Algemene douaneregeling

Geldend van 01-07-2019 t/m heden

Algemene douaneregeling

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1. Basisdefinities en overige inleidende bepalingen

Artikel 1:2

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: Algemene douanewet;

  • b. besluit: Algemeen douanebesluit;

  • c. binnenkomend schip: schip waarvoor de in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;

  • d. binnenkomend luchtvaartuig: luchtvaartuig waarvoor de in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;

  • e. Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • f. verordening 1301/2006: Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PbEU 2006, L 238);

  • g. Verordening 1186/2009: Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEU 2009, L 324);

  • h. Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237: Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 van de Commissie van 18 mei 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de uitvoeringsbepalingen voor het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften inzake de vrijgave en de verbeurdverklaring van voor dergelijke certificaten gestelde zekerheden, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 2535/2001, (EG) nr. 1342/2003, (EG) nr. 2336/2003, (EG) nr. 951/2006, (EG) nr. 341/2007 en (EG) nr. 382/2008 van de Commissie en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2390/98, (EG) nr. 1345/2005, (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 507/2008 van de Commissie (PbEU 2016, L 206);

  • i. Verordening 612/2009: Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PbEU 2009, L 186);

  • j. Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie: Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PbEU 2016, L 69);

  • k. [Red: vervallen;]

  • l. bier: bier als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de accijns;

  • m. minerale oliën: minerale oliën als bedoeld in de artikelen 25 en 26 van de Wet op de accijns;

  • n. tabaksproducten: tabaksproducten als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de accijns;

  • o. sigaretten: sigaretten als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de accijns;

  • p. sigaren: sigaren als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de accijns;

  • q. cigarillo’s: sigaren met een maximumgewicht van 3 gram per stuk;

  • r. rooktabak: rooktabak als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de accijns;

  • s. kanselarijbenodigdheden: officiële emblemen en documenten alsmede kantoormeubilair en kantoorbenodigdheden bestemd voor een kanselarij;

  • t. verordening 412/2008: Verordening (EG) nr. 412/2008 van de Commissie van 8 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van voor verwerking bestemd bevroren rundvlees (PbEU 2008, L 125);

  • u. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239: Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 van de Commissie van 18 mei 2016 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten (Pb 2016, L 206);

  • v. Verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • w. kentekenregister: het kentekenregister, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • x. motorrijtuig: een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • y. personenvoertuig: een personenauto als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, alsmede een motorrijwiel als bedoeld in artikel 4 van die wet en de op laatstgenoemd artikel berustende bepalingen.

Afdeling 1.2. Aanwijzing inspecteur en ontvanger

Artikel 1:4

Artikel 1:5

  • 2 Als functionarissen als bedoeld in artikel 10:15 van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de Belastingdienst (contactambtenaren) die door de in het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn aangewezen om namens hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 11:7 van de wet, uit te oefenen.

Artikel 1:6

De verplichtingen die ingevolge artikel 1:32 van de wet bestaan jegens de inspecteur en de ontvanger, gelden mede jegens de directeur van de FIOD alsmede jegens de door deze directeur aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst.

Artikel 1:7

  • 2 De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de toepassing van artikel 48 van het Douanewetboek van de Unie.

Artikel 1:8

Artikel 1:9

De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is ontvanger in de zin van artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet en artikel 3, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, voor zover het betreft restituties, subsidies dan wel waarborgsommen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit.

Artikel 1:10

  • 2 De in het eerste lid bedoelde douaneadministratie is gehouden uitvoering te geven aan onherroepelijke beslissingen van een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit met betrekking tot kennisneming, verwijdering of verbetering van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onder I, II en III, van de in het eerste lid genoemde overeenkomst.

Afdeling 1.3. Douaneaangiften

Artikel 1:11

  • 1 Een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer wordt gesteld in de Nederlandse of de Engelse taal.

  • 2 De inspecteur stelt de technische specificaties vast van de aangiften en de kennisgeving, genoemd in het eerste lid.

Afdeling 1.4. Kosten ambtelijke werkzaamheden

Artikel 1:12

Het tarief van de kosten die op grond van artikel 1:19, eerste lid, van de wet, door de belanghebbende aan het Rijk verschuldigd zijn, is:

  • a. indien het ambtelijke verrichtingen betreft: € 24 per half uur;

  • b. het bedrag, dat door derden aan de inspecteur in rekening is gebracht.

Afdeling 1.5. Oorsprong van goederen

Artikel 1:13

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. certificaat van oorsprong: bewijsstuk inzake de niet-preferentiële oorsprong van goederen;

  • b. certificaat inzake goederenverkeer: certificaat EUR.1 of EUR-MED ten bewijze van de preferentiële oorsprong van goederen;

  • c. handelsregister: handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

  • d. Kamer: Kamer van Koophandel, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel;

  • e. leveranciersverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie;

  • f. oorsprongsverklaring: verklaring inzake de preferentiële oorsprong van goederen, in gevallen dat de toepasselijke autonome preferentiële regeling of een handels- of associatieovereenkomst daarin voorziet;

  • g. commissie: adviescommissie voor de oorsprong;

  • h. NAK: Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;

  • i. Naktuinbouw: Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw.

Artikel 1:14

  • 1 Een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong wordt ingediend bij de Kamer.

  • 2 De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

  • 3 De Kamer beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Het certificaat van oorsprong wordt door de Kamer voorzien van haar stempel en van de handtekening van de daartoe bevoegde functionaris van de Kamer.

  • 4 Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

    • a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of

    • b. aan een ander ten behoeve van een aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1:15

  • 3 Indien de producten, vermeld in de aanvraag, tegelijkertijd kunnen worden aangemerkt als teeltmateriaal als bedoeld in het eerste lid, en als groente en fruit als bedoeld in het tweede lid, wordt het eerste of het tweede lid toegepast afhankelijk van de bestemming die aan die producten wordt gegeven.

Artikel 1:16

  • 1 Een aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer wordt ingediend bij de Kamer.

  • 2 De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

  • 3 De Kamer voorziet de aanvraag van haar bevindingen en maakt deze bekend aan de inspecteur.

  • 4 Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

    • a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of

    • b. aan een ander ten behoeve van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1:17

  • 1 De commissie adviseert de Ministers voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Financiën, en de Kamer over preferentiële en niet-preferentiële oorsprongsvraagstukken.

  • 2 De commissie stelt haar eigen werkwijze en samenstelling schriftelijk vast.

  • 3 De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wijst de voorzitter van de commissie aan.

Afdeling 1.6. Lijfsvisitatie

Artikel 1:18

De instellingen van apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken, zijn zodanig, dat de persoon, die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, niet herkenbaar is op de beelden die door de apparatuur worden gegenereerd.

Afdeling 1.7. Douanewaarde

Artikel 1:20

  • 1 Ingeval de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde zijn uitgedrukt in een munteenheid waarvoor de Europese Centrale Bank geen referentiekoersen publiceert, wordt voor de vaststelling van de douanewaarde gebruik gemaakt van de wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro zoals die wordt gepubliceerd op de voorlaatste woensdag van de maand in de Financial Times Guide to World Currencies.

  • 2 De wisselkoers, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende de kalendermaand die volgt op de in het eerste lid bedoelde publicatie in de Financial Times Guide to World Currencies.

  • 3 Indien geen publicatie plaatsvindt op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst in de Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro geacht de op de voorlaatste woensdag van de maand gepubliceerde wisselkoers te zijn.

Artikel 1:21

  • 1 De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie, kan achterwege blijven indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen wordt vastgesteld op een andere wijze dan met toepassing van artikel 70 van het Douanewetboek van de Unie.

  • 2 Ingeval de in het eerste lid bedoelde aangifte achterwege blijft, verstrekt de aangever afzonderlijk de gegevens met behulp waarvan de aangegeven douanewaarde is berekend. Deze gegevens omvatten ten minste:

    • de methode van de vaststelling van de douanewaarde, aan te duiden door vermelding van het desbetreffende artikel van het Douanewetboek van de Unie;

    • een verwijzing naar een door de douane genomen beslissing voor zover de douanewaarde overeenkomstig een dergelijke beslissing is aangegeven; en

    • een gedetailleerde opgave van de wijze van berekening.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing indien de aangegeven douanewaarde rechtstreeks uit de factuur is afgeleid.

Artikel 1:22

De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, die in een formulier D.V.1 als bedoeld in bijlage 8 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie zijn opgenomen, wordt afzonderlijk opgenomen in de elektronische aangifte tot plaatsing van goederen onder de douaneregeling in het vrije verkeer brengen.

Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Unie binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze onder een douaneregeling zijn geplaatst, worden wederuitgevoerd, het douanegebied van de Unie zullen verlaten of worden verwijderd

Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Unie

Artikel 2:0

  • 1 Van binnenkomende schepen en binnenkomende luchtvaartuigen wordt, minimaal 2 uur voor de verwachte aankomsttijd bij de haven ressorterend onder het douanekantoor waar ze zullen worden aangebracht, het desbetreffende douanekantoor elektronisch kennis gegeven van de verwachte aankomsttijd.

  • 2 Bij luchtvaartuigen kan de inspecteur toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 2:1

  • 1 Binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen worden langs in bijlage II opgenomen vaarwaters overgebracht naar een haven ressorterende onder een in bijlage III opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

  • 2 Binnenkomende luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde goederen worden zonder tussenlanding overgebracht naar een internationale luchthaven ressorterende onder een in bijlage IV opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

  • 3 Een binnengekomen schip dan wel een binnengekomen luchtvaartuig vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, niet zonder toestemming van de inspecteur.

  • 4 In bijlage V zijn plaatsen opgenomen waar binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen eveneens kunnen worden aangebracht.

  • 5 Op plaatsen, bedoeld in het vierde lid, vinden geen andere activiteiten plaats dan:

    • a. het innemen van provisie en scheepsbehoeften ten behoeve van de bemanning van het schip; of

    • b. het innemen van brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip; of

    • c. het aan boord nemen van goederen voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis voort te kunnen laten zetten alsmede de daadwerkelijke reparatie of vervanging van deze onderdelen.

Artikel 2:2

  • 1 Het aanbrengen, bedoeld in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie, vindt op elektronische wijze plaats.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel 2:1, vierde lid, een binnenkomend schip aangebracht door het doen van een mededeling aan de inspecteur van de aankomst op een in artikel 2:1, vierde lid, bedoelde plaats.

Artikel 2:2a

  • 1 Van de in een schip aanwezige provisie wordt bij binnenkomst en uiterlijk 2 uur na het daadwerkelijke tijdstip van aankomst langs elektronische weg een scheepsvoorradenaangifte (IMO/FAL 3) ingediend bij de inspecteur.

  • 2 De gezagvoerder moet desgevraagd onverwijld een overzicht van de in het schip aanwezige persoonlijke bezittingen van de bemanningsleden (IMO/FAL 4) ter beschikking stellen van de inspecteur.

Artikel 2:3

  • 1 De artikelen 2:0, 2:1, 2:2, 2:2a en 2:5 zijn niet van toepassing op de volgende schepen en luchtvaartuigen:

    • a. oorlogsschepen en militaire luchtvaartuigen;

    • b. pleziervaartuigen;

    • c. vissersschepen welke van de visvangst komen en zijn voorzien van een aanduiding omtrent de haven waar zij thuishoren;

    • d. sleepboten;

    • e. vaartuigen voor het verrichten van loodsdiensten;

    • f. reddingsboten;

    • g. schepen en luchtvaartuigen van de Nederlandse Kustwacht.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. de laatste haven van vertrek van het schip dan wel luchtvaartuig gelegen is buiten het douanegebied van de Unie;

    • b. voor het schip, het luchtvaartuig of voor de aan boord aanwezige goederen bij het in het vrije verkeer brengen rechten bij invoer, accijns of omzetbelasting is verschuldigd;

    • c. op het schip, het luchtvaartuig of op de aan boord aanwezige goederen verboden of beperkingen van toepassing zijn of zouden zijn als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet;

    • d. voor het verkrijgen van vrijstelling van rechten bij invoer of voor het plaatsen onder de desbetreffende douaneregeling voor het schip, het luchtvaartuig of voor de aan boord aanwezige goederen ingevolge wettelijke bepalingen de vervulling van bepaalde formaliteiten is vereist;

    • e. het schip dan wel luchtvaartuig niet in de Unie thuishoort; of

    • f. het schip dan wel luchtvaartuig niet overeenkomstig haar bestemming wordt gebezigd.

  • 3 De inspecteur kan toestaan dat, voor zover het de verplichting, bedoeld in artikel 2:0, betreft, wordt afgeweken van het bepaalde in het tweede lid.

Artikel 2:4

  • 1 Degene die aan de kust goederen heeft opgevist of gered, dan wel aldaar aangespoelde of gestrande goederen heeft geborgen, geeft daarvan onverwijld kennis aan de inspecteur. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kust mede verstaan de wateren, stranden en oevers welke op grond van artikel 21 van de Wet op de strandvonderij worden beschouwd te behoren tot de zee en het zeestrand.

  • 2 De goederen worden zonder toestemming van de inspecteur niet verder landinwaarts gebracht dan tot de eerste plaats waar zij tegen beschadiging door het zeewater zijn beveiligd.

  • 3 Na de kennisgeving worden de goederen aangemerkt als binnengebrachte goederen in de zin van artikel 134, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie.

Afdeling 2.2. Tijdelijke opslag

Artikel 2:5

  • 1 De aangifte tot tijdelijke opslag bevat de in bijlage 9 van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie genoemde vereiste gegevens.

  • 2 Indien de aangifte tot tijdelijke opslag betrekking heeft op een of meerdere goederen, genoemd in bijlage V, deel B, van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PbEG 2000, L 169), wordt dit, gelijktijdig met het indienen van de aangifte tot tijdelijke opslag en door de indiener van die aangifte, expliciet medegedeeld aan de douane.

Afdeling 2.4. Douaneaangifte

Artikel 2:8a

In voorkomend geval kan de inspecteur, rekening houdend met de aard van de goederen, in het geval van de toepassing van een douaneregeling of wederuitvoer, andere plaatsen dan douanekantoren aanmerken als plaatsen waar goederen kunnen worden aangebracht.

Artikel 2:11

  • 1 De formulieren enig document worden ingevuld overeenkomstig het bepaalde in de Toelichting enig document, zoals opgenomen in bijlage VI.

  • 2 De bij de invulling van de formulieren enig document te gebruiken codes zijn de codes opgenomen in het codeboek Douane en beschikbaar via internetadres www.douane.nl.

Artikel 2:12

  • 1 In de gevallen waarin op grond van wettelijke bepalingen in een aangifte de goederencode van de desbetreffende goederen moet worden vermeld, is dat de code die voor die goederen is vastgesteld in het gebruikstarief.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is de lijst van goederenomschrijvingen met bijbehorende codes en aanduiding van de voor de desbetreffende goederen van toepassing zijnde maatregelen bij in- of uitvoer, zoals die geldt ingevolge verordeningen van de Raad van de Europese Unie of de Europese Commissie.

  • 3 Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is beschikbaar via internetadres www.douane.nl.

Artikel 2:13

Indien door de inspecteur een vergunning wordt afgegeven voor het gebruik van de bijzondere regeling douane-entrepots wordt in de vergunning bepaald dat, afhankelijk van de aard van de goederen die onder de bijzondere regeling douane-entrepots worden geplaatst, de vergunninghouder en het Centraal Bureau voor de Statistiek overeenstemming bereiken over de afzonderlijke aanlevering van gegevens ten behoeve van de entrepotstatistiek.

Afdeling 2.5. Onderzoek van de goederen, bevindingen van het douanekantoor en andere door het douanekantoor te nemen maatregelen

Artikel 2:14

  • 1 Monsterneming vindt in tweevoud plaats, tenzij de wijze en/of aard van het onderzoek ertoe noopt meerdere monsters te nemen, en de monsters worden ter plaatse verpakt en verzegeld.

  • 2 Indien mogelijk wordt op verzoek van belanghebbende een extra monster genomen, dat ter plaatse wordt verpakt en verzegeld en in het bezit van belanghebbende blijft.

Artikel 2:15

  • 1 De speling, bedoeld in artikel 1:35 van de wet, is, indien het een verschil betreft tussen de waarde of de hoeveelheid zoals in de aangifte is aangegeven, en de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is: een percent van de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is.

  • 2 De speling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing:

    • a. indien het bevonden verschil niet is ontstaan ten gevolge van dwaling, onwillekeurig verzuim of natuurlijke verliezen;

    • b. indien het bevonden verschil van invloed is op de berekening van de douaneschuld;

    • c. op aantallen colli of losse voorwerpen.

Hoofdstuk 3. Landbouwproducten

Afdeling 3.1. Certificaten; algemene bepalingen

Artikel 3:1

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 5, eerste en derde lid, 6, eerste, tweede en vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 6, zevende lid, 9, eerste en derde lid, 12, vierde lid, 13, eerste en zesde lid, 14, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, en 15 eerste, vierde en zesde lid, onderdeel c, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239.

Artikel 3:2

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is:

  • a. de met afgifte van certificaten belaste autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, derde, vierde en vijfde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 10, tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, zesde lid, 3, eerste en tweede lid, 4, eerste lid, 6, eerste, derde, vierde en zevende lid, 7, tweede lid, 9, tweede lid, 10, eerste en tweede lid, 11, 12, eerste en tweede lid, 13, tweede tot en met zesde lid, 14, vijfde, zesde en zevende lid, 15, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 16, tweede en derde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;

  • b. de autoriteit, bedoeld in de artikelen 8, onderdelen c en g, en 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, tweede, derde en vierde lid, 13, zevende lid, 16, eerste en tweede lid, 17, 20, eerste tot en met vierde lid, en 21, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;

  • c. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, derde, vierde en vijfde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 8, onderdelen c en g, 9, vierde lid, 10, tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237;

  • d. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, en 5 van verordening 1301/2006;

  • e. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 10 en 11, eerste en tweede lid, van verordening 412/2008.

Artikel 3:3

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2535/2001 van de Commissie van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en zuivelproducten en houdende opening van tariefcontingenten (PbEG 2001, L 341).

Afdeling 3.2. Certificaten; bijzondere bepalingen

Artikel 3:13

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor ruwe hennep van post 53 02 10 00 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • 2 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor zaaizaad bestemd voor de inzaai van henneprassen van post 1207 99 15 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze vergezeld gaat van het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan het gehalte, bedoeld in artikel 32, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, genoemd in het eerste lid;

Artikel 3:13a

  • 1 Een aanvraag tot erkenning van een importeur van niet voor inzaai bestemd hennepzaad als bedoeld in artikel 9, derde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 wordt ingediend bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit erkent een importeur als deze een redelijke activiteit gedurende 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning kan aantonen in de handel in granen, zaden of peulvruchten.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ook een importeur erkennen:

    • a. die aan de hand van bewijsstukken, waaronder een bedrijfsplan, kan aantonen dat de in het tweede lid genoemde activiteiten op korte termijn zullen worden gestart, of

    • b. die is aan te merken als een in Nederland gevestigde organisatie die kan aantonen hennepzaad te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en in dat kader in aanmerking wil komen voor een erkenning als importeur.

  • 4 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend met behulp van een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ter beschikking gesteld middel.

Artikel 3:13b

Een erkende importeur:

  • a. voert een voorraadboekhouding waaruit de aangevoerde partijen, de be- of verwerkte partijen en de afgeleverde partijen blijken;

  • b. overhandigt binnen 3 maanden na de termijn van 12 maanden, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, verklaringen waaruit blijkt dat de ingevoerde partijen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 is afgegeven, voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 189, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 1308/2013 en artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, en

  • c. overhandigt de in onderdeel a bedoelde voorraadboekhouding en overige bewijsstukken op verzoek aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 3:13c

Overeenkomstig artikel 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 kan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op verzoek van de erkende importeur overgaan tot verlenging van de in artikel 3:13b, onderdeel b, genoemde termijn van 12 maanden met één of twee periodes van 6 maanden.

Artikel 3:13d

Indien niet wordt voldaan aan een of meer voorwaarden, genoemd in artikel 3:13b stelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in geval het een in een andere lidstaat gevestigde importeur betreft, de bevoegde autoriteit van die lidstaat hiervan in kennis.

Artikel 3:13e

  • 1 Het certificaat, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 wordt door de importeur aangevraagd bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 Het certificaat is geldig tot en met het einde van de zesde maand na de maand van afgifte.

  • 3 Het certificaat moet door de erkende importeur bij invoer aan de douane worden overhandigt ter afschrijving en moet door de erkende importeur worden teruggezonden aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit binnen twee maanden na afloop van de maand waarin de geldigheidsduur van het certificaat is verstreken.

  • 4 Indien de ingevoerde hoeveelheid ten hoogste 5% hoger is dan de op het certificaat genoemde hoeveelheid wordt zij beschouwd als op grond van dat certificaat te zijn ingevoerd.

Artikel 3:13f

Een erkende importeur treft zodanige maatregelen dat ook zijn afnemers voldoen aan het bepaalde in artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 3:13a tot en met 3:13e.

Artikel 3:14

  • 1 Van het verbod op het invoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

  • 2 Van het verbod op het uitvoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

  • 3 Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is de voorwaarde verbonden dat de betrokken partij is voorzien van een etiket en een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13 van Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG 2002, L 193).

  • 4 Het etiket en het bewijsstuk, bedoeld in het derde lid, worden afgegeven door de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen.

Afdeling 3.2.1. Invoer bevroren rundvlees

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 3:15

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • inrichting: verwerkende inrichting, erkend overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG 2004, L 226);

  • productiecode: gebruikelijke code waaruit de productiedatum blijkt van een A-product als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening 412/2008, respectievelijk van een B-product als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening 412/2008;

  • rendement: resultaat van de berekening van het aantal in bewerking genomen kilo’s rundvlees, verminderd met dripverliezen en afsnijdsels, onder aftrek van de kilo's uitval of bijproduct, gedeeld door de hoeveelheid eindproduct in kilo's;

  • verwerker: natuurlijke of rechtspersoon die bevroren rundvlees verwerkt tot A-producten of B-producten of die voornemens is hiertoe over te gaan.

Artikel 3:16

Een verwerker die bevroren rundvlees invoert in het kader van een tariefcontingent als bedoeld in verordening 412/2008 verwerkt het ingevoerde rundvlees binnen 3 maanden na de dag van invoer tot A-producten of tot B-producten.

Artikel 3:16a

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kent een recht tot invoer toe overeenkomstig verordening 412/2008.

  • 2 Een aanvraag voor de afgifte een recht tot invoer wordt ingediend door een verwerker bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op een daartoe door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld formulier dat beschikbaar is op internetadres mijn.rvo.nl.

  • 3 Een verwerker toont bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid aan dat hij voldoet aan de voorschriften, bedoeld in verordening 412/2008 en de voorschriften van deze afdeling.

Artikel 3:16b

  • 1 Een aanvraag voor een invoercertificaat wordt ingediend bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt een aanvraag als bedoeld in het eerste lid alleen in behandeling als de aanvrager beschikt over een ingevolge artikel 3:16a, eerste lid, toegekend recht tot invoer.

Artikel 3:16c

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geeft een invoercertificaat af als door de verwerker een zekerheid is gesteld als bedoeld in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237.

  • 2 Bij de invoer van grondstoffen stelt een verwerker voor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een zekerheid onder gebruikmaking van een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld formulier dat beschikbaar is op internetadres mijn.rvo.nl.

  • 3 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geeft een zekerheidstelling vrij:

    • a. als bedoeld in het eerste lid wanneer is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in deze afdeling en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237, of

    • b. als bedoeld in het tweede lid wanneer is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in deze afdeling en verordening 412/2008.

  • 4 Met inachtneming van verordening 412/2008 verbeurt een verwerker de zekerheid ten gunste van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij niet naleving van de relevante voorschriften, bedoeld in die verordening en in deze afdeling.

Paragraaf 2. A-producten en B-producten

Artikel 3:16d

  • 1 Een verwerker die voor de eerste keer bevroren rundvlees wil invoeren in het kader van een tariefcontingent als bedoeld in verordening 412/2008 dient daartoe tenminste twee weken voor de eerste daadwerkelijke invoer een aanvraag in bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 Een aanvraag die betrekking heeft op een A-product gaat vergezeld van:

    • a. een op een A-product betrekking hebbend recept;

    • b. de benaming en de voorgestelde productiecode van het eindproduct;

    • c. alle verwerkte grond- en hulpstoffen in een percentage van de totale hoeveelheid verwerkte grondstoffen en het eiwitgehalte van de grond- en hulpstoffen;

    • d. het rendement;

    • e. de kerntemperatuur en de tijdsduur waarop de kerntemperatuur blijft gehandhaafd tijdens be- of verwerking van het product;

    • f. de verpakkingswijze;

    • g. het mager rundvleesgehalte;

    • h. het totaal vleespercentage;

    • i. de verhouding tussen het collageen en het eiwit;

    • j. de GN-code van de grondstof en de GN-code van het eindproduct, en

    • k. indien het recept betrekking heeft op de bereiding van verkleind vlees of vlees met saus: het vetvrije droge stofgehalte van de overige bestanddelen die niet bestaan uit vlees, vet, of slachtafval.

  • 3 Een aanvraag die betrekking heeft op een B-product gaat vergezeld van:

    • a. een op een op een B-product betrekking hebbend recept;

    • b. de in onderdeel 2, sub-onderdelen b, d, e, f, en j bedoelde informatie;

    • c. alle verwerkte grond- en hulpstoffen in een percentage van de totale hoeveelheid verwerkte grondstoffen, en

    • d. indien het recept betrekking heeft op de bereiding van eindproducten met de GN-code 0210 2090 in de gecombineerde nomenclatuur: de verhouding tussen het water en het eiwit.

Artikel 3:16e

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 3:16d, eerste lid, en kan daarbij vaststellen vanaf welke datum de verwerker het recept mag toepassen.

Artikel 3:16f

Een verwerker die een nog niet eerder aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstrekt recept wil toepassen, of een eerder aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verstrekt recept wil wijzigen dient daartoe een nieuwe aanvraag in overeenkomstig artikel 3:16d, eerste lid.

Artikel 3:16g

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan bij een verwerker of bij een derde onderzoek verrichten naar:

  • a. de technische mogelijkheden om de grondstoffen te verwerken tot het in het recept omschreven eindproduct, bedoeld in artikel 16d, tweede of derde lid, of

  • b. de inrichting van de administratie van een verwerker ten aanzien van de vraag of deze altijd op eenvoudige wijze inzicht geeft in de aankoop en de verkoop van de grondstoffen en de verkoop en de aflevering van de eindproducten.

Artikel 3:16h

  • 1 Een verwerker meldt de invoer van bevroren rundvlees tenminste 2 werkdagen voor het tijdstip van invoer schriftelijk aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 Een verwerker die het voornemen heeft om bevroren rundvlees te verwerken overeenkomstig verordening 412/2008 meldt dit tenminste 2 werkdagen voor het tijdstip van aanvang van de productie schriftelijk aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 3:16i

  • 1 Alvorens de op het invoercertificaat vermelde hoeveelheid bevroren rundvlees te verwerken doet een verwerker een proefbereiding van de voorgenomen verwerking en stelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de gelegenheid om aanwezig te zijn bij die proefbereiding.

  • 2 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit berekent het rendement bij een proefbereiding.

  • 3 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een nieuwe proefbereiding verplicht stellen om het rendement te berekenen.

  • 4 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit trekt een op grond van artikel 3:16e verleende toestemming in als uit de proefbereiding blijkt dat het bereide product naar zijn oordeel niet is aan te merken als een A-product of als een B-product.

  • 5 Een verwerker informeert de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorafgaand aan de verwerking van grondstoffen tot A-producten of tot B-producten als de grondstoffen naar hun aard of kwaliteit duidelijk afwijken van de bij een proefbereiding verwerkte grondstoffen. In dat geval verricht een verwerker altijd een of meerdere nieuwe proefbereidingen als bedoeld in het eerste lid om het rendement alsnog te berekenen.

Paragraaf 3. Administratieve voorwaarden

Artikel 3:16j

Een verwerker doet minimaal één maal per zes weken opgave aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van de bereide of afgeleverde hoeveelheden verwerkte A-producten of verwerkte B-producten, gespecificeerd per soort, op een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld formulier dat beschikbaar is op internetadres mijn.rvo.nl.

Artikel 3:16k

  • 1 Een verwerker houdt dagelijks een boekhouding en een voorraadadministratie bij welke betrekking hebben op:

    • a. het ter beschikking staande bevroren rundvlees;

    • b. het in voorraad gehouden bevroren rundvlees;

    • c. het bewerkte of verwerkte bevroren rundvlees;

    • d. het ontvangen bevroren rundvlees, en

    • e. het afgeleverde bevroren rundvlees.

  • 2 De boekhouding en voorraadadministratie:

    • a. bevatten de relevante leveringsbewijzen, facturen en verwerkingsstaten, en

    • b. geven ten aanzien van het relevante bevroren rundvlees op eenvoudige wijze inzicht in:

      • 1°. de dag van invoer van het bevroren rundvlees;

      • 2°. de dag van ontvangst van het bevroren rundvlees op een bedrijf;

      • 3°. de aard van het product;

      • 4°. de herkomst;

      • 5°. de naam en het adres van een leverancier;

      • 6°. de dag van bewerking of de dag van verwerking;

      • 7°. de bewerkte of de verwerkte hoeveelheid;

      • 8°. de wijzigingen in de voorraad als gevolg van retourzendingen, van verliezen of door soortgelijke oorzaken;

      • 9°. de dag van aflevering bij een afnemer;

      • 10°. de hoeveelheid die bij een afnemer is afgeleverd, onderscheiden naar de aard van het product, en

      • 11°. de naam en het adres van een afnemer.

  • 3 Een verwerker neemt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op in de boekhouding en de voorraadadministratie voor elk afzonderlijk stadium van de bewerking of de verwerking waarin het bevroren rundvlees zich in een bedrijf bevindt.

Artikel 3:16l

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan ontheffing verlenen van de artikelen 3:16j en 3:16k en aan die ontheffing voorwaarden verbinden.

Artikel 3:16m

  • 1 Een verwerker die A-producten of B-producten levert aan bedrijfseenheden en die geheel of gedeeltelijk eigenaar, vertegenwoordiger, of op enige wijze daarmee vennootschappelijk gelieerd is, stelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de gelegenheid om de productie per week in de bedrijfseenheden te controleren.

  • 2 Indien het eerste lid van toepassing is:

    • a. heeft iedere relevante bedrijfseenheid een boekhouding en een voorraadadministratie die het mogelijk maakt:

      • 1°. om de wekelijkse productie per week te controleren, en

      • 2°. om de identiteit en het gebruik van het relevante rundvlees vast te stellen,

    • b. meldt iedere relevante bedrijfseenheid uiterlijk binnen de in artikel 3:16h, eerste lid, bedoelde termijn op welke dagen er A-producten of er B-producten worden verwerkt aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;

    • c. houdt iedere relevante bedrijfseenheid op verzoek van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de verwerkte A-producten of de verwerkte B-producten beschikbaar voor onderzoek, en

    • d. zorgt iedere relevante bedrijfseenheid voor identificatie van de desbetreffende productieverpakkingen door daarop een gebruikelijke productiecode aan te brengen die niet zonder beschadiging van de verpakking van het eindproduct kan worden verwijderd.

Paragraaf 4. Monstername

Artikel 3:16n

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een monster nemen op een bedrijf van een verwerker of op een andere plaats in de distributieketen van een verwerkt product van de voorraden van de in het kader van verordening 412/2008 verwerkte producten.

  • 2 Een monster van een verwerkt product zonder saus bedraagt tenminste 500 gram en bestaat waar mogelijk uit 3 verpakkingseenheden.

  • 3 Een monster van overige producten bedraagt tenminste 3 van de kleinste verpakkingseenheden.

  • 4 Op verzoek van een verwerker neemt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tegelijk met het nemen van een monster als bedoeld in het eerste lid een alternatief monster van gelijke grootte uit dezelfde partij verwerkte producten met dezelfde productiecode.

  • 5 Een verwerker bewaart het in het vierde lid bedoelde alternatieve monster op zijn bedrijf.

Artikel 3:16o

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit laat een monster onderzoeken als bedoeld in artikel 3:16n, eerste lid.

  • 2 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit besluit in ieder geval dat een product niet voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling indien een monster van een A-product:

    • a. ander vlees dan rundvlees bevat;

    • b. toevoegingen aan een eindproduct, met uitzondering van water, meer bedragen dan 15% van het netto gewicht van een eindproduct;

    • c. de verhouding tussen het collageen en het eiwit groter is dan 0,45 in het eindproduct;

    • d. minder dan 20% van het netto gewicht van een eindproduct bestaat uit mager vlees, of

    • e. bij doorsnijding van het dikste gedeelte van een eindproduct sporen van een roséachtige vloeistof zijn waar te nemen.

  • 3 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit concludeert in het advies in ieder geval dat een product niet voldoet aan de voorwaarden van deze afdeling indien een monster van een B-product:

    • a. geen rundvlees bevat;

    • b. de kleur en consistentie van vers vlees van een verwerkt product met GN-code 0210 20 90 van de gecombineerde nomenclatuur niet volledig is verdwenen, of

    • c. de verhouding in het eindproduct tussen het water en het eiwit groter is dan 3,2.

Artikel 3:16p

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid laat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de onderzoeksresultaten van een op grond van artikel 3:16n, eerste lid, genomen monster buiten beschouwing en baseert hij een besluit als bedoeld in artikel 3:16o, tweede of derde lid, uitsluitend op de resultaten van het onderzoek van het alternatieve monster, bedoeld in artikel 3:16n, vierde lid.

Artikel 3:16q

  • 1 Indien de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van een onderzoek of een tegenonderzoek besluit dat het monster niet voldoet aan de voorschriften komt alle bereide hoeveelheid van dat eindproduct dat door of namens een verwerker is geproduceerd in de week van monstername niet in aanmerking voor toepassing van verordening 412/2008.

  • 2 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan besluiten dat een betrokken eindproduct niet in aanmerking komt voor toepassing van verordening 412/2008 als een tegenonderzoek van een monster herhaaldelijk andere resultaten oplevert dan het onderzoek van een eerder genomen monster.

  • 3 De kosten die samenhangen met het nemen van monsters, het onderzoeken van monsters, waaronder het verrichten van tegenonderzoek, komen voor rekening van de verwerker.

Afdeling 3.3. Restitutie

Artikel 3:17

Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in de artikelen 16, 19, eerste lid, en 49, eerste lid, van verordening 612/2009.

Artikel 3:18

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt aangewezen als:

    • a. de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, 39, eerste lid, en 46, eerste lid, onder b, van verordening 612/2009;

    • b. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 27, vierde lid, en 32, eerste en tweede lid, van verordening 612/2009.

  • 2 Als bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, zevende lid, onder b, en 7, derde lid, tweede alinea, van verordening 612/2009 wordt aangewezen het douanekantoor, waar de aangifte ten uitvoer wordt ingediend.

Artikel 3:19

  • 1 Informatie als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, onder b, tweede aandachtsstreepje, 27, eerste lid, derde alinea, of 28, eerste lid, vierde alinea, van verordening 612/2009 wordt verstrekt aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 In de gevallen waarin het stellen van zekerheid op grond van een EU-verplichting een voorwaarde is voor de toekenning van restitutie, wordt de zekerheid gesteld bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 Het opleggen van administratieve sancties als bedoeld in artikel 48 van verordening 612/2009, vindt plaats door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 4 Het opleggen van maatregelen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1469/95 van de Raad van 22 juni 1995 betreffende de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van bepaalde begunstigden van uit het EOFGL, afdeling Garantie, gefinancierde verrichtingen (PbEG 1995, L 145) vindt plaats door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 3:20

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd te beslissen op een verzoek als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van verordening 612/2009.

Artikel 3:21

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd het ontslag te verlenen, bedoeld in artikel 24 van verordening 612/2009.

  • 2 Een verzoek als bedoeld in artikel 24, derde lid, van verordening 612/2009 wordt ingediend bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd de beslissingen, bedoeld in artikel 24, vierde lid, van verordening 612/2009 te nemen.

Artikel 3:22

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verleent de erkenning, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van verordening 612/2009.

  • 2 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een erkenning als bedoeld in het eerste lid schorsen of intrekken in de gevallen, bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, en 21, eerste en derde lid, van verordening 612/2009.

Afdeling 3.4. Proviandering

Artikel 3:23

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd tot verlening van de toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende dient een schriftelijke aanvraag om de toestemming, bedoeld in het eerste lid, in bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt verleend indien de belanghebbende:

    • a. gespecialiseerd is in scheepsproviandering;

    • b. een administratie voert die inzichtelijk maakt dat de landbouwproducten de bestemming hebben bereikt, en

    • c. een controleregister bijhoudt als bedoeld in artikel 34, vierde lid, eerste en tweede alinea, van verordening 612/2009, of de bij iedere leverantie gebruikte documenten overlegt waarop de douaneautoriteiten de datum hebben vermeld waarop de producten aan boord zijn gebracht.

  • 4 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd tot intrekking van de toestemming indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de in het derde lid bedoelde eisen of aan de eisen, bedoeld in artikel 34 van verordening 612/2009.

Artikel 3:24

  • 1 Een belanghebbende aan wie de toestemming, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, is verleend, geeft overeenkomstig een bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op te vragen maandstaat, uiterlijk vóór het eind van de kalendermaand volgend op de maand waarin de landbouwproducten ten uitvoer zijn aangegeven, alle in laatstbedoelde maand aangegeven landbouwproducten op bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde opgave van landbouwproducten zijn gespecificeerd naar GN-code en, indien van toepassing, de restitutiecode.

Artikel 3:25

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd tot betaling van de restitutie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 612/2009.

  • 2 De aanvraag om betaling van restitutie wordt ingediend bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 In geval van levering van landbouwproducten in een andere lidstaat legt de belanghebbende tevens een bevestiging van het uitgaan van de goederen over.

  • 4 In geval van levering van landbouwproducten aan boor- en productieplatforms en marine- en hulpschepen legt de belanghebbende tevens het leverantiebewijs over.

Artikel 3:26

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd tot verlening van een erkenning van de houder van onder douanetoezicht staande bevoorradingsruimten, als bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, en 40, tweede lid, tweede alinea, van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld in het eerste lid, in bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 De erkenning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van verordening 612/2009.

Artikel 3:27

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd een voorschot op de restitutie te verlenen, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 37 van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende dient een aanvraag om het voorschot, bedoeld in het eerste lid, in bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 3:28

De verlening van restitutie voor proviandering van zeeschepen, waaronder ook begrepen al dan niet zelf aangedreven werkschepen, kan in het kader van deze paragraaf alleen plaatsvinden indien het schip binnen tien dagen na proviandering de haven verlaat met een bestemming die niet dichterbij is gelegen dat het gebied, bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder a, van verordening 612/2009.

Artikel 3:29

  • 1 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is de bevoegde instantie, bedoeld in artikel 40, eerste en tweede lid, van verordening 612/2009.

  • 2 Een belanghebbende kan een aanvraag als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van verordening 612/2009 indienen bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 3:30

  • 1 Levering aan boor- en productieplatforms geschiedt uitsluitend door een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit erkende exploitant van een bevoorradingsschip of bevoorradingshelikopter.

  • 2 Een belanghebbende dient een aanvraag om erkenning als bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 3 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit toetst de aanvraag aan de criteria, bedoeld in artikel 41, tweede lid, onder b, tweede streepje, van verordening 612/2009.

  • 4 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd tot intrekking van een erkenning indien de belanghebbende niet langer voldoet aan de criteria, bedoeld in het derde lid.

Artikel 3:31

  • 1 De betrokken deelnemer:

    • a. bewaart de bewijsstukken, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van verordening 612/2009 in zijn administratie ten behoeve van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en

    • b. dient het bewijs, bedoeld in de artikelen 36, derde lid, eerste alinea, 40, vierde en vijfde lid, of 42, tweede lid, van verordening 612/2009 in bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

  • 2 Het bewijs, bedoeld in de artikelen 38, tweede lid, eerste alinea, en 40, derde lid, eerste alinea, van verordening 612/2009, wordt ingediend bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de aangifte ten uitvoer is gedaan.

  • 3 Op verzoek van een belanghebbende kan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ermee instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder a of b, tweede streepje, van verordening 612/2009, wordt geleverd met een door de scheepskapitein of een andere scheepsofficier van dienst ondertekend certificaat van ontvangst dat van het scheepsstempel is voorzien.

  • 4 In voorkomend geval kan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op verzoek van een belanghebbende ermee instemmen dat het bewijs, bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder b, tweede streepje, van verordening 612/2009, wordt geleverd met een door een beambte van de luchtvaartmaatschappij ondertekend certificaat van ontvangst dat van het stempel van de maatschappij is voorzien.

Hoofdstuk 4. Douaneregelingen en wederuitvoer

Afdeling 4.1. In het vrije verkeer brengen – bijzondere bestemming

Artikel 4:1

Het document, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel ii, van Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij (‘Fokkerijverordening’) (PbEU 2016, L 171), dat een zending raszuivere fokdieren vergezelt bij het in het vrije verkeer brengen, wordt opgemaakt volgens het in bijlage VIII opgenomen model.

Afdeling 4.2. Opslag en tijdelijke invoer

Artikel 4:6

Aan accijns onderworpen Uniegoederen kunnen slechts in de ruimten van een douane-entrepot worden opgeslagen voor zover de Wet op de accijns in deze opslag voorziet en onder de bij of krachtens de Wet op de accijns gestelde voorwaarden en beperkingen.

Artikel 4:8

  • 1 De bijzondere regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor vervoermiddelen die hier te lande worden ingeschreven en te naam gesteld in het kentekenregister en waarvoor een kenteken wordt opgegeven bevattende de letters CD, CDJ dan wel de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde vervoermiddelen kunnen onder de regeling worden geplaatst zonder schriftelijke aanvraag of vergunning.

Artikel 4:9

  • 1 Met inachtneming van artikel 216, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, wordt toegestaan dat vervoermiddelen welke worden betrokken uit een douane-entrepot of een ruimte voor tijdelijke opslag onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst.

  • 2 Voor vervoermiddelen die in overeenstemming met het eerste lid onder de regeling zijn geplaatst, wordt een kenteken opgegeven bevattende de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.

  • 3 In de gevallen, bedoeld in artikel 216, eerste lid, onderdeel a, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, heeft de tenaamstelling in het kentekenregister een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden.

  • 4 In de gevallen, bedoeld in artikel 216, eerste lid, onderdeel b, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, heeft de tenaamstelling in het kentekenregister een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden.

Afdeling 4.3. Vrije zones en entrepots

[Vervallen per 01-05-2016]

Afdeling 4.4. Wederuitvoer, vernietiging en afstand van goederen

Artikel 4:18

Het in kennis stellen van de inspecteur voorafgaand aan de wederuitvoer vindt plaats door inlevering van de generale verklaring (IMO/FAL 1 bij vertrek).

Afdeling 4.5. Uitvoer

Artikel 4:19

Voor goederen waarvoor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt verzocht om toekenning van restitutie, worden, in de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling uitvoer, de volgende gegevens vermeld:

  • a. aanvraag restitutie ja/nee;

  • b. aanvraag voorschot ja/nee.

Hoofdstuk 5. Verboden en beperkingen

Afdeling 5.1. Liquide middelen

Artikel 5.1

  • 3 De in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten aan toonder, bedoeld in artikel 3:2, derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet, is de waarde die het desbetreffende instrument heeft op de meest gerede financiële markt waarop het verhandeld wordt of bij het ontbreken daarvan, de intrinsieke waarde.

Afdeling 5.2. Non-tarifaire handelspolitieke maatregelen

Artikel 5:5

  • 1 Het in het vrije verkeer brengen van textielproducten van oorsprong uit de Democratische Volksrepubliek Korea, genoemd in bijlage III bij Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere invoerregeling van de Unie (Pb EU 2015, L 160), zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verboden.

  • 2 Het eerste lid geldt niet indien bij het in het vrije verkeer brengen een geldige invoervergunning wordt overgelegd, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 5:9

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3, 4, 5,11, 13, 16, eerste lid, of 18 van Verordening (EU) 2019/125 van het Europees Parlement en de Raad van 16 januari 2019 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU 2019, L30).

Artikel 5:10

  • 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van Verordening (EU) nr. 2016/793 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (PbEU 2016, L 135).

  • 2 De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de verordening, genoemd in het eerste lid, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Hoofdstuk 6. Goederen die het douanegebied van de Unie verlaten

Artikel 6:1

  • 1 Als douanekantoor van uitgang voor goederen die over zee het douanegebied van de Unie verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage III.

  • 2 Als douanekantoor van uitgang voor goederen die door de lucht het douanegebied van de Unie verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage IV.

Artikel 6:1a

  • 1 Het aanbrengen bij het douanekantoor van uitgang, bedoeld in artikel 331, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie, vindt plaats met een aankomstmelding. In de aankomstmelding worden de gegevens opgenomen volgens de in bijlage IXa opgenomen specificaties.

  • 2 De inspecteur kan toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 6:2

  • 1 Van een schip of luchtvaartuig dat het douanegebied van de Unie over zee of door de lucht zal verlaten, wordt aangifte ten uitklaring gedaan.

  • 2 Van alle goederen geladen in een Nederlandse haven of luchthaven aan boord van het in het eerste lid bedoelde schip of luchtvaartuig, wordt eveneens aangifte ten uitklaring gedaan.

  • 3 De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan door het op elektronische wijze inzenden van de generale verklaring (IMO / FAL 1 bij vertrek), zoals voorzien in de bijlage bij de IMO Facilitatie Conventie 1965 van de Internationale Maritieme Organisatie (Trb. 1966, 162), respectievelijk de generale verklaring luchtvaart, zoals is voorzien in bijlage 9 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen ICAO verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165) van de Internationale organisatie voor de burgerluchtvaart.

  • 4 De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan door het op elektronische wijze inzenden van het douanemanifest bij uitgang. In het douanemanifest bij uitgang worden de gegevens opgenomen volgens de in bijlage IXa opgenomen specificaties.

  • 5 De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan voor vertrek van het schip of luchtvaartuig. De aangifte ten uitklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan binnen 3 kalenderdagen na vertrek van het schip of luchtvaartuig.

  • 6 De inspecteur kan toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in het vijfde lid.

Artikel 6:3

  • 1 Als vaarwaters waarlangs schepen en de daarin of daarop aanwezige goederen het douanegebied van de Unie rechtstreeks verlaten, worden aangewezen de vaarwaters, opgenomen in bijlage II.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt toegestaan dat goederen die over zee het douanegebied van de Unie zullen verlaten, worden overgeladen in een schip dat het douanegebied van de Unie zal verlaten.

  • 3 De toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts verleend voor het overladen van:

    • a. provisie of scheepsbehoeften ten behoeve van de bemanning van het schip;

    • b. brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip;

    • c. goederen welke nodig zijn voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis te kunnen laten voortzetten.

  • 4 Voor het overladen, bedoeld in het tweede lid, is een vergunning van de inspecteur vereist.

Artikel 6:4

  • 1 De in artikel 2:3 bedoelde schepen en luchtvaartuigen, alsmede schepen die over zee van de ene in Nederland gelegen haven naar de andere gaan, hoeven bij het verlaten van het douanegebied van de Unie niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 2:3 indien ter zake van de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer aan het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld.

Artikel 6:5

Een schip dan wel een luchtvaartuig dat het douanegebied van de Unie zal verlaten, vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, van artikel 2:1, niet zonder toestemming van de inspecteur.

Hoofdstuk 7. Bijzondere regelingen

Afdeling 7.1. Preferentiële oorsprong

Artikel 7:1

In afwijking van het forfaitair douanerecht dat wordt toegepast op grond van bijlage I, Eerste Deel, Titel II, punt D.1 bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256) (de gecombineerde nomenclatuur) worden zonder heffing van rechten bij invoer toegelaten goederen, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden vervoerd, van oorsprong uit:

  • Andorra, voor zover de goederen vallen onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur;

  • De ACS-staten die vallen onder Verordening (EU) 2016/1076 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (PbEU 2016, L 185);

  • Albanië, Algerije, Gebieden onder Palestijnse autoriteit, de begunstigde landen in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS), Bosnië-Herzegovina, Ceuta, Chili, de Europese Economische Ruimte, Egypte, Faeröer, Israël, Jordanië, Kosovo, Kroatië, de Landen en Gebieden Overzee, Libanon, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Marokko, Melilla, Mexico, Moldavië, Montenegro, Peru, Servië, Syrië, Tunesië, Zuid-Afrika, Zuid-Korea of Zwitserland;

  • Turkije, voor zover de goederen vallen onder Protocol nr. 1 bij het Besluit van de Commissie over de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing is van 29 februari 1996 (PbEG 1996, L 227) en Protocol nr. 3 bij het Besluit 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije betreffende de handelsregeling voor landbouwproducten van 25 februari 1998 (PbEG 1998, L 86).

Afdeling 7.2. Vrijstellingen

Artikel 7:2

  • 1 Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 28, 34, 43, 44, 45, 51, 53, 57, 59, 61, 67, 68, 74 en 95 van Verordening 1186/2009, is een vergunning van de inspecteur vereist met dien verstande dat voor de vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009, een vergunning slechts is vereist indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een instelling of organisatie.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een openbare instelling of een instelling of organisatie, genoemd in artikel 7:4 of in de bijlagen X tot en met XVI.

Artikel 7:2a

  • 1 Een instelling of organisatie kan op aanvraag worden aangewezen als instelling of organisatie die een beroep mag doen op een vrijstelling, genoemd in deze afdeling.

  • 2 De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de inspecteur. Op voordracht van de inspecteur kan de instelling of organisatie worden opgenomen in een van de bijlagen bij deze regeling.

Artikel 7:3

  • 1 Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 3, 12, 17, 20, 21, 28 en 34 van Verordening 1186/2009 wordt slechts verleend indien een door belanghebbende ondertekende lijst wordt overgelegd met een beschrijving van alle goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt.

  • 2 De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 12 van Verordening 1186/2009, wordt voorts slechts verleend indien belanghebbende aantoont dat zijn huwelijk heeft plaatsgehad of dat de eerste officiële stappen met het oog op zijn huwelijk zijn gezet.

  • 3 Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 17 en 20 van Verordening 1186/2009 wordt voorts slechts verleend indien een door een notaris of vergelijkbare functionaris in het land van uitvoer afgegeven verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de goederen door vererving zijn verkregen.

  • 4 De termijn van twaalf maanden, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van Verordening 1186/2009, wordt niet verlengd.

  • 5 Voor het verlenen van een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009 kan de inspecteur een medische verklaring vragen aan een natuurlijke persoon die de goederen voor zijn eigen gebruik in het vrije verkeer brengt.

Artikel 7:4

  • 1 Als instellingen en organisaties als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage X.

  • 2 Als instellingen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XI.

  • 3 Als instellingen met zetel in de Unie als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onderdeel a, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XII.

  • 4 Als instellingen als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XIII.

  • 5 Als instelling als bedoeld in artikel 55, aanhef en onder a, van Verordening 1186/2009 wordt aangewezen: Stichting Sanquin Bloedvoorziening.

  • 6 Als instellingen als bedoeld in artikel 57 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de ziekenhuizen, gezondheidsinstellingen en dergelijke instellingen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met medisch onderzoek, medische diagnose of medische behandeling.

  • 7 Als geadresseerden als bedoeld in artikel 59 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de geadresseerden, genoemd in bijlage XIV.

  • 8 Als instellingen met een liefdadig en filantropisch karakter als bedoeld in de artikelen 61, eerste lid, onderdeel a, en 74, eerste lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen:

    • Vereniging het Nederlandse Rode Kruis;

    • Stichting Leger des Heils Dienstverlening.

  • 9 Als instellingen en organisaties als bedoeld in de artikelen 67 en 68, eerste lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage XV.

  • 10 Als organisaties als bedoeld in artikel 112 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage XVI.

Artikel 7:6

Voor de beoordeling van de vraag of monsters en stalen als bedoeld in artikel 86 van Verordening 1186/2009 een onbeduidende waarde hebben, wordt de gezamenlijke waarde van alle monsters en stalen die van eenzelfde zending deel uitmaken, in aanmerking genomen. De waarden van de zendingen die door dezelfde afzender aan verschillende geadresseerden zijn verzonden, worden niet samengeteld.

Artikel 7:7

De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 113 van Verordening 1186/2009, voor zover deze betrekking heeft op lijkkisten of urnen, wordt slechts verleend indien een laissez passer voor lijken, een lijkenpas of een overeenkomstige verklaring wordt overgelegd.

Artikel 7:8

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van diplomatieke en consulaire ambtenaren, met uitzondering van honoraire consuls, van in bijlage XVII genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen voor zover deze ambtenaren zijn geaccrediteerd of aangemeld bij Nederland.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de desbetreffende ambtenaar Nederlander is of duurzaam in Nederland verblijft dan wel indien deze vrijstelling is of zal worden verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per ambtenaar.

Artikel 7:9

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel van in bijlage XVII genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen voor zover die personeelsleden zijn aangemeld bij Nederland.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien het desbetreffende personeelslid Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft, of indien er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken. Voorts is de vrijstelling niet van toepassing indien deze vrijstelling is of zal worden verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per personeelslid, tenzij met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging is overeengekomen dat deze vrijstelling beperkt is tot één personenvoertuig per personeelslid.

Artikel 7:10

  • 1 Het verzoek tot het verlenen van een vrijstelling, bedoeld in artikel 7:8 en artikel 7:9, wordt gedaan door het overleggen van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer. Deze aangifte wordt gedaan bij de inspecteur door het overleggen van een door het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ondertekende aangifte Douane 39.

  • 2 De vrijstelling wordt slechts verleend indien alle douane-exemplaren van eerder gedane aangiften ten behoeve van eenzelfde belanghebbende, voorzien van een door hem en het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging voor gezien getekende ontvangstbevestiging, binnen drie dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van de volgens het eerste lid gedane aangifte door de inspecteur zijn terugontvangen.

  • 3 Voor een motorrijtuig waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer is verleend, wordt in het kentekenregister de aantekening opgenomen ‘vrijstelling van rechten bij invoer en/of omzetbelasting en/of belasting van personenauto’s en motorrijwielen; vervalt bij vervreemding; vrijstelling niet overdraagbaar’. De motorrijtuigen mogen zonder een dergelijke aantekening niet worden gebruikt.

  • 4 Het is verboden om de overeenkomstig de artikelen 7:8 en 7:9 met vrijstelling in het vrije verkeer gebrachte goederen:

    • uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende titel of om niet over te dragen, zonder dat daartoe toestemming is verkregen van de inspecteur die de vrijstelling heeft verleend; en

    • te gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt.

Artikel 7:11

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor officieel gebruik – bouwen en herstellen daaronder begrepen – van een diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd in bijlage XVII.

  • 2 Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:12

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van kanselarijbenodigdheden die bestemd zijn voor het officiële gebruik van een honorair consulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd in bijlage XVII.

  • 2 Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de honorair consulaire vertegenwoordiging in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:13

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het verrichten van de officiële werkzaamheden door een internationale organisatie in Nederland, genoemd in bijlage XVIII.

  • 2 Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de internationale organisatie bestemd zijn.

Artikel 7:14

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van functionarissen in dienst van een internationale organisatie, genoemd in bijlage XIX, indien met die organisaties is overeengekomen dat aan die functionarissen het recht op deze vrijstelling wordt verleend.

  • 2 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de desbetreffende functionaris Nederlander is of duurzaam in Nederland verblijft.

  • 3 De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het personenvoertuigen betreft, beperkt tot maximaal twee personenvoertuigen per functionaris, tenzij met de internationale organisatie is overeengekomen dat deze vrijstelling beperkt is tot één personenvoertuig per functionaris.

  • 4 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van administratief, technisch en bedienend personeel in dienst van een internationale organisatie genoemd in bijlage XIX, indien met die organisatie is overeengekomen dat aan dat personeel het recht op deze vrijstelling wordt verleend.

  • 5 De vrijstelling, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien het personeelslid Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft, dan wel als er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken.

  • 6 De vrijstelling, bedoeld in het vierde lid, is, voor zover het personenvoertuigen betreft, beperkt tot maximaal één personenvoertuig per persoon, tenzij met de organisatie is overeengekomen dat geen vrijstelling voor een personenvoertuig wordt verleend.

  • 7 Artikel 7:10, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in een door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 verklaart dat de functionaris onderscheidenlijk de persoon die gebruik wenst te maken van de in het eerste of vierde lid bedoelde vrijstelling in dienst is bij die internationale organisatie, geen Nederlander is, niet duurzaam in Nederland verblijft, dan wel dat er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland minder dan 10 jaren zijn verstreken. Voorts vermeldt de verklaring de normale verblijfplaats van de functionaris onderscheidenlijk de persoon op het moment van aanwerving en de datum van tewerkstelling in Nederland.

  • 8 Het is verboden om de met vrijstelling in het vrije verkeer gebrachte goederen:

    • uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende titel of om niet over te dragen, zonder dat daartoe toestemming is verkregen van de inspecteur die de vrijstelling heeft verleend; en

    • te gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt.

Artikel 7:15

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het in het vrije verkeer brengen van gronduitrusting door buiten de Benelux gevestigde luchtvaartondernemingen om op een douaneluchtvaartterrein te worden gebruikt voor de inrichting of exploitatie van een internationale luchtdienst door die onderneming.

  • 2 Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van rechten bij invoer is een vergunning van de inspecteur vereist.

  • 3 Indien de luchtvaartonderneming tegelijkertijd goederen van twee of meer soorten in het vrije verkeer brengt, mag worden volstaan met één aangifte voor het brengen in het vrije verkeer, mits de aangifte is aangevuld met een lijst waarop de gegevens van de goederen zijn vermeld.

Artikel 7:16

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van:

    • a. provisie en scheepsbehoeften aan boord van binnenkomende schepen, geen woonschepen zijnde;

    • b. provisie aanwezig in luchtvaartuigen in internationaal verkeer;

    • c. brandstoffen en smeermiddelen aanwezig in binnenkomende schepen en luchtvaartuigen en bestemd voor de aandrijving of smering daarvan.

  • 2 De vrijstelling voor de goederen, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend voor de hoeveelheden, welke redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht voor het verbruik of gebruik aan boord.

  • 3 Het is verboden de goederen uit de vervoermiddelen te verwijderen.

Afdeling 7.2a. Militaire vrijstellingen

Artikel 7:16a

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. NAVO-Statusverdrag: het op 19 juni 1951 te Londen tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951, 114);

  • b. Hoofdkwartierenprotocol: het op 28 augustus 1952 te Parijs tot stand gekomen Protocol bij het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag – nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten – nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11);

  • c. buitenlandse NAVO-strijdkrachten:

    • 1°. in Nederland gelegerde buitenlandse land-, zee- of luchtstrijdkrachten van de Staten die partij zijn bij het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag (Stb. 1949, J 355), het NAVO-Statusverdrag of het Hoofdkwartierenprotocol;

    • 2°. het Geallieerd Hoofdkwartier, bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol, of bedoeld in artikel I, aanhef en onderdeel 3, van de op 25 mei 1964 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen Hoofdkwartier van de Geallieerde Mogendheden in Europa ondertekende Overeenkomst inzake de bijzondere voorwaarden die toepasselijk zijn op de vestiging en het functioneren van internationale militaire hoofdkwartieren binnen het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1964, 131);

    • 3°. andere buitenlandse NAVO-onderdelen, voor zover het NAVO-Statusverdrag of het Hoofdkwartierenprotocol daarop van toepassing is;

  • d. personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten:

    • 1°. een lid van de krijgsmacht als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Hoofdkwartierenprotocol;

    • 2°. een lid van de civiele dienst als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Hoofdkwartierenprotocol;

  • e. gezinslid: een persoon als bedoeld in artikel I, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het NAVO-Statusverdrag of als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Hoofdkwartierenprotocol, een persoon voor wie een NAVO-strijdkracht (Delegatieleider) verklaart, dat deze de status heeft van ‘afgeleide NAVO-statusgerechtigde ’of ‘afgeleide Paris Protocol-gerechtigde’, of een partner als bedoeld in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • f. commandant: de bevoegde autoriteit van een buitenlandse NAVO-strijdkracht.

Artikel 7:16aa

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op buitenlandse strijdkrachten, het personeel daarvan en hun gezinsleden die behoren tot een staat die deelneemt aan het op 19 juni 1995 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten Partij bij het Noord-Atlantisch Verdrag en de overige aan het Partnerschap voor de Vrede deelnemende Staten nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten en Aanvullend protocol (Trb. 1996, 74) en het op 19 december te Brussel tot stand gekomen Nader Aanvullend Protocol (Trb. 1998, 188), maar geen partij is van het NAVO-Statusverdrag.

Artikel 7:16b

De artikelen 7:16e tot en met 7:16h zijn niet van toepassing op:

  • a. militair personeel dat de Nederlandse nationaliteit heeft en behoort tot het personeel van de buitenlandse NAVO-strijdkrachten, maar in dienst is van de Nederlandse strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van dat personeel;

  • b. leden van de civiele dienst die de Nederlandse nationaliteit hebben en behoren tot het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten alsmede op de gezinsleden van die leden.

Artikel 7:16c

Een op grond van deze afdeling te verlenen vrijstelling van rechten bij invoer wordt:

  • a. voorwaardelijk verleend;

  • b. voor goederen verleend voor redelijke hoeveelheden.

Artikel 7:16ca

De commandant verleent desgevraagd met alle hem ten dienste staande middelen aan de inspecteur de benodigde medewerking:

  • a. om te verzekeren dat goederen die in aanmerking komen voor inbeslagneming of beslaglegging aan de inspecteur respectievelijk de ontvanger worden overgedragen;

  • b. opdat de door het personeel van de betreffende buitenlandse NAVO-strijdkrachten en de gezinsleden daarvan verschuldigde rechten bij invoer, alsmede andere belastingen, rente, kosten van ambtelijke werkzaamheden, bestuurlijke boeten en strafbeschikkingen als bedoeld in artikel 2 van de Invorderingswet 1990 worden betaald.

Artikel 7:16d

Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van uitrusting, proviand, materiaal en andere goederen door of ten behoeve van buitenlandse NAVO-strijdkrachten, die bestemd zijn:

  • a. voor uitsluitend gebruik door die strijdkrachten, het personeel van die strijdkrachten of de gezinsleden van dat personeel; of

  • b. te worden verkocht of om niet te worden overgedragen in militaire winkels, kantines, restaurants, clubs of messes voor persoonlijk gebruik aan personeel van die strijdkrachten of aan de gezinsleden van dat personeel.

Artikel 7:16e

Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor de tijdelijke invoer van nieuwe en gebruikte persoonlijke goederen, niet zijnde motorrijtuigen, caravans en aanhangwagens, door personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten bij eerste aankomst in Nederland om aldaar dienst te gaan doen of bij eerste aankomst van een gezinslid, dat zich bij hem komt voegen, voor de duur van de dienstuitoefening van dat personeel. De persoonlijke goederen dienen voor de vestiging in Nederland reeds deel uitgemaakt te hebben van de inboedel van de betrokkene.

Artikel 7:16f

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor de tijdelijke invoer van motorrijtuigen, caravans en aanhangwagens door personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of zijn gezinsleden voor persoonlijk gebruik.

  • 2 Aan personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten dat zijn motorrijtuigen, caravans en aanhangwagens tijdelijk wenst in te voeren met vrijstelling van rechten bij invoer, wordt door de inspecteur aan de belanghebbende een ‘verklaring vrijstelling van belastingen’ voor het desbetreffend motorrijtuig, de caravan of de aanhangwagen afgegeven. De inspecteur kan zekerheidstelling eisen bij de afgifte van bedoelde verklaring.

  • 3 Een ‘verklaring vrijstelling van belastingen’ als bedoeld in het tweede lid heeft een geldigheidsduur van één jaar. Deze verklaring kan op verzoek door de inspecteur telkens met één jaar worden verlengd.

  • 4 In de verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten minimaal omschreven met de volgende gegevens:

    • a. naam en voornamen;

    • b. militair- of burgeradres.

  • 5 De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden gecontroleerd aan de hand van ten minste:

    • a. een persoonlijk identiteitsbewijs, afgegeven door de commandant, dat is voorzien van naam, datum en plaats van geboorte, nationaliteit, rang, eventueel nummer, status, foto en geldigheidsduur; en

    • b. voor zover niet in Nederland gestationeerd, een collectieve of individuele reiswijzer, afgegeven door de commandant of door de daartoe bevoegde autoriteit van de Organisatie van het Noord-Atlantisch Verdrag, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het op 20 september 1951 te Ottawa tot stand gekomen Verdrag nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf (Trb. 1951, 139).

  • 6 Na overleg draagt de commandant op verzoek van Nederland zorg voor de registratie van de motorrijtuigen en in voorkomend geval caravans of aanhangwagens die op de voet van dit artikel worden ingevoerd.

Artikel 7:16g

  • 1 De artikelen 7:16e en 7:16f zijn van overeenkomstige toepassing op het personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en gezinsleden daarvan voor zover die in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening zijn gestationeerd, maar in Nederland wonen of verblijven.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op personeelsleden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en van hun civiele diensten met de Belgische of Duitse nationaliteit die in Nederland wonen, maar die in hun eigen land zijn gestationeerd.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste lid verstrekt de commandant van de zich in het Koninkrijk België of in de Bondsrepubliek Duitsland voor de dienstuitoefening bevindende buitenlandse NAVO-strijdkrachten aan de inspecteur een opgave van de namen, de nationaliteiten en de adressen in Nederland van de personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, en van de gezinsleden van dat personeel, van het tijdstip van hun komst naar Nederland, van de registratienummers en -letters van de door hen gebezigde motorrijtuigen, alsmede van de mutaties in voormelde gegevens.

Artikel 7:16ga

  • 1 Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor de invoer van geschenkzendingen en goederen die strekken tot vervanging van reeds eerder met vrijstelling van rechten bij invoer ingevoerde goederen door personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en civiele diensten en de gezinsleden daarvan.

  • 2 Het eerste lid is van toepassing indien door het personeelslid van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of civiele diensten of door het gezinslid, dat de goederen invoert, een verklaring van zijn commandant wordt overgelegd waarin wordt bevestigd, dat de in te voeren goederen deel uitmaken van een geschenkzending of persoonlijke goederen of vervangingsgoederen zijn en dat zij bestemd zijn voor persoonlijk huishoudelijk gebruik van het personeelslid of het gezinslid dat de goederen invoert.

  • 3 Indien bij invoer de goederen, bedoeld in het eerste en tweede lid, door de leden van buitenlandse NAVO-strijdkrachten of civiele diensten of hun gezinsleden zelf worden meegebracht, kunnen zij volstaan met overlegging van een soortgelijke door henzelf opgemaakte verklaring als bedoeld in het tweede lid.

    In dat geval zijn die leden verplicht een kopie daarvan alsnog door hun commandant te laten certificeren en deze kopie in te leveren bij de inspecteur.

  • 4 Indien een kopie als bedoeld in het derde lid, niet tijdig door de inspecteur wordt ontvangen, neemt de inspecteur contact op met de commandant van de betreffende buitenlandse NAVO-strijdkracht.

Artikel 7:16h

  • 1 Voor de toepassing van de artikelen 7:16d tot en met 7:16g kan het formulier 302 worden gebruikt als douaneaangifte voor zover de invoer van goederen geschiedt door, namens of ten behoeve van de buitenlandse NAVO-strijdkrachten.

  • 2 De commandant legt bij de inspecteur een lijst over met de namen, rang, functie en handtekening van de personen die, na de aankomst van de goederen op de plaats van bestemming, bevoegd zijn tot het ondertekenen van de verklaring van ontvangst op het formulier 302.

  • 3 De persoon, bedoeld in het tweede lid, stelt de inspecteur in kennis van de aankomst van de goederen op de plaats van bestemming of van een vertraging of onderbreking van het vervoer. De inspecteur bepaalt op welke wijze die kennisgeving geschiedt. Indien het tijdstip van aankomst van de goederen vaststaat mag de kennisgeving ook geschieden vóór de aankomst van de goederen.

  • 4 De persoon, bedoeld in het tweede lid, licht de inspecteur onverwijld in indien enige onregelmatigheid is geconstateerd of wordt vermoed met een zending goederen.

  • 5 De persoon, bedoeld in het tweede lid, verschaft aan de inspecteur desgevraagd inzage van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de inspecteur – die op een zending goederen betrekking hebben.

  • 6 Een aangebrachte douaneverzegeling mag niet worden verbroken en de goederen mogen niet eerder worden gelost dan na de bevestiging door de inspecteur van de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, waarbij de inspecteur meedeelt of tot het verbreken van de eventuele douaneverzegeling en tot lossing van de goederen mag worden overgegaan.

  • 7 Na de lossing en opneming in de administratie wordt op alle exemplaren van het formulier 302 de daarop voorkomende verklaring van ontvangst door de persoon, bedoeld in het tweede lid, namens de commandant ingevuld en ondertekend op de volgende wijze:

    For The Commander (onderdeel)

    (Naam van de commandant of door hem aangewezen persoon)

    (Rang en registratienummer)

    (Functie)

    (Datum)

  • 8 Na de ondertekening van de verklaring van ontvangst, bedoeld in het zevende lid, worden de exemplaren van het formulier 302 en de bijbehorende bescheiden door de persoon, bedoeld in het vijfde lid, namens de commandant aan de inspecteur toegezonden of overhandigd.

  • 9 De commandant verleent desgevraagd met alle hem ten dienste staande middelen medewerking indien de inspecteur tot controle van goederen als bedoeld in het zesde lid wenst over te gaan en wijst een persoon aan die namens hem bij de controle aanwezig zal zijn. Het formulier 302 en de bescheiden die de goederen begeleiden worden op de plaats van bestemming door of namens de commandant onverwijld na de lossing van de goederen toegezonden aan of overhandigd aan de inspecteur.

  • 10 Bij niet-zuivering of bij gedeeltelijke zuivering van het formulier 302, zijn door de titularis van dat formulier de rechten bij invoer en andere belastingen verschuldigd aan welke de goederen, of dat gedeelte van de goederen waarvoor het formulier niet is gezuiverd, bij invoer zijn onderworpen.

  • 11 Het eerste tot en met tiende lid zijn van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke invoer van persoonlijke goederen van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en hun gezinsleden door of namens die strijdkrachten, met dien verstande dat op de plaats van bestemming bij het formulier 302 een inventarislijst wordt overgelegd.

  • 12 Goederen die met vrijstelling van rechten bij invoer en andere belastingen zijn ingevoerd, mogen vrij worden wederuitgevoerd. Bij de uitvoer wordt slechts één exemplaar van het formulier 302 bij het douanekantoor van vertrek ingeleverd.

  • 13 De wederuitvoer van persoonlijke goederen van personeel van buitenlandse NAVO-strijdkrachten en gezinsleden daarvan geschiedt overeenkomstig het bepaalde in het twaalfde lid, met dien verstande dat reeds op de plaats van vertrek het formulier 302 alsmede een inventarislijst door de desbetreffende buitenlandse NAVO-strijdkracht worden overhandigd aan de inspecteur.

Artikel 7:16i

  • 1 Het is verboden om de met vrijstelling van rechten bij invoer tijdelijk ingevoerde goederen of in het vrije verkeer gebrachte goederen:

    • a. uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende titel of om niet over te dragen, behalve als daartoe toestemming is verkregen van de inspecteur; of

    • b. anders dan voor persoonlijk gebruik aan te wenden.

  • 2 Indien een douaneschuld is ontstaan door niet-naleving van de voorwaarden voor de toekenning van vrijstelling van rechten bij invoer, wordt het met die schuld overeenkomende bedrag aan rechten bij invoer vastgesteld op het bedrag waarvoor vrijstelling werd verleend.

  • 3 De inspecteur kan toestemming verlenen om af te zien van de vrijstelling. Alsdan worden de verschuldigde rechten bij invoer voor:

    • a. motorrijtuigen vastgesteld op basis van het tarief en de dagwaarde op het tijdstip dat van de vrijstelling wordt afgezien;

    • b. gebruiksgoederen, met uitzondering van motorrijtuigen, vastgesteld op basis van het tarief en de restwaarde van het gebruiksgoed op het tijdstip dat van de vrijstelling wordt afgezien waarbij een afschrijvingsperiode van drie jaren wordt gehanteerd.

Artikel 7:16j

  • 1 Bij een controle van de vervoermiddelen en het begeleidend personeel beperkt de inspecteur zich ten aanzien van de goederen tot een globaal onderzoek, dat omvat het vergelijken van het aantal, de soort, het gewicht en de merken van de colli met de op het formulier 302 vermelde gegevens. De verpakking wordt niet geopend. Van meer of minder bevinding stellen de ambtenaren aantekening op het formulier 302.

  • 2 Geclassificeerde zendingen, die als zodanig duidelijk van merken en aanduidingen zijn voorzien, worden niet onderzocht.

  • 3 Officiële documenten in officieel verzegelde omslagen en documenten in van officieel cachet voorziene pakketten, worden niet onderzocht.

  • 4 De inspecteur is op de plaats van bestemming bevoegd de goederen te controleren alleen in tegenwoordigheid van de door de commandant aangewezen persoon van de betreffende buitenlandse NAVO-strijdkracht.

Artikel 7:16k

Indien de inspecteur controle wenst uit te oefenen op lokaliteiten binnen vestigingen van een buitenlandse NAVO-strijdkracht, vindt deze controle slechts plaats na voorafgaande kennisgeving aan de commandant.

Afdeling 7.3. Omzetbelasting en accijns

Artikel 7:17

Voor goederen, vermeld in onderstaande lijst, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden vervoerd, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 7:1, een forfaitaire accijns geheven overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die gelden voor het douanerecht. De accijns wordt berekend naar de bij die goederen vermelde tarieven.

Omschrijving

Grondslag

Tarief

a. overige alcoholhoudende producten als bedoeld in artikel 12 van de Wet op de accijns:

liter

€ 6,41

b. rooktabak

kleinhandelsprijs van

soortgelijke producten

58,81%

c. sigaretten

kleinhandelsprijs van

soortgelijke producten

59,98%

Artikel 7:18

Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn de artikelen 25 tot en met 27 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

  • a. de vrijstelling voor alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 27, onderdeel b, eerste en tweede gedachtestreepje, van Verordening 1186/2009, is beperkt tot één fles van het gebruikelijke type met een maximum van 1 liter;

  • b. de vrijstelling voor de hierna genoemde goederen is beperkt tot de volgende hoeveelheden:

    • 1°. koffie: 500 gram;

    • 2°. koffie-extracten en koffie-essences: 200 gram;

    • 3°. thee: 100 gram;

    • 4°. thee-extracten en thee-essences: 40 gram.

Artikel 7:19

Op de omzetbelasting zijn de artikelen 28 tot en met 34 van Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 en 7:3 van overeenkomstige toepassing voor zover de voor het vrije verkeer aangegeven goederen niet zijn bestemd voor de uitoefening van een activiteit die op grond van artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968 is vrijgesteld.

Artikel 7:21

Op de omzetbelasting is artikel 42 van Verordening 1186/2009 alsmede artikel 7:2 van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft goederen, genoemd in bijlage I, onderdeel B, van Verordening 1186/2009.

Artikel 7:22

Op de omzetbelasting is artikel 43 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 en 7:4, van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft goederen, genoemd in bijlage II, onderdeel B, van Verordening 1186/2009, mits de aan de aangifte voor het vrije verkeer ten grondslag liggende levering om niet geschiedt, of, indien zij onder bezwarende titel plaatsheeft, de goederen worden geleverd door een ander dan een ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 7:23

Op de accijnzen en de omzetbelasting is artikel 53 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor dieren die voor laboratoriumgebruik zijn gefokt, de vrijstelling uitsluitend van toepassing is indien die dieren om niet aan laboratoria worden afgestaan.

Artikel 7:24

Op de omzetbelasting zijn de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 en 7:4 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

  • a. de vrijstelling kan worden verleend voor alle goederen die speciaal zijn ontworpen voor onderwijs aan en tewerkstelling of verbetering van de maatschappelijke positie van geestelijk gehandicapten, blinden en andere lichamelijk gehandicapten;

  • b. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen door geestelijk gehandicapten, blinden en andere lichamelijk gehandicapten voor hun eigen gebruik worden ingevoerd;

  • c. geen vrijstelling wordt verleend indien de goederen met enige commerciële bijbedoeling van de gever of niet om niet aan een in bijlage XV aangewezen instelling of organisatie worden gezonden.

Artikel 7:25

Op de omzetbelasting is artikel 104 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat geen vrijstelling wordt verleend voor belastingzegels als bedoeld in artikel 104, onderdeel q, van Verordening 1186/2009.

Artikel 7:26

  • 1 Op de accijnzen, de omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn de artikelen 203 tot en met 205 van het Douanewetboek van de Unie, de artikelen 158 tot en met 160 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, de artikelen 253 tot en met 255 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie alsmede artikel 7:28 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de bepalingen inzake het inlichtingenblad INF 3 slechts van toepassing zijn voor zover gelijktijdig aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer wordt gemaakt.

  • 2 Vrijstelling van omzetbelasting voor terugkerende goederen als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt aangetoond dat op de terugkerende goederen omzetbelasting drukt.

  • 3 Vrijstelling van accijns voor terugkerende goederen als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien wordt aangetoond dat de voorafgaande uitvoer van deze goederen niet heeft plaatsgevonden uit een accijnsgoederenplaats dan wel met teruggaaf van accijns.

Artikel 7:27

  • 1 Op de accijnzen zijn de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59, 74 tot en met 80, 85, 86, 95 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:16k van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Op de omzetbelasting zijn de artikelen 3 tot en met 20, 21, 24, 54 tot en met 56, 59 tot en met 65, 74 tot en met 103 en 105 tot en met 113 van Verordening 1186/2009, alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:16k van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Op de omzetbelasting is artikel 23 van Verordening 1186/2009 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat onder ‘goederen met een te verwaarlozen waarde’ wordt verstaan goederen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan € 22 per zending bedraagt.

  • 4 Op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59, 74 tot en met 80, 85, 86, 90 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van Verordening 1186/2009 alsmede de artikelen 7:2 tot en met 7:16k van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Op de omzetbelasting is de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer bij het in het vrije verkeer brengen van goederen, die overeenkomstig de douaneregeling passieve veredeling tijdelijk zijn uitgevoerd, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 7.4. Terugkerende goederen

Artikel 7:28

  • 1 De informatie, bedoeld in artikel 253, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie, is, behoudens in de gevallen waarin de goederen in het kader van de regeling passieve veredeling zijn uitgevoerd, niet vereist indien het de volgende goederen betreft:

    • a. motorrijtuigen alsmede kleine aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van reisbenodigdheden, duidelijk sporen van gebruik vertonen en samen met de motorrijtuigen worden ingevoerd, indien bij de motorrijtuigen een geldig kentekenbewijs aanwezig is en zij, alsmede de aanhangwagens, het in dat bewijs vermelde kenteken voeren, voor zover daaruit blijkt dat zij in het vrije verkeer zijn;

    • b. aanhangwagens, andere dan die zijn bedoeld in onderdeel a en opleggers, voor zover uit de overgelegde bescheiden dan wel op andere wijze blijkt dat zij in het vrije verkeer zijn;

    • c. luchtvaartuigen die in één der lidstaten van de Europese Unie zijn ingeschreven;

    • d. locomotieven en ander rollend spoorwegmaterieel, die zijn ingeschreven in het wagenpark van een in één der lidstaten gevestigde spoorweg- of andere onderneming, indien wordt aangetoond dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd;

    • e. andere vervoermiddelen, indien wordt aangetoond dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd;

    • f. containers, met inbegrip van het normale toebehoren en de normale uitrusting daarvan, verpakkingsmiddelen en andere voorwerpen, vervaardigd en ingericht voor het vervoer van goederen, alsmede dekkleden en stuwmateriaal ten aanzien waarvan bij wederinvoer, gelet op de aard, de bijzondere kenmerken en de gebruiksvoorwaarden, aannemelijk is dat zij tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd;

    • g. goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en die tevoren uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd; de inspecteur kan vorderen dat de herkomst uit het vrije verkeer van het douanegebied van de Unie wordt aangetoond door middel van een schriftelijk bewijsstuk.

  • 2 Wanneer de inspecteur twijfelt of vervoermiddelen voldoen aan de voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer, kunnen de vervoermiddelen worden ingevoerd nadat zekerheid is gesteld voor de rechten bij invoer die voor die vervoermiddelen verschuldigd zijn. De belanghebbende kan binnen drie maanden bij de inspecteur een verzoek indienen om voor de goederen alsnog vrijstelling van rechten bij invoer te verlenen, mits hij daarbij aantoont dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer is voldaan.

  • 3 Er bestaat geen recht op vrijstelling van rechten bij invoer voor een motorrijtuig waarvan het chassis- of framenummer is gewijzigd of verwijderd tenzij daartoe door de inspecteur toestemming is verleend.

Hoofdstuk 8. Douaneschuld

Afdeling 8.1. Zekerheidstelling

Artikel 8:1

Een hypotheek wordt als zekerheidstelling aanvaard indien:

Artikel 8:1a

De aanvulling of vervanging van een zekerheid, bedoeld in artikel 97 van het Douanewetboek van de Unie, wordt binnen een maand na de mededeling door de ontvanger, dat aanvulling of vervanging van de zekerheid wordt geëist, gesteld.

Afdeling 8.2. Invordering van het bedrag van de douaneschuld

Artikel 8:2

Het aanslagbiljet bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • naam, adres en woonplaats van de schuldenaar of belanghebbende;

  • kenmerk en datum van de beschikking;

  • bedrag aan rechten, rente op achterstallen, kosten of bestuurlijke boete;

  • bezwaarclausule.

Afdeling 8.3. Berekening en afronding

Artikel 8:3

  • 1 Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een bedrag dat dient als grondslag voor die berekening rekenkundig afgerond op centen.

  • 2 Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een hoeveelheid die dient als grondslag voor die berekening, zodanig afgerond dat een gedeelte van een kilogram, van een liter of van een meter in aanmerking wordt genomen als een heel kilogram, een hele liter of een hele meter.

  • 3 Indien de eenheid waarover het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies moet worden berekend minder is dan een kilogram, een liter of een meter, wordt, in afwijking van het tweede lid, een hoeveelheid die dient als grondslag voor de berekening, bedoeld in het tweede lid, zodanig afgerond dat een gedeelte van 100 gram, van een deciliter of van een decimeter in aanmerking wordt genomen als 100 gram, een hele deciliter of een hele decimeter.

  • 4 Voor de berekening van het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen en retributies wordt een volumepercentage ethylalcohol die dient als grondslag voor die berekening, naar beneden afgerond op tiende percent absolute ethylalcohol.

Artikel 8:4

Indien de hoeveelheid van de goederen kleiner is dan de hoeveelheid waarin het douanetarief is uitgedrukt, wordt het bedrag aan rechten naar evenredigheid berekend.

Artikel 8:5

  • 1 Het bedrag aan rechten, andere belastingen, heffingen, retributies, renten, interesten of kosten van ambtelijke werkzaamheden wordt rekenkundig afgerond op centen.

  • 2 Indien de berekening van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de hand van een aangifte, wordt elk onderdeel van de aangifte overeenkomstig het eerste lid afgerond.

Artikel 8:7

  • 1 Voor de berekening van de in rekening te brengen rente op achterstallen zoals bedoeld in artikel 114, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

    Bijlage 257098.png
  • 2 In de formule wordt met A het aantal dagen aangegeven waarover rente op achterstallen is verschuldigd en met P de onderscheiden rentepercentages welke over de verschillende periodes zijn verschuldigd.

Hoofdstuk 9. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer

Artikel 9:1

  • 1 Terugbetaling of kwijtschelding van accijnzen, omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt verleend in de gevallen waarin bij of krachtens het Douanewetboek van de Unie aanspraak op terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer bestaat of zou bestaan.

  • 2 De door het Comité genomen beschikking, bedoeld in artikel 116, derde lid, van het Douanewetboek van de Unie en de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding voor zover het tevens betrekking heeft op accijnzen, omzetbelasting en de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.

Hoofdstuk 10. Bestuurlijke boeten

Artikel 10:1

  • 1 Het drukken van formulieren van certificaten inzake goederenverkeer zonder een vergunning van de Minister van Financiën en het drukken van certificaten van oorsprong zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vormen verzuimen ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:2

Het opstellen van een leveranciersverklaring of een verklaring omtrent de preferentiële oorsprong op de factuur of op een ander handelsbescheid op basis van onvolledige of onjuiste gegevens of zonder dat het bewijs daarvoor in de administratie aanwezig is vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:3

Indien wijziging in de inrichting van een ruimte voor tijdelijke opslag wordt aangebracht zonder goedkeuring van de inspecteur, vormt dit een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:4

Het achterwege laten van:

vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 160.

Artikel 10:5

De in de artikelen 10:1, 10:2, 10:3, en 10:4 genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015, overeenkomstig artikel 9:6a van de wet, bij ministeriële regeling gewijzigd.

Hoofdstuk 11. Strafrechtelijke bepalingen

Artikel 11:1

Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, of handelingen verricht, welke leiden of kunnen leiden tot een onjuiste terugbetaling van rechten bij invoer, of kwijtschelding van rechten bij invoer, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 11:2

Degene die onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, waardoor ten onrechte een vrijstelling wordt genoten of zou kunnen worden genoten, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.