Regeling bodemkwaliteit

Geraadpleegd op 12-08-2022.
Geldend van 01-01-2013 t/m 30-06-2013

Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definitiebepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Aantoonbaarheidsgrens: laagste gehalte van een parameter waarbij de aanwezigheid daarvan aantoonbaar is volgens AP 04, bedoeld in bijlage C voor bouwstoffen en volgens bijlage L voor bodem, grond en baggerspecie;

ASTM-norm: normdocument uitgegeven door de American Society for Testing and Materials, waarvan de uitgave is weergegeven in bijlage D ;

Bepalingsgrens: laagste kwantificeerbare gehalte van een parameter, dat voor bouwstoffen overeenkomt met driemaal de aantoonbaarheidsgrens en voor bodem, grond en baggerspecie is opgenomen in bijlage L ;

Besluit: Besluit bodemkwaliteit;

Bodem+: onderdeel van het Agentschap NL te Den Haag;

Bodemkwaliteitszone: aaneengesloten deel of meerdere niet aaneengesloten delen van een beheersgebied met een gelijke ontstaans- en gebruiksgeschiedenis, als gevolg waarvan sprake is van een vergelijkbare actuele kwaliteit van de bodem;

BRL: beoordelingsrichtlijn, zijnde een door het college van deskundigen bindend verklaard document dat wordt gehanteerd als grondslag voor de afgifte en instandhouding van certificaten;

CAS-nr: uniek identificatienummer dat is toegekend aan alle chemische stoffen die zijn geregistreerd door de Chemical Abstracts Service, die onderdeel is van de American Chemical Society.

College van deskundigen: door de Raad voor Accreditatie geaccepteerd college dat een of meer BRL’en onder beheer heeft en waarin de bij certificatie belanghebbende partijen zijn vertegenwoordigd;

CROW: kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte te Ede;

CROW publicatie: publicatie van het CROW, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

Deelpartij: partij die is afgezonderd van een gekeurde partij;

Gestandaardiseerde gehalten: volgens onderdeel III in bijlage G naar standaardbodem gecorrigeerde gehalten in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, grond of baggerspecie;

K-waarde: waarde die een maat vormt voor de keuringsfrequentie bij erkende kwaliteitsverklaringen en een criterium geeft voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring;

Kengetal: statistische maat voor de verdeling van de gemeten gehalten binnen een bodemkwaliteitszone;

Lutum: gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm, betrokken op het totale drooggewicht van grond of baggerspecie;

MsPAF: Meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen, zijnde een aanduiding voor ecologische risico’s als gevolg van bodemverontreiniging;

Nationale BRL: door de Harmonisatie Commissie Bouw aanvaarde BRL voor het afgeven van kwaliteitsverklaringen;

NEN: Nederlandse Norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NEN-EN: Europese Norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NEN-ISO: Internationale Norm, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NPR: Nederlandse Praktijkrichtlijn van het Nederlands Normalisatie-instituut, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

NVN: Nederlandse Voornorm, vooruitlopend op een NEN-norm, waarvan de uitgave is opgenomen in bijlage D;

P95: 95-percentielwaarde, zijnde een kengetal van de kwaliteit van de bodem binnen een bodemkwaliteitszone, welke per stof wordt uitgedrukt in een gehalte (mg/kg droge stof), betreffende de waarde waarvoor geldt dat ten minste 95% van de meetwaarden voor de stof binnen de bodemkwaliteitszone een waarde heeft die kleiner dan of gelijk is aan deze waarde, berekend met de ‘Empirical distribution function with interpolation (MS Excel) method’];

Sanering van de bodem: beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem, alsmede de nazorg daarvan;

Standaardbodem: bodem met 25% lutum en 10% organische stof;

zoet oppervlaktewaterlichaam: oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een zout oppervlaktewaterlichaam;

zout oppervlaktewaterlichaam: Zeeuwse Delta, Waddenzee of Noordzee, inclusief de havens die hiermee in open verbinding staan en die geen open verbinding hebben met hun achterland.

Hoofdstuk 2. Kwaliteit van de uitvoering

Artikel 2.1. Aanwijzing van werkzaamheden

  • 1 Als werkzaamheden als bedoeld in het besluit worden aangewezen:

    • a. aanleg van bodembeschermende voorzieningen;

    • b. afgeven van kwaliteitsverklaringen op grond van een nationale BRL;

    • c. analyse van bouwstoffen, grond of baggerspecie ter voldoening aan een verplichting die geldt bij of krachtens het besluit;

    • d. analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek bij een verkennend onderzoek, een orienterend onderzoek, een nader onderzoek of een saneringsonderzoek als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming of een vergelijkbaar onderzoek van de bodem, dan wel bij een onderzoek in het kader van een ingreep in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;

    • e. bewerking van verontreinigde grond of baggerspecie, zijnde de procesmatige ex situ reiniging en bewerking daarvan, met uitzondering van het ontwateren van baggerspecie waarvoor op grond van de Wet milieubeheer geen vergunning is vereist;

    • f. certificering van personen voor werkzaamheden die in de uitoefening van een bedrijf worden uitgevoerd;

    • g. periodieke inspectie van bodembeschermende voorzieningen;

    • h. milieukundige begeleiding die bestaat uit verificatie en processturing bij een sanering van bodem of uit processturing bij een ingreep in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1. van de Waterwet, waarbij meer dan 1000 m3 van die bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam de interventiewaarden, bedoeld in tabel 2 van bijlage B, overschrijdt;

    • i. monsterneming bij partijkeuringen ter voldoening aan een verplichting die geldt bij of krachtens het besluit;

    • j. produceren van bouwstoffen, grond of baggerspecie die is bestemd voor toepassing in Nederland en waarvoor een kwaliteitsverklaring is afgegeven die erkend is volgens de eisen van de desbetreffende bij categorie 10 in bijlage C aangewezen nationale BRL en de eisen in het document HCB/2009-200 van de Harmonisatie Commissie Bouw, dat is opgenomen in bijlage D;

    • k. uitvoering van een sanering van de bodem, dan wel een ingreep in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarbij meer dan 1000 m3 van die bodem of oever van dat oppervlaktewaterlichaam de interventiewaarden, bedoeld in tabel 2 van bijlage B, overschrijdt;

    • l. veldwerk, dat bestaat uit het plaatsen van boringen en peilbuizen ten behoeve van het nemen van grond- en grondwatermonsters, het nemen van grond- en grondwatermonsters, locatie-inspectie en monsterneming van asbest in de bodem of het uitvoeren van vergelijkbare onderzoeken in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;

    • m. verwijderen, onklaar maken en installeren van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages;

    • n. beoordeling en keuring van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages en daarbij behorende voorzieningen;

    • o. goedkeuring van een ontwerp, een beheers- en controleplan of afwijkingen van het ontwerp, als bedoeld in respectievelijk de artikelen 3.9.1, vierde lid, 3.9.4, vierde lid, en 3.9.6, tweede lid, onder c;

    • p. bepalen van het ontwerppeil van het grondwater, als bedoeld in artikel 3.9.3;

    • q. aanbrengen van isolerende voorzieningen, bedoeld in artikel 3.9.6, eerste lid;

    • r. controle van de staat van een werk, als bedoeld in artikel 3.9.8, eerste lid, onder c;

    • s. samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie in de zin van artikel 4.3.2;

    • t. mechanisch uitgevoerde boringen in de bodem;

    • u. keuren van mestbassins en afdekkingen.

  • 3 De handeling, bedoeld in het eerste lid, onder k, wordt niet aangemerkt als werkzaamheid, indien artikel 27 of 30 van de Wet bodembescherming of artikel 5.15 of 6.9 van de Waterwet daarop van toepassing is en onverwijld maatregelen moeten worden genomen om de verontreiniging of de aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

  • 4 De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met n, s, t en u, zijn beschreven in de normdocumenten als bedoeld in artikel 2.7.

Artikel 2.2. Basis erkenning

  • 1 De erkenning voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, e, h, j, k, m, en t, wordt gebaseerd op een certificaat. De erkenning voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, c, d, f, g en n wordt gebaseerd op een accreditatie. De erkenning voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, l en u, kan op zowel een certificaat als een accreditatie worden gebaseerd.

  • 2 Een erkenning voor de werkzaamheid bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, wordt alleen verleend indien de desbetreffende instelling is geaccrediteerd voor alle verrichtingen van een van de pakketten bedoeld in de onderdelen genoemd bij categorie 3 in bijlage C. Indien de aanvraag betrekking heeft op het onderdeel samenstelling grond of het onderdeel samenstelling bouwstoffen dan kan de erkenning alleen worden verleend indien de instelling is geaccrediteerd voor pakket SG1, onderscheidenlijk pakket SB1. In afwijking van de eerste volzin is het, met uitzondering van de verrichtingen die betrekking hebben op uitloogonderzoek, toegestaan één verrichting van een pakket uit te besteden aan een instelling die voor die verrichting beschikt over een erkenning.

  • 3 Een erkenning voor de werkzaamheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, wordt alleen verleend indien de desbetreffende instelling is geaccrediteerd voor alle verrichtingen van het onderdeel SIKB-protocol 3010 of SIKB-protocol 3110, zoals vermeld bij categorie 4 in bijlage C. In afwijking van de vorige volzin is het toegestaan één verrichting van een SIKB-protocol uit te besteden aan een instelling die voor die verrichting beschikt over een erkenning.

  • 4 Voor zover een erkenning voor de werkzaamheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l, wordt gebaseerd op een accreditatie, wordt deze erkenning alleen verleend indien de desbetreffende instelling is geaccrediteerd voor alle verrichtingen van het onderdeel SIKB-protocol 2001 of SIKB-protocol 2002, zoals vermeld bij categorie 12 in bijlage C. In afwijking van de vorige volzin is het toegestaan ten hoogste drie verrichtingen (NEN normen) van een SIKB-protocol uit te besteden aan een instelling die voor die verrichting beschikt over een erkenning.

Artikel 2.5. Onafhankelijkheidseisen

Hoofdstuk 3. Bouwstoffen

Paragraaf 3.1. Bepaling bouwstofkarakter materiaal

Artikel 3.1.1. Monsterneming en voorbehandeling

  • 1 Ingeval het onduidelijk is of een materiaal als bouwstof moet worden aangemerkt, worden de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium daarin bepaald. Hiertoe worden aselect over de hele partij ten minste twaalf grepen genomen, die ieder worden verdeeld over drie mengmonsters.

  • 2 De mengmonsters worden voorbehandeld door ze te drogen bij 40 °C volgens NVN 7312.

  • 3 Elk mengmonster wordt verkleind met een kruisslagmolen of een vergelijkbare molen met een zeef van 500 µm. Vervolgens wordt het mengmonster verdeeld door middel van roterend verdelen, overeenkomstig NVN 7312 hoofdstuk 7.7.2. Per mengmonster wordt één deelmonster van minimaal 250 gram verder vermalen tot 250 µm met gebruik van hoofdstuk 7.6.3 ‘Verkleinen tot deeltjes kleiner dan 125 µm’ van NVN 7312. De verkleinde deelmonsters worden geanalyseerd volgens artikel 3.1.2.

  • 4 Indien het materiaal bestaat uit elementen of proefstukken, worden daarvan stukken van ten minste 80 gram afgehaald. Het vierde lid, de tweede volzin uitgezonderd, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.1.2. Analyse en berekening

  • 1 De ontsluiting van de deelmonsters en de analyse van silicium, calcium of aluminium daarin worden uitgevoerd overeenkomstig ASTM-norm D 3682-01.

  • 2 Voor de berekening van de massa’s silicium, calcium en aluminium in de deelmonsters en van het gemiddelde percentage van deze stoffen in de bouwstof, wordt de werkwijze gehanteerd, zoals beschreven in bijlage E.

  • 3 De uitkomsten van de monsterneming, de analyse en de berekening worden vastgelegd in een rapportage.

Paragraaf 3.2. Bepaling eigenschappen bouwstof

Artikel 3.2.1. Bepaling volume kleinste eenheid op basis van afmetingen

  • 1 De bepaling of een bouwstof vormgegeven is, vindt plaats door het volume van de kleinste eenheid van de desbetreffende bouwstof te bepalen, indien de bouwstof bestaat uit elementen van ongeveer gelijke grootte.

  • 2 Het volume van een bouwstof wordt bepaald door de afmetingen ervan te bepalen en door van het totale volume het volume van de holten en gaten in het oppervlak af te trekken.

  • 3 Indien het volume van een bouwstof tussen 50 cm3 en 100 cm3 is, wordt het volume nader bepaald door onderdompeling van het element in water op de wijze, bepaald in hoofdstuk 8 van NEN-EN 13383-2 en door berekening met de in bijlage F aangegeven formule.

Artikel 3.2.2. Bepaling volume kleinste eenheid op basis van zeefproef

  • 1 De bepaling of een bouwstof vormgegeven is, vindt plaats door de korrelverdeling te bepalen met behulp van een zeefproef indien het een granulaire bouwstof betreft met een opbouw in korrelverdeling. Hierbij worden aselect over de hele partij zes monsters genomen uit een statische partij of drie monsters uit een stroom.

  • 2 Voor elk monster wordt één greep genomen volgens hoofdstuk 4.5 van NEN-EN 13383-2.

  • 3 De monsters zijn minimaal zo groot dat de getalswaarde van de massa in kg ten minste tweemaal de getalswaarde bedraagt van de d95 in mm. Hierbij is de d95 gelijk aan de maat van de zeef, waardoor ten minste 95% van de massa van een monster valt.

  • 4 De korrelverdeling van de monsters wordt bepaald volgens hoofdstuk 5 van NEN-EN 13383-2.

  • 5 Indien de korrelverdeling voldoet aan het gestelde in bijlage F, wordt de bouwstof aangemerkt als bouwstof met een volume per kleinste eenheid van 50 cm3.

Artikel 3.2.3. Bepaling duurzame vormvastheid

Een bouwstof, met uitzondering van de bouwstoffen genoemd in bijlage F, geldt als duurzaam vormvast indien deze in een diffusieproef volgens NEN 7375 gedurende 64 dagen minder massaverlies vertoont dan:

  • a. 1500 g/m2 voor lichtgebonden steenmengsels voor wegfunderingen, beproefd direct na een verhardingstijd van 28 dagen,

  • b. 500 g/m2 voor lichtgebonden steenmengsels, beproefd direct na een verhardingstijd van 91 dagen (verharding bij 20 °C en bij een relatieve vochtigheid van tenminste 90%),

  • c. 200 g/m2 voor cementgebonden minerale reststoffen, die worden toegepast als gebonden fundering in de GWW conform BRL 9322, of

  • d. 30 g/m2 voor alle andere materialen.

Paragraaf 3.3. Toetsing aan maximale emissie- en samenstellingswaarden

Artikel 3.3.1. Bepaling emissie- en samenstellingswaarden

  • 1 De emissie van parameters uit niet-vormgegeven bouwstoffen, uit vormgegeven bouwstoffen waarvan de uitloging oplosbepaald is volgens de voorschriften van NEN 7375 en uit vormgegeven bouwstoffen met een open, afwaterende structuur, bedoeld in bijlage F, wordt bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7373 of NEN 7383 of de beschikbaarheidsproef volgens NEN 7371.

  • 2 De emissie van parameters uit vormgegeven bouwstoffen, waarvan de uitloging diffusiebepaald is, wordt bepaald door middel van de diffusieproef volgens NEN 7375 of de proeven uit het eerste lid. De emissie wordt in de diffusieproef berekend over 64 dagen volgens NEN 7375 onderdeel 9.4.

  • 3 De samenstellingswaarden van bouwstoffen worden bepaald met de technieken beschreven in AP 04.

  • 4 Indien de bepaling van de samenstelling of emissie volgens AP04 is gekoppeld aan een specifieke wijze van toepassing, wordt:

    • a. deze toepassingsvoorwaarde gerapporteerd door de persoon of instelling die de bouwstof heeft onderzocht en weergegeven op de milieuhygiënische verklaring, en

    • b. de bouwstof op deze wijze toegepast.

Artikel 3.3.2. Bepaling emissiewaarden uit afwijkende bouwstoffen

  • 1 Indien bij de kolomproef door slechte doorlatendheid van het onderzochte materiaal onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, wordt de emissie berekend aan de hand van de formule in bijlage K.

  • 2 Indien de emissie, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan L/S=2, gelden voor het desbetreffende materiaal geen maximale emissiewaarden.

  • 3 Indien bij een diffusieproef volgens NEN 7375 voor een bepaalde parameter geen diffusiegecontroleerd traject kan worden vastgesteld, wordt de bovengrens van de uitloging volgens de methode beschreven in onderdeel 9.6 van NEN 7375 berekend voor T=36500 dagen. Deze berekende bovengrens gedeeld door 24 geldt als de emissie uit de bouwstof.

Artikel 3.3.3. Voldoen aan de maximale emissie- en samenstellingswaarden

  • 1 De maximale waarden voor de emissie uit vormgegeven, niet-vormgegeven en IBC-bouwstoffen en voor de samenstelling van bouwstoffen zijn opgenomen in bijlage A.

  • 2 Een bouwstof voldoet aan de maximale waarden, bedoeld in het eerste lid, indien de gemiddelde emissie- en samenstellingswaarden voor iedere parameter kleiner of gelijk zijn aan deze maximale waarden. Het gemiddelde wordt berekend door per parameter het gemiddelde te bepalen van de geanalyseerde mengmonsters, bedoeld in 3.4.1, tweede lid.

  • 3 Indien de door het laboratorium gerapporteerde bepalingsgrens van een parameter boven de maximale samenstellingswaarde ligt, wordt deze verhoogde bepalingsgrens gehanteerd als de maximale samenstellingswaarde. Het laboratorium motiveert deze afwijking in de rapportage.

Paragraaf 3.4. Partijkeuringen

Artikel 3.4.1. Uitvoering partijkeuring

  • 1 Bij een partijkeuring worden aselect over de hele partij tenminste twaalf grepen genomen.

  • 2 Deze grepen worden evenredig verdeeld over ten minste twee mengmonsters, die zijn bestemd om te worden voorbehandeld en geanalyseerd overeenkomstig paragraaf 3.3.

Artikel 3.4.2. Rapportage en verklaring partijkeuring

  • 1 De uitkomst van de partijkeuring wordt vastgelegd in een rapportage, die de volgende gegevens bevat:

    • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die de monsters heeft genomen en van de instelling die de monsters heeft geanalyseerd, en de naam van de feitelijke natuurlijke persoon die de monsterneming heeft uitgevoerd;

    • b. de data waarop monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse zijn uitgevoerd;

    • c. een verwijzing naar de gebruikte normdocumenten en methoden, en een onderbouwing van afwijkingen hiervan, indien deze het analyseresultaat beïnvloeden;

    • d. het monsternemingsformulier en monsternemingsplan of een kopie daarvan;

    • e. een beschrijving van de partij, waaronder de ligging, kenmerken en partijgrootte;

    • f. een beschrijving van het monster, waaronder de aanwezigheid van eventuele metalen delen, de massa en de samenstelling of vermoedelijke samenstelling;

    • g. het analyserapport van het laboratorium, inclusief de gemiddelde samenstellings- en emissiewaarden, een onderbouwing van de gekozen parameters, en de verhouding tussen de meetwaarden en daaruit voortvloeiende conclusies, en

    • h. een uniek nummer.

  • 2 Indien de partij voldoet aan de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, wordt een milieuhygiënische verklaring afgegeven, die de volgende gegevens bevat:

    • a. de naam en het adres van degene die de milieuhygiënische verklaring afgeeft;

    • b. de naam van de desbetreffende bouwstof;

    • c. de toepasbaarheid van de bouwstof en eventuele voorwaarden die hierbij gelden, en

    • d. voor welk toepassingsgebied de partij voldoet.

Paragraaf 3.5. Fabrikant-eigenverklaringen

Artikel 3.5.1. Eisen fabrikant-eigenverklaring

  • 1 Een producent kan voor een bouwstof, niet zijnde een IBC-bouwstof, een fabrikant-eigenverklaring afgeven, indien:

    • a. alle parameters voldoen aan de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid;

    • b. asbest voldoet aan een maximale samenstellingswaarde van 10 mg/kg droge stof voor producten bedoeld in tabel 2 van bijlage A, onder punt 6;

    • c. de k-waarden voor alle parameters voldoen aan het k-waardecriterium in artikel 3.5.3, en

    • d. de producent beschikt over een werkend systeem van interne kwaliteitsbewaking als bedoeld in artikel 3.5.4.

  • 2 Een producent geeft geen fabrikant-eigenverklaring af, indien sprake is van enkelvoudige partijen zonder onderlinge samenhang in kwaliteit.

Artikel 3.5.2. Het toelatingsonderzoek

  • 1 De producent toont met een toelatingsonderzoek aan dat de bouwstof voldoet aan artikel 3.5.1.

  • 2 Het toelatingsonderzoek wordt uitgevoerd onder toezicht van een instelling die is erkend voor het afgeven van kwaliteitsverklaringen op basis van de desbetreffende nationale BRL, of op basis van een nationale BRL voor een vergelijkbare bouwstof.

  • 3 Bij het toelatingsonderzoek worden ten minste tien partijen onderzocht door middel van een partijkeuring als bedoeld in paragraaf 3.4. Hierbij geldt dat:

    • a. de partijen qua grootte, productieproces, grondstoffen, productieperiode en afzet waarin het toelatingsonderzoek wordt uitgevoerd, representatief zijn voor de productie en evenredig over de productieperiode zijn verdeeld, en

    • b. het bepaalde onder a. blijkt uit een rapportage.

  • 4 Het is toegestaan om gebruik te maken van partijkeuringen uit een eerder toelatingsonderzoek en van eerdere verificatiekeuringen in het kader van een erkende kwaliteitsverklaring.

  • 5 De keuringen, bedoeld in het vorige lid, kunnen zijn uitgevoerd in gemeenschappelijke toelatingsonderzoeken en verificatie, mits de producent:

    • a. ten minste één partijkeuring uitvoert die betrekking heeft op de eigen bouwstof, en

    • b. onderbouwt dat de productiewijze en de grondstoffen voldoende aansluiten op die van de gemeenschappelijke cluster.

  • 6 De monsterneming voor de partijkeuring, bedoeld in het derde lid, kan door de producent worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende voorschriften in bijlage C. Bij het toelatingsonderzoek wordt dit gecontroleerd.

  • 7 Indien uit het toelatingsonderzoek blijkt dat aan artikel 3.5.1 is voldaan, geeft de certificeringsinstelling een eenmalige verklaring af dat de producent onder de gegeven omstandigheden een fabrikant-eigenverklaring kan afgeven.

  • 8 De producent meldt het gebruik van de fabrikant-eigenverklaring uiterlijk binnen een maand aan Onze Minister en stuurt daarbij de verklaring van de certificeringsinstelling mee.

  • 9 Onze Minister draagt zorg voor de bekendmaking van de producenten die een fabrikant-eigenverklaring mogen afgeven voor de daarbij genoemde bouwstoffen.

Artikel 3.5.3. Bepaling k-waarde

  • 2 Het k-waardecriterium is dat de k-waarden van alle parameters in een bouwstof groter zijn dan 2,07.

  • 3 Voor de berekening van de k-waarde worden de regels in bijlage G, onder IV, toegepast.

  • 4 Een parameter voldoet in elk geval aan het k-waardecriterium, indien alle meetwaarden van de desbetreffende parameter:

    • a. conform de regels in bijlage G, onder IV, onder de bepalingsgrens liggen;

    • b. onder γ maal de desbetreffende maximale samenstellings- of emissiewaarde liggen, zoals in bijlage H aangegeven voor tien keuringen.

  • 5 Voor asbest wordt geen k-waarde bepaald.

Artikel 3.5.4. Interne kwaliteitsbewaking

  • 1 De interne kwaliteitsbewaking bij de productie van de bouwstof bevat:

    • a. een kwaliteitssysteem dat waarborgt dat bouwstoffen worden geproduceerd die voldoen aan de eisen van artikel 3.5.1;

    • b. een kwaliteitshandboek waarin het kwaliteitssysteem inzichtelijk is gedocumenteerd, met heldere voorschriften en procedures voor alle productiestappen en controles;

    • c. een register waarin de resultaten van het kwaliteitssysteem worden bijgehouden, waaronder een beschrijving van het product, de productiedatum, de gebruikte testmethode, de productiekenmerken, de gebruikte acceptatiecriteria voor grondstoffen en een overzicht van geleverde partijen met vermelding van de afnemer.

  • 2 Het kwaliteitssysteem, bedoeld in het eerste lid, onder a, bevat:

    • a. de gegevens van de functionaris die is belast met het beheer van het kwaliteitssysteem;

    • b. een functionerend IKB-schema dat betrekking heeft op de grondstoffen, het productieproces, de eindproducten, de status van meet- en bepalingsmethoden, het interne transport, de opslag en de identificatie van half- en eindproducten. Uit dit IKB-schema blijkt dat bij voortduring bouwstoffen worden vervaardigd die aan artikel 3.5.1 voldoen, en

    • c. een beschrijving hoe elk van de onderdelen onder b wordt gecontroleerd, welke controlemethode en controlefrequentie worden gehanteerd en de wijze waarop de controleresultaten worden geregistreerd en bewaard.

  • 3 Indien bouwstoffen of partijen niet voldoen aan de kwaliteit die is vastgesteld in het toelatingsonderzoek worden correctieve maatregelen genomen. Deze maatregelen worden bijgehouden in het register.

  • 4 De producent bewaart de informatie over het kwaliteitssysteem en het register ten minste vijf jaar.

Artikel 3.5.5. Invulling fabrikant-eigenverklaring

  • 1 De fabrikant-eigenverklaring bevat de volgende gegevens:

    • a. de verklaring van de producent dat de bouwstof voldoet aan de gestelde criteria in artikel 3.5.1;

    • b. de naam en het adres van de producenten de specifieke productielocatie;

    • c. een nauwkeurige specificatie of beschrijving van de bouwstof;

    • d. eventuele bijzondere voorwaarden voor het gebruik van de bouwstof;

    • e. een uniek nummer.

  • 2 Voor het opstellen van een fabrikant-eigenverklaring wordt gebruikt gemaakt van het format dat verkrijgbaar is bij Bodem+.

Paragraaf 3.6. Erkende kwaliteitsverklaringen

Artikel 3.6.1. Het toelatingsonderzoek

  • 1 Het toelatingsonderzoek ter verkrijging van een erkende kwaliteitsverklaring wordt uitgevoerd door en onder toezicht van een instelling die is erkend voor het afgeven van kwaliteitsverklaringen en bestaat uit een productcontrole en een beoordeling van het kwaliteitssysteem.

  • 2 Bij de productcontrole controleert de instelling, bedoeld in het eerste lid, of de bouwstof voldoet aan de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, door vijf of tien partijen te onderwerpen aan een partijkeuring, als bedoeld in paragraaf 3.4. Hierbij geldt dat:

    • a. de onderzochte partijen qua grootte, productieproces, grondstoffen, productieperiode en afzet waarin het toelatingsonderzoek wordt uitgevoerd, representatief zijn voor de productie en evenredig over de periode zijn verdeeld, en

    • b. het onder a. bepaalde blijkt uit een rapportage.

  • 3 De monsterneming bij de partijkeuring, bedoeld in het vorige lid, mag worden uitgevoerd door de producent, volgens de daarvoor geldende voorschriften in bijlage C. Bij het toelatingsonderzoek wordt dit gecontroleerd.

  • 4 Bij de beoordeling van de kwaliteitsbewaking beoordeelt de instelling, bedoeld in het eerste lid, de doeltreffendheid en correcte toepassing van het kwaliteitssysteem op de productielocatie.

  • 5 Op basis van de uitkomsten van het toelatingsonderzoek kan de instelling, bedoeld in het eerste lid, een kwaliteitsverklaring afgeven voor de productie van de desbetreffende bouwstof.

Artikel 3.6.2. Keuringsfrequentie

  • 1 Bij het toelatingsonderzoek, bedoeld in artikel 3.6.1, wordt de k-waarde voor elke parameter in bijlage A over vijf of tien partijen berekend, zoals aangegeven in bijlage H.

  • 2 Bij de productiecontrole op de gecertificeerde bouwstof wordt ten minste een keuringsfrequentie van een parameter gehanteerd, die behoort bij de hiervoor berekende k-waarde, zoals aangegeven in bijlage H.

  • 3 Na iedere verificatiekeuring wordt de keuringsfrequentie opnieuw berekend op basis van het voortschrijdende gemiddelde. Hierbij geldt dat voor de berekening:

    • a. de oudste keuringsgegevens vervallen, en

    • b. de nieuwste keuringsgegevens worden toegevoegd.

  • 4 Voor de berekening van de k-waarde worden de regels in bijlage G, onder IV, toegepast.

  • 5 In afwijking van het eerste en tweede lid, mag voor een parameter de berekening van de k-waarde achterwege blijven en worden uitgaan van een gegeven keuringsfrequentie, indien alle vijf of tien meetwaarden van de desbetreffende parameter:

    • a. conform de regels in bijlage G, onder IV, onder de bepalingsgrens liggen, waarbij de keuringsfrequentie gelijk mag worden gesteld aan eenmaal per drie jaar, of

    • b. onder γ maal de betreffende maximale samenstellings- of emissiewaarde liggen, waarbij de keuringsfrequentie mag worden gebruikt zoals gegeven in bijlage H.

  • 6 In afwijking van het derde lid mag bij structurele verbetering van de samenstellings- of emissiewaarde van een parameter tijdelijk worden afgeweken van het voortschrijdend gemiddelde. Hierbij geldt dat:

    • a. de nieuwe waarde wordt getoetst met behoudt van de oude spreiding in meetwaarden;

    • b. de nieuwe spreiding wordt bepaald wanneer vijf nieuwe keuringen zijn uitgevoerd, en

    • c. toestemming nodig is van de certificeringsinstelling.

  • 7 Indien de keuringsfrequentie van een parameter uitkomt in het partijkeuringsregime, bedoeld in bijlage H, worden individuele partijen bij overschrijding van de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, afgekeurd.

  • 8 Een parameter gaat van het partijkeuringsregime over naar het steekproefregime, indien:

    • a. de berekende k-waarde hoog genoeg is, en

    • b. deze k-waarde is bepaald aan de hand van tien keuringen, waarvan ten minste vijf zijn uitgevoerd onder het partijkeuringsregime.

  • 9 In afwijking van het eerste en tweede lid mag voor een parameter een keuringsfrequentie worden bepaald op basis van de verdelingsvrije toets, zoals beschreven in bijlage H.

  • 10 Voor asbest wordt geen k-waarde bepaald of verdelingsvrije toets uitgevoerd.

Artikel 3.6.4. Invulling erkende kwaliteitsverklaringen

Een erkende kwaliteitsverklaring bevat de volgende gegevens:

  • a. de naam en het adres van de persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een nationale BRL;

  • b. de certificatie-eisen waaraan de producten zijn getoetst;

  • c. de specificatie van het product;

  • d. de datum vanaf welke het certificaat geldig is;

  • e. eventuele bijzondere voorwaarden voor het gebruik van het product;

  • f. een uniek nummer waarmee naar de verklaring kan worden verwezen.

Paragraaf 3.7. Bouwstoffen en partijen

Artikel 3.7.2. Afleveringsbon

  • 1 De afleveringsbon bevat de volgende gegevens:

    • a. het nummer en type van de milieuhygiënische verklaring;

    • b. de datum van afgifte van de partij;

    • c. de producent, de leverancier of de productielocatie van de partij;

    • d. de naam van de bouwstof waarop de afleveringsbon betrekking heeft;

    • e. de aard van de bouwstof;

    • f. de grootte van de partij in tonnen;

  • 3 De eigenaar van de partij maakt in zijn administratie inzichtelijk waar de partij vandaan komt, of deze is gesplitst en wat de bestemming is.

Artikel 3.7.3. Splitsen van partijen

  • 1 Indien een partij wordt gesplitst in deelpartijen, voldoen de deelpartijen aan de maximale samenstellings- en emissiewaarden van bijlage A.

  • 2 Voor de deelpartijen kan gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaring voor de oorspronkelijke partij, mits de relatie tussen deelpartij en oorspronkelijke partij of productieproces, alsmede wie de splitsing heeft uitgevoerd en wanneer, wordt aangegeven op een afleveringsbon.

  • 3 Degene die de splitsing laat uitvoeren, is verantwoordelijk voor het gestelde in het eerste en tweede lid.

Artikel 3.7.4. Samenvoegen van partijen

  • 1 Indien partijen worden samengevoegd, kan gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaringen voor de oorspronkelijke partijen, mits de relatie tussen samengevoegde partij en de oorspronkelijke partijen, alsmede wie de samenvoeging heeft uitgevoerd en wanneer, wordt aangegeven op een afleveringsbon.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor het samenvoegen van verschillende soorten bouwstoffen.

  • 3 Het is niet toegestaan om bouwstoffen samen te voegen met materialen die geen bouwstoffen zijn, anders dan bij de productie van een bouwstof.

Paragraaf 3.8. Handhaving bouwstoffen

Artikel 3.8.2. Onderzoek in het kader van de handhaving

  • 2 Bij een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld:

    • a. de partij als geheel, zoals aangegeven op de milieuhygiënische verklaring of de afleverbon;

    • b. de partij zoals ter plaatse aanwezig bij de producent;

    • c. de partij zoals toegepast in het werk, of

    • d. een onderdeel van de partij, waarbij dit onderdeel ten minste 10.000 ton bedraagt.

  • 3 Er is sprake van een overtreding van artikel 28, eerste lid, onder b, van het besluit, indien het in het eerste lid bedoelde onderzoek uitwijst dat de maximale waarden, bedoeld in artikel 3.3.3, eerste lid, met ten minste een factor 1,4 worden overschreden, ongeacht de variatie in het onderzoeksresultaat ten gevolge van de mate van heterogeniteit van de partij.

Artikel 3.8.3. Handhaving fabrikant-eigenverklaring

  • 1 De toezichthouder kan een producent binnen een bepaalde termijn opnieuw een toelatingsonderzoek of een specifiek onderdeel daarvan laten uitvoeren, indien blijkt dat niet is

    voldaan aan artikel 3.5.1 of artikel 3.5.2, derde lid, onder a.

  • 2 Op last van de toezichthouder worden bij een toelatingsonderzoek als bedoeld in het eerste lid nieuwe partijkeuringen uitgevoerd.

  • 3 Indien alleen een specifiek onderdeel van het toelatingsonderzoek opnieuw wordt uitgevoerd, kan de toezichthouder kiezen om hierbij geen certificeringsinstelling in te schakelen.

  • 4 Het eerste lid geldt niet, indien de producent afziet van het gebruik van de desbetreffende fabrikant-eigenverklaring en dit binnen vijf dagen aan Onze Minister meldt.

Paragraaf 3.9. Isolatie-, beheers- en controlemaatregelen

Artikel 3.9.1. Ontwerp

  • 1 Van het werk waarin een IBC-bouwstof wordt toegepast, wordt een ontwerp gemaakt dat bestaat uit:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de artikelen 3.9.2 tot en met 3.9.4;

    • b. een situatietekening, langs- en dwarsdoorsneden;

    • c. een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de aandachtspunten, zoals aangegeven in bijlage I, onder ‘checklist ontwerp’, en;

    • d. een berekening van de zetting die optreedt bij het gereedkomen van het werk en na vijftig jaar.

  • 2 Het werk wordt ontworpen op de eindzetting die wordt berekend voor een periode van vijftig jaar, vermeerderd met een onzekerheidsmarge van 30% van de berekende zetting.

  • 3 Een IBC-bouwstof wordt toegepast in aaneengesloten hoeveelheden van ten minste 5.000 m3.

  • 4 Het in het eerste lid genoemde ontwerp moet worden goedgekeurd door een daartoe deskundig bedrijf.

Artikel 3.9.2. Isolerende voorzieningen

  • 1 De bovenzijde en zijkanten van een IBC-bouwstof worden binnen drie maanden nadat een laag van de IBC-bouwstof is aangebracht, voorzien van een isolerende voorziening die bestaat uit:

    • a. een bentonietmat;

    • b. een laag zandbentonietpolymeergel, of

    • c. een kunststof HDPE-folie met een laagdikte tussen 1,9 en 2,1 mm en voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in de in bijlage D genoemde normdocumenten.

  • 2 De isolerende voorziening heeft een maximaal toegestane lekkage van 6 mm per jaar bij de 0,2 meter waterdruk gedurende 200 dagen per jaar en heeft een levensduur van minimaal 100 jaar.

  • 3 De isolerende voorziening, bedoeld in het eerste lid onder a of b, wordt beschermd tegen aantasting door de IBC-bouwstof door een diffusieremmende laag van bitumenemulsie in een hoeveelheid van 4 kg/m2 of door kunststoffolie met een laagdikte van ten minste 0,5 mm en een tolerantie op die dikte van 5% volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten en werkvoorschrift, bedoeld in bijlage D.

  • 4 Indien de isolerende voorziening, bedoeld in het eerste lid onder a of b, l wordt toegepast in een wegenbouwkundige constructie, wordt deze beschermd tegen aantasting door strooizouten door kunststoffolie, volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten, bedoeld in bijlage D.

  • 5 Indien een IBC-bouwstof als wegfunderingsmateriaal wordt toegepast, functioneert in afwijking van het eerste lid de vloeistofdichte wegverharding, aangelegd volgens de voorschriften in de daarvoor geldende normdocumenten, bedoeld in categorie 1 van bijlage C, als isolerende voorziening. Overeenkomstig de schone-schouderconstructie, bedoeld in CROW-publicatie 125, wordt hierbij een bouwstof, niet-zijnde een IBC-bouwstof, aangebracht onder de randen van de wegverharding over een breedte gelijk aan de dikte van de IBC-bouwstof in de fundering en met een minimumbreedte van 0,30 meter.

  • 6 Indien een IBC-bouwstof als funderingsmateriaal onder bebouwing wordt toegepast, functioneert, in afwijking van het eerste lid, de vloeistofdichte bebouwing inclusief de randbalken van de bebouwing als isolerende voorziening.

  • 7 De constructie waarin een IBC-bouwstof wordt toegepast, wordt zodanig ontworpen dat infiltrerend regenwater zonder stagnatie wordt afgevoerd door:

    • a. een doorlatende afdeklaag op de afdichting die bestaat uit een laag zand met een dikte van minimaal 0,25 meter en een permeabiliteitcoëfficiënt van 1,4 x 10 macht -4 m/s of een hieraan gelijkwaardige drainagevoorziening of -systeem;

    • b. een zodanig afschot dat deze na de eindzetting, bedoeld in artikel 3.9.1, tweede lid, ten minste 2% dakprofiel bedraagt, en

    • c. een bodem waarin het afstromende water voldoende kan infiltreren.

  • 8 De materialen, bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid, worden zodanig gekozen en toegepast dat deze gedurende de levensduur van het werk volledig hun functie kunnen vervullen.

  • 9 Een tijdelijke isolerende voorziening wordt aangebracht, indien:

    • a. de in het eerste lid genoemde termijn niet wordt gehaald;

    • b. gedurende ten minste zeven dagen in het werk geen IBC-bouwstoffen worden aangebracht of verwijderd.

  • 10 Voor de tijdelijke isolerende voorziening geldt bij toepassing en beheer de maximaal toegestane lekkage bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.9.3. Drooglegging

  • 1 Het ontwerppeil van het grondwater wordt vastgesteld op het niveau van het maaiveld door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 2 Indien de IBC-bouwstof wordt toegepast in een gebied, dat wordt gekenmerkt door grondwatertrap VII of hoger, kan in afwijking van het eerste lid het ontwerppeil van het grondwater worden vastgesteld door:

    • a. de grondwaterstand te bepalen ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil in de dichtstbijzijnde peilbuis van een landelijk meetnet die in 99% van de waarnemingen wordt onderschreden;

    • b. een representatief aantal peilbuizen te plaatsen op de toepassingslocatie en gedurende ten minste drie maanden de grondwaterstand te meten ten opzichte van NAP op of rond de 14e en 28e dag van de maand, en

    • c. de grondwaterstand, bedoeld onder a, te vermeerderen met het verschil tussen de gemiddelde grondwaterstand op de toepassingslocatie en die , bedoeld onder a,tenzij het verschil negatief is.

  • 3 Indien de grondwaterstand op de toepassingslocatie voor de duur van het werk wordt gekenmerkt door een aantoonbaar beheerst regime van een oppervlaktewaterlichaam, wordt het daarbij horende grondwaterpeil, vermeerderd met een zekerheidsmarge van 0,20 meter, aangehouden als het ontwerppeil van het grondwater. Het op de toepassingslocatie te verwachten grondwaterpeil wordt onderbouwd door middel van een grondwatermodellering.

  • 4 Bij de vaststelling, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt rekening gehouden met wateroverlast die zich vaker kan voordoen dan eens in de honderd jaar en met de verwachte klimaatontwikkeling tot 50 jaar na afronding van het werk

  • 5 De onderzijde van de IBC-bouwstof wordt op een zodanige wijze aangelegd, dat deze na de eindzetting, bedoeld in artikel 3.9.1, tweede lid, ten minste 0,50 meter boven het ontwerppeil van het grondwater ligt en er geen contact is met het grondwater als gevolg van capillaire opstijging uit het grondwater.

Artikel 3.9.4. Beheers- en controlemaatregelen

  • 1 Voor het monitoren van de stand en de kwaliteit van het grondwater worden peilbuizen aangebracht. Het aantal peilbuizen tot 50.000 m3 IBC-bouwstof bedraagt ten minste één bovenstrooms en twee benedenstrooms van het werk. Per 50.000 m3 IBC-bouwstof extra wordt hieraan ten minste één peilbuis bovenstrooms en twee benedenstrooms toegevoegd.

  • 2 Voor het monitoren van de zetting tijdens de aanleg van het werk worden voorzieningen aangebracht.

  • 3 Een beheers- en controleplan wordt opgesteld, dat een omschrijving bevat van:

    • a. de manier waarop tijdens de aanleg en het gebruik van het werk wordt voldaan aan de beheers- en controlemaatregelen;

    • b. de manier waarop geconstateerde afwijkingen worden afgehandeld;

    • c. de manier waarop de in bijlage I onder de checklist beheer opgenomen aspecten, worden beheerd en gecontroleerd, en

    • d. de controlewerkzaamheden, genoemd in de artikelen 3.9.7 en 3.9.8.

  • 4 Het beheers- en controleplan moet worden goedgekeurd door een daartoe deskundig bedrijf.

Artikel 3.9.5. Nulonderzoek

  • 1 Alvorens de IBC-bouwstof wordt toegepast, wordt een nulonderzoek uitgevoerd op de bodem, inclusief het grondwater, volgens het daarvoor geldende protocol, bedoeld in bijlage D.

  • 2 Het nulonderzoek bestaat uit veldwerk en analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek van de daaruit verkregen monsters.

Artikel 3.9.6. Uitvoering

  • 1 De isolerende voorzieningen worden conform ontwerp aangebracht door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 2 Bij de uitvoering van het werk zijn afwijkingen ten opzichte van het ontwerp als bedoeld in artikel 3.9.1 uitsluitend toegestaan, indien deze:

    • a. minimaal een gelijkwaardige milieubescherming bieden als het ontwerp;

    • b. voor het toepassen worden gemeld aan Onze Minister, en

    • c. zijn goedgekeurd volgens het daarvoor geldende toetsingskader bedoeld in bijlage D door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 3 Degene die de IBC-bouwstof heeft toegepast, meldt het gereedkomen van het werk, alsmede afwijkingen van het ontwerp als bedoeld in artikel 3.9.1 ingeval die bij een latere controle blijken, binnen veertien dagen aan Onze Minister.

  • 4 Degene die de IBC-bouwstof heeft toegepast bewaart en registreert voor de levensduur van het werk ten minste:

    • a. een overzicht van het ontwerp;

    • b. de afwijkingen ten opzichte van het ontwerp;

    • c. een tekening van de uiteindelijke situatie, en

    • d. andere gegevens waaruit kan worden afgeleid of is voldaan aan de gestelde eisen.

Artikel 3.9.7. Controle zetting

  • 1 Degene die de bouwstof toepast meet vanaf het moment dat de eerste laag IBC-bouwstof wordt aangebracht tot de voltooiing van het werk, de zetting daarvan.

  • 3 Indien uit de bijgestelde berekende eindzetting blijkt dat niet wordt voldaan aan artikel 3.9.3, eerste lid, meldt de toepasser dit binnen veertien dagen aan Onze Minister.

Artikel 3.9.8. Controle grondwater

  • 1 Vanaf het moment dat de eerste laag IBC-bouwstof wordt aangebracht, wordt:

    • a. de afstand tussen de onderkant van de IBC-bouwstof en het grondwater jaarlijks gecontroleerd door middel van veldwerk ter vaststelling van de grondwaterstand in de periode dat deze maximaal is en de hoogteligging van de onderkant van de IBC-bouwstof;

    • b. de kwaliteit van het grondwater eenmaal in de twee jaar bepaald door middel van veldwerk waarbij het grondwater wordt bemonsterd en geanalyseerd;

    • c. de staat waarin het werk verkeert jaarlijks gecontroleerd aan de hand van de checklist in bijlage I door een daartoe deskundig bedrijf.

  • 2 De resultaten van de controle, bedoeld in het vorige lid, worden elke twee jaar gemeld aan Onze Minister. Indien sprake is van een afwijking wordt dit direct aan Onze Minister gemeld.

  • 3 Indien na drie jaar is gebleken dat de in het eerste lid onder a genoemde afstand nooit kleiner is geweest dan 1,0 meter, vervalt de betreffende controleverplichtingen.

  • 4 Indien na zes jaar is gebleken dat de kwaliteit van het grondwater niet is gewijzigd, kan met instemming van het bevoegd gezag de frequentie van de verplichting bedoeld in het eerste lid, onder b, worden verlaagd.

Artikel 3.9.10. Verwijderen IBC-bouwstof

  • 1 Indien een isolerende voorziening wordt verwijderd, wordt de IBC-bouwstof dat niet meer is afgedicht binnen zes weken volledig verwijderd. Hierbij geldt artikel 3.9.2, negende lid, onder b.

  • 2 Indien een werk of deel van een werk waarin een IBC-bouwstof is toegepast is verwijderd, wordt de bodemkwaliteit onderzocht volgens het daarvoor geldende protocol , bedoeld in bijlage D.

  • 3 Uiterlijk binnen twee maanden na het verwijderen van de IBC-bouwstof, wordt Onze Minister in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Indien bij het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, een bodemverontreiniging aantoont als gevolg van het toepassen van de IBC-bouwstof, wordt de oorspronkelijke bodemkwaliteit hersteld, zoals die is vastgesteld op grond van artikel 3.9.5.

  • 5 Het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit veldwerk en analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek van de daaruit verkregen monsters van de bodem.

Paragraaf 3.10. Gelijkwaardigheid

Artikel 3.10.2

De verklaring behorende bij de ontheffing, bedoeld in artikel 31, eerste lid van het besluit, waaruit blijkt dat ten minste dezelfde mate van bescherming van de bodem wordt geboden als is beoogd met de betrokken eis, stellen Onze Ministers vrij beschikbaar via de website van Bodem+.

Paragraaf 3.11. Mijnsteen

Artikel 3.11.2

De kwaliteit van mijnsteen die afkomstig is uit een herkomstgebied als bedoeld in artikel 3.11.1, eerste lid, en wordt toegepast in een toepassingsgebied als bedoeld in het tweede lid van dat artikel wordt vastgesteld door middel van een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 4.3.3 of 4.3.4, tweede lid.

Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 4.1. Bepaling of een materiaal kan worden aangemerkt als grond of baggerspecie

Artikel 4.1.1. Bepalen hoeveelheid

  • 1 Het percentage organisch stof in grond of baggerspecie wordt bepaald volgens NEN 5754.

  • 2 De hoeveelheid minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en de van nature in de bodem en bodem of oever van een oppervlaktelichaam voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter in grond of baggerspecie worden bepaald volgens NEN 5753 en NEN 5104.

  • 3 Van nature in de bodem en bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voorkomende massa schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter wordt niet betrokken bij de bepaling van de gehalten. De gehalten voor het toetsen aan de maximale waarden dienen gebaseerd te worden op het totaal, zijnde de gemeten gehalten, inclusief schelpen en grind.

Paragraaf 4.2. Vaststellen overschrijding van waarden voor grond of baggerspecie

Artikel 4.2.1. Correctie lutum en organische stof

  • 1 De waarden worden voor lutum en organisch stof gecorrigeerd volgens de rekenregels in bijlage G, onder I, om te bepalen of de kwaliteit van de grond of baggerspecie, die volgens het generieke kader of het kader voor grootschalige toepassingen op of in de bodem wordt toegepast, een van de volgende waarden overschrijdt:

    • a. de achtergrondwaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B;

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen of industrie, bedoeld in tabel 1 van bijlage B;

    • c. de emissietoetswaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B.

  • 2 De gemeenteraad kan besluiten dat de lokale maximale waarden voor lutum en organische stof worden gecorrigeerd volgens de rekenregels in bijlage G, onder II, om te bepalen of de kwaliteit van de grond of baggerspecie, die volgens het gebiedsspecifieke kader op of in de bodem wordt toegepast, de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, overschrijdt.

  • 3 De gemeten gehalten worden voor lutum en organisch stof gecorrigeerd, volgens de rekenregels in bijlage G, onder III, om te bepalen of de kwaliteit van de grond of baggerspecie, die wordt toegepast in een oppervlaktewaterlichaam, een van de volgende waarden overschrijdt:

    • a. de achtergrondwaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B;

    • b. de maximale waarden voor kwaliteitsklasse A, bedoeld in tabel 2 van bijlage B;

    • c. de maximale waarden voor kwaliteitsklasse B, zijnde de interventiewaarden voor de bodem of oever van oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in tabel 2 van bijlage B,

    • d. de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit;

    • e. de emissietoetswaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B.

  • 4 In afwijking van het derde lid, worden de gemeten gehalten voor lutum en organisch stof gecorrigeerd volgens de rekenregels in onderdeel III van bijlage G, om te bepalen of de kwaliteit van de baggerspecie, die wordt toepast als bedoeld in artikel 35 onder f, g en i van het besluit, een van de volgende waarden overschrijdt:

    • a. de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel, bedoeld in tabel 1 van bijlage B;

    • b. de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in tabel 2 van bijlage B. Voor stoffen waarvoor geen maximale waarde is opgenomen geldt artikel 4.2.2, vierde en vijfde lid.

Artikel 4.2.2. Overschrijding van waarden

  • 2 De kwaliteit van baggerspecie overschrijdt de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie in een zout oppervlaktewaterlichaam, indien voor een of meer van de gemeten stoffen het rekenkundig gemiddelde gehalte hoger is dan deze waarden.

  • 3 De kwaliteit van baggerspecie overschrijdt de waarden, bedoel in artikel 4.2.1, vierde lid, onder a, indien :

    • a. het rekenkundige gemiddelde van de gehalten in de baggerspecie voor een of meer stoffen, waarvoor maximale waarden gelden voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel, hoger is dan deze waarden;

    • b. het rekenkundig gemiddelde voor organische stoffen die deel uitmaken van het stoffenpakket dat wordt ingevoerd voor de berekening van de msPAF de msPAF 20% of hoger is, of indien het rekenkundig gemiddelde voor metalen de msPAF 50% of hoger is;

    • c. voor stoffen, niet zijnde stoffen bedoeld onder a of b, de kwaliteit van de baggerspecie de achtergrondwaarden overschrijdt, met inachtneming van de toetsingsregel, bedoeld in het vierde en vijfde lid.

  • 4 De kwaliteit van grond of baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarden, bedoeld in de tabellen 1 en 2 in bijlage B, indien ten opzichte van de achtergrondwaarden:

    • a. bij meting van ten minste 2 stoffen het rekenkundig gemiddelde gehalte van maximaal 1 stof verhoogd is;

    • b. bij meting van ten minste 7 stoffen de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 2 stoffen verhoogd zijn;

    • c. bij meting van ten minste 16 stoffen in de grond of baggerspecie de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 3 stoffen verhoogd zijn;

    • d. bij meting van ten minste 27 stoffen de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 4 stoffen verhoogd zijn;

    • e. bij meting van ten minste 37 stoffen de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal 5 stoffen verhoogd zijn.

  • 5 Een verhoging als bedoeld in het vierde lid bedraagt per stof ten hoogste twee maal de daarvoor geldende achtergrondwaarde en overschrijdt niet de daarvoor geldende maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse wonen.

  • 6 De grond of baggerspecie overschrijdt de maximale waarden voor de emissie, bedoeld in tabel 1 en 2 van bijlage B, indien voor één of meer stoffen de gemeten emissie van een representatief deelmonster hoger is dan de desbetreffende maximale waarden.

  • 7 Bij het vaststellen van een overschrijding van de waarden, bedoeld in dit artikel, worden de regels in bijlage G, onder IV toegepast.

  • 8 In afwijking van het vijfde lid vinden voor de stoffen nikkel (Ni) en PCB’s (som 7) geen toetsingen plaats aan de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklasse wonen.

Artikel 4.2.3. Kengetal in bodemkwaliteitszone

  • 2 Het kengetal, bedoeld in het vorige lid, is voor alle onderzochte stoffen gelijk aan of hoger dan het rekenkundig gemiddelde gehalte van de stof in de bodemkwaliteitszone.

  • 3 De kwaliteit van grond of baggerspecie overschrijdt de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, indien voor een of meer van de gemeten stoffen het kengetal in de bodemkwaliteitszone waarvan de grond of baggerspecie afkomstig is, hoger is dan de lokale maximale waarden.

  • 4 De kwaliteit van grond of baggerspecie overschrijdt de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 4.2.1, derde lid onder d, indien voor een of meer van de gemeten stoffen het kengetal in de bodemkwaliteitszone waarvan de grond of baggerspecie afkomstig is, hoger is dan de lokale maximale waarden.

Paragraaf 4.3. Milieuhygiënische verklaringen

Artikel 4.3.1. Splitsen van partijen

  • 1 Na splitsing van een partij kan voor de deelpartijen gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaring voor de oorspronkelijke partij, mits het volgende wordt vastgelegd in de administratie:

    • a. de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij,

    • b. de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en

    • c. de datum waarop de splitsing is uitgevoerd.

  • 2 Na splitsing van een partij die niet voldoet aan de achtergrondwaarden, opgenomen in de tabellen 1 en 2 in bijlage B, kan voor de deelpartijen gebruik worden gemaakt van de milieuhygiënische verklaring voor de oorspronkelijke partij, mits het volgende wordt aangegeven op het meldingsformulier:

    • a. de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij,

    • b. de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en

    • c. de datum waarop de splitsing is uitgevoerd.

  • 3 Degene die de splitsing laat uitvoeren, is verantwoordelijk voor het gestelde in het eerste en het tweede lid.

Artikel 4.3.2. Samenvoegen van partijen

  • 1 Het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie tot een partij die groter is dan 25m3, is uitsluitend toegestaan indien deze:

    • a. in dezelfde bodemkwaliteitsklasse zijn ingedeeld, en

    • b. zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning.

  • 2 Bij het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie vervallen de milieuhygiënische verklaringen voor de oorspronkelijke partijen en verstrekt de persoon of instelling die de partijen heeft samengevoegd daarvoor een milieuhygiënische verklaring.

  • 3 Voor het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie die kleiner zijn dan 100 ton, is het toegestaan om in afwijking van het eerste lid, onder a, partijen grond of baggerspecie van verschillende of onbekende bodemkwaliteitsklassen samen te voegen overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500.

Artikel 4.3.3. Partijkeuringen

  • 1 Voor een partijkeuring geldt dat:

    • a. de grootte van de partij maximaal 10.000 ton bedraagt;

    • b. monsters worden genomen die uit ten minste 100 aselect of systematisch als punten van een regelmatig raster over de hele partij genomen grepen bestaan;

    • c. De grepen worden evenredig verdeeld over ten minste twee te analyseren mengmonsters.

  • 2 Bij toepassingen als bedoeld in artikel 63 van het Besluit:

    • a. wordt de emissie bepaald door middel van de kolomproef volgens NEN 7373 of NEN 7383 aan de hand van ten minste één mengmonster, zoals bedoeld in het eerste lid, onder c;

    • b. wordt, indien bij de kolomproef door slechte doorlatendheid van het onderzochte materiaal onvoldoende vloeistof door de kolom stroomt, de emissie berekend aan de hand van de formule in Bijlage K; en

    • c. gelden, indien de emissie, bedoeld onder b, kleiner is dan L/S=2, voor het desbetreffende materiaal geen maximale emissiewaarden.

  • 3 De uitkomst van de partijkeuring wordt vastgelegd in een milieuhygiënische verklaring, die ten minste de volgende gegevens bevat:

    • a. de naam en het adres van de monsternemer en van het laboratorium;

    • b. de data waarop monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse zijn uitgevoerd;

    • c. een verwijzing naar de gebruikte normdocumenten en methoden, en een onderbouwing van eventuele afwijkingen hiervan, indien deze het analyseresultaat kunnen beïnvloeden;

    • d. het volledig ingevulde monsternemingsformulier en monsternemingsplan of een kopie daarvan;

    • e. een beschrijving van de partij, waaronder ligging, kenmerken en partijgrootte;

    • f. het analyserapport van het laboratorium, inclusief de rekenkundige gemiddelden van de gemeten gehalten en indien van toepassing de gemeten emissies, een onderbouwing van de gekozen parameters, en de verhouding tussen de meetwaarden en daaruit voortvloeiende conclusies;

    • g. een uniek nummer.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, onder a, geldt voor de bepaling van het gehalte aan asbest in de bodem en partijen grond overeenkomstig NEN 5707, een maximale partijgrootte van 2.000 ton.

  • 5 In afwijking van het eerste lid, onder b, kunnen monsters die zich bevinden onder een verhardingslaag of een diepe bodemlaag overeenkomstig VKB-protocol 1001 worden genomen.

  • 6 In afwijking van het eerste lid, onder b, worden monsters die worden genomen ten behoeve van onderzoek naar vluchtige verbindingen genomen overeenkomstig de werkwijze die daarvoor is beschreven is in VKB-protocol 1001.

  • 7 In afwijking van het eerste lid, onder c, worden monsters die worden geanalyseerd ten behoeve van onderzoek naar vluchtige verbindingen geanalyseerd volgens de werkwijze die daarvoor is beschreven is in AP04-SG.

Artikel 4.3.4. Bodemonderzoek

  • 1 Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de bodem, mits deze voldoen aan de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740, voor:

    • a. een onverdachte locatie;

    • b. een grootschalig onverdachte locatie;

    • c. een onbekende bodembelasting;

    • d. de toetsing of er sprake is van een schone bodem;

    • e. de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;

    • f. de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

  • 2 Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen grond, mits deze voldoen aan de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740, voor:

    • a. de toetsing of sprake is van schone bodem;

    • b. de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties;

    • c. de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

  • 3 Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van baggerspecie en de bodem onder oppervlaktewater, mits deze voldoen aan het toepassinggebied, bedoeld in NEN 5720.

  • 4 Bodemonderzoek is niet noodzakelijk voor het verspreiden van baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder f en i, van het besluit, indien deze niet afkomstig is van oppervlaktewateren in de gebieden:

    • a. die zijn bebouwd, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden;

    • b. waar regelmatig beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt;

    • c. waar geloosd wordt na de laatste keer dat er is gebaggerd;

    • d. grenzend aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het betreft bermsloten op een afstand van ten minste 15 meter waarin de wegriolering niet loost;

    • e. met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout;

    • f. waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze niet voldoen aan de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder f en i, van het besluit, of

    • g. die niet zijn aangegeven in een beheerplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet.

  • 5 Bij bodemonderzoeken als bedoeld in het eerste en derde lid kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, die zich bevindt op 0,5 meter en dieper onder het maaiveld, achterwege blijven.

Artikel 4.3.5. Bodemkwaliteitskaart

  • 2 Het bevoegd gezag zendt de geografische bronbestanden van een kaart als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk twee maanden na vaststelling aan Bodem+.

  • 3 Op grond van een bodemkwaliteitskaart kan een milieuhygienische verklaring worden afgegeven van:

    • a. de kwaliteit van de bodem;

    • b. de grond of baggerspecie.

  • 4 Het bepaalde in het vorige lid, onder b, geldt alleen, indien:

    • a. de toepassingslocatie en de plaats van herkomst van de grond of baggerspecie gelegen zijn binnen het gebied waarop de bodemkwaliteitskaart betrekking heeft, of

    • b. de grond of baggerspecie afkomstig is van een bodembeheergebied, dat op grond van artikel 47 van het besluit als basis kan dienen voor milieuhygiënische verklaringen, en daarbinnen wordt toegepast, en

    • c. voor alle gemeten stoffen de P95 van de bodemkwaliteitszone van de plaats van herkomst van de grond of baggerspecie op de toepassingslocatie niet leidt tot een overschrijding van de waarden, bedoeld in artikel 44, tweede lid, onder c, hetgeen wordt berekend met behulp van de risicomodule, bedoeld in artikel 4.8.1,

Artikel 4.3.6

Voor het verkrijgen van een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie is paragraaf 3.6 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bouwstof, grond of baggerspecie moet worden gelezen. Hierbij wordt volgens paragraaf 4.2 vastgesteld of, in afwijking van artikel 3.6.1, tweede lid, sprake is van overschrijding van de in de tabellen 1 en 2 van bijlage B opgenomen waarden en de partijkeuring is uitgevoerd volgens artikel 4.3.3, eerste, tweede en vierde lid.

Artikel 4.3.7. Fabrikant-eigenverklaringen

Voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring voor grond of baggerspecie door een producent is paragraaf 3.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bouwstof grond of baggerspecie moet worden gelezen. Hierbij wordt volgens paragraaf 4.2 vastgesteld of, in afwijking van artikel 3.5.1, eerste lid, sprake is van overschrijding van de in de tabellen 1 en 2 in bijlage B opgenomen waarden en de partijkeuring uitgevoerd volgens artikel 4.3.3, eerste, tweede en vierde lid.

Paragraaf 4.4. Bodemkwaliteitsklassen

Artikel 4.4.1. Kwaliteitsklassen grond of baggerspecie

  • 1 De kwaliteit van de grond of baggerspecie die op of in de bodem wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse wonen’, indien deze:

    • a. de achtergrondwaarden overschrijdt, en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt.

  • 2 De kwaliteit van de grond of baggerspecie die op of in de bodem wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse industrie’, indien deze:

    • a. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen overschrijdt, en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse industrie niet overschrijdt.

  • 3 De kwaliteit van grond of baggerspecie die op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse A’, indien deze:

    • a. de achtergrondwaarden overschrijdt en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt.

  • 4 De kwaliteit van grond of baggerspecie die op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam wordt toegepast, wordt uitgedrukt in de ‘kwaliteitsklasse B’, indien deze:

    • a. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse A overschrijdt en

    • b. de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse B niet overschrijdt.

  • 5 De indeling in de kwaliteitsklassen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, is gebaseerd op de milieuhygiënische verklaring van de grond of baggerspecie.

  • 6 Grond of baggerspecie die de interventiewaarden overschrijdt, wordt niet in een kwaliteitsklasse ingedeeld.

Paragraaf 4.5. Stoffenpakket

Artikel 4.5.1. Stoffenpakket

  • 1 De milieuhygiënische verklaring van de toe te passen grond of baggerspecie of van de bodem op de toepassingslocatie, geeft aan:

    • a. voor welke stoffen de kans op overschrijding van de achtergrondwaarden hoger is dan 5%,

    • b. welke stoffen van natuurlijke oorsprong of vanwege het gebruik de achtergrondwaarden overschrijden, en kunnen voorkomen in het gebied waar de grond of baggerspecie van afkomstig is;

    • c. de emissie van de stoffen waarvan de kans op overschrijding van de maximale emissiewaarden hoger is dan 5% voor toepassingen als bedoeld in artikel 63 van het besluit, tenzij wordt voldaan aan artikel 4.12.1, tweede of derde lid.

  • 2 Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op baggerspecie van oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het Rijk, indien de baggerspecie daarin wordt toegepast.

Afdeling 2. Gebiedsspecifiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Paragraaf 4.7. Bodemfuncties

Artikel 4.7.1. Bodemfuncties

De bodemfuncties worden als volgt ingedeeld:

  • a. wonen met tuin;

  • b. plaatsen waar kinderen spelen;

    • i. met een gemiddelde ecologische waarde;

    • ii. met weinig ecologische waarde.

  • c. moestuinen en volkstuinen:

    • i. grote moestuinen: grote stads- en dorpstuinen en boerderijtuinen met een grote hoeveelheid gewasteelt;

    • ii. kleinere moestuinen: grote stads- en dorpstuinen met een redelijke hoeveelheid gewasteelt.

  • d. landbouw;

  • e. natuur;

  • f. groen met natuurwaarden;

  • g. ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie:

    • i. nagenoeg geheel verhard;

    • ii. niet nagenoeg geheel verhard.

Paragraaf 4.8. Gevolgen lokale maximale waarden

Artikel 4.8.1. Methode voor bepalen gevolgen lokale maximale waarden

  • 1 Het bevoegd gezag bepaalt de gevolgen, bedoeld in de artikelen 47, onder d, en 48, onder c, van het besluit, met de risicomodule ‘gevolgen lokale maximale waarden’ van de Risicotoolbox Bodembeheer, aangeboden als webapplicatie op www.risicotoolboxbodem.nl, indien:

    • a. de lokale maximale waarden hoger zijn dan:

      • 1°. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse van het bodembeheergebied;

      • 2°. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse van de bodem van het bodembeheergebied, of

      • 3°. de achtergrondwaarden, indien de kwaliteit van de bodem in het bodembeheergebied de achtergrondwaarden niet overschrijdt of

      • 4°. de maximale waarden van de kwaliteitsklasse van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam in het bodembeheergebied of

      • 5°. de achtergrondwaarden, indien de kwaliteit van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam in het bodembeheergebied de achtergrondwaarden niet overschrijdt

  • 2 De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, worden afgeleid van ten minste de volgende gegevens:

    • a. de lokale maximale waarden, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit;

    • b. de fractie organisch stof en lutum van de bodem in het bodembeheergebied;

    • c. de zuurgraad van de bodem in het bodembeheergebied.

  • 3 De risicomodule maakt uitsluitend gebruik van de formularia van de volgende risicomodellen:

    • a. CSOIL 2000_RTB_1.0,

    • b. AgroRisk_RTB_1.0,

    • c. EcoRisk_RTB_1.0,

    • d. Sanscrit 1.01, en

    • e. Risicotoolbox waterbodems 2.0.

  • 4 De risicomodule bepaalt bij een kwaliteit van de bodem op het niveau van de lokale maximale waarden de gevolgen van het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem voor de bodemfuncties, bedoeld in artikel 4.7.1, en in een oppervlaktewaterlichaam voor het actuele gebruik van een oppervlaktewaterlichaam.

  • 5 De risicomodule deelt de gevolgen als volgt in:

    • a. de bodem in het bodembeheergebied is blijvend geschikt voor alle actuele of toekomstige bodemfuncties of het actuele of toekomstige gebruik van een oppervlaktewaterlichaam in het betreffende gebied,

    • b. bij de actuele of toekomstige bodemfuncties of het actuele of voorgenomen gebruik van een oppervlaktewaterlichaam in het bodembeheergebied, kan sprake zijn van overschrijding van de waarden, bedoeld in artikel 44, tweede lid, sub c, van het besluit, of

    • c. er is noch sprake van uitkomst a, noch van uitkomst b.

  • 6 De risicomodule genereert een rapportage van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, en de gevolgen, bedoeld in het vijfde lid.

Afdeling 3. Generiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Paragraaf 4.9. Bodemfunctieklassen voor toepassing op of in de bodem

Paragraaf 4.10. Vaststelling kwaliteitsklassen van de bodem

Artikel 4.10.2. Vaststellen kwaliteitsklassen van de bodem

  • 1 Voor het vaststellen van de kwaliteitsklasse van de bodem wordt een correctie op de gemeten gehalten voor lutum en organisch stof uitgevoerd volgens de rekenregels in onderdeel I van bijlage G.

  • 2 De bodem wordt uitgedrukt in de kwaliteitsklasse wonen, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de achtergrondwaarden overschrijden, maar niet de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen. Om te bepalen of er sprake is van een overschrijding van de achtergrondwaarden is artikel 4.2.2, vierde, vijfde en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen, indien ten opzichte van de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen:

    • a. bij meting van ten minste 7 stoffen maximaal 2 stoffen verhoogd zijn;

    • b. bij meting van ten minste 16 stoffen maximaal 3 stoffen verhoogd zijn;

    • c. bij meting van ten minste 27 stoffen maximaal 4 stoffen verhoogd zijn;

    • d. bij meting van ten minste 37 stoffen maximaal 5 stoffen verhoogd zijn.

  • 4 Een verhoging als bedoeld in het tweede lid bedraagt per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen voor die stof, vermeerderd met de daarvoor geldende achtergrondwaarde en de gehalten van alle verhoogde stoffen de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse industrie niet overschrijden.

  • 5 De bodem wordt uitgedrukt in de kwaliteitsklasse industrie, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen overschrijden, maar niet de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 4.10.3. Vaststellen kwaliteitsklassen van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam

  • 1 Voor het vaststellen van de kwaliteitsklasse van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam wordt een correctie op de gemeten gehalten lutum en organisch stof uitgevoerd volgens de rekenregels in onderdeel III van bijlage G.

  • 2 De bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam wordt uitgedrukt in kwaliteitsklasse A, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de achtergrondwaarden overschrijden, maar niet de maximale waarden voor kwaliteitsklasse A. Om te bepalen of er sprake is van een overschrijding van de achtergrondwaarden is artikel 4.2.2, vierde, vijfde en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 3 De bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam wordt uitgedrukt in kwaliteitsklasse B, indien de rekenkundige gemiddelden van de gehalten van de gemeten stoffen in de bodem of in de bodemkwaliteitszone de maximale waarden voor kwaliteitsklasse A overschrijden, maar niet de maximale waarden voor kwaliteitsklasse B.

Paragraaf 4.11. Maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie

Artikel 4.11.1. Maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie

  • 1 De tabellen 1 en 2 van bijlage B bevatten de maximale waarden voor:

    • a. het verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel,

    • b. het verspreiden van baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam;

    • c. het verspreiden van baggerspecie in een zout oppervlaktewaterlichaam, en

    • d. het tijdelijk opslaan van baggerspecie op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.

  • 2 Bij de toetsing aan de maximale waarden, bedoeld in het eerste lid, onder c, mogen de gehalten van de gemeten stoffen voor ten hoogste twee niet-prioritaire stoffen hoger zijn dan de maximale waarden, waarbij de verhoging per stof ten hoogste 50% ten opzichte van de maximale waarde voor verspreiding van baggerspecie in zout water bedraagt.

  • 3 De stoffen behorend tot de groep van de PCB’s zijn uitgezonderd van het tweede lid.

Afdeling 4. Toetsingskader voor grootschalige toepassingen

Paragraaf 4.12. Grootschalige toepassingen

Artikel 4.12.1. Maximale emissiewaarden

  • 1 Bij toepassingen als bedoeld in artikel 63 van het besluit, overschrijdt de emissie van de grond of baggerspecie niet:

    • a. de maximale emissiewaarden, bedoeld in tabel 1 van bijlage B, indien het toepassingen op of in de bodem betreft;

    • b. de maximale emissiewaarden, bedoeld in tabel 2 van bijlage B, indien het toepassingen op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam betreft.

  • 2 Aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt voldaan, indien de rekenkundig gemiddelde gehalten van de gemeten stoffen in de grond of baggerspecie de emissietoetswaarden, bedoeld in tabel 1 van bijlage B, niet overschrijden.

  • 3 Aan het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt voldaan, indien:

    • a. de rekenkundig gemiddelde gehalten van de gemeten stoffen in de grond of baggerspecie de emissietoetswaarden, bedoeld in tabel 2 van bijlage B, niet overschrijden, of

    • b. de toepassing zich onder het waterniveau bevindt en is gelegen binnen het beheergebied van de waterkwaliteitsbeheerder waarvan de baggerspecie afkomstig is.

Paragraaf 4.13. Vaststellen overschrijding van waarden

Artikel 4.13.1. Onderzoek in het kader van de handhaving

  • 2 Er is sprake van een overtreding van artikel 37, eerste lid van het besluit, indien het in het eerste lid bedoelde onderzoek uitwijst dat de maximale waarden, bedoeld in artikel 4.2.2, met ten minste een factor 1,4 worden overschreden, ongeacht de variatie in het onderzoeksresultaat ten gevolge van de mate van heterogeniteit van de partij.

Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen

Paragraaf 5.1. Overgangsbepalingen

Artikel 5.1.7. Tijdelijke regeling voor tarragrond

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder tarragrond verstaan: aanhangende grond die vrijkomt bij het behandelen van aardappelen na de oogst.

  • 2 Tot 1 januari 2015 gelden de achtergrondwaarden en de maximale waarden voor de bodemfunctieklassen wonen en industrie voor de stof monochlooranilinen (som), bedoeld in bijlage B, tabel 1, niet voor tarragrond, die verspreid wordt over landbouwgrond, daarbij inbegrepen grasland.

  • 3 De toegepaste tarragrond is schoon en onverdacht en bevat geen toevoegingen, met uitzondering van anti-schuimmiddelen en chloorprofam.

Artikel 5.1.8. Fasering maximale waarden bouwstoffen

  • 1 De verhoging van de maximale samenstellingswaarde voor PAK’s (som) voor bitumenproducten, asfalt, asfaltbeton en asfaltgranulaat volgens artikel 3.3.3 jo. bijlage A, tabel 2, geldt tot 1 juli 2013, tenzij uit een onderzoeksprogramma blijkt dat:

    • a. de extra kosten als gevolg van de voorgestelde PAK-waarde onaanvaardbaar hoog zijn, of;

    • b. de benodigde analysetechniek niet voldoende uitvoerbaar blijkt.

  • 2 De verhoging van de maximale emissiewaarde voor sulfaat volgens artikel 3.3.3 jo. bijlage A, tabel 1, geldt tot 1 januari 2012, tenzij uit onderzoek blijkt dat de maximale waarde van 1730 mg/kg d.s. niet haalbaar is zonder onaanvaardbaar hoge kosten.

  • 3 De maximale samenstellingswaarden voor benzeen, ethylbenzeen, tolueen en xylenen (som) voor polymeerbeton, bedoeld in Bijlage A, tabel 2, gelden niet tot 1 januari 2016.

Artikel 5.1.9. Vrijstellingen van erkenningsverplichting

  • 6 Artikel 12 van het Besluit is niet van toepassing op de aanwijzingen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid en de erkenning, bedoeld in het elfde lid.

  • 13 Tot zes maanden na afloop van de in het eerste en tweede lid en zevende tot en met tiende lid, genoemde data geldt een vrijstelling van de verboden van artikel 15 van het besluit voor de in die leden genoemde werkzaamheden, die zijn aangevangen op een tijdstip dat is gelegen vóór de in die leden genoemde data.

Artikel 5.1.10. Toetsingsregel bouwstoffen

  • 1 In afwijking van artikel 3.3.3, eerste lid, geldt voor het hergebruik van bouwstoffen die voor de inwerkingtreding van het besluit reeds waren toegepast voor maximaal twee parameters een verhoogde maximale samenstellings- of emissiewaarde, mits de bouwstoffen zonder bewerking worden hergebruikt.

  • 2 Een verhoging als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten hoogste tweemaal de gestelde maximale waarde, zoals opgenomen in bijlage A.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de maximale samenstellingswaarde voor PAK’s (som) in asfaltproducten en voor asbest.

Artikel 5.1.11. Inwerkingtreding

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 13 december 2007

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.M. Cramer

De

Staatssecretaris

van Verkeer en Waterstaat,

J.C. Huizinga-Heringa

Bijlage A. , behorende bij paragraaf 3.3 van de Regeling bodemkwaliteit

Maximale samenstellings- en emissiewaarden bouwstoffen

Tabel 1. Maximale emissiewaarden anorganische parameters

Parameter

Vormgegeven

(E64d in mg/m2)

Niet-vormgegeven

(mg/kg d.s.)

IBC-bouwstoffen

(mg/kg d.s.)

antimoon (Sb)

8,7

0,16

0,7

arseen (As)

260

0,9

2

barium (Ba)

1.500

22

100

cadmium (Cd)

3,8

0,04

0,06

chroom (Cr)

120

0,63

7

kobalt (Co)

60

0,54

2,4

koper (Cu)

98

0,9

10

kwik (Hg)

1,4

0,02

0,08

lood (Pb)

400

2,3

8,3

molybdeen (Mo)

144

1

15

nikkel (Ni)

81

0,44

2,1

seleen (Se)

4,8

0,15

3

tin (Sn)

50

0,4

2,3

vanadium (V)

3201

1,81

20

zink (Zn)

800

4,5

14

bromide (Br)

6702

202

34

chloride (Cl)

110.0002

6161, 2

8.800

fluoride (F)

2.5002

552

1.500

sulfaat (SO4)

165.0002

1.7302, 3

20.000

1 In afwijking van de in tabel 1 opgenomen maximale emissiewaarden geldt bij toepassing van bouwstoffen in grote oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in bijlage O bij deze regeling een maximale waarde voor vanadium van 460 mg/m2 (vormgegeven) en 4,6 mg/kg droge stof (niet-vormgegeven), en voor chloride van 1070 mg/kg droge stof (niet-vormgegeven).

2 In afwijking van de in tabel 1 opgenomen maximale emissiewaarden, gelden bij de toepassing van bouwstoffen op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5.000 mg/l: a) geen maximale emissiewaarden voor chloride en bromide, en b) de in de tabel opgenomen maximale emissiewaarden voor fluoride en sulfaat vermenigvuldigd met een factor 4.

3 Voor een periode als opgenomen in artikel 5.1.8., tweede lid, geldt een maximale emissiewaarde van 2.430 mg/kg d.s.

Tabel 2. Maximale samenstellingswaarden organische parameters

Parameter

maximale waarde

(mg/kg d.s.)

Aromatische stoffen

 

benzeen

11

ethylbenzeen

1,251

tolueen

1,251

xylenen (som)

1,251, 7

fenol

1,252

   

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

 

naftaleen

53

fenantreen

203

antraceen

103

fluoranteen

353

chryseen

103

benzo(a)antraceen

403

benzo(a)pyreen

103

benzo(k)fluoranteen

403

indeno (1,2,3cd) pyreen

403

benzo(ghi)peryleen

403

PAK’s (som)

504, 7

   

Overige parameters

 

PCB’s (som)

0,57

minerale olie

5005

asbest

1006

1 deze maximale samenstellingswaarden gelden niet voor polymeerbeton voor een periode als opgenomen in artikel 5.1.8., derde lid, of voor bitumenproducten*1.

2 voor vormzand geldt een maximale waarde van 3,75 mg/kg droge stof.

3 deze maximale samenstellingswaarden gelden niet voor voor bitumenproducten*1, asfaltproducten*2 en granulaten*3.

4 voor bitumenproducten*1 en asfaltproducten*2 geldt een maximale samenstellingswaarde van 75 mg/kg d.s.voor PAK’s (som) voor een periode als opgenomen in artikel 5.1.8., eerste lid.

5 deze maximale samenstellingswaarde geldt niet voor rubberproducten*1, toegepast op of onder kunstgrasvelden, bitumenproducten*2 en asfaltproducten*3. Voor granulaten*4 en vormzand geldt een maximale waarde van 1.000 mg/kg droge stof.

  • *1 onder rubberproducten wordt verstaan: rubbergranulaat van personen- en be-drijfsautobanden (SBR-rubber), rubbergranulaat op basis van thermoplastisch-elastomeren (TPE) en rubbergranulaat op basis van elastomeren (EPDM) en functionele mengsels met rubbergranulaat;

  • *2 onder bitumenproducten wordt verstaan: bitumen dakbedekkings- en afdich-tingsmaterialen, vormgegeven bouwstoffen met een bitumen coating, en secundair bitumengranulaat dat zodanig is toegepast dat in de eindtoepassing een functionele constructie van samenhangend bitumengranulaat ontstaat;

  • *3 onder asfaltproducten wordt verstaan: asfalt, asfaltbeton, asfaltgranulaat en ci-vieltechnisch functionele mengsels met asfaltgranulaat;

  • *4 onder granulaten wordt verstaan: menggranulaat, hydraulisch menggranulaat, betongranulaat, metselwerkgranulaat brekerzeefzand en recyclingbrekerzand.

6 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

7 de definitie van de somparameters wordt gegeven in bijlage N.

*1 onder bitumenproducten wordt verstaan: bitumen dakbedekkings- en afdichtingsmaterialen, vormgegeven bouwstoffen met een bitumen coating, en secundair bitumengranulaat dat zodanig is toegepast dat in de eindtoepassing een functionele constructie van samenhangend bitumengranulaat ontstaat.

*2 onder asfaltproducten wordt verstaan: asfalt, asfaltbeton, asfaltgranulaat en civieltechnisch functionele mengsels met asfaltgranulaat.

*3 onder granulaten wordt verstaan: menggranulaat, hydraulisch menggranulaat, betongranulaat, metselwerkgranulaat brekerzeefzand en recyclingbrekerzand.

Bijlage B. , behorende bij hoofdstuk 4 van de Regeling bodemkwaliteit Achtergrondwaarden en maximale waarden voor grond en baggerspecie

Tabel 1. Normwaarden voor toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, voor de bodem waarop grond of bagger wordt toegepast en voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel (voor standaardbodem, in mg kg/ds).
 

Achtergrondwaarden

Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel2

Maximale waarden bodemfunctieklasse wonen

Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie

Maximale waarden grootschalige toepassingen op of in de bodem

 

Maximale waarden kwaliteitsklasse wonen

Maximale waarden kwaliteitsklasse industrie

Maximale emissiewaarden

Emissietoetswaarden

Stof (1)

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg ds

mg/kg

L/S 10

mg/kg ds

1. Metalen

antimoon (Sb)

4,0*

X

15

22

0,070

9

arseen (As)

20

X

27

76

0,61

42

barium (Ba)

 

X

       

cadmium (Cd)

0,60

X en 7,5

1,2

4,3

0,051

4,3

chroom (Cr)

55

X

62

180

0,17

180

kobalt (Co)

15

X

35

190

0,24

130

koper (Cu)

40

X

54

190

1,0

113

kwik (Hg)

0,15

X

0,83

4,8

0,49

4,8

lood (Pb)

50

X

210

530

15

308

molybdeen (Mo)

1,5*

X

88

190

0,48

105

nikkel (Ni)

35

X

39

100

0,21

100

tin (Sn)

6,5

X

180

900

0,093

450

vanadium (V)

80

X

97

250

1,9

146

zink (Zn)

140

X

200

720

2,1

430

             

2. Overige anorganische stoffen

chloride3

       

 

cyanide (vrij)4

3,0

 

3,0

20

nvt

nvt

cyanide (complex)5

5,5

 

5,5

50

nvt

nvt

thiocyanaten

6,0

 

6,0

20

nvt

nvt

             

3. Aromatische stoffen

benzeen

0,20*

 

0,20

1

nvt

nvt

ethylbenzeen

0,20*

 

0,20

1,25

nvt

nvt

tolueen

0,20*

 

0,20

1,25

nvt

nvt

xylenen (som)

0,45*

 

0,45

1,25

nvt

nvt

styreen (vinylbenzeen)

0,25*

 

0,25

86

nvt

nvt

fenol

0,25

 

0,25

1,25

nvt

nvt

cresolen (som)

0,30*

 

0,30

5

nvt

nvt

dodecylbenzeen

0,35*

 

0,35

0,35

nvt

nvt

aromatische oplosmiddelen (som)6

2,5*

 

2,5

2,5

nvt

nvt

             

4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)

naftaleen

 

X

   

nvt

nvt

fenantreen

 

X

   

nvt

nvt

antraceen

 

X

   

nvt

nvt

fluorantheen

 

X

   

nvt

nvt

chryseen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(a)antraceen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(a)pyreen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(k)fluorantheen

 

X

   

nvt

nvt

indeno(1,2,3cd)pyreen

 

X

   

nvt

nvt

benzo(ghi)peryleen

 

X

   

nvt

nvt

PAK’s totaal (som 10)

1,5

 

6,8

40

nvt

nvt

             

5. Gechloreerde koolwaterstoffen

a. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen

monochlooretheen (vinylchloride)7

0,10*

 

0,10

0,1

nvt

nvt

dichloormethaan

0,10

 

0,10

3,9

nvt

nvt

1,1-dichloorethaan

0,20*

 

0,20

0,20

nvt

nvt

1,2-dichloorethaan

0,20*

 

0,20

4

nvt

nvt

1,1-dichlooretheen7

0,30*

 

0,30

0,30

nvt

nvt

1,2-dichlooretheen (som)

0,30*

 

0,30

0,30

nvt

nvt

dichloorpropanen (som)

0,80*

 

0,80

0,80

nvt

nvt

trichloormethaan (chloroform)

0,25*

 

0,25

3

nvt

nvt

1,1,1-trichloorethaan

0,25*

 

0,25

0,25

nvt

nvt

1,1,2-trichloorethaan

0,30*

 

0,30

0,30

nvt

nvt

trichlooretheen (Tri)

0,25*

 

0,25

2,5

nvt

nvt

tetrachloormethaan (Tetra)

0,30*

 

0,30

0,7

nvt

nvt

tetrachlooretheen (Per)

0,15

 

0,15

4

nvt

nvt

             

b. chloorbenzenen

monochloorbenzeen

0,20*

 

0,20

5

nvt

nvt

dichloorbenzenen (som)

2,0*

 

2,0

5

nvt

nvt

trichloorbenzenen (som)

0,015*

 

0,015

5

nvt

nvt

tetrachloorbenzenen (som)

0,0090*

 

0,0090

2,2

nvt

nvt

pentachloorbenzeen

0,0025

X

0,0025

5

nvt

nvt

hexachloorbenzeen

0,0085

X

0,027

1,4

nvt

nvt

chloorbenzenen (som)

           
             

c. chloorfenolen

monochloorfenolen (som)

0,045

 

0,045

5,4

nvt

nvt

dichloorfenolen (som)

0,20*

 

0,20

6

nvt

nvt

trichloorfenolen (som)

0,0030*

 

0,0030

6

nvt

nvt

tetrachloorfenolen (som)

0,015*

 

1

6

nvt

nvt

pentachloorfenol

0,0030*

X

1,4

5

nvt

nvt

chloorfenolen (som)

           
             

d. polychloorbifenylen (PCB’s)

PCB 28

 

X

   

nvt

nvt

PCB 52

 

X

   

nvt

nvt