    • i. artikel 84, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858.

  • 2 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel b, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) 715/2007;

    • b. artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) 78/2009;

    • c. artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) 79/2009;

    • d. artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) 595/2009;

    • e. artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) 661/2009;

    • f. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 167/2013;

    • g. artikel 76, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 168/2013;

    • h. artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2015/758;

    • i. artikel 84, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858.

  • 3 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel c, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 715/2007;

    • b. artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 78/2009;

    • c. artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 79/2009;

    • d. artikel 11, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 595/2009;

    • e. artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 661/2009;

    • f. artikel 72, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013;

    • g. artikel 76, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013;

    • h. artikel 11, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2015/758;

    • i. artikel 84, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2018/858.

  • 4 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel d, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) 78/2009;

    • b. artikel 15, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) 79/2009;

    • c. artikel 72, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 167/2013;

    • d. artikel 76, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 168/2013;

    • e. artikel 84, derde lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858.

  • 5 Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel e, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

    • a. artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikel 4, eerste, tweede of derde lid, 5, eerste of tweede lid, of 11, eerste lid, van verordening (EG) 715/2007;

    • b. artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikel 4, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, of artikel 5, van verordening (EG) 78/2009;

    • c. artikel 15, eerste lid, in samenhang met artikel 4, 5, 6, 7, 8, 9 of 10, van verordening (EG) 79/2009;

    • d. artikel 11, eerste lid, in samenhang met artikel 4, eerste of tweede lid, artikel 5, eerste, tweede of derde lid, 5bis, of artikel 9, van verordening (EG) 595/2009;

    • e. artikel 16, eerste lid, in samenhang met artikel 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 of 12, van verordening (EG) 661/2009;

    • f. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 7, 8, 9, 10, 11,12, 13, 14, 15, 16, 53, 54 of 55 van verordening (EU) 167/2013;

    • g. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikelen 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 55, 56, 57 58 of 59 van verordening (EU) 168/2013;

    • h. artikel 5, 6 of 7 van verordening (EU) 540/2014;

    • i. artikel 11, eerste lid, in samenhang met artikel 4, 5 of artikel 11, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2015/758;

    • j. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 9, vijfde lid, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 48, 49, 50, 59 of 65, van verordening (EU) 2018/858.

Artikel 4.4

Het door een technische dienst in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 31, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

  • a. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, b en c, in samenhang met artikel 66 of 67 van verordening (EU) 167/2013;

  • b. artikel 76, tweede lid, onderdelen a, b en c, in samenhang met artikel 70 of 71 van verordening (EU) 168/2013;

  • c. artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 78, 80 of 81 van verordening (EU) 2018/858.

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 5.1.1

  • 1 Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:

    • a. niet deugdelijk van bouw of inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert;

    • b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, of

    • c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.

  • 2 Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.

Artikel 5.1.2

Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.

Artikel 5.1.3

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de aantekeningen die ingevolge artikel 52b van de wet voor het voertuig in het kentekenregister zijn opgenomen.

Artikel 5.1.4

Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6 ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.

Artikel 5.1.4a

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig niet voldoet aan de aan het gebruik verbonden eisen als bedoeld in artikel 71, tweede lid, van de wet, die worden bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening (EG) 715/2007 of artikel 7, tweede lid, 9 of 11, tweede lid, tweede en derde alinea, van verordening (EG) 595/2009.

Artikel 5.1.5

  • 1 Artikel 72, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

    • a. een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven dat de lettergroep ZZZ bevat, dan wel de lettergroep ZZ of de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers;

    • b. een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven ter zake waarvan een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 21 van het Kentekenreglement is afgegeven;

    • c. een voertuig op de dag dat dit door ambtenaren van de Dienst Wegverkeer of door de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, wordt onderzocht in verband met de inschrijving of de wijziging van de inschrijving;

    • d. rijdende werktuigen met:

      • 1°. een lengte van meer dan 12,00 m;

      • 2°. een breedte van meer dan 2,55 m, indien de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 10.000 kg;

      • 3°. een breedte van meer dan 2,60 m, indien de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 10.000 kg;

      • 4°. een toegestane maximummassa van meer dan 50.000 kg, dan wel

      • 5°. een toegestane maximumlast onder enige as van meer dan 10.000 kg voor een niet-aangedreven as, dan wel van meer dan 11.500 kg voor een aangedreven as.

  • 2 Van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitzondering wordt melding gemaakt in het kentekenregister.

Artikel 5.1.6

  • 1 Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.

  • 2 Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.

  • 3 Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

Artikel 5.1a.1

Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.

Artikel 5.1a.2

  • 1 De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.

  • 2 De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.

Artikel 5.1a.3

  • 1 Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a. landbouw- of bosbouwtrekkers,

    • b. motorrijtuigen met beperkte snelheid,

    • c. mobiele machines,

    • d. landbouw- of bosbouwaanhangwagens, en

    • e. verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.

Artikel 5.1a.4

  • 1 Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:

    • a. dezelfde functie vervullen;

    • b. licht van dezelfde kleur uitstralen, en

    • c. een verlichtingsinrichting vormen waarvan:

      • 1°. de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven, of

      • 2°. de onderlinge afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten niet meer dan 75 mm bedraagt.

  • 2 Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien het voertuig is uitgerust met van fabriekswege aangebrachte lichten.

Artikel 5.1a.5

Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Artikel 5.1b.1

Met betrekking tot de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en de wijze van keuren daarvan, wordt verstaan onder:

  • a. bedrijfstemperatuur: temperatuur van een motor na ongeveer vijftien minuten functioneren onder normale bedrijfsomstandigheden;

  • b. stationair toerental: toerental van de draaiende motor, waarbij:

    • 1°. de koudstartinrichting of het handgas niet is ingeschakeld;

    • 2°. het gaspedaal of het handgas en het koppelingspedaal in ruststand zijn;

    • 3°. de keuzehendel van de versnellingsbak in de neutrale stand staat bij een niet- of halfautomatische versnellingsbak dan wel in de parkeerstand of in de neutrale stand bij een volautomatische versnellingsbak;

    • 4°. lampen en andere stroomverbruikers niet zijn ingeschakeld, met uitzondering van lampen die bij het starten automatisch gaan branden; en

    • 5°. geen hydraulische functies actief zijn;

  • c. controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEU 2014, L 60).

Artikel 5.1b.2

  • 1 De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder demontage, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

  • 2 De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd met de banden op de juiste spanning.

  • 3 De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder rijproef, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

  • 4 De keuring van voertuigen met variabele afmetingen wordt uitgevoerd in de stand waarin het voertuig ter keuring wordt aangeboden.

Artikel 5.1b.3

  • 1 Indien in dit hoofdstuk een visuele controle wordt voorgeschreven en deze controle onvoldoende uitsluitsel biedt, wordt het desbetreffende onderdeel aanvullend op één van de volgende wijzen gecontroleerd:

    • a. door gebruik te maken van hulpmiddelen zoals een spiegel, hamertje, bandijzer, staalborstel of schuurpapier, en

    • b. door het uitoefenen van een kracht, al dan niet met behulp van gereedschap.

  • 2 Teneinde een goede controle te waarborgen, worden de hierna vermelde onderdelen verwijderd of geopend in de daarachter beschreven gevallen:

    a.

    wieldoppen;

    voor zover deze de wielbevestigingsbouten afdekken;

    b.

    kofferdeksel;

    in alle gevallen;

    c.

    motorkap;

    in alle gevallen;

    d.

    tankklep;

    voor zover deze een visuele controle van de brandstofdop onmogelijk maakt;

    e.

    beschermdop op koppelingskogel;

    in alle gevallen;

    f.

    onderbeplating ten behoeve van stroomlijning of geluidsisolatie;

    voor zover deze een visuele controle onmogelijk maakt van direct voor de verkeersveiligheid van belang zijnde aspecten, zoals de bevestiging van het stuurhuis of de wielophanging;

    g.

    kunststofbeplating in of over de wielkasten;

    alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is;

    h.

    tapijt of vloerbedekking;

    alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is;

    i.

    zijskirts, waaronder kunststofspoilers aan dorpels;

    alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en verwijdering kan geschieden zonder lakbeschadiging (bijvoorbeeld bevestigd met parkers).

    Zijskirts bevestigd door middel van popnagels of andere permanente bevestigingsmiddelen mogen niet worden verwijderd;

    j.

    beschermkappen om stuurkoppelingen;

    alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van die koppelingen, voor zover deze kappen een visuele controle van die koppelingen onmogelijk maken;

    k.

    beschermkappen om reminrichtingen;

    voor zover deze een visuele controle van remschijven onmogelijk maken;

    l.

    overige onderdelen;

    voor zover deze een visuele controle onmogelijk maken.

  • 3 Indien het verwijderen dan wel openen van de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met e en l, niet mogelijk is, wordt een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs afgegeven.

  • 4 De verwijdering van onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f tot en met k, mag alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.

  • 5 Indien, ondanks twijfel omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging, moet op het keuringsrapport worden vermeld dat het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.

  • 6 Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III met voldoende bereik gebruikt.

  • 7 Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan, indien twijfel bestaat:

    • a. over de goede bevestiging van de remvoering, dan wel

    • b. of de drager dan wel het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raakt.

Artikel 5.1b.4

Indien in het kentekenregister of op het kentekenbewijs deel 1A dan wel deel I onder ‘bijzonderheden’ uitzonderingen op de eisen zijn vermeld, moeten deze in acht worden genomen.

Afdeling 2. Personenauto’s

Artikel 5.2.0

Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.2.1

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens.

Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.

2.

De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten.

 

3.

Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.

Visuele controle.

4.

De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.

Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

5.

Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.

Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de personenauto staat.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.2.3

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen:

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

 

a. geen breuken of scheuren vertonen, en

 
 

b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

 

Artikel 5.2.4

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.2.6

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

Personenauto’s mogen:

a. niet langer zijn dan 12,00 m;

b. niet breder zijn dan 2,55 m, en

c. niet hoger zijn dan 4,00 m.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.

Artikel 5.2.7

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten.

Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

2.

De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa.

 

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.2.9

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

2.

Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen.

– Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

   

– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.

   

– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.

3.

De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.

Visuele controle.

Artikel 5.2.10

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.

2.

De LPG-tank:

a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;

b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en

c. mag geen deuken vertonen.

Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

3.

De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

Visuele controle.

4.

De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.

Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.

5.

Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.

6.

Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water.

Visuele controle.

7.

De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.

8.

De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

 

Artikel 5.2.10a

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Indien de personenauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.

2.

De CNG- of LNG-tank:

a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en

b. mag geen deuken vertonen.

Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

3.

De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

Visuele controle.

4.

De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.

De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.

5.

De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

6.

Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte.

Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.

7.

De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

 

8.

De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.

 

9.

De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.

 

10.

De vulaansluiting moet:

a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment;

b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.

 

Artikel 5.2.10b

 

Eisen

Wijze van keuren

1.

Indien de personenauto is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.

2.

De waterstoftank mag geen deuken vertonen.

Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

3.

De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

Visuele controle.

4.

De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.

De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.

5.

De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

6.

De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.

7.

De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.

 

8.

De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.

 

9.

De vulaansluiting moet:

a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig;

b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.

 

10.

Personenauto’s voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:

Bijlage 258577.png

Visuele controle.

Artikel 5.2.11

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.

Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

2.

Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

3.

Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.

Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.

4.

Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.

 

5.

De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing.

6.

Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing.

7.

De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing.

8.

Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing.

Leden 8 tot en met 10: visuele controle.

9.

Indien bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking de deeltjesmassa is gemeten in g/km en de hiervoor in het kentekenregister vermelde waarde is kleiner dan of gelijk aan 0,005 g/km of de op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie is gelijk aan of groter dan Euro 6, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn.

 

10.

Indien bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh en de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie is gelijk aan of groter dan Euro 6 of Euro VI, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn.

 

11.

Als bij personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing.

12.

Bij personenauto’s met roetfilter zoals bedoeld in de negende en tiende rij, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de Bijlage VIII, artikelen 45e tot en met 45f, van toepassing.

Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

Artikel 5.2.11a

Eisen

Wijze van keuren

Onderdelen van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 5.2.12

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De accu van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

De elektrische bedrading van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

 

Artikel 5.2.12a

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische personenauto’s:

a. moeten deugdelijk zijn;

b. moeten deugdelijk zijn bevestigd;

c. mogen niet zijn beschadigd;

d. mogen geen lekkage vertonen;

e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset;

f. moeten goed zijn geïsoleerd.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 5.2.13

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

2.

De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

 

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.2.15

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.

Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

2.

Indien een personenauto moet zijn voorzien van een controleapparaat:

a. moet de personenauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt;

b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd;

c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en

d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.

– Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd.

– Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf.

– Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek.

– Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf.

– De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is.

Artikel 5.2.16

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.

2.

Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 5. Assen

Artikel 5.2.18

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

2.

De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.

 

3.

De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.

De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

4.

De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing.

Artikel 5.2.19

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.

Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

2.

Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.

 

3.

De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing.

– Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

– De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt.

– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.

4.

Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.

Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 5.2.20

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing.

– Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

– De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt.

– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.

2.

Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.

Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.

Artikel 5.2.21

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister.

Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.2.1 getoetst.

2.

Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen.

Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.

Artikel 5.2.22

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen.

Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.

Artikel 5.2.23

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister.

Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

Artikel 5.2.24

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De wielen onderscheidenlijk velgen van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen.

Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien.

2.

De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

 

Artikel 5.2.26

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

2.

De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.

Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.2.27

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

2.

De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.

Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.

3.

De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.

 

4.

De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.

5.

De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken ‘

Bijlage 251285.png

’, met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn.

De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing.

6.

De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de personenauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft.

Visuele controle.

7.

Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

8.

De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan.

9.

De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben.

– Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter.

– De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel.

– Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden.

   

– Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden.

   

– Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden.

   

– Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden.

   

– De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar.

   

– Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht.

10.

De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.

Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

Artikel 5.2.28

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

2.

De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

3.

Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.2.29

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.

Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen.

2.

Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.

3.

De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust.

4.

Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

5.

Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.

Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.

6.

Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing.

 

7.

De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing

– Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

– Voor het zichtbaar maken van:

   

a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;

   

b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.

   

– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.

8.

Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.

Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

9.

De stuurbekrachtiger moet goed functioneren.

Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.

10.

Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.

De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing.

11.

De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden.

12.

De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.

Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.2.31

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de:

a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing;

b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing;

c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;

d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en

e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat.

– Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

– Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor.

– Onderdeel e: visuele controle.

2.

De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren.

– Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.

   

– Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

3.

Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt.

Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.

4.

Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.

Visuele controle.

5.

Remslangen mogen:

a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing;

b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en

c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.

– Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

– Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht.

– Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

6.

Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.

Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien.

7.

De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.

8.

De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

9.

Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is.

10.

De onderdelen van een antiblokkeersysteem:

a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;

b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;

c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en

d. mogen geen lekkage vertonen.

Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

11.

De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.

Leden 11 en 12: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

12.

De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.

 

Artikel 5.2.32

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.

2.

De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop.

Visuele controle.

Artikel 5.2.38

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing.

Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.

2.

Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

 

3.

Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

 

4.

De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.

Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.

5.

Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste tot en met derde lid is van toepassing.

6.

In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

 

Artikel 5.2.39

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.

Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.

2.

De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren.

Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden.

3.

De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren.

 

4.

De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.2.41

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.

Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.

2.

Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.

Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten.

3.

De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle.

Artikel 5.2.42

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95 van toepassing.

Visuele controle.

2.

De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

3.

De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen.

Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

4.

Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen.

Visuele controle.

5.

Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

Artikel 5.2.43

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.

Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.

2.

Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.

Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.

Artikel 5.2.44

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.

Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.

Artikel 5.2.45

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s in gebruik genomen na 25 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel.

Leden 1 tot en met 6: visuele controle.

2.

Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn.

 

3.

Personenauto’s in gebruik genomen vóór 26 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel.

 

4.

De in het derde lid bedoelde personenauto’s moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.

 

5.

De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.

 

6.

Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.

 

7.

In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn.

Visuele controle

Artikel 5.2.46

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen.

Visuele controle.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. personenauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten;

b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande personenauto; en

c. personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h.

3.

De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2, van toepassing.

Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling.

4.

Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken.

Visuele controle

Artikel 5.2.47

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.

Leden 1 en 2: visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels.

2.

Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.

 

3.

Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.

Leden 3 en 4: visuele controle.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in stilstaande personenauto’s en personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h.

 

5.

De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.

6.

De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.

Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.

7.

De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.

Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

8.

De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.

 

Artikel 5.2.47a

 

Eisen

Wijze van keuren

1.

Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen.

Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

2.

Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in artikel 5.2.79 gestelde eisen.

 

Artikel 5.2.48

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.

Leden 1 en 2: visuele controle.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van personenauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.

 

3.

In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen personenauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten.

Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

4.

Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.

Leden 4 en 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

5.

De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s:

a. moeten goed zijn afgeschermd;

b. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en

c. mogen niet aanlopen.

 

6.

Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

Visuele controle.

Artikel 5.2.49a

 

Eisen

Wijze van Keuren

1.

Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 2018 mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.

Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast, wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

2.

Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.

Artikel 5.2.50

 

Eisen

Wijze van Keuren

 

Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikel 112, gestelde eisen.

Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen