Vergoedingenregeling Raad voor cultuur

Geraadpleegd op 02-02-2023.
Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 april 2009, nr. DK/B&B/110520, houdende vaststelling van de vergoedingen van de voorzitter en overige leden van de Raad voor cultuur (Vergoedingenregeling Raad voor cultuur)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;

Mede gelet op artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies;

Besluit:

Artikel 1

De voorzitter van de Raad voor cultuur ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal van de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,66.

Artikel 2

De overige leden van de Raad voor cultuur ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal van de leden wordt vastgesteld op schaal 16 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,14.

Artikel 2a

Aan de voorzitter en andere leden van commissies van de Raad voor cultuur, voor zover niet vallend onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, wordt per vergadering een vergoeding toegekend:

  • a. voor leden: 2,4% van het maximum van salarisschaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren;

  • b. voor de voorzitter: 130% van de hoogte van de vergoeding die aan de andere leden van de desbetreffende commissie wordt toegekend.

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2009.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H.A. Plasterk

Naar boven